[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-employment-contract-termination-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":53,"total":16,"page":25,"limit":87},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-06-16T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,47,50],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123017","Burgerlijk Wetboek","art. 7:669 lid 3",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123019","art. 7:699 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123151","art. 7:677 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123152","art. 7:683 lid 6",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"123153","art. 7:683",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"123154","art. 7:683 lid 3",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"123155","art. 7:683 lid 5",{"provisionId":45,"code":23,"article":46,"count":25},"123156","art. 7:627",{"provisionId":48,"code":23,"article":49,"count":25},"123157","art. 7:628 lid 1",{"provisionId":51,"code":23,"article":52,"count":25},"123212","art. 7:611",[54,64,72,80],{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":63},"1659","ECLI:NL:GHARL:2026:3978","ecli-nl-gharl-2026-3978","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.353.131\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , 581737\n\narrest van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de bestuurder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. M.P.C. de Kramer\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. M. Hurks\n\n(hierna: [geïntimeerde] )\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [de bestuurder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , op 26 februari 2025tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\neen akte houdende producties van [de bestuurder]\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 maart 2026 is gehouden. [de bestuurder] heeft nog op dat verslag gereageerd; die reactie is aan het proces-verbaal gehecht.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [de bestuurder] was (statutair) bestuurder en indirect aandeelhouder in de structuurvennootschap [geïntimeerde] . [de bestuurder] ’ management-BV [de management-BV] B.V. (hierna: [de management-BV] ) had een overeenkomst van opdracht met [geïntimeerde] waarbij ook [de bestuurder] als “ingezette persoon” partij was. [de bestuurder] verrichtte werkzaamheden voor [geïntimeerde] en haar rechtsvoorgangers, eerst als gerechtsdeurwaarder en nadien in managementfuncties, uiteindelijk als bestuurder. Hij is op 8 februari 2024 door de raad van commissarissen ontslagen als bestuurder. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] en [de management-BV] op 2 juli 2024 opgezegd met een opzegtermijn van een jaar; de overeenkomst is op 2 juli 2025 geëindigd.\n\n2.2.. \n [de bestuurder] heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslagbesluit nietig is, althans vernietiging daarvan gevorderd, op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk 2:15 BW. Hij wil, kort gezegd, zijn bestuurderschap weer uitoefenen, ingeschreven worden in het Handelsregister, toegang tot de gebouwen en digitale omgeving van [geïntimeerde] en een rectificatie. Verder heeft [de bestuurder] een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is.\n\n2.3.. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Het besluit van de raad van commissarissen is niet nietig of vernietigbaar; de commissarissen hadden geen tegenstrijdig belang, de raadgevende stem en het hoorrecht van [de bestuurder] zijn niet geschonden en het adviesrecht van de ondernemingsraad evenmin. Ook (anderszins) is het besluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. De rechtbank heeft de onderlinge rechten en verplichtingen van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] vastgesteld en overwogen dat sommige aspecten van de rechtsverhouding weliswaar duiden op een arbeidsovereenkomst maar dat de rechtsverhouding toch overwegend als een overeenkomst van opdracht valt aan te merken. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen. De aan het slot van [geïntimeerde] ’s memorie van antwoord opgenomen “grief I”, is, zoals bij de mondelinge behandeling in hoger beroep besproken, niet op te vatten als een grief in een incidenteel hoger beroep; de daar opgenomen verweren van [geïntimeerde] komen vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde als een grief van [de bestuurder] zou slagen.\n\n2.4.. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het ontslagbesluit is niet nietig of vernietigbaar. De rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] was geen arbeidsovereenkomst. Het hof licht dit oordeel hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nFeiten en achtergronden\n\n3.1.. De rechtbank heeft de feiten beknopt vastgesteld in rov. 3.1-3.3 van het vonnis. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, aangevuld met wat verder is vast komen te staan. Kort gezegd komt een en ander op het volgende neer.\n\n3.2.. \n [geïntimeerde] drijft een incasso- en gerechtsdeurwaarderskantoor. In de huidige structuur, die sinds 2019 bestaat, worden de aandelen in [geïntimeerde] gehouden door [naam1] U.A. (hierna: [naam1] ) en door [naam2] B.V. (hierna: [naam2] ). [naam1] houdt de stemgerechtigde aandelen en [naam2] houdt stemrechtloze (maar nog gedurende 7 jaar na de herstructurering van 2019 winstgerechtigde) aandelen.\n\n3.3.. De leden van [naam1] (begin 2024 17 in getal) zijn de management-B.V.’s van personen die in de onderneming van [geïntimeerde] werken, bijvoorbeeld als gerechtsdeurwaarder of in een management- of bestuursfunctie. De certificaten van aandelen in [naam2] worden gehouden door de oprichters van [geïntimeerde] (dan wel hun management-B.V.’s). Een deel van de oprichters is nog steeds werkzaam voor [geïntimeerde] . Zij zijn (via hun management-B.V.) ook lid van [naam1] . De personen achter de leden van [naam1] en de certificaathouders van [naam2] zijn de uiteindelijk belanghebbenden (feitelijk: eigenaren) van [geïntimeerde] .\n\n3.4.. \n [de bestuurder] is sinds 1994 werkzaam voor (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] . Hij was sinds 2002 indirect mede-eigenaar van een rechtsvoorganger, en is sinds de fusie van verschillende rechtsvoorgangers in 2009 een van de (indirecte) participanten in (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] . Sinds de oprichting van [naam1] in 2019 participeert hij (indirect, via [de management-BV] ) in [geïntimeerde] , zowel via het lidmaatschap van [naam1] als via certificaten van aandelen in [naam2] . [de management-BV] is lid van [naam1] .\n\n3.5.. \n\nDe ledenovereenkomst van [naam1] , waarbij zowel de leden als hun “ingezette personen” partij zijn (onder wie [de management-BV] respectievelijk [de bestuurder] , zie hierna), bepaalt onder meer het volgende:\n\n“Artikel 1. Begripsomschrijvingen1.1.. \n\nIn deze Ledenovereenkomst wordt verstaan onder:\n\n(…)\n\n- Ingezette Persoon: de natuurlijke persoon die door het Lid ter beschikking wordt gesteld aan [ [geïntimeerde] ] voor het feitelijk uitvoeren van werkzaamheden, een en ander op grond van de tussen het Lid en [ [geïntimeerde] ] gesloten Overeenkomst van Opdracht;\n\n(…)\n\n- Overeenkomst van Opdracht: de overeenkomst van opdracht tussen een Lid als opdrachtnemer, een Ingezette Persoon en [ [geïntimeerde] ] als opdrachtgever, ter uitvoering van de Opdracht (zoals gedefinieerd in de overeenkomst van opdracht), tezamen met het Reglement (zoals gedefinieerd in de overeenkomst van opdracht), waaronder begrepen alle wijzigingen van, en aanvullingen op de overeenkomst van opdracht en het Reglement, in hoofdlijnen in de vorm zoals aangehecht als Bijlage A;\n\n(…)\n\nArtikel 2. Toepasselijkheid Ledenovereenkomst. Vaststelling en wijziging van Toetredingsovereenkomst en Overeenkomst van Opdracht2.1.. De Ledenovereenkomst is van toepassing op de verhouding tussen de volgende (rechts)personen: [ [geïntimeerde] ], de Coöperatie, een Lid en\u002Fof een Ingezette Persoon.2.2.. \n\nBij deze Ledenovereenkomst behoort het model voor de met de Leden en Ingezette Personen af te sluiten Overeenkomst van Opdracht en het model voor de met nieuwe Leden en een Toetreder af te sluiten Toetredingsovereenkomst. (…)\n\nInbreng en financieringArtikel 5.5.1.. Ingevolge een door [ [geïntimeerde] ] met ieder Lid gesloten Overeenkomst van Opdracht brengt ieder Lid in [ [geïntimeerde] ] onder meer zijn arbeid en vlijt in en staat ieder Lid er tegenover [ [geïntimeerde] ]C voor in dat zijn Ingezette Persoon onder meer zijn arbeid en vlijt ter beschikking van [ [geïntimeerde] ] stelt.5.2.. Uiterlijk ten tijde van de ondertekening van deze Ledenovereenkomst, dan wel ondertekening van de Toetredingsovereenkomst, betaalt ieder Lid de Ledenbijdrage. De Ledenrekening van het Lid zal worden gecrediteerd met het bedrag van de Ledenbijdrage.5.3.. Het Lid is op grond van het bepaalde in de Overeenkomst van Opdracht gerechtigd tot een vergoeding van [ [geïntimeerde] ].5.4.. Bij de toetreding van het Lid als lid van de Coöperatie dient het Lid een Ledenbijdrage, vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de Statuten, te voldoen ten bedrage van €25.000 (zegge: vijfentwintig duizend euro. (…)5.6.. Bij besluit van de AV genomen met een meerderheid van vijfenzeventig procent (75%) van de uitgebrachte stemmen, op voorstel van het Bestuur, kunnen, wanneer de solvabiliteit van [ [geïntimeerde] ] versterkt moet worden, aan de leden van Coöperatie verplichtingen worden opgelegd tot storting van een aanvullende Ledenbijdrage of het ter beschikking stellen van een (aanvullende) lening. (…)5.7.. De Coöperatie zal de door het Lid betaalde Ledenbijdrage aanwenden voor het doen versterken van het vermogen van [ [geïntimeerde] ].5.8.. \n\nOp verzoek van [ [geïntimeerde] ] kan de vergoeding, waartoe het Lid gerechtigd is op grond van artikel 5.3, geheel of gedeeltelijk worden verrekend met de (aanvullende) Ledenbijdrage (of een deel daarvan) dan wel met de pro rata gerechtigdheid van het Lid terzake van de uitkeringen door [ [geïntimeerde] ] aan de Coöperatie op de door de Coöperatie gehouden aandelen in [ [geïntimeerde] ]. (…)\n\nBatig saldo. Uitkeringen\n\nArtikel 7. 