[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-drug-law-enforcement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},41,"drug-law-enforcement-nl","Drug Law Enforcement","NL","2026-07-08T16:53:39.763Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2023-06-20T00:00:00.000Z","2025-05-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121812","Wetboek van Strafvordering","art. 279",1,[27,38,46],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"893","ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","ecli-nl-rbgel-2025-12057","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-320181-25 en 05-020359-26 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 26 mei 2025\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. H.E.M. Lucas, advocaat in Arnhem.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks 25 november 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijde amfetamine, althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van amfetamine, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, zijnde MDMA en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldig contact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het aanbieden van de drugs (te weten onder meer amfetamine en\u002Fof MDMA) en\u002Fof - het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fof goederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden gripzakje(s) en\u002Fof - een of meerdere weegschalen en\u002Fof - een keukenmixer (met kristalresten) en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\n1. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fof ongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002Fof MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks 9 september 2025 te Ede, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-320181-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 26 november 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 87-88, 92-94;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2026 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 95-96, 102-105;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 142, 147, 153, 157, 160;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-21;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon verdachte, p. 80-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nAanvullende overwegingen\n\nDe rechtbank acht enkel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor zover deze zien op het verkopen en afleveren van harddrugs. Voor het overige zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht voorts niet bewezen dat het contante geldbedrag dat door de politie in de woning van verdachte werd aangetroffen werd gebruikt voor de voorbereidingshandelingen. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte veelvuldigcontact heeft gehad met afnemers die betrokken zijn bij het transport en\u002Fof de handel van drugs. Evenmin is uit het dossier gebleken dat er sprake was van medeplegen. Ook van deze onderdelen van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-020359-26\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 11 september 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 137, 144-145;\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 24 oktober 2025 en de bijbehorende rapporten NFiDENT, p. 120-121, 123, 131-135;\n\n- de kennisgevingen van inbeslagneming, p. 191, 194, 200, 203, 209, 221;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;\n\n- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 115-116;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25\n\n1. hij op of omstreeks25 november 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad -een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 480,33 gram) van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA en\u002Fof-een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden (te weten (ongeveer) 403,34 gram) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine,althans (telkens) een middel\u002Fmiddelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op een of meerdere tijdstippeninof omstreeksde periode van 11 september 2025 tot en met 25 november 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierdeof vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijktelen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopenenafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren en\u002Fof- het opzettelijk vervaardigenvan amfetamine, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA, zijnde MDMA,en\u002Fof een of meer ander(e) stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk gevaleen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s),wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door -het regelen\u002Forganiseren van en\u002Fof bijdragen aan, dan wel het veelvuldigcontact te hebben met andere personen (te weten onder andere afnemer(s)) die betrokken zijn bij het transport en\u002Fofde handel van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het aanbieden van de drugs (te wetenonder meeramfetamine en\u002FofMDMA) en\u002Fof- het voorhanden hebben vaneen (grote) hoeveelheid stoffen en\u002Fof materialen en\u002Fofgoederen, te weten onder meer - een (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelhedengripzakje(s) en\u002Fof-een ofmeerdere weegschalen en\u002Fof- een keukenmixer (met kristalresten).en\u002Fof - contante geldbedragen (van in totaal €2630,-);\n\nOnder parketnummer 05-020359-26\n\n1. