[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":55,"total":16,"page":25,"limit":161},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},12,{"min":18,"max":19},"2026-01-28T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,29,33,37,40,43,46,49,52],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123399","Burgerlijk Wetboek","art. 6:95 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123015","art. 6:170",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"123848","Verordening","art. 6 lid 1",{"provisionId":34,"code":35,"article":36,"count":25},"123849","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 11",{"provisionId":38,"code":31,"article":39,"count":25},"123851","art. 26 lid 1",{"provisionId":41,"code":35,"article":42,"count":25},"123852","art. 9 lid 1",{"provisionId":44,"code":35,"article":45,"count":25},"123854","art. 107",{"provisionId":47,"code":23,"article":48,"count":25},"123856","art. 7:907",{"provisionId":50,"code":35,"article":51,"count":25},"123857","art. 22 lid 1",{"provisionId":53,"code":35,"article":54,"count":25},"123858","art. 22 lid 2",[56,67,76,85,94,102,110,119,128,136,145,154],{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":61,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":65,"updatedAt":66},"1226","ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","ecli-nl-ghams-2026-1827","","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.345.869\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F722547 \u002F HA ZA 22-717\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publieke rechtspersoon\n\nPARTICIPATIEBEDRIJF […] ,\n\nzetelend te [plaats ] ,\n\nappellante,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam,\n\ntegen\n\nABN AMRO BANK N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellante,\n\nadvocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna […] en de Bank genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe Bank wordt aangesproken door […] op grond van onrechtmatige daad. […] is de (voormalig) werkgever van een (voormalige) klant van de Bank, die op een rekening bij de Bank in totaal ruim € 4,5 miljoen heeft gestort die hij via fraude bij zijn werkgever […] gedurende 12 jaar heeft ontvreemd. De gestorte bedragen werden steeds korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen. De Bank wordt verweten dat zij had moeten ontdekken dat er via haar bankrekening werd gefraudeerd en dat zij eerder had moeten ingrijpen.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. \n […] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 26 april 2023 en 8 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen […] als eiseres en de Bank als gedaagde.\n\n2.2.. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van […] met negen producties;\n\n- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Bank;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel appel van […] .\n\n2.3.. \n\nOp 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft […] een akte genomen waarbij zij haar eis heeft verminderd. De Bank heeft bij akte nog een productie in het geding gebracht. Beide aktes zijn toegevoegd aan het procesdossier.\n\n2.4.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. \n […] is een publiekrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening in de [plaats 1] Kempen. Zij ontvangt publiekrechtelijke gelden om inwoners van de Kempengemeenten te ondersteunen terug aan het werk te gaan, onder meer door exploitatie van een sociale werkplaats. […] is één van de grootste werkgevers in de regio en ontvangt jaarlijks ongeveer € 16 miljoen aan gemeentelijke bijdragen.\n\n3.3.. \n […] heeft een bankrekening bij haar huisbank BNG (hierna: de BNG-rekening).\n\n3.4.. In 1998 is de heer [naam 1] in dienst getreden bij […] als medewerker bij de financiële administratie. Zijn salaris werd betaald op een bankrekening bij Rabobank. Daarnaast had [naam 1] sinds 1988 een bankrekening bij de Bank (hierna ook: de ABN-rekening).\n\n3.5.. In 2005 heeft [naam 1] op verzoek van de Bank een kopie van zijn paspoort verstrekt.\n\n3.6.. Vanaf 2007 heeft [naam 1] in totaal meer dan € 4,5 miljoen van […] frauduleus contant gestort en giraal overgeboekt naar zijn ABN-rekening.\n\n3.7.. De fraude van [naam 1] is te verdelen in twee periodes. Van 2007 tot en met 2014 heeft [naam 1] contant geld van […] op zijn ABN-rekening gestort. Dit geld was afkomstig uit de kantine en van contant betaalde facturen. Uit het transactieoverzicht van de ABN-rekening blijkt dat er in deze periode 332 keer contant geld is gestort op de ABN-rekening, waarvan elke 2 tot 3 weken circa € 1.000,00 in muntgeld.\n\n3.8.. In 2011 hebben de beveiligingssystemen van de Bank gemeld dat er op de bankrekening van [naam 1] veel contantgeldstortingen plaatsvonden. Daar is toen verder geen gevolg aan gegeven door de Bank.\n\n3.9.. In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [naam 1] giraal geld van […] verduisterd door facturen van crediteuren van […] niet alleen aan de daadwerkelijke crediteuren te betalen, maar ook handmatig over te maken naar zijn ABN-rekening. In deze periode zijn er 417 betalingen gedaan vanaf de BNG-rekening naar de ABN-bankrekening voor een totaalbedrag van € 4.534.778,78. Het meeste geld is verduisterd in de periode van mei 2017 tot en met augustus 2019: ongeveer € 4 miljoen. [naam 1] heeft de fraude verhuld door administratief te sjoemelen met balansposten en door te lage btw-aangiftes te doen.\n\n3.10.. \n [naam 1] behield het geld niet zelf; hij werd afgeperst door een bekende. Via contante opnames bij geldautomaten werd het geld door [naam 1] aan deze persoon afgegeven. De afperser, diens echtgenote en diens ex-echtgenote hebben het geld opgemaakt.\n\n3.11.. Op 29 januari 2016 heeft [naam 1] telefonisch zijn dagelijkse paslimiet bij de Bank eenmalig verhoogd naar € 10.000,00 en dat bedrag ook opgenomen. Op 28 maart 2018 heeft [naam 1] twee keer een telefoongesprek gehad met de klantenservice van de Bank over het verhogen van zijn paslimiet.\n\n3.12.. De jarenlange fraude is aan het licht gekomen nadat in juni 2019 een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring van de Bank, die een onderzoek deed naar contante geldopnames via geldautomaten (ATM’s), stuitte op de veelvuldige geldopnames door [naam 1] .\n\n3.13.. \n\nOp 20 juni 2019 heeft deze medewerker intern de volgende e-mail gestuurd:\n\n“Ik ben bezig met een onderzoekje naar de mogelijkheden om opnames via ATM in een eerder stadium te laten stoppen om fraudeschade te voorkomen, en als het voor de klant een normaal patroon is, daar niet in te grijpen. Bij dat onderzoek ben ik nu bezig met de opnames van afgelopen zondag.\n\nDaarbij vind ik ook deze rekening (…)\n\nBetreft een privérekening van klant [naam 1] in [plaats ] , die al geruime tijd bezig is om contant geld op te nemen wat zonder uitzondering afkomstig is van [X] Groep met rekeningnummer (…).\n\n [X] is volgens google info een instantie die zich ten doel voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap oid, aan het werk te zetten.\n\n [naam 1] is stukadoor. In theorie kan het zo zijn dat er mensen aan het werk worden gezet, maar ik vertrouw het voor geen meter, waarom dan al die bedragen cash opnemen. Ik vermoed fraude met gemeenschapsgeld, fiscale fraude oid…\n\nWil jij je licht hier eens over laten schijnen? Dit gaat over tonnen, als het al geen miljoen is. Is ook al lang bezig. Zou in ieder geval een AML alert moeten zijn, transacties via privérekening terwijl het zakelijk zou moeten zijn..\n\nKijk maar in klantbeeld. Het is niet eens op te tellen wat de omvang is als je een jaar terug moet.. Heb je database bij nodig.”\n\n3.14.. \n\nDaarop heeft een medewerker van de afdeling Compliance, Security & Integrity Management en Intelligence van de Bank op 24 juni 2019 geantwoord:\n\n“Heb even gekeken voor je: in ons casemanagement systeem kwam ik zo 1,2,3 niks tegen, maar op de rekeningen zag ik inderdaad wel een heel opvallend patroon: de gelden worden direct en geheel contant opgenomen, en het lijkt er op dat de ontvangen gelden een uitkering zijn.\n\nDus dit lijkt me zeker een onderzoekswaardig signaal om verder uit te zetten bij Retail-EDR team, zodat zij navraag kunnen doen bij de klant naar de bestemming (en herkomst) van deze ontvangen gelden en de vele contante opnames. (…)”\n\n3.15.. \n\nDezelfde medewerker heeft op dezelfde dag aan de KYC-desk (KYC = Know Your Customer) van de Bank gemaild:\n\n“Ik heb een verzoek aangaande bc nr (…): dhr [naam 1] uit [plaats ] ontvangt gelden afkomstig van [X] Groep (…), een overheidsinstantie die zich ten doel stelt voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap aan het werk te zetten.\n\nWe zien op de rekening echter dat al geruime tijd sprake is van (vele) contante opnames van deze gelden en dat er ook behoorlijke bedragen worden ontvangen vanuit de [X] Groep. Ook vragen we ons af of de privé-rekening zakelijk wordt gebruikt.\n\nIs er bij jullie toevallig meer bekend over deze klant, over de herkomst van de subsidies en reden achter de vele contante opnames? Indien dit niet zo is: zou een EDR opgestart kunnen worden, waarbij navraag wordt gedaan aan de klant over de herkomst van de subsidies (waarom ontvangt hij deze, kan hij dit aantonen met de benodigde documentatie), en met name de reden achter de vele contante opnames? Ook zie ik voldoende signalen om na te gaan of sprake is van zakelijk gebruik van de rekening. (…)”\n\n3.16.. Op 1 juli 2019 heeft het KYC-team van de Bank intern gemaild dat zij geen Wwft-risico ziet, maar wel mogelijk zakelijk gebruik van een privérekening.\n\n3.17.. Op 13 augustus 2019 heeft de Bank een brief gestuurd aan [naam 1] met de aankondiging dat zij contact zal opnemen met [naam 1] over onder meer de activiteiten op zijn bankrekening.\n\n3.18.. Op 22 augustus 2019 heeft de Bank telefonisch contact gehad met [naam 1] over de activiteiten op zijn ABN-rekening. [naam 1] heeft gezegd dat hij licht administratief werk verricht voor […] , dat zijn salaris van […] wordt gestort op een bankrekening bij de Rabobank en dat de bedragen op de ABN-rekening worden gebruikt om leveranciers contant te betalen. Verder heeft hij aangegeven de rekening te zullen opheffen omdat hij begrijpt dat hij dit niet via zijn privérekening kan doen.\n\n3.19.. Op 23 augustus 2019 heeft [naam 1] de bankrekening bij de Bank opgeheven. Na beëindiging had [naam 1] alleen nog een beleggingspolis bij de Bank. De fraude heeft [naam 1] vervolgens voortgezet via zijn bankrekening bij Rabobank.\n\n3.20.. Op 19 september 2019 heeft BNG haar klant […] erop gewezen dat was waargenomen dat bedragen die vanaf de BNG-rekening waren betaald aan crediteuren ook nog een keer waren betaald aan [naam 1] . De volgende dag, op 20 september 2019, is de BNG-rekening bevroren.\n\n3.21.. Op 27 september 2019 heeft […] aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] is strafrechtelijk vervolgd voor de fraude en daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn afperser, diens echtgenote en ex-echtgenote zijn strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld, onder meer voor witwassen en heling.\n\n3.22.. \n […] heeft haar eigen bestuurlijk handelen laten onderzoeken. In een rapport van [naam 2] van april 2021 is geconcludeerd dat het voor het bestuur niet mogelijk was de feitelijke fraude te signaleren; de accountant heeft het niet waargenomen en er waren ook geen andere indicaties van fraude. Verder is geconcludeerd dat het bestuur weinig aandacht heeft gehad voor de interne bedrijfsvoering en beheersing van risico’s, waardoor het bestuur signalen heeft gemist dat […] risico’s liep. Meer aandacht van het bestuur voor interne beheersing had volgens het rapport de risico’s op fraude verkleind.\n\n3.23.. In mei 2021 heeft […] met toestemming van [naam 1] aan de Bank verzocht om inzage in het interne klantdossier van [naam 1] bij de Bank. De Bank heeft geweigerd om het volledige interne klantdossier aan […] toe te sturen. De Bank heeft wel een aantal interne e-mails, de correspondentie met [naam 1] en een intern overzicht van de telefoongesprekken met [naam 1] aan […] gestuurd, waaronder de hiervoor geciteerde.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n […] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot:\n\n- betaling van haar schade, in hoofdsom begroot op € 4.534.778,78, vermeerderd met wettelijke rente en\n\n- € 553.434,00 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en\n\n- € 8.197,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten en\n\n- de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\nIn haar eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank de Bank veroordeeld tot betaling aan […] van € 54.093,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 en een bedrag van € 6.601,67 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, met compensatie van de proceskosten.\n\nDaartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank vanaf 20 juni 2019, toen zij zich bewust werd van het feit dat er sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de bankrekening van [naam 1] en het gevaar dat daarvan uitging voor […] , jegens haar aansprakelijk is wegens schending van de bancaire zorgplicht. Van de daardoor voor […] ontstane schade van in totaal € 270.466,91 blijft 80% voor rekening van […] wegens eigen schuld. De gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de rechtbank met hetzelfde percentage verlaagd als de oorspronkelijke vordering van […] van ruim € 4,5 miljoen.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n\nIn principaal appelvordert […] onder aanvoering van vier grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.\n\nOmdat […] inmiddels van [naam 1] en van de ex-vrouw van diens afperser op 17 december 2024 en 8 april 2025 bedragen van respectievelijk € 110.900,00 en € 14.950,00 heeft geïnd en […] met haar accountant vanwege diens tekortschietend toezicht op 3 april 2025 voor een bedrag van € 975.758,00 een regeling heeft getroffen, heeft […] bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar eis dienovereenkomstig verminderd.\n\n5.2.. In incidenteel appelvordert de Bank onder aanvoering van drie grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vorderingen van […] , met veroordeling van […] in de proceskosten van beide instanties.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. De vorderingen in het principaal appel en het incidenteel appel hangen ten nauwste met elkaar samen, zodat deze gezamenlijk zullen worden beoordeeld.\n\nIs de Bank jegens […] aansprakelijk?\n\n6.2.. De grieven 1 en 2 in het principaal appel en de eerste grief in het incidenteel appel stellen aan de orde op welk moment er bij de Bank sprake was van subjectieve wetenschap dat via de bankrekening van [naam 1] kort gezegd werd gefraudeerd. […] stelt dat de Bank al veel eerder dan 20 juni 2019 subjectieve wetenschap had dat er mogelijk gefraudeerd werd (subjectief gevaarsbewustzijn). Daarbij wijst zij onder andere op het verzoek van [naam 1] in 2016 om de daglimiet op zijn pas te verhogen tot € 10.000,00 en het grote aantal contante opnames via geldautomaten. De Bank daarentegen stelt dat er bij haar op 20 juni 2019 pas een eerste aanwijzing was dat er mogelijk gefraudeerd werd via haar bankrekening en dat zij daarna nog intern onderzoek moest doen voordat er bij haar sprake kon zijn van subjectief gevaarsbewustzijn. Primair is zij echter van mening dat zij jegens […] in het geheel niet aansprakelijk is.\n\n6.3.. Op een bank rust, vanwege haar maatschappelijke functie, een zorgplicht ten opzichte van derden als […] met de belangen van wie zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een bank mag blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad worden verwacht dat zij, wanneer sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening en de bank zich bewust is van het gevaar dat daaraan is verbonden, nader onderzoek doet. Daarbij kan gewicht toekomen aan het feit dat er – door de bank of door de klant – wettelijke regels zijn overtreden.6.4.. Vastgesteld kan worden dat vanaf 2007 gedurende meer dan tien jaar sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de ABN-rekening van [naam 1] . In de eerste periode was er de grote hoeveelheid contante stortingen, gevolgd door een grote hoeveelheid overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] . Aldoor werd het geld korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen\n\n6.5.. \n\nVooropgesteld zij dat het enkele feit dat op een bankrekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvindt, nog niet betekent dat een bank gehouden is onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet dat een bank zonder meer verplicht is het betalingsverkeer op al haar rekeningen voortdurend te controleren of te monitoren en een onderzoek te starten zodra het een ongebruikelijk patroon kent. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat klanten van banken vrij zijn hun geld te besteden, zonder dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen aan hun bank.\n\nBepalend is of een bank zich ook bewust was van het gevaar dat was verbonden aan het ongebruikelijke betalingsverkeer. Pas als een bank zich bewust is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening én van het daaraan verbonden gevaar (in dit geval: fraude), is zij op grond van haar zorgplicht gehouden op te treden.\n\n6.6.. De Bank wordt tegengeworpen dat zij haar wettelijke KYC-verplichting heeft verzaakt omdat zij onvoldoende inzicht had in de persoonlijke situatie van [naam 1] , terwijl zij ook niet heeft onderkend dat de gelden afkomstig waren van een rekening bij BNG, waar in principe alleen publieke rechtspersonen bankieren. Verder zou zij signalen zoals een systeemmelding dat er sprake was van veel cashgeldstortingen (vgl. 3.8.) hebben genegeerd en verzoeken van [naam 1] om verhoging van paslimieten (vgl. 3.11.) klakkeloos hebben ingewilligd. De Bank had daarom, zo begrijpt het hof het betoog van […] , al eerder subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.7.. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3399 (Van den Berg), rov. 4.6) volgt dat bepalend is van welke feiten en omstandigheden de Bank zich bewust was. Gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, waarvan de rechter mag uitgaan, kan dit onder omstandigheden meebrengen dat bewustheid van het gevaar kan worden verondersteld. Daarbij gaat het er dus niet om wat de Bank had kunnen weten, maar wat zij daadwerkelijk wist en of zij - gelet op haar specifieke positie en deskundigheid - op basis van wat aan haar bekend was, zich bewust moest zijn van het daaraan verbonden gevaar voor derden.\n\n6.8.1. \n\n [naam 1] had sinds 1988 een rekening bij de Bank. Niet in geschil is dat de Bank weinig wist van zijn persoonlijke omstandigheden. Kennelijk beschikte de Bank alleen over een kopie van zijn paspoort. Uit niets blijkt dat de Bank wist dat hij in loondienst was bij […] , van wiens BNG-rekening [naam 1] vanaf 2014 geld overmaakte naar zijn ABN-rekening. De Bank kende dus niet [naam 1] ’ integrale betalingsverkeer; zij had geen inzage in [naam 1] ’ inkomenspositie en evenmin is gebleken dat zij inzage had in zijn vermogenspositie.\n\nVanaf 2007 was er kennelijk vooral sprake van contante stortingen door [naam 1] . Het grote aantal stortingen op deze particuliere rekening is in 2011 ook in de systemen van de Bank opgevallen (vgl. 3.8.), maar daaraan is geen gevolg gegeven. In 2014 stopten die stortingen en begonnen de overmakingen. Steeds werd het geld kort na de storting of overmaking via opnames bij geldautomaten contant opgenomen. Van de bedragen die vanaf de BNG-rekening werden overgemaakt is tussen 2014 tot begin 2018 in totaal circa € 1 miljoen contant opgenomen. Daarna namen de geldopnames in frequentie en hoogte in rap tempo toe.\n\n6.8.2. \n […] stelt in hoger beroep dat [naam 1] zijn paslimiet in 2016 eenmalig tot € 10.000,00 heeft verhoogd en in 2018, zo begrijpt het hof haar betoog, permanent naar € 10.000,00. Dit waren volgens […] signalen waar de Bank op had moeten aanslaan. Bovendien is het [naam 1] , nadat hij in 2016 eenmalig het bedrag van € 10.000,00 had opgenomen, in 2017 regelmatig gelukt om hogere bedragen dan zijn limiet toeliet via geldautomaten contant op te nemen. Dit laatste heeft de Bank niet gemotiveerd betwist. Haar verweer komt erop neer dat het niet ongebruikelijk is dat klanten bedragen van € 10.000,00 contant opnemen en dat bij een telefonisch verzoek om verhoging van de limiet de callcentermedewerker alleen kijkt of het saldo dit toelaat. De bankrekening wordt op zo’n moment wegens tijdgebrek niet volledig doorgelicht en geanalyseerd, zo heeft de Bank onbetwist aangevoerd. De Bank betoogt daarom terecht dat deze verzoeken geen indicaties opleverden dat zij op die momenten bekend was met het verloop op de rekening, laat staan van het concrete gevaar voor […] . Zelfs als het juist is dat het systeem van de Bank in 2017 heeft gefaald en heeft toegestaan dat [naam 1] meer kon opnemen dan de voor hem geldende limiet toeliet, volgt ook daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat de Bank zich ervan bewust was dat er sprake was van een dreigend gevaar. Het enkele gegeven dat het ging om zeer veel contante geldopnames van telkens grote bedragen, maakt dit niet anders. Het regelmatig opnemen van cash geld was op zichzelf in de jaren 2007-2019 immers niet ongebruikelijk\n\n6.8.3. In strafrechtelijke zin was hier weliswaar sprake van witwassen, maar onvoldoende is gebleken dat er voor de Bank tot 20 juni 2019 concrete aanwijzingen waren dat door [naam 1] werd witgewassen doordat hij bij zijn werkgever geld wegnam. Ook uit de melding in 2011 dat er opvallende cash opnames waren (3.8) blijkt dat niet. De Bank heeft toegelicht dat dit een automatisch gegenereerde melding is geweest die destijds door het systeem zelf snel weer automatisch is gesloten, waarschijnlijk omdat deze zag op een bedrag onder de € 10.000,00. Verder heeft de Bank desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze melding nooit door een medewerker is gezien en pas bij haar bekend is geworden nadat zij na het ontvangen van de dagvaarding in deze zaak onderzoek is gaan doen naar het betalingsverkeer op de rekening. […] heeft dat niet betwist. Zelfs als de Bank zich in 2011 wel bewust was geweest van deze melding volgt uit dat enkele feit nog niet dat de Bank wist dat ongebruikelijke activiteiten plaatsvonden die aanleiding hadden moeten zijn voor onderzoek. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Bank vanwege de herkomst van de gelden van een rekening bij BNG, zich eerder ervan bewust is geweest dat hier mogelijk sprake was van fraude.\n\n6.8.4. Bij het voorgaande kan niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang klant was bij de Bank, dat de Bank geen inzicht had in zijn integrale betalingsverkeer en dat het (op zichzelf ongebruikelijke) betalingsverkeer op zijn ABN-rekening kennelijk nooit tot vragen of problemen had geleid. Er was ook geen sprake van verboden betalingsverkeer: indien een klant over voldoende middelen beschikt (hetgeen bij [naam 1] ogenschijnlijk het geval was), mag die klant zijn geld immers contant opnemen en uitgeven. De voor de Bank kenbare feiten, die jarenlang voortduurden, duidden er aldus onvoldoende op dat er via haar bankrekening mogelijk fraude plaatsvond. Tegen die achtergrond kan, anders dan […] stelt, ook niet worden geconcludeerd dat de Bank geen juiste risico-inschatting van haar klant [naam 1] heeft gemaakt en zodoende haar wettelijke KYC-verplichtingen heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat die verplichtingen zijn nageleefd. Daarbij komt dat die verplichtingen in beginsel niet strekken tot bescherming van derden als […] tegen fraude. De gedingstukken bieden naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er bij de Bank vóór 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.9.. Het hof is van oordeel dat er pas op 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn bij een medewerker van de Bank. Op die dag onderkende deze medewerker dat er mogelijk sprake was van een vorm van fraude (zie 3.13). De medewerker heeft vervolgens hierover aan de bel getrokken, waarna nader onderzoek is verricht (zie 3.14 e.v.). De Bank heeft terecht aangevoerd dat het gevaarsbewustzijn van de betreffende medewerker nog niet meebrengt dat dit ook onmiddellijk aan de rechtspersoon, de Bank, kan worden toegerekend. Daarvoor is ten minste nodig dat degene(n) die kunnen beslissen over het al dan niet nemen van maatregelen tegen de cliënt, op de hoogte raken van de mogelijke fraude. Dat kost enige tijd. Het subjectieve gevaarsbewustzijn bij de medewerker van de Bank kan daarom pas enige tijd na 20 juni 2019 worden toegerekend aan de Bank. Op het moment dat dit gevaarsbewustzijn bij de Bank ontstond, bracht de bancaire zorgplicht mee dat de Bank nader onderzoek zou doen, en vervolgens, als zou blijken dat sprake was van fraude, handelend zou optreden en het [naam 1] onmogelijk zou maken nog langer van de rekening gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat binnen vier weken na 20 juni 2019, dus uiterlijk op 18 juli 2019, het nodige nadere onderzoek had kunnen zijn afgerond.\n\n6.10.. Uit de stukken blijkt dat de bevindingen die de medewerker op 20 juni 2019 deed, zijn doorgesluisd en nader zijn onderzocht door de Bank. Daaraan is uiteindelijk door de Bank de conclusie verbonden dat er kort gezegd geen Wwft-risico werd gezien, maar dat mogelijk een privérekening zakelijk werd gebruikt. Daarover is in augustus 2019 contact opgenomen met [naam 1] . Het daarop volgende gesprek heeft ertoe geleid dat [naam 1] de bankrekening op 23 augustus 2019 opzegde. Volgens de Bank heeft zij pas na maart 2020 vernomen dat [naam 1] werknemersfraude had gepleegd.\n\n6.11.. Indien in de periode na 20 juni 2019 correct onderzoek was gedaan door de Bank als bedoeld in rov. 6.9, zou aan het licht zijn gekomen dat er voor het betalingsverkeer op de rekening van [naam 1] - de stortingen en de overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] naar hem privé, gevolgd door contante opnames korte tijd later gedurende een periode van twaalf jaar - geen goede verklaring was en dat alles erop wees dat er sprake was van fraude. Dan zou zijn ontdekt dat […] de werkgever van [naam 1] was (zoals [naam 1] op 22 augustus 2019 ook aan de Bank heeft verklaard, vgl. 3.18) en dat het patroon van overmakingen - zeker zoals zich dat na begin 2018 manifesteerde, toen in anderhalf jaar tijd circa € 3,5 miljoen via de ABN-rekening van [naam 1] verdween - niet duidde op salarisbetalingen aan [naam 1] , maar op illegale onttrekkingen van gelden van een overheidslichaam. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat onmiddellijk na afronding van een correct onderzoek als bedoeld in rov. 6.9 nog diezelfde dag [naam 1] in ieder geval zou zijn verhinderd nog langer van zijn bankrekening gebruik te maken en dat waarschijnlijk ook de relatie met [naam 1] zou zijn beëindigd. Dit had uiterlijk op 18 juli 2019 moeten gebeuren. De Bank is aldus te verwijten dat zij in de periode na 20 juni 2019 heeft nagelaten correct onderzoek te doen, waardoor zij [naam 1] niet voor 19 juli 2019 heeft verhinderd nog langer van de bankrekening gebruik te maken. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens […] . Als het onderzoek correct zou zijn uitgevoerd, zou […] vanaf 19 juli 2019 geen schade meer hebben geleden. Zodoende is de Bank aansprakelijk voor de schade die […] heeft geleden tussen 19 juli 2019 en het beëindigen van de ABN-rekening op 23 augustus 2019.\n\n6.12.. De vordering van […] is in tijd begrensd tot de laatste frauduleuze overboeking van [naam 1] vanaf de ABN-rekening op 6 augustus 2019. De vraag of de Bank na 23 augustus 2019 BNG en\u002Fof […] van haar toen aan het licht gekomen bevindingen ten aanzien van [naam 1] op de hoogte had moeten stellen (en zo meer schade voorkomen had kunnen worden), hoeft daarom niet beantwoord te worden. Ook de betwisting van de Bank van de stelling van […] dat de Bank eind augustus 2019 haar huisbank BNG heeft geïnformeerd over [naam 1] , is voor de beoordeling daarom niet relevant.\n\n6.13.. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in het principale appel van […] falen en dat de eerste grief in het incidentele appel van de Bank slaagt.\n\nEigen schuld\n\n6.14.. De tweede grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat […] 80% eigen schuld heeft. Volgens […] is dat percentage te hoog, terwijl de Bank betoogt dat […] 100% eigen schuld heeft. Beide grieven falen. De fraude door [naam 1] was weliswaar enigszins verhuld, maar dat is doorgaans het geval. Dat er sprake was van een ingenieuze fraude, zoals door […] onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] is betoogd, kan het hof niet onderschrijven. Niet goed valt in te zien waarom bij […] twaalf jaar lang niet aan het licht is gekomen dat door [naam 1] contant geld van de kantine werd weggesluisd en daarna dat door hem facturen dubbel werden betaald. Een en ander duidt erop dat de voor een correcte bedrijfsvoering vereiste interne controlemechanismen ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald. Ook de eigen accountant heeft dit kennelijk niet ontdekt. Het feit dat deze inmiddels voor een bedrag van bijna € 1 miljoen een schikking heeft getroffen met […] (zie 5.1), duidt erop dat ook het externe toezicht, waarvoor […] richting de Bank heeft in te staan, gebrekkig was. Het is […] dan ook aan te rekenen dat er in totaal meer dan € 4,5 miljoen (dit betreft alleen de girale overschrijvingen, dus zonder de contante geldstortingen) naar een privérekening van een eigen medewerker is gevloeid, zonder dat dit kennelijk ooit tot vragen heeft geleid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom 80% van de schade voor eigen rekening van […] dient te blijven. De billijkheidscorrectie vergt in dit geval geen andere verdeling.\n\n6.15.. Het voorgaande leidt tot het volgende. Tussen 18 juli 2019 en 6 augustus 2019 is vanaf de BNG rekening door [naam 1] in drie keer een bedrag van in totaal € 71.069,04 overgeboekt (€ 18.988,52 op 2 augustus 2019, € 24.974,40 op 5 augustus 2019 en € 27.106,12 op 6 augustus 2019; vgl. productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarvan blijft 80% voor eigen rekening van […] , zodat de Bank haar in hoofdsom € 14.213,81 moet vergoeden. De wettelijke rente over 20% van de genoemde deelbedragen is verschuldigd vanaf respectievelijk 2 augustus 2019, 5 augustus 2019 en 6 augustus 2019.\n\nKosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid\n\n6.16.. Tot slot is er nog discussie over de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens […] hebben die meer dan € 500.000,00 bedragen. In haar vierde grief in het principaal appel stelt zij dat de rechtbank daar ten onrechte een korting op heeft toegepast. De Bank betoogt in haar derde grief in het incidenteel appel dat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.\n\n6.17.. \n\nUit de stukken blijkt dat de gevorderde kosten zien op:\n\n(1) het onderzoek van BDO naar de werkwijze van [naam 1] en de omvang van de door hem gepleegde fraude (€ 291.569,25);\n\n(2) de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO (€ 27.664,75 + (een deel van) € 8.250,00);\n\n(3) het herstellen van de eigen administratie (€ 81.450,00 en (een deel van) € 8.250,00) en\n\n(4) het (extra) werk van eigen werknemers (€ 144.500,00).\n\n6.18.. Voor zover de kosten zien op de omvang van de door [naam 1] gepleegde fraude, komen deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Tegelijkertijd heeft wat betreft de Bank te gelden dat zij alleen aansprakelijk is voor de overmakingen vanaf de BNG-rekening naar de rekening van [naam 1] bij haar. Naar mag worden aangenomen is dit betrekkelijk eenvoudig en zonder veel kosten te achterhalen. Er hoeft immers alleen geïnventariseerd te worden hoeveel geld er naar de ABN-rekening van [naam 1] is overgemaakt. In het licht hiervan zijn de hoge kosten voor het onderzoek van BDO naar de omvang van de fraude en voor de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO niet redelijkerwijs noodzakelijk en niet in die omvang aan de Bank toe te rekenen. In het licht van de betwisting door de Bank, is maar een beperkt bedrag toewijsbaar. Het hof zal dit schatten en en verdisconteren in een (totaal)bedrag als hierna onder 6.21 te melden.\n\n6.19.. Een aanzienlijk deel van de kosten van BDO ziet op het door […] geëntameerde onderzoek naar hoe de fraude (zo lang) heeft kunnen voortduren en naar waar haar interne processen hebben gefaald. Een en ander is weliswaar door de fraude aan het licht gekomen, maar is niet veroorzaakt door de fraude. Dit is dan ook geen schade die in causaal verband staat tot de fraude, zodat die reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\n6.20.. Wat betreft de schade die samenhangt met het herstel van de eigen administratie en met het daaruit voortvloeiende extra werk voor eigen werknemers heeft te gelden dat deze kosten strikt genomen niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit laat echter onverlet dat zij als gevolgschade op de voet van artikel 6:95 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Tegelijkertijd is van belang dat de Bank maar voor een fractie van de totale schade van meer dan € 4,5 miljoen (dus circa 0,33%) is aan te spreken. Weliswaar is aannemelijk dat door de lange duur en de omvang van de fraude, de reconstructie van de administratie kostbaar zal zijn geweest, maar ook hier geldt dat de Bank door […] slechts voor 20% is aan te spreken voor het verdwijnen van ruim € 70.000,00 en niet voor de reconstructie van de administratie in de periode tot 18 juli 2019. Daarbij gaat het bovendien om bedragen die zijn verdwenen net voordat in september 2019 bij […] de fraude aan het licht kwam. In een lopend boekjaar is zoiets in beginsel betrekkelijk eenvoudig administratief te herstellen. De door […] in dit kader gevorderde bedragen van € 81.450,00 voor de werkzaamheden van JPD Financiën & Advies voor het herstel van de administratie en in totaal € 144.500,00 voor extra werk van eigen werknemers, wat daar verder ook van zij, oordeelt het hof dan ook niet in verhouding staan tot het bedrag waarvoor de Bank door […] is aan te spreken. Er is geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten. Ook hier is maar een beperkt bedrag toewijsbaar.\n\n6.21.. Alles in ogenschouw nemend, oordeelt het hof voor het vaststellen van de omvang van de fraude en het herstel van de eigen administratie een bedrag van € 1.000,00 als schadevergoeding redelijk. Daarbij heeft het hof ermee rekening gehouden dat ook hier de Bank voor slechts 20% van de schade aansprakelijk is.\n\n6.22.. De derde grief van de Bank in het incidenteel appel slaagt aldus deels en de vierde grief van […] in het principaal appel faalt. Het hof merkt hierbij op dat tegen de afwijzing door de rechtbank van de door […] in eerste aanleg gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 8.197,75 geen grief is gericht.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.23.. Het hoger beroep heeft succes. De eerste en de derde grief in het incidenteel appel van de Bank slagen. Het eindvonnis wordt (gedeeltelijk) vernietigd in die zin dat de Bank zal worden veroordeeld tot betaling aan […] van in hoofdsom € 14.213,81, te vermeerderen met wettelijke rente als na te bepalen en tot € 1.000,00 wegens kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van deze bedragen wordt niet geraakt doordat […] in hoger beroep haar eis heeft verminderd met circa € 1,1 miljoen. Het tussenvonnis van 26 april 2023 zal worden bekrachtigd.\n\n6.24.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.25.. De vordering van […] wordt grotendeels afgewezen. […] zal daarom als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nVoor de eerste aanleg:\n\n- griffierecht € 8.519,00\n\n- salaris advocaat € 15.249,50tarief VIII, 3,5 punten)\n\nTotaal € 23.768,50\n\nVoor het principaal hoger beroep:\n\n- griffierecht € 13.124,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 26.342,00\n\nVoor het incidenteel hoger beroep:\n\n- salaris advocaat € 6.609,00 (tarief VIII, 0,5 x 2 punten)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. vernietigt het eindvonnis van 8 mei 2024,\n\nen doet opnieuw recht:\n\n7.2.. veroordeelt de Bank om aan […] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:\n\n- een bedrag van € 14.213,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over 20% van € 18.988,52 vanaf 2 augustus 2019, van € 24.974,40 vanaf 5 augustus 2019 en van € 27.106,12 vanaf 6 augustus 2019,\n\n- alsmede een bedrag van € 1.000,00,\n\n7.3.. bekrachtigt het tussenvonnis van 26 april 2023,\n\n7.4.. veroordeelt […] in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van de Bank voor de eerste aanleg vastgesteld op € 23.768,50 en voor het principaal en het incidenteel hoger beroep op respectievelijk € 26.342,00 en € 6.609,00,\n\n7.5.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.014Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":65,"updatedAt":75},"503","ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","ecli-nl-rbams-2026-6701","2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11957110 CV EXPL 25-15517\n\nvonnis van: 3 juli 2026\n\nfno.: 454\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nnader te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Smink (DAS),\n\nt e g e n\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 1.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 2.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagden gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden] met bijlagen;\n\nhet instructievonnis van 19 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor [gedaagden] is dhr. [naam] (bestuurder van de Stichting MOY) verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. Smink heeft een pleitnota voorgedragen en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [gedaagde 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] .\n\nIn het pand worden twee onzelfstandige woonruimtes en vier zelfstandige\n\nWoonruimtes verhuurd.2.2.. De [bedrijf] was beheerder van het onroerend goed van [gedaagde 2] was (middellijk) bestuurder van de Stichting, totdat hij het bestuur van de Stichting heeft overgedragen aan zijn zoon, die zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft ingeschreven als bestuurder van de Stichting.2.3.. Tussen de Stichting als verhuurder en [eiser] als huurder is op 21 augustus 2023 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot onzelfstandige woonruimte [adres] . De overeengekomen huurprijs is € 1.375,00 per maand, exclusief € 150,00 aan voorschot voor de door de Stichting te verzorgen levering voor gas, water en elektra en € 75,00 aan servicekosten. [eiser] heeft op 30 november 2023 de huurcommissie verzocht om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.\n\n2.4.. De huurcommissie heeft op 19 februari 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat een huurprijs van € 448,52 per maand met ingang van 21 augustus 2023 redelijk is. Verder is de huurprijs tijdelijk verlaagd tot € 179,41 per maand wegens ernstige gebreken.2.5.. De Stichting is bij dagvaarding van 25 april 2024 een procedure (met kenmerk CV EXPL 24-5715) gestart tegen [eiser] en heeft daarin vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie gevorderd. In reconventie heeft [eiser] terugbetaling van de onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 ter hoogte van € 12.389,51 gevorderd, alsmede € 1.195,59 per maand vanaf juli 2024, vermeerderd met rente.2.6.. \n [eiser] heeft tot en met juli 2024 de overeengekomen huur van € 1.375,00 betaald Vanaf 1 augustus 2024 heeft hij maandelijks € 179,41 aan huur betaald aan de Stichting.2.7.. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van de Stichting aan de KvK opgave gedaan van de ontbinding van de Stichting. De ontbinding is op 10 oktober 2024 geregistreerd in de KvK “omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 01-10-2024.”2.8.. Op 4 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de door de Stichting gestarte procedure met kenmerk CV EXPL 24-5715. Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Amsterdam vonnis gewezen en is de vordering van de Stichting in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] in reconventie tot betaling van € 12.389,51 aan onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 toegewezen. Voorts is de Stichting veroordeeld tot betaling van de teveel betaalde huur van € 1.195,59 vanaf 1 juli 2024 en betaling van de proceskosten van in totaal € 879,50.2.9.. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft [gedaagde 1] als reactie op een verzonden sommatie van de gemachtigde van [eiser] bericht dat de Stichting is geliquideerd en dat de Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden de nieuwe verhuurder van [eiser] is.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] heeft in de dagvaarding veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot betaling van € 13.310,03, vermeerderd met rente vanaf datum verzuim en betaling van de incassokosten van € 1.089,80. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] als formeel bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk, respectievelijk indirect formeel bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] de vordering verminderd tot het bedrag € 12.054,16 (€ 13.310,03 -\u002F- € 1.255,87, te weten 7 maanden huur ad € 179,41 over de periode november 2024 tot en met mei 2025).