7.1. De AV beslist welke bestemming aan het batig saldo, blijkende uit de vastgestelde jaarrekening, wordt gegeven.7.2.. Indien door de AV wordt besloten tot uitkering zal het aan ieder Lid uit te keren bedrag worden berekend pro rata de Ledenbijdrage als bedoeld in artikel 5.4 (…).7.3.. Indien het Lid respectievelijk zijn Ingezette Persoon in gebreke is met de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze Ledenovereenkomst - de Overeenkomst van Opdracht daaronder mede begrepen - dan is [het bestuur van [naam1] ] bevoegd, onverminderd het recht van [ [geïntimeerde] ] om de schade welke [ [geïntimeerde] ] als gevolg van de tekortkoming lijdt op het betreffende Lid te verhalen, om te besluiten dat de betaling van opbrengsten aan een Lid, zal worden opgeschort, een en ander voor zover de maatregel in verhouding staat tot het verzuim. (…)”\n\n3.6.. \n\nTussen de management-B.V.’s en [geïntimeerde] zijn overeenkomsten van opdracht gesloten. Bij die overeenkomsten van opdracht zijn ook de personen achter de management-B.V.’s, die in de onderneming van [geïntimeerde] werken, partij als “ingezette persoon”, zoals ook volgt uit artikel 2.2 van de ledenovereenkomst. De overeenkomst van opdracht tussen [geïntimeerde] , [de management-BV] (als “Opdrachtnemer”) en [de bestuurder] (als “Ingezette persoon”), ondertekend op 16 mei 2019, houdt onder meer het volgende in:\n\n“OVERWEGINGEN:\n\nA. [ [geïntimeerde] ] exploiteert sinds haar oprichting op 27 maart 2009 een onderneming op het gebied van full service creditmanagement (\"Onderneming\").\n\nB. [ [geïntimeerde] ] heeft bepaalde taken opgedragen aan diverse rechtspersonen, waaronder aan Opdrachtnemer. Deze door Opdrachtgever aan Opdrachtnemer verleende opdracht heeft Opdrachtnemer aanvaard onder de voorwaarden opgenomen in de overeenkomst van opdracht van 27 maart 2009 (inclusief eventuele wijzigingen daarop) (\"Oude OvO\").\n\nC. Op 15 mei 2019 is Opdrachtnemer lid geworden van [ [naam1] ] (…), en op 16 mei 2019 is de Coöperatie alle A-aandelen in het geplaatste kapitaal van [ [geïntimeerde] ] gaan houden (\"Herstructurering\").\n\nD. Partijen hebben afspraken gemaakt om de Oude OvO in lijn te brengen met het onder C. beschreven lidmaatschap. Partijen willen die afspraken vastleggen in dit document (\"OvO\") en de daarbij behorende bijlagen. Hierbij is het nog steeds de nadrukkelijke bedoeling van Partijen dat de OvO niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd of een daarmee op één lijn te stellen arbeidsverhouding.\n\n(…)\n\n1. OPDRACHT, FUNCTIE EN WERKZAAMHEDEN1.1. [. \n [geïntimeerde] ] heeft op 27 maart 2009 aan Opdrachtnemer de opdracht gegeven om haar als branchemanager (\"Functie\") te ondersteunen (\"Opdracht\"). Opdrachtnemer heeft op 27 maart 2009 die Opdracht aanvaard.1.2.. De door Opdrachtnemer ter uitvoering van de Opdracht te verrichten werkzaamheden zullen worden opgenomen in de later aan deze OvO te hechten bijlage 1 (\"Werkzaamheden\").1.3.. \n\nDe Omvang van de Opdracht (zoals gedefinieerd in het Reglement) is 100%.\n\n2. TERBESCHIKKINGSTELLING INGEZETTE PERSOON2.1.. \n\nVoor de feitelijke uitvoering van de Werkzaamheden heeft Opdrachtnemer sinds 27 maart 2009 haar statutair directeur, de Ingezette Persoon, aan [ [geïntimeerde] ] ter beschikking gesteld. [ [geïntimeerde] ] heeft deze terbeschikkingstelling aanvaard.\n\n3. VERGOEDING3.1.. Als beloning voor de Werkzaamheden is [ [geïntimeerde] ] aan Opdrachtnemer een vergoeding verschuldigd (\"Vergoeding\").3.2.. De Vergoeding bedraagt sinds 1 mei 2019 exclusief btw op (kalender)maandbasis €13.940,67 (zegge: dertienduizend negenhonderd veertig euro zevenenzestig eurocent). (…)\n\n6. REGLEMENT EN OVERIGE BIJLAGEN\n\n6. 1. Door ondertekening van deze OvO verklaren Opdrachtnemer en de Ingezette Persoon\n\n( i) bekend te zijn met de Inhoud van het in bijlage 2 opgenomen reglement (\"Reglement\") en (ii) daaraan onbeperkt gebonden te zijn.”\n\nDe overeenkomst van opdracht bevat voorts een meldplicht voor al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden, een non-concurrentiebeding, een relatiebeding en een non-wervingsbeding.\n\n3.7.. \n\nAls bijlage bij de overeenkomst van opdracht is een reglement gevoegd. Daarin is onder meer het volgende bepaald:\n\n“2.2 [ [geïntimeerde] ] kan het Reglement altijd aanvullen en\u002Fof wijzigen, na voorafgaande goedkeuring van de vergadering van houders van A-aandelen van [ [geïntimeerde] ] (die wordt gevormd door de Coöperatie), welk goedkeuringsbesluit voorafgaande goedkeuring behoeft van de AV op de wijze als bepaald in artikel 22 van de Statuten Coöperatie. Een dergelijke wijziging, mits geldig tot stand gekomen, bindt alle Partijen bij een OvO zonder dat daartoe verdere toestemmingen of formaliteiten zijn vereist. (…) 3. GOED OPDRACHTNEMERSCHAP3.1. Opdrachtnemer zal de Opdracht uitvoeren c.q. door de Ingezette Persoon doen uitvoeren, overeenkomstig de eisen die met name ten aanzien van arbeid, vlijt, omvang, kwaliteit en betrouwbaarheid aan een goed opdrachtnemer worden gesteld, daarbij - mede tegen de achtergrond van artikel 4.3 - de Statuten [ [geïntimeerde] ] en de Statuten Coöperatie en de Ledenovereenkomst naleven c.q. doen naleven en de belangen van [ [geïntimeerde] ] en de Coöperatie in de meest ruime zijn van het woord in acht nemen c.q. doen nemen. 4. INGEZETTE PERSOON4.1. Opdrachtnemer en [ [geïntimeerde] ] hebben afgesproken, en Opdrachtnemer is daartoe aldus verplicht, de Ingezette Persoon ter beschikking te stellen aan [ [geïntimeerde] ] ter feitelijke uitvoering van de Werkzaamheden. Dit brengt met zich dat het verrichten van de werkzaamheden door de Ingezette Persoon uitsluitend binnen de organisatie van [ [geïntimeerde] ] plaatsvindt, en voor zover mogelijk ook in naam van [ [geïntimeerde] ], met volledige inzet van de arbeid, kennis en vlijt van de Ingezette Persoon en inbreng van zijn zakelijke relaties.4.2. \n\nOpdrachtnemer mag alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van [ [geïntimeerde] ] een andere persoon dan de Ingezette Persoon (mede) ter beschikking stellen aan [ [geïntimeerde] ] als Ingezette Persoon. (…) 5. VERGOEDING EN FACTURATIE(…) 5.4 Bij ziekte of arbeidsongeschiktheid van de Ingezette Persoon is de op dat moment geldende Vergoeding alleen verschuldigd tot en met de 12e kalendermaand na de maand waarin de ziekte of arbeidsongeschiktheid is begonnen. Van ziekte of arbeidsongeschiktheid is sprake als de Ingezette Persoon voor minder dan 100% arbeidsgeschikt wordt geacht door een arts die deskundig is op het gebied van arbeidsongeschiktheidsvraagstukken, aan te wijzen door de arbodienst van [ [geïntimeerde] ] of door [ [geïntimeerde] ] zelf. Perioden van ziekte of arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen met tussenposen van niet meer dan 4 weken worden geacht één periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid te zijn. 5.5 Bij overlijden van de Ingezette Persoon is [ [geïntimeerde] ] een vergoeding aan Opdrachtnemer\n\nverschuldigd gelijk aan 1\u002F6e deel van de in het jaar van overlijden verschuldigde Vergoeding. [ [geïntimeerde] ] zal dit bedrag, vermeerderd met btw, aan Opdrachtnemer voldoen binnen 1 maand nadat zij door Opdrachtnemer schriftelijk op de hoogte is gebracht van het overlijden van de Ingezette Persoon.5.6. De Ingezette Persoon heeft geen enkele aanspraak jegens [ [geïntimeerde] ] op een beloning in welke vorm dan ook voor de Werkzaamheden die door hem ter uitvoering van de Opdracht zijn verricht. (…) 7. FISCALITEITEN EN VRIJWARING(…)7.2. Alle betalingen door [ [geïntimeerde] ] aan Opdrachtnemer zijn “bruto\" betalingen, waarbij Partijen ervan uitgaan dat alle verschuldigde belastingen en sociale verzekeringspremies voor rekening en risico van Opdrachtnemer komen.”\n\n3.8.. Voorafgaand aan de herstructurering van 2019 hadden [de management-BV] en [de bestuurder] een overeenkomst van opdracht met [naam2] (destijds genaamd [naam3] N.V.).\n\n3.9.. \n [de bestuurder] is vanaf 1 september 2019 werkzaam als Directeur Operatie en Sales\u002FORB en per 1 februari 2022 benoemd tot (statutair) bestuurder van [geïntimeerde] . De resultaten van [geïntimeerde] stonden onder druk en het lukte onvoldoende om het tij te keren, wat de raad van commissarissen (ook) weet aan [de bestuurder] . Bij brief van 19 december 2023 heeft de raad van commissarissen hem uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: algemene vergadering) en een vergadering van de raad van commissarissen, beide op 8 februari 2024 te houden, waar een voorgenomen besluit tot ontslag van [de bestuurder] als bestuurder op de agenda stond (net als het voorgenomen ontslag van [de collega-bestuurder] ). Daarbij is aan [de bestuurder] voorgesteld in overleg een oplossing te vinden waardoor de vergaderingen achterwege konden blijven. Die oplossing is er niet gekomen. Op 29 januari 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van [de bestuurder] de redenen voor het voorgenomen ontslag uiteen gezet.\n\n3.10.. De ondernemingsraad van [geïntimeerde] is op 30 januari 2024 om advies gevraagd en heeft diezelfde dag, na de bespreking ervan in een overlegvergadering, een positief advies uitgebracht met betrekking tot het voorgenomen besluit tot ontslag van [de bestuurder] als bestuurder.\n\n3.11.. \n\nOp 1 februari 2024 heeft een ledenvergadering van [naam1] plaatsgevonden. In die vergadering is ook het voorgenomen ontslag van [de bestuurder] (die aanwezig was bij de vergadering) besproken. Ook is over (het functioneren van) de raad van commissarissen gesproken. Daarover is in de notulen het volgende opgenomen:\n\n“(…) vraagt of er draagvlak is voor een onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van de RvC. Een rondje langs de leden leert dat 5 leden voor een onderzoek zijn, 8 zijn tegen een onderzoek, er is één onthouding en 2 leden vinden dat er eerst een gesprek moet plaatsvinden met de RvC alvorens een onderzoek wordt gedaan.”