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2316,61 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende amfetamine en\u002Fofongeveer 43,29 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en\u002FofMDMA,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks9 september 2025 te Ede, althans in Nederland,een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nOnder parketnummer 05-320181-25:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit\n\nOnder parketnummer 05-020359-26:\n\nfeit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nfeit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie\n\nmet een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Daarnaast staat verdachte positief tegenover een alternatieve straf in de vorm van een taakstraf.\n\nVerder heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen tot aan de datum van de einduitspraak, zodat hij in de gelegenheid is om tijdig zijn woning leeg te halen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft grote hoeveelheden harddrugs en een bus pepperspray in zijn woning aanwezig gehad. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsfeiten.\n\nOok heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 11 mei 2026 en de aanvulling daarop van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Meerdere levensgebieden worden gezien als risicoverhogend, onder andere het psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er is sprake van een langdurige verslaving aan amfetamine en een gokverslaving. De woning van verdachte is op last van de gemeente gesloten. Dit maakt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht zorgvuldige begeleiding en ondersteuning noodzakelijk om de re-integratie van betrokkene goed te laten verlopen. Daarnaast dienen praktische zaken te worden geregeld, zoals het uitzoeken van de situatie rondom de woning. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\nmeldplicht bij de reclassering;\n\nambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;\n\nverblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod op het gebruik van verdovende middelen;\n\nverbod op deelname aan kansspelen;\n\nambulante woonbegeleiding;\n\ndiagnostiek.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nDe rechtbank vindt het van doorslaggevend belang dat de overgang naar het reguliere leven voor verdachte zo goed mogelijk verloopt. Daarvoor is van belang dat verdachte bij invrijheidsstelling in een stabiele situatie terechtkomt. Ter terechtzitting is gebleken dat de structuur en het ritme in detentie verdachte goed hebben gedaan. Hij is afgekickt van de middelen en hij heeft aan zijn gezondheid gewerkt. Ter terechtzitting is echter ook gebleken dat verdachte niet direct geplaatst kan worden in een instelling voor begeleid wonen vanwege wachtlijsten. Omdat hij niet meer terug kan naar zijn woning, heeft dit tot gevolg dat verdachte bij invrijheidsstelling in een dag- en nachtopvang zou moeten verblijven. Dit is geen wenselijke situatie, gelet op het hoge risico op recidive. De rechtbank zal daarom niet volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zullen deze voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.\n\nDe tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.\n\nTot slot zal de rechtbank het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Nu er op de zitting van 26 mei 2026 direct mondeling uitspraak is gedaan, is een schorsing tot aan de uitspraakdatum niet meer aan de orde. Verdachte kan om kortdurende strafonderbreking vragen bij de PI waar hij verblijft.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De beoordeling van het beslag\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 05-320181-25 is onder verdachte beslag gelegd op:\n\neen contant geldbedrag van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248);\n\neen telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228).\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om beide goederen verbeurd te verklaren.\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van beide goederen. Ten aanzien van het geldbedrag is daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten op zichzelf niet winstgevend zijn en dat niet is gebleken dat deze feiten zijn begaan of voorbereid met betrekking tot of met behulp van het geldbedrag. Evenmin is gebleken dat het inbeslaggenomen geldbedrag een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van drugshandel of bij drugsbezit. Er is dus geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht (Sr) waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard. Ten aanzien van de telefoon is bepleit dat verbeurdverklaring niet proportioneel is, omdat daar slechts een klein aantal berichten op is aangetroffen dat belastend kan zijn.\n\nDe rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet. Er is geen grond aanwezig zoals bedoeld in artikel 33a Sr waarop het geldbedrag verbeurd kan worden verklaard.\n\nDe rechtbank zal beslissen dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, omdat het tenlastegelegde onder feit 2 met behulp van dit telefoontoestel is begaan.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering\n\nVerdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname\n\nVerdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en\u002Fof verslavingsproblematiek, Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik\u002Fbij overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt gedurende de proeftijd geen verdovende middelen als genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof een speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- Verbod kansspelen\n\nVerdachte neemt gedurende de proeftijd niet deel aan kansspelen;\n\n- Ambulante woonbegeleiding\n\nVerdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan ambulante woonbegeleiding, zolang de reclassering deze begeleiding nodig vindt;\n\n- Diagnostiek\n\nVerdachte verleent gedurende de proeftijd zijn medewerking aan diagnostiek, zolang de reclassering dit nodig vindt. Verdachte dient zich daarbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de diagnostiek door of namens degene die het onderzoek verricht zullen worden gegeven;\n\n stelt als overige voorwaardendat verdachte:\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;\n\n geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nBeslissing op het beslag\n\n verklaart verbeurd het telefoontoestel van het merk Oppo (voorwerpnummer BZAU7228);\n\n gelast de teruggave aan verdachte van het contante geldbedrag ter waarde van € 2.630,00 (voorwerpnummer BZAU7248).