\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur, die door de kantonrechter bij vonnis van 3 december 2025 tegen de Stichting is toegewezen, kan verhalen op [gedaagden] omdat [gedaagde 1] als bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk\u002Findirect bestuurder van de Stichting zijn verhaalsmogelijkheden op onrechtmatige wijze hebben gefrustreerd. Volgens [eiser] bestaat de onrechtmatige daad uit het ten onrechte plegen van een turboliquidatie. De Stichting is geliquideerd terwijl er nog baten aanwezig waren. Het heeft er volgens [eiser] alle schijn van dat [gedaagde 2] door middel van ingewikkelde constructies met rechtspersonen een rookgordijn probeert op te werpen om zo zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, aldus [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of – zoals [eiser] stelt, maar [gedaagden] hebben betwist – [gedaagden] misbruik maken van identiteitsverschil tussen hen in persoon en verschillende rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil is het door de Hoge Raad op 13 oktober 2000 gewezen Rainbow-arrest richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). De in dit arrest verwoorde maatstaf is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).\n\n4.2.. De Hoge Raad heeft in het Rainbow-arrest vooropgesteld dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal volgens de Hoge Raad in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens moet worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Van een dergelijk misbruik van identiteitsverschil kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar uitsluitend met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken (vgl. Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, Stichting Waaldijk\u002FAerts q.q.).\n\n4.3.. Vaststaat dat [gedaagde 2] , dan wel zijn persoonlijke holding, eigenaar is van het pand, dat [gedaagde 2] (middellijk) bestuurder was van de Stichting en dat de Stichting de woning aan [eiser] heeft verhuurd. [gedaagden] voert wel aan dat de Stichting het verhuurrecht heeft, maar dit strookt niet met zijn stelling dat de Stichting geen activa heeft en daarom is geliquideerd. [gedaagde 1] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde brief van 5 oktober 2023 van de Belastingdienst (productie 1 bij de conclusie van antwoord) waarin is vermeld: “Uit uw antwoorden blijkt dat de stichting of vereniging niet meer actief is. Er is dan ook geen sprake van belastingplicht”. In 2023 was [gedaagde 2] zelf bestuurder van de Stichting. Uit deze brief wordt dan ook afgeleid dat [gedaagde 2] in 2023 niet aan de belastingdienst heeft medegedeeld dat de Stichting verhuurder is van zijn pand. [gedaagden] voert nog aan dat [gedaagde 2] de Stichting in 2002 heeft opgericht om zijn zakelijke belangen op afstand te zetten, maar gesteld noch gebleken is dat hij het verhuurrecht van het pand ook daadwerkelijk aan de Stichting heeft overgedragen. Vanaf 1 maart 2013 was het doel van de Stichting volgens het register van de Kamer van Koophandel weliswaar het exploiteren van onroerend goed, maar ook daaruit blijkt niet dat de Stichting dit op eigen naam heeft gedaan. Nu de Stichting gedurende de huurovereenkomst met [eiser] (en ook overigens met de andere huurders van het pand) is geliquideerd bij gebrek aan baten, kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting enkel op last van [gedaagde 2] als verhuurder is opgetreden.\n\n4.4.. Door hierover niet duidelijk te communiceren en sterker, door de Stichting zich te laten voordoen als verhuurder op eigen naam en titel, heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van het entiteitsverschil. [gedaagde 2] had in ieder geval bij de procedure bij de Huurcommissie duidelijk moeten maken dat niet de Stichting, maar hij de daadwerkelijke verhuurder was. Nu hij dit niet heeft gedaan, zich met terugwerkende kracht heeft laten uitschrijven als bestuurder, zijn zoon heeft laten inschrijven en vervolgens de Stichting heeft (laten) ontbinden, terwijl hij zelf al die tijd het verhuurrecht heeft gehouden en vervolgens een andere stichting (Stichting REFAM Vastgoedbeheer & Huurgelden) naar voren heeft geschoven als verhuurder, heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld omdat zijn handelen kennelijk het doel had om verhaal van [eiser] op de Stichting onmogelijk te maken.\n\n4.5.. \n [gedaagde 1] was formeel bestuurder met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 en hij heeft de liquidatie daadwerkelijk uitgevoerd. Hoewel de liquidatie niet in strijd met de wet hoeft te zijn als de Stichting daadwerkelijk geen baten had (waar het op lijkt), maar dan had de Stichting zich niet ook jegens [eiser] moeten voordoen als daadwerkelijk verhuurder, wat zij wel tegelijkertijd deed in de procedure over de huurprijs. Het vonnis van 3 december 2024 is uitgesproken na de liquidatie zodat het doel van de turboliquidatie niet anders kan worden opgevat om er voor te zorgen dat [eiser] misleid werd en geen verhaal meer kon halen op de Stichting. De beslissing van de Huurcommissie was vanaf 19 februari 2024 bekend en vanaf dat moment wist [gedaagde 1] dan ook dat [eiser] een vordering tegen de Stichting had uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van de Stichting en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden, zonder daarbij de daadwerkelijke verhuurder, te weten [gedaagde 2] , kenbaar te maken, had ook geen ander oogmerk dan [eiser] te benadelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er van uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] gelet op de familieband, op de hoogte was van de werkelijke constructie. Een dergelijke op benadeling van een schuldeiser gerichte handelwijze van [gedaagde 1] is, net als die van zijn vader, onrechtmatig.\n\n4.6.. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval dat ter zake van de benadeling van [eiser] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn dan ook beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor leidt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom toegewezen. Voor wat betreft de servicekosten geldt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als feitelijk en formeel bestuurders ook voor terugbetaling van deze kosten aansprakelijk kunnen worden gehouden omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt omdat zij een rookgordijn hebben gecreëerd. De hoofdsom (inclusief servicekosten) is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en zal vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.\n\n4.8.. \n\n [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten zijn als volgt opgebouwd:\n\ndagvaardingskosten € 147,47 griffierecht € 732,00\n\nsalaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)\n\nnakosten € 144,00 te vermeerderen met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing\n\n ------------------ +\n\n € 1.887,47 in totaal\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] ;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] € 12.054,16 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan dag van voldoening alsmede € 1.098,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.887,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.787Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":65,"updatedAt":84},"629","ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","ecli-nl-rbams-2026-6444","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F772249 \u002F HA ZA 25-1270\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.W.J. Ariëns,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) en samen [gedaagden 1 & 2] .,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld,\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 3] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] , 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) en samen [gedaagden 3 & 4]\n\nadvocaat: mr. G.C. Endedijk,\n\n1. De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] werkte als directielid bij [bedrijf] . Hij is vanaf 2021 verdacht geweest van het mededelen van voorwetenschap. Het naar hem in dat verband verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een transactie met het Openbaar Ministerie, waarbij [eiser] een boete van € 20.000,00 heeft betaald. Op [datum 1] 2024 heeft het Openbaar Ministerie daarover een anoniem persbericht op haar website geplaatst.\n\n1.2.. Op [datum 2] 2024 heeft een journalist van het FD contact opgenomen met [eiser] en aan hem medegedeeld dat op maandag [datum 5] (op de website van het FD) en dinsdag [datum 6] 2024 (in de papieren krant van het FD) een artikel zou worden gepubliceerd over onder meer voornoemde gebeurtenissen. De journalist heeft [eiser] toen ook – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan voornoemde publicatie commentaar wilde geven.\n\n1.3.. Daarop heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingeschakeld als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat om hem te adviseren over de vraag of en zo ja welk commentaar hij zou moeten geven aan de journalist. Vervolgens hebben partijen verschillende conceptcommentaren uitgewisseld. In de middag van [datum 4] 2024 heeft [eiser] een commentaar aan de journalist gestuurd.\n\n1.4.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel over onder meer [eiser] verschenen. Op [datum 6] 2024 is datzelfde artikel in de papieren krant van het FD verschenen.\n\n1.5.. Intussen is [eiser] op [datum 5] 2024 door [bedrijf] op non-actief gesteld. Enige tijd later is hij op staande voet ontslagen. Na een daaropvolgend mediationtraject hebben [eiser] en [bedrijf] uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten.\n\n1.6.. Volgens [eiser] hebben [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] hem ondeugdelijk geadviseerd over het door hem aan de journalist te geven commentaar en is hij als gevolg daarvan zijn baan bij [bedrijf] kwijtgeraakt. In deze procedure stelt [eiser] [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor met verschillende vorderingen aansprakelijk.\n\n1.7.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] af. De redenen daarvoor zijn dat i) [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten en ii) niet kan worden vastgesteld dat zij als bestuurders van hun vennootschappen onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld.\n\n1.8.. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] af, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 – 33,\n\n- de incidentele conclusie houdende verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv van [gedaagden 3 & 4] , met producties 1 – 2,\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met producties 34 – 35,\n\n- de akte houdende vermindering van eis in het incident tot nihil van [gedaagden 3 & 4] ,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 1 & 2] , met producties 1 – 5,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 3 & 4] , met producties 3 – 4,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken,\n\n- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.\n\n2.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n3. De feiten\n\nDe betrokken partijen\n\n3.1.. \n [eiser] is op 16 mei 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] heeft bij [bedrijf] de functie van Algemeen Directeur [dochterbedrijf] bekleed.\n\n3.2.. \n ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] ) is getrouwd met de broer van de echtgenote van [eiser] en was werkzaam bij een bank.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is een communicatieadviseur en reputatiestrateeg, gespecialiseerd op het gebied van crisismanagement. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .\n\n3.4.. \n [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 3] en werkt daar als advocaat.\n\nDe verdenking van [eiser]\n\n3.5.. De vader van ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: [de vader van schoonzus] ) heeft op enig moment gebeld met een vermogensbeheerder van Van Lanschot Bankiers en gezegd dat hij aandelen in [bedrijf] wilde kopen, omdat hij van zijn dochter had begrepen dat er goede kwartaalcijfers en een deal met een Chinese entiteit aan zaten te komen. Voornoemde vermogensbeheerder heeft dit telefoongesprek vervolgens gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM).\n\n3.6.. In maart 2021 heeft de AFM aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap.\n\n3.7.. Naar aanleiding van die aangifte is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [eiser] . Eind september 2021 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat hij werd verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] is uitgevoerd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD).\n\n3.8.. In een brief van 15 november 2021 heeft [bedrijf] [eiser] onder meer gewaarschuwd voor het meermaals overtreden van het interne Reglement Voorwetenschap van [bedrijf] . In deze brief staat verder het volgende:\n\n“Daarnaast heeft u recent met [naam 1] [de chief executive officer (CEO) van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] en met [naam 2] [ compliance officer van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] besproken dat u door het Openbaar Ministerie verdacht wordt van het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap. U heeft in dat gesprek uitdrukkelijk aangegeven dat deze verdenking onterecht is, en dat u ter dezer zake geen enkel verwijt treft. Indien in de toekomst toch mocht blijken dat deze bevestiging van uw zijde onjuist was en\u002Fof dat u wel degelijk betrokken bent bij het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap die betrekking heeft op [bedrijf] NV, dan wel indien in het kader van het strafrechtelijke traject andere zaken naar voren komen die het in u gestelde vertrouwen nog verder beschadigen, zal zulks niet zonder gevolgen voor uw dienstverband kunnen blijven. Wij behouden ons voor die gevallen alle rechten voor, het recht tot onmiddellijke beëindiging van uw dienstverband daaronder uitdrukkelijk begrepen.”\n\n3.9.. Begin december 2023 is [eiser] met het OM een transactie aangegaan. Als onderdeel daarvan heeft hij een boete van € 20.000,00 betaald.\n\n3.10.. Op [datum 1] 2024 heeft het OM een persbericht op haar website gepubliceerd waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Geldboetes voor handel met voorwetenschap\n\n(…)\n\nHet Openbaar Ministerie (OM) heeft voor het opzettelijk mededelen van voorwetenschap en het opzettelijk handelen met voorwetenschap twee zaken buitengerechtelijk afgedaan met geldboetes van 25.000 euro en 20.000 euro.\n\nAanleiding strafzaak\n\nDoor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in maart 2021 bij het Functioneel Parket van het OM aangifte gedaan van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap. De AFM had van een oplettende vermogensbeheerder een melding (…) binnengekregen over een cliënt met opvallend beleggingsgedrag. Uit een opgenomen telefoongesprek bij de bank waar de vermogensbeheerder werkzaam was, bleek dat er mogelijk sprake was van het mededelen van voorwetenschap door een persoon binnen een Nederlands beursgenoteerd bedrijf.\n\nOnderzoek FIOD\n\nUit het strafrechtelijk onderzoek dat is uitgevoerd door de FIOD is gebleken dat er tussen de persoon bij het beursgenoteerde bedrijf, die daar een managementfunctie vervulde, en bij degene die handelde in de aandelen van dat bedrijf familiaire banden bestonden. Het door het OM verweten mededelen van voorwetenschap en daarop gevolgde handelen zag op kwartaalcijfers van het bedrijf en het bekendmaken van een deal met een buitenlandse partij.”\n\nHet eerste contact tussen [eiser] en een journalist van het FD\n\n3.11.. Op vrijdag [datum 2] 2024 heeft een journalist van het Financieele Dagblad (hierna: het FD) – de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) – contact opgenomen met [eiser] . Hij heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat op maandag [datum 5] 2024 op de website van het FD en op dinsdag [datum 6] 2024 in de papieren krant van het FD een artikel zou verschijnen over onder meer de verdenking van [eiser] en de door hem gesloten transactie met het OM. [naam 3] heeft [eiser] – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel commentaar wilde geven.\n\nHet eerste contact tussen partijen\n\n3.12.. Op zaterdag [datum 3] 2024 heeft [eiser] gebeld met [gedaagde 2] en daarbij gevraagd te adviseren over de vraag of en zo ja, welk commentaar hij zou moeten geven met betrekking tot het door [naam 3] aangekondigde artikel. [gedaagde 2] heeft zich daartoe bereid verklaard.\n\n3.13.. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] – met instemming van [eiser] – [gedaagde 4] gebeld en hem gevraagd of hij bereid en beschikbaar was om zaterdag [datum 3] en zondag [datum 4] 2024 [eiser] mede te adviseren. [gedaagde 4] heeft zich daartoe bereid en beschikbaar verklaard. Daarna heeft [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 een opdrachtbevestiging vanuit [gedaagde 3] aan [eiser] gemaild.\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 3] 2024\n\n3.14.. In de middag van [datum 3] 2024 hebben partijen een telefonisch groepsgesprek gevoerd.\n\n3.15.. Daarna is een WhatsApp-groep tussen partijen aangemaakt. In een groepsgesprek hebben zij onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept\n\nGeachte heer [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet zich schuldig gemaakt aan de genoemde strafbare feiten. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, wilde besparen heb ik, hoewel ik absoluut van mening ben dat ik zou worden vrijgesproken, ingestemd met een schikking. Hiermee konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak afuiten en door met ons leven. Ook mijn werkgever heeft aangedrongen op het aanvaarden van de schikking omdat zij publicataire schade vreesde. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ik hoop dat u zo prudent wilt zijn mijn naam niet of niet volledig te vermelden omdat ik anders online tot in de lengte der dagen vindbaar ben met iets dat ik niet heb gedaan. De officier van justitie is hiervoor ook gevoelig gebleken en heeft ingestemd met een anoniem persbericht. Ik hoop dat u dit wilt respecteren. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid.”\n\n[ [datum 3] -2024, 16:05:23] [gedaagde 4]: Dit is maar een opzet uiteraard die ook moet worden afgestemd met jouw advocaat en mogelijk moet worden veranderd naar gelang de vragen van [naam 3] .\n\n[ [datum 3] -2024, 16:07:07] [gedaagde 4]: Maar dan hebben we vast een 'werktekst'”\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 4] 2024\n\n3.16.. In de ochtend van zondag [datum 4] 2024 heeft [naam 3] [eiser] onder meer als volgt bericht:\n\n“Ha [eiser] , ik zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen, vóór vandaag 17u.\n\n1. Je reactie op de betaling van €25.000 aan justitie vanwege delen van voorkennis?\n\n2. Wat is het gevolg geweest van de voorkennis-affaire voor jouw dienstverband met [bedrijf] ?\n\nEn\u002Fof werk je er nog?\n\n3. Wat was voor jou de reden om de koersgevoelige informatie over de deal met China en\n\nkwartaalcijfers te delen met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] en\u002Fof haar vader?\n\n4. Bij welke gelegenheid en op welke datum heb je die informatie met hen gedeeld?\n\n5. waarom heeft [bedrijf] geen melding gemaakt van het justitiële onderzoek en de handel met voorkennis? Was [bedrijf] daartoe niet verplicht?”\n\n3.17.. \n [eiser] heeft voornoemd bericht van [naam 3] per WhatsApp aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] doorgestuurd. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k\n\n[ [datum 4] -2024, 11:26:00] [gedaagde 4]: Yes maar hij heeft veel kennis. Kennelijk heeft hij het\n\ndossier.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:28:37] [eiser]: Ja ik denk een gedeelte blijkbaar. Want in het gehele\n\ndossier komt na getuigen verklaringen etc wel naar voren dat delen van cijfers zo goed als niet mogelijk was.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:29:17] [eiser]: Maar goed, ik wacht even op jullie reactie.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:30:19] [gedaagde 2]: We gaan het antwoord even ombouwen en\n\nverzakelijken. [naam 3] [ [naam 3] , toevoeging rechtbank] weet te veel dus kunnen het niet zomaar afdoen.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:31:25] [eiser]: Begrijp ik. En fyi mbt de handel met China dat was al gepubliceerd in de half jaar verslagen van [bedrijf] paar maanden daar voor die publieke zijn.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:57:54] [gedaagde 2]: Geachte heer [naam 3] , Naar aanleiding van uw vragen\n\nbericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat\n\nonhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.”\n\n3.18.. Intussen heeft [eiser] het commentaar– zoals opgenomen in voornoemd bericht van [gedaagde 2] van 11:57:54 – per WhatsApp met zijn broer – [broer eiser] – gedeeld. In reactie daarop heeft [broer eiser] de passage “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” rood omcirkeld en aan [eiser] gevraagd: “Ik ken het dossier onvoldoende maar is dit niet toch bekennen?” [eiser] heeft die vraag van [broer eiser] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n3.19.. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.\n\n[ [datum 4] -2024, 12:45:43] [eiser]: Hi [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank],\n\n (…)\n\n1: kan je nog een keer het gehele final bericht in apart appje sturen zodat het een geheel is\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 12:47:17] [eiser]: Laatste vraag: is schoonzus wel het juiste woord? Is dat ook schoonzus of iets meer in de richting van aangetrouwde familie om meer afstand te creëren?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:19] [gedaagde 4]: Aangetrouwd familielid?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:23] [gedaagde 4]: Ook prima.\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:30:23] [gedaagde 2]: Aangepast statement: Beste [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van jouw vragen bericht ik je het volgende. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen jij beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met een aangetrouwd familielid, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij jou terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat je met respect voor mijn privacy met mijn naamgegevens zult omgaan.\n\n (…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:33:14] [gedaagde 4]:\n\n[ [datum 4] -2024, 13:36:05] [eiser]: Thanks\n\n[ [datum 4] -2024, 13:40:05] [eiser]: Done.”\n\n3.20.. Intussen heeft [eiser] de tekst zoals opgenomen in het WhatsApp-bericht van [gedaagde 2] van 13:30:23 – met uitzondering van de woorden “Aangepast statement” – aan [naam 3] doorgestuurd.\n\nHet artikel in het FD\n\n3.21.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel verschenen dat onder meer als volgt luidt:\n\n“OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak\n\nEen directeur van de groothandelstak van [bedrijf] en een afdelingshoofd van ABN Amro zijn door het Openbaar Ministerie bestraft voor handel met voorkennis. Er werd koersgevoelige informatie gedeeld over kwartaalcijfers en een op handen zijnde distributiedeal van het beddenconcern in China in 2020.\n\nNa onderzoek heeft het OM de zaak buiten de rechtbank om afgedaan met geldboetes. De [bedrijf] - manager , die leiding geeft aan dochterbedrijf [dochterbedrijf] , betaalt €20.000 voor het opzettelijk delen van voorwetenschap. De ABN Amro-bankier, een familielid van de directeur , betaalt €25.000 vanwege handelen met voorkennis. De twee erkennen geen schuld. ABN Amro heeft de vrouwelijke bankier ontslagen, en een melding gedaan bij de tuchtcommissie voor banken.\n\nHet OM maakte de boetes afgelopen week bekend via een geanonimiseerd persbericht. Uit onderzoek van het FD blijkt dat de zaak draait om het onlangs van de beurs gehaalde [bedrijf] en [eiser] , die bij [dochterbedrijf] nog altijd verantwoordelijk is voor de internationale uitbreiding van het beddenconcern.\n\n [eiser] bevestigt na vragen van deze krant dat hij een schikking heeft getroffen met justitie. ‘Om zo mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever een jarenlange procedure te besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade’, legt hij uit.\n\nDe directeur schuift de schuld grotendeels op het bord van de bankier: ‘Door een wat onhandige gang van zaken, ben ik samen met een aangetrouwd familielid enkele jaren geleden verdachte geworden.’ Volgens hem ‘was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.’\n\nMet de informatie heeft de bejaarde vader van de bankier gehandeld in aandelen van [bedrijf] . Het aandeel steeg 10% op een dag in oktober 2020 nadat het bedrijf een deal in China had bekendgemaakt. De zaak tegen de nu 77-jarige vader is geseponeerd vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, bevestigt het OM.\n\n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in een rechtszaak zou worden vrijgesproken. ‘Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever.’ Een woordvoerder van [bedrijf] stelt dat het concern geen reactie kan geven, omdat sprake is van een privékwestie.”\n\n3.22.. Op [datum 6] 2024 is voornoemd artikel ook in de papieren krant van het FD verschenen.\n\nHet einde van het dienstverband van [eiser] bij [bedrijf]\n\n3.23.. In de ochtend van [datum 5] 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] .\n\n3.24.. In een brief van diezelfde dag is [eiser] door [bedrijf] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In die brief staat onder meer het volgende:\n\n“Deze ordemaatregel treffen wij naar aanleiding van recente ontwikkelingen rond de tegen u bestaande verdenking van het wederrechtelijk delen van voorkennis. Zoals u weet, hebben wij eind 2021 met u gesproken over die verdenking. U heeft ons toen uitdrukkelijk aangegeven dat u op dat punt geen enkel verwijt zou treffen en dat de betreffende verdenking geheel onterecht zou zijn (zie de waarschuwingsbrief van 15 november 2021). Inmiddels is ons, eind vorige week, gebleken dat u ter zake van onder meer deze verdenking een transactie bent aangegaan met het OM. Daar komt bij, dat u mij gisteren heeft bevestigd dat u wel degelijk kennis die als voorwetenschap kan worden geduid heeft gedeeld, maar dat u daarvan geen verwijt zou treffen, omdat het — ik vat het samen in mijn eigen woorden — een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, waarbij u niet “bewust” informatie heeft gedeeld, maar anderen misbruik hebben gemaakt van informatie over [bedrijf] die u hen heeft gegeven. Dit valt voor ons niet te rijmen met uw eerdere bevestiging dat u geen enkel verwijt treft en er niets ontoelaatbaars is gebeurd. We willen u graag op zo kort mogelijke termijn horen over een en ander en nodigen u daarom uit voor een gesprek op woensdag 17 januari as, om 9.00 uur bij ons op kantoor. (….)”\n\n3.25.. In een brief van 29 januari 2024 heeft [bedrijf] [eiser] op staande voet ontslagen. In die brief staat – samengevat – dat [bedrijf] het ontslag van [eiser] grondt op de volgende vijf redenen:\n\n [eiser] heeft voorkennis over [bedrijf] gedeeld met een derde.\n\n [eiser] heeft niet de waarheid verteld, toen [bedrijf] eind 2021 met hem heeft gesproken over de verdenkingen van het OM en [eiser] heeft verklaard dat die verdenkingen onterecht waren en hem ter zake geen enkel verwijt trof.\n\nIn de reactie van [eiser] op het FD is ten onrechte gesteld dat hij de transactie met het OM na afstemming met [bedrijf] heeft gesloten.\n\nOp [datum 4] 2024 heeft [eiser] een aantal e-mails met bedrijfsvertrouwelijke informatie over [bedrijf] verstuurd van zijn zakelijke e-mailaccount naar een privé e-mailaccount, waaronder een groot contract met een toeleverancier en financiële cijfers (vanaf 2020) van [bedrijf] .\n\n [eiser] heeft – in het licht van het hiervoor in 1 tot en met 4 genoemde – geen open kaart gespeeld en heeft ongeloofwaardige verklaringen gegeven en mist in ernstige mate de betrouwbaarheid die als eigenschap vereist is om als leidinggevende functionaris binnen [bedrijf] werkzaam te kunnen zijn.\n\n3.26.. Daarna heeft een mediationtraject plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit heeft ertoe geleid dat zij op 8 mei 2024 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024 werd beëindigd.\n\nDe facturen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]\n\n3.27.. Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde 1] € 3.025,00 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\n3.28.. Op 2 februari 2024 heeft [gedaagde 3] € 1.500,64 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\nDe aansprakelijkstelling van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] door [eiser]\n\n3.29.. In brieven van 5 september 2024 en 15 november 2024 heeft [eiser] respectievelijk [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade.\n\n3.30.. \n [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] hebben in brieven van respectievelijk 22 oktober 2024 en 19 december 2024 aan [eiser] aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde door [eiser] met [gedaagde 3] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde door [eiser] met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nsubsidiair:\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 4] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n21. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden 1 & 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.3.. \n [gedaagden 3 & 4] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de proceskosten, waaronder de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nInleiding\n\n5.1.. Het kernverwijt dat [eiser] aan [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] maakt, is dat zij hem – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – ondeugdelijk hebben geadviseerd over het door hem aan [naam 3] te geven commentaar. [eiser] heeft daartoe gewezen op de volgende passage (hierna: de passage) in dat commentaar:\n\n“Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.2.. \n [naam 3] heeft de passage verwerkt in zijn artikel dat in het FD is verschenen (zie 3.21, vijfde alinea). [eiser] heeft toegelicht dat de passage kon worden begrepen als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Volgens [eiser] heeft [bedrijf] de passage ook zo heeft begrepen en is hij daardoor zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt.\n\n5.3.. \n [eiser] stelt [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor in deze procedure aansprakelijk en heeft daartoe verschillende vorderingen tegen hen ingesteld. Een aantal van deze vorderingen is gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk. De rechtbank bespreekt hierna eerst die vorderingen en vervolgens de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\nGeen onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tegenover [eiser]\n\n5.4.. \n [eiser] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onder meer dat zij onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. In dit verband heeft [eiser] toegelicht dat hen – met name na de door hem doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – ernstig te verwijten valt dat zij hebben nagelaten bij hem door te vragen althans de passage te schrappen dan wel aan te passen.\n\n5.5.. Voor zover [eiser] met die toelichting bedoelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in hun hoedanigheid van bestuurders van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn tegenover hem, gaat dat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan – naast de vennootschap – ook de bestuurder worden aangesproken. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt dus hoog en die wordt hier niet gehaald. Het enkele feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] – na de door [eiser] doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – de passage niet hebben geschrapt of aangepast, is daarvoor onvoldoende.\n\n5.6.. Andere omstandigheden die maken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.7.. Al het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] . De primaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (zie 4.1 onder 7, 8, 11 en 12) worden daarom afgewezen.\n\nGeen overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk\n\n5.8.. \n [eiser] heeft verder subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ingesteld die gegrond zijn op door hem gestelde overeenkomsten tussen hemzelf en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk (zie 4.1 onder 13 tot en met 20). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betwisten dat [eiser] overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten.\n\n5.9.. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten die strekten tot het geven van advies met betrekking tot het door hem te geven commentaar op het door [naam 3] aangekondigde artikel in het FD.\n\n5.10.. Partijen twisten evenwel over de vraag of [eiser] daartoe ook overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk heeft gesloten. De rechtbank oordeelt van niet. De facturen aan [eiser] – met betrekking tot de hiervoor bedoelde advisering – waren afkomstig van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [eiser] heeft die ook heeft betaald (zie 3.27 en 3.28). Daarbij komt dat [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 vanuit [gedaagde 3] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd (zie 3.13). De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat [eiser] alleen met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten. Dit is ook volstrekt gebruikelijk bij dergelijke advisering. Omstandigheden die maken dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij (ook) overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk had gesloten, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.11.. Het oordeel dat [eiser] geen overeenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk, brengt mee dat de subsidiaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op die door hem gestelde overeenkomsten (zie 4.1 onder 13 tot en met 20), moeten worden afgewezen.\n\nOok de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n5.12.. \n [eiser] vordert verder i) ontbinding van de overeenkomsten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , ii) terugbetaling van de reeds door hem aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde bedragen, iii) verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem en iv) veroordelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot betaling van schadevergoedingen, nader op te maken bij staat.\n\n5.13.. \n\nDe vraag die met betrekking tot al deze vorderingen moet worden beantwoord is of\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [eiser] . De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom.\n\n5.14.. De vraag of [gedaagde 1] – als communicatieadviseur – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel staat onder meer dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.\n\n5.15.. De vraag of [gedaagde 3] – in haar advocatenadvies – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak. Uit die rechtspraak volgt dat moet worden beoordeeld of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarbij onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Vereist is een duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd, het moet gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan.\n\n5.16.. Voorop staat dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 2] op zaterdag [datum 3] 2024 aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij volledige en juiste informatie moest verstrekken over de feitelijke gang van zaken waarop het door [naam 3] aangekondigde artikel betrekking had, zodat kon worden bepaald of en zo ja, welk commentaar [eiser] zou moeten geven aan [naam 3] .\n\n5.17.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben verder toegelicht dat [eiser] – na de hiervoor geschetste mededeling van [gedaagde 2] – tijdens het telefonische groepsgesprek van zaterdag [datum 3] 2024 (zie 3.14) heeft gezegd dat hij op een familiefeestje had gesproken met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] over de kwartaalcijfers van [bedrijf] en over een op handen zijnde deal van [bedrijf] met een Chinese entiteit, maar dat deze informatie niet kwalificeerde als voorwetenschap en dat hij ook nooit opzettelijk informatie heeft gedeeld die wel als voorwetenschap kwalificeert. [gedaagde 4] heeft ter zitting verklaard dat zij hebben doorgevraagd en “hem[ [eiser] , rechtbank]hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]dan heeft gevoerd”, dat“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Door een onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.18.. Tegenover deze door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestelde gang van zaken, is de kale stellingname van [eiser] dat hij tijdens voornoemd telefoongesprek heeft gezegd dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] heeft besproken van onvoldoende gewicht. Dat strookt namelijk niet met de inhoud van het eerste conceptcommentaar dat is opgesteld op basis van de door [eiser] zelf aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstrekte informatie. Als [eiser] meende dat hij expliciet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gezegd had dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] had besproken, had het voor de hand gelegen dat hij dit – meteen nadat het eerste conceptcommentaar werd gedeeld – bij hen had aangekaart, maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n5.19.. Verder geldt dat na voornoemd eerste conceptcommentaar verschillende conceptcommentaren tussen partijen zijn uitgewisseld in hun WhatsApp-groepsgesprek en dat [eiser] daarop ook gedetailleerde input heeft gegeven.\n\n5.20.. Naar aanleiding van de door [eiser] doorgestuurde vragen van [naam 3] , heeft [gedaagde 2] op zondag [datum 4] 2024 een tweede conceptcommentaar in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld (zie 3.17). Dat tweede conceptcommentaar heeft [eiser] voorgelegd aan zijn broer, die daarop opmerkte dat de daarin opgenomen zin “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).\n\n5.21.. Naar aanleiding van dat derde conceptcommentaar is het steeds gebruikte woord ‘schoonzus’ op initiatief van [eiser] gewijzigd in ‘aangetrouwd familielid’ in het vierde conceptcommentaar zoals opgenomen in het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 13:30:23 (zie 3.19).\n\n5.22.. \n [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het door [gedaagde 2] gesuggereerde woord ‘kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.\n\n5.23.. Bovendien heeft [eiser] ook in de correspondentie over het tweede tot en met het vierde conceptcommentaar niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] duidelijk gemaakt dat de inhoud en strekking daarvan volgens hem niet klopte.\n\n5.24.. \n [eiser] heeft tijdens de zitting nog verklaard dat hij dacht dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.\n\n5.25.. Deze verklaring roept vragen op en is niet overtuigend. Uit de tussen partijen gewisselde conceptcommentaren en de daarover gevoerde correspondentie valt namelijk op geen enkele manier af te leiden dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder. Uit die correspondentie blijkt wel dat partijen hebben gesproken over het gebruik van het woord ‘schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.\n\n5.26.. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.\n\n5.27.. Gezien het hiervoor gegeven oordeel komt de rechtbank niet meer toe een bespreking van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.\n\nConclusie\n\n5.28.. De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nDe proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente\n\n5.29.. \n [eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] betalen.\n\n5.30.. De proceskosten van [gedaagden 1 & 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 4.490,00\n\n5.31.. De proceskosten van [gedaagden 3 & 4] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.959,00 (3,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 5.143,00\n\n5.32.. De reden dat [gedaagden 3 & 4] een hoger bedrag aan salaris advocaat toegewezen krijgt dan [gedaagden 1 & 2] , is dat [gedaagden 3 & 4] een incidentele vordering heeft moeten instellen om de beschikking te krijgen over stukken die [eiser] desgevraagd eerder niet vrijwillig aan haar wilde verstrekken. Voor de in dat verband door [gedaagden 3 & 4] gemaakte kosten, wordt daarom één (extra) punt aan salaris advocaat toegekend.\n\n5.33.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.34.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] , begroot op € 4.490,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 3 & 4] , begroot op € 5.143,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (zie 6.2 en 6.3) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.048Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":89,"fullText":90,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":65,"updatedAt":93},"1824","ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","ecli-nl-rbams-2026-6590","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12005894 \\ CV EXPL 25-17014\n\nVonnis van 19 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,\n\nbeide wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\ngemachtigde: mr. B.J. den Hartog,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. H.W. Omvlee.\n\nPartijen worden hierna [eisers] , of afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] , en [gedaagde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 april 2026 en de daarin vermelde stukken,\n\n- de akte van 29 april 2026 met aanvullende producties van [eisers] ,\n\n- de antwoordakte van 5 juni 2026 van [gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte wordt vandaag vonnis gewezen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Het geschil tussen partijen gaat over de uitkering van € 5.189,66 die [gedaagde] heeft ontvangen als begunstigde van de uitvaartverzekering van wijlen de heer [erflater] , haar toenmalig partner. [eisers] zijn de dochters van [erflater] en vorderen dit verzekeringsgeld omdat zij stellen voor de uitvaart betaald te hebben. [eisers] vorderen betaling van € 5.189,66, vermeerderd met rente en kosten, op grond van ongerechtvaardigde verrijking.