\n\n3.12.. In de algemene vergadering van 8 februari 2024 (van bijna een uur en drie kwartier) hebben aandeelhouders [naam2] en [naam1] het woord gevoerd over het voorgenomen ontslag en hebben [de bestuurder] en zijn advocaat het standpunt van [de bestuurder] toegelicht, alles in aanwezigheid van de commissarissen. In de nagenoeg aansluitende vergadering van de raad van commissarissen (van zeven minuten), waarbij [de bestuurder] aanwezig was, heeft de raad van commissarissen besloten tot zijn ontslag als bestuurder.\n\n3.13.. Bij brief van 2 juli 2024 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst van opdracht met [de management-BV] en [de bestuurder] opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar, dus tegen 2 juli 2025.\n\nGeldigheid van het ontslagbesluit\n\n3.14.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat het besluit van de raad van commissarissen waarbij hij is ontslagen als bestuurder nietig dan wel vernietigbaar is in verband met het bepaalde in artikel 2:14 en 2:15 BW. Hij heeft aangevoerd dat (i) de raad van commissarissen een tegenstrijdig belang had bij het besluit; (ii) de regels omtrent zijn raadgevende stem als bestuurder en zijn hoorrecht als bestuurder niet zijn nageleefd; (iii) het besluit (ook anderszins) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW; (iv) het besluit in strijd is met het belang van de onderneming; en (v) de ondernemingsraad niet tijdig (toen het advies nog van invloed kon zijn) om advies is gevraagd.\n\nJuridisch kader\n\n3.15.. Bij een structuurvennootschap als [geïntimeerde] worden de bestuurders benoemd door de raad van commissarissen, op grond van artikel 2:272 BW. De raad van commissarissen kan de bestuurders ook ontslaan, op grond van artikel 2:244 BW, maar, gelet op artikel 2:272 BW, niet dan nadat de algemene vergadering over het voorgenomen ontslag is gehoord. Dit volgt ook uit de artikelen 15.1 en 15.2 van de statuten van [geïntimeerde] .\n\n3.16.. De commissarissen van [geïntimeerde] worden op grond van artikel 2:268 BW (en artikel 22.1 van de statuten) benoemd door de algemene vergadering. De algemene vergadering kan het vertrouwen in de raad van commissarissen opzeggen, wat het ontslag van de commissarissen tot gevolg heeft, artikel 2:271a lid 1 en 3 BW en artikel 24.1 en 24.3 van de statuten van [geïntimeerde] .\n\n3.17.. Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Vernietiging kan onder meer worden gevorderd door iemand met een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.\n\n3.18.. Artikel 2:250 lid 2 BW bepaalt dat de commissarissen van een besloten vennootschap zich bij hun taakvervulling moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat een commissaris niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming als hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap Als de raad van commissarissen daardoor geen besluit kan nemen, moet dat genomen worden door de algemene vergadering. De statuten van [geïntimeerde] bevatten in artikel 26.6, voor zover hier relevant, eenzelfde regeling. Schending van de regels inzake tegenstrijdig belang leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a.\n\n3.19.. Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering. Dat geldt ook indien het ontslag van de bestuurder op de agenda staat en ook in een algemene vergadering waar het gaat over een voorgenomen ontslag waarover de raad van commissarissen bevoegd is te besluiten (na het horen van de algemene vergadering). Indien de bestuurder niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn raadgevende stem uit te oefenen, is het besluit vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Uit de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW vloeit voort dat een bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen tegen zijn voorgenomen ontslag, tegenover het tot ontslag bevoegde orgaan. Dit wordt wel aangeduid als het hoorrecht. Schending van het hoorrecht leidt tot vernietigbaarheid van het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.\n\n3.20.. Artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) bepaalt dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over een voorgenomen besluit tot ontslag van een bestuurder, op zo’n moment dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.\n\nTegenstrijdig belang van de commissarissen?\n\n3.21.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat alle commissarissen een tegenstrijdig belang hadden bij het besluit hem te ontslaan als bestuurder van [geïntimeerde] . Daarom was het niet aan de raad van commissarissen om hem te ontslaan, maar op grond van artikel 2:250 lid 5 aan de algemene vergadering. Omdat het besluit door het verkeerde orgaan is genomen is dat nietig op grond van artikel 2:14 BW althans vernietigbaar vanwege een totstandkomingsgebrek als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Het tegenstrijdig belang van de commissarissen was volgens [de bestuurder] gelegen in het streven hun positie te behouden, in een situatie waarin die positie onder druk stond, ook ter voorkoming van gezichtsverlies. [de bestuurder] heeft aangevoerd dat een onderzoek naar de raad van commissarissen dreigde, dat de leden van [naam1] zich gesteld zagen voor de keuze “of de RvC eruit, of [de bestuurder] eruit”, en de commissarissen vreesden te worden weggestuurd door het opzeggen van vertrouwen door de aandeelhoudersvergadering. Bij wijze van vlucht naar voren zouden zij toen [de bestuurder] en zijn medebestuurder hebben willen ontslaan om hun eigen positie veilig te stellen. [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat de commissarissen uiteindelijk collectief zijn afgetreden en dat de notulen van een overleg tussen het bestuur en de raad van commissarissen van 29 november 2023 zijn gemanipuleerd om hem in een kwaad daglicht te stellen.\n\n3.22.. Dit betoog slaagt niet. De feiten en omstandigheden die [de bestuurder] heeft gesteld ter onderbouwing van zijn betoog dat de commissarissen een tegenstrijdig belang hadden, heeft hij in het licht van het verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. Van een tegenstrijdig belang is onvoldoende gebleken. Dat de positie van de commissarissen werkelijk bedreigd werd, is niet komen vast te staan. Weliswaar heeft een van de leden (een oud-bestuurder) het opzeggen van het vertrouwen in de raad van commissarissen op de agenda van de ledenvergadering van [naam1] van 1 februari 2024 laten plaatsen, maar uit de hiervoor in 3.11 aangehaalde notulen volgt dat er voor een onderzoek naar het functioneren van de raad van commissarissen al geen meerderheid was, laat staan voor het opzeggen van vertrouwen. [de bestuurder] , die bij de ledenvergadering aanwezig was, heeft aangevoerd dat de notulen niet aan hem zijn voorgelegd, maar niet dat deze niet zouden kloppen. Het ontslagbesluit viel een week later, terwijl in de aanloop daarnaartoe dus niet bleek dat de commissarissen veel te vrezen hadden. Dat blijkt ook uit de gang van zaken op 8 februari 2024. Tijdens de algemene vergadering hebben [naam2] en [naam1] geen steun uitgesproken voor [de bestuurder] (en zijn medebestuurder) maar aan de raad van commissarissen gelaten of hij moest worden ontslagen. Uit de notulen van de algemene vergadering blijkt niet dat [naam1] partij kiest voor [de bestuurder] of tegen de raad van commissarissen of dat de positie van de commissarissen anderszins onder druk stond. Ook uit een e-mail van de voorzitter van de ondernemingsraad aan de commissarissen van 8 december 2023 blijkt niet dat de raad van commissarissen onder vuur ligt; de ondernemingsraad zoekt in die brief juist steun van de raad van commissarissen tegen het bestuur. Dat er een nadere ledenvergadering zou komen waarop het functioneren van de raad van commissarissen weer aan de orde kon komen, is tegen deze achtergrond onvoldoende voor een ander oordeel; overigens is op die nadere ledenvergadering, van 26 februari 2024, blijkens de notulen daarvan, ook niet tot een onderzoek besloten. Dat de commissarissen eind 2024 uiteindelijk zijn afgetreden, leidt evenmin tot de conclusie dat zij ten tijde van het ontslag van [de bestuurder] zozeer onder druk stonden dat sprake was van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden getwijfeld of zij zich bij hun handelen uitsluitend hebben laten leiden door het vennootschappelijk belang. De notulen van het overleg tussen bestuur en raad van commissarissen van 23 november 2023, gemanipuleerd of niet, zijn voor het oordeel van het hof niet van belang en kunnen verder buiten beschouwing blijven.\n\n3.23.. Omdat geen tegenstrijdig belang is gebleken, was de raad van commissarissen bevoegd om over het ontslag te besluiten en is geen sprake van een totstandkomingsgebrek.\n\nRaadgevende stem en hoorrecht\n\n3.24.. \n [de bestuurder] heeft betoogd dat zijn hoorrecht (tegenover de raad van commissarissen) en zijn raadgevende stem (in de algemene vergadering die voor het ontslag werd geraadpleegd door de raad van commissarissen) zijn geschonden, omdat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Hij heeft daarbij gewezen op uitlatingen van of namens de commissarissen waar dat uit zou blijken en verder op het feit dat de raad van commissarissen al voor de vergadering waarvoor zijn ontslagbesluit was geagendeerd voorbereidingen trof voor de aanstelling van nieuwe bestuurders. Verder zou [de bestuurder] niet alle vergaderstukken voor de vergaderingen hebben gekregen, waarbij hij wijst op een schriftelijke reactie van [naam2] aan de raad van commissarissen en een brief van de voorzitter van de raad van commissarissen aan [naam2] .