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nmr. Goossens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025571803, gesloten op 10 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025436710, gesloten op 9 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12057","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.284Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"298","ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","ecli-nl-rbgel-2024-2693","2024-05-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-337531-23; 20-000823-21 (tul)\n\nDatum uitspraak : 3 mei 2024\n\nTegenspraak (art. 279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. T. van Nimwegen, advocaat in Tilburg\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 april 2024.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 310 flessen van 3,3 liter\u002F2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid\n\ndistikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fof heeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu voor de aanwezigheid en het vervoeren van lachgas wettig bewijs ontbreekt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat niet kan worden vastgesteld dat het om lachgas gaat nu niet door het NFI is onderzocht welke stof zich in de in het voertuig van verdachte aangetroffen cilinders bevond.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van cocaïne\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten. Daartoe is aangevoerd dat de doorzoeking in het voertuig en de kennisname van de pallets met cilinders en het boterhamzakje met wit poeder onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Bewijsuitsluiting moet daarop volgen, waardoor niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 in ieder geval vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat in de cilinders lachgas zat, nu geen onderzoek is gedaan naar de daadwerkelijke inhoud van de cilinders.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nRechtmatigheid onderzoekshandelingen\n\nOp 23 september 2023 kwam een melding binnen van een eenzijdig ongeval op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 125.0 in Arnhem. Ter plaatse bleek dat een bestelbusje tegen de vangrail stond en dat de bestuurder met gesloten ogen op zijn stoel zat en nergens op reageerde. Toen hij later de ogen opende, kon hij geen antwoord geven op vragen, waarop ambulancepersoneel de verzorging overnam en hem meenam naar het ziekenhuis.\n\nDe verbalisant zag op de bus geen enkele naam aanduiding of een andere indicatie met betrekking tot wat er in de bus vervoerd zou kunnen worden. Vervolgens heeft hij de achterkant van de bus geopend om te kijken of er goederen aanwezig waren en zo ja welke goederen. Vervolgens zag hij twee pallets staan, waarvan de inhoud was ingepakt met zwart plastic met daaromheen witte spanbanden. De pallets waren voorzien van meerdere stickers met daarop een gevarendiamant. Doordat het de verbalisant vanwege zijn ervaring meteen duidelijk was dat het hoogst waarschijnlijk zou gaan om pallets met lachgas flessen, is het vermoeden ontstaan dat zich in de bus verdovende middelen bevonden.\n\nDe vraag is of het openen van de achterdeur van het voertuig en de kennisname van de daarin aangetroffen cilinders en harddrugs rechtmatig is geweest.\n\nIn artikel 3 Politiewet is bepaald dat de politie tot taak heeft de rechtsorde te handhaven en hulp te verlenen aan hen die deze nodig hebben. Nu de bestuurder van het voertuig met de ambulance was afgevoerd, had de politie de zorg over het voertuig. Ter handhaving van de openbare orde kan het voor de politie van belang zijn te weten wat er in het voertuig werd vervoerd. Nu dat aan de buitenkant niet zichtbaar was, heeft de verbalisant de achterdeur geopend. Op het moment van het openen van de achterdeur was nog geen sprake van een doorzoeking, maar het openen van de achterkant van het voertuig valt onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet. Mocht immers blijken dat er gevaarlijke chemicaliën of explosieve stoffen vervoerd zouden worden, moeten direct adequate maatregelen worden genomen om allerlei onheil te voorkomen. Dat is ook de taak van de politie. Na het aantreffen van de twee pallets met een gevarendiamant en de ervaring van de verbalisant is volgens de rechtbank een verdenking ontstaan en heeft men het voertuig kunnen doorzoeken op basis van artikel 96b Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank zal het verweer van de verdediging dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting dan ook afwijzen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe verbalisant heeft na het aantreffen van de twee pallets een stukje van het plastic opengescheurd en zag de hem ambtshalve bekende kartonnen dozen waarin ‘wegwerp’ lachgas flessen worden verpakt. Ook zag hij twee kartonnen dozen met zwarte ballonnen, die hij herkende als ballonnen die worden gebruikt om met lachgas te vullen. In totaal zijn er 310 cilinders met vermoedelijk lachgas in het voertuig aangetroffen.\n\nDe inhoud van de cilinders is niet onderzocht door het NFI en verdachte heeft geen verklaring afgelegd over de in zijn voertuig aangetroffen cilinders. Noch is onderzoek gedaan naar de fabrikant van de cilinders\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een enkele ambtshalve herkenning van de cilinders als lachgascilinders door verbalisant, zonder enig nader onderzoek en zonder een verklaring van verdachte dat het lachgas betreft, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat zich in de cilinders lachgas bevond. De cilinders kunnen immers ook leeg zijn of op een later moment gevuld met een andere substantie.