\n\n2.2.. In het tussenvonnis van 10 april 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is, omdat zij als begunstigde van de uitvaartverzekering een bedrag van € 5.189,66 heeft ontvangen, zonder te hebben betaald voor de uitvaart van [erflater] . Indien zou komen vast te staan dat [eisers] de uitvaart hebben betaald, zijn [eisers] verarmd. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] verrijkt is ten koste van degene die de uitvaart betaald heeft, waarvoor geen redelijke grond bestaat. [gedaagde] heeft betwist dat [eisers] voor de uitvaart hebben betaald. De kantonrechter heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen dat en hoeveel zij voor de uitvaart hebben betaald.\n\n2.3.. In hun akte van 29 april 2026 hebben [eisers] enkele producties overgelegd ter onderbouwing van hun verarming. Ten eerste hebben ze de factuur van uitvaartverzorger Monuta overgelegd. Deze factuur van 1 juni 2023 bedraagt € 9.811,79 en staat op naam van [eiser 2] . Ten tweede hebben [eisers] bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] in totaal € 4.500,- aan Monuta heeft overgemaakt ter betaling van de factuur. Ten derde blijkt uit bankafschriften dat [eiser 2] € 960,- heeft betaald aan gerechtsdeurwaarders. Van dit bedrag bestaat € 825,- uit 11 betalingen van € 75,- die vanaf 28 april 2025 maandelijks via iDeal aan [internetsite] worden betaald. Tot slot hebben [eisers] e-mailcorrespondentie met Monuta overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] op 18 december 2023 een aanmaning heeft ontvangen. Daarin staat ook dat als [eiser 2] niet tijdig betaalt, de vordering uit handen zal worden gegeven aan een incassobureau. In januari 2024 is [eiser 2] met Monuta een betalingsregeling voor de duur van minstens een halfjaar overeengekomen. Op 16 september 2024 heeft Monuta aan [eiser 2] gemaild dat er nog een bedrag van € 5.351,79 openstaat en dat ze in principe alleen betalingsregelingen van zes maanden na de factuurdatum aangaan.\n\n2.4.. In haar antwoordakte heeft [gedaagde] betwist dat het bedrag dat [eiser 2] aan de deurwaarder heeft betaald dient ter voldoening van de vordering van Monuta.\n\n2.5.. De kantonrechter constateert om te beginnen dat alleen [eiser 2] een betalingsverplichting met Monuta is aangegaan, gelet op de factuur en bankafschriften. Haar zus [eiser 1] staat in deze documenten niet genoemd dus komt niet vast te staan dat zij aan de uitvaartkosten heeft bijgedragen. De vordering ten aanzien van haar zal daarom worden afgewezen.\n\n2.6.. De kantonrechter overweegt verder dat de omvang van schadevergoedingsverbintenis wordt gemaximeerd door de omvang van de verrijking. Dit betekent dat de schadevergoedingsverbintenis maximaal € 5.189,66 kan bedragen. De kantonrechter oordeelt dat de verarming van [eiser 2] van deze omvang is komen vast te staan. Op grond van de overgelegde factuur staat vast dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,79 aan Monuta verschuldigd is. Op de zitting heeft [eiser 2] verklaard dat zij dit bedrag in termijnen aan het afbetalen is en dit volgt ook uit de door haar overgelegde stukken. Uit de bankafschriften volgt dat zij € 4.500,- rechtstreeks aan Monuta heeft betaald. Zij stelt dat de resterende vordering van Monuta is overgedragen aan de deurwaarder waaraan zij € 75,- per maand betaalt. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het feit dat de bedragen van € 75,- ook op de voldoening van de factuur van Monuta zien, gelet op de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen Monuta en [eisers] (r.o. 2.3) en de factuur waaruit volgt dat [eiser 2] een bedrag van € 9.811,70 aan Monuta verschuldigd is. Dit betekent dat [gedaagde] ten aanzien van de uitkering van € 5.189,66 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser 2] . De vordering zal ten aanzien van [eiser 2] worden toegewezen.\n\n2.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser 2] betalen. Het salaris gemachtigde wordt voor de akte niet met 0,5 punt verhoogd, omdat [eiser 2] de facturen en betalingen ook al bij dagvaarding of bij de mondelinge behandeling had kunnen overleggen. De proceskosten van [eiser 2] worden vastgesteld op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n257,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,-)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.267,14\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 5.189,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser 2] van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6590","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.584Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":65,"updatedAt":101},"1044","ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","ecli-nl-rbams-2026-6705","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12061285 \\ CV EXPL 26-792\n\nVonnis van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (Objection Service),\n\ntegen\n\n1. [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats],\n\nhierna te noemen: [gedaagde], 2. EURO INSURANCES DAC,\n\ngevestigd te Hoofddorp,\n\nhierna te noemen: Euro Insurances,\n\ngedaagde partijen,\n\ngemachtigde: mr. H.A.C. Trimbach.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 31 december 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- de aanvullende stukken van [eiser] van 16 januari 2026,\n\n- het tussenvonnis van 10 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 12 mei 2026. [eiser] en haar gemachtigde waren hierbij niet aanwezig, hoewel zij daartoe wel waren opgeroepen. De gemachtigde van [gedaagde] en Euro Insurances was aanwezig. Hij heeft zijn standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is de eigenaar van de personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Op 16 januari 2025 is deze auto bij het achteruitrijden aangereden door een voertuig waarvan het kenteken op naam van [gedaagde] staat en die verzekerd is bij Euro Insurances.2.2.. \n [eiser] heeft [gedaagde] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan haar auto.\n\n2.3.. Door een schade-expert is de schade aan de auto vastgesteld. In het rapport worden de herstelkosten begroot op € 3.025,00, de dagwaarde van de auto op € 2.500,00 en de restwaarde op € 500,00. De schade-uitkering is op basis daarvan vastgesteld op € 2.000,00. Euro Insurances heeft dit bedrag uitgekeerd aan [eiser] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Euro Insurances tot betaling van:\n\n€ 498,00 voor een DAB+-systeem en camera,\n\n€ 5,10 aan RDW-onderzoekskosten,\n\n€ 554,00 aan kosten voor rechtsbijstand,\n\n€ 306,50 aan deurwaarderskosten.\n\n3.2.. Verder vordert [eiser] de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen en veroordeling van gedaagde partijen in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij het bepalen van de dagwaarde van de auto is ten onrechte geen rekening gehouden met DAB+-apparatuur die kort voor het ongeval in de auto was geïnstalleerd. De apparatuur heeft geleid tot een waardevermeerdering van de auto. Het systeem was duurzaam met het voertuig verbonden en was uitsluitend geschikt voor dit specifieke model. [eiser] wil deze kosten dan ook vergoed zien, aangezien zij op grond van artikel 6:97 BW zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht als waarin zij zich zou hebben bevonden als het ongeval niet had plaatsgevonden. De overige kosten heeft [eiser] noodzakelijkerwijs moeten maken omdat een inhoudelijke reactie van [gedaagde] en Euro Insurance uitbleef. Volgens [eiser] is [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de schade. Deze schade is namelijk veroorzaakt door een ondergeschikte van [gedaagde]. Daarnaast heeft [eiser] zich op grond van artikel 6 WAM rechtstreeks gewend tot Euro Insurances als verzekeraar van het voertuig van de wederpartij.\n\n3.4.. \n [gedaagde] en Euro Insurances voeren verweer. [gedaagde] betwist dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. De auto is middels een leaseovereenkomst ter beschikking gesteld aan de afnemer. Verder betwist Euro Insurances primair dat de apparatuur in de auto aanwezig was. Subsidiair stelt zij zich dat als de apparatuur in de auto geïnstalleerd was, deze niet duurzaam met het voertuig was verbonden. Verder stelt Euro Insurances zich op het standpunt dat de schade-expert de accessoires, en dus daarmee ook de DAB+-apparatuur, heeft meegenomen in het schaderapport. Bovendien heeft Euro Insurance uitgelegd dat voor zover de apparatuur niet zou zijn meegenomen in het schaderapport, de dagwaarde van de auto met de waarde van de apparatuur zou worden verhoogd. Als gevolg hiervan zou de wrakwaarde met hetzelfde bedrag worden verhoogd. Dit zou betekenen dat het netto uit te keren schadebedrag in dat geval hetzelfde is. De auto de auto en de DAB+-apparatuur zijn bovendien nog steeds in gebruik bij [eiser] . [eiser] heeft dan ook geen schade geleden, aldus steeds Euro Insurances.\n\n3.5.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVorderingen ten aanzien van [gedaagde]4.1.. heeft gemotiveerd betwist dat er een arbeidsrechtelijke relatie bestaat tussen haar en de bestuurder van de auto die [eiser] heeft aangereden. [eiser] heeft dit standpunt van [gedaagde] verder niet meer weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat de bestuurder van de auto werknemer van [gedaagde] is. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat een grondslag voor de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] ontbreekt. Deze worden dan ook ten aanzien van [gedaagde] afgewezen.\n\nVorderingen ten aanzien van Euro Insurance4.2.. Vervolgens is de vraag of Euro Insurances de kosten voor de DAB+-apparatuur, die volgens [eiser] kort voor het ongeval in de auto geïnstalleerd was, en de door [eiser] gevorderde bijkomende kosten moet vergoeden. Hierover oordeelt de kantonrechter als volgt.\n\n4.3.. Euro Insurances betwist dat de DAB+-apparatuur in de auto aanwezig was. De beoordeling van de vraag of dit het geval was, kan echter in het midden blijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Euro Insurances immers gemotiveerd aangevoerd dat de DAB+-apparatuur – anders dan [eiser] heeft gesteld – eenvoudig gedemonteerd kan worden en dus herbruikbaar is. Nu [eiser] niet ter zitting aanwezig was, heeft zij dit standpunt van Euro Insurance niet weersproken. Evenmin heeft zij (met stukken) onderbouwd dat deze apparatuur duurzaam met de auto was verbonden. Gelet hierop is de kantonrechter met Euro Insurances dan ook van oordeel dat [eiser] ten aanzien van de DAB+-apparatuur geen schade lijdt.\n\n4.4.. Daar komt bij dat Euro Insurances onweersproken heeft gesteld dat als de waarde van de DAB+-apparatuur door de schade-expert in zijn rapport was meegenomen, dit had geleid tot zowel een hogere dagwaarde als een hogere de restwaarde van de auto, waardoor de hoogte van de schade-uitkering op hetzelfde bedrag was berekend als nu is gebeurd.\n\n4.5.. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat zij met betrekking tot de DAB+-apparatuur schade heeft geleden of dat zij anderszins benadeeld is. Deze vordering ten aanzien van Euro Insurance wordt daarom afgewezen.\n\n4.6.. De door [eiser] gevorderde kosten voor RDW-kentekenonderzoek worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken om de gegevens van de verzekeraar te achterhalen en deze kosten komen de kantonrechter niet onredelijk voor. De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar als hierna te melden, omdat Euro Insurances deze kosten niet op tijd heeft betaald.\n\n4.7.. De overige door [eiser] gevorderde kosten worden afgewezen. Nog daargelaten dat de gevorderde deurwaarderskosten niet overeenkomen met de factuur die zij ter onderbouwing heeft overgelegd, worden deze geacht onderdeel uit te maken van een proceskostenveroordeling. Voor zover [eiser] met het vorderen van de kosten voor rechtsbijstand een veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft willen vorderen, wordt deze vordering eveneens afgewezen. Een dergelijke vordering is immers alleen toewijsbaar in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesrecht. Van dergelijke omstandigheden is niet gesteld of gebleken. De enkele stelling dat [eiser] zich genoodzaakt zag gedaagde partijen te dagvaarden omdat een inhoudelijke afhandeling uitbleef, is hiervoor onvoldoende.\n\nProceskosten4.8.. \n [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] en Euro Insurances worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n542,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen ten aanzien van [gedaagde] af,\n\n5.2.. veroordeelt Euro Insurances om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6705","2026-07-13T00:29:00.977Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":106,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":65,"updatedAt":109},"1908","ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","ecli-nl-rbams-2026-6092","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F783627 \u002F HA RK 26-55\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M.A. Hupkes,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar het recht van St. Vincent en de Grenadines KYRREX LTD,\n\ngevestigd te Kingstown, St. Vincent en de Grenadines, 2. de vennootschap naar Maltees recht REAL EXCHANGE (REX) LTD,\n\ngevestigd te Saint Julian, Malta,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen Kyrrex Ltd en Rex Ltd,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 19 februari 2026.\n\n1.2.. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet hebben gereageerd op het verzoek van de rechtbank te laten weten of zij gehoord wensen te worden op het verzoek van [eiser].\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is in de periode juni tot en met augustus 2025 slachtoffer geworden van online beleggingsfraude via het platform Horizons28. Nadat hij zich via de website van dat platform had aangemeld, is hij benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van Horizons28 en hem hebben bewogen aanzienlijke bedragen te investeren. Daarbij heeft [eiser] in totaal meer dan € 650.000,- overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van cryptovaluta, die vervolgens naar door de fraudeurs aangewezen blockchainadressen zijn verzonden.\n\n2.2.. Toen [eiser] in augustus 2025 een deel van zijn vermeende belegging wilde opnemen, bleek dat niet mogelijk. Hij heeft daarop op 4 september 2025 aangifte gedaan van fraude.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de bestemming van de door hem verzonden cryptovaluta. Uit dat onderzoek blijkt volgens [eiser] dat een aanzienlijk deel van de cryptovaluta uiteindelijk terecht is gekomen op depositadressen die via een zogenoemde nested service-constructie zijn te herleiden tot het platform van Kyrrex, dat volgens [eiser] gezamenlijk door Kyrrex Ltd en Rex Ltd wordt geëxploiteerd.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [eiser] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kyrrex Ltd en Rex Ltd te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking in digitale vorm inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij hen bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van de te geven beschikking.3.2.. Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd een dwangsom verschuldigd zijn van € 50.000,- indien niet binnen de termijn aan het bevel wordt voldaan, vermeerderd met € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-. Tot slot vraagt [eiser] de rechtbank om Kyrrex Ltd en Rex Ltd te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.3.. Aan zijn verzoek legt [eiser] ten grondslag dat hij de gevraagde gegevens nodig heeft om zijn rechtspositie te kunnen bepalen en om te beoordelen of hij een civielrechtelijke procedure (op grond van onrechtmatige daad) kan instellen tegen de personen of entiteiten die de uit fraude afkomstige cryptovaluta hebben ontvangen, dan wel tegen Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. \n [eiser] woont in Nederland. Kyrrex Ltd is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines en Rex Ltd in Malta. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank zal (ambtshalve) beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.4.2.. Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [eiser] tegen Kyrrex Ltd.\n\n4.3.. De rechtsmacht ten aanzien van Rex Ltd moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, nu het geschil zowel formeel, materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van die verordening valt. Rex Ltd is gevestigd in Malta. De aan het verzoek ten grondslag gelegde voorgenomen vordering betreft een vordering uit onrechtmatige daad. [eiser] stelt (onweersproken) dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.\n\n4.4.. Het verzoek is gebaseerd op artikel 196 Rv. Dit betreft formeel procesrecht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing.\n\nHet verzoek\n\n4.5.. Voordat een procedure aanhangig is, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om inzage in, afschrift van of een uittreksel van gegevens (zie artikel 196 Rv). Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:\n\na. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,\n\nb. de aard en het beloop van de vordering,\n\nc. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv moet de rechtbank het verzoek toewijzen, tenzij zij van oordeel is dat:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n4.7.. Omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet zijn verschenen, is geen beroep gedaan op één van voornoemde afwijzingsgronden. Dat betekent dat de rechtbank alleen kan toetsen of het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde (zie Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024\u002FII.33.5\u002FNota naar aanleiding van het Verslag, waarin wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Daarvan is geen sprake.\n\n4.8.. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\n4.9.. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat aan deze vereisten is voldaan. Gezien het voorgaande zal het verzoek om afgifte van de verzochte gegevens worden toegewezen voor zover dat betrekking heeft op informatie waarover Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf beschikken. Conform artikel 194 Rv moet [eiser] de kosten van Kyrrex Ltd en Rex Ltd dragen die voor de verstrekking moeten worden gemaakt.\n\nDwangsom\n\n4.10.. \n [eiser] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd bij gebrek aan tijdige of volledige nakoming van het bevel tot inzage\u002Fafschrift van de gevraagde gegevens een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-.\n\n4.11.. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gevorderde inzage, het belang van [eiser] bij tijdige verkrijging van de gevraagde gegevens, het uitblijven van enig verweer van Kyrrex Ltd en Rex Ltd en de noodzaak de nakoming van het bevel voldoende te waarborgen, aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde dwangsom, mede gelet op de ernst van de gestelde feiten en de hoogte van de vermeende schade, gerechtvaardigd.\n\nProceskosten\n\n4.12.. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank Kyrrex Ltd en Rex Ltd, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.556,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst het verzoek toe en beveelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij haar bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van deze beschikking;\n\n5.2.. bepaalt dat het verstrekken van inzage in en afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk 15 dagen na betekening van deze beschikking in een digitaal en doorzoekbaar formaat;\n\n5.3.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij vanaf 15 dagen na betekening van deze beschikking niet aan het bevel in 5.1. voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;\n\n5.4.. bepaalt dat [eiser] aan Kyrrex Ltd en Rex Ltd de kosten zal vergoeden die zij eventueel moeten maken voor het verstrekken van de afschriften, binnen twee weken nadat Kyrrex Ltd en Rex Ltd, onderbouwd met stukken, aan [eiser] opgave van die kosten heeft gedaan;\n\n5.5.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd hoofdelijk in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E.M James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nde Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.919Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":117,"parsedAt":65,"updatedAt":118},"1686","ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","ecli-nl-rbams-2026-6375","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783609 \u002F HA ZA 26-151\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.A. van Veen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\nen\n\nGEMEENTE AMSTELVEEN,\n\ngevestigd in Amstelveen,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. T. Jaspers.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,\n\n- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en 195 Rv van [gedaagde] ,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.\n\n1.2.. Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.2. De feiten, voor zover van belang in incident2.1.. \n [eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.\n\n2.2.. Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.\n\n2.3.. In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .\n\n2.4.. Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.\n\n2.5.. Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.\n\n2.6.. In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.\n\n2.7.. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.3. De vordering in de hoofdzaak3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,\n\n2) voor recht verklaart dat:\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,\n\n- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,\n\n3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,\n\n4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.4. Het geschil in incident4.1.. \n\n [gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,\n\n2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,\n\nwaaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de\n\ngemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.\n\n4.2.. \n [eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n4.3.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.5. De beoordeling in incidentDe vordering tot inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv5.1.. Een partij heeft via artikel 194 in samenhang met artikel 195 Rv de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.\n\n [eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf5.3.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.\n\n5.4.. \n\nDe rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.\n\nDaarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.\n\n5.5.. Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.\n\n5.6.. De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nGemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 20035.7.. De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.\n\n5.8.. De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.\n\n5.9.. Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.\n\n5.10.. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd5.11.. Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin het incident\n\n6.1.. beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,\n\n6.2.. beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,6.3.. compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin de hoofdzaak\n\n6.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.558Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":126,"parsedAt":65,"updatedAt":127},"609","ECLI:NL:RBAMS:2026:6299","ecli-nl-rbams-2026-6299","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nafdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F13\u002F731682 \u002F HA ZA 23-329\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 9 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING INITIATIEVEN COLLECTIEVE ACTIES MASSASCHADE ICAM,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nadvocaat eerst mr. D.M. Linders, vervolgens mr. K.E.L. van Haastrecht (onttrokken), thans mr. S.T.L.A. Mulders te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nSTAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),\n\nzetelend te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. G-J. Zwenne te Den Haag,\n\n2. de vereniging\n\nPUBLIEKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\n3. de stichting\n\nSTICHTING PROJECTENBUREAU PUBLIEKE GEZONDHEID EN VEILIGHEID NEDERLAND,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\n4. […],\n\n5. de stichting\n\nSTICHTING LANDELIJKE COÖRDINATIE COVID-19 BESTRIJDING,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. E.P.M. Thole te Amsterdam,\n\n6. […],\n\n7. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD BRABANT-ZUIDOOST,\n\nzetelend te Eindhoven,\n\n8. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nDIENST GEZONDHEID & JEUGD ZUID-HOLLAND ZUID,\n\nzetelend te Dordrecht,\n\n9. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD DRENTHE,\n\nzetelend te Assen,\n\n10. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD FLEVOLAND,\n\nzetelend te Lelystad,\n\n11. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDSREGIO FRYSLÂN,\n\nzetelend te Leeuwarden,\n\n12. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSREGIO GELDERLAND-MIDDEN (VGGM),\n\nzetelend te Arnhem,\n\n13. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD GELDERLAND-ZUID,\n\nzetelend te Nijmegen,\n\n14. […],\n\n15. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD GRONINGEN,\n\nzetelend te Groningen,\n\n16. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENSCHAPPELIJKE REGELING GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST EN VEILIG THUIS HAAGLANDEN,\n\nzetelend te Den Haag,\n\n17. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD HART VOOR BRABANT,\n\nzetelend te 's-Hertogenbosch,\n\n18. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nREGIONALE DIENST OPENBARE GEZONDHEIDZORG HOLLANDS MIDDEN,\n\nzetelend te Leiden,\n\n19. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST HOLLANDS NOORDEN,\n\nzetelend te Alkmaar,\n\n20. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD IJSSELLAND,\n\nzetelend te Zwolle,\n\n21. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDSREGIO KENNEMERLAND,\n\nzetelend te Haarlem,\n\n22. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nVEILIGHEIDSREGIO LIMBURG-NOORD,\n\nzetelend te Venlo,\n\n23. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD NOORD- EN OOST-GELDERLAND,\n\nzetelend te Apeldoorn,\n\n24. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD REGIO UTRECHT,\n\nzetelend te Zeist,\n\n25. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD ROTTERDAM-RIJNMOND,\n\nzetelend te Rotterdam,\n\n26. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nSAMENTWENTE,\n\nzetelend te Enschede,\n\n27. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD WEST-BRABANT,\n\nzetelend te Breda,\n\n28. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGGD ZAANSTREEK-WATERLAND,\n\nzetelend te Zaandam,\n\n29. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZEELAND,\n\nzetelend te Goes,\n\n30. de publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST ZUID-LIMBURG,\n\nzetelend te Heerlen,\n\n31. […],\n\n32. […],\n\n33. […],\n\n34. […],\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda.\n\nPartijen zullen hierna ICAM, de Staat, GGD GHOR (de van gedaagden 2 tot en met 5 resterende gedaagden) en de GGD’en c.s. (de van gedaagden 6 tot en met 34 resterende gedaagden) worden genoemd.\n\nPartijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen de volgende mondeling uitspraak gedaan.\n\n1. Inleiding\n\n1.1.. Deze uitspraak betreft een einduitspraak in de zaak die gaat over de persoonsgegevens van de personen die zich tijdens de coronapandemie door de GGD’en hebben laten testen en\u002Fof vaccineren en over de persoonsgegevens van personen naar wie door de GGD’en tijdens de coronapandemie een bron- en contactonderzoek is ingesteld.\n\n1.2.. Zoals in het tussenvonnis van 17 juli 2024(hierna: het eerste tussenvonnis) uiteen is gezet, staat vast dat er medewerkers van de GGD’en zijn geweest die toegang hadden tot de IT-systemen en die persoonsgegevens ter beschikking hebben gesteld aan derden, wat is aangeduid als het ‘coronadatalek’.\n\n1.3.. ICAM heeft ten behoeve van de personen die zich tijdens de coronapandemie hebben laten testen en\u002Fof vaccineren en\u002Fof die onderwerp van een bron- en contactonderzoek zijn geweest, vorderingen (A. t\u002Fm Q.) ingesteld tegen een aantal gedaagden, onder wie de GGD’en. Insteek van de procedure was dat de gedaagde partijen worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, niet alleen aan de personen van wie vaststaat dat hun persoonsgegevens aan derden zijn verstrekt, maar ook aan iedereen die moet vrezen dat zijn persoonsgegevens in verkeerde handen zijn gevallen, wat volgens ICAM geldt voor iedereen die gegevens aan een GGD heeft verstrekt.\n\n2. Het eerste tussenvonnis\n\n2.1.. In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank de nauw omschreven groep van personen voor wie ICAM optreedt, vastgesteld:\n\na) alle natuurlijke personen van wie persoonsgegevens zijn verwerkt in één van of beide GGD-systemen in de periode tussen ingebruikname daarvan in verband met de bestrijding van corona en 1 februari 2021, bijvoorbeeld omdat zij een afspraak hebben gemaakt bij een GGD om te testen of vaccineren in verband met corona of omdat zij onderdeel zijn geweest van bron- en contactonderzoek in verband met corona, met uitzondering van de personen die deel uitmaken van Groep B (“Groep A”);\n\nb) alle natuurlijke personen van wie persoonsgegevens zijn verwerkt in één van of beide GGD-systemen in de periode tussen ingebruikname daarvan in verband met de bestrijding van corona en 1 februari 2021, bijvoorbeeld omdat zij een afspraak hebben gemaakt bij een GGD om te testen of vaccineren in verband met corona of omdat zij onderdeel zijn geweest van bron- en contactonderzoek in verband met corona, en waarvan vaststaat of zal worden vastgesteld dat hun persoonsgegevens als gevolg van het GGD-datalek door ongeautoriseerde personen zijn ingezien of bij ongeautoriseerde personen in handen zijn gekomen, zoals door het ongeoorloofd inzien, downloaden, exporteren, printen, kopiëren, fotograferen en\u002Fof aanbieden, verhandelen, ontvangen of op andere wijze delen van de persoonsgegevens (“Groep B”).\n\n2.2.. Daarnaast heeft de rechtbank ICAM in haar vorderingen tegen enkele gedaagden niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze gedaagden geen gegevens hebben verwerkt met de bij het coronadatalek betrokken systemen CoronIT en HPZone Lite (r.o. 5.19.3).\n\n2.3.. \n\nOok heeft de rechtbank alle vorderingen strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.\n\nEen deel van deze vorderingen was gegrond op de vrees dat gegevens in verkeerde handen zouden kunnen komen, zonder dat vast was komen te staan dat dit laatste het geval was (Groep A). Uit Europese rechtspraak kan echter worden afgeleid dat een (immateriële) schadevergoeding uitsluitend kan worden toegekend aan personen jegens wie niet alleen een inbreuk op de AVGis gemaakt, maar die door die inbreuk ookdaadwerkelijkschade hebben geleden. De schadevergoedingsvorderingen, voor zover die zagen op de gestelde immateriële schade en de schade van Groep A, waren in zoverre dan ook niet-ontvankelijk (r.o. 5.20.8 tot en met 5.20.17).\n\nHet overige deel van de schadevergoedingsvorderingen was gegrond op de vaststelling dat de gegevens van die personen in verkeerde handen zijn gekomen (Groep B). Aan die personen is evenwel een financiële tegemoetkoming aangeboden, die door de meeste benadeelden is geaccepteerd, waarmee zij ook afstand hebben gedaan van een vordering tot schadevergoeding. Zodoende bleef er slechts een beperkte groep van benadeelden over. Omdat ICAM niet aannemelijk had gemaakt dat zij voor die groep representatief was, is ICAM ook in haar vordering tot schadevergoeding voor deze beperkte groep niet-ontvankelijk verklaard (r.o. 5.20.18 tot en met 5.20.20).\n\n2.4.. Gelet op het voorgaande is ICAM uitsluitend in de vorderingen K. en L. ontvankelijk verklaard. De vorderingen onder K. behelzen verklaringen voor recht dat (verwerkingsverantwoordelijke) gedaagden in strijd handel(d)en met onder meer diverse bepalingen uit het EVRM, het Handvesten de AVG en jegens de gedupeerden onrechtmatig handel(d)en op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat deze gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door het coronadatalek veroorzaakte schade. De vorderingen onder L. zijn\u002Fwaren erop gericht die strijd\u002Finbreuken te beëindigen en om de beveiligingsmaatregelen te (laten) verbeteren.\n\n2.5.. De rechtbank heeft ICAM op de voet van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevolen om bij akte toe te lichten welk belang zij nog had bij die vorderingen onder K. en om toe te lichten welke van de onder vordering L. bedoelde inbreuken thans nog aanwezig zijn en waaruit dat blijkt (r.o. 5.21.2 en 5.21.3).\n\n2.6.. In dit eerste tussenvonnis is tot slot ook een groot deel van de incidentele vorderingen afgewezen en is ICAM ten aanzien van de resterende incidentele vorderingen opgedragen toe te lichten welk van de gedaagden over de gevraagde stukken beschikt en of die stukken niet al dan niet in het kader van de Wet open overheid zijn opgevraagd of opgevraagd konden worden en, indien opgevraagd, met welk resultaat (r.o. 6.1 tot en met 6.5).\n\n2.7.. De rechtbank heeft tegen het eerste tussenvonnis tussentijds hoger beroep opengesteld (r.o. 7.1). ICAM heeft hiervan gebruik gemaakt, maar heeft het door haar ingestelde hoger beroep later weer ingetrokken.\n\n3. Het tweede tussenvonnis\n\n3.1.. Nadat de rechtbank bij rolbeslissing van 19 maart 2025, het verzoek van ICAM tot heroverweging van het eerste tussenvonnis had afgewezen, heeft de rechtbank op 18 juni 2025 een tweede tussenvonnisgewezen.\n\n3.2.. In dit tweede tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat de vraag of ICAM nog belang heeft bij het gevorderde onder K. en L. en wie er nu precies verwerkingsverantwoordelijke is, bij de inhoudelijke behandeling aan de orde zal komen (r.o. 2.6 en r.o. 2.7).\n\n3.3.. De rechtbank heeft verder bepaald wat de collectieve vordering precies inhoudt, namelijk “dat [wat] wordt gevorderd onder K.I tot en met K.III en L., voor zover deze vorderingen geen betrekking hebben op de schadelijke gevolgen van het coronadatalek.” Deze afbakening had tot gevolg dat het gevorderde onder K.IV (in het vonnis staat abusievelijk L.IV) geen onderdeel meer uitmaakte van ‘dat wat de collectieve vordering precies inhoudt’ (r.o. 2.9 en 2.10).\n\n3.4.. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het niet zinvol is om personen, behorende tot de (in het eerste tussenvonnis vastgestelde) nauw omschreven groep voor wie ICAM optreedt, in de gelegenheid te stellen zich te onttrekken aan de collectieve belangenbehartiging (‘opt-out’) en\u002Fof om personen, behorende tot de nauw omschreven groep, maar die geen woonplaats of verblijf in Nederland hebben, in de gelegenheid te stellen zich bij die vorderingen aan te sluiten (‘opt-in’). Hiertoe is overwogen dat leden van de nauw omschreven groep in relatie tot de vorderingen onder K. en L. geen belang bij ‘opt-in’ hebben, omdat uit de toewijzing van deze vordering voor hen geen persoonlijke aanspraak jegens een van gedaagden kan voortvloeien. Evenmin is er belang bij ‘opt-out’, omdat zij geen nadeel kunnen ondervinden van de toe- of afwijzing van het gevorderde. Het gaat hier om een algemeen belang. Er is daarom geen belang bij de nauw omschreven groep bij ‘opt-out’ dan wel ‘opt-in’. De rechtbank heeft daartoe dan ook geen gelegenheid gegeven (r.o. 2.20).\n\n3.5.. De rechtbank heeft in dit tweede tussenvonnis tot slot de resterende incidentele vorderingen afgewezen, omdat niet gebleken is dat ICAM nog enig rechtmatig belang had bij de verzochte stukken (r.o. 2.21 ev.).\n\n4. Eisvermindering\n\n4.1.. Na het tweede tussenvonnis heeft ICAM haar eis bij akte verminderd en het gevorderde onder L. ingetrokken. Zij merkt daarover het volgende op: “Deze onderdelen van de eis zijn door tijdverloop ingehaald. Inmiddels hebben gedaagden, naar eigen zeggen, maatregelen genomen om de beveiliging van overheidssystemen op een voldoende niveau te brengen en een dergelijk datalek in de toekomst te voorkomen. Daarnaast hebben gedaagden unaniem aangegeven dat de betreffende IT-systemen, CoronlT en HPZone Lite niet meer gebruikt worden en zijn vervangen door nieuwe en beter beveiligde systemen. Deze combinatie van feiten en de verdere ontwikkelingen in deze procedure hebben ICAM doen besluiten tot intrekking van voormelde eisen.”\n\n5. De beoordeling van het gevorderde onder K.I tot en met K.III\n\n5.1.. Gelet op al het voorgaande, ligt in de eerste plaats ter beoordeling voor of ICAM nog belang heeft bij het gevorderde onder K.I tot en met K.III, in welke vorderingen de antwoorden op de volgende vragen besloten liggen:\n\nWie is of zijn de verwerkingsverantwoordelijke(n) van CoronIT en HPZone Lite?\n\nZijn er door de verwerkingsverantwoordelijke(n) wettelijke of verdragsbepalingen geschonden en is door hen onrechtmatig gehandeld jegens gedupeerden?5.2.. ICAM heeft over haar belang bij de vorderingen K.I tot en met K.III (al dan niet herhaald) gesteld dat de gedupeerden, na het verkrijgen van de gevorderde verklaringen voor recht, in een eigen procedure hun materiële en immateriële schade kunnen verhalen. In die procedures is een inhoudelijk oordeel over de vraag of er sprake is van een inbreuk op (onder meer) de AVG en\u002Fof een onrechtmatige daad dan niet langer nodig. 5.3. Zowel de Staat, GGD GHOR als de GGD’en c.s. betwisten dat ICAM nog belang heeft bij deze vorderingen. GGD GHOR heeft hierbij toegelicht dat zij niet verwacht dat gegevens van personen uit Groep A als gevolg van de datadiefstal in verkeerde handen zijn gekomen, aangezien inmiddels een periode van ruim vier jaar is verstreken sinds de datadiefstal en bij diverse zoektochten op het (dark)web tot heden geen gegevens zijn aangetroffen. Bovendien hadden individuen zich intussen al lang kunnen melden indien zij schade hadden geleden als gevolg van de datadiefstal. Ruim vier jaar na dato, is nog steeds niet gebleken dat meer personen zijn betrokken bij de datadiefstal dan die een financiële tegemoetkoming aangeboden hebben gekregen, aldus GGD GHOR.\n\n5.4.. De rechtbank overweegt als volgt.\n\n5.4.1.. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er personen zijn die door het coronadatalek (daadwerkelijk) schade hebben geleden en die met behulp van de in dit geding uit te spreken verklaringen voor recht op eenvoudiger wijze dan zonder deze verklaringen voor recht hun schade zouden kunnen vorderen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ICAM concreet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de stelling van GGD GHOR dat er tot op heden, dus na het verstrijken van een periode van vier jaar, niet is gebleken dat er gegevens van groep A in verkeerde handen zijn gekomen en evenmin dat individuen, die niet financieel zijn gecompenseerd, inmiddels schadevergoedingsvorderingen hebben ingesteld.5.5.. \n\nICAM heeft vandaag naar voren gebracht dat er niet alleen sprake is van een datalek, maar dat zij ook heeft gewezen op de beveiligingskwetsbaarheid. Die is in het eerste tussenvonnis buiten beschouwing gelaten. Uit die beveiligingskwetsbaarheid vloeit voort dat 6,5 miljoen Nederlanders de controle over hun gegevens zijn verloren en dus moeten vrezen voor misbruik van hun gegevens.\n\nVerder heeft ICAM aangevoerd dat gedupeerden op grond van artikel 79 AVG het recht hebben een voorziening in rechte te vragen. Zij leidt daaruit af dat gedupeerden een immaterieel belang hebben bij het gevorderde onder K.I tot en met K.III.\n\n5.6.. \n\nBeide argumenten zijn in relatie tot het belang van ICAM bij de vorderingen K.I tot en met K.III niet eerder aangevoerd, terwijl de rechtbank ICAM bij akte in de gelegenheid had gesteld haar belang bij die vorderingen (en haar vordering onder L.) te onderbouwen. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde dat ICAM ter onderbouwing van haar belang nu nog met deze grotendeels nieuwe juridisch inhoudelijke argumenten komt en zal deze alleen al daarom buiten beschouwing laten.\n\nBovendien komt de aangevoerde beveiligingskwetsbaarheid en het daaruit voortvloeiende verlies van controle in wezen (opnieuw) neer op de vrees voor een inbreuk en niet de vrees na een vastgestelde inbreuk. In genoemd tussenvonnis ging het om verlies van controle over persoonsgegevens door het datalek (r.o. 5.20.8); die vrees is niet anders bij verlies van controle over persoonsgegevens door een beveiligingskwetsbaarheid. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis geoordeeld dat die vrees geen recht geeft op schadevergoeding, zodat ICAM in haar schadevergoedingsvordering met betrekking tot de benadeelden van groep A (6,5 miljoen Nederlanders) niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank blijft bij dat oordeel. Dat oordeel brengt met zich dat een verklaring voor recht die er op berust dat dat sprake was van een beveiligingskwetsbaarheid ook in een individuele procedure niet leidt tot toewijsbaarheid van schadevergoeding, zodat ook bij een dergelijke verklaring voor recht geen belang bestaat.\n\n5.6.1.. De conclusie is dat bij een toewijzing van het gevorderde onder K.I tot en met K.III onvoldoende is gebleken van een belang als bedoeld in artikel 3:303 BW.