\n\n3.25.. Dit betoog slaagt niet; de omstandigheden die [de bestuurder] aanvoert, leiden niet tot de conclusie dat zijn hoorrecht en raadgevende stem zijn geschonden; die gestelde schending is daarmee onvoldoende onderbouwd. Voorop staat dat het hoorrecht en de raadgevende stem aan de orde zijn bij een voorgenomenontslagbesluit. Daarbij ligt het niet voor de hand dat de raad van commissarissen lichtvaardig tot zo’n voornemen komt, zodat minst genomen de gedachte moet leven dat het beter is zonder de bestuurder verder te gaan. Desalniettemin moeten de uitoefening van de raadgevende stem en het hoorrecht (nog) van invloed kunnen zijn op de daadwerkelijke totstandkoming van het besluit. Daarbij tekent het hof aan dat de raadgevende stem bedoeld is om het belang van de vennootschap te dienen; niet het eigen belang van de bestuurder. [de bestuurder] noemt in zijn memorie van grieven vijf specifieke uitlatingen waaruit zou blijken dat het besluit van de raad van commissarissen al vaststond. Het hof gaat daar niet in mee. Een deel van de uitlatingen (uit productie 22 en productie 26 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft geen betrekking op het ontslagbesluit maar op het besluit om [de bestuurder] als bestuurder te schorsen, dat voorafging aan de beraadslagingen waaruit uiteindelijk het ontslagbesluit is gevolgd. Voor het overige volgt uit de uitlatingen weliswaar dat de raad van commissarissen overtuigd was van zijn voornemen [de bestuurder] te ontslaan en de gedachte dat (de verschillende stakeholders in de onderneming meenden dat) [geïntimeerde] beter af was zonder [de bestuurder] in het bestuur, maar dat is (gelezen in de context en de overige inhoud van de producties 19, 24 en 25) onvoldoende om aan te nemen dat het besluit al vast stond en de commissarissen niet meer open stonden voor beïnvloeding van hun standpunt door [de bestuurder] (en door de aandeelhouders). De vergaderingen waren in dat opzicht ook geen wassen neus. [de bestuurder] heeft in de algemene vergadering ruim gelegenheid gekregen en genomen om zijn positie toe te lichten, ook via zijn advocaat (wiens spreekaantekeningen twaalf bladzijden beslaan). Na een schorsing hebben de commissarissen en de aandeelhouders gelegenheid gekregen op [de bestuurder] te reageren; ook [de bestuurder] heeft aan de discussie daarna deelgenomen. Dat de aandeelhouders en commissarissen niet uitvoerig(er) hebben gereageerd en niet overtuigd zijn geraakt door zijn weerwoord maakt niet dat [de bestuurder] ’ rechten zijn geschonden. De algemene vergadering leverde de raad van commissarissen in ieder geval de informatie op dat de aandeelhouders, naar aanleiding van [de bestuurder] ’ weerwoord, zich niet tegen het voorgenomen besluit keerden. Dat de vergadering van de raad van commissarissen slechts kort duurde, maakt evenmin dat [de bestuurder] ’ rechten geschonden zijn; ook in die vergadering is hij gehoord en overigens waren de commissarissen aanwezig bij de algemene vergadering van aandeelhouders toen [de bestuurder] met zijn advocaat daar zijn standpunt uiteenzette. Verder is van belang dat de uitlatingen waar [de bestuurder] zich op beroept, steeds uitlatingen aan hem of zijn advocaat zijn. Niet gebleken is dat dergelijke uitlatingen ook aan werknemers of anderen in de organisatie (dan de aandeelhouders), zijn gedaan, waardoor mogelijk zou kunnen worden aangenomen dat de raad van commissarissen zich in een positie had gemanoeuvreerd waaruit hij niet terug kon. [de bestuurder] heeft dit wel gesteld, maar de citaten die volgens [de bestuurder] in de organisatie zijn gecommuniceerd stemmen woord voor woord overeen met de correspondentie aan [de bestuurder] en zijn advocaat, terwijl bij die citaten geen bron vermeld staat en niet van verzending aan anderen is gebleken. Dat ook buiten de organisatie uitlatingen zijn gedaan heeft [de bestuurder] niet gesteld.\n\n3.26.. Dat de raad van commissarissen in de weken voorafgaand aan het ontslagbesluit de benoeming van nieuwe bestuurders voorbereidde, maakt niet dat het besluit al vaststond. Omdat het ontslag van beide bestuurders was voorgenomen, moest de raad van commissarissen maatregelen treffen voor het geval het voorgenomen besluit daadwerkelijk zou worden genomen; anders zou [geïntimeerde] zonder bestuur komen te zitten.\n\n3.27.. \n [geïntimeerde] heeft betwist dat vergaderstukken niet met [de bestuurder] gedeeld zijn. [de bestuurder] heeft niet nader toegelicht dat het bij de brief aan [naam2] (die volgens [geïntimeerde] dezelfde inhoud heeft als de brief die aan [de bestuurder] is gestuurd met de onderbouwing van het voorgenomen ontslag) en de reactie van [naam2] om vergaderstukken ging waarvan hij kennis had mogen nemen. Dat voorafgaand aan een vergadering tussen twee deelnemers wordt gecorrespondeerd, maakt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat alle vergadergerechtigden van die correspondentie kennis moeten kunnen nemen. Dat [de bestuurder] ’ rechten hiermee geschonden zijn, is aldus onvoldoende komen vast te staan.\n\n3.28.. Voor zover [de bestuurder] ook in hoger beroep nog aanvoert dat hij onvoldoende tijd had om zich voor te bereiden omdat hij, nadat hij al op 19 december 2023 was uitgenodigd voor de op 8 februari 2024 te houden vergaderingen over het voorgenomen ontslagbesluit, pas op 29 januari 2024 de gronden van het ontslag te horen kreeg, slaagt dit betoog niet. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank ter zake over en maakt dit tot het zijne: het tijdsverloop is ongelukkig maar de gronden zijn voldoende ruim voor de vergaderingen aangevoerd. [de bestuurder] heeft onvoldoende concreet gemaakt dat hij daardoor is belemmerd in de mogelijkheden om verweer tegen het voorgenomen besluit te voeren. Daarbij weegt mee dat in de tussentijd enig overleg tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] is geweest over een minnelijke regeling waarbij gekeken is naar andere managementfuncties voor [de bestuurder] binnen [geïntimeerde] .\n\nStrijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en strijd met het belang van de onderneming\n\n3.29.. \n [de bestuurder] stelt dat het besluit waarmee hij is ontslagen vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die [geïntimeerde] en de raad van commissarissen jegens hem als bestuurder moesten betrachten. Hij heeft daarbij gewezen op een gebrekkige onderbouwing van het besluit (met volgens [de bestuurder] leugenachtige verklaringen over een gebrek aan steun voor hem binnen de organisatie en kritiek op hem die niet eerder was geuit, die tegenstrijdig was en in strijd met eerdere positieve beoordelingen) terwijl die onderbouwing ook nog te laat kwam zowel voor hem als voor de aandeelhouders en de leden van [naam1] , op het niet delen van vergaderstukken, op trage verslaglegging achteraf en op schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad.\n\n3.30.. Het betoog van [de bestuurder] slaagt niet. Voorop staat dat de raad van commissarissen beleidsvrijheid heeft en dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of de raad van commissarissen bij het nemen van het besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht.Daarbij komt dat de gronden voor het ontslag als bestuurder wel kunnen meewegen bij de eventuele arbeidsrechtelijke consequenties van dat ontslag – indien sprake is van een arbeidsovereenkomst – maar niet bij de vraag of het besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b.\n\n3.31.. Voor zover tegen deze achtergrond al plaats is voor een beoordeling van de redelijkheid van de onderbouwing van het ontslagbesluit door de raad van commissarissen, heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht dat die onderbouwing te mager is of niet deugt. Niet is gebleken dat [de bestuurder] voldoende steun kreeg binnen de organisatie. Hij beroept zich op steun van de leden van [naam1] , die volgens hem niet eens wisten van het voorgenomen ontslag. Dat voorgenomen ontslag is echter uitvoerig besproken op de ledenvergadering van 1 februari 2024. Tijdens die vergadering zijn door [naam1] -leden verwijten gemaakt aan zowel bestuur als raad van commissarissen maar was er geen steun voor een onderzoek naar de raad van commissarissen, laat staan voor het opzeggen van vertrouwen, terwijl diverse leden een beroep op [de bestuurder] deden om het ontslag te aanvaarden en een nieuwe rol binnen de organisatie op zich te nemen. Ook van steun van de ondernemingsraad voor [de bestuurder] is niet gebleken. Integendeel, in de email van 8 december 2023 spreekt de ondernemingsraad uit dat iedere vorm waarin [de bestuurder] (en zijn medebestuurder) nog in functie is (zijn), geen optie meer is. Dat de ontslaggronden pas laat aan [de bestuurder] zijn medegedeeld is hiervoor in 3.28 behandeld en maakt het besluit om diezelfde redenen niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat ook de aandeelhouders en de leden van [naam1] pas laat werden geïnformeerd maakt het besluit niet onredelijk, ook gelet op de poging van de raad van commissarissen om met [de bestuurder] een andere oplossing (een andere functie binnen [geïntimeerde] ) te vinden. Voor zover [de bestuurder] ook in dit verband een beroep doet op het ontbreken van vergaderstukken en de schending van het adviesrecht van de ondernemingsraad wijst het hof naar 3.27 respectievelijk 3.37. Ook dit levert geen strijd met de redelijkheid en billijkheid op. Dat het verslag van de vergadering(en) pas laat beschikbaar kwam is vervelend maar maakt het besluit niet vernietigbaar; niet gebleken is overigens dat [de bestuurder] daarover heeft geklaagd of erdoor is geschaad. Bij de beoordeling van de vraag of het besluit in strijd is met de jegens [de bestuurder] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid weegt verder mee dat, hoewel [de bestuurder] zonder meer belang had bij het behoud van zijn positie als bestuurder, niet is gebleken dat het ontslag voor hem directe financiële gevolgen had. Zijn financiële positie werd immers geregeld door de overeenkomst van opdracht (wat het hof hieronder in 3.49 en verder uitwerkt), die niet door het ontslag als bestuurder werd geraakt.\n\n3.32.. \n [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat het ontslagbesluit in strijd was met het belang van de vennootschap en haar onderneming dat de raad van commissarissen op grond van artikel 2:250 lid 2 BW moet behartigen en dat het besluit daarom ongeldig is.