\n\nDe rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12;\n\n- het rapport NFiDENT van 13 november 2023, p. 20;\n\n- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 41-42;\n\nNadere bewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de doorzoeking onrechtmatig heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het openen van de achterkant van het voertuig in onderhavig geval onder de bevoegdheid van artikel 3 Politiewet valt. Door het zoekend rondkijken in het voertuig is vervolgens een verdenking ontstaan dat zich in het voertuig verdovende middelen bevonden. Daartoe is het hele voertuig doorzocht en is in de linker portier een boterhamzakje met wit poeder aangetroffen.\n\nDe rechtbank is – mede gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de doorzoeking rechtmatig heeft plaatsgevonden en verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nDe rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 6,05 gram van een materiaal bevattende cocaïne.\n\nDe rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n2.\n\nhij op of omstreeks23 september 2023 te Arnhem opzettelijk aanwezig heeft gehad en\u002Fofheeft vervoerd, ongeveer 6,05 gram, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nEr is sprake van eendaadse samenloop, nu het vervoeren en aanwezig hebben dezelfde cocaïne betreft, op dezelfde plaats en tijd is geschied en hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 2, onder B en C van de Opiumwet dezelfde strekking heeft.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\neendaadse samenloop van\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod\n\nen\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van 6,05 gram cocaïne. Ook heeft hij verklaard dat hij sinds kort cocaïne gebruikt. Het is algemeen bekend dat harddrugs in het algemeen zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door in het bezit te raken van harddrugs.\n\nDe rechtbank heeft gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten van de Opiumwet. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 18 maart 2024. Het is de reclassering niet gelukt om met verdachte in contact te komen. De reclassering maakt op basis van de beschikbare gegevens de inschatting dat verdachte gebaat zou kunnen zijn bij begeleiding\u002Fbehandeling van een forensisch FACT-team van Fivoor. Tijdens het traject dient er aandacht te zijn voor het middelengebruik en het stabiliseren van criminogene leefgebieden. De reclassering adviseert daarom een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling\u002Fbegeleiding.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het vervoeren van 0 tot 10 gram harddrugs wordt doorgaans een taakstraf voor de duur van 30 uren opgelegd.\n\nGelet op het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf niet passend is. Verdachte liep nog in een proeftijd toen hij het feit pleegde en de reclassering heeft geen contact met hem kunnen krijgen. Zij adviseren bijzondere voorwaarden, maar verdachte heeft via zijn raadsman te kennen gegeven daar niet aan mee te willen werken. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en zal dat aan verdachte opleggen.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 20-000823-21)\n\nHet gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juni 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Er zijn geen redenen om dat niet te doen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstrafvoor de duur vanéén (1) maand;\n\nVordering na voorwaardelijke veroordeling\n\n beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand(parketnummer 20-000823-21).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.\n\nmrs. W. Bruins en A.J.H. Steenweg zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023440563, gesloten op 5 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2024:2693","2026-07-13T00:28:23.279Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":52},"525","ECLI:NL:RBGEL:2023:3472","ecli-nl-rbgel-2023-3472","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 22\u002F1319\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023\n\nin de zaak tussen\n \n [Eiser A] , uit [plaats B] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. ten Tuijnte)\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Doetinchem\n\n(gemachtigde: mr. F. Pommer).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de burgemeester om aan hem een last onder dwangsom op te leggen wegens drugshandel op straat. Met het bestreden besluit van 31 januari 2022 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen twee invorderingsbesluiten die de burgemeester genomen heeft omdat eiser de last niet zou hebben nageleefd. Omdat eiser de besluiten betwist, maken deze automatisch deel uit van het geschil.\n\n1.2.. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser. Namens de burgemeester zijn verschenen: de gemachtigde van de burgemeester en mr. N. Helmink.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het dwangsombesluit en de invorderingsbesluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe last onder dwangsom\n\nVaststaande feiten\n\n3. De burgemeester heeft het bestreden besluit gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie.Uit die rapportage volgt dat eiser zich op 30 juni 2021 als bijrijder in een auto bevond op [het adres C] in [plaats B] en dat hij vanuit de auto iets aan een persoon overhandigde. De politie heeft deze persoon daarna gecontroleerd. Deze verklaarde 3-MMC gekocht te hebben van eiser en dit al drie of vier keer eerder gedaan te hebben. De ondervraagde persoon overhandigde daarbij een sealbag met wit poeder aan de politie. Eiser en de bestuurder van de auto zijn vervolgens aangehouden. Tijdens de insluiting werden bij de bestuurder 30 wikkels cocaïne aangetroffen en 26 sealbags met 3-MMC. De uiterlijke kenmerken van de sealbags kwamen overeen met die van de sealbag die de politie aantrof bij de ondervraagde persoon. Bij eiser zijn twee telefoons en € 385 aan contant geld aangetroffen.