\n\n5.6.2.. Overigens stuit het gevorderde om dezelfde redenen ook af op het bepaalde in artikel 1018c lid 5, aanhef en onder b, Rv, waarin is bepaald dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaatsvindt “indien en nadat de rechter heeft beslist dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.”\n\n5.6.3.. Bij de hiervoor geschetste stand van zaken kan het “aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt”onvoldoende concreet worden vastgesteld en kan overigens evenmin worden vastgesteld dat het beoordelen van de collectieve vorderingen onder K.I tot en met K.III efficiënter en effectiever zal zijn dan de eventuele individuele procedure(s) die mogelijk nog gaat\u002Fgaan worden gevoerd. Daarmee kan niet worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van die vorderingen.\n\n5.7.. Gelet op het voorgaande moeten de vorderingen K.I tot en met K.III worden afgewezen.\n\n6. Kostenveroordeling\n\n6.1.. ICAM is in deze procedure in het ongelijk gesteld; geen van haar vorderingen is toegewezen. ICAM zal daarom in de kosten worden veroordeeld.\n\n6.2.. De rechtbank merkt hierbij op dat zij geen gebruik zal maken van de in artikel 1018l Rv geregelde bevoegdheid om als summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken, de salarissen van de advocaat van de wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij maximaal te vervijfvoudigen. De belangrijkste vraag in dit geding was immers de vraag of en in welke mate immateriële schade van de benadeelden in groep A voor vergoeding in aanmerking zou komen. Dit was een vraag die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet zodanig duidelijk was dat toen al de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering duidelijk kon zijn. De in het eerste tussenvonnis in de randnummers 5.20.8-5.20.17 genoemde rechtspraak van het HvJ EUdateert van na de datum van de dagvaarding.\n\n6.3.. De hiervoor onder 6.1 bedoelde kostenopgave luidt zowel voor de Staat als voor GGD GHOR als volgt.\n\nGriffierecht\n\nEUR 8.519,00\n\nConclusie van antwoord deel I\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nMondelinge behandeling van 22 april 2024\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nAkten van 12 februari 2025 en 9 april 2025\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nConclusie van antwoord deel II\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nMondelinge behandeling van 9 juni 2026\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nNakosten\n\nEUR 189,00\n\nTotaal\n\nEUR 31.863,00\n\n6.4.. De hiervoor onder 6.1 bedoelde kostenopgave luidt voor de GGD’en c.s. als volgt.\n\nGriffierecht\n\n23\u002F29ste deel van EUR 8.519,00\n\nEUR 6.756,49\n\nConclusie van antwoord deel I\n\n23\u002F29ste deel van EUR 4.631,00 (een punt, tarief VIII)\n\nEUR 3.672,86\n\nMondelinge behandeling van 22 april 2024\n\n23\u002F29ste deel van EUR 4.631,00 (een punt, tarief VIII)\n\nEUR 3.672,86\n\nAkten van 12 februari 2025 en 9 april 2025\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nConclusie van antwoord deel II\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nMondelinge behandeling van 9 juni 2026\n\nEen punt, tarief VIII\n\nEUR 4.631,00\n\nNakosten\n\nEUR 189,00\n\nTotaal\n\nEUR 28.184,21\n\nBij de eerste drie posten wordt ook verwezen naar het eerste tussenvonnis, onder 5.19.4.\n\n6.5.. De verhoging van de nakosten en de gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals vermeld in de beslissing.\n\n7. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n7.1.. wijst het gevorderde onder K.I tot en met K.III af;\n\n7.2.. wijst (ook) het meer of anders gevorderde af;7.3.. veroordeelt ICAM in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van zowel de Staat als GGD GHOR begroot op EUR 31.863,00 en aan de zijde van de GGD’en c.s. op EUR 28.184,21, steeds te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als ICAM niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij EUR 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening7.4.. veroordeelt ICAM in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n7.5.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. H.J.H. van Meegen en mr. A.J. Scheijde, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzitter.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2024:4264\n\n Algemene verordening gegevensbescherming\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:3155\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:4192\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6299","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.115Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":65,"updatedAt":135},"1485","ECLI:NL:RBAMS:2026:6440","ecli-nl-rbams-2026-6440","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F755497 \u002F HA ZA 24-921\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), thans mr. M. Schimmel te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar buitenlands recht X CORP.,\n\ngevestigd te San Francisco, Verenigde Staten van Amerika, 2. de vennootschap naar buitenlands recht X INTERNET UNLIMITED COMPANY,\n\ngevestigd te Dublin, Ierland, 3. de besloten vennootschap TWITTER NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde partijen,\n\nadvocaat: mr. H.J. Pot te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna afzonderlijk SOMI, X Corp, XIUC en Twitter Netherlands worden genoemd. X Corp, XIUC en Twitter Netherlands zullen hierna gezamenlijk X Corp c.s. worden genoemd.\n\n1. De kern van de zaak en de beslissing\n\n1.1.. Deze zaak gaat over een collectieve actie. Daarin komt SOMI op voor de belangen van ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het sociale media platform X (voorheen Twitter). Kern van het verwijt van SOMI is dat X Corp c.s. met de inrichting, exploitatie en de beveiliging van het X-platform de grondrechten van de gebruikers schenden. Daarbij gaat het SOMI in het bijzonder om datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en haatzaaiende berichten (hate speech). SOMI wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat X Corp c.s. hiermee stoppen en dat X Corp c.s. de schade van haar achterban vergoeden. Daarbij gaat het om materiële en immateriële schade.\n\n1.2.. In deze fase van de procedure en dus in dit vonnis gaat het niet om een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI. Eerst moet de rechtbank beoordelen of SOMI de collectieve actie mag instellen (de ontvankelijkheid).\n\n1.3.. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat onduidelijk is of SOMI over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten. Voor het overige voldoet SOMI aan de ontvankelijkheidseisen (onder de WAMCA).\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de gelijkluidende dagvaardingen van 15 augustus 2024 van SOMI;\n\n- de akte overlegging producties van SOMI, met producties 1 tot en met 123; - de partiële conclusie van antwoord van X Corp c.s., met producties 1 tot en met 43; - het tussenvonnis van 17 december 2025;\n\n- de akte houdende overlegging aanvullende producties van X Corp c.s., met producties 44 tot en met 67; - de akte overlegging producties van SOMI, met producties 124 tot en met 137;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 april 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\n- het B-formulier van mr. Vaal van 13 mei 2026, waarmee zij zich onttrekt als advocaat van SOMI;\n\n- het B-formulier van mr. Schimmel van 13 mei 2026, waarmee hij zich stelt als de nieuwe advocaat van SOMI.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van SOMI\n\nOver SOMI\n\n3.1.. SOMI is een stichting met volledige rechtsbevoegdheid en is op 31 mei 2016 opgericht door [bedrijf 1] B.V. (thans [bedrijf 2] B.V., hierna: [bedrijf 2]). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3]), waarvan [naam 1] (hierna: [naam 1]) enig aandeelhouder en bestuurder is.\n\n3.2.. Het doel van SOMI op grond van artikel 2.1 sub a van haar statuten, luidt: “het behartigen van belangen van natuurlijke personen, in het bijzonder van consumenten en minderjarigen, die gebruikmaken van onlinediensten, waarbij op enig moment een schending van de rechten van die natuurlijke personen plaatsvindt, waaronder begrepen maar niet beperkt tot inbreuken op grondrechten, zoals het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht op bescherming van privacy en bescherming van persoonsgegevens, alsmede inbreuken op consumentenrechten en wet- en regelgeving ter bescherming van minderjarigen”.\n\n3.3.. Sinds 31 mei 2021 heeft SOMI drie bestuurders. Dat zijn op dit moment [naam 1], [naam 2] (hierna: [naam 2]) en [naam 3].\n\n3.4.. SOMI heeft een toezichthoudend orgaan in de vorm van de raad van toezicht (zie artikel 3 van de statuten). De raad van toezicht heeft drie leden. De huidige leden zijn [naam 4], [naam 5] en [naam 6].\n\n3.5.. Op 12 december 2022 hebben SOMI, [bedrijf 3] en [bedrijf 2] een schenkingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is de vordering die [bedrijf 3] per 1 december 2022 op SOMI heeft, van in totaal (afgerond) € 1,7 miljoen, kwijtgescholden. Verder is afgesproken dat [bedrijf 3] SOMI met ingang van 1 december 2022 financiert door middel van schenking van alle middelen die SOMI nodig heeft voor de uitvoering van haar activiteiten, dat deze schenking (afgerond) € 4,8 miljoen bedraagt (te weten tot een totaal beloop van de schenking door [bedrijf 3] aan SOMI van (€ 1,7 + € 4,8) € 6,5 miljoen) of zoveel meer als SOMI nodig zal blijken te hebben voor haar activiteiten tot 1 januari 2028, dat [bedrijf 3] de schenkingen op eerste verzoek van SOMI beschikbaar stelt, zonder dat [bedrijf 3] daaraan nadere voorwaarden kan stellen, en dat SOMI niet verplicht is tot terugbetaling van de schenkingen.\n\n3.6.. Op 17 juni 2024 is SOMI geplaatst op de lijst als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen(hierna: de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie).\n\n3.7.. Bij brief van 3 juli 2024 heeft SOMI X Corp c.s. aansprakelijk gesteld voor schendingen van verplichtingen tot gegevensbescherming en consumentenrechten op het X-platform en hen uitgenodigd om met haar in overleg te treden.\n\nOver X Corp c.s.\n\n3.8.. X Corp is het Amerikaanse techbedrijf van [naam 7] en heeft in oktober 2022 alle aandelen in Twitter Inc, een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf dat sinds 2006 haar Twitter-dienst aanbood, overgenomen. Enig aandeelhouder van X Corp is X Holding Corp.\n\n3.9.. XIUC (tot voor kort genaamd Twitter International Unlimited Company) is een dochtermaatschappij van X Corp. Zij exploiteert binnen de Europese Unie het X-platform (voorheen de Twitterdienst). Dat is een internetplatform, bestemd voor het plaatsen van een kort bericht met een maximum van 280 tekens, een zogeheten ‘tweet’ of ‘post’. Het is toegankelijk via de website [internetsite] en via applicaties voor mobiele telefoons en tablets. Elke gebruiker met een account op X kan een tweet plaatsen op het X-platform.\n\n3.10.. Twitter Netherlands is een (Nederlandse) dochtermaatschappij van XIUC en houdt zich bezig met marketing- en marktontwikkelingsactiviteiten.\n\n4. De vordering\n\n4.1.. De volledige vorderingen van SOMI zoals opgenomen in de dagvaarding zijn weergegeven in de bijlage bij dit vonnis. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij haar vorderingen onder de DSA niet langer tegen Twitter Netherlands richt maar alleen tegen X Corp en XIUC en dat zij in zoverre haar eis wijzigt.\n\n4.2.. \n\nSOMI stelt dat X Corp c.s. onrechtmatig handelen als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). X Corp c.s. schenden diverse verplichtingen onder de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG), de Digital Services Act (DSA)en de Nederlandse implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken(Afdeling 3A van Boek 6, titel 3 van het BW). Ook beroept SOMI zich op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Samengevat komen de verwijten van SOMI erop neer dat X Corp c.s.:\n\n(i) geen passende beveiligingsmaatregelen hebben genomen ter bescherming van persoonsgegevens van X-gebruikers en hebben verzuimd datalekken te melden c.q. daarover te informeren;\n\n(ii) ongeoorloofd gebruik hebben gemaakt van bijzondere persoonsgegevens van X-gebruikers voor haar advertentiedienst (microtargeting); en\n\n(iii) niet heeft voldaan aan de zorgplicht voor grote online platforms om zogenaamde systeemrisico’s tegen te gaan, waaronder de verplichting om voldoende maatregelen te nemen tegen hate speech op het X-platform en om onderzoek naar de schadelijke effecten van systeemrisico’s voor de maatschappij mogelijk te maken.\n\n4.3.. \n\nSOMI voert ten aanzien van het verwijt onder (i) aan dat in de periode juni 2021 tot\n\n13 januari 2022 een datalek is ontstaan op het X-platform, die tot een reeks verdere datalekken heeft geleid. Volgens SOMI gaat het om vier datalekken, waarvan de laatste plaatsvond op 4 januari 2023 en waarbij accountgegevens (met e-mailadressen en telefoonnummers) van aanvankelijk 5,4 miljoen X-gebruikers en later 400 miljoen X-gebruikers zijn verkregen en te koop aangeboden op het darkweb. De datalekken zijn het gevolg van door X Corp c.s. getroffen gebrekkige beveiligingsmaatregelen en zijn door X Corp c.s. niet tijdig en volledig gemeld aan de toezichthouder en de getroffen X-gebruikers. Daarmee hebben X Corp c.s. in strijd gehandeld met (artikelen 5 lid 1 sub f, 32, 33 en 34 van) de AVG.\n\n4.4.. \n\nWat betreft het verwijt onder (ii) stelt SOMI dat X Corp c.s. gedetailleerde profielen\n\nvan X-gebruikers samenstellen door gebruikersgedrag te monitoren en deze profielen\n\nvervolgens gebruiken om gericht advertenties aan te bieden aan X-gebruikers op basis van\n\nspecifieke criteria (microtargeting). X Corp c.s. gebruiken daarbij ook bijzondere categorieën\n\nvan persoonsgegevens waaruit bijvoorbeeld de etnische afkomst, politieke opvattingen en\u002Fof\n\nreligie van X-gebruikers kunnen worden afgeleid. Dit alles vindt plaats zonder dat de X-\n\ngebruikers hiervan op de hoogte zijn en is in strijd met (artikelen 9 lid 1, 5 lid 1 onder a, 12,\n\n13 en 14 van) de AVG en (artikel 26 lid 3 van) de DSA. Ook het openbare advertentieregister\n\nis gebrekkig en onbetrouwbaar (artikel 39 DSA). Het in advertentievoorwaarden doen\n\nvoorkomen alsof microtargeting door adverteerders op het X-platform niet mag maar dit toch\n\nlaten gebeuren, is een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW. Het\n\nachterwege laten van de op grond van artikel 13 en 14 AVG vereiste informatie moet worden aangemerkt als een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d lid 1 BW.\n\n4.5.. \n\nAan het verwijt onder (iii) legt SOMI ten grondslag dat X Corp c.s. (althans X Corp\n\nen XIUC) verplicht zijn om systeemrisico’s die voortvloeien uit (het ontwerp of de werking\n\nvan) het X-platform, waaronder het verspreiden van illegale inhoud zoals hate speech, te\n\nbeoordelen en de in kaart gebrachte systeemrisico’s te beperken door het treffen van\n\nmaatregelen. Sinds de overname van het X-platform door [naam 7] is sprake van een\n\ntoename van hate speech. X Corp c.s. (althans X Corp en XIUC) doen te weinig om de\n\nsysteemrisico’s aan te pakken op het X-platform en belemmeren onderzoek daarnaar. Zij\n\nschenden daarmee (artikelen 34, 35 en 40 van) de DSA.\n\n4.6.. \n\nSOMI stelt dat de X-gebruikers voor wie zij in deze procedure opkomt door de\n\nhandelwijze van X Corp c.s. materiële en immateriële schade hebben geleden. SOMI houdt X\n\nCorp c.s. voor de schade hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 82 lid 4 AVG en\n\nartikel 6:166 BW.\n\n5. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid\n\n5.1.. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat twee van de drie gedaagde partijen (X Corp en XIUC) hun woonplaats in het buitenland hebben. Daarom moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI op deze partijen. Ter zitting hebben X Corp en XIUC verklaard dat zij zich op dit punt refereren aan het oordeel van de rechtbank.\n\n5.2.. Voor XIUC moet de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel I-bis, omdat het geschil ten aanzien van haar zowel materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.Voor X Corp geldt op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het nationale recht van de aangezochte rechter en dus aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n5.3.. X Corp en XIUC hebben geen verweer gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen die SOMI tegen hen heeft ingesteld. Daarmee hebben zij blijkens hun proceshouding de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter stilzwijgend aanvaard.Zij zijn immers in het geding verschenen zonder zich, zoals 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis en artikel 11 Rv vereisen, tijdig op het ontbreken van die bevoegdheid beroepen. Verder staat de rechtsbetrekking tussen partijen ter vrije bepaling (artikel 9 Rv). Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van de stilzwijgende forumkeuze van partijen (artikel 26 lid 1 Verordening Brussel I-bis ten aanzien van XIUC en artikel 9 lid 1 Rv ten aanzien van X Corp) bevoegd is.\n\n5.4.. Voor de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter is artikel 99 lid 1 Rv van belang. Hierin is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is. Hieruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van de vorderingen tegen Twitter Netherlands, die immers in Amsterdam is gevestigd. Niet in geschil is dat tussen de vorderingen tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kan Twitter Netherlands de rol van ankergedaagde vervullen en is deze rechtbank tevens bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen XIUC op grond van artikel 6 lid 1 Verordening Brussel I-bis en ten aanzien van de vorderingen tegen X Corp op grond van artikel 107 Rv.\n\n5.5.. Uit het voorgaande volgt dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SOMI. Welk recht van toepassing is op deze vorderingen, kan worden bepaald bij de inhoudelijke behandeling van de vorderingen.\n\n6. De beoordeling van de ontvankelijkheid van SOMI\n\nInleidende opmerkingen en verzoeken om aanhouding\n\n6.1.. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands collectief actierecht van toepassing, ongeacht het (materiële) recht dat van toepassing is op de vorderingen van SOMI. Niet in geschil is dat de vorderingen van SOMI vallen onder het collectief actieregime van Titel 14A van Boek 3 Rv (artikel 1018b e.v. Rv), zoals dat per 1 januari 2020 is ingevoerd met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: de WAMCA) en per 25 juni 2023 is gewijzigd na implementatie van de Richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten.\n\n6.2.. Uit artikel 1018c lid 5 Rv volgt dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering van SOMI slechts kan plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist:\n\na. dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW;\n\nb. dat SOMI voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;\n\nc. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.\n\n6.3.. SOMI heeft haar vorderingen (deels) gebaseerd op schendingen van de AVG. Ook de AVG stelt ontvankelijkheidseisen aan belangenorganisaties. Een belangenorganisatie moet (i) een orgaan, organisatie of vereniging zijn dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, (ii) zij mag geen winstoogmerk hebben, (iii) haar statutaire doelstellingen moeten het algemeen belang dienen en (iv) zij moet actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens (artikel 80 lid 1 AVG). Deze eisen gelden ook voor belangenorganisaties die onafhankelijk van een opdracht voor de betrokkenen optreden (artikel 80 lid 2 AVG).\n\n6.4.. Zowel de WAMCA als de AVG stellen dus ontvankelijkheidseisen aan organisaties die een collectieve actie willen starten. Deze vereisten lopen voor een groot deel parallel aan elkaar, maar komen niet volledig overeen. Zo moet de belangenorganisatie op grond van artikel 3:305a lid 2 BW voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vorderingen die zij vertegenwoordigt, terwijl artikel 80 lid 1 AVG op het punt van representativiteit geen eisen stelt aan de belangenorganisatie. Evenmin vereist artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie over voldoende financiële middelen beschikt om de collectieve actie te kunnen bekostigen. Dit betekent dat voor vorderingen op grond van de AVG voor belangenorganisaties in Nederland ingevolge de WAMCA deels nadere en strengere eisen gelden. De vraag is of de WAMCA daarmee in de weg staat aan een effectieve werking van de AVG.\n\n6.5.. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2025 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de verhouding tussen de WAMCA en de AVG en over de uitleg van het in artikel 80 AVG opgenomen actiefvereiste en opdrachtbegrip.Een van de vragen is of de AVG toestaat dat een collectieve organisatie schadevergoeding vordert zonder een individuele opdracht van de betrokkene. X Corp c.s. menen van niet en hebben de rechtbank verzocht om de procedure aan te houden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daarvoor in deze fase van de procedure geen aanleiding. Het gaat in deze collectieve actie om drie deelonderwerpen. SOMI beroept zich niet voor ieder deelonderwerp op de AVG en, daar waar zij dat wel doet, legt zij ook de DSA en de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken aan haar vorderingen ten grondslag. Dit betekent dat de rechtbank hoe dan ook de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moet beoordelen. Overigens is het niet uitgesloten dat de rechtbank in het vervolg van deze procedure alsnog besluit tot aanhouding, afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling van de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA.\n\n6.6.. X Corp c.s. hebben verder verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de vorderingen voor zover deze gebaseerd zijn op artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA, omdat over de schending van artikelen 34 en 35 DSA door (onder meer) XIUC nog een onderzoek van de Europese Commissie loopt en hoger beroep is ingesteld door (onder meer) XIUC tegen het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 op basis van artikelen 25, 39 en 40 DSA (zie ook hierna onder 6.83). Het beginsel van Unietrouw brengt volgens X Corp c.s. met zich dat de nationale rechter de procedure in beginsel moet schorsen in afwachting van de definitieve uitspraak van de EU-rechter. De rechtbank wijst ook dit verzoek af, omdat het in deze fase van de procedure alleen nog maar gaat over de ontvankelijkheid van SOMI en niet om een inhoudelijke beoordeling van de door SOMI gestelde schending van de artikelen 34, 35, 39 en 40 DSA.\n\nOntvankelijkheidseisen onder de WAMCA (artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW)\n\nWettelijk kader en uitgangspunten\n\n6.7.. Artikel 3:305a lid 1 BW bevat allereerst de ontvankelijkheidseis dat de eisende belangenorganisatie een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is. Deze belangenorganisatie kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). Verder moet de belangenorganisatie de belangen van de benadeelden ten behoeve van wie zij een vordering instelt, voldoende waarborgen (het waarborgvereiste). Deze eis is nader ingevuld met de ontvankelijkheidseisen in lid 2 en lid 3 van artikel 3:305a BW.\n\n6.8.. Deze aanvullende ontvankelijkheidseisen richten zich op de representativiteit en kwaliteit van de belangenorganisatie. In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de stichting of vereniging voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (het representativiteitsvereiste). Daarnaast is in lid 2 van artikel 3:305a BW, onder a tot en met f, een aantal specifieke eisen op het gebied van governanceen transparantie opgesomd waaraan de belangenorganisatie moet voldoen.\n\n6.9.. Verder mogen de bestuurders betrokken bij de oprichting van de belangenorganisatie, en hun opvolgers, geen winstoogmerk hebben (artikel 3:305a lid 3 onder a BW), moet de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hebben (artikel 3:305a lid 3 onder b BW) en moet de belangenorganisatie voldoende hebben getracht het gevorderde door het voeren van minnelijk overleg te bereiken (het overlegvereiste; artikel 3:305a lid 3 onder c BW).\n\n6.10.. De rechtbank moet zo nodig ambtshalve toetsen of aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW is voldaan.\n\n6.11.. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet, is van belang dat zij op 17 juni 2024 is geplaatst op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie (zie 3.6). Ten behoeve van de aanwijzing is door de Minister voor Rechtsbescherming vastgesteld dat SOMI voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a, b en d, lid 3, onderdeel a en lid 5 BW (zie artikel 3:305e lid 2 BW). Dit betekent dat, wanneer SOMI in de Europese Unie een collectieve actie start, de rechter van die lidstaat de inrichting van SOMI (op deze onderdelen) niet mag beoordelen.Uit onderdeel 12 van de considerans van de Richtlijn representatieve vorderingen volgt dat de eisen voor grensoverschrijdende representatieve vorderingen niet mogen afwijken van de eisen voor binnenlandse representatieve vorderingen. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat bij de aanwijzing de inrichting van de belangenorganisatie is gecontroleerd, maar dat tussen het moment van de aanwijzing en het instellen van de collectieve actie de situatie kan zijn veranderd.De rechtbank neemt daarom tot uitgangspunt dat SOMI voldoet aan de hiervoor genoemde eisen met betrekking tot de inrichting van haar organisatie, tenzij zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die niet in aanmerking genomen konden worden bij de aanwijzing omdat zij zich pas daarna hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat dit niet langer het geval is.Dit uitgangspunt is, anders dan X Corp c.s. stellen, niet in strijd met de Richtlijn representatieve vorderingen en evenmin met het leerstuk van de formele rechtskracht. Artikel 5 lid 4 van deze richtlijn biedt X Corp c.s. de ruimte om in een civiele procedure gerechtvaardigde twijfels te uiten over denalevingdoor SOMI van voormelde artikelen. Dit impliceert niet alleen dat X Corp c.s. nieuwe feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen, maar ook dat zij het besluit van de Minister wel degelijk bij de rechtbank ter discussie kunnen stellen en in zoverre dus niet in hun recht op verdediging worden geschaad.\n\nStatutenvereiste\n\n6.12.. SOMI is een stichting naar Nederlands recht. Uit haar statuten blijkt dat zij tot doel heeft de behartiging van belangen van consumenten die gebruik maken van onlinediensten en wiens rechten worden geschonden (zie 3.2). In deze procedure komt SOMI op voor deze belangen. Dat is ook niet door X Corp c.s. betwist. Dit betekent dat is voldaan aan het statutenvereiste (van artikel 3:305a lid 1 BW).\n\nRepresentativiteitsvereiste\n\nMoment van toetsing\n\n6.13.. Het is vaste rechtspraak dat de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA moeten worden getoetst op het moment dat de rechter hierover een beslissing neemt (ex nunc-toets). X Corp c.s. betwisten dit op zichzelf niet, maar stellen dat een uitzondering geldt voor het representativiteitsvereiste. Dit vereiste moet volgens X Corp beoordeeld worden op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding (ex tunc-toets). Anders kan, zo stellen X Corp c.s., een stichting of vereniging op elk moment een rechtsvordering instellen, waardoor de aangesproken partij wordt gedwongen tot het maken van het kosten, ook wanneer achteraf blijkt dat er geen steun voor de actie bestaat. Eenex nunc-toetsing leidt er ook toe dat de andere ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA, zoals het overlegvereiste, zinledig zijn en dat de aangesproken partij zich niet behoorlijk kan verdedigen wanneer pas op zitting concrete stellingen over representativiteit worden ingenomen. X Corp c.s. beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunt op een passage in de wetsgeschiedenis, waarin is overwogen dat “op voorhand” duidelijk moet zijn dat de eisende partij representatief is.\n\n6.14.. De rechtbank volgt X Corp c.s. hierin niet. De representativiteit van een eisende partij in een collectieve actie is een dynamisch gegeven dat gedurende de aanhangige procedure kan veranderen. Het ligt daarom voor de hand om de representativiteit van de eisende partij (in dit geval SOMI) te toetsen op het moment dat in de procedure wordt beslist op de ontvankelijkheid van de eisende partij op grond van artikel 1018c lid 5 Rv. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de toets van de representativiteit dient plaats te vinden aan de hand van het aantal aanmeldingen bij de eisende partij op het moment van de dagvaarding. De door X Corp c.s. aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis biedt hiervoor onvoldoende steun, mede in het licht van de overweging van de wetgever dat de rechter “een doorlopende toets moet uitvoeren op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd”.Dit pleit voor een toetsingex nuncvan alle ontvankelijkheidseisen. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat de rechter ook in de spiegelbeeldige situatie dat de eisende partij aanvankelijk wél maar later niet voldoende representatief is, niet mag ingrijpen en dan de procedure moet laten voortduren. Uit artikel 1018f lid 1 Rv kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is. Dit artikel biedt de rechter de mogelijkheid om te beslissen dat de collectieve vordering niet wordt voortgezet indien het aantal personen dat verklaart niet te willen meedoen aan de collectieve actie te groot is om voortzetting te rechtvaardigen.\n\n6.15.. Het argument van X Corp c.s. dat toetsing ex nuncorganisaties aanmoedigt om een collectieve vordering in te stellen zonder zich ervan te vergewissen of daarvoor voldoende steun bestaat en de aangesproken partij daardoor het risico loopt onnodig hoge kosten te maken, overtuigt niet. De eisen van een goede procesorde gelden onverkort. Bovendien kan het instellen van een kansloze vordering misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren. Verder neemt toetsingex nuncniet weg dat ook feiten en\u002Fof omstandigheden uit het verleden kunnen meewegen. Toetsingex nuncmaakt het echter mogelijk om ook rekening te houden met de actuele stand van zaken en daarmee met de materiële werkelijkheid op het moment van het nemen van de rechterlijke beslissing op de vorderingen. De stelling van X Corp c.s. dat een toetsingex nuncde aangesproken partij kan schaden in diens mogelijkheden om zich goed te verdedigen, stuit af op de eisen van de goede procesorde. Ook valt niet goed in te zien waarom de andere ontvankelijkheidseisen, zoals het overlegvereiste (van artikel 3:305a lid 3 onder c BW), bij eenex nunctoetsing zinledig zouden zijn. Het overlegvereiste is in de wet opgenomen om zelfregulering door marktpartijen te bevorderen en om te voorkomen dat een belangenorganisatie onverhoeds een vordering instelt waarmee de wederpartij – die de belangenorganisatie soms nog niet kende – wordt overvallen.Daarvoor is niet nodig en ook niet vereist dat de belangenorganisatie precies weet wie achter haar actie staan. Hetzelfde geldt voor de andere ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA.\n\n6.16.. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ex nuncbeoordeelt of SOMI voldoet aan het representativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 3:305a lid 2 BW.\n\nBeoordeling representativiteitsvereiste\n\n6.17.. Het representativiteitsvereiste geeft invulling aan de in artikel 3:305a lid 1 BW neergelegde voorwaarde dat de belangen die een stichting of vereniging behartigt voldoende zijn gewaarborgd. Bij representativiteit gaat het om de mate waarin een belangenorganisatie, gelet op haar achterban, als representatief voor de groep gedupeerden kan worden gezien.Indicaties hiervoor zijn het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding. Een belangenorganisatie zal duidelijk moeten maken voor wie zij opkomt. Dit betekent niet dat een lijst met namen en andere gegevens van de achterban hoeft te worden overgelegd. Voldoende is dat de belangenorganisatie nauwkeurig omschrijft voor welke groep van personen zij opkomt. Het representativiteitsvereiste voorkomt dat een belangenbehartiger kan procederen zonder de ondersteuning van een achterban en strekt vooral ter bescherming van de belangen van de belanghebbenden. Daarom moet duidelijk zijn dat een belangenbehartiger kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld. De representativiteit van een belangenorganisatie kan ook worden afgeleid uit de overige werkzaamheden die de organisatie verricht heeft om zich voor de belangen van de gedupeerden in te zetten.\n\n6.18.. De collectieve kernvraag die SOMI in deze procedure aan de orde stelt, is of X Corp c.s. gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, (ads)profileringen content moderatie in strijd hebben gehandeld met de AVG en de DSA. SOMI heeft deze kernvraag uitgesplitst in drie subonderdelen – datalekken, verboden microtargeting en hate speech (of breder: systeemrisico’s) – met elk een nauw omschreven subgroep. SOMI onderscheidt de volgende subgroepen:\n\n- voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging: alle in Nederland\n\n woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 1 juni 2021 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (door SOMI aangeduid als Achterban A);\n\n- voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform en die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X Corp c.s., waaronder een vijftal in de dagvaarding genoemde advertenties (door SOMI aangeduid als Achterban B);\n\n- voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico’s voor grote online platforms, waaronder het tegengaan van hate speech: alle in Nederland woonachtige (minderjarige) consumenten die vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden gebruik hebben gemaakt van het X-platform (door SOMI aangeduid als Achterban C).\n\n6.19.. SOMI heeft een rapport, gedateerd op 20 maart 2026, van DigiJuris in het geding gebracht. DigiJuris heeft in opdracht van SOMI onderzoek gedaan naar de inrichting van het aanmeldproces op de (twee) websites van SOMI en de door SOMI ontwikkelde app en de vaststelling van het aantal in Nederland woonachtige personen dat zich heeft aangemeld voor de collectieve actie tegen X Corp c.s. DigiJuris heeft in aanwezigheid van een deurwaarder, die een proces-verbaal van constateringen heeft opgemaakt, verschillende testaanmeldingen gedaan en de door SOMI overgedragen gegevens in de databases met aanmeldingsgegevens onderzocht. DigiJuris is tot de conclusie gekomen dat zich in totaal 51.546 unieke deelnemers hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI tegen X Corp c.s.\n\n6.20.. X Corp c.s. betwisten dat het door DigiJuris genoemde aantal deelnemers kan bijdragen aan de representativiteit van SOMI. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat de aanmelders geen juist en eerlijk beeld van de zaak hebben gehad, zodat niet kan worden aangenomen dat zij SOMI en haar vorderingen daadwerkelijk ondersteunen. Dit argument slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat op de websites van SOMI en in de SOMI-app meerdere stappen en schermen moeten worden doorlopen voordat iemand zich kan aanmelden voor de collectieve actie en (als sluitstuk) het registratieformulier kan invullen. Weliswaar wordt op het eerste scherm een mogelijkecompensatie van € 2.500,- in het vooruitzicht gesteld, maar daarna volgen schermen met een toelichting op de collectieve actie van SOMI, zoals ‘wat SOMI eist’, ‘hoe werkt het’, ‘waar gaat de claim over?’ en ‘waarom deelnemen aan deze claim?’. Hierbij worden de drie deelonderwerpen van de collectieve actie – datalekken, microtargeting en haatzaaiende uitlatingen – besproken. In de daarop volgende schermen wordt kort toegelicht wat SOMI is en wat zij doet, waarbij links zijn opgenomen naar (onder meer) de dagvaarding, de statuten en de meest recente jaarverslagen van SOMI. Op geen enkel scherm staat vermeld dat SOMI al ontvankelijk is en dat deelnemers een vergoeding ontvangen voor het aandragen van nieuwe deelnemers. Onderdeel van het aanmeldproces is dat de deelnemer zich akkoord verklaart met de deelnemersovereenkomst. In artikel 2.3 van deze overeenkomst is vastgelegd dat SOMI maximaal 15 procent zal inhouden op de schadevergoeding in verband met haar kosten. SOMI heeft gemotiveerd betwist dat dit ooit 2 procent was en dat het inmiddels 17 procent is, zoals X Corp c.s. stellen. Gelet op al deze informatie kan niet worden aangenomen dat SOMI op haar websites en in haar app geen duidelijk en eerlijk beeld geeft van de collectieve actie en dat de deelnemers geen geïnformeerde en weloverwogen keuze hebben gemaakt.\n\n6.21.. In de tweede plaats stellen X Corp c.s. dat het door DigiJuris vastgestelde aantal aanmeldingen onvoldoende betrouwbaar is, omdat DigiJuris de aanmeldingen alleen heeft gecontroleerd op dubbele e-mailadressen en niet is uitgesloten dat één persoon zich met meerdere e-mailadressen heeft aangemeld. Ook deze stelling slaagt niet. Nergens uit blijkt dat dit is gebeurd. Bovendien, zo volgt uit het proces-verbaal van de deurwaarder en de daarin opgenomen schermafbeeldingen van het aanmeldproces, moet bij aanmelding niet alleen het e-mailadres worden opgegeven maar ook unieke persoonsgegevens, zoals de voor- en achternaam en, bij aanmelding via de websites van SOMI, ook nog de geboortedatum (zie schermafbeeldingen 21, 47 en 64). Iedere aanwijzing dat een of meerdere personen zich moedwillig meerdere keren hebben aangemeld, ontbreekt.\n\n6.22.. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat 51.456 personen zich hebben aangemeld voor de collectieve actie van SOMI en dat zij SOMI en haar vorderingen ondersteunen.\n\n6.23.. X Corp c.s. hebben verder nog aangevoerd dat SOMI representatief dient te zijn voor elke afzonderlijke nauw omschreven groep en dat, nu SOMI in het aanmeldproces geen onderscheid maakt tussen de groepen A, B en C (door SOMI genoemd Achterban A, B en C, zie hiervoor onder 6.18) en de deelnemer ook niet vraagt om te bevestigen of hij of zij onder één of meerdere van deze groepen valt, SOMI niet heeft aangetoond dat dit het geval is. De rechtbank volgt X Corp c.s. ook hierin niet. SOMI stelt in deze collectieve actie drie typen onrechtmatige handelingen van X Corp c.s. – datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech – aan de orde die volgens haar allemaal manifestaties zijn van één en dezelfde wijze waarop het X-platform wordt ingericht, geëxploiteerd en beveiligd. Volgens SOMI bevinden de gegevens van ongeveer 3,1 miljoen Nederlandse X-gebruikers zich in de gelekte datasets. X Corp c.s. betwisten dat dit aantal juist is, maar onderbouwen dit niet, althans onvoldoende. Dit had wel op hun weg gelegen, omdat zij bij uitstek degenen zijn die dit kunnen nagaan. Ook als X Corp c.s. gevolgd zouden worden in hun stelling dat SOMI van de verkeerde gelekte dataset uitgaat (de dataset van 200 miljoen X-gebruikers wereldwijd in de plaats van de dataset van 5,4 miljoen X-gebruikers), dan staat vast dat het nog altijd gaat om een grote groep Nederlandse X-gebruikers van wie de gegevens zouden zijn gelekt. Volgens SOMI worden alle actieve Nederlands X-gebruikers geraakt door (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. Dat zijn er volgens SOMI ongeveer 7,8 miljoen. X Corp c.s. hebben ook dat aantal niet betwist, althans niet gemotiveerd. Dit betekent dat elk van de groepen van belanghebbenden voor wie SOMI in deze collectieve actie opkomt, groot of zeer groot is. Daarmee onderscheidt deze zaak zich van de door X Corp c.s. aangehaalde zaken van Stichting Sinti, Roma en Reizers\u002Fde gemeente Den HaagenStichting Initiatieven Collectieve Acties Massaschade\u002Fde Staat der Nederlanden, waarin het ging om (zeer) kleine groepen van belanghebbenden. Om die reden is het niet bezwaarlijk dat SOMI bij de aanmelding niet heeft gevraagd of de betrokkene tot groep A, B en\u002Fof C behoort. Voldoende is dat er een ruime en plausibel omschreven groep is die waarschijnlijk wordt geraakt door het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. én dat een substantieel deel daarvan de collectieve actie van SOMI ondersteunt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier voor elk van de subgroepen het geval, zowel in absolute als in relatieve aantallen, ook gezien de aard van de claim (in belangrijke mate een privacyclaim gericht op minder- en meerderjarigen met betrekking tot een digitaal product dat zonder betaling kan worden gebruikt) en de omstandigheid dat het initiatief tot het werven van een achterban van SOMI moet uitgaan (die daarvoor beperkte middelen heeft).\n\n6.24.. Bij de beoordeling van de vraag of SOMI voldoende representatief is, betrekt de rechtbank verder dat acht verschillende Nederlandse en buitenlandse maatschappelijke organisaties (met een track record, zoals Stichting Privacy First) op het gebied van (digitale) grondrechten en privacywetgeving hun steun hebben uitgesproken voor de collectieve actie van SOMI. De rechtbank volgt X Corp c.s. niet in hun stelling dat de steunverklaringen te beperkt en te algemeen zijn. De organisaties hebben uiteengezet dat en waarom het van belang is dat het X-platform in lijn wordt gebracht met de wettelijke en ethische normen die in Europa gelden en de rol die de collectieve actie van SOMI hierbij speelt. Hieruit blijkt dat in het bijzonder hate speech op het X-platform als problematisch wordt ervaren in Nederland.