[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-victim-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":48,"limit":49},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},96,"victim-compensation-nl","Victim Compensation","NL","2026-07-08T16:56:12.456Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-03-11T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[],[22,33,40],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"669","ECLI:NL:GHAMS:2026:1857","ecli-nl-ghams-2026-1857","","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001329-24\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-241741-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nin de bewijsoverweging op blad 8 van het vonnis de een-na-laatste alinea “In het dossier (…) elkaar zijn afgestemd”schrapt, aangezien in hoger beroep geen verweer is gevoerd op de betrouwbaarheid van de aangifte en de getuigenverklaringen, en\n\nde door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zal uitwerken indien beroep in cassatie wordt ingesteld.\n\nOplegging van straf\n\nDe politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft – indien het noodweerverweer wordt verworpen – verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Er heeft mediation plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, waarin alles is uitgesproken. De samenleving is daarom niet langer gebaat bij het opleggen van een straf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Na een discussie over geld heeft de verdachte een mes getrokken en hiermee gestoken richting het bovenlichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer is hierbij geraakt in zijn bovenarm. De verdachte heeft het slachtoffer daarmee pijn en letsel toegebracht. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer omdat dit feit op de openbare weg heeft plaatsgevonden.\n\nHet hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin worden voor een voltooide zware mishandeling gevangenisstraffen als uitgangspunt genoemd. In deze zaak gaat het echter om een pogingtot zware mishandeling. Daarom zal het hof uitgaan van een lager uitgangspunt.\n\nHet hof houdt in het voordeel van de verdachte verder rekening met het feit dat de verdachte en het slachtoffer een mediation-traject hebben doorlopen. Deze mediation is geslaagd, zoals blijkt uit de slotovereenkomst die door partijen is ondertekend op 5 en 6 februari 2026 en die deel uitmaakt van het dossier. In de slotovereenkomst hebben zij aangegeven te betreuren dat de gebeurtenis zich heeft voortgedaan en dat zij geen behoefte hebben aan voortzetting van de strafzaak. Het slachtoffer heeft aangegeven dat het niet in hun beider belang zou zijn als de verdachte zou worden vervolgd en dat hij niets meer van de verdachte heeft te vorderen. Met het doorlopen van dit mediation-traject heeft de verdachte aangetoond verantwoordelijkheid te nemen en het kwalijke van zijn handelen in te zien.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 12 juni 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 2 juli 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus bijna vier weken. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\nIn beginsel acht het hof, gelet op de ernst van het feit, de door de politierechter opgelegde taakstraf passend en geboden. Omdat de mediation is geslaagd, zal het hof echter – net zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – de helft daarvan in voorwaardelijke vorm opleggen. Het hof acht hierbij ook normbevestiging en generale preventie van belang. Dit belang strekt verder dan het individuele belang van de verdachte en maakt dat een schuldigverklaring zonder straf of een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman bepleit, naar het oordeel van het hof niet op zijn plaats is. Het hof legt daarom op een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding van geleden materiële en immateriële schade tot een totaalbedrag van € 4.412,79.\n\nDeze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.613,79.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep aanvankelijk gehandhaafd. Na een mediationtraject heeft de benadeelde partij voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aangegeven dat hij zijn vordering wil intrekken. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de vordering niet meer aan de orde is en daarop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1857","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.155Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1772","ECLI:NL:GHAMS:2026:1764","ecli-nl-ghams-2026-1764","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001893-23\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-085027-23 (zaak A) en 13-048967-20 (zaak B), alsmede 13-144879-21 (TUL) tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nadres: [adres].\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\n2. Vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nambtshalve acht heeft geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (een overschrijding van ruim 1 jaar en 6 maanden) en in hoger beroep (een overschrijding van ruim 1 jaar), wat het hof niet tot een ander oordeel brengt ten aan zien van de opgelegde straf;\n\nde motivering van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade vervangt door de navolgende overweging.