\n\n3.1.. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de burgemeester aan eiser een last opgelegd om verdere overtreding van artikel 2:74 van de Apv Doetinchem 2016 (de Apv) te voorkomen. Dit artikel luidt als volgt:\n\nOnverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.\n\nBij het niet nakomen van de last verbeurt eiser een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000.\n\nWas de burgemeester bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van artikel 2:74 van de Apv?\n\n4. Eiser betoogt dat de burgemeester geen last aan hem had mogen opleggen, omdat hij artikel 2:74 van de Apv niet heeft overtreden. Bij de aanhouding op 30 juni 2021 zijn enkel drugs aangetroffen bij de bestuurder van de auto (in haar beha) en niet bij eiser. Dat eiser niet in drugs dealde volgt ook uit de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie dit feit heeft geseponeerd. Voor zover de burgemeester de handel in 3-MMC aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, betwist eiser dat deze handeling heeft plaatsgevonden. Bovendien wijst hij erop dat dit middel ten tijde van de vermeende overtreding nog niet was opgenomen op lijst II van de Opiumwet. Voor zover artikel 2:74 van de Apv spreekt over “daarop gelijkende waar”, kan een last hierop niet gebaseerd worden, omdat dit te onbepaald is. Deze zinsnede is daarmee in strijd met het zogenoemde lex certa-beginsel.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester terecht het standpunt ingenomen dat eiser artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden en was hij bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank het hierna volgende in aanmerking.\n\n4.2.. Artikel 2:74 van de Apv ziet op het voorkomen van aantasting van de openbare orde en het beteugelen van overlast. Een overtreding van artikel 2:74 van de Apv vereist geen strafwaardige betrokkenheid bij het afleveren, aanbieden of verwerven van de in de Opiumwet genoemde middelen.De vraag of eiser dit artikel heeft overtreden moet daarom zelfstandig, los van een eventuele strafrechtelijke procedure, worden beantwoord. Dat eiser niet strafrechtelijk is vervolgd voor de feiten van 30 juni 2021, betekent daarom niet dat hij de Apv niet heeft overtreden.\n\nIs er sprake van strijd met het lex certa-beginsel?4.3.. Volgens vaste jurisprudentievan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (de Afdeling) verlangt het lex certa-beginsel, dat onder meer besloten ligt in artikel 7 van het EVRM, van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, de omschrijvingen van verboden gedragingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van wetgeving schade lijdt.\n\n4.3.1.. Eiser wijst op zich terecht op de omstandigheid dat noch in de tekst, noch in de toelichting van de Apv een nadere omschrijving wordt gegeven van wat onder “daarop gelijkende waar” moet worden verstaan. Dat een begrip niet gedefinieerd is en aan de hand van feiten en omstandigheden enige uitleg vergt, maakt op zichzelf echter nog niet dat sprake is van strijd met het lex certa-beginsel.In dit geval was het voldoende duidelijk dat 3-MMC onder het begrip “daarop gelijkende waar” valt. Uit de strekking van artikel 2:74 van de Apv en de onder 4.2 aangehaalde jurisprudentie volgt dat deze bepaling gericht is op het tegengaan van overlast door dealgedrag. Daarmee is duidelijk dat “daarop gelijkende waar” betrekking heeft op middelen die weliswaar (nog) niet zijn opgenomen op lijst I of II van de Opiumwet, maar hiermee qua aard en gebruik vergelijkbaar zijn. Daarbij moet op voorhand voor een betrokkene wel voldoende duidelijk zijn dat een middel onder die reikwijdte valt. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van. Ten tijde van de constatering was het een feit van algemene bekendheid dat 3-MMC werd verhandeld en gebruikt als partydrug. Bovendien was op dat moment al bekend dat deze stof later dat jaar zou worden opgenomen op lijst II van de Opiumwet.\n\nIs er sprake van een overtreding?4.4.. \n\nEiser betwist de weergave van de feiten zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage alleen voor zover hieruit zou blijken dat hij als bijrijder van de auto 3-MMC aan een andere persoon heeft overhandigd. Voor het overige is eiser van mening dat uit die rapportage niet volgt dat hij een overtreding heeft begaan.\n\nDe bestuurlijke rapportage en de processen-verbaal waarop deze is gebaseerd, zijn op ambtsbelofte opgemaakte stukken. Volgens vaste jurisprudentiemag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n4.4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende naar voren gebracht om te twijfelen aan de door hem betwiste waarneming. Uit het proces-verbaal en de daarop gebaseerde bestuurlijke rapportage volgt dat opsporingsambtenaren zelf hebben waargenomen hoe eiser iets aan een betrokkene overhandigde. Deze betrokkene is direct na die waarneming gecontroleerd en verklaarde daarbij zojuist 3-MMC te hebben gekocht. Eiser heeft de betwisting van deze feiten onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat hij niet bij drugshandel betrokken is en alleen in de auto zat omdat hij samen met de bestuurder van de auto naar een restaurant zou gaan, acht de rechtbank hiervoor niet toereikend, helemaal nu eiser deze verklaring voor het eerst op de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de transactie met 3-MMC heeft plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat eiser zich op 30 juni 2021 heeft opgehouden met het kennelijke doel om 3-MMC aan te bieden of af te leveren. Dit levert een overtreding op van artikel 2:74 van de Apv.