\n\n6.25.. Ook spelen de feitelijke werkzaamheden van SOMI in het kader van de representativiteit een rol. Uit de door SOMI overgelegde stukken blijkt dat zij actief is op het gebied van privacy- en consumentenrecht. Zij neemt deel aan bredere (Europese) initiatieven en evenementen waar zij haar ervaringen deelt, doet onderzoek (naar bijvoorbeeld de gevaren van online media), voert meerdere procedures tegen Big Tech bedrijven en informeert geïnteresseerden in haar activiteiten via haar website, social media, nieuwsbrieven en app. Hieruit blijkt dat zij zich inzet voor de belangen van haar achterban.\n\nConclusie\n\n6.26.. Uit het voorgaande volgt dat SOMI representatief is te achten.\n\n6.27.. Dat SOMI drie verschillende nauw omschreven groepen onderscheidt, is voor het (eventuele) vervolg van de procedure, met name de opt-out fase, niet bezwaarlijk. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat praktisch kan worden ingeregeld dat iemand zich per soort van onrechtmatig handelen van X Corp c.s. (datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech) kan bevrijden. In de op de voet van artikel 1018f lid 3 Rv vereiste aankondiging van de collectieve vordering in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen kan vervolgens melding worden gemaakt van de wijze waarop dat moet gebeuren.\n\nGelijksoortigheidsvereiste\n\n6.28.. De door artikel 3:305a lid 1 BW vereiste gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering zich strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden.Het gaat er bij toetsing aan het gelijksoortigheidsvereiste niet om of de positie van alle belanghebbenden in alle opzichten precies gelijk of vergelijkbaar is, in die zin dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden, dezelfde belangen hebben en dezelfde schade hebben geleden. Het gaat erom of de feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenisin voldoende mate vergelijkbaarzijn.Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van artikel 1018c lid 5 onder b Rv (het meerwaardevereiste). Een belangenorganisatie moet aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering (het meerwaardevereiste) en dus is nodig dat (i) de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, (ii) het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en (iii) indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat de belanghebbenden alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.\n\n6.29.. Uit het feit dat het gelijksoortigheidsvereiste is opgenomen in de beoordeling van de ontvankelijkheid (die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling), volgt dat nog geen definitief antwoord hoeft te worden gegeven op de vraag of de belangen van belanghebbenden gelijksoortig zijn. Dat definitieve oordeel zal worden gegeven in de inhoudelijke fase. In de fase van de schadevaststelling kan nader worden bekeken of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gelijksoortigheid en kunnen zo nodig categorieën van belanghebbenden worden vastgesteld. De rechter hoeft in de ontvankelijkheidsfase slechts een inschattingte maken van de gelijksoortigheid van de belangen.\n\n6.30.. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de collectieve actie gekenmerkt wordt door drie typen van onrechtmatig handelen niet reeds maakt dat niet aan het gelijksoortigheidsvereiste wordt voldaan, zoals X Corp c.s. stellen. Zij hebben alle drie betrekking op de door SOMI geformuleerde kernvraag of X Corp c.s., gelet op de inrichting van het X-platform en hun beleid op het gebied van beveiliging, adsprofilering en content-moderatie, in strijd hebben gehandeld met de wet (in het bijzonder de AVG en de DSA). Uit de wet noch de wetsgeschiedenis volgt dat in één collectieve actie niet verschillende massagebeurtenissen aan de orde kunnen worden gesteld die steeds andere groepen personen raken. Wel moet het efficiënt en effectief zijn om dit alles in één collectieve actie voor te leggen aan de rechter.\n\n6.31.. De vorderingen van SOMI vallen uiteen in vier categorieën: ten eerste formele kwesties die samenhangen met de inrichting van de WAMCA-procedure (i, ii, iii, iv, v), ten tweede verklaringen voor recht (dat, kort gezegd, X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld of ongerechtvaardigd zijn verrijkt) en verwijzing naar de schadestaat en\u002Fof veroordeling tot betaling van een vergoeding voor geleden immateriële schade (door Achterban C als gevolg van hate speech) (vi), ten derde geboden (vii en viii) en ten vierde het verstrekken van informatie (ix). Bij de eerste en vierde categorie behoeft de gelijksoortigheid van de belangen geen bijzondere beschouwing, gelet op de aard daarvan.\n\nVerklaringen voor recht en geboden\n\n6.32.. Bij het oordeel dat bepaald handelen onrechtmatig is (vanwege schending van de AVG, de DSA of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken), dat de aangesproken partij daarvoor aansprakelijk is en dat dergelijk gedrag voor de toekomst verboden wordt, hebben alle personen die geconfronteerd worden met een dergelijk gedrag hetzelfde of tenminste een gelijksoortig belang, dat in beginsel los staat van hun individuele positie. Die vorderingen vragen immers slechts dat de rechter zich een oordeel velt over de onrechtmatigheid van het gedrag. Een dergelijk oordeel strekt tot duidelijkheid over en erkenning van het geschonden rechtsbelang en het is efficiënt en effectief om dat in één procedure voor alle potentieel belanghebbenden te verkrijgen, in plaats van telkens een individuele procedure te entameren. De te beantwoorden vragen in die individuele procedures zullen immers, waar het gaat om deze aspecten steeds dezelfde zijn. Relevante feitelijke vragen zijn bijvoorbeeld of de (door SOMI aangehaalde) op het darkweb aangeboden datasets van X-gebruikers zijn te herleiden tot een kwetsbaarheid op het X-platform, en of X Corp c.s. adverteerders de mogelijkheid heeft geboden om advertenties te richten op Nederlandse X-gebruikers op basis van specifieke voorkeuren die bijzondere categorieën van persoonsgegevens kunnen omvatten en of dit ook is gebeurd met de in de dagvaarding genoemde vijf advertenties. Als het gaat om het verweten onrechtmatig handelen met betrekking tot hate speech is van belang of X Corp c.s. een beroep kunnen doen op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 6 DSA. Die juridische vraag is voor alle betrokkenen hetzelfde. Dit geldt ook voor de vraag of X Corp c.s. voldoende maatregelen nemen om te voorkomen dat er advertenties op het X-platform worden getoond op basis van microtargeting met gebruik van bijzondere persoonsgegevens.\n\n6.33.. Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking hebben X Corp c.s. aangevoerd dat een dergelijke vordering een beoordeling op individueel niveau vergt. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op ongerechtvaardigde verrijking in beginsel individuele omstandigheden in ogenschouw worden genomen. SOMI heeft in deze zaak echter gemotiveerd gesteld dat de mate van verrijking en de mate van verarming ten aanzien van alle belanghebbende hetzelfde is, omdat de verarming eruit heeft bestaan dat de benadeelden (onder meer) de controle over hun persoonsgegevens hebben verloren, terwijl X Corp c.s. (ongerechtvaardigd) zijn verrijkt doordat zij die persoonsgegevens hebben kunnen aanwenden voor het genereren van inkomsten uit advertentieverkoop. Ook de omstandigheid dat X Corp c.s. de X-gebruikers niet op passende wijze hebben geïnformeerd over de datalekken, waardoor zij op het X-platform bleven, en dat zij hate speech ruim baan laten, leidt volgens SOMI tot een stijging van de advertentie-inkomsten. De juistheid van deze stellingen laat zich naar het oordeel van de rechtbank beantwoorden zonder toetsing van individuele omstandigheden.\n\n6.34.. \n\nDe rechtbank is daarom van oordeel dat elk van de nauw te beschrijven groep personen bij de gevorderde verklaringen voor recht en geboden gelijksoortige belangen hebben.\n\nMateriële en immateriële schade\n\n6.35.. De collectieve actie van SOMI strekt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die Nederlandse X-gebruikers lijden en hebben geleden als gevolg van de door SOMI gestelde datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en hate speech. SOMI vordert een symbolisch bedrag van € 1,- per lid van achterban C aan immateriële schadevergoeding als gevolg van hate speech. X Corp c.s. betwisten dat de schade steeds gelijk is. Volgens X Corp c.s. zal de gestelde materiële en immateriële schade van ieder persoon uit de nauw omschreven groepen concreet moeten worden aangetoond en is de verscheidenheid in individuele posities groot. Zo zal een X-gebruiker die er zelf voor heeft gekozen om aan de hand van zijn of haar e-mailadres of telefoonnummer vindbaar te zijn op het X-platform, geen schade ondervinden als gevolg van de gestelde datalekken. Ook heeft niet iedere X-gebruiker volgens X Corp c.s. te maken met microtargeting. Dit hangt ervan af of de gebruiker is in- of uitgelogd, een X-account heeft en of hij of zij betaalt om geen advertenties te zien. X-gebruikers die kiezen voor het tabblad ‘Following’ lopen volgens X Corp c.s. aanzienlijk minder risico om geconfronteerd te worden met hate speech.\n\n6.36.. SOMI legt aan haar vorderingen (onder meer) ten grondslag dat X Corp c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. Uit de aard van het Nederlandse schadevergoedingsrecht, mede gelet op de uitleg daarvan door de Hoge Raad, volgt dat voor het toekennen van schadevergoeding noodzakelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden. De enkele omstandigheid dat onrechtmatig is gehandeld is niet voldoende om een recht op materiële of immateriële schadevergoeding te doen ontstaan; de constatering dat onrechtmatig is gehandeld houdt een erkenning in dat een norm is geschonden, maar die schending is iets anders dan schade en schade vloeit daaruit niet noodzakelijkerwijs voort. Weliswaar kunnen in voorkomend geval de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, maar dat is niet de regel. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW, is voorts niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\n6.37.. SOMI baseert haar vorderingen ook op artikel 82 AVG dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk op de AVG het recht geeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Voor het ontstaan van dit Unierechtelijke recht op materiële of immateriële schadevergoeding is eveneens vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan; een enkele inbreuk op de AVG volstaat niet.Het gaat om compensatie van schade en niet ompunitive damages. Ook de (gegronde) vrees voor misbruik van de gegevens door een derde kan immateriële schade opleveren, maar de enkele omstandigheid dat een persoon niet langer de volledige controle over zijn of haar persoonsgegevens heeft, betekent niet dat deze persoon schade lijdt.SOMI doet verder een beroep op artikel 54 DSA. Hierin is bepaald dat afnemers van tussenhandeldiensten, zoals een online platform, op grond van het Unierecht en het nationale recht het recht hebben om aanbieders van tussenhandeldiensten te verzoeken om schadevergoeding voor alle schade of verliezen geleden als gevolg van een schending van de DSA door die aanbieders. Die schadevergoeding moet stroken met de in het nationale recht uiteengezette regels en procedures en mag geen afbreuk doen aan andere op grond van de consumentenbeschermingsregels beschikbare verhaalsmogelijkheden (overweging 121 van de considerans bij de DSA). Dit betekent dat ook voor het toekennen van een schadevergoeding op grond van de DSA vereist is dat daadwerkelijk schade is geleden.\n\n6.38.. De rechtbank stelt voorop dat er zeer grote verschillen kunnen zijn tussen de personen die deel uitmaken van de achterban van SOMI; niet alleen tussen de door SOMI aangemerkte drie nauw omschreven groepen maar ook daarbinnen. Op dit moment valt in het kader van onrechtmatige daad, artikel 82 AVG of artikel 54 DSA nog niet vast te stellen dat personen die behoren tot de achterban schade hebben geleden. In het bijzonder immateriële schade is sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden, zodat het zeer wel mogelijk is dat sommige leden van de achterban in het geheel geen immateriële schade hebben geleden. Zo kan meewegen dat zij geen bezwaar hebben tegen het aan X Corp c.s. verweten gedrag en wellicht per saldo de resulterende geïndividualiseerde advertenties juist op prijs stellen of hate speech niet aanstootgevend achten. Ook de door X Corp c.s. genoemde verschillen tussen de leden van de achterban (zie 6.35) kunnen met zich brengen dat niet iedereen schade lijdt.\n\n6.39.. Uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt dat de wetgever heeft voorzien dat niet elk lid van de achterban gelijke schade heeft geleden. In dat kader is, met gebruikmaking van de ervaringen die zijn opgedaan met de WCAM (artikel 7:907 BW), de mogelijkheid van het werken met diverse categorieën opgenomen (zie artikel 1018i lid 2 Rv). Daaruit volgt dat niet noodzakelijk is dat de schade voor iedereen gelijk is. SOMI heeft voor de materiële schade en immateriële schade die niet het gevolg is van hate speech ook verwijzing naar de schadestaat gevorderd en subsidiair voor de hate speech gevorderd de als gevolg daarvan geleden schade nader op te maken bij staat.\n\n6.40.. Ook de schadevorderingen (uit hoofde van onrechtmatige daad) voldoen daarmee aan het gelijksoortigheidsvereiste. De gestelde schade vloeit voort uit gelijke normschendingen en kan – voor zover toewijsbaar – in hoogte verschillen, waarbij een indeling in categorieën binnen iedere nauw verbonden subgroep voor de hand ligt.\n\n6.41.. Dat is voor de door SOMI op grond van ongerechtvaardigde verrijking gevorderde schade niet anders. De gestelde verrijking – (gestegen) advertentie-inkomsten – en de gestelde verarming (schade) – vermindering van de economische waarde van de persoonsgegevens vanwege het verlies van controle daarover – stoelen op dezelfde normschendingen en hetzelfde feitencomplex en daarmee is de (mogelijke) schade voldoende gelijksoortig.\n\n6.42.. Naar het oordeel van de rechtbank is een collectieve actie waarin ook wordt beslist op een eventuele schadevergoeding efficiënt, omdat het in het voordeel van alle partijen is dat kan worden volstaan met één procedure (zie 6.32). Het niet reeds in de ontvankelijkheidsfase laten stranden van het schadevergoedingsonderdeel past bij de ratio van de huidige WAMCA.\n\n6.43.. Dit betekent dat de onduidelijkheid over de gestelde schade op dit moment niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van SOMI. Het debat daarover dient nader te worden uitgediept in de inhoudelijke fase van het geschil, voor zover komt vast te staan dat en in hoeverre van de gestelde normschendingen sprake is geweest. Dit oordeel loopt dus op geen enkele wijze vooruit op de toewijsbaarheid van de vordering van SOMI.\n\nWaarborgvereiste\n\n6.44.. Een belangenorganisatie moet op de voet van artikel 3:305a BW aan verschillende vereisten voldoen op het gebied van transparantie en governance. Deze vereisten zijn opgenomen in artikel 3:305a lid 2 onderdelen a tot en met f BW. De belangenhartiger dient te beschikken over:\n\na. een toezichthoudend orgaan;\n\nb. passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt;\n\nc. voldoende financiële middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt;\n\nd. een algemeen toegankelijke internetpagina;\n\ne. voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering; en\n\nf. een financiering van de rechtsvordering die niet afkomstig is van een financier die een concurrent is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt of van een financier die afhankelijk is van degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, indien het gaat om een rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen.\n\n6.45.. In artikel 3:305a lid 3 onder a BW wordt nog als eis gesteld dat de bestuurders die betrokken zijn bij de oprichting van de rechtspersoon, en hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd.\n\n6.46.. Deze vereisten vormen, samen met het representativiteitsvereiste, een uitwerking van het vereiste in artikel 3:305a lid 1 BW, dat de belangen van de gedupeerden voldoende moeten zijn gewaarborgd.\n\n6.47.. De WAMCA biedt uitdrukkelijk ruimte voor ad hoc organisaties en commerciële organisaties, die veelal als stichting zijn georganiseerd. Doel van het waarborgvereiste is om te voorkomen dat belangenorganisaties het collectief actierecht gebruiken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven en de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan.\n\n6.48.. X Corp c.s. betwisten dat SOMI aan het waarborgvereiste voldoet. Zij stellen dat (i) SOMI niet over voldoende middelen beschikt om de procedure te bekostigen, (ii) de voorzitter van SOMI een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert en (iii) de belangen van de achterban van SOMI ook op andere wijzen niet voldoende zijn gewaarborgd.\n\nAd i: Financiële middelen\n\n6.49.. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen voor het instellen van de collectieve actie. Voldoende is dat SOMI kan aangeven dat zij, op het moment van de toetsing, over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te kunnen voeren.\n\n6.50.. SOMI vraagt geen eigen bijdrage van de X-gebruikers die zich bij haar hebben aangesloten en is daarom voor haar financiering volledig afhankelijk van derden. SOMI wordt allereerst gefinancierd door [bedrijf 3]. [bedrijf 3] heeft op 12 december 2022 een schenking van € 6,5 miljoen toegezegd aan SOMI (zie 3.5), waarvan de aflossing van de bestaande vordering van [bedrijf 3] op SOMI van € 1,7 deel uitmaakte. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij onder de schenking tot op heden € 3,9 miljoen heeft ontvangen, zodat nog circa € 2,6 miljoen beschikbaar is. Ter zitting is gebleken dat SOMI met deze schenking niet alleen deze collectieve actie moet bekostigen, maar ook al haar andere collectieve acties. SOMI heeft op dit moment meerdere (14 volgens X Corp c.s.) collectieve acties, in Nederland en in Europa, lopen tegen Big Tech bedrijven. Uit onderzoek is gebleken dat de kosten voor het voeren van een collectieve schadevergoedingsactie al snel enkele miljoenen euro’s bedragen.Ook de kosten van marketing en IT (het ontwikkelen en beheren van de websites van SOMI en de SOMI-app) en de vergoedingen voor de leden van het bestuur en de raad van toezicht moeten worden betaald uit het schenkingsbedrag. X Corp c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat SOMI volgens haar jaarverslagen tussen 2021en 2024 bijna € 1,7 miljoen heeft geïnvesteerd in marketing en IT. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat zij een maximale jaarlijkse vergoeding van € 20.000,- per bestuurder en € 5.000,- per commissaris aanhoudt en dat deze vergoedingen in de jaarrekening zijn verwerkt in de post ‘Remuneration Board of Advice’ (in de jaarrekening 2024 vastgesteld op € 15.126,-). Volgens SOMI heeft het in de jaarrekening van 2024 genoemde bedrag van meer dan € 168.480,- aan “management fees” betrekking op andere kosten. Ook indien dit juist is, dan is SOMI nog altijd ieder jaar duizenden euro’s kwijt aan haar bestuurders en commissarissen. Kortom, de activiteiten van SOMI en deze collectieve actie zijn kostbaar.\n\n6.51.. Volgens X Corp c.s. is onzeker of [bedrijf 3] zelfstandig in staat is om de toegezegde (restant) schenking (van circa € 2,6 miljoen) te dragen. [bedrijf 3] staat aan het hoofd van een groep van acht ondernemingen, waaronder DotSwan B.V. (DotSwan) en Leadmind B.V. (Leadmind). Uit de jaarverslagen leiden X Corp c.s. af dat [bedrijf 3] een negatief eigen vermogen van € 2,7 miljoen heeft en de [bedrijf 3]-groep als geheel een negatief eigen vermogen van circa € 24 miljoen. Ook blijkt volgens X Corp c.s. uit de jaarverslagen dat de liquiditeitspositie zeer beperkt is: in 2024 beschikte [bedrijf 3] over € 38.422,- aan liquide middelen en de [bedrijf 3]-groep over € 628.894,- aan liquide middelen, waarvan het overgrote deel zich ook nog eens bevindt in de vastgoedtak die met circa € 16 miljoen aan schulden is belast. Verder gaat de schenkingsovereenkomst uit van een (aan [bedrijf 3] overgedragen) vordering van [bedrijf 2] op SOMI van € 768.087,98, maar zien X Corp c.s. die vordering niet terug in de jaarrekeningen van [bedrijf 2]. Tegelijkertijd, zo stellen X Corp c.s., blijft [bedrijf 2] na de gestelde overdracht van die vordering op [bedrijf 3] zitten met een structureel negatief eigen vermogen van bijna € 1 miljoen. Dit wijst er volgens X Corp c.s. op dat er geen tegenprestatie is geweest voor de overdracht van de vordering. Vervolgens is [bedrijf 2] geturboliquideerd waardoor de schuldeisers met niets achterbleven. SOMI heeft tegen deze stellingen van X Corp c.s. aangevoerd dat zij voldoet aan al haar verplichtingen, keurig haar schuldeisers betaalt en de kosten voor het vervolg van de procedure kan betalen. [bedrijf 3] is een gezonde onderneming die al 25 jaar bestaat en al een substantieel van de schenking heeft voldaan en het overige deel ook kan voldoen. De jaarcijfers zijn slechts een momentopname. Zo nodig kan SOMI haar claim op X Corp c.s. ook laten herfinancieren, aldus steeds SOMI.\n\n6.52.. SOMI heeft naast de schenking nieuwe, aanvullende vormen van financiering onderzocht. Zij biedt certificaten aan en wel in twee vormen. Uit de stukken, waaronder een presentatie van SOMI aan potentiële investeerders en brochures van SOMI, blijkt dat tegen een minimale deelname van € 1.000,- een procescertificaat kan worden verkregen. De looptijd hiervan bedraagt 1 tot 10 jaar en bij een positief vonnis of een schikking heeft de certificaathouder recht op een rendementsvergoeding van 500 procent. Daarnaast kan een warranty- of kapitaalcertificaat worden verkregen. Hiervoor geldt een minimale deelname van € 100.000,-, een looptijd van 1 jaar tot 10 jaar en een rendementsvergoeding van 600 procent. Verder wordt, anders dan bij procescertificaten, de hoofdsom beschermd. Dit houdt in dat SOMI het ingelegde bedrag moet terugbetalen, ongeacht de uitkomst van de procedure. Volgens SOMI heeft zij in de periode december 2023-maart 2025 de eerste ronde aan certificaten (bekend als de ‘serie 2024’) uitgegeven en vanaf april 2025 tot en met maart 2026 de tweede ronde (bekend als de ‘serie 2025’).\n\n6.53.. In het jaarverslag 2024 van SOMI staat dat zij € 247.362,- heeft ontvangen aan procescertificaten (serie 2024) en € 800.000,- aan kapitaalcertificaten (serie 2024) en ter zake hiervan een langlopende schuld van € 1.047.362,- aan [bedrijf 3] heeft. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat de uitgegeven certificaten overwegend door [bedrijf 3] zijn gekocht. Naar zijn zeggen zijn alle kapitaalcertificaten door [bedrijf 3] gekocht en is daarbuiten slechts voor € 37.000,- aan procescertificaten gekocht door particulieren. Ook heeft hij verklaard dat hij met het bestuur van SOMI heeft afgesproken dat de hoofdsombescherming voor [bedrijf 3] niet geldt en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op een rendementsvergoeding. Iedere onderbouwing van die stelling ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan uitgaan van de juistheid daarvan. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat dat SOMI € 800.000,- moet terugbetalen aan [bedrijf 3] en daar bovenop € 4,8 miljoen (600% x € 800.000,-) aan rendement. Daar komt dan wellicht nog ruim € 1 miljoen (500% x € 247.362,-) aan rendementsvergoeding voor de uitgegeven procescertificaten bij. De uitgifte van de certificaten brengt in potentie daarom grote financiële risico’s voor SOMI met zich mee.\n\n6.54.. Uit het voorgaande volgt dat de financiering van SOMI de nodige vragen oproept. Niet alleen is onzeker of de (restant) schenking toereikend is om de kosten van deze collectieve actie te bekostigen, maar ook of [bedrijf 3] in staat is dit restant bedrag op te brengen. [bedrijf 3] heeft SOMI ook geen zekerheid, in de vorm van een bankgarantie of andere zekerheidstelling, gegeven dat zij haar verplichtingen uit de schenkingsovereenkomst zal nakomen. Weliswaar heeft SOMI door de uitgifte van certificaten extra financiële middelen verkregen voor deze collectieve actie (en haar andere collectieve acties en andere activiteiten), maar daar staan mogelijk zware financiële verplichtingen van SOMI tegenover. Voor zover SOMI (een deel van) die opbrengst wil gebruiken om deze collectieve actie te bekostigen, is het maar zeer de vraag of dat voldoende is, ook rekening houdend met haar andere (doorlopende) hoge kosten (voor management, marketing en IT). Dat anderen dan [bedrijf 3] bereid zijn om substantiële financiering aan SOMI te verstrekken is verder niet gebleken. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat hij, althans [bedrijf 3], bereid is om nog meer kapitaalcertificaten (zonder rendementsvergoeding en hoofdsombescherming) te kopen als dat nodig is om de collectieve actie tegen X Corp c.s. te kunnen bekostigen. Echter, uit niets blijkt dat hij en\u002Fof [bedrijf 3] daartoe in staat is. De rechtbank kan daarom op dit moment niet vaststellen dat SOMI beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen.\n\n6.55.. Artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist verder dat de zeggenschap over de vordering (in voldoende mate) bij SOMI ligt. [naam 1] is zowel voorzitter van SOMI als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] die SOMI financiert via de schenkingen en de certificaten. Vanwege die dubbele rol zou [naam 1] op zichzelf een sterke mate van invloed kunnen hebben op de beslissingen in het kader van de collectieve actie van SOMI. De rechtbank ziet in de schenkingsovereenkomst en de statuten echter voldoende waarborgen om eventuele beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen te voorkomen. [naam 1] maakt deel uit van een driehoofdig bestuur van SOMI dat wordt benoemd en ontslagen door de raad van toezicht (artikelen 4.1 en 4.2 van de statuten). In de schenkingsovereenkomst is vastgelegd dat (i) [naam 1] zich onthoudt van iedere bemoeienis indien bij de besluitvorming een conflicterend belang zou kunnen ontstaan ten opzichte van [bedrijf 3] en dat de overige bestuursleden, met goedkeuring van de raad van toezicht, besluiten kunnen nemen (artikel 3.1), (ii) SOMI de volledige zeggenschap heeft over de collectieve actie die zij voert (artikel 4.1) en dat [bedrijf 3] geen recht heeft op terugbetaling van de schenkingen, ook niet als na uitkering aan de belanghebbenden blijkt van een restant (artikel 1.5). Daarmee is voldoende gewaarborgd dat de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij SOMI ligt en niet bij [bedrijf 3] in haar hoedanigheid van schenker of bij [naam 1]. De rechtbank kan echter niet vaststellen welke invloed [bedrijf 3] als kapitaalcertificaathouder en de procescertificaathouders hebben op de collectieve actie. SOMI heeft namelijk van de algemene voorwaarden die volgens haar op de procescertificaten (serie 2025) van toepassing zijn, alleen de bepaling over de uitkering van de rendementsvergoeding in het geding gebracht. Stukken waarin de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, zoals overeenkomsten tussen SOMI en de certificaathouders, ontbreken eveneens. Daarom kan rechtbank er bij deze stand van zaken niet beoordelen in hoeverre [bedrijf 3] en de andere certificaathouders zeggenschap hebben in het kader van de collectieve actie van SOMI. Vanwege hun (mogelijke) terugbetalingsbelang en hun rendementsvergoeding kan ook niet worden uitgesloten dat zij invloed willen uitoefenen op de collectieve actie.\n\n6.56.. \n\nDe rechtbank heeft behoefte aan een nadere toelichting van SOMI om te kunnen beoordelen of SOMI beschikt over voldoende middelen om de kosten van de collectieve actie te dragen, en of zij – in relatie tot de (kapitaal- en proces)certificaathouders – voldoende zeggenschap heeft over de collectieve actie. Zij beveelt SOMI daarom op grond van artikel 22 lid 1 Rv om bij akte haar stellingen op dit onderdeel nader toe te lichten en voor zoveel mogelijk al te onderbouwen met stukken. SOMI heeft ter zitting ook aangeboden om (nader) aan de rechtbank aan te tonen dat zij over voldoende middelen beschikt; zij is echter terughoudend in het delen van meer informatie hierover met X Corp c.s., omdat X Corp c.s. volgens haar daarmee een procesvoordeel kunnen behalen. Voor zover SOMI meent dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 lid 2 Rv die volgens haar rechtvaardigen dat alleen de rechtbank van (onderdelen van) de toelichting en\u002Fof (bepaalde) stukken mag kennisnemen, dan moet zij dat in haar akte nader onderbouwen en aangeven voor welk stuk of welke stukken dit geldt en waarom. X Corp c.s. zullen hierop bij antwoordakte kunnen reageren. De rechtbank zal vervolgens, voor zover nodig, een beslissing nemen over het verzoek van SOMI om beperkte kennisname. Zonder vooruit te lopen op die beslissing verzoekt de rechtbank X Corp c.s. om in hun antwoordakte aan te geven of zij ermee kunnen instemmen dat de rechtbank, voor zover aan de orde, uitspraak zal doen op basis van stukken die SOMI niet met hen wil delen.\n\nAd ii: Winstoogmerk bestuurder SOMI\n\n6.57.. X Corp c.s. stellen dat [naam 1], die zowel bestuurder van SOMI is als via [bedrijf 3] eigenaar en bestuurder van de [bedrijf 3]-groep, een winstoogmerk heeft dat hij via SOMI realiseert. Volgens X Corp c.s. is SOMI in de kern een geldmachine voor de ondernemingen van [naam 1] en is de schenking van hem, althans [bedrijf 3], aan SOMI, in werkelijkheid een investering in zijn eigen omzet. SOMI haalt door middel van certificaten en aankopen in de SOMI-app geld op bij beleggers en bestuurders. Met dit geld neemt SOMI diensten af bij ondernemingen uit de [bedrijf 3]-groep (Leadmind en DotSwan). Daarmee stroomt het door SOMI opgehaalde geld terug naar [naam 1], aldus steeds X Corp c.s.\n\n6.58.. De rechtbank overweegt dat bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder a BW, en dus dat haar bestuurders geen winstoogmerk hebben dat via SOMI wordt gerealiseerd. De rechtbank neemt dit daarom tot uitgangspunt, tenzij er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit niet langer het geval is (zie hiervoor onder 6.11). Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Volgens SOMI biedt zij sinds december 2023 certificaten aan, terwijl uit de eigen stellingen van X Corp c.s. volgt dat SOMI al sinds 2022 diensten van DotSwan en Leadmind afneemt. Ook de positie van [naam 1] als bestuurder en eigenaar van de [bedrijf 3]-groep is sinds 2021 ongewijzigd. De rechtbank gaat er dus vanuit dat deze omstandigheden bij de aanwijzing van SOMI in 2024 zijn meegewogen. De rechtbank concludeert daarom dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onderdeel a BW.\n\nAd iii: Belangen achterban anderszins niet voldoende gewaarborgd\n\n6.59.. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3:305 lid 2 onder b (deelname aan of vertegenwoordiging bij besluitvorming) en onder d (internetpagina) BW en dat op basis van de stellingen van SOMI niet kan worden beoordeeld of SOMI voldoet aan het bepaalde in artikel 3:305a lid 2 onder f BW (onafhankelijke financier).\n\n6.60.. Voorop wordt gesteld dat bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties in de Europese Unie is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 2 onder b en d BW. Ook hier geldt dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat aan deze vereisten is voldaan, tenzij blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit niet langer het geval is.\n\n6.61.. Artikel 3:305a lid 2 onder b BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt. In de wetsgeschiedenis is overwogen dat het aan de belangenorganisatie zelf is om te bepalen op welke wijze zij invulling wenst te geven aan deze bepaling en dat zij dit kan doen door aangeslotenen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over bepaalde besluiten.Wanneer een belangenorganisatie is ingericht overeenkomstig de Claimcode kan worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder BW.6.62.. X Corp c.s. hebben niet gesteld dat er sinds de aanwijzing iets is gewijzigd in de manier waarop SOMI heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming. Zij voeren slechts aan dat onduidelijk is hoe de mogelijkheid voor de deelnemers om zich via de SOMI-app of beveiligde My SOMI-omgeving uit te laten over bepaalde besluiten, werkt. Dat is iets anders en is, in het licht van het aanwijzingsbesluit, niet relevant. Dat geldt ook voor de stelling van X Corp c.s. dat SOMI niet voldoet aan de Claimcode, in het bijzonder Principe IV onder 3 (‘onafhankelijkheid en vermijding belangentegenstelling’), omdat SOMI diensten afneemt van ondernemingen van [naam 1] (Leadmind en DotSwan). X Corp c.s. hebben niet gesteld dat SOMI dat nog niet deed ten tijde van het aanwijzingsbesluit. Voor zover hierin wel iets zou zijn gewijzigd, dan kan dit met name van betekenis zijn voor de vraag in hoeverre de leden van het bestuur van SOMI onafhankelijk kunnen opereren en meerdere belangen dienen die elkaar kunnen beïnvloeden (en dus of de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd) en niet zo zeer welke mechanismen voor inspraak van de achterban er zijn. SOMI heeft toegelicht dat zij in nauw contact staat met de deelnemers. Zij beschikt over de contactgegevens van de deelnemers en houdt de deelnemers via haar website, de nieuwsbrieven en Q&A-sessies op de hoogte. Ook kan zij deelnemers via de SOMI-app notificatieberichten sturen. Volgens SOMI kunnen deelnemers via de SOMI-app en de beveiligde My SOMI-omgeving worden benaderd om zich uit te laten over bepaalde besluiten. Hoewel SOMI niet concreet heeft toegelicht hoe dit precies werkt, heeft de rechtbank geen grond om aan te nemen dat dit technisch en praktisch niet haalbaar is. SOMI heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aangetoond dat zij heeft geborgd dat deelnemers voldoende inspraak hebben op haar besluitvorming en dat zij voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder b BW.\n\n6.63.. Artikel 3:305a lid 2 onder d BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over een algemeen toegankelijke internetpagina, waarop de in deze bepaling vermelde informatie beschikbaar is. X Corp c.s. stellen dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging van haar bestuurders en commissarissen (punt 5 onder d) en de eigen bijdrage van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt (punt 8 onder d). Ook hiervoor geldt dat reeds bij de plaatsing van SOMI op de lijst met aangewezen organisaties voor collectieve acties is vastgesteld dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 3 onder d BW en dat daarom van belang is of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.\n\n6.64.. Ter onderbouwing van hun stelling dat SOMI niet transparant is over de bezoldiging beroepen X Corp c.s. zich op het (na het aanwijzingsbesluit gepubliceerde) jaarverslag van SOMI van 2024. Volgens X Corp c.s. volgt hieruit dat SOMI in 2024 aan de bestuurders en commissarissen een hogere vergoeding heeft betaald dan staat vermeld op haar website. SOMI heeft dat echter gemotiveerd weersproken (zie 6.50), zodat het standpunt van X Corp c.s. niet kan worden gevolgd. Volgens SOMI houdt zij zich aan de op haar website genoemde maximale vergoeding (van in totaal € 75.000,-). De rechtbank houdt het er dan ook voor dat aan de eis van artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 5, BW is voldaan.\n\n6.65.. Wat betreft de eigen bijdrage is van belang dat een deelnemer zich in het aanmeldproces akkoord moet verklaren met de deelnemersovereenkomst (zie 6.20). Uit het proces-verbaal van de deurwaarder volgt dat de deelnemer hierbij kan doorklikken naar de tekst van de deelnemersovereenkomst (zie schermafbeeldingen 25, 50 en 75 tot en met 82). Artikel 2.3 van de deelnemersovereenkomst bepaalt dat SOMI maximaal 15 procent in rekening zal brengen van de ontvangen schadevergoeding indien aan de gedupeerde enige schadevergoeding wordt toegekend maar de rechter X Corp c.s. niet veroordeelt om de kosten van SOMI voor de rechtszaak volledig te vergoeden. Ook staat vermeld dat het percentage afhankelijk is van de hoogte van de toegewezen geldvordering, de duur van de rechtszaak en in de rechtszaak gemaakte kosten. Dit percentage wordt, onder vermelding naar de deelnemersovereenkomst, ook genoemd op de website van SOMI bij FAQ (‘wat zijn de kosten van deelname?’) (zie producties 41 en 64 van X Corp c.s.). Dat daar nog 2 procent bovenop komt, zoals volgens X Corp c.s. het geval lijkt te zijn, volgt niet uit de website en is door SOMI ook weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat SOMI met de informatie op haar website voldoende inzicht heeft gegeven in de berekening van de bijdrage van de personen voor wie zij opkomt (en dat is voldaan aan de eis bedoeld in artikel 3:305a lid 2 onder d, punt 8, BW).\n\n6.66.. De rechtbank voegt hieraan toe dat SOMI op grond van artikel 3:305a lid 2 BW niet gehouden is om op haar website te vermelden waaruit haar kosten precies bestaan en of zij deze betrekking hebben op werkzaamheden van derden, en dus ook niet dat zij gebruik maakt van de diensten van DotSwan en Leadmind. Overigens betwist SOMI dat zij aan deze bedrijven excessieve kosten betaalt. Zij stelt dat de vergoeding minimaal 10 procent onder de marktprijs ligt en dat deze bovendien door [bedrijf 3] rechtstreeks aan Leadmind en DotSwan wordt voldaan, als onderdeel van de schenking. Als gezegd, bieden de statuten van SOMI en de schenkingsovereenkomst voldoende waarborgen om eventuele ongewenste beïnvloeding als gevolg van tegengestelde belangen tussen SOMI en [bedrijf 3] te voorkomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat SOMI alleen het commerciële belang van haar voorzitter en zijn bedrijven dient en niet meer dan een geldmachine is.\n\n6.67.. X Corp c.s. hebben niet gesteld dat de website van SOMI op de andere in artikel 3:305a lid 2 onder d BW genoemde punten niet voldoet en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken.\n\n6.68.. Uit het voorgaande volgt dat SOMI voldoet aan artikel 3:305a lid 2 onder d BW.\n\n6.69.. SOMI heeft ter zitting toegelicht dat [naam 1] houder is van de kapitaalcertificaten en dat de procescertificaten zijn gekocht door particulieren. Iedere aanwijzing dat die stelling niet juist is, ontbreekt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook aan artikel 3:305a lid 2 onder f BW is voldaan.\n\n6.70.. De rechtbank stelt verder vast dat SOMI beschikt over een voltallig bestuur (zie 3.3) en een voltallige raad van toezicht (zie 3.4), van wie de kundigheid en geschiktheid niet ter discussie staan of zijn gesteld. Op basis van de beschikbare informatie ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan die kundigheid en geschiktheid. Daarmee voldoet SOMI aan artikel 3:305a lid 2 onder a en onder e BW.\n\n6.71.. Voor zover van belang overweegt de rechtbank nog dat de WAMCA er op zichzelf niet aan in de weg staat dat SOMI commerciële activiteiten verricht, zoals het tegen betaling (in HT-tokens) uitvoeren van een ‘datalek scan’. Volgens SOMI levert die activiteit echter geen commercieel voordeel op, omdat de vergoeding beperkt is en slechts dient ter dekking van een deel van de kosten van de ontwikkeling, exploitatie en uitvoering van de diensten via de SOMI-app. X Corp c.s. betwisten dat onvoldoende. Evenmin betwisten zij dat de deelnemers aan de collectieve actie tegen X Corp c.s. niet hoeven te betalen om na te gaan of hun gegevens zich in de gelekte datasets bevinden. Voor zover SOMI verder nog abonnementen aanbiedt om onbeperkt gebruik te kunnen maken van haar diensten, geldt dat nergens uit blijkt dat zij hiermee (enorme) winsten behaalt. X Corp c.s. stellen dat ook niet. Uit de omstandigheid dat SOMI activiteiten tegen betaling uitvoert kan daarom niet worden afgeleid dat zij slechts een eigen financieel voordeel nastreeft en de belangen van de achterban niet voorop heeft staan.\n\nConclusie waarborgvereiste\n\n6.72.. De rechtbank heeft meer informatie nodig om te kunnen beoordelen of SOMI voldoet aan het vereiste dat zij beschikt over voldoende middelen om de collectieve actie te bekostigen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank draagt SOMI op om haar stellingen op dit punt te nader toe te lichten en te onderbouwen aan de hand van schriftelijke stukken. Indien SOMI kan aantonen dat zij over voldoende middelen beschikt en voldoende zeggenschap heeft, dan voldoet zij daarmee aan het waarborgvereiste.\n\nDe (overige) vereisten van artikel 3:305a lid 3 BW\n\n6.73.. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van SOMI een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer, zoals vereist in artikel 3:305a lid 3 onder b BW. SOMI komt op voor de belangen van voormalige en huidige gebruikers van het X-platform in Nederland, die voornamelijk in Nederland gebruik hebben gemaakt van de diensten van X Corp c.s. De schade van het gestelde onrechtmatig handelen van X Corp c.s. wordt daarmee ondervonden in Nederland. Dit is door X Corp c.s. niet betwist. Eén van de drie gedaagde partijen is bovendien in Nederland gevestigd.\n\n6.74.. SOMI heeft ook onweersproken aangevoerd dat aan het overlegvereiste uit artikel 3:305a lid 3 onder c BW is voldaan (zie ook onder 3.7). Weliswaar is het niet tot daadwerkelijk overleg gekomen, maar dat komt doordat X Corp c.s. geen reden zag om op de uitnodiging van SOMI in te gaan. Een redelijke uitleg van dit vereiste brengt mee dat een gedaagde de actie niet kan tegenhouden door overleg te weigeren.\n\nConclusie ontvankelijkheidseisen WAMCA (artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW)\n\n6.75.. De rechtbank concludeert dat SOMI voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW, behoudens vooralsnog het waarborgvereiste. De rechtbank heeft met betrekking tot dit vereiste behoefte aan meer informatie van SOMI.