\n\n3. Immateriële vordering benadeelde partij (zaak B)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft € 1.785,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat de benadeelde partij door de in zaak B subsidiair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde mishandeling rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, bestaand uit lichamelijk letsel aan haar lip als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop heeft zij recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, rekening houdend met bedragen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegewezen en de zogenaamde Rotterdamse schaal, naar maatstaven van billijkheid, net zoals de rechtbank heeft gedaan, op een bedrag van € 1.785,00.\n\n4. Vordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De rechtbank heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor de duur van 4 maanden. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen, maar wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 240 uren.\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair verzocht de in eerste aanleg toegewezen gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden te halveren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de voorwaardelijk opgelegde straf is opgelegd voor een andersoortig feit dan het in deze zaak tenlastegelegde, dat de redelijke termijn door het grote tijdsverloop is overschreden en dat de verdachte in een andere zaak meewerkt aan bijzondere voorwaarden en zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nVoorwaardelijke straffen als de onderhavige worden opgelegd om veroordeelden ervan te weerhouden om nogmaals strafbare feiten te plegen. In de onderhavige zaak is dat niet gelukt, nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Dat de verdachte is veroordeeld voor een andersoortig feit, maakt het voorgaande niet anders. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals de verdediging heeft betoogd, en is van oordeel dat de vordering in beginsel dient te worden toegewezen.\n\nOvereenkomstig de vordering van de advocaat-generaal ziet het hof evenwel aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf. Sinds de tenlastegelegde feiten en de rechtsgang in eerste aanleg is namelijk veel tijd verstreken en gedurende die tijd lijkt de verdachte vooruitgang te hebben geboekt, nu hij onder meer een Cognitieve Vaardigheidstraining volgt, een uitkering heeft, zijn schulden afbetaalt en met een jobcoach op zoek is naar een baan. Om deze vooruitgang niet de doorkruisen, maar anderzijds wel recht te doen aan de voorwaardelijke veroordeling, zal het hof in plaats van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van de maximaal op te leggen taakstraf gelasten.\n\nHet hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van 240 uren duur gelasten.\n\n5. BESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 (parketnummer 13-144879-21), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.J. Hübel, mr. R. van der Heijden en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen en Y. Amama, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nMr. R.A.J. Hübel, mr. P.K. van Riemsdijk en Y. Amama zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001893-23\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 2 juli 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. C.J. van der Wilt, raadsheer,\n\nI. de Bruijne, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman\u002Fraadsvrouw is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nTolk is wel \u002F nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nDe verdachte heeft wel \u002F geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.(indien VTEin deze zaak is gedetineerd)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1764","2026-07-13T00:29:38.084Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"485","ECLI:NL:RBAMS:2025:1506","ecli-nl-rbams-2025-1506","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F6696\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),\n\nen\n\nCommissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.C.M. van der Weerd).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag tot uitkering van een bedrag door het Schadefonds.\n\n1.1.. Het Schadefonds heeft deze aanvraag met het besluit van 19 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is het Schadefonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. Het Schadefonds heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het Schadefonds. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het Schadefonds de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het Schadefonds heeft dat gedaan met de overweging dat eiseres de aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van een of meerdere geweldsmisdrijven.