\n\n4.4.2.. Ook de feiten ten aanzien van de cocaïne die bij de bestuurder van de auto is aangetroffen leveren naar het oordeel van de rechtbank voor eiser een overtreding op. Daarbij volgt zij eiser niet in zijn stelling dat hij er geen weet van kon hebben dat de bestuurder verboden middelen in haar beha had verstopt. Zoals onder 3 uiteen is gezet, zijn behalve de wikkels cocaïne ook sealbags met 3-MMC aangetroffen in de beha van de bestuurder en kwamen de uiterlijke kenmerken van die sealbags overeen met de sealbag die bij de betrokkene is aangetroffen. Gelet hierop, en op het dealgedrag van eiser zoals besproken onder 4.4. en 4.4.1, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser niet van de aanwezigheid van de cocaïne op de hoogte was. In dit verband is ook relevant dat op 18 november 2019 een melding over eiser en de bestuurder is gedaan via Meld Misdaad Anoniem, waarin specifiek beschreven is dat zij eiser vergezelt en daarbij drugs “tussen haar borsten” bewaart. Op basis van het voorgaande is op zijn minst aannemelijk gemaakt dat eiser behulpzaam was aan het dealgedrag ten aanzien van cocaïne. Ook dit levert op zichzelf een overtreding op.\n\n4.5.. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht de burgemeester overgaan tot opleggen van de last onder dwangsom?\n\n5. Volgens eiser was er geen aanleiding om hem een last onder dwangsom op te leggen. De last ziet op het voorkomen van toekomstige overtredingen, terwijl er geen gevaar was dat de overtreding zich in de toekomst zou voordoen. Het opleggen van de last is bovendien geen evenredige reactie, nu eiser met zijn handelen de openbare orde niet heeft verstoord.\n\n5.1.. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Handhavend optreden kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.\n\n5.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser met zijn handelen de openbare orde niet heeft verstoord. Zoals de burgemeester terecht heeft aangevoerd, wijzen de straathandel die bij eiser is geconstateerd en de daarmee veroorzaakte “loop” er juist wel op dat verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden en is daarbij ook relevant dat de handelingen vlakbij een school plaatsvonden. Daarnaast wijst de burgemeester er terecht op dat de vele meldingen die de politie heeft ontvangen via Meld Misdaad Anoniem wijzen op maatschappelijke onrust. Dit levert dan ook geen aanleiding op voor de conclusie dat handhaving onevenredig zou zijn. Ook het betoog dat geen sprake zou zijn van een gegronde vrees voor herhaling, volgt de rechtbank niet. Alleen al vanwege het beperkte tijdsverloop sinds de geconstateerde overtreding bestond er voor de burgemeester geen aanleiding om te concluderen dat gevaar voor herhaling niet (langer) voor de hand lag.Ook de hierna te bespreken feiten die hebben geleid tot de invorderingsbesluiten ondersteunen het standpunt van eiser niet.\n\nIs de hoogte van de dwangsom(men) evenredig?\n\n6. Eiser voert aan dat de dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000 niet in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel. Hij wijst er in dat kader op dat één gram cocaïne een straatwaarde heeft van ongeveer € 50. De dwangsom die eiser kan verbeuren per geconstateerde overtreding is daarmee aanzienlijk hoger dan de omzet die een drugstransactie oplevert. Verder is eiser van mening dat de dwangsom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Aan de bestuurder van de auto, bij wie zelfs drugs op het lichaam zijn aangetroffen, is een last met een lagere dwangsom opgelegd.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht moeten de dwangsombedragen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft zich terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020op het standpunt gesteld dat een dwangsom van € 5.000 in dit geval in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel. De burgemeester heeft ook voldoende onderbouwd dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door aan de bestuurder een last met een lagere dwangsom op te leggen. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat een dwangsom van € 5.000 per geconstateerde overtreding het uitgangspunt is. Voor de bestuurder van de auto heeft de burgemeester in de bezwaarfase besloten om deze dwangsom naar beneden bij te stellen, omdat uit de hem toen bekende feiten is gebleken dat die bestuurder niet zelf in drugs handelde, maar deze enkel op haar lichaam bewaarde en daarmee slechts als medeplichtige kon worden beschouwd. De rechtbank benadrukt dat het beroep van eiser niet ziet op de last die aan de bestuurder is opgelegd, zodat de rechtmatigheid van dit (onherroepelijke) besluit als zodanig in deze zaak niet aan de orde is. In het kader van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel acht de rechtbank van belang dat de burgemeester in het geval van de bestuurder van de auto feiten en omstandigheden aanwezig achtte die aanleiding gaven voor een lagere dwangsom en dat zulke omstandigheden voor eiser niet aan de orde waren. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is daarom niet gebleken.\n\nHet invorderingsbesluit van 19 mei 2022\n\nVaststaande feiten\n\n7. Op 19 mei 2022 heeft de burgemeester besloten tot het invorderen van een verbeurde dwangsom van € 5.000 en de wettelijke rente. Volgens de burgemeester heeft eiser zich op 20 oktober 2021 begeven op een openbare plaats met het kennelijke doel om daar cocaïne af te leveren, dan wel aan te bieden. Aan dit besluit heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van de politieten grondslag waaruit naar voren komt dat eiser op die dag op het parkeerterrein aan [het adres D] in [plaats B] geparkeerd stond. Daarbij is door de politie gezien dat een persoon bij hem in de auto stapte en enkele minuten later de auto weer verliet. De politie heeft de persoon daarna aangesproken, waarna deze verklaarde voor € 50 3-MMC van eiser te hebben gekocht. Hij verklaarde al drie jaar bij eiser drugs af te nemen. De afspraken verliepen via Whatsapp. De politie heeft de telefoon van de persoon ingezien. Hieruit was op te maken dat hij in oktober van 2021 vijf eerdere afspraken met eiser had gemaakt voor het kopen van drugs.