\n\n3.33.. Dit argument van [de bestuurder] slaagt niet. Ook al zou het besluit van de raad van commissarissen niet in het belang van de onderneming zijn, dan levert dat nog geen strijd met de wet op in de zin van artikel 2:14 BW. Verder is geen sprake van (strijd met) een regel die de totstandkoming van besluiten betreft als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Voor zover [de bestuurder] bedoelt dat het besluit om deze reden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub b BW) – daarbij kan het belang van de vennootschap een rol spelen – slaagt het evenmin. Dat het besluit van de raad van commissarissen niet in het belang van de onderneming is, is onvoldoende toegelicht, ook als het wordt bezien in samenhang met hetgeen hiervoor over beweerde schending van de redelijkheid en billijkheid is overwogen. Ook daarom kan een beroep op de ongeldigheid van het besluit niet slagen.\n\n3.34.. Het betoog van [de bestuurder] richt zich op het functioneren van de raad van commissarissen in de periode van medio 2023 tot aan hun aftreden eind 2024. [de bestuurder] meent dat de raad van commissarissen zich op de stoel van het bestuur heeft geplaatst, allerlei maatregelen in strijd met de wet en statuten nam en niet in het belang van de onderneming heeft gehandeld. Dat speelt onder meer bij het ontslag van eerdere bestuurders, bij de aanstelling van een interimbestuurder en bij het schorsen en ontslaan van [de bestuurder] en zijn medebestuurder. Dat ontslag leverde een continuïteitsrisico op omdat opvolging niet adequaat was geregeld en onervaren opvolgend bestuurders zijn benoemd, juist degenen die in het [naam1] -bestuur zaten en [de bestuurder] ’ ontslag steunden. Verder werd de toezegging dat een governance-onderzoek zou plaatsvinden na [de bestuurder] ’ ontslag niet nagekomen, terwijl de onderneming verlies bleef lijden.\n\n3.35.. Een en ander maakt niet dat het besluit in strijd was met het belang van [geïntimeerde] en haar onderneming. Het is duidelijk dat [geïntimeerde] in zwaar weer verkeerde, verlies leed en gebukt ging onder verschillen van inzicht over hoe het tij gekeerd moest worden. De raad van commissarissen wijst naar het bestuur en [de bestuurder] wijst terug. De leden van [naam1] uitten in de ledenvergadering van 1 februari 2024 kritiek op zowel het bestuur als de raad van commissarissen maar steunden niet in meerderheid een onderzoek naar de laatste. Wie voor de gang van zaken verantwoordelijk is en wie het bij het rechte eind heeft wat betreft de te treffen maatregelen, kan hier echter in het midden blijven; het beleid van de onderneming ligt hier niet ter toetsing voor. In deze procedure gaat het enkel om het ontslagbesluit. Waarom dit specifieke besluit in strijd is met het belang van de onderneming (zozeer dat het ook in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en daarom vernietigbaar), heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht. Dat juist of alleen hij [geïntimeerde] uit het slop kon trekken is niet gesteld of gebleken. Dat de opvolging niet goed geregeld was, is evenmin voldoende onderbouwd. Dat zijn opvolgers, ook leden van [naam1] , geen bestuurservaring zouden hebben, is daarvoor onvoldoende. Dat zij eerder lid waren van het [naam1] -bestuur maakt niet dat het besluit in strijd was met het belang van [geïntimeerde] of haar onderneming. Dat het ontslag van [de bestuurder] niet tot een verbetering van de resultaten heeft geleid, evenmin.\n\nAdviesrecht van de ondernemingsraad\n\n3.36.. \n [de bestuurder] heeft aangevoerd dat de ondernemingsraad niet tijdig om advies is gevraagd over het voorgenomen besluit tot ontslag. Het advies werd pas gevraagd toen dat niet meer van invloed kon zijn omdat het besluit al vaststond. Dat maakt het besluit volgens hem in strijd met de wettelijke bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW) en in strijd met de redelijkheid en billijkheid (in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub b BW) die [geïntimeerde] jegens de ondernemingsraad in acht moeten nemen.\n\n3.37.. Dit betoog slaagt niet. Dat het besluit van de raad van commissarissen niet slechts voorgenomen was maar reeds genomen zou zijn, is niet komen vast te staan, zie 3.25 en 3.26 hiervoor. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de ondernemingsraad zelf heeft geklaagd over een te late adviesaanvraag, terwijl dit toch in de eerste plaats op zijn weg ligt. Dat de ondernemingsraad zich kon vinden in het voorgenomen ontslag was overigens geen verrassing gelet op zijn “brandbrief” van 14 november 2023 aan directie en raad van commissarissen (over openlijke onvrede en gebrek aan vertrouwen in de directie) en gelet op de hiervoor genoemde e-mail van diens voorzitter aan de commissarissen van 8 december 2023. Los daarvan is artikel 30 WOR geen wettelijke bepaling over de totstandkoming van besluiten in de zin van artikel 2:15 lid 1 sub a BW, zodat schending daarvan niet leidt tot vernietigbaarheid van het ontslagbesluit. Daarbij komt dat een eventuele actie tegen schending van het adviesrecht aan de ondernemingsraad toekomt en niet aan [de bestuurder] als (gewezen) bestuurder.\n\nTussenconclusie geldigheid van het ontslagbesluit\n\n3.38.. \n [de bestuurder] ’ betoog dat het ontslagbesluit nietig of vernietigbaar is, slaagt niet. Het besluit blijft in stand. Een terugkeer van [de bestuurder] als statutair bestuurder heeft verder geen grondslag.\n\n3.39.. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen; [de bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden en geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden.\n\nKwalificeert de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] als arbeidsovereenkomst?\n\n3.40.. \n [de bestuurder] heeft zich op het standpunt gesteld dat er tussen hem en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst bestaat. Met een rechtsgeldig besluit tot ontslag als bestuurder van een vennootschap eindigt ook een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer-bestuurder en de vennootschap. Op grond van artikel 7:682 lid 3 BW kan een werknemer (los van het vennootschapsrechtelijke ontslag) ook het arbeidsrechtelijke ontslag aan de rechter voorleggen. [de bestuurder] heeft tijdig bij de kantonrechter een voorwaardelijk verzoek ingediend om toekenning van een billijke vergoeding. Naar zijn mening is er sprake van een arbeidsovereenkomst en is het einde daarvan het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] , zodat hij aanspraak maakt op een billijke vergoeding. Die verzoekschriftenprocedure bij de kantonrechter is aangehouden tot in deze procedure een oordeel is gegeven over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] .\n\nJuridisch kader\n\n3.41.. Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Dat staat in artikel 7:610 lid 1 BW. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.42.. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn: (i) de aard en duur van de werkzaamheden, (ii) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, (iii) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, (iv) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, (v) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, (vi) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, (vii) de hoogte van deze beloningen, en (viii) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn (ix) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.Er is geen sprake van een rangorde van de verschillende genoemde omstandigheden.\n\nOvereengekomen rechten en verplichtingen\n\n3.43.. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] (en [de management-BV] ) is aangegaan op 16 mei 2019. Vóór de herstructurering van dat moment was er een overeenkomst, ook aangeduid als overeenkomst van opdracht, met een andere vennootschap in de groep. Per 1 februari 2022 werd [de bestuurder] die op basis van de overeenkomst van opdracht al werkzaam was in de onderneming van [geïntimeerde] , ook benoemd tot bestuurder. Ook voor het geval het ontslag als bestuurder van 8 februari 2024 geldig is, zijn partijen het erover eens dat (uit hun afspraken voortvloeit dat) de overeenkomst van 16 mei 2019 na het ontslag als bestuurder is blijven bestaan, totdat deze door opzegging is geëindigd op 2 juli 2025.\n\n3.44.. De overeenkomst van opdracht is aangegaan tussen [geïntimeerde] , [de management-BV] en [de bestuurder] . Tegen deze achtergrond gaat het erom welke rechten en verplichtingen golden tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] .\n\n3.45.. Op grond van de overeenkomst ondersteunde [de management-BV] [geïntimeerde] waarbij [de bestuurder] de werkzaamheden feitelijk uitvoerde. Het ging daarbij om een 100% omvang, [de bestuurder] moest 231 dagen per jaar werken, ofwel 40 uur per week met 35 vakantiedagen. Uit het reglement volgt dat [de bestuurder] de werkzaamheden zelf moest uitvoeren en zich niet kon laten vervangen (anders dan met toestemming van [geïntimeerde] ).\n\n3.46.. \n [geïntimeerde] betaalde [de management-BV] maandelijks een vergoeding. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [de bestuurder] toegelicht dat [de management-BV] een deel van die vergoeding aan hem doorbetaalde als salaris of dividend en dat een deel in [de management-BV] bleef met het oog op [de bestuurder] ’ pensioen. Daarnaast had [de bestuurder] indirect, via het lidmaatschap van [naam1] en de certificaten in [naam2] , recht op een aandeel in de gemaakte winst.