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nKader\n\n4. In de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het Schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die door een opzettelijk geweldsmisdrijf ernstig letsel heeft opgelopen.4.1.. Het Schadefonds heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte. Daarom heeft het Schadefonds in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 augustus 2021 beleidsregels vastgesteld (de beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.2 van de beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar alleen aannemelijk te worden gemaakt. Bij de beoordeling moeten, naast de feitelijke geweldshandeling, ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer over de aannemelijkheid doorgaans slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen nu deze informatie geen uitsluitsel geeft over wat er feitelijk is gebeurd.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg terughoudend dient te toetsen, aangezien de beslissing over (de hoogte van) een uitkering uit het fonds een discretionaire bevoegdheid van het Schadefonds betreft.\n\nAannemelijk?\n\n4.3.. Eiseres heeft op 11 oktober 2021 bij het Schadefonds een aanvraag gedaan voor een uitkering. Zij heeft daarbij een aangifte van 30 november 2019 meegestuurd. De strafbare feiten zouden zijn gepleegd door [verdachte] de ex van haar dochter [betrokkene] . [verdachte] nam vanaf 2018 telefonisch contact op met eiseres en bedreigde haar. Op 14 juni 2019 lag eiseres thuis op de bank te slapen toen ze plotseling in elkaar werd geslagen. Later herinnerde ze zich dat ze een silhouet zag wegrennen dat op [verdachte] leek. Haar dochter was thuis en zei dat ze was geslagen, ze had niet gezien door wie. [verdachte] heeft eiseres gedwongen met hem en zijn gezin mee te gaan naar een vakantiepark, waar ze eten moest kopen en koken. Ook zijn daar creditcards op haar naam aangevraagd, waarmee is gepind. Ook zijn [verdachte] en zijn gezin mee naar het huis van eiseres gegaan. Verder moest eiseres twee auto’s kopen van [verdachte] en is een bedrijfspand op haar naam gezet, evenals mobiele telefoons en abonnementen. De schulden lopen in de duizenden euro’s.\n\n4.4.. Het Schadefonds heeft in het bestreden besluit de afwijzing gehandhaafd met verbetering van de motivering. De aangifte wordt niet ondersteund door nader strafrechtelijk onderzoek. Ook de verklaring van de dochter van mevrouw levert onvoldoende onderbouwing op nu de verklaring geen informatie biedt die bijdraagt aan de aanleiding, de toedracht en de omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Tot slot is de waarde van de medische stukken qua onderbouwing gering nu deze informatie enkel wat zegt over het letsel, met betrekking tot de aanleiding schrijft een behandelaar immers op wat de patiënt zelf aangeeft. Al met al is de aanvraag niet voldoende onderbouwd met voldoende objectieve aanknopingspunten om deze aannemelijk te achten.\n\n4.5.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven heeft kunnen weigeren. Zoals eerder benoemd, moet voor de aannemelijkheid ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Dit brengt met zich mee dat de aangifte ondersteund moet worden door objectieve aanwijzingen. Eiseres beroept zich in het kader van de aannemelijkheid op haar aangifte, de medische stukken en de schriftelijke verklaring van haar dochter.\n\n4.6.. In haar aangifte heeft eiseres een omvangrijk feitencomplex geschetst. Deze feiten worden niet onderbouwd door informatie van de politie nu er geen verder onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit is uiteraard niet te wijten aan eiseres maar gezien deze omstandigheid lag het op haar weg om de aanvraag te onderbouwen met objectieve aanwijzingen. Dat heeft zij niet gedaan, terwijl het voor eiseres in elk geval mogelijk moet zijn om aan te tonen dat er bedrijfspanden, creditcards en abonnementen op haar naam stonden.4.7.. De vraag is vervolgens of de medische stukken dergelijke aanwijzingen bevatten. Het in de stukken omschreven fysieke letsel maakt niet duidelijk hoe dit letsel ontstaan is. Ten aanzien van het geestelijk letsel is de diagnose PTSS gesteld. Hiermee staat vast dat eiseres te kampen heeft met de gevolgen van een traumatische gebeurtenis. Hoe betreurenswaardig dat ook is, de rechtbank is met verweerder van oordeel dat die diagnose in dit geval de aannemelijkheid slechts zeer beperkt ondersteunt nu ook deze diagnose niet duidelijk maakt wat er precies is gebeurd met eiseres.4.8.. Resteert de vraag of de verklaring van de dochter van eiseres voldoende objectieve aanwijzingen bevat. Uit de schriftelijke verklaring volgt dat de dochter van eiseres naar beneden is gelopen nadat ze haar moeder hoorde schreeuwen, waarna ze haar aantrof met bloed in haar gezicht. De rechtbank stelt vast dat de dochter van eiseres zelf geen geweldshandelingen heeft waargenomen. Dit maakt dat deze verklaring in de ogen van de rechtbank niet voldoende ondersteuning biedt aan de aangifte, ook niet in combinatie met de medische stukken.4.9.. Al met al wordt de aangifte van eiseres niet voldoende ondersteund door objectieve aanwijzingen en zal het beroep ongegrond worden verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag tot uitkering van een bedrag door het Schadefonds Geweldsmisdrijven in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. W.L. van der Pijl, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1506","2025-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.854Z",1,20]