\n\n7.1.. De politie heeft eiser vervolgens diezelfde dag aangehouden op verdenking van het dealen van harddrugs. Bij zijn aanhouding zijn drie wikkels en acht gripzakjes met wit poeder aangetroffen en € 205 aan contant geld. De gripzakjes zagen er hetzelfde uit als het gripzakje dat bij de ondervraagde persoon is aangetroffen. De middelen zijn onderzocht door de Forensische Opsporing. De wikkels zijn positief getest op cocaïne. Voor de overige middelen bleek uit de test dat hiervoor geen duidelijke indicatie gegeven kon worden. Dat gold ook voor het poeder dat bij de ondervraagde persoon is aangetroffen.\n\nHeeft eiser op 20 oktober 2021 een dwangsom verbeurd?\n\n8. Eiser betoogt dat niet is vast komen te staan dat hij de dwangsom heeft verbeurd. De bestuurlijke rapportage spreekt slechts over handel in 3-MMC. Dit was ten tijde van de constatering niet verboden. Er is weliswaar cocaïne bij eiser aangetroffen, maar dit betrof een hoeveelheid voor eigen gebruik. Er zijn geen omstandigheden die erop wijzen dat in cocaïne is gehandeld. Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor het aanwezig hebben van de cocaïne, maar niet voor dealen.\n\n8.1.. Volgens vaste jurisprudentiedient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten ten grondslag te liggen. Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De bevindingen moeten op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurlijke rapportage die ten grondslag ligt aan de invorderingsbeschikking aan deze eisen voldoet.\n\n8.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de rapportage dat eiser de aan hem opgelegde last heeft overtreden. Uit de bevindingen die vermeld staan in het rapport en die eiser op zichzelf niet betwist, volgt dat eiser op een openbare plaats aan een andere persoon 3-MMC heeft verkocht. Eisers stelling dat hieraan geen betekenis toekomt, omdat 3-MMC op dat moment nog geen verboden stof was, treft geen doel, gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.3.1 is overwogen. In dit licht acht de rechtbank aannemelijk dat ook de bij eiser aangetroffen cocaïne voorhanden was met het kennelijke doel om dit af te leveren of aan te bieden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er 1,37 gram aan cocaïne bij eiser is aangetroffen. Volgens vaste jurisprudentiewordt als uitgangspunt gehanteerd dat bij een hoeveelheid harddrugs van meer dan 0,5 gram wordt uitgegaan van een handelshoeveelheid. Dit is anders als sprake is van een geringe overschrijding en de betrokkene een helder en consistent betoog heeft dat dit eigen gebruik aannemelijk maakt en er niet gebleken is van andere relevante feiten of omstandigheden. Deze rechtspraak ziet weliswaar op de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet, maar de rechtbank acht de uitgangspunten hiervan ook in deze context relevant. De rechtbank acht het betoog van eiser, dat hij vanwege zijn grote postuur een grotere hoeveelheid drugs tot zich moet nemen voor eigen gebruik, niet aannemelijk. Dit betoog wordt ook niet ondersteund door de omstandigheid dat de drugs in drie afzonderlijke wikkels zijn aangetroffen. Daarbij is het eerder genoemde dealgedrag van eiser ten aanzien van 3-MMC een verdere indicatie dat ook de cocaïne voorhanden was om te worden verkocht. Daarmee is eisers stelling dat de bij hem aangetroffen cocaïne bestemd was voor eigen gebruik dan ook niet aannemelijk.\n\n8.2.1.. De omstandigheid dat eiser niet veroordeeld is voor het dealen van verdovende middelen kan, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, aan het voorgaande niet afdoen.\n\n8.3.. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester terecht geconcludeerd dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat eiser de last heeft overtreden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHet invorderingsbesluit van 23 mei 2023\n\nVaststaande feiten\n\n9. Op 23 mei 2023 nam de burgemeester een besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 15.000, omdat uit de bestuurlijke rapportage van de politievolgde dat eiser op 7 juli 2022 driemaal de opgelegde last niet is nagekomen. Het gaat om de volgende drie momenten die in de rapportage zijn genoemd:\n\nOmstreeks 18:10 uur is tussen eiser en een andere persoon een transactie waargenomen op het parkeerterrein aan [het adres E] in [plaats B] . De politie heeft deze persoon bevraagd. Hij verklaarde daarbij 40 roze XTC pillen met de opdruk van een schedeltje te hebben gekocht van een gespierde man met tatoeages in een Volkswagen Golf;\n\nOmstreeks 18:20 uur hebben verbalisanten een tweede transactie waargenomen op de parkeerplaats aan [het adres F] in [plaats B] . De afnemer heeft aan de politie verklaard in totaal 20 XTC pillen en 5 gram miauw miauw (een andere benaming voor 3-MMC) te hebben gekocht van een kale man met een zonnebril in een zwarte Volkswagen Golf.\n\nOm 19:50 uur hebben verbalisanten een derde transactie waargenomen, die ook plaatsvond op de parkeerplaats aan [het adres F] in [plaats B] . De afnemer heeft later aan de politie verklaard 5 gram 3-MMC te hebben gekocht van een grote en gespierde man met een zonnebankgebruinde huid.\n\n9.1. Eiser is diezelfde dag aangehouden in de buurt van zijn woning, nadat hij omstreeks 19:58 uur zijn auto op de stoep voor zijn flat had geparkeerd. Bij de aanhouding zijn in het gras, nabij de woning, de volgende spullen aangetroffen:\n\n54 rode XTC pillen;\n\n19 wikkels cocaïne;\n\n7 gripzakjes ketamine;\n\n29 gripzakjes wit poeder (vermoedelijk 3-MMC);\n\n770 aan contant geld.