\n\n3.47.. \n [de bestuurder] legde verantwoording af aan de raad van commissarissen, die functioneringsgesprekken met hem voerde. De overeenkomst voorzag in een meldplicht bij al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden en bevatte een non-concurrentiebeding en een relatiebeding (zodat [de bestuurder] , net als [de management-BV] , niet voor andere opdrachtgevers kon werken) alsook een non-wervingsbeding. [de management-BV] moest zorgen dat [de bestuurder] in een passende zakelijke auto reed en kreeg daarvoor een autokostenvergoeding. [de management-BV] en [de bestuurder] waren verder onbeperkt gebonden aan het reglement dat als bijlage bij de overeenkomst van opdracht was gevoegd. Bij ziekte bestond op grond daarvan recht op doorbetaling door [geïntimeerde] voor één jaar; [geïntimeerde] heeft op haar kosten een arbeidsongeschiktheidsverzekering ten behoeve van alle [naam1] -leden gesloten voor een periode daarna. Ook kende het reglement een overlijdensuitkering voor [de management-BV] , ingeval van overlijden van [de bestuurder] . Het opnemen van vakantiedagen werd bijgehouden in een digitaal systeem.\n\nKwalificatie\n\n3.48.. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op het gezichtspunt onder (v): de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen. Hierbij is van belang dat [geïntimeerde] het product is van de fusie van verschillende zelfstandige deurwaarderskantoren, [de bestuurder] mede-eigenaar was van één van deze fuserende kantoren en dit fusieproduct, na herstructurering, uiteindelijk de vorm heeft gekregen van een coöperatie ( [naam1] ) die de aandelen houdt in een B.V. ( [geïntimeerde] ). [de bestuurder] had (via [de management-BV] ) samen met de uiteindelijke belanghebbenden bij de andere leden van [naam1] indirect de zeggenschap over de onderneming van [geïntimeerde] en die onderneming werd gedreven voor hun rekening (en die van de certificaathouders in [naam2] zolang deze (via [naam2] ) winstrecht hadden). Op die manier waren zij de ondernemers achter [geïntimeerde] . De leden van [naam1] , waaronder [de bestuurder] via [de management-BV] , hebben afspraken gemaakt in de ledenovereenkomst. Als bijlage daarbij hebben zij gezamenlijk een overeenkomst van opdracht, met daarbij een reglement, vastgesteld die de rechten en verplichtingen bepaalt tussen [geïntimeerde] , de leden van [naam1] als opdrachtnemers en de uiteindelijk belanghebbenden van de leden als ingezette personen. Daartoe behoren ook de (arbeids-) voorwaarden waaronder de leden en de ingezette personen hun werkzaamheden voor [geïntimeerde] verrichten, onder meer over vakantiedagen, doorbetaling bij ziekte, arbeidsongeschiktheidsverzekering en autokosten. Daaruit volgt dat de rechten en verplichtingen tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] zijn bepaald door de leden van [naam1] waaronder [de bestuurder] (via [de management-BV] ) zelf. [de bestuurder] is een overeenkomst van opdracht aangeboden omdathij lid werd van [naam1] .\n\n3.49.. Gezichtspunt (vi) betreft de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd. Over de wijze waarop de beloning werd bepaald heeft [de bestuurder] in de dagvaarding betoogd dat deze volgde uit de staffel die [geïntimeerde] hanteert voor de diverse functies van de leden van [naam1] ; daarmee lichtte [de bestuurder] toe dat [geïntimeerde] het loon bepaalde en hij daarover niet kon onderhandelen zoals een opdrachtnemer dat kan. Bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank en in de memorie van grieven heeft hij echter betoogd dat de staffel niet meer in gebruik was en dat over het loon werd onderhandeld tussen hem en [geïntimeerde] . Bij een verandering van functie werd gesproken over de bijbehorende beloning. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij niet de hoogte van de beloning bepaalde, maar dat de leden van [naam1] , waaronder [de bestuurder] (via [de management-BV] ), zelf de beloning hadden bepaald in de vorm van een staffel die afhing van de functie die (de uiteindelijk belanghebbende achter) het lid op enig moment binnen [geïntimeerde] vervulde. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat die staffel (met geïndexeerde bedragen) nog steeds wordt gebruikt, ook al zijn sommige functieomschrijvingen niet meer in gebruik. De staffel is ook nog herkenbaar in de beloningen die aan de leden worden betaald, wat [geïntimeerde] (ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep) heeft toegelicht aan de hand van een overzicht van beloningen uit september 2023. Aan de hand van een agenda en een verslag van een vergadering in 2020 tussen het bestuur van [geïntimeerde] en [naam1] heeft [geïntimeerde] verder toegelicht dat toen is bevestigd dat de zeggenschap over de beloning bij [naam1] ligt. Bij die stand van zaken heeft [de bestuurder] onvoldoende toegelicht dat zijn (maandelijkse) beloning niet door (de leden van) [naam1] maar door [geïntimeerde] in overleg met hem werd vastgesteld. Van onderhandelingen tussen hem en [geïntimeerde] over de hoogte van de beloning is niet gebleken. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [de bestuurder] aangevoerd dat een ander lid een afwijkend hogere vergoeding uitonderhandelde met [geïntimeerde] , maar ook die stelling is niet (voldoende) onderbouwd. Daarmee komt vast te staan dat ook de beloning indirect werd bepaald door [de bestuurder] zelf, samen met de andere leden van [naam1] .\n\n3.50.. Naast de maandelijkse vergoeding bestond de beloning van [de bestuurder] uit zijn (indirecte) gerechtigdheid tot de winst die [geïntimeerde] maakte (of kon maken), via [de management-BV] ’s lidmaatschap van [naam1] en de certificaten in [naam2] .\n\n3.51.. Over de wijze van uitkering staat vast dat [geïntimeerde] aan [de management-BV] een managementvergoeding betaalde, die werd verhoogd met btw. [de management-BV] betaalde een deel daarvan door; een deel werd in [de management-BV] gereserveerd voor pensioen. [de bestuurder] heeft toegelicht dat [de management-BV] de maandelijkse vergoeding niet zelf aan [geïntimeerde] factureerde, maar dat [geïntimeerde] elke maand voor alle leden van [naam1] een factuur opstelde, die factuur bij zichzelf indiende en vervolgens uitbetaalde, zonder dat daar een handeling van [de bestuurder] (of [de management-BV] ) aan te pas kwam. Volgens [de bestuurder] was daarmee in wezen sprake van loonstrookjes, terwijl [geïntimeerde] heeft betoogd dat dit een service was die [geïntimeerde] voor de leden van [naam1] verrichtte. Wat van deze etikettering ook zij, het hof constateert dat over de wijze waarop de vergoeding werd uitgekeerd (een bedrag verhoogd met btw, zonder inhouding van loonbelasting, waarna een deel binnen [de management-BV] werd gereserveerd als pensioenvoorziening) tussen partijen op zichzelf geen discussie bestaat.\n\n3.52.. Gezichtspunt (viii) betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Zoals hierboven genoemd had [de bestuurder] indirect aanspraak op eventueel in [geïntimeerde] gemaakte winst. Verder liep hij (via [de management-BV] ) gelet op het bepaalde in artikel 5.2 en 5.4 van de ledenovereenkomst risico op zijn aan [naam1] betaalde ledenbijdrage, waarmee hij zich als het ware moest inkopen. Daarnaast volgt uit artikel 5.6 van de ledenovereenkomst dat wanneer de solvabiliteit van [geïntimeerde] versterkt moet worden, de leden van [naam1] verplicht kunnen worden om een aanvullende ledenbijdrage te storten. [geïntimeerde] kan het te storten bedrag op grond van artikel 5.8 van de ledenovereenkomst verrekenen met de maandelijkse vergoeding. Dit was geen theoretisch risico; tussen partijen staat vast dat de leden hebben moeten bijstorten om een lening te helpen aflossen die was aangetrokken om een schikking met een voormalig mede-eigenaar te financieren.\n\n3.53.. Gezichtspunt (ii) gaat over de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald. [de bestuurder] heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden onder gezag van [geïntimeerde] verrichtte, erop gewezen dat hij zich moest houden aan de binnen [geïntimeerde] geldende protocollen en reglementen. Die regels waren echter door de leden van [naam1] , waaronder indirect [de bestuurder] zelf, opgesteld of vloeiden voort uit de door [naam1] opgestelde voorwaarden. Het directiereglement, van belang voor de periode dat [de bestuurder] bestuurder was, was door het bestuur vastgesteld, maar behoefde goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (met [naam1] als enig stemgerechtigd aandeelhouder). Daarbij is niet gebleken dat die protocollen en reglementen alleen golden voor werknemers en niet (ook) voor opdrachtnemers die binnen [geïntimeerde] werkten. Sterker nog: [de bestuurder] verwijst bijvoorbeeld naar de [geïntimeerde] Geschenkenregeling en de [geïntimeerde] Incidentenregeling als voorbeelden die (mede) duiden op een gezagsverhouding. Uit die regelingen blijkt echter dat zij van toepassing zijn op zowel werknemers als op participanten als op alle overige medewerkers die namens [geïntimeerde] optreden. De binding aan deze regelingen duidt daarom niet noodzakelijkerwijs op een gezagsverhouding. Voor de periode dat [de bestuurder] bestuurder was, is nog van belang dat het toezicht van de raad van commissarissen waaronder [de bestuurder] stond, en het feit dat de raad van commissarissen geregeld met hem sprak, niet duiden op een gezagsverhouding waarbij [geïntimeerde] de werkzaamheden bepaalde. Dat past immers (ook) bij de vennootschapsrechtelijke verhoudingen. Ook als de raad van commissarissen dicht op het bestuur zou hebben gezeten, maakt dat nog niet dat de bestuurder in een gezagsrelatie tot de raad van commissarissen staat, ook gelet op de beleidsvrijheid die de raad van commissarissen toekomt bij de invulling van zijn taken. Daarbij komt dat de raad van commissarissen [de bestuurder] wel als bestuurder kon ontslaan, maar niet bevoegd was om de overeenkomst van opdracht te beëindigen, terwijl de leden van [naam1] , de aandeelhouder met stemrecht in [geïntimeerde] , het vertrouwen in de raad van commissarissen konden opzeggen, wat diens ontslag tot gevolg heeft. [naam1] was verder, op grond van artikel 7.3 van de ledenovereenkomst, bevoegd om financiële gevolgen te verbinden aan de schending door [de bestuurder] van de overeenkomst van opdracht. Ook bepaalde [naam1] in de ledenovereenkomst (artikel 9) de gevolgen van de beëindiging van de overeenkomst van opdracht. Deze gecompliceerde machtsverhoudingen, waarbij de contractuele bevoegdheden met name bij [naam1] liggen, passen niet bij een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. [de bestuurder] heeft verder aangevoerd dat hij goedkeuring van (de algemeen directeur binnen) [geïntimeerde] nodig had voor het opnemen van vakantiedagen, maar dat is in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd. [de bestuurder] heeft een foto van het inlogscherm van de vakantiedagenadministratie overgelegd, met daarop de button ‘Verlof aanvragen’. Maar tegenover de betwisting van [geïntimeerde] dat vakantiedagen werden geregistreerd zodat de leden van [naam1] onderling konden controleren of elk van hen het afgesproken aantal werkdagen per jaar maakte, heeft [de bestuurder] niets meer ingebracht, zoals een verklaring van de algemeen directeur hierover of een voorbeeld dat hem vakantie ook daadwerkelijk is geweigerd.