\n\nOverige ontvankelijkheidsvereisten onder de WAMCA (artikel 1018c lid 5 onder b en c Rv)\n\nCollectieve procedure is efficiënter en effectiever?\n\n6.76.. Zoals onder 6.2 is overwogen moet SOMI ook voldoende aannemelijk maken dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering. Daarbij is van belang dat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is, en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.6.77.. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, heeft SOMI voldoende aannemelijk gemaakt dat het voeren van de door haar ingestelde collectieve vorderingen efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen door ieder van de gebruikers van het X-platform in de relevante periodes. Met betrekking tot de door artikel 1018c lid 5 onder b Rv als relevant aangemerkte omstandigheden is hiervoor steeds in bevestigende zin geoordeeld. Gesteld noch gebleken is dat er niettemin aanleiding is voor een ander oordeel bij het toepassen van artikel 1018c lid 5 onder b Rv zelf.\n\nVorderingen summierlijk ondeugdelijk?\n\n6.78.. Tot slot staat nog ter beoordeling (zie 6.2) of de vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk waren op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt.\n\n6.79.. Doel van artikel 1018c lid 5 onder c Rv is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling van tafel te halen omdat deze niet deugt.Dit moet dan zonder meer blijken – dus zonder nader inhoudelijk onderzoek – uit de vorderingen van de eisende partij en de stellingen van partijen daarover in deze fase van de procedure. Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van deze vraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (een prima facie oordeel). In de wetsgeschiedenis wordt als voorbeeld genoemd dat het geschil van de collectieve actie niet aan civiele rechter, maar aan de bestuursrechter dient te worden voorgelegd, of dat de vordering kennelijk ongegrond is, bijvoorbeeld omdat de gestelde feiten over de achterban niet aansluiten bij de vordering.\n\n6.80.. X Corp c.s. hebben aangevoerd dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van SOMI omdat:\n\n- de verplichtingen uit de DSA alleen op XIUC als aanbieder van het X-platform in de EU rusten en niet op X Corp en Twitter Netherlands;\n\n- artikelen 34 en 35 DSA geen individuele rechten scheppen;\n\n- de vordering tot schadevergoeding als gevolg van hate speech op het X-platform evident in strijd is met de hostingsexceptie van artikel 6 DSA;\n\n- de vorderingen betreffende de 200M-dataset alleen zijn onderbouwd met speculaties.\n\nToepasselijkheid DSA op X Corp en Twitter Netherlands\n\n6.81.. SOMI heeft haar vorderingen op grond van de DSA in de inleidende dagvaarding gericht tegen X Corp, XIUC en Twitter Netherlands. Ter zitting heeft SOMI verklaard dat zij zich tegenover Twitter Netherlands niet langer beroept op de DSA. Tussen partijen staat vast dat XIUC onder de DSA kan worden aangesproken. In geschil is echter of dit ook geldt voor X Corp. SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dit. Zij baseren zich op het boetebesluit van de Europese Commissie van 5 december 2025 en de uitspraak van deze rechtbank van 2 oktober 2025 in de Bits of Freedom\u002FMeta-zaak.\n\n6.82.. De Europese Commissie heeft op 5 december 2025 een boete van € 120 miljoen opgelegd aan XIUC, X Holdings Corp., X.AI Holdings Corp. en [naam 7] wegens schending van (artikelen 25 lid 1, 39 en 40 lid 12 van) de DSA. De Europese Commissie heeft in het besluit onder meer overwogen dat uit de omstandigheid dat XIUC de geadresseerde is van het eerdere besluit waarin het X-platform is aangewezen als een Very Large Online Platform(VLOP) in de zin van artikel 33 DSA, niet kan worden afgeleid dat alleen XIUC kan worden aangesproken onder de DSA. Het begrip aanbieder (‘provider’) in de zin van de DSA verwijst volgens de Europese Commissie naar “any economic unit engaged in the provision of intermediary services, irrespective of its legal status or structure, which may consist of several legal entities constituting a single economic unit or even a controlling shareholder and those entities” (overweging 49). Volgens de Europese Commissie is X Holdings Corp. “the ultimate legal entity controlling TIUC” en [naam 7] “the natural person ultimately controlling the group of companies to which TIUC and X Holding Corp. belong” (overweging 12 van het besluit). De Europese Commissie heeft daarom X Holdings Corp. (en haar aandeelhouder X.AI Holdings Corp.) en [naam 7] samen met XIUC aangemerkt als “the provider of X in the Union”. Dit oordeel betekent echter niet zonder meer dat op X Corp geen verplichtingen uit de DSA rusten en dat zij niet ook als aanbieder van het X-platform kan worden beschouwd. X Corp is immers de dochtermaatschappij van X Holdings Corp. en de moedermaatschappij van XIUC, zodat zij (in elk geval op papier) invloed op XIUC lijkt te kunnen uitoefenen, en behoort tot dezelfde economische eenheid als XIUC. De discussie bij de Europese Commissie ging met name over de positie van [naam 7] onder de DSA en niet over die van X Corp (zie overwegingen 54 tot en met 63 van het besluit). SOMI wijst er terecht op dat de DSA relatief nieuw is en dat er daarom nog beperkte duiding is over de vraag welke entiteiten binnen een concern kunnen worden aangesproken onder de DSA. Het besluit van de Europese Commissie is bovendien nog niet onherroepelijk, omdat hiertegen beroep is ingesteld bij het Hof van Justitie EU. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de op de DSA gebaseerde vorderingen van SOMI tegen X Corp summierlijk ondeugdelijk zijn, laat staan op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt (wat ruim vóór het besluit van de Europese Commissie was).\n\n6.83.. De door X Corp c.s. aangehaalde uitspraak van deze rechtbank maakt dat niet anders. In deze (kort geding) zaak oordeelde de rechtbank dat twee entiteiten behorend tot het Meta-concern niet als aanbieder van een platform in de zin van de DSA konden worden aangemerkt vanwege hun rol en werkzaamheden binnen het Meta-concern. Dit oordeel van de voorzieningenrechter kan niet één op één worden toegepast op de situatie bij X Corp c.s. en vergt een feitelijke beoordeling waarvoor nader onderzoek nodig is en waarbij ook factoren als zeggenschap en economische gebondenheid een rol kunnen spelen. Die factoren zijn in de Bits of Freedom\u002FMeta-zaak niet beoordeeld.\n\nDirecte werking artikelen 34 en 35 DSA\n\n6.84.. Partijen verschillen van mening over de vraag of artikelen 34 en 35 van de DSA directe werking hebben (SOMI meent van wel, maar X Corp c.s. betwisten dat). Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat deze vraag nog niet eerder is beantwoord in de jurisprudentie. Reeds hierom kan de rechtbank in deze fase van de procedure er niet zonder meer van uitgaan dat X Corp c.s. gelijk hebben en dat de vordering van SOMI op dit punt niet deugt.\n\nArtikel 6 DSA\n\n6.85.. Op grond van artikel 6 DSA is een aanbieder van een tussenhandeldienst die content van gebruikers opslaat en verspreidt (een hostingdienst), niet aansprakelijk voor de opgeslagen informatie als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Voorwaarden zijn dat de aanbieder zich beperkt tot het neutraal aanbieden van de hostingdienst, geen kennis heeft van de illegale inhoud en prompt optreedt tegen illegale inhoud zodra hij daarvan op de hoogte is. De vrijstelling van aansprakelijkheid is niet bedoeld om eigen verplichtingen niet na te hoeven komen, maar alleen om te zorgen dat partijen niet verantwoordelijk worden gehouden voor content die ondanks dat zij hun verplichtingen nakomen via hun platform wordt verspreid. In dit geval verwijt SOMI X Corp c.s. juist dat zij hun eigen verplichtingen nietnakomen. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de vordering van SOMI tot schadevergoeding als gevolg van hate speech gelet op artikel 6 DSA summierlijk ondeugdelijk is. Daarbij komt dat het verwijt van SOMI aan X Corp c.s. groter is dan hate speech. Hate speech is volgens SOMI slechts één van de systeemrisico’s die X Corp c.s. op grond van artikelen 34 en 35 DSA dienen te beoordelen en te beperken. SOMI stelt zich op het standpunt dat X Corp c.s. met betrekking tot alle systeemrisico’s niet aan hun verplichtingen voldoen.\n\n200M-dataset\n\n6.86.. SOMI komt in deze procedure op voor de personen van wie de persoonsgegevens voorkomen in de gelekte datasets. Zij onderscheidt vier datalekken op het X-platform. Zij stelt dat het vierde datalek bestaat uit de gegevens van meer dan 200 miljoen X-gebruikers (de 200M-dataset) en een subset is van de dataset van meer dan 400 miljoen X-gebruikers uit het derde datalek (de 400M-dataset). X Corp c.s. stellen dat op voorhand duidelijk is dat de vorderingen die betrekking hebben op de 200M-dataset geen kans van slagen hebben. Volgens X Corp c.s. heeft deze dataset namelijk geen verband met het eerste datalek (de API-bug) of een andere kwetsbaarheid in de systemen, maar is het waarschijnlijk een verzameling van informatie die reeds online beschikbaar was via diverse andere online bronnen en die van het internet is ‘gescrapet’ en samengevoegd tot de 200M-dataset. SOMI betwist dit en voert daartoe aan dat uit nader onderzoek is gebleken dat de 200M-dataset en de 400M-dataset gegevens bevatten die niet publiekelijk beschikbaar waren. Om te kunnen beoordelen wie gelijk heeft, is nader debat tussen partijen vereist en wellicht zelfs bewijslevering. Daartoe dient de inhoudelijke fase van deze procedure. De rechtbank volgt X Corp c.s. daarom niet in hun stelling dat de op de 200M-dataset gebaseerde vordering van SOMI op het eerste gezicht al geen enkele kans van slagen heeft.\n\nConclusie\n\n6.87.. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van X Corp c.s. dat verschillende vorderingen van SOMI summierlijk ondeugdelijk zijn, niet slaagt. Ook uit de overige standpunten van partijen kan dit niet worden afgeleid.\n\nConclusie ontvankelijkheid SOMI en verdere verloop van de procedure\n\n6.88.. De rechtbank concludeert dat nog niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van SOMI, omdat nog onduidelijk is of SOMI voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW, in het bijzonder het waarborgvereiste van lid 2. De rechtbank beveelt SOMI om haar stellingen op dit punt nader toe te lichten en te onderbouwen. Daartoe mag SOMI eerst een akte nemen, waarop X Corp c.s. bij antwoordakte mag reageren.\n\n6.89.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n7. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n7.1.. verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026 voor het nemen van een akte door SOMI als bedoeld in 6.56;\n\n7.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. L. Voetelink en mr. A.N. Kikkert en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\nBijlage\n\nSOMI vordert dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar,\n\nExclusieve belangenbehartiger\n\ni. SOMI aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger zoals bedoeld in artikel 1018e lid 1 Rv;\n\nNauw omschreven groep\n\nTe bepalen dat SOMI in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende nauw omschreven groepen personen (gezamenlijk aangeduid als de \"Achterban\"):\n\na. Voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 1 juni 2021 tot en met heden (de \"Relevante Periode 2\"), en\n\nv. van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets (\"Achterban A\");\n\nb. Voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden (de \"Relevante Periode 1\"), en\n\nv. die behoorden tot het doelpubliek van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X, waaronder de Advertenties (\"Achterban B\");\n\nc. Voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico's voor grote online platforms waaronder het tegengaan van hate speech:\n\ni. Alle gebruikers van het X-Platform, althans de diensten van X,\n\nii. zijnde alle natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,\n\niii. die in Nederland wonen en gedurende een moment dat zij in Nederland woonden,\n\niv. gebruik hebben gemaakt van het X-Platform in de periode vanaf 25 augustus 2023 tot en met heden (de \"Relevante Periode 1\") (\"Achterban C\").\n\nOpt-in\u002Fopt-out\n\nX Corp c.s. te gebieden om binnen vier weken na het in deze procedure ingevolge artikel 1018e lid 1 en 2 Rv te wijzen vonnis:\n\na. het vonnis, vergezeld van een eenvoudige samenvatting, te plaatsen op een speciaal daarvoor in het leven te roepen webpagina van de website waarop het X-Platform toegankelijk is;\n\nb. ieder lid van de Achterban per e-mail en via de X berichtendienst mededeling te doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt;\n\nc. aankondiging te doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen personen wier belangen de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering behartigt, in alle landelijke en regionale nieuwsbladen van Nederland met een inhoud en op een wijze zoals door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nd. met de bepaling dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. aan enig onderdeel van de veroordelingen iii. a., b., en\u002Fof c. niet of niet tijdig wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag), met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\n Te bepalen dat, overeenkomstig artikel 1018f lid 1 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban met woonplaats of verblijf in Nederland, binnen een maand na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis met de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden (Opt-out);\n\n Te bepalen dat, in overeenstemming met artikel 1018f lid 5 Rv, (de wettelijk vertegenwoordiger(s) van) ieder lid van de Achterban zonder woonplaats of verblijf in Nederland, binnen drie maanden na de aankondiging overeenkomstig artikel 1018f lid 3 Rv van het vonnis van uw Rechtbank tot aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten in te stemmen met de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie en dat zijn belang niet wordt behartigd in een collectieve of individuele vordering, gebaseerd op soortgelijke feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen tegen gedaagden in een andere lidstaat van de EU of de EER (Opt-in).\n\nVerklaringen voor recht\n\nTe verklaren voor recht en op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding jegens ieder lid van de (relevante) Achterban dat;\n\na. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door in strijd te handelen met de AVG;\n\nb. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, althans XIUC toerekenbaar onrechtmatig heeft\u002Fhebben gehandeld door in strijd te handelen met de DSA;\n\nc. X Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich, toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door zich schuldig te maken aan oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 6:193b lid 3 onder a BW in samenhang gelezen met 6:193d BW;\n\nd. X Corp c.s. gezamenlijk of ieder voor zich, zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt.\n\nVerwijzing schadestaat \u002F symbolische schadevergoeding \u002F wijze van afwikkeling collectieve schade\n\n PRIMAIR\n\na. te verklaren voor recht dat X Corp c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn op de gronden zoals uitgewerkt in deze dagvaarding, jegens ieder (relevant) lid van de Achterban voor de door ieder van die leden als gevolg van de schendingen in vorderingen vi (a-d) geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en\n\nb. voor wat betreft de als gevolg van hate speech door de Achterban C geleden immateriële schade in de Relevante Periode 1, X Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een symbolische schadevergoeding te begroten op EUR 1 (één euro) per lid van de Achterban, althans te bepalen dat ook deze schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;\n\nSUBSIDIAIRde collectieve schadeafwikkeling vorm te geven op een wijze die uw Rechtbank in goede justitie geraden acht op basis van door SOMI en X Corp c.s. op bevel van uw Rechtbank ex artikel 1018i Rv over te leggen voorstellen voor een collectieve afwikkeling; en\n\nzowel primair als subsidiair per lid van de Achterban te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de Relevante Periode 1 aanvangt, danwel de Relevante Periode 2, althans de datum van dagvaarding, althans de datum van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nGeboden op straffe van dwangsom en controle\n\nX Corp c.s. gezamenlijk en\u002Fof ieder voor zich te gebieden om aan hun in deze dagvaarding omschreven wettelijke verplichtingen te voldoen door:\n\na. te voldoen aan de meldplicht datalekken aan betrokkenen op grond van artikel 34 AVG jegens Achterban A, op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat X Corp c.s. geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum; en\n\nb. het staken van het onrechtmatig handelen jegens de Achterban B door het staken en gestaakt te houden van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat X Corp c.s. geheel of gedeeltelijk in strijd handelen met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum; en\n\nc. het staken van het onrechtmatig handelen jegens de Achterban B en Achterban C door schendingen van de DSA te staken en gestaakt te houden door:\n\ni. jegens Achterban B het targeten van X-Gebruikers op basis van bijzondere persoonsgegevens voor advertentiedoeleinden te staken en gestaakt te houden; en\n\nii. jegens Achterban C aantoonbaar te voldoen aan de (zorg- en informatie)plichten op grond van de DSA,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van EUR 4.000.000,- (zegge: vier miljoen euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) vanaf twee maanden na de datum van betekening van het eindvonnis dat XIUC geheel of gedeeltelijk in strijd handelt met dit gebod, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum;\n\nTe bevelen X Corp c.s. een maand na het verzoek daartoe van SOMI aan\n\nX Corp c.s., aan een onafhankelijke auditor, te weten een aan de 'Big Four' (KPMG, Ernst & Young, PWC en Deloitte) verbonden onafhankelijke auditor, toegang te geven tot de IT-faciliteiten van X Corp c.s. (waaronder, maar niet beperkt tot, externe servers bij aan gedaagden dienstverlenende derden) en X Corp c.s. te gebieden alle benodigde medewerking te verlenen om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de naleving van de geboden als bedoeld vii van dit petitum, met dien verstande dat SOMI dit verzoek vijf keer kan doen, althans zoveel keer als uw Rechtbank in justitie geraden acht, en dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. niet, niet geheel of niet tijdig aan het verzoek van SOMI wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000 (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\nVerstrekken van informatie\n\nX Corp c.s. te veroordelen om binnen vier weken na het in dezen te wijzen vonnis in de vorm van een Excel lijst of vergelijkbaar algemeen gangbaar bestand opgave te doen van:\n\na. alle adverteerders die in de relevante Periode 1 direct of indirect gebruik hebben gemaakt van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op het X-Platform voor advertenties (al dan niet mede) gericht op Nederlandse consumenten;\n\nb. de advertenties (al dan niet mede) gericht op Nederlandse consumenten, die in de Relevante Periode 1 (mede) met gebruikmaking van ongeoorloofde microtargeting op basis van bijzondere persoonsgegevens op X zijn geplaatst;\n\nc. de advertentie-inkomsten die X Corp c.s. (althans aan X Corp c.s. gelieerde entiteiten) direct of indirect via de in onderdeel ix.a. en ix.b. van dit petitum bedoelde advertenties hebben ontvangen;\n\nOnder de bepaling dat X Corp c.s. per partij een dwangsom verschuldigd zullen zijn indien door X Corp c.s. niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling tot informatieverstrekking wordt voldaan, ten bedrage van EUR 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per tekortkoming en per dag (waarbij een dagdeel geldt als een volledige dag) met een maximum van EUR 10.000.000,- (zegge: tien miljoen euro) per gedaagde partij, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en daaraan te verbinden maximum.\n\nKostenvergoedingen\n\nPRIMAIRX Corp c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SOMI van:\n\na. de volledige door SOMI gemaakte buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nb. de redelijke en evenredige proceskosten van deze procedure en verdere kosten die SOMI heeft gemaakt, overeenkomstig artikel 10181 lid 2 Rv, en\u002Fof 237 Rv en\u002Fof 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nc. de volledige door SOMI gemaakte kosten, nakosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, overeenkomstig artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en\n\nd. de volledige door SOMI aan eventuele externe procesfinanciers te betalen overeengekomen vergoeding, overeenkomstig artikel 6:96 BW en\u002Fof artikel 10181 lid 2 Rv, zoals nader te begroten op grond van door SOMI nader over te leggen informatie, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, een en ander zoals nader te begroten op basis van door SOMI over te leggen informatie en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat; en\n\nde volledige kosten van SOMI in verband met de uitvoering van het in deze procedure te wijzen vonnis en de van de afwikkeling van de schadevergoeding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag de afhandeling, waaronder maar niet beperkt tot kosten in verband met de afhandeling van de vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding en de begeleiding van en controle op dat proces, te vermeerderen met BTW indien van toepassing, steeds halfjaarlijks vooraf te voldoen op basis van door SOMI vast te stellen redelijke voorschotbedragen en na afronding af te rekenen op basis van nacalculatie.\n\nSUBSIDIAIRte bepalen dat SOMI de kosten zoals bedoeld in de primaire vordering in mindering mag brengen op de door of namens haar aan de Gedupeerden uit te betalen schadevergoedingen nader op te maken bij staat.\n\n Richtlijn (EU) 2020\u002F1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende\n\nrepresentatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot\n\nintrekking van Richtlijn 2009\u002F22\u002FEG, PbEU2020, L 409.\n\n Verordening (EU) 2016\u002F679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de\n\nbescherming van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking\n\nvan Richtlijn 95\u002F46\u002FEG (algemene verordening persoonsgegeven), PbEU2016, L 119\u002F1.\n\n Verordening (EU) 2022\u002F2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022\n\nbetreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F31\u002FEG\n\n(digitaledienstenverordening), PbEU2022, L 277.\n\n Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke\n\nhandelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van\n\nRichtlijn 84\u002F450\u002FEEG van de Raad, Richtlijnen 97\u002F7\u002FEG, 98\u002F27\u002FEG en 2002\u002F65\u002FEG van het Europees\n\nParlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad\n\n(„Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), PbEU2005, L 149\u002F22.\n\n Verordening (EU) Nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012\n\nbetreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in\n\nburgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU2012, L 351.\n\n Zie artikelen 1, 6 en 66 Verordening Brussel I-bis.\n\nHR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732.\n\n Rb Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088 (SDBN-Amazon).\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39;Kamerstukken II2017-2018, 34 608, nr. 9\n\n(NnavNV), p. 9-10; Handelingen II23 januari 2019, nr. 44, item 6, p. 14.\n\nKamerstukken II2021-2022, 36 034, nr. 3 (MvT), p. 3.\n\nKamerstukken II2021-2022, 36 034, nr. 3 (MvT), p. 13.\n\n Vergelijk hof Amsterdam 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2666 (TikTok), r.o. 4.28.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 45.\n\nKamerstukken II1991-1992, 22 486, nr. 3.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 7, 8, 18 en 19. Zie verderKamerstukken II\n\n2017-2018, 34 608, nr. 6 (NnavV), p. 3 en 5.\n\nKamerstukken II2003-2004, 29 414, nr. 3. (MvT WCAM), p. 15 en 16.\n\n In artikel 4 sub 7 AVG wordt profilering omschreven als elke vorm van geautomatiseerde\n\nverwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke\n\naspecten van een natuurlijk persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling zijn\n\nberoepsprestaties, economische situatie, gezondheid, persoonlijke voorkeuren, interesses,\n\nbetrouwbaarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen.\n\n Rechtbank Den Haag 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320.\n\n Rechtbank Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4264.\n\n HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Stichting Baas in Eigen Huis\u002FPlazacasa).\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 40 en 41.\n\n HvJEU 4 mei 2023, C-300-21, ECLI:NL:EU:C:2023:370 (Österreichische Post).\n\n HvJEU 4 mei 2023, C-300-21, ECLI:NL:EU:C:2023:370 (Österreichische Post), HvJEU 21\n\ndecember 2023, C-667\u002F21, ECLI:EU:C:2023:1022 (Krankensicherung Nordrhein), HvJEU 25 januari\n\n2024, C-687-2, ECLI:EU:C:2024:72 (MediaMarktSaturn).\n\n Artikel 3:305a lid 2 sub d BW geeft vervolgens een opsomming van de informatie die beschikbaar\n\nmoet zijn op de website.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 18 en 21.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 20.\n\n WOCD-rapport ‘Nut, noodzaak, vormgeving en kosten van een (revolverend) processenfonds voor\n\ncollectieve acties’, zie p. 14 en 15, op 18 september 2023 door de Minister voor Rechtsbescherming\n\naangeboden aan de Tweede Kamer.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 19.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39.\n\nKamerstukken II2016-2017, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 39.\n\nKamerstukken II2023-2024, 36 169, nr. 40, p. 3.\n\nRb Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745, r.o. 5.104.\n\n Rb Amsterdam 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7253 (Bits of Freedom-Meta).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6440","2026-07-13T00:29:23.335Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":65,"updatedAt":144},"926","ECLI:NL:GHAMS:2026:1289","ecli-nl-ghams-2026-1289","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.349.631\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F715714 \u002F HA ZA 22-277\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant] ,\n\nwonend in [plaats 1] , [plaats 2] (Verenigde Staten van Amerika),\n\n2. THE EAGLE B.V.,\n\ngevestigd te Almere,\n\n3. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nLA AL THE WAY LLC,\n\ngevestigd te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten van Amerika),\n\n4. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nAFTER MIDNIGHT PRODUCTIONS LTD,\n\ngevestigd te Nicosia (Cyprus),\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nGREENBERG TRAURIG LLP,\n\ngevestigd te New York, New York (Verenigde Staten van Amerika),\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.C. van Nass te Amsterdam.\n\nAppellanten worden hierna ieder afzonderlijk [appellant] , The Eagle, LATW en After Midnight genoemd, samen worden deze partijen [appellanten] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna Greenberg Traurig genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [appellant] en zijn vennootschappen zijn namens Greenberg Traurig geadviseerd op fiscaal gebied. De rechtbank heeft vastgesteld dat in 2012 en 2013 bij de advisering fouten zijn gemaakt. Niet is onderkend dat [appellant] met ingang van 1 januari 2012 fiscaal inwoner in de Verenigde Staten (VS) is geworden en daardoor ook inkomen van een door [appellant] opgerichte trust en dochtervennootschappen daarvan onderworpen was aan Amerikaanse belastingheffing. [appellant] heeft in de VS aanvullend belasting en een boete moeten betalen, samen voor een bedrag van bijna USD 17 miljoen. In deze procedure vorderen [appellanten] dit bedrag bij wijze van schadevergoeding van Greenberg Traurig. De rechtbank heeft een beroepsfout van Greenberg Traurig vastgesteld. Als schadevergoeding zijn de adviseurskosten voor het analyseren van het onjuiste advies en het vaststellen en beperken van de daaruit voortvloeiende schade toegewezen. De belastingschade heeft de rechtbank niet toewijsbaar geacht. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de gevorderde schadevergoeding in hoger beroep alsnog toe.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-\u002Frolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en onder andere Greenberg Traurig als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord, met producties.\n\nOp 3 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de zijde van [appellanten] zijn nog producties in het geding gebracht.\n\nVan de inhoudelijke behandeling van de zaak tijdens de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Na de behandeling van het inhoudelijke gedeelte van de zaak heeft het hof beslist dat het (verkennende) gesprek tussen partijen, om - met hulp van het hof - te komen tot een minnelijke regeling van het geschil, achter gesloten deuren zal plaatsvinden. Van deze mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.\n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor overleg tussen partijen.\n\nTen slotte is op de rol van 24 februari 2026 arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1.. \n [appellant] is een internationaal bekende DJ en muziekproducer, met artiestennaam [naam 1] .\n\n3.2.. The Eagle is in 2000 opgericht toen [appellant] nog in Nederland woonde. Tot 2009 heeft [appellant] zijn zakelijke activiteiten in The Eagle en in dochtervennootschappen daarvan ondergebracht.\n\n3.3.. Greenberg Traurig is een internationaal advocatenkantoor.\n\n3.4.. \n [naam 2] (hierna: [naam 2] ) was tot en met december 2013 belastingadviseur en partner bij Greenberg Traurig, gespecialiseerd in het opzetten van internationale fiscale structuren met een focus op de media- en entertainmentindustrie. Van januari 2014 tot maart 2016 was [naam 2] partner bij Certa Legal advocaten B.V. (hierna: Certa Legal). Vanaf maart 2016 verrichtte [naam 2] belastingadvieswerkzaamheden vanuit een eigen onderneming.\n\n3.5.. \n [naam 2] was vanaf 2008 tot 1 januari 2019 de vaste belastingadviseur van [appellanten] Hij was in eerste aanleg medegedaagde van Greenberg Traurig. Het geding voor zover dat betrekking heeft op de tegen [naam 2] ingestelde vorderingen is in eerste aanleg aangehouden.3.6.. Door het vertrek van [naam 2] bij Greenberg Traurig is per 1 januari 2014 een einde gekomen aan de opdrachtrelatie tussen Greenberg Traurig en [appellanten] [naam 2] heeft zijn werkzaamheden voor [appellanten] voortgezet, eerst namens Certa Legal waar hij vanaf januari 2014 werkzaam was en vanaf maart 2016 vanuit zijn eigen onderneming.\n\n3.7.. Tot en met 2008 was [appellant] over zijn wereldwijde inkomen, dat hij direct of via The Eagle ontving, belastingplichtig in Nederland.\n\n3.8.. Op 12 november 2008 heeft [naam 2] geadviseerd het ‘fiscaal inwonerschap’ van [appellant] en de structuur van zijn ondernemingen aan te passen. Geadviseerd is, kort gezegd, dat [appellant] verhuist vanuit Nederland naar de VS, zonder aldaar fiscaal inwoner te worden, en dat rechtspersonen worden opgericht in de VS, Cyprus en Guernsey. [naam 2] heeft zich in het kader van zijn advisering over de fiscale mogelijkheden in de VS laten informeren door het VS gevestigde kantoor [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).\n\n3.9.. Aan het advies van [naam 2] is uitvoering gegeven. [appellant] is met terugwerkende kracht per 1 juli 2008 fiscaal geëmigreerd uit Nederland. Verder zijn verschillende rechtspersonen opgericht, te weten vier vennootschappen in de VS, een trust naar het recht van Guernsey en een vennootschap in Cyprus.\n\n3.9.1.. Eén van de in 2009 in de VS opgerichte vennootschappen is LATW. [appellant] werd belastingplichtig in de VS voor de winsten die in de Amerikaanse vennootschappen werden gegenereerd en alle andere inkomsten die hij uit Amerikaanse bron genoot.\n\n3.9.2.. In Guernsey is een trust opgericht, genaamd Safe From Harm Trust (hierna: de Trust). In de Trust werd het vermogen van [appellant] ondergebracht. [appellant] was zowel de oprichter (settlor) als de begunstigde (beneficiary) van de Trust. Fortis Trustees (Guernsey) Limited werd aangesteld alstrustee. Fortis Trustees (Guernsey) Limited is later vervangen door Intertrust Trustees (Guernsey) Limited. Als dochtervennootschap van de Trust is opgericht Safe From Harm Ltd (hierna: SFH Ltd), eveneens gevestigd op Guernsey. In SFH Ltd is het economisch eigendom van intellectuele eigendomsrechten ondergebracht.\n\n3.9.3.. De in 2009 in Cyprus opgerichte vennootschap is After Midnight. After Midnight is een dochtervennootschap van SFH Ltd. After Midnight dient voor het exploiteren van alle activiteiten van [appellant] die buiten de VS plaatsvinden en voor het exploiteren van de intellectuele eigendomsrechten. In 2010 en 2011 zijn nog vier Cypriotische dochtervennootschappen van SFH Ltd opgericht.\n\n3.10.. Met de emigratie uit Nederland werd onder meer bewerkstelligd dat [appellant] in Nederland niet meer belastbaar was voor zijn wereldinkomen. In Nederland was [appellant] vanaf dat moment als buitenlands belastingplichtige alleen nog belastingplichtig voor door hem genoten Nederlands inkomen (kort gezegd: inkomen uit Nederlandse bronnen).\n\n3.11.. \n\nHet Amerikaanse belastingrecht (de United States Internal Revenue Code of 1986, hierna: IRC) maakt onderscheid tussen eengrantor trusten eennon-grantor trust. Bij eengrantor trusthoudt degrantor(insteller\u002Finbrenger) direct of indirect controle over het trustvermogen. Een grantor trust wordt onder de IRC als transparant beschouwd en degrantorvan eengrantor trustwordt beschouwd als de eigenaar van in degrantor trustgehouden vermogensbestanddelen en de genieter van de door degrantor trustgenoten inkomsten en winst. Dat betekent dat die eigenaar\u002Fgrantor, indien deze in de VS binnenlands belastingplichtig is, voor het gehele inkomen van degrantor trustin de VS onderworpen is aan inkomstenbelasting alsof hijzelf dat inkomen genoten heeft. Bepaalde categorieën van inkomen (zogeheten ‘subpart F income’) genoten door een dochtervennootschap van degrantor trust(die gelden als eencontrolled foreign corporationofCFC) worden eveneens direct bij degrantorin de Amerikaanse belastingheffing betrokken.\n\nEen non-grantor trustis een trust die geengrantor trustis. Eennon-grantor trustis zelfstandig belastingplichtig en het inkomen van eennon-grantor trustwordt in de regel niet direct bij degrantorin de Amerikaanse belastingheffing betrokken. Indien denon-grantor trusteen uitkering doet aan een begunstigde die fiscaal inwoner is in de VS, zal die begunstigde over die uitkering in de VS worden belast via de inkomstenbelasting.\n\n3.12.. De Trust was naar Amerikaans belastingrecht aan te merken als een buitenlandse grantor trust.\n\n3.13.. Om te voorkomen dat [appellant] als fiscaal als inwoner (tax resident) van de VS zou worden aangemerkt - en hij in de VS belastingplichtig zou worden voor zijn wereldinkomen - moest hij het aantal dagen dat hij fysiek in de VS zou zijn beperken tot onder de limiet van deSubstantial Presence Test(hierna: SPT) van de IRC. In de IRC is bepaald dat eenalien- een persoon die geen Amerikaans staatsburger of permanent ingezetene (green card-houder) is - voor de IRC in een jaar als inwoner van de VS moet worden behandeld (en belastingplichtige is in de VS voor zijn wereldinkomen) als hij in dat jaar de SPT-limiet overschrijdt. De SPT houdt in dat eenalienin een kalenderjaar als inwoner geldt indien (i) de alien in dat jaar ten minste 31 dagen in de VS aanwezig is; en (ii) de som van a) het aantal dagen waarop hij aanwezig was in de VS in dat jaar en b) het product van de factor 1\u002F3 en het aantal dagen waarop hij gedurende het daaraan voorafgaande jaar aanwezig was in de VS en c) het product van de factor 1\u002F6 en het aantal dagen waarop hij in het daaraan weer aan voorafgaande jaar aanwezig was in de VS, gelijk is aan of groter is dan 183 dagen.\n\n3.14.. \n [appellant] maakte gebruik van verschillende dienstverleners, waaronder het in Breda gevestigde Full Management Support B.V., een zakelijke dienstverlener op het gebied van accountancy en administratie, en het in New York gevestigde boekingsbureau AM Only Inc. dat de wereldwijde boekingen van [appellant] verzorgde. Door deze twee bedrijven werd bijgehouden hoeveel dagen [appellant] per jaar in de VS was.\n\n3.15.. Van 2009 tot en met 2011 is [appellant] onder de SPT-limiet gebleven.\n\n3.16.. In 2010 is gecorrespondeerd over een mogelijke overschrijding van de SPT-limiet in 2011. Naar aanleiding van een vraag van [appellant] heeft [naam 2] [bedrijf] benaderd over de fiscale consequenties van een overschrijding van de SPT-limiet. In een e-mail van 8 november 2010 heeft [naam 2] aan [bedrijf] geschreven:\n\n“[appellant] sent me an e-mail in Dutch about the day count in 2011. When he looks at this contracts, he will spend less than 120 days in the US. However, he asked me what would happen if he spent more days than allowed in the US. I would like to answer that [appellant] would be taxed in the US for his worldwide income in 2011 and if we don't do something about his income from Cyprus and Guernsey, he would be taxed in the US for that income as well. Saying this, we would need to minimize his income from Cyprus and Guernsey to nil.\n\nPlease confirm whether my feeling is right and, if so, are we still allowed to deduct royalty payments from Cyprus in the US? Further, I need to know if this would have any consequences in 2012.\n\nIf I'm wrong, this means that we must expand [appellant] ’ touring in Europe for 2011.”\n\n3.17.. Op 9 november 2010 heeft een medewerker van [bedrijf] geantwoord aan [naam 2] :\n\n“You are correct, if [appellant] is present in the USA for at least 31 days in the current calendar year and 183 days for the current and two prior calendar years (3 year formula in [appellant] day count schedule), he would be taxed as a resident of the USA. Therefore, his worldwide income would be subject to tax in the USA. There is an exception to the substantial presence test above which is if [appellant] individually has a tax home in a foreign (non usa) country that has a reciprocal tax treaty with the USA and has a closer connection to the foreign country, and was physically present in the USA for less than 183 days during the current tax year.\n\nThe fact of whether [appellant] is considered a tax resident of the USA will not affect the ability to deduct the royalty payment but the actual tax benefit will be lost since he will be taxed on his worldwide income in the USA.\n\nRegarding tax year 2012, we would need to look at the number of days [appellant] is present in the USA in 2012 and the preceding 2 calendar years to determine if he would be taxed as a resident of the USA.”\n\n3.18.. Naar aanleiding van het bericht van 9 november 2010 heeft [naam 2] dezelfde dag de volgende aanvullende vraag aan [bedrijf] gesteld:\n\n“(…) do you mean that the US tax authorities will disregard the Cyprus structure? and that [appellant] will also be taxed on the income that flows to AMP [After Midnight Productions, hof] from the rest of the world?”\n\n3.19.. Het antwoord daarop van de medewerker van [bedrijf] is:\n\n“The USA would tax the income that flows directly to [appellant] (salary etc.) - if AMP is a pass through entity than the net income from company would be taxed by USA. lf AMP is the equivalent of a “C Corporation” in the USA whereby the income is retained in the company and the company pays tax based on the net income, than the USA would not tax the company's net income until its distributed to [appellant] .”\n\n3.20.. In een e-mail van 11 november 2010 heeft [naam 2] aan [appellant] geschreven:\n\n“Als jij in 2011 meer dan 123 dagen in de VS bent, dan zal je in 2011 Amerikaans belastingplichtig worden, met als gevolg dat jij naast je inkomen uit LA All the Way ook belastbaar zal zijn over het inkomen dat jij ontvangt vanuit Cyprus en Guernsey. Nu is dat inkomen onbelast, straks wordt dat inkomen dan belast met ongeveer 33%. Deze belastingheffing kunnen we wel verhelpen door het inkomen wat jij geniet uit Cyprus en Guernsey terug te draaien naar nul. (…) We zullen dan wel wat overeenkomsten aan moeten passen. Daarnaast heeft het tot gevolg dat jij ook in 2012 op je Amerikaanse dagen zal moeten letten, omdat je ongeveer 33% van de dagen uit 2011 meesleept naar 2012. Dan zou je dus in 2012 al met ongeveer 70 dagen beginnen.”\n\n3.21.. In het jaar 2012 heeft [appellant] de dagenlimiet van de SPT overschreden. Daardoor is hij per 1 januari 2012 fiscaal inwoner van de VS geworden en belastingplichtig in de VS voor zijn wereldinkomen, met inbegrip van het inkomen van de Trust en het aan de Trust toegerekende (subpart F) inkomen van de dochtervennootschappen daarvan (hierna kortweg: het inkomen van de Trust).\n\n3.22.. De belastingaangiften in de VS werden in opdracht van [appellant] van 2009 tot en met 2017 gedaan door [bedrijf] . Ook was [bedrijf] verantwoordelijk voor de administratie van LATW. In de door [bedrijf] over de jaren 2012 tot en met 2017 namens [appellant] in de VS gedane belastingaangiften is het inkomen van de Trust niet opgegeven.\n\n3.23.. In 2018 heeft [appellant] een ander advocatenkantoor in de VS benaderd voor belastingadvies. Dat kantoor heeft geconstateerd dat de Trust naar Amerikaans belastingrecht is te kwalificeren als een grantor trusten dat [appellant] vanaf 2012 het inkomen van de Trust had moeten opnemen in zijn Amerikaanse aangiften voor de inkomstenbelasting.