\n\nHeeft eiser de dwangsommen verbeurd?\n\n10. Eiser betwist dat uit de rapportage volgt dat hij op 7 juli 2022 dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij wijst eiser er in het bijzonder op dat het signalement dat door de tweede afnemer is gegeven niet op hem betrekking heeft. Eiser is namelijk niet kaal en hij reed niet in een zwarte auto. Ook wijst hij erop dat de aangetroffen drugs in het gras zijn gevonden en niet op zijn lichaam of in zijn auto. Subsidiair betoogt eiser dat zelfs in het geval er sprake zou zijn van strijd met de opgelegde last, er hooguit sprake is van één overtreding.\n\n10.1.. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er drie dwangsommen zijn verbeurd. Voor het toetsingskader verwijst zij naar hetgeen zij heeft overwogen onder 8.1. De rechtbank komt ook in dit geval tot het oordeel dat de rapportage voldoet aan de gestelde vereisten. Uit de rapportage komt naar voren dat opsporingsambtenaren drie verschillende transacties hebben waargenomen tussen eiser en drie andere personen. Deze personen hebben alle drie, onafhankelijk van elkaar, verklaard dat zij verdovende middelen hebben gekocht en hebben daarbij kenmerken genoemd die te herleiden zijn tot eiser. Twee van de afnemers hebben bovendien inzage gegeven in het telefoonnummer van hun dealer. Dit betrof één van de telefoonnummers van eiser. Dat het signalement dat door een van de afnemers is gegeven niet volledig aansluit op het profiel van eiser doet hier, gelet op de overige bevindingen, niet aan af. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat diezelfde afnemer verklaard heeft dat zijn dealer in zijn telefoon stond opgeslagen als ‘ [G] ’ of ‘ [H] ’, zodat onmiskenbaar is dat deze afnemer eiser bedoelde.\n\n10.1.1.. Dat de drugs niet op het lichaam van eiser maar in het gras nabij zijn woning zijn aangetroffen, betekent niet dat aan deze vondst geen betekenis toekomt. Uit de rapportage volgt dat deze drugs zijn aangetroffen vlak nadat eiser uit zijn auto was gestapt en naar de berging onder zijn flat rende. De omschrijving van de XTC-tabletten, rood\u002Froze met de opdruk van een doodshoofd, komt overeen met de tabletten die bij één van de afnemers zijn aangetroffen. Daarmee vormt de vondst een verdere onderbouwing van de overtreding van de last.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat eiser op 7 juli 2022 drie keer de opgelegde last heeft overtreden. Zij volgt eiser niet in het betoog dat er ten hoogste één dwangsom mocht worden ingevorderd. Zoals de burgemeester terecht heeft aangevoerd, volgt uit de last dat eiser een dwangsom verbeurt per geconstateerde overtreding en is daaraan geen maximum per dag gekoppeld. De gedragingen van eiser gelden niet als één doorlopende overtreding, maar als drie afzonderlijke overtredingen. Daarbij is van belang dat tussen de eerste en de tweede overtreding een tijdsverloop zat van circa tien minuten en dat deze zich afspeelden op verschillende plaatsen. De derde overtreding vond weliswaar, net als de tweede, plaats op de parkeerplaats aan [het adres D] in [plaats B] , maar tussen de transacties zat een tijdsverloop van ongeveer anderhalf uur. Bovendien blijkt uit de rapportage dat eiser het parkeerterrein in de tussentijd had verlaten.\n\n10.3.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWas er aanleiding voor de burgemeester om af te zien van invordering?\n\n11. Eiser betoogt dat de burgemeester niet tot (volledige) invordering van de dwangsommen mocht overgaan, gelet op zijn financiële omstandigheden.\n\n11.1.. Volgens vaste jurisprudentiemoet bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag van een last onder dwangsom. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als de overtreder evident niet in staat zal zijn om de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet dit aannemelijk maken. Hij moet daarvoor een betrouwbaar en volledig inzicht bieden in zijn financiële situatie.\n\n11.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het evident is dat hij de verbeurde dwangsommen (ook in de toekomst) niet kan betalen. Uit de gedingstukken blijkt dat de burgemeester aan eiser ruime gelegenheid heeft geboden om zijn financiële situatie met stukken te onderbouwen, maar dat eiser hiervan geen volledig overzicht heeft overgelegd. Alleen al om die reden kan zijn draagkracht geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan de burgemeester van invordering had moeten afzien.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Mol, rechter, in aanwezigheid van M. Gasseling, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit volgt uit artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, basisteam Achterhoek-West, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 5 juli 2021.\n\n Zie ter vergelijking ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1361, r.o. 2.2.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:109; ABRvS 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3077.\n\n Zie ter vergelijking ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1422.\n\n Blokhuis verbiedt designerdrug 3-MMC onder Opiumwet | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3731.\n\n Vergelijk ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.\n\n ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 26 oktober 2021.\n\n Zie ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS;2017:1179.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1276.\n\n Bestuurlijke rapportage van Politie Eenheid Oost-Nederland, Flexteam Noord- en Oost-Gelderland, van 11 juli 2021.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1828.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:3472","2026-07-13T00:28:34.779Z",20]