\n\n3.24.. \n [appellant] heeft vervolgens in de VS deelgenomen aan een inkeerregeling, genaamd Streamlined Domestic Offshore Procedures(SDOP). Ter uitvoering daarvan heeft [appellant] op 15 oktober 2019 gewijzigde belastingaangiften over de jaren 2016 en 2017 ingediend. Op grond daarvan heeft [appellant] alsnog USD 10.217.269 aan Amerikaanse federale inkomstenbelastingen over de jaren 2016 en 2017 betaald over het inkomen van de Trust.\n\n3.25.. Over het jaar 2018 heeft [appellant] USD 1.212.765 aan inkomstenbelasting betaald over het inkomen van de Trust. Ook heeft [appellant] op grond van de SDOP een boete van in totaal USD 5.558.918,70 betaald.\n\n3.26.. Over het inkomen van de Trust in de jaren 2012 tot en met 2015 is geen inkomstenbelasting betaald in de VS.\n\n3.27.. In januari 2019 hebben [appellanten] de opdrachtrelatie met [naam 2] beëindigd.\n\n3.28.. In 2019 was [appellant] geen fiscaal inwoner meer van de VS. Vanaf 2020 is hij weer fiscaal inwoner van de VS geworden. [appellant] heeft het vermogen van de Trust in 2020 ondergebracht in een Amerikaanse grantor trustnaar het recht van de staat Nevada.\n\n3.29.. Het Openbaar Ministerie in de VS is een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarbij onder andere [naam 2] als verdachte is aangemerkt van het organiseren van belastingontduiking. In maart 2023 is [naam 2] in Italië aangehouden op verzoek van de Amerikaanse autoriteiten en in september 2023 is hij ter uitlevering overgebracht van Italië naar de VS. [naam 2] heeft in het kader van een zogenaamde plea dealschuld erkend aan één van de tegen hem ingediende aanklachten. De Amerikaanse rechter heeft [naam 2] op 13 februari 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. Samengevat weergegeven, hebben [appellanten] bij rechtbank gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Greenberg Traurig toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de tussen hen bestaande overeenkomst van opdracht.\n\n4.2.. Daarnaast hebben [appellanten] gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat Greenberg Traurig wordt veroordeeld tot betaling van de volgende bedragen:\n\na. USD 10.217.269,00 wegens door [appellant] op grond van de gewijzigde belastingaangiften voor de jaren 2016 en 2017 betaalde inkomstenbelasting aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nb. USD 1.212.765,00 wegens door [appellant] op grond van de inkomsten van de Trust uit hoofde van zijn belastingaangifte 2018 betaalde inkomstenbelasting aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nc. USD 5.558.918,70 wegens een door [appellant] betaalde boete aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019.\n\n4.3.. Verder is in eerste aanleg gevorderd dat Greenberg Traurig wordt veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, ter zake van de door [appellanten] betaalde adviseurskosten voor het analyseren van het onjuiste advies en het vaststellen en beperken van de daaruit voortvloeiende schade.\n\n4.4.. De rechtbank heeft de hiervoor in 4.1 genoemde verklaring voor recht en de veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, zoals vermeld in 4.3 toegewezen. De onder 4.2 genoemde vordering, die strekte tot betaling van concrete schadebedragen, is door de rechtbank afgewezen. De motivering van de rechtbank voor deze afwijzing zal hierna in 6.5 bij de beoordeling aan de orde komen. [appellanten] zijn als de hoofzakelijk in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg.\n\n5. Vordering in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarmee een deel van hun vorderingen is afgewezen. Zij vorderen dat de hiervoor in 4.2 genoemde bedragen aan schadevergoeding alsnog worden toegewezen en het vonnis voor het overige wordt bekrachtigd, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van Greenberg Traurig in de proceskosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met rente als niet binnen veertien dagen na de uitspraak betaling plaatsvindt.\n\n5.2.. Greenberg Traurig heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellanten] in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. Uitgangspunt voor de beoordeling van de vordering van [appellanten] tot schadevergoeding dat is tussen partijen een opdrachtrelatie bestond. Op de overeenkomst tussen [appellanten] en Greenberg Traurig is Nederlands recht van toepassing. [naam 2] voerde namens Greenberg Traurig voor [appellanten] fiscale werkzaamheden uit. Een opdrachtnemer dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.\n\nHet oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gestelde beroepsfout\u002Ftekortkoming\n\n6.2.. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat op basis van de wederzijdse verklaringen en gedragingen moet worden aangenomen dat [naam 2] een coördinerende rol vervulde voor de wereldwijde fiscale aangelegenheden van [appellant] , zonder rechtstreekse verantwoordelijkheid te hebben voor de Amerikaanse belastingen of advisering over Amerikaans fiscaal recht. Uit hoofde van zijn rol als global tax coordinatorwas [naam 2] wel gehouden om voldoende en deugdelijke informatie te verkrijgen en advies in te winnen over de inhoud van het Amerikaanse belastingrecht. [naam 2] diende volgens de rechtbank in 2012 ervoor te zorgen dat deugdelijke informatie en advies beschikbaar was over de fiscale consequenties indien [appellant] fiscaal inwoner van de VS zou worden. Dat geldt in het bijzonder voor de vraag of en in hoeverre in dat geval de Trust zou worden betrokken in een eventuele belastingheffing naar Amerikaans fiscaal recht. [naam 2] heeft niet mogen vertrouwen op de summiere informatie die hij van [bedrijf] kreeg. [naam 2] had ervoor moeten zorgen dat hij op de genoemde punten een gemotiveerd advies had gekregen van iemand met voldoende expertise op het gebied van Amerikaans belastingrecht. Niet is gebleken dat [naam 2] over dergelijk advies beschikte. Daarmee heeft [naam 2] in 2012, en daarna, niet gehandeld in lijn met wat van hem als coördinerend belastingadviseur mocht worden verlangd. De consequentie daarvan is dat [naam 2] niet onder ogen heeft gezien dat overschrijding van de SPT-limiet ertoe zou leiden dat [appellant] al vanaf 1 januari 2012 en niet pas vanaf 2013 fiscaal inwoner van de VS zou worden én dat het inkomen van de Trust in de Amerikaanse belastingheffing zou worden betrokken.\n\n6.3.. Het voorgaande heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat [naam 2] in 2012 en 2013 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam coördinerend belastingadviseur mocht worden verwacht. Het handelen van [naam 2] moet worden toegerekend aan Greenberg Traurig als de opdrachtnemer van [appellant] . Dat betekent dat Greenberg Traurig is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [appellanten] zodat de daartoe strekkende verklaring voor recht door de rechtbank is toegewezen.\n\nHet oordeel van de rechtbank ten aanzien van het causaal verband en de gevorderde schadevergoeding\n\n6.4.. Bij de beantwoording van de vraag of als gevolg van de tekortkoming belastingschade is geleden door [appellanten] , heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de huidige situatie van [appellanten] moet worden vergeleken met de hypothetische situatie waarin geen beroepsfout was gemaakt. In de situatie zonder beroepsfout, zou onder ogen zijn gezien dat [appellant] , als hij in 2012 de SPT-limiet zou overschrijden, fiscaal inwoner van de VS zou worden en vanaf 1 januari 2012 in beginsel in privé belastingplichtig in de VS zou zijn. Daardoor zou hij in de VS niet alleen worden belast over het inkomen dat aan hem persoonlijk zou worden uitgekeerd, maar ook over zijn gehele wereldinkomen dat werd verdiend of gehouden via de Trust en de dochtervennootschappen daarvan.\n\n6.5.. \n\nDe vraag of voor [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout een alternatief beschikbaar was, waarmee de belastingheffing over de Trust had kunnen worden vermeden en van welk alternatief ook daadwerkelijk gebruik zou zijn gemaakt, heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Volgens de rechtbank kan niet worden aangenomen dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout ervoor zou hebben gekozen om de duur van zijn aanwezigheid in de VS te beperken tot onder de SPT-limiet. Dat zou voor [appellant] substantiële commerciële gevolgen hebben gehad. Niet aannemelijk is gemaakt dat [appellant] , gelet op die commerciële gevolgen, voor een beperking van het aantal optredens in de VS zou hebben gekozen. Door onder de SPT-limiet te blijven en daarmee het aantal optredens in de VS te beperken, zou [appellant] aanzienlijk minder inkomsten hebben gehad dan hij daadwerkelijk heeft gehad in de jaren 2012 tot en met 2014, waarbij hij zonder fiscale belemmeringen een ongelimiteerd aantal dagen in de VS kon zijn. Om te bepalen of per saldo sprake is van schade, zou volgens de rechtbank een vergelijking van de volledige inkomens- en vermogenspositie van [appellant] over meerdere jaren moeten worden gemaakt. [appellanten] hebben volgens de rechtbank geen enkel aanknopingspunt geboden om een dergelijke vergelijking te maken. Verder is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat het creëren van een closer connectionmet een ander land dan de VS een reële en juridisch en fiscaal haalbare optie was. Ook acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [appellant] de Trust op enig moment zou hebben omgezet naar eennon-grantor trust, uitsluitend om belastingheffing over het inkomen van de Trust te voorkomen.\n\nHet voorgaande heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout per saldo financieel beter af zou zijn geweest dan in de situatie waarin hij thans verkeert. Om die reden is de vordering tot vergoeding van belastingschade afgewezen. Wel heeft de rechtbank de vordering toegewezen die ziet op de vergoeding voor de nader in een schadestaatprocedure vast te stellen adviseurskosten die betrekking hebben op het analyseren van het onjuiste advies en het vaststellen en beperken van de daaruit voortvloeiende schade.\n\nStandpunten partijen in hoger beroep\n\n6.6.. \n\nHet hoger beroep van [appellanten] richt zich, samengevat weergeven, tegen de verwerping door de rechtbank van het gestelde causaal verband tussen de beroepsfout van [naam 2] en de door [appellanten] concreet gevorderde schadebedragen.\n\nDeze schade ziet op het alsnog in de VS op grond van de inkeerregeling betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor de jaren 2016 tot en met 2018. Daarnaast vorderen [appellanten] bij wijze van schadevergoeding een bedrag gelijk aan de boete die aan de Amerikaanse belastingdienst is betaald. In eerste aanleg hield [appellant] nog rekening met de mogelijkheid dat ook over andere jaren belastingschade zou kunnen ontstaan. Inmiddels wordt ervan uitgegaan dat de belastingschade beperkt blijft tot de jaren waarover in het kader van de inkeerregeling een aanvullend bedrag aan belasting is betaald. Dit heeft ertoe geleid dat de vordering van [appellanten] in hoger beroep deels is verminderd.\n\n6.7.. Greenberg Traurig heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat [naam 2] had moeten zorgen voor een deugdelijk schriftelijk uitgewerkt advies, in plaats van te vertrouwen op [bedrijf] e-mails en uitingen. Ook berust Greenberg Traurig in het oordeel dat zij als gevolg daarvan in beginsel aansprakelijk is voor de nader vast te stellen adviseurskosten. Voor het geval in hoger beroep de grieven van [appellanten] die betrekking hebben op het bestaan van causaal verband met de gevorderde belastingschade zouden slagen, heeft Greenberg Traurig verwezen naar een aantal verweren uit de eerste aanleg en deze aangevuld. Deze hebben betrekking op de omvang van de door [appellanten] gevorderde schade, de toerekening, voordeelverrekening en eigen schuld.\n\nCausaal verband\n\n6.8.. \n\nIn eerste aanleg hebben [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat het [appellant] is die de gestelde belastingschade heeft geleden (zie rov. 5.30 van het bestreden vonnis). Niet is gesteld dat ook The Eagle, LATW en After Midnight deze schade hebben geleden. Het hof stelt dan ook vast dat er voor toekenning van schadevergoeding aan The Eagle, LATW en After Midnight geen grond bestaat. Hun beroep strandt daarop.\n\nHet hierna volgende heeft alleen betrekking op de schade die beweerdelijk door [appellant] is geleden.\n\n6.9.. In hoger beroep is de maatstaf niet bestreden aan de hand waarvan de rechtbank heeft beoordeeld of causaal verband bestaat tussen de vastgestelde beroepsfout en de gevorderde schade. Het geschil in hoger beroep ziet op de toepassing van die maatstaf in het concrete voorliggende geval, daaronder begrepen de vraag (die [appellanten] met grief 1 aan de orde hebben gesteld) of op grond van de zogenaamde omkeringsregel voorshands van het bestaan van causaal verband dient te worden uitgegaan. Verder is naar de kern genomen niet in geschil de vergelijkingsmaatstaf die de rechtbank heeft geformuleerd, voor zover die ziet op de wijze waarop [naam 2] zich volgens de rechtbank had dienen te gedragen in de hypothetische situatie zonder beroepsfout. Het hof zal hierna in zoverre uitgaan van dezelfde maatstaf en uitgangspunten als de rechtbank.\n\n6.10.. Voor aansprakelijkheid van Greenberg Traurig voor de door [appellant] gevorderde schade is nodig dat een causaal verband bestaat, in de zin van condicio sine qua non-verband, tussen de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en de gevorderde schade. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op [appellant] de bewijslast van het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan op deze hoofdregel een uitzondering van toepassing zijn.\n\n6.11.. In de situatie zonder beroepsfout zou [naam 2] voldoende en deugdelijke informatie en advies hebben ingewonnen over de gevolgen voor de belastingplicht van [appellant] , als [appellant] fiscaal als inwoner van de VS zou worden aangemerkt. Aangenomen moet worden dat als [naam 2] had gezorgd voor een deugdelijk advies, zou zijn onderkend dat de Trust als een grantor trustmoest worden aangemerkt. Verder zou dan zijn onderkend dat wanneer [appellant] in 2012 de SPT-limiet zou overschrijden, hij met ingang van 1 januari 2012 fiscaal als inwoner van de VS zou worden aangemerkt en in beginsel zou zijn onderworpen aan belastingheffing in de VS over zijn wereldinkomen, met inbegrip van het inkomen van de Trust.\n\n6.12.. De aansprakelijkheid van Greenberg Traurig berust in dit geval op de schending van de verplichting om [appellant] te voorzien van voldoende informatie en advies over het Amerikaanse belastingrecht. Deze verplichting strekte ertoe [appellant] in staat te stellen goed geïnformeerd beslissingen te nemen met het oog op zijn inkomens- en vermogenspositie. De op Greenberg Traurig rustende informatieverplichting heeft dus niet de strekking om [appellant] te beschermen tegen het risico van Amerikaanse belastingheffing, maar om [appellant] in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het tekortschieten in de nakoming van deze informatieverplichting heeft het risico in het leven geroepen dat [appellant] bepaalde keuzes heeft gemaakt, die hij niet zou hebben gemaakt als hij goed was geïnformeerd. Voor toepassing van de omkeringsregel is in een dergelijk geval geen plaats, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat is komen vast te staan dat Greenberg Traurig heeft gehandeld in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade (HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4564). Grief 1, waarmee de toepassing van de omkeringsregel wordt bepleit, faalt daarmee.\n\n6.13.. Bij de beantwoording van de vraag naar het bestaan causaal verband tussen de beroepsfout en de gevorderde schade gaat het erom of aannemelijk is dat [appellant] andere beslissingen had genomen in de hypothetische situatie waarin hij goed was geïnformeerd en geadviseerd over het Amerikaanse belastingrecht. Aannemelijk zal moeten worden wat [appellant] in dat geval zou hebben gedaan en vervolgens, welke gevolgen zijn keuzes zouden hebben gehad voor zijn inkomens- en vermogenspositie.\n\nAlternatieve scenario’s\n\n6.14.. In hoger beroep voeren [appellanten] aan dat [naam 2] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout [appellant] drie mogelijkheden had geadviseerd waarmee belastingheffing over de Trust had kunnen worden vermeden. Het zijn scenario’s die ook in eerste aanleg aan de orde zijn gekomen. Het eerste gestelde scenario is dat [appellant] had voorkomen dat hij fiscaal als inwoner van de VS zou worden aangemerkt door vanaf 2012 onder de SPT-limiet te blijven. Het tweede scenario is dat [appellant] ervoor zou zorgen dat hij in 2012 minder dan 123 dagen in de VS zou verblijven en vanaf 2013 minder dan 183 dagen per jaar. Tevens zou vanaf 2013 een zogenaamde closer connectionworden gecreëerd met een ander land, zoals het Verenigd Koninkrijk. Het derde door [appellanten] geschetste scenario is het omzetten van degrantor trustin eennon-grantor trust, waarbij bij voorkeur tot 10 februari 2014 (vijf jaren na de inbreng van vermogensbestanddelen in de Trust) zou worden voorkomen dat [appellant] fiscaal als inwoner van de VS werd aangemerkt. Subsidiair doen [appellanten] een beroep op het leerstuk van de ‘kansschade’, waarmee zij bepleiten dat door het uitblijven van een deugdelijk belastingadvies een reële kans is ontnomen om belastingheffing in de VS te voorkomen.\n\nSPT-limiet\n\n6.15.. De premisse van de in 2008\u002F2009 in het leven geroepen fiscale structuur was dat [appellant] in geen enkel land fiscaal inwoner zou zijn (zie de onbestreden vaststelling van de rechtbank in het vonnis onder 5.16). In lijn daarmee werd een dagtelling bijgehouden om te voorkomen dat [appellant] de SPT-limiet zou overschrijden en daardoor fiscaal inwoner van de VS zou worden. De SPT-limiet wordt berekend aan de hand van lopende jaar en de twee daaraan voorafgaande jaren. Het aantal dagen om onder de SPT-limiet te blijven kan daardoor per jaar verschillen. [appellant] kon voorkomen fiscaal inwoner van de VS te worden door in 2012 maximaal 123 dagen in de VS te zijn en in de daarop volgende jaren maximaal 121 dagen voor elk jaar.\n\n6.16.. In de jaren 2009-2011 is het aantal dagen dat [appellant] in de VS verbleef onder de SPT-limiet gebleven. In mei 2012 is [naam 2] erover geïnformeerd dat [appellant] in 2012 op basis van het tourprogramma waarschijnlijk meer dan 180 dagen in de VS zou verblijven. Op dat moment had [naam 2] voldoende en deugdelijke informatie en advies moeten inwinnen over de gevolgen van een eventuele overschrijding van de SPT-limiet naar het Amerikaanse belastingrecht, zodat [appellant] op basis daarvan geïnformeerd kon beslissen of hij al of niet de SPT-limiet zou willen overschrijden.\n\n6.17.. In mei 2012 was volgens [appellanten] nog meer dan voldoende tijd om het tourschema voor 2012 aan te passen om onder de SPT-limiet te blijven. Op 15 oktober 2012 is de geschatte dagtelling voor 2012 bijgesteld van 180 naar 155, zodat de SPT-limiet nog steeds zou worden overschreden, maar volgens [appellanten] was ook toen nog voldoende gelegenheid om het tourschema zodanig aan te passen dat de SPT-limiet dat jaar niet werd overschreden. Pas vanaf november 2012 zouden om overschrijding van de SPT-limiet te voorkomen reeds geplande optredens in de VS afgezegd moeten worden.\n\n6.18.. Ter toelichting hebben [appellanten] onder meer het volgende aangevoerd, mede aan de hand van uitgewerkte reis- en tourschema’s. In 2012 had [appellant] al gedurende lange tijd een gevestigde naam in de wereld van de electronic dance music(EDM). Elk jaar krijgt hij meer aanvragen voor optredens dan hij zou kunnen doen. Samen met zijnbooking agentkiest hij de optredens uit waarop hij wil ingaan. Hij is volledig vrij en flexibel om te kiezen waar en wanneer hij zou willen optreden. In 2012-2018 had [appellant] geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij leidde een reizend bestaan over de hele wereld en leefde in vliegtuigen en hotels. Een gemiddelde show werd ongeveer twee tot zes maanden van tevoren vastgelegd. Bij een nachtclub kan de show soms zelfs op een termijn van enkele weken worden vastgelegd. Bij een optreden op een festival kan de boeking eerder zijn, zo’n zes tot negen maanden van tevoren. Verder hebben [appellanten] aangevoerd dat verschillende optredens in de VS die in december 2012 hebben plaatsgevonden pas in oktober 2012 zijn geboekt. Dat is ruim na mei 2012. Als de optredens in de VS van 5-8 december 2012 en 14-15 december 2012 niet zouden zijn geboekt, zou [appellant] van 11 november 2012 tot 28 december 2012 buiten de VS kunnen zijn gebleven. Hij zou in 2012 dan 121 dagen in plaats van de daadwerkelijke 152 dagen in de VS zijn geweest. Het aantal dagen van zijn verblijf in de VS had [appellant] met nog met enkele dagen kunnen beperken door na zijn optreden op 28 december 2012 de VS te verlaten. De optredens op 29, 30 en 31 december waren namelijk in mei 2012 nog niet geboekt, maar zijn pas in augustus, december, respectievelijk september 2012 vastgelegd. [appellanten] stellen dat [appellant] in plaats van de optredens die daadwerkelijk in december 2012 in de VS hebben plaatsgevonden in Azië, Europa, Mexico of Canada optredens had kunnen doen. Via die optredens zou een vergelijkbaar inkomen zijn binnengekomen.\n\n6.19.. Volgens [appellanten] zou in de hypothetische situatie zonder beroepsfout vanaf 2013 het tourschema zodanig zijn ingericht dat de SPT-limiet niet zou zijn overschreden. [appellant] hecht veel waarde aan zijn residencies(seriecontracten met nachtclubs) in Las Vegas. Hij zou zijn optredens in de belangrijkste clubs aldaar hebben laten plaatsvinden, maar zonder de SPT-limiet te overschrijden. Hij had alle vrijheid om data te kiezen en had bijvoorbeeld optredens kort na elkaar kunnen laten plaatsvinden om niet onnodig veel dagen zonder optredens in de VS door te brengen. [appellanten] verwijzen ter onderbouwing van de wijze waarop het tourschema alsdan zou zijn ingericht naar het tourschema zoals dat daadwerkelijk is gevolgd in de jaren 2018 en 2019. In beide jaren heeft [appellant] ruim zestig shows in de VS verzorgd en is hij onder de SPT-limiet gebleven. Het grootste deel van die shows heeft plaatsgevonden in Las Vegas. In deze jaren spendeerde [appellant] tussen de optredens in Las Vegas door veel tijd in Vancouver (Canada) dat op korte reisafstand ligt van en in dezelfde tijdzone ligt als Las Vegas. Ook bracht hij met regelmaat tijd door in Mexico, dat met een relatief korte vlucht van vier uur bereikbaar is vanuit Las Vegas en daarmee een tijdsverschil heeft van slechts twee uur.\n\n6.20.. Verder hebben [appellanten] erop gewezen dat een groot deel van zijn inkomen gegenereerd wordt buiten de VS. Zij hebben een overzicht overgelegd van de hoogste vergoedingen in de jaren 2012-2019 die alle betrekking hebben op optredens buiten de VS. Daarbij komt volgens hen dat in bepaalde landen aanzienlijk minder belasting over de vergoedingen hoeft te worden betaald dan in de VS. Ook wijzen [appellanten] erop dat de reputatie en het inkomen van [appellant] niet alleen afhankelijk is van optredens en shows. Hij genereert inkomsten met het uitbrengen van muziek op platforms zoals Spotify. Hij is zeer populair op Spotify en het uitbrengen van een nieuw nummer kan daardoor lucratiever zijn dan een optreden.\n\n6.21.. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [appellant] benadrukt dat vanuit commercieel oogpunt er voor hem geen reden was om langer in de VS aanwezig te zijn dan de dagen waarop hij optredens gaf. De commerciële contacten met clubs en organisatoren van shows verliepen via de booking agentvan [appellant] . Daar kwamen de aanvragen voor optredens binnen en werden de contacten onderhouden en afspraken gemaakt. [appellant] had de duur van het aantal dagen dat hij in de VS verbleef gemakkelijk kunnen beperken door ervoor te kiezen om kort voor optredens in de VS aan te komen en daarna het land weer uit te reizen. Hij had in de jaren waarop het geschil betrekking heeft geen woning in de VS. Wel in Zweden en op Ibiza. Daar bracht hij ook geregeld tijd door. [appellant] was gewend om het overgrote deel van het jaar door te brengen in hotels, overal ter wereld. Hij was niet aan een land of plaats gebonden. Zijn partner reisde met hem mee en kon dat goed combineren met haar werk als model.\n\n6.22.. Het verweer van Greenberg Traurig houdt in dat [appellant] in de hypothetische situatie waarin hij deugdelijk was geadviseerd het advies van [naam 2] om onder de SPT-limiet te blijven in de wind zou hebben geslagen. In die jaren beleefde [appellant] een spectaculaire doorstart van zijn carrière. Het was de golden windowvan de Amerikaanse EDM. Vanaf 2012 heeft [appellant] zijn kans gegrepen om zijn inkomsten uit optredens in de VS te maximaliseren. Hij bracht meer tijd in de VS door om daar zeer lucratieve optredens te doen. Volgens Greenberg Traurig is niet aannemelijk dat [appellant] dat anders zou hebben gedaan in de situatie zonder beroepsfout, althans niet zou hebben kunnen doen zonder zeer nadelige gevolgen voor zijn inkomens- en vermogenspositie.\n\n6.23.. Het hof overweegt het volgende. Toen [naam 2] in mei 2012 werd geïnformeerd dat [appellant] in 2012 op basis van het tourprogramma waarschijnlijk meer dan 180 dagen in de VS zou verblijven, diende [naam 2] in actie te komen. Hij diende ervoor te zorgen dat [appellant] voorzien zou worden van advies over de gevolgen daarvan naar het Amerikaanse belastingrecht. Niet bestreden is de stelling van [appellanten] dat het voor [naam 2] mogelijk moet zijn geweest om binnen enkele weken met hulp van een Amerikaanse belastingkundige tot een concreet advies te komen. Aannemelijk is dat dit advies in ieder geval zou inhouden dat [appellant] onder de SPT-limiet zou moeten blijven om belastingheffing in de VS over het inkomen van de Trust te voorkomen. Aangenomen moet worden dat in het kader van de advisering zou zijn ingeschat dat [appellant] over elk fiscaal jaar waarin hij de SPT-limiet zou overschrijden ongeveer USD 4,2 miljoen aan additionele belasting zou moeten betalen in de VS.\n\n6.24.. \n\nHet hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] dit advies zou hebben opgevolgd. Hij zou in de hypothetische situatie zonder beroepsfout het reis- en tourschema zodanig hebben aangepast en laten inrichten dat de duur van zijn verblijf in de VS onder de SPT-limiet zou blijven. Het hof komt daarmee tot een andere afweging dan de rechtbank. Anders dan de rechtbank acht het hof de uiteindelijk toegenomen verblijfsduur van [appellant] in de VS niet het gevolg van, kort gezegd, commerciële afwegingen, maar van de - achteraf gezien - onjuiste keuzes die zijn gemaakt bij gebreke van een deugdelijk fiscaal advies van [naam 2] . Vaststaat dat Greenberg Traurig [appellant] niet heeft voorzien van voldoende informatie en advies om hem in staat te stellen goed geïnformeerd beslissingen te nemen. [appellanten] hebben daarvan uitgaande terecht aangevoerd dat [appellant] in 2013 en 2013 erop vertrouwde dat de gevolgen van het overschrijden van de SPT-limiet slechts het (relatief beperkte) gevolg had dat de door hemzelf genoten inkomsten aan belastingheffing in de VS onderworpen zouden worden. In het beperkte bedrag aan additionele, in de VS verschuldigde belasting zag hij geen noodzaak het aantal dagen in de VS aan te passen. Onder die omstandigheden kan op grond van feit dat [appellant] meer dagen dan die van de SPT-limiet in de VS verbleef niet de conclusie worden getrokken dat zijn fysieke aanwezigheid in de VS verband hield met en noodzakelijk was voor zijn optredens aldaar, het opbouwen van sterke werkrelaties in de VS en het opbouwen van zijn carrière en ook niet dat die situatie niet anders zou zijn geweest als de beroepsfout wordt weggedacht. Waar het bij de beoordeling op aankomt, is of voldoende aannemelijk is dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout enkele weken na mei 2012 het advies van [naam 2] om onder de SPT-limiet te blijven had opgevolgd. Het hof acht aannemelijk dat hij dat had gedaan. De opzet van de in 2008\u002F2009 in het leven geroepen fiscale structuur was erop gericht de belastingheffing beperkt was doordat [appellant] fiscaal gezien stateloos was en in geen enkel land als inwoner werd beschouwd en over het gehele inkomen werd belast. Die opzet was met name bedoeld om belastingheffingen, zoals die in de VS, te voorkomen. Niet aannemelijk is geworden dat er enkele weken na mei 2012 commerciële redenen of andere (potentiële) voordelen voor [appellant] waren die hem ertoe zouden hebben gebracht om tegen een advies van [naam 2] in ervoor te kiezen om in het vervolg boven de SPT-limiet tijd in de VS door te brengen met als consequentie een extra belastingheffing van ongeveer USD 4,2 miljoen per jaar. Ter zitting van het hof heeft [appellant] verklaard dat hij - als hij vooraf juist erover was voorgelicht dat het gevolg dat de extra verblijfsdagen in de VS zou zijn dat hij jaarlijks USD 4,2 miljoen aan additionele belasting verschuldigd zou zijn - zou hebben voorkomen dat hij de SPT-limiet zou overschrijden om zo USD 4,2 miljoen jaarlijks te ‘besparen’. [appellanten] hebben afdoende en concreet toegelicht dat het voor [appellant] ook mogelijk was om zijn reis- en tourschema zodanig in te richten dat hij dat jaar, en ook de daarop volgende jaren, de voor hem belangrijke optredens in de VS kon doen, zonder de SPT-limiet te hoeven overschrijden en dus zonder een aanzienlijk extra bedrag aan belasting te hoeven betalen. Het hof acht aannemelijk dat in de hypothetische situatie zonder beroepsfout met een zorgvuldig ingericht reis- en tourschema de carrière van [appellant] zich op gelijke wijze had ontplooid als daadwerkelijk het geval is geweest, zonder dat hij afbreuk had hoeven doen aan zijn wens om zijn inkomens- en vermogenspositie verregaand fiscaal te optimaliseren.\n\nHet hof heeft zich bij dit oordeel niet gebaseerd op de door [appellanten] voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties. Er is dan ook geen aanleiding om Greenberg Traurig nog in de gelegenheid te stellen bij akte op die producties te reageren.\n\n6.25.. Het voorgaande betekent dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout een andere keuze zou hebben gemaakt dan hij daadwerkelijk heeft gemaakt. Hij zou zich in dat geval hebben gehouden aan de SPT-limiet en daarom geen belasting verschuldigd zijn geweest over het inkomen van de Trust. Daarmee is een causaal verband aanwezig tussen de beroepsfout en de betaling van de aanvullende belasting en de boete in de VS. De overige door [appellanten] aanvoerde scenario’s en het beroep op de leer van de ‘kansschade’ hoeven daarvan uitgaande niet besproken te worden.\n\nUitgangspunten schadevaststelling\n\n6.26.. In het kader van de vaststelling van de omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen moet de situatie waarin [appellant] thans verkeert worden vergeleken met die waarin het reis- en tourschema was ingericht zonder overschrijding van de SPT-limiet. Hiervoor heeft het hof aangenomen dat [appellant] in dat hypothetische geval de voor hem belangrijke optredens in de VS had gedaan en zijn carrière zich op gelijke wijze had ontplooid als in werkelijkheid het geval is geweest. Dit betekent dat [appellant] - naar [appellanten] bepleiten - in de situatie zonder beroepsfout hetzelfde inkomen zou hebben gegenereerd als hij daadwerkelijk heeft gedaan, maar de aanvullend betaalde belasting en de boete in de VS niet verschuldigd zou zijn geweest. Het hof volgt daarmee niet het betoog van Greenberg Traurig dat inhoudt dat [appellant] in de situatie zonder beroepsfout veel minder had verdiend dan hij daadwerkelijk heeft gedaan.\n\nHoogte belastingschade\n\n6.27.. Ten aanzien van de hoogte van de belastingschade hebben [appellanten] het volgende aangevoerd. Eind 2018 heeft [appellant] belastingadvies gekregen van een ander advocatenkantoor. Toen bleek dat [appellant] vanaf 2012 over het inkomen van de Trust belasting had moeten betalen in de VS. Die inkomsten waren niet opgegeven in zijn belastingaangiften in de VS. Berekend over de fiscale jaren 2012-2017 ging het om een bedrag van ruim USD 28 miljoen aan niet-betaalde belasting, afgezien van eventuele boetes. In het kader van de inkeerregeling heeft [appellant] over de fiscale jaren 2016 en 2017 gewijzigde aangiften laten indienen op grond waarvan over deze twee jaren een bedrag van USD 10.217.269 aan aanvullende belasting is betaald. Daarnaast diende over deze jaren een boete te worden betaald van USD 5.558.918,70. De IRS heeft 2018 als het derde jaar onder de inkeerregeling geaccepteerd en over dat jaar is USD 1.212.765 aan belasting betaald over het inkomen van de Trust. [appellanten] stellen dat [appellant] aldus totaal een bedrag van USD 16.988.952,70 heeft betaald dat niet verschuldigd zou zijn geweest als [naam 2] juist had geadviseerd. Concreet gaat het dus om een aanvullend bedrag aan belasting over het inkomen van de Trust voor de fiscale jaren 2016, 2017 en 2018 en een boete. [appellanten] stellen dat door deel te nemen aan de inkeerregeling de schade aanzienlijk is beperkt. In totaal is ongeveer een bedrag van USD 17 miljoen betaald, terwijl de verschuldigde additionele belasting over de jaren 2012-2017 meer was dan USD 28 miljoen, nog afgezien van boetes van tientallen miljoenen dollars die de IRS had kunnen opleggen, aldus [appellanten]\n\n6.28.. Greenberg Traurig heeft aanvankelijk betwist dat [appellant] een aanvullend bedrag aan belasting en een boete in de VS heeft betaald. [appellanten] hebben daarop in eerste aanleg de verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen. Tevens zijn betalingsbewijzen overgelegd. Greenberg Traurig is daarop niet ingegaan, zodat het hof uitgaat van de juistheid van de door [appellanten] opgegeven bedragen.\n\nGeen voordeelverrekening\n\n6.29.. Greenberg Traurig voert aan dat [appellant] achteraf bezien over de periode 2012-2015 geen belasting heeft betaald over zijn wereldinkomen en in zoverre een belastingvoordeel heeft genoten. Deze redenering gaat naar het oordeel van het hof niet op. In de situatie zonder beroepsfout zou [appellant] zich aan de SPT-limiet hebben gehouden en dan over de jaren 2012-2015 over het inkomen van de Trust geen belasting verschuldigd zijn geweest. Over deze jaren is in werkelijkheid evenmin belasting over dat inkomen betaald, zodat [appellanten] - naar zij ook stellen - over die jaren geen belastingschade hebben geleden. Ook is over die jaren geen belastingvoordeel genoten, omdat zowel in de situatie met als zonder beroepsfout geen belasting over het inkomen van de Trust is of zou zijn betaald. Daarmee faalt het beroep van Greenberg Traurig op voordeelverrekening.\n\nToerekening en eigen schuld\n\n6.30.. Greenberg Traurig bestrijdt dat de belastingschade haar kan worden toegerekend, althans meent zij dat de belastingschade op grond van eigen schuld voor rekening van [appellant] dient te blijven. In hoger beroep heeft Greenberg Traurig de in dit verband in eerste aanleg aangevoerde verweren gehandhaafd en verder aangevuld.\n\n6.31.. Als eerste reden voor een beroep op eigen schuld voert Greenberg Traurig aan dat [appellant] de schade zelf heeft veroorzaakt door zich niet aan de dagtelling te houden en daardoor fiscaal inwoner van de VS is geworden. Volgens Greenberg Traurig heeft [appellant] zijn commercieel gewin bewust laten prevaleren boven de geadviseerde fiscale prudentie en heeft op voorhand de fiscale consequenties daarvan aanvaard (conclusie van antwoord, 168).\n\n6.32.. Greenberg Traurig miskent naar het oordeel van het hof dat vaststaat dat [appellant] niet is afgeweken van een fiscaal advies over de dagtelling, maar dat het Greenberg Traurig is geweest die [appellant] niet heeft voorzien van een deugdelijk advies over de fiscale gevolgen van een overschrijding van de SPT-limiet. [appellant] is daardoor niet in staat gesteld geïnformeerd keuzes te maken over de duur van zijn verblijf in de VS. Onder die omstandigheden kan Greenberg Traurig als vergoedingsplichtige niet aan [appellant] als benadeelde tegenwerpen dat hij zijn schade niet heeft beperkt. Daarop stuit in zoverre het beroep op eigen schuld reeds af.\n\n6.33.. Verder voert Greenberg Traurig aan dat [appellant] zowel met Certa Legal en haar rechtsopvolgster als met [bedrijf] rechtstreekse overeenkomsten van opdracht is aangegaan. [bedrijf] adviseerde [appellant] over Amerikaans fiscaal recht en verzorgde de belastingaangiftes in de VS. Greenberg Traurig meent dat zij na 2013 niet meer verantwoordelijk gehouden kan worden voor enige belastingschade. Het aan Greenberg Traurig te maken verwijt valt volgens haar in het niet bij de structurele tekortkoming van [bedrijf] . De schade is pas ingetreden vanaf 2016, ver nadat de dienstverlening van Greenberg Traurig in 2013 ten einde was gekomen. Volgens Greenberg Traurig is zij niet hoofdelijk aansprakelijk met [bedrijf] . De tekortkomingen leiden in dit geval niet tot dezelfde schade. Het gaat om jaarlijks terugkerende belastingschade die in de tussentijd geheel voorkomen of beperkt had kunnen worden. De dienstverlening van Greenberg Traurig is in 2013 geëindigd, zodat de gezamenlijk veroorzaakte schade zich uitsluitend had kunnen voordoen in de periode 2009-2013. Ook als uitgegaan wordt van hoofdelijkheid, staat dat volgens Greenberg Traurig niet aan vermindering van haar aansprakelijkheid in de weg. Het structurele tekortschieten van [bedrijf] dient als eigen schuld aan [appellant] te worden toegerekend en in mindering te worden gebracht op de schadevergoedingsplicht van Greenberg Traurig. Dat is in dit geval gerechtvaardigd, omdat [bedrijf] , anders dan Greenberg Traurig, uitvoering heeft gegeven aan de op [appellant] zelf rustende verplichting tot het doen van correcte belastingaangiften.\n\n6.34.. Naast [appellant] adviseerde [naam 2] ook [naam 3] (bekend als [naam 4] ) over diens fiscale emigratie uit Nederland. [naam 3] had een vergelijkbare fiscale structuur als [appellant] . Nadat [naam 2] bij Greenberg Traurig was vertrokken, is hij volgens Greenberg Traurig herhaaldelijk gewaarschuwd dat [naam 3] belasting in de VS verschuldigd zou zijn over zijn trust. [naam 5] van Greenberg Traurig heeft [naam 2] in 2014 laten weten dat de trust van [naam 3] als een grantor trustkwalificeerde. Verder is [naam 2] herhaaldelijk erop gewezen dat het verwijderen van [naam 3] als begunstigde uit zijn trust niet ertoe zou leiden dat die trust en de dochtervennootschappen daarvan buiten de Amerikaanse belastingheffing zouden blijven. In 2014 wist [naam 2] dat het inkomen van de trust van [naam 3] alsnog in diens belastingaangifte over 2013 moest worden opgenomen. [naam 2] was ermee bekend dat die problematiek niet alleen speelde bij [naam 3] , maar ook bij [appellant] . De belastingschade had voorkomen kunnen worden. [appellant] had op ieder moment zijn dagtelling kunnen laten dalen en daarmee fiscaal inwonerschap kunnen verliezen. Dat [naam 2] (althans Certa Legal of zijn latere kantoor) heeft nagelaten [appellant] daarover te informeren, brengt mee dat schade niet aan Greenberg Traurig kan worden toegerekend, omdat relatieve aandeel van Greenberg Traurig daarin veel kleiner is dan aandeel van Certal Legal en [naam 2] latere kantoor. [naam 5] mocht op grond van de reactie die zij van [naam 2] had gekregen ervan uitgaan dat hij de fiscale consequenties van eengrantor trusthad begrepen en daarnaar had gehandeld. Dat [naam 2] dat achteraf bezien niet correct heeft gedaan, valt Greenberg Traurig niet toe te rekenen, aldus Greenberg Traurig.\n\n6.35.. \n [appellanten] hebben het verweer, dat de belastingschade Greenberg Traurig niet kan worden toegerekend dan wel dat deze op grond van eigen schuld voor rekening van [appellant] dient te blijven, bestreden.\n\n6.36.. Het hof overweegt het volgende. Greenberg Traurig is tegenover [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht. Als zij haar verplichtingen wel deugdelijk was nagekomen, zou [appellant] andere keuzes hebben gemaakt en in de jaren 2016, 2017 en 2018 geen aanvullende belasting en geen boete in de VS hebben moeten betalen. De tekortkoming in de nakoming heeft tot belastingschade voor [appellant] geleid totdat hij zelf met behulp van een andere belastingadviseur had ontdekt dat hij onjuist was geadviseerd en heeft besloten gebruik te maken van de inkeerregeling. De gevorderde belastingschade staat naar het oordeel van het hof in zodanig verband met de tekortkoming van Greenberg Traurig, dat zij als het gevolg daarvan aan Greenberg Traurig kan worden toegerekend.\n\n6.37.. Als met Greenberg Traurig wordt aangenomen dat de belastingschade ook zou kunnen worden toegerekend aan Certa Legal en\u002Fof haar rechtsopvolgster en\u002Fof aan [bedrijf] , doet dat niet af aan de eigen aansprakelijkheid jegens [appellanten] en de toerekening van de schade aan Greenberg Traurig. Greenberg Traurig is dan hoofdelijk naast de genoemde derden aansprakelijk en [appellanten] kunnen daarvan uitgaande kiezen wie zij tot schadevergoeding willen aanspreken.\n\n6.38.. Dat Greenberg Traurig [naam 2] en daarmee Certa Legal en\u002Fof haar rechtsopvolgster als haar hoofdelijk medeschuldenaar zou hebben gewaarschuwd voor mogelijke belastingheffing in de VS en zij die de waarschuwing niet hebben opgevolgd, leidt niet tot een gehele of gedeeltelijke vermindering van de eigen aansprakelijkheid van Greenberg Traurig jegens [appellant] . Greenberg Traurig kan de uitlatingen tegenover haar hoofdelijk medeaansprakelijke niet tegenwerpen aan [appellant] , als benadeelde. Die bevrijden haar ook niet van aansprakelijkheid. Evenmin is relevant dat [naam 5] erop vertrouwde dat [naam 2] haar waarschuwing ter harte had genomen en daarnaar had gehandeld. Achteraf bezien vertrouwde zij ten onrechte op [naam 2] en dat kan Greenberg Traurig niet tegenwerpen aan [appellant] .\n\n6.39.. De conclusie is dat de verweren van Greenberg Traurig falen en de door [appellant] gevorderde belastingschade toewijsbaar is.\n\n7. Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten\n\n7.1.. \n\nHet hoger beroep heeft succes. Het bestreden vonnis zal deels worden vernietigd. De door [appellant] gevorderde bedragen aan belastingschade en een bedrag gelijk aan de betaalde boete zullen alsnog worden toegewezen. De wettelijke rente is gevorderd en toewijsbaar vanaf de datum van betaling van de aanvullende belasting en de boete. De vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis hebben betaald, zal worden toegewezen.\n\nHet hoger beroep slaagt niet voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van The Eagle, LATW en After Midnight. In zoverre zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.\n\n7.2.. Voor bewijslevering is geen plaats. De bewijsaanbiedingen zien niet op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst dienen te leiden.\n\n7.3.. Greenberg Traurig is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure in beide instanties aan de zijde van [appellant] . Deze kosten worden als volgt vastgesteld:\n\nproceskosten rechtbankprocedure\n\n- explootkosten € 103,33\n\n- griffierecht € 5.737,00\n\n- salaris advocaat € 8.714,00(tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 14.554,33\n\nproceskosten hoger beroep\n\n- explootkosten € 112,37\n\n- griffierecht € 6.803,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00(tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 20.133,37\n\n7.4.. Hoewel het hoger beroep van The Eagle, LATW en After Midnight is verworpen, leidt dit niet tot een kostenveroordeling. Niet aannemelijk is dat dit beroep tot extra kosten voor Greenberg Traurig heeft geleid.\n\nBeslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het bestreden vonnis voor zover in het dictum daarvan onder 6.3 en 6.4 de vordering van [appellant] tot betaling van bedragen aan belastingschade en een bedrag gelijk aan een betaalde boete is afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg;\n\nen in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nveroordeelt Greenberg Traurig USD 10.217.269,00 aan [appellant] te betalen, op grond van de gewijzigde belastingaangiften voor de jaren 2016 en 2017 aan de Amerikaanse belastingdienst betaalde inkomstenbelasting, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig USD 1.212.765,00 aan [appellant] te betalen, wegens door [appellant] op grond van de inkomsten van de Trust uit hoofde van zijn belastingaangifte 2018 aan de Amerikaanse belastingdienst betaalde inkomstenbelasting, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig USD 5.558.918,70 aan [appellant] te betalen, wegens een door [appellant] betaalde boete aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van [appellant] , voor de eerste aanleg vastgesteld op € 14.554,33 en in hoger beroep tot nu op € 20.133,37, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig tot terugbetaling van hetgeen [appellant] . ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Greenberg Traurig hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;\n\nverklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.F. Aalders en J-P.R. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1289","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.029Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":149,"fullText":150,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":65,"updatedAt":153},"1024","ECLI:NL:RBAMS:2026:3948","ecli-nl-rbams-2026-3948","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F784270 \u002F KG ZA 26-150 NB\u002FEvK\n\nVonnis in kort geding van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij bij dagvaarding van 18 maart 2026,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.T.L.A. Mulders en mr. C.C. Kanjels,\n\ntegen\n\nMEDIAHUIS NEDERLAND B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Mediahuis,\n\nadvocaat: mr. Ch.E. Koster.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 april 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. Mediahuis heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.1.2.. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\n [eiser] , met mr. Mulders en mr. Kanjels,\n\nnamens Mediahuis: [naam 1] , hoofdredacteur van De Limburger, [naam 2] , journalist van de Limburger, [naam 3] , journalist van de Limburger, en O.M. Mulder, bedrijfsjurist van Mediahuis, met mr. Koster.\n\n1.3.. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] investeert in vastgoed.\n\n2.2.. Mediahuis is uitgever van (onder meer) dagblad De Limburger.\n\n2.3.. De Limburger heeft twee artikelen gepubliceerd over het vakantiepark [naam vakantiepark] , te [plaats] . Dit vakantiepark is eigendom van de familie [eiser] .\n\n2.4.. \n\nHet eerste artikel verscheen op 16 september 2022 in de Limburger met de titel: “Topman Miljoenenfonds provincie steekt eigen geld in omstreden vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] : gouverneur start onderzoek” (hierna: het 2022-artikel). Het 2022-artikel gaat samengevat over een investering van investeerder [naam 4] in vakantiepark [naam vakantiepark] . [naam 4] is beheerder van het Limburgs Energie Fonds (LEF), een investeringsfonds van de provincie Limburg opgericht voor financiering van duurzaamheidsinitiatieven. [naam 4] zou ‘kwetsbaar’ of zelfs chantabel zijn doordat hij (privé) ruim € 1 miljoen heeft geïnvesteerd in vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] , welk vakantiepark volgens het artikel omstreden zou zijn. Eigenaresse en bestuurder van dit vakantiepark is de moeder van [eiser] . In het artikel wordt over [eiser] (in het artikel aangeduid als [eiser] , of [eiser] ) onder meer vermeld dat hij strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam heeft staan voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en in het verleden is verdacht van witwassen. Ook wordt benoemd dat zijn broer, [naam broer] , in 2012 is geliquideerd en dat hij zaken heeft gedaan met de ondernemer, [naam ondernemer] , waarover wordt geschreven dat hij volgens justitie betrokken is bij grootschalige witwaspraktijken.\n\nVoor deze procedure gaat het onder meer om de volgende passages:\n\n“De provincie Limburg laat een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar privé-investeringen van topman [naam 4] van het Limburgs Energiefonds (LEF), waarin zo'n driehonderd miljoen euro gemeenschapsgeld zit. [naam 4] investeert privé in het vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] waaraan de overheid de handen vol heeft. Ook politie en Openbaar Ministerie zijn op de hoogte gebracht.\n\nOnderzoek\n\n(…) Ook de familie die al sinds jaar en dag eigenaar is van [naam vakantiepark] is niet van\n\nonbesproken gedrag. Zo is [eiser] , de contactpersoon van [naam 4] bij het [naam park] , veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en is hij in het verleden verdacht van witwassen. Diens broer [naam broer] , die de leider zou zijn van een Eindhovense drugsbende, is in 2012 geliquideerd.\n\n(…)\n\nEn daarbij: bedenkelijke signalen rond de familie achter het park.\n\n(…)\n\nErfverpachter\n\n(…) Het onderhoud van de algemene voorzieningen, de infrastructuur en de afvalverwerking gebeurt door Bungalowpark [naam bungalowpark] . Juridisch eigenaar van de bv's is [naam 5] (72). Haar vijftigjarige zoon [eiser] , ook wel [eiser] genoemd, is bestuurder van de Stichting Administratiekantoor [naam administratiekantoor] .\n\n(…)\n\nWitwaspraktijken\n\nContactpersoon bij [naam vakantiepark] [eiser] is ook een drukbezet man. Hij is (vastgoed)belegger, voornamelijk actief in Duitsland en Spanje. Naast zijn adviesrol bij [naam vakantiepark] - dat tot voor kort ook een park met dezelfde naam bezat in [plaats] - was hij, samen met de Turkse Eindhovenaar [naam ondernemer] , lang eigenaar van vele tientallen (studenten)panden in de [plaats] . Aan [naam ondernemer] kleeft een luchtje. Volgens Justitie is hij betrokken bij grootschalige witwaspraktijken, waarbij vermoedelijk drugsgeld wordt ingezet in de vastgoedwereld. Om die reden vordert Justitie, in een reeds jaren slepende procedure, 24 miljoen euro van hem terug.\n\nBij deze kwestie is [eiser] niet betrokken, al is ook hij in de loop der jaren nadrukkelijk in het vizier van de opsporingsautoriteiten. Hij heeft twee veroordelingen wegens opiumwetdelicten op zijn naam, blijkt uit gerechtelijke stukken. De aard van die delicten staat niet vermeld.\n\nOok wordt in vonnissen aangehaald dat [eiser] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht, ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen in Nederland had. Volgens de rechtbank was er sprake van 'een redelijke verdenking van witwassen'. Welk vervolg die verdenking heeft gekregen, is onduidelijk.\n\nStrafrechtelijk\n\nIn een beschikking uit 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staat dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] loopt en dat de administratie van de [naam vakantiepark] in beslag is genomen. Het zou gaan om 'onttrekking van gelden' aan de holding. De Ondernemingskamer gelast daarnaast een onderzoek naar de geldstromen binnen het [naam vakantiepark] -concern en benoemt een onafhankelijke bestuurder. Of en hoe de zaak bij de Ondernemingskamer is afgelopen, is onduidelijk. [eiser] stelt dat de strafrechtelijke kwestie is geseponeerd en dat hij een schadevergoeding heeft gekregen voor de „onterechte verdenking\". Hij stuurt een half screenshot als bewijs maar gaat niet in op verdere vragen. „Dat is allemaal privé\".\n\nIn 2015 is hij, voortvloeiend uit de witwasverdenking, tot in hoger beroep veroordeeld voor hypotheekfraude en gesjoemel met een salarisstrook rond [naam vakantiepark] . Twee jaar later krijgt hij 500 euro boete vanwege het antedateren van documenten rond de samenvoeging van de twee [naam vakantiepark] -parken in [plaats] en [plaats] . In die zaak wordt moeder [naam 5] eveneens veroordeeld.\n\nIn 2016 wordt [eiser] , samen met zakenpartner [naam ondernemer] , na een vormfout vrijgesproken van vermeend gesjoemel met elektriciteitsmeters in hun Eindhovense panden. Een jaar eerder legt de gemeente Eindhoven 1 miljoen aan dwangsommen op wegens vermeende gebreken aan de studentenhuizen; daarvan wordt uiteindelijk 125.000 euro geïnd.\n\nGeliquideerd\n\n [eiser] broer [naam broer] was een grote jongen in de Brabantse drugswereld; hij was volgens Justitie de leider van de regionaal befaamde [naam bende] , die rond 2011 werd opgerold. [naam broer] werd op 17 november 2012, kort voor de rechtszaak, geliquideerd.\n\nOp de bezittingen van [naam broer] wordt beslag gelegd door de Belastingdienst, (…). Die beslagen liggen ook op sommige kavels op [naam vakantiepark] , gezamenlijk eigendom van [naam broer] en [eiser] .\n\n [eiser] , woonachtig in het buitenland, krijgt zelf ook te maken met geweld: in november 2019 ontploft een explosief, vermoedelijk een handgranaat, bij een van zijn panden in [plaats] . [eiser] klaagt in de publiciteit en in de rechtszaal meermaals dat er een 'heksenjacht' op hem gaande is. Volgens hem wordt hij in een kwaad daglicht gesteld vanwege zijn broer [naam broer] , én omdat hij samen met [naam ondernemer] in onroerend goed zat.\n\nInval\n\nDie tactiek lijkt te werken. [naam ondernemer] vertelt tegenover De Limburger dat hij in juni 2017 alle zakelijke banden met [eiser] heeft verbroken. „Bij mij is in 2016 een inval geweest vanwege die verdenking van witwassen. [eiser] had ook continu problemen, vooral vanwege zijn broer. Maar zelf had hij ook wat onderzoekjes en wat dingen met de overheid. Het bleef wringen, telkens waren er belemmeringen. Hij vond dat het aan mij lag, ik vond dat het aan hem lag. Het is net als een huwelijk: als het niet meer gaat, dan ga je uit elkaar\", zo motiveert hij de 'scheiding'. Via de notaris en met toestemming van het Openbaar Ministerie is alle bezit verdeeld, aldus [naam ondernemer] . „Op panden van hem lag beslag door de Belastingdienst, bij mij door Justitie. Het Openbaar Ministerie heeft toestemming gegeven voor de verdeling\".\n\nTwee maanden daarvoor verstrekt [naam 4] zijn lening van 1 miljoen euro aan Bungalowpark [naam bungalowpark] BV . Bij de besprekingen is [eiser] aanwezig. Als onderpand wordt een hypotheek van 1,8 miljoen euro verstrekt. In november 2018 volgt nog een tweede lening van 140.000 euro, vallend onder dezelfde hypotheek. [naam vakantiepark] en [naam 5] staan vermeld in de akte maar de deal is geregeld via [eiser] , aldus [naam 4] .\n\nHij en [eiser] kennen elkaar „al een jaar of tien\". [naam 4] : „Het was een van de honderd contacten die ik had toen ik werkte voor [naam 6] \".\n\n(…)\n\nGeldschieter\n\nIn 2016 komen beiden dus opnieuw bij elkaar uit als [naam vakantiepark] een geldschieter zoekt voor de aankoop van een flink aantal kavels op het [naam park] . Een tussenpersoon doet een warme aanbeveling bij de familie [eiser] (…).\n\n [naam 4] is een private financier. Hij zoekt een belegging met hoog rendement en „zonder al te veel tijd qua beheer” om zijn pensioenvoorziening veilig te stellen, legt hij tegenover De Limburger uit. Maar hij was op zijn hoede, stelt hij nu. „Ik wist van het akkefietje rond de broer, die liquidatie in het kickbox-circuit. Die broer, [naam broer] , was actief in de drugscriminaliteit, denk ik. En [eiser] legde me uit dat de bank hem geen financiering wilde verlenen vanwege de associatie met [naam broer] . Daarom was ik zeer terughoudend, én kritisch over de familieleden. Ik wilde [eiser] dus ook éérst zien en spreken, om een gevoel te krijgen bij de persoon. Dat doe ik normaal nooit bij dit soort financieringen\".\n\n [eiser] : „Wat [naam 4] zegt over de weigering van de bank, klopt niet. Wij hadden gewoon op meerdere plekken een offerte gevraagd en hij kwam als beste uit de bus\".\n\n [naam 4] deed onderzoek „voor zover dat kon\", zo stelt hij. „Maar ik kwam geen berichten tegen die negatief waren, niets over een strafrechtelijk verleden\".\n\n(…)\n\n'Verontrustend’\n\nNu geconfronteerd met de achtergronden van de familie [eiser] schrikt [naam 4] zichtbaar. „Dit is zéér verontrustend. Al deze signalen wekken zeker een bepaalde schijn. Ik wil natuurlijk geen associatie met drugscriminelen of fraudeplegers.\" Met de kennis van nu had hij de lening niet verstrekt, bezweert hij. „Maar ik kan het contract niet zomaar opzeggen. Dat kan alleen als er in strijd wordt gehandeld met de vergunning, maar ik weet niet eens of ze die nodig hebben.\"\n\n(…)\n\n [eiser] : 'Er is niets aan de hand'\n\n [eiser] reageert geïrriteerd op de vragen van De Limburger. „Er is niets aan de hand. Ik heb niets met [naam vakantiepark] te maken, nooit bestuurlijke verantwoordelijkheid gehad. Ik heb geadviseerd bij het regelen van de lening van [naam 4] , dat klopt, maar verder niets. En mijn verleden is privé en totaal niet relevant voor de zakelijke relatie tussen [naam 4] en [naam vakantiepark] . Met de fiscus heb ik nooit problemen gehad en witwassen is me nooit ten laste gelegd. Ik vind uw insinuaties ongefundeerd.” (…)”\n\n2.5.. Na verschijning van dit artikel heeft [eiser] gevraagd om een rectificatie vanwege schending van zijn privacy. Mediahuis heeft aan dit verzoek geen gehoor te geven.\n\n2.6.. Op 22 september 2022 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de RvJ) tegen de hoofdredacteur van de Limburger. De kern van zijn klacht is dat zijn (privacy)belangen door het 2022-artikel onnodig zijn geschaad. De RvJ heeft op 10 januari 2023 uitspraak gedaan en de klacht ongegrond bevonden. De RvJ heeft hierover, voor zover relevant, als volgt geoordeeld:\n\n“(…) Het was maatschappelijk en journalistiek relevant om onderzoek te verrichten naar en te berichten over de handelwijze van [naam 4] , die als directeur van het Limburgs Energie Fonds verantwoordelijk is voor ongeveer 270 miljoen euro aan publieke middelen en vanwege zijn private financiering in bungalowpark [naam vakantiepark] ‘kwetsbaar en mogelijk zelfs chantabel’ is.\n\nOm die kwetsbaarheid te duiden was het relevant ook aandacht te besteden aan klager op de wijze zoals is gedaan. Daarbij is mede van belang dat [naam 4] zelf een verband heeft gelegd met klager en op meerdere momenten in de publicatie wordt aangehaald over de rol van klager bij de investering. Overigens is klager in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en is zijn reactie ook in het artikel verwerkt.\n\nNaar het oordeel van de Raad zijn de (privacy)belangen van klager niet disproportioneel aangetast. Dat zijn volledige naam in het artikel is vermeld, maakt dat niet anders. De Limburger heeft in dat verband aangevoerd dat klagers naam in eerdere publicaties is vermeld en voorkomt in openbare stukken rond het bungalowpark, en dat klager niet heeft gevraagd om anonimisering. Klager heeft dat niet weersproken.(…)”\n\n2.7.. In 2024 heeft [eiser] Google verzocht om het 2022-artikel te blokkeren in haar zoekresultaten voor zoekopdrachten naar “ [eiser] ” of “ [eiser] ”, op grond van het recht om vergeten te worden. Google heeft dit verzoek afgewezen. Vervolgens is [eiser] bij de rechtbank Den Haag een verzoekschriftprocedure gestart tegen Google met hetzelfde verzoek. De rechtbank Den Haag heeft dit verzoek bij beschikking van 28 augustus 2025 afgewezen. In de beschikking is, voor zover relevant, het volgende overwogen:\n\n“4.27 De rechtbank volgt Google in haar betoog. Het artikel waarnaar de URL verwijst is van redelijk recente datum, is feitelijk van aard en betreft een maatschappelijk bijzonder relevant onderwerp: de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat erover dat de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim een miljoen euro eigen geld heeft geïnvesteerd in een volgens het artikel omstreden vakantiepark waarbij [eiser] was betrokken. Door dit onderwerp vormt het artikel een belangrijke bijdrage aan een debat van algemeen belang. Hiervoor is al vastgesteld dat niet is gebleken dat het artikel onjuistheden bevat die een beduidend onderdeel van de publicatie betreffen. Het artikel bevat onder meer informatie over veroordelingen van [eiser] voor valsheid in geschrifte (hypotheekfraude) en het opzettelijk overtreden van de Opiumwet, waarover [eiser] zelf heeft verklaard dat dit te maken had met panden waarvoor hij zakelijk als bemiddelaar optrad. Hypotheekfraude en de opiumwetdelicten zijn ernstige misdrijven en kunnen, anders dan [eiser] meent, in redelijkheid niet worden aangemerkt als “lichte vergrijpen”. Deze informatie heeft te maken met [eiser] professionele activiteiten als vastgoedondernemer en zijn professionele integriteit. Omdat [eiser] nog steeds als vastgoedondernemer werkzaam is, is de informatie over zijn met dat beroep samenhangende strafrechtelijke veroordelingen uit het verleden nog steeds relevant, ook al zijn deze niet recent, zijn de boetes betaald en de proeftijden voorbij. Een vastgoedondernemer speelt door zijn professie een belangrijke rol in het openbare leven. De rechtbank volgt Google in haar standpunt dat bestaande of toekomstige potentiële zakenrelaties van [eiser] daarom de mogelijkheid moeten hebben een eigen afweging te maken of zij met hem zaken willen doen, waarbij de thans voorhanden zijnde informatie op het internet een relevante factor kan en mag zijn. (…)”\n\n2.8.. \n\nHet tweede artikel over [eiser] verscheen op 11 februari 2026 in de Limburger met de titel “Omstreden recreatiepark [plaats] krijgt vergunning van burgemeester ondanks risico op illegale activiteiten: ‘Ongebruikelijk, maar het mag wel’” (hierna: het 2026-artikel).\n\nDit artikel gaat samengevat over de aan vakantiepark [naam vakantiepark] verleende exploitatievergunning, ondanks dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) deels negatief had geadviseerd over die vergunning. In dit artikel wordt de familie van [eiser] , als eigenaar van het vakantiepark besproken, waarbij het strafrechtelijk verleden van [eiser] is aangehaald, namelijk de veroordeling voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en dat hij verdachte is geweest van witwassen. Ook is benoemd dat de broer van [eiser] , [naam broer] , in 2012 is geliquideerd. Voor deze procedure gaat het onder meer om de volgende passages:\n\n“(…) De parkeigenaar is niet van onbesproken gedrag.\n\n (…)\n\nDaar komt bij dat de eigenaar van het park, de Brabantse familie [eiser] , geen al te beste reputatie heeft en zelf de lappendeken aan constructies heeft gecreëerd.\n\n(…)\n\nOok [naam vakantiepark] moest een exploitatievergunning aanvragen. Burgemeester Bob\n\nVostermans van Peel en Maas heeft nu besloten die vergunning te verlenen, ondanks het feit dat de eigenaarsfamilie die achter de vergunningaanvrager schuilgaat niet door de Bibob komt. De vergunning is verleend op naam van de exploitatie-bv van directeur [naam 7] . De eigenaar van [naam vakantiepark] is nog steeds de familie [eiser] . De exploitatie-bv stond tot 2023 nog op naam van de 75-jarige [naam 5] . Ook de familie is voor de vergunning gescreend.\n\nGeliquideerd\n\nZoon [eiser] is in het verleden veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en hij werd verdacht van witwassen. Zijn broer [naam broer] , de vermeende leider van een Eindhovense drugsbende, is in 2012 geliquideerd. Wat de opiumdelicten precies inhouden, is niet bekend. In rechtbankvonnissen over de witwaszaak wordt onder meer gemeld dat [eiser] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen had in Nederland. Volgens de rechtbank was er ‘een redelijke verdenking van witwassen’. Welke gevolgen die verdenking heeft gekregen, blijft onduidelijk. (…)”\n\n2.9.. Op 11 februari 2026 heeft [eiser] Mediahuis verzocht om voorlopig zijn naam uit het 2026-artikel te verwijderen. Mediahuis heeft dit verzoek afgewezen. Op 12 februari 2026 heeft [eiser] Mediahuis nogmaals verzocht om zijn naam te verwijderen uit het 2022-artikel en 2026-artikel. Mediahuis heeft ook dit verzoek op 13 februari 2026 afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Mediahuis te gebieden, binnen zeven dagen nadat het vonnis is gewezen,\n\nprimairalle vermeldingen naar [eiser] , waaronder in ieder geval de vermeldingen over zijn strafrechtelijke verleden en zijn relatie met zijn broer en [naam ondernemer] , te verwijderen uit de online publicaties van het 2026-artikel en het 2022-artikel en deze verwijderd te houden, althans, voor zover het aanpassen van de artikelen niet mogelijk is, deze artikelen geheel te verwijderen en verwijderd te houden;\n\nSubsidiair: te gebieden, de naam, ‘ [eiser] ’ en ‘ [eiser] ’ overal te vervangen door “X”, in de online publicaties van het 2022- artikel en het 2026-artikel, alsook deze vervanging in stand te houden voor zolang de artikelen online beschikbaar zijn;\n\nII. Mediahuis te verbieden om in de toekomst te publiceren over de strafrechtelijke gegevens over [eiser] die staan in het 2022-artikel of het 2026 artikel alsook over diens band met zijn broer en [naam ondernemer] ;\n\nIII. te bepalen dat Mediahuis een dwangsom verbeurt voor iedere overtreding van het onder I of II gevorderde;\n\nIV. Mediahuis te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat zowel het 2022-artikel als het 2026-artikel onrechtmatig zijn omdat hiermee zijn recht op privacy en zijn recht op bescherming van zijn eer en goede naam wordt geschonden. Het is onrechtmatig dat (i) zijn naam en toenaam wordt genoemd (ii) uitgebreid verslag wordt gedaan van zijn strafrechtelijk verleden en (iii) de relatie met zijn broer [naam broer] en met [naam ondernemer] worden aangehaald. [eiser] betwist niet de feiten die in de artikelen staan, maar Mediahuis heeft geen recht en belang bij het opnemen van deze feiten in de artikelen. De feiten omtrent zijn strafrechtelijk verleden, zijn banden met [naam ondernemer] en met zijn in 2012 overleden broer hebben allemaal lang geleden plaatsgevonden. Het publieke belang om daarvan kennis te nemen is er niet meer. Na een tijdsverloop van minimaal 9 jaar moet hij dat achter zich kunnen laten. [eiser] heeft geboet voor zijn daden en hoeft na al die tijd niet meer te dulden dat deze gedragingen hem kunnen worden tegengeworpen. Dit veroorzaakt (reputatie)schade. De artikelen verschijnen in Google als op zijn naam wordt gezocht, zodat privé- en zakelijke relaties er gemakkelijk kennis van kunnen nemen. [eiser] investeert in vastgoed en is als zodanig regelmatig onderwerp van KYC-onderzoeken (‘know your customer’ onderzoek, verplicht cliëntenonderzoek op grond van de Wwft) door banken en notarissen. Deze zoekresultaten kunnen vragen opwerpen in dergelijke onderzoeken, wat een reden kan zijn dat geen samenwerking met hem wordt aangegaan.\n\n3.3.. Mediahuis voert verweer. Mediahuis betoogt dat [eiser] vermeld mag worden in de artikelen zoals dat is gedaan. De artikelen vallen binnen de vrijheid van meningsuiting en Mediahuis heeft voldoende reden gehad om [eiser] te vermelden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat [eiser] woonachtig is in [woonplaats] en Mediahuis is gevestigd in Nederland. De voorzieningenrechter zal (ambtshalve) beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bisbevoegd van de vordering kennis te nemen, omdat gedaagde Mediahuis in Nederland is gevestigd. Daarbij zal Nederlands recht worden toegepast.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Het recht van Mediahuis op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een dergelijke beperking is sprake indien de publicaties onrechtmatig zijn jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van het Mediahuis is er met name in gelegen dat zij zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties die in de publieke belangstelling staan, terwijl het belang van [eiser] er met name in is gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat zijn privacy niet onnodig wordt geschonden.\n\n4.3.. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. Omstandigheden die bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van een perspublicatie een rol kunnen spelen, zijn:\n\nde aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;\n\nde ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de kwestie die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen \u002F raakt de publicatie aan een discussie die in de publieke belangstelling staat (debate of general interest);\n\nde mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal;\n\nde totstandkoming van de publicatie;\n\nde mate waarin degene op wie de publicatie is gericht een publiek figuur is, waarbij tevens van belang is welke functie hij bekleedt;\n\neerder gedrag van de betrokken persoon (prior conduct);\n\nde aard en het bereik van het medium waarin de uitlating is gedaan.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Mediahuis betwist allereerst dat [eiser] een (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat dit wel het geval is. Hoewel de publicatie van het 2022-artikel al vier jaar oud is, is dit artikel ook weer relevant geworden door de publicatie van het 2026-artikel. Dat [eiser] al over het 2022-artikel heeft geprocedeerd bij de RvJ maakt dit niet anders, omdat zijn recht om hierover het oordeel van de civiele rechter te vragen daardoor geenszins is beperkt. Bovendien zijn beide artikelen nog steeds toegankelijk via de website van De Limburger en stelt [eiser] dat daardoor sprake is van een voortdurende inbreuk op zijn privacyrecht.\n\nKern van het geschil\n\n4.5.. Dit geschil gaat over twee artikelen die in De Limburger zijn gepubliceerd over de vakantiepark [naam vakantiepark] . [eiser] betwist niet de juistheid van de feiten in het artikel. Hij erkent dat hij veroordeeld is geweest voor twee opiumwetdelicten en hypotheekfraude en dat hij verdachte is geweest van witwassen. Ook is juist dat zijn broer, [naam broer] , in 2012 is geliquideerd en dat [eiser] in het verleden zaken heeft gedaan met [naam ondernemer] . [eiser] stelt echter dat het onrechtmatig is om deze feiten in deze context en in deze artikelen op te nemen. Daarom zal per artikel, met inachtneming van de context ervan, worden beoordeeld of dit onrechtmatig is.\n\n2022-artikel\n\n4.6.. Het 2022-artikel gaat (zoals weergegeven in 2.4) over de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat specifiek over [naam 4] , de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg, die mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim € 1 miljoen eigen geld heeft geïnvesteerd in het volgens het artikel omstreden vakantiepark [naam vakantiepark] . Dat dit onderwerp maatschappelijke relevantie heeft, is aannemelijk en is tussen partijen ook niet in geschil.\n\n4.7.. De relevantie om ook [eiser] in dit artikel aan te halen heeft Mediahuis voldoende toegelicht. Ten eerste is dit vakantiepark eigendom van de familie [eiser] . [eiser] is daarbij (mede)bestuurder van de STAK, die de aandelen houdt in de holding van de moeder van [eiser] en (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van Bungalowpark [naam bungalowpark] Hoewel [eiser] ontkent dat hij direct betrokken is geweest bij de door [naam 4] verstrekte financiering en alleen zijn moeder in deze kwestie heeft geadviseerd, bleek de persoon van [eiser] voor [naam 4] zelf wel relevant. In het artikel haalt [naam 4] zelf namelijk aan dat de deal is geregeld via [eiser] . [naam 4] wijst vervolgens ook zelf naar [eiser] en zijn verleden, waardoor er sprake zou zijn van integriteitsrisico’s. Het is dan een logisch gevolg dat Mediahuis onderzoek gaat doen naar dat verleden van [eiser] en hierover publiceert. Dat maakt dat de rol van [eiser] en zijn achtergrond, en daarmee zijn strafrechtelijke antecedenten, zijn broer, [naam broer] , die geliquideerd is, en zijn zakelijke banden met [naam ondernemer] met wie hij een groot gezamenlijk vastgoedportofolio had en die verdacht werd van witwassen, daardoor onderdeel zijn geworden van een kwestie die in de publieke belangstelling staat. Het is dan ook niet onrechtmatig dat Mediahuis over [eiser] en deze feiten in het kader van het 2022-artikel heeft geschreven.\n\n4.8.. Het verwijt van [eiser] dat al deze feiten zich in het verleden hebben afgespeeld doet er hier niet toe. Enkel tijdsverloop speelt geen doorslaggevende rol. Het gaat erom of het publiek recht heeft op kennis over de strafrechtelijke informatie en gebeurtenissen uit het verleden, met name wanneer deze relevant blijven voor kwesties die in de publieke belangstelling staan en dat heeft Mediahuis in het kader van 2022-artikel voldoende toegelicht. Bovendien is de informatie die in het 2022-artikel is verwerkt opnieuw relevant geworden door de ontwikkelingen die zich in 2026 (zie hierna over het 2026-artikel) hebben voorgedaan.\n\n2026-artikel\n\n4.9.. Het 2026-artikel gaat samengevat over de aan vakantiepark [naam vakantiepark] verleende exploitatievergunning, ondanks dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) deels negatief had geadviseerd over die vergunning (zie 2.8). De context van dit artikel is dat deze exploitatievergunning moet dienen om ondermijning en criminele activiteiten tegen te gaan. Ook hier is tussen partijen niet in geschil dat dit onderwerp op zichzelf een kwestie is die in de publieke belangstelling staat.\n\n4.10.. Mediahuis heeft ook voor dit artikel de relevantie van het noemen van [eiser] , en familie [eiser] , zijn strafrechtelijke antecedenten en de band met zijn broer, [naam broer] , voldoende toegelicht. De gemeente heeft namelijk aan Mediahuis gemeld dat voor het verkrijgen van de exploitatievergunning de Bibob-procedure moet worden doorlopen en dat daarvoor zogenoemde 'Bibob-relaties' moeten worden gescreend, dat zijn personen die betrokken zijn bij de vennootschap die de aanvraag heeft gedaan, en daarbij moet worden gedacht aan bestuurders, aandeelhouders en financiers. Hieronder vallen dus ook [eiser] en zijn moeder. Dat betekent dat [eiser] is gescreend voor het verkrijgen van een exploitatievergunning in het kader van de Bibob en dat daarbij zijn strafrechtelijke antecedenten zijn meegenomen, waaronder niet alleen de veroordelingen (wet opiumdelicten en hypotheekfraude) maar ook verdenkingen (witwassen). Ook zal [naam broer] , de broer van [eiser] vanwege zijn strafrechtelijk verleden en liquidatie daarbij relevant zijn geweest. Omdat deze informatie relevant is voor het verkrijgen van een exploitatievergunning, zijn deze onderwerpen daardoor ook onderdeel geworden van het publieke debat. Daardoor is ook het 2026-artikel niet onrechtmatig jegens [eiser] .\n\n4.11.. Anders dan [eiser] verder suggereert, staat in het artikel niet dat er een negatief advies is afgegeven vanwegede strafrechtelijke antecedenten van [eiser] . In het artikel staat namelijk: “Burgemeester Bob Vostermans van Peel en Maas heeft nu besloten die vergunning te verlenen, ondanks het feit dat de eigenaarsfamilie die achter de vergunningaanvrager schuilgaat niet door de Bibob komt.” Er staat hier immers dat de ‘familie’ niet door de screening komt, dat hoeft niet op [eiser] te slaan, maar kan bijvoorbeeld ook zien op zijn moeder. Daarnaast betoogt [eiser] dat de lezer door het benoemen van het strafrechtelijk verleden van [eiser] in combinatie met het feit dat de familie niet door de Bibob-screening komt, zal denken dat een negatief advies komtdoorhet strafrechtelijk verleden van [eiser] , maar dat staat er niet, Mediahuis heeft dat verband niet gelegd.\n\nVolledige naam van [eiser]\n\n4.12.. \n\nDat [eiser] in beide artikelen bij zijn volledige naam wordt genoemd en bijvoorbeeld niet geanonimiseerd is niet onrechtmatig. In de Leidraad voor Journalistiekstaat over het kunnen identificeren van personen (verdachten en veroordeelden):\n\n‘Journalisten dienen te voorkomen dat informatie of beelden worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel zijn journalisten niet gehouden wanneer:\n\na. de naam een essentieel bestanddeel van de berichtgeving is,\n\nb. wanneer het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient,\n\nc. wanneer door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad,\n\nd. wanneer het vermelden van de naam gebeurt in het kader van opsporingsberichtgeving, of\n\ne. wanneer de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.’\n\n4.13.. Bij beide artikelen is voldoende aannemelijk dat het legitiem is dat de volledige naam van [eiser] is genoemd omdat sprake is van een situatie zoals hiervoor genoemd onder b. Mediahuis heeft voldoende toegelicht dat er meerdere artikelen zijn waarin [eiser] met zijn volledige naam wordt genoemd. Onder meer in een artikel van het Eindhovens Dagblad van 1 februari 2025 wordt [eiser] met zijn volledige naam genoemd, samen met de naam van zijn broer [naam broer] en het feit dat hij geliquideerd is, en dat het vakantiepark [naam vakantiepark] onder een vergrootglas komt te liggen als ‘vermeend crimineel broeinest’. Ook andere publicaties maken dus melding van de band van [eiser] met het vakantiepark [naam vakantiepark] , zodat het weglaten van de naam van [eiser] of het anonimiseren geen doel dient. Het relevante publiek weet toch wel wie wordt bedoeld, ook als in de artikelen van De Limburger zou hebben gestaan ‘ [eiser] .’, ‘ [eiser] . [eiser] ’, ‘X’, of bijvoorbeeld ‘bestuurder van de Stak van het vakantiepark’ of ‘broer van [naam broer] ’ of ‘voormalig zakenpartner van [naam ondernemer] ’. In al die gevallen zou door de eerdere berichtgeving duidelijk zijn dat hiermee [eiser] wordt bedoeld.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat het 2022-artikel en het 2026-artikel niet onrechtmatig zijn jegens [eiser] waardoor de onder 4.2 genoemde belangenafweging in het voordeel van Mediahuis uitvalt. De vordering onder I. wordt dus afgewezen.\n\n4.15.. \n [eiser] vordert daarnaast (onder II.) een verbod om in de toekomst over zijn strafrechtelijke antecedenten en de band met zijn broer en met [naam ondernemer] te publiceren. Een algemeen preventief verbod voor de toekomst kan niet worden toegewezen. Een publicatie moet immers getoetst worden aan de hand van de specifieke inhoud en context. Alle omstandigheden van het geval moeten kunnen worden meegewogen in het kader van de onder 4.2 genoemde belangenafweging.\n\n4.16.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mediahuis worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n De Verordening (EU) Nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)\n\n https:\u002F\u002Frvdj.nl\u002Fleidraad\u002F\n\ntype: EvK\n\ncoll: MV","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3948","2026-04-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.784Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":158,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":65,"updatedAt":160},"1328","ECLI:NL:RBAMS:2026:6783","ecli-nl-rbams-2026-6783","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F13\u002F705132 \u002F HA ZA 21-687, C\u002F13\u002F712754 \u002F HA ZA 22-71 en C\u002F13\u002F712812 \u002F HA ZA 22-72\n\nHerstelvonnis van 28 januari 2026\n\nin de zaak C\u002F13\u002F705132 \u002F HA ZA 21-687 van\n\nde stichting\n\nSTICHTING EMISSION CLAIM,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. C. Jeloschek te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. de naamloze vennootschap\n\nSTELLANTIS N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\n2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nSTELLANTIS NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagden 1 en 2,\n\nadvocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,\n\nen\n\nin de zaak C\u002F13\u002F712754 \u002F HA ZA 22-71 van\n\nde stichting\n\nSTICHTING CAR CLAIM,\n\ngevestigd te Rotterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. P. Haas te Rotterdam,\n\ntegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen\n\n4. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSTELLANTIS AUTO S.A.S.,voorheen PSA AUTOMOBILES S.A.,\n\ngevestigd te Poissy, Frankrijk,\n\n5. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nAUTOMOBILES PEUGEOT S.A.,\n\ngevestigd te Poissy, Frankrijk,\n\n6. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nAUTOMOBILES CITROËN S.A.S.,\n\ngevestigd te Poissy, Frankrijk,\n\n7. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGM DEUTSCHLAND HOLDINGS GMBH,voorheen ADAM OPEL GMBH,\n\ngevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,\n\n8. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nOPEL AUTOMOBILE GMBH,\n\ngevestigd te Rüsselsheim am Main, Duitsland,\n\n9. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERAL MOTORS HOLDINGS LLC,\n\ngevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,\n\n10. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERAL MOTORS COMPANY,\n\ngevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,\n\ngedaagden 4 tot en met 10,\n\nadvocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,\n\nen tegen\n\ngedaagden 11 tot en met 137,\n\nadvocaat mr. M.J. van Joolingen te ’s-Hertogenbosch,\n\nen\n\nin de zaak C\u002F13\u002F712812 \u002F HA ZA 22-72 van\n\nde stichting\n\nSTICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. J.D. Edixhoven te Amsterdam,\n\ntegen de hiervoor onder 1, 2 en 4 tot en met 137 genoemde gedaagden.\n\nEiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Gedaagden 1, 2 en 4 tot en met 10 zullen hierna gezamenlijk Stellantis c.s. worden genoemd. Gedaagden 11 t\u002Fm 137 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.\n\n1. Het verzoek tot verbetering\n\n1.1.. Mr. J.D. Edixhoven heeft op 22 januari 2026 namens de Stichtingen erop gewezen dat in het vonnis van 21 januari 2026 in rechtsoverweging 3.26 en in het dictum onder 4.6 een verkeerd jaartal - 2025 in plaats van 2026 - is genoemd. Mr. Edixhoven heeft om herstel van deze kennelijke verschrijvingen verzocht.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de andere partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Op 23 januari 2026 hebben mr. A. Knigge namens Stellantis c.s. en mr. M.J. van Joolingen namens de Autodealers aan de rechtbank laten weten in te stemmen met correctie van de kennelijke verschrijvingen.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.\n\n2.2.. In het vonnis van 21 januari 2026 is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal het verzoek tot verbetering van het vonnis dan ook toewijzen als volgt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat de laatste zin van rechtsoverweging 3.26 van het op 21 januari 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat\n\n“Dit betekent dat de zaak zal worden verwezen naar de rol van 25 maart 2025 voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke stukken.”\n\nwordt gewijzigd in\n\n“Dit betekent dat de zaak zal worden verwezen naar de rol van 25 maart 2026 voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke stukken.”\n\n3.2.. bepaalt dat in het dictum onder 4.6 van het op 21 januari 2026 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat\n\n“bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2025voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke bewijsstukken door Stellantis c.s.,”\n\nwordt gewijzigd in\n\n“bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 maart 2026voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke bewijsstukken door Stellantis c.s.,”\n\n3.3.. bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 28 januari 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 21 januari 2026,\n\n3.4.. verzoekt elk van partijen, voor zover zij dit niet al hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 21 januari 2026 na ontvangst van dit verbetervonnis aan de griffie van de rechtbank terug te sturen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. M. Wouters, bijgestaan door mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.\n\n Voor de gegevens van gedaagden 11 t\u002Fm 137 wordt verwezen naar het vonnis van 30 juli 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6783","2026-07-13T00:29:16.195Z",20]