\n\n3.54.. De voorgaande vier gezichtspunten wijzen er sterk op dat tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Uit de genoemde omstandigheden volgt dat [de bestuurder] mede-ondernemer was via [geïntimeerde] en samen met zijn mede-ondernemers bepaalde onder welke voorwaarden zij hun werkzaamheden voor de gezamenlijke onderneming verrichtten en welke beloning zij daarvoor kregen. Zijn beloning als geheel, inclusief het risico bij verliezen in de onderneming van [geïntimeerde] , duiden ook op ondernemerschap. Van een gezagsrelatie tussen [geïntimeerde] en [de bestuurder] is geen sprake, ook al is dat bij een bestuurder van een vennootschap mogelijk minder zwaarwegend.Van belang is dat de regels van [geïntimeerde] waar [de bestuurder] zich aan moest houden, (uiteindelijk) door de leden van [naam1] waren bepaald.\n\n3.55.. De overige gezichtspunten zijn in dit geval onvoldoende richtinggevend voor de ene of de andere uitkomst en leiden in ieder geval niet tot een andere conclusie. Wat betreft gezichtspunt (i), de aard en duur van de werkzaamheden, geldt dat de leidinggevende aard van [de bestuurder] ’ werkzaamheden en de onbepaalde tijd ervan op zichzelf passen bij een arbeidsovereenkomst. Deze passen echter evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap zoals bij [naam1] en haar leden, waarbij een van de leden gedurende enige tijd deel uitmaakt van het bestuur van de onderneming. Voor gezichtspunt (iii), de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, is van belang dat [de bestuurder] en zijn werkzaamheden waren ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van [geïntimeerde] . Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past evenzeer bij een bestendige vorm van mede-ondernemerschap waarin de leden van [naam1] hebben bepaald op welke manier zij met elkaar samenwerken. Bij gezichtspunt (iv), het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof toegelicht dat de overeenkomst is aangegaan met het oog op de persoon van [de bestuurder] , wat kan passen bij zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht. Van belang is dat uit het reglement bij de overeenkomst van opdracht volgt dat [de bestuurder] zich niet zomaar kon laten vervangen. Dat kan duiden op een arbeidsovereenkomst, maar past ook bij onderlinge afspraken tussen ondernemers om samen te werken, waarbij ook nog meeweegt dat het gaat om een deurwaarderskantoor waarbij de specifieke hoedanigheid van deurwaarder van belang was. Er is bovendien geen gebruik gemaakt van de vervangingsmogelijkheid, noch is vervanging ooit besproken zodat dit beding geen daadwerkelijke betekenis heeft (gehad). Wat betreft gezichtspunt (vii), de hoogte van de beloning, is relevant dat de managementvergoeding van [de management-BV] ten tijde van de functie van [de bestuurder] als bestuurder € 19.921,75 exclusief btw per maand bedroeg (en blijkens de overeenkomst van opdracht in de periode voordat hij bestuurder was € 13.940,67). [de bestuurder] heeft toegelicht dat dit bedrag niet aansluit bij vergoedingen voor echte zelfstandigen en erop gewezen dat zijn vergoeding veel lager was dan wat verschillende interim-bestuurders van [geïntimeerde] maandelijks als vergoeding als opdrachtnemer kregen. Daar staat tegenover dat die bestuurders geen lid waren maar daadwerkelijk “interimmer”, terwijl [de bestuurder] een vaste functie had, waarvan de vergoeding volgde uit de door de leden van [naam1] bepaalde staffel en hij daarnaast nog gerechtigd was tot een winstdeel. Gezichtspunt (ix) betreft de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. In dit geval werd het ondernemerschap van [de bestuurder] , met dat van zijn mede-leden van [naam1] , uitgeoefend in hun gezamenlijke onderneming [geïntimeerde] . Daarom is voor [de bestuurder] ’ ondernemerschap niet van belang of hij (met [de management-BV] ) behalve voor [geïntimeerde] nog voor andere opdrachtgevers werkte. [geïntimeerde] werkt voor verschillende opdrachtgevers. [geïntimeerde] heeft gewezen op de fiscale behandeling van [de bestuurder] als ondernemer en op het opbouwen van een eigen pensioenvoorziening in [de management-BV] , wat eerder wijst op ondernemerschap dan op werknemerschap. In [geïntimeerde] vindt, uiteindelijk voor rekening van [de bestuurder] en de leden van [naam1] , acquisitie en marketing plaats, waarvan [de bestuurder] via de bedrijfsresultaten van [geïntimeerde] profiteerde.\n\nTussenconclusie kwalificatie rechtsverhouding [geïntimeerde] en [de bestuurder]\n\n3.56.. De rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en [geïntimeerde] was geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW.\n\n3.57.. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen; [de bestuurder] heeft geen voldoende specifiek bewijs aangeboden en geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden.\n\nDe conclusie\n\n3.58.. Het hoger beroep slaagt niet, zodat er ook geen redenen zijn anders te oordelen over de proceskostenveroordeling van [de bestuurder] in eerste aanleg. Omdat [de bestuurder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de bestuurder] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n3.59.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 februari 2025;\n\n4.2.. \n\nveroordeelt [de bestuurder] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :\n\n€ 827 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);\n\n4.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.4.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.A. Diebels en Th. Veling, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:1655.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, rov. 3.4.3.\n\n HR 26 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4887, HR 10 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1657, rov. 3.5.2.\n\n Hof Arnhem 18 augustus 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK8820, rov. 4.20.\n\n HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, rov. 3.2.3, 3.2.4 (Deliveroo).\n\n HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, rov. 3.2.5 (Deliveroo) en HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.1 (Uber).\n\n HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.3 (Uber).\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4294, rov. 3.43.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3978","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:32.074Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":62,"updatedAt":71},"1108","ECLI:NL:GHARL:2026:3919","ecli-nl-gharl-2026-3919","2026-06-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem , afdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.084\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11573047)\n\nbeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nStichting IrisZorg (IrisZorg),\n\ndie is gevestigd in Arnhem ,\n\nadvocaat: mr. C.M. Hermesdorf,\n\nen\n\n [verweerster] ( [de werkneemster] ),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. F.A.J.M. Peeters.\n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep1.1. IrisZorg heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , op 28 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met bijlagen (producties), op de griffie binnengekomen op 27 november 2025\n\nhet verweerschrift met producties\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 15 april 2026 is gehouden.1.2. \n\nPartijen hebben het hof om een uitspraak verzocht die is bepaald op vandaag.\n\nDe kern van de zaak\n\n2.1. IrisZorg heeft [de werkneemster] op 31 januari 2025 tijdens ziekte op staande voet ontslagen vanwege het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming. [de werkneemster] vindt dat onterecht en wil graag terug in dienst. IrisZorg wil dat niet en heeft voorwaardelijk om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.\n\n2.2. De kantonrechter heeft op verzoek van [de werkneemster] het ontslag op staande voet vernietigd omdat er geen dringende reden was voor dat ontslag. Het in reactie daarop ingediende voorwaardelijke verzoek van IrisZorg tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dat gelijktijdig is behandeld, is door de kantonrechter afgewezen. De arbeidsovereenkomst is dus niet geëindigd. Het hoger beroep van IrisZorg richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onterecht is en dat er geen reden is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.1. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet van 31 januari 2025 wel geldig was. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op de datum van deze beschikking, voor zover de arbeidsovereenkomst op dat moment (nog) bestaat. Het hof licht hieronder toe hoe het tot dit oordeel is gekomen. Wat is er gebeurd?3.2. De kantonrechter heeft in zijn beschikking onder 2.1 tot en met 2.16 de relevante feiten vastgesteld. Het hof neemt die over en geeft die hieronder verkort weer, aangevuld met in hoger beroep nieuw gebleken feiten.3.3. IrisZorg is een organisatie in de verslavingszorg. [de werkneemster] is daar op 24 augustus 2019 in dienst getreden in de functie van Toezichthouder voor laatstelijk 24 uur per week. [de werkneemster] werkte uitsluitend in nachtdiensten. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werknemer de werkgever vooraf toestemming vraagt om tijdens het dienstverband een nevenfunctie uit te oefenen.3.4. Op 16 januari 2023 heeft [de werkneemster] zich ziekgemeld na een incident op het werk. Op 24 april 2024 heeft [de werkneemster] onder meer [de leidinggevende] laten weten dat zij weer in staat was om te gaan werken en dat zij wil solliciteren naar een zorgfunctie voor 8 uur naast haar huidige functie. [de leidinggevende] heeft vervolgens de bedrijfsarts geïnformeerd over een gesprek dat hij op 22 mei 2024 met [de werkneemster] had. [de leidinggevende] citeert uit het gespreksverslag dat [de werkneemster] graag weer aan het werk wilde en dat de bedrijfsarts moest beoordelen of dat kon en of dat dan overdag of in de nacht was. Verder heeft [de werkneemster] in het gesprek aangegeven dat ze gestart is met werken in de nacht bij een andere werkgever, maar dat ze ‘nu nog niet’ wilde zeggen bij welke werkgever.\n\n3.5. Uit een second opinion van een externe bedrijfsarts van 13 augustus 2024 (aangevraagd door [de werkneemster] en gedeeld met de eigen bedrijfsarts) blijkt dat er geen beperkingen meer aan de orde zijn voor eigen werkzaamheden. [de werkneemster] wordt medisch gezien belastbaar geacht voor eigen werk. Op advies van de eigen bedrijfsarts is in september 2024 gestart met re-integratie in de eigen werkzaamheden, waaronder ook één keer in de nacht.\n\n3.6. Op 8 oktober 2024 heeft [de werkneemster] zich opnieuw ziekgemeld, ditmaal in verband met zwangerschapsgerelateerde klachten. Op 9 oktober 2024 vindt een gesprek plaats tussen [de manager bedrijfsvoering] , [de werkneemster] en een HR-medewerker. [de manager bedrijfsvoering] heeft daarvan een verslag opgemaakt dat hij ook aan [de werkneemster] heeft toegezonden. In dat gespreksverslag staat dat [de werkneemster] heeft verklaard tijdens verzuim gedurende enkele maanden bij een andere zorginstelling aan het werk geweest te zijn voor circa 8-12 uur per week. Daarvan zouden [de leidinggevende] en HR op de hoogte zijn geweest. IrisZorg heeft haar er in het gesprek op gewezen dat zij verplicht was hier melding van te maken, zeker tijdens verzuim. Er was bij [de leidinggevende] en HR maar beperkt informatie aanwezig en niet bekend was welke zorginstelling en ook niet welke periode het betrof. [de werkneemster] heeft die informatie in het gesprek niet alsnog verstrekt en zou dat later met de bedrijfsarts delen, aldus het gespreksverslag. [de werkneemster] heeft toen niet op het gespreksverslag gereageerd.\n\n3.7. In de WIA-aanvraag van 30 oktober 2024 die [de werkneemster] indient, is vermeld dat zij van januari 2020 tot en met januari 2023 ook een tijdelijk contract als zorgmedewerker in opleiding heeft gehad bij een andere werkgever ( [naam1] ). [de werkneemster] heeft bij de vraag in de WIA-aanvraag waarom zij het oneens is met de re-integratiedocumenten ingevuld dat zij al vier maanden niet aan het werk mocht, zij daarom met UWV heeft gebeld voor advies en dat zij aan het werk mocht. Het UWV zou dat goed hebben gevonden als zij het maar bij IrisZorg zou melden en toestemming zou krijgen, waarop [de werkneemster] in de aanvraag schrijft: ‘Dat heb ik gekregen’en ‘Sinds ik bij IrisZorg mocht reïntegreren ben ik daar gestopt’.\n\n3.8. Uit een verslag van een gesprek van 23 januari 2025 tussen [de werkneemster] en IrisZorg volgt dat IrisZorg heeft verteld dat, naar aanleiding van een bericht van het UWV over het dagloon van [de werkneemster] , onderzoek is gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat [de werkneemster] tijdens arbeidsongeschiktheid bij [naam2] van 27 mei 2024 tot en met 26 december 2024 een dienstverband heeft gehad voor 40 uur per week. Volgens [de werkneemster] waren alle nevendienstverbanden bij IrisZorg bekend en dateren ze van voor 2019; zij zegt dat zij dat per mail aan IrisZorg heeft bevestigd. [de werkneemster] heeft verder o.a. bevestigd dat zij naast IrisZorg ook bij [naam2] werkt en dat zij in totaal veel meer werkt dan 40 uur per week, ook tijdens verzuim. Ook staat in het verslag dat zij heeft verklaard bij [naam2] meer dan 40 uur per week te werken. IrisZorg heeft [de werkneemster] de gelegenheid geboden, ondanks dat IrisZorg de gestelde e-mailbevestiging van de nevenwerkzaamheden niet kende, om bewijs aan te leveren dat IrisZorg volledig op de hoogte was van deze nevenwerkzaamheden en de omvang daarvan. Ook op dit gespreksverslag heeft [de werkneemster] toen niet gereageerd.3.9. \n [de werkneemster] heeft geen bewijsstukken aangeleverd en na nader onderzoek heeft IrisZorg op 31 januari 2025 ontslag op staande voet gegeven. Daaraan zijn (tezamen en in onderling verband maar ook afzonderlijk) vier gedragingen ten grondslag gelegd: (i) het in strijd met de arbeidsovereenkomst en gedragscode niet vooraf vragen van toestemming voor het dienstverband bij [naam2] , (ii) het niet volledig verstrekken van informatie over de aard van het werk, de werktijden en de duur van de werkzaamheden, (iii) het in strijd met de waarheid verklaren op 9 oktober 2024 en in de WIA-aanvraag en (iv) het handelen in strijd met Poortwachterverplichtingen door de bedrijfsarts niet te informeren over de nevenwerkzaamheden.\n\n3.10. Het UWV heeft op 27 februari 2025 de WIA-aanvraag van [de werkneemster] afgewezen omdat zij per 13 augustus 2024 volledig hersteld was. Het bezwaar van IrisZorg tegen deze beslissing is ongegrond verklaard, waarin IrisZorg heeft berust.\n\n3.11. Met de beslissingen van de kantonrechter van 28 augustus 2025 is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. [de werkneemster] is onverminderd arbeidsongeschikt gebleven. Op 9 april 2026 heeft IrisZorg [de werkneemster] opnieuw op staande voet ontslagen. Aanleiding daarvoor zijn (nachtelijke) observaties van handelingen van [de werkneemster] die door IrisZorg zijn gekwalificeerd als het ongeoorloofd verrichten van nevenwerkzaamheden.\n\nTerecht ontslag op staande voet3.12. Naar het oordeel van het hof had IrisZorg op 31 januari 2025 een dringende reden voor het geven van een ontslag op staande voet. Dat ontslag op staande voet is onverwijld gegeven en de reden daarvoor is ook onverwijld meegedeeld. Daarvoor is het volgende van belang.\n\nwel een dringende reden3.13. IrisZorg heeft aangevoerd dat zij een dringende reden had op 31 januari 2025. [de werkneemster] heeft geen openheid van zaken gegeven en er zelfs over gelogen voor welke werkgever zij nevenwerkzaamheden verrichtte en uit hoeveel uren dat nevenwerk bestond. Zij heeft meermalen de gelegenheid daarvoor gehad, maar is (stelselmatig) niet transparant geweest, zonder steekhoudende verklaring daarvoor. Nevenwerkzaamheden zijn binnen IrisZorg niet ongebruikelijk maar dat is anders als a) de werknemer al arbeidsongeschikt is bij de start van het tweede dienstverband en b) de nevenwerkzaamheden zodanig omvangrijk zijn (40 uur) dat dit ingewikkeld of zelfs onmogelijk te combineren is met een dienstverband bij IrisZorg van 24 uur met onregelmatige diensten. De focus moet liggen op re-integratie: [de werkneemster] geeft aan graag weer te willen werken bij IrisZorg maar dat strookt niet met het tegelijkertijd aanvaarden van een tweede dienstverband elders voor 40 uur per week. Ten onrechte is verder bij IrisZorg een plicht gelegd om [de werkneemster] te bewegen tot openheid, want [de werkneemster] heeft daarin ook een eigen verantwoordelijkheid. Na de mededeling van [de werkneemster] op 22 mei 2024 was er voor IrisZorg geen reden om te twijfelen over de omvang van het tweede dienstverband, dus was er evenmin aanleiding om navraag te doen. Op 9 oktober 2024 is ten onrechte door [de werkneemster] gezegd dat het om 8-12 uur per week ging en in de WIA-aanvraag van 30 oktober 2024 gaf zij ten onrechte aan maar voor één werkgever te werken, aldus IrisZorg.\n\n3.14. \n\n [de werkneemster] heeft zich erop beroepen dat zij haar leidinggevende [de leidinggevende] op 22 mei 2024 heeft geïnformeerd over haar voornemen om eind mei 2024 bij een andere werkgever aan de slag te gaan. Naar aanleiding daarvan heeft IrisZorg niets gedaan. Ook heeft [de werkneemster] de bedrijfsarts geïnformeerd over haar nevenwerkzaamheden. [de werkneemster] heeft bevestigd tussen 27 mei 2024 en 26 december 2024 in dienst te zijn geweest bij [naam2] op de [locatie] in [plaats1] , waar zij tot haar uitval door ziekte op 8 oktober 2024 werkzaamheden heeft verricht. Tijdens het gesprek op 9 oktober 2024 heeft [de werkneemster] verteld dat haar nevenwerkgever [naam2] was, maar zij betwist te hebben gezegd dat zij daar slechts 8-12 uur werkte. De gespreksverslagen geven de gesprekken niet juist weer. Ook betwist [de werkneemster] dat zij de WIA-aanvraag onjuist heeft ingevuld: ten tijde van die aanvraag was zij weer uitgevallen en verrichtte ze geen werkzaamheden voor [naam2] . Vanaf 13 augustus 2024 is [de werkneemster] weer arbeidsgeschikt verklaard, dus heeft zij haar re-integratie niet belemmerd. Bovendien zijn het oordeel van de second opinion-arts en de afwijzing van de WIA-aanvraag door het UWV een bevestiging dat [de werkneemster] al geruime tijd arbeidsgeschikt was. Ter zitting heeft [de werkneemster] daaraan toegevoegd dat omdat IrisZorg haar ondanks herstel niet aan de slag wilde laten, zij zich wilde ‘bewijzen’ in het andere dienstverband. Tenslotte heeft [de werkneemster] gewezen op de zwaarwegende persoonlijke omstandigheid dat zij zwanger was ten tijde van het gegeven ontslag op staande voet. Bovendien is het ontslag op staande voet disproportioneel, aldus [de werkneemster] .\n\n- nevenwerkzaamhedenbeding geldig3.15. \n\nHet hof stelt voorop dat partijen bij de kantonrechter hebben gediscussieerd over de rechtsgeldigheid van het nevenwerkzaamhedenbeding in de arbeidsovereenkomst. Daarover heeft de kantonrechter geen expliciet oordeel gegeven, maar in de beschikking ligt besloten dat van de rechtsgeldigheid daarvan is uitgegaan. Er is door IrisZorg geen bezwaar gericht tegen de (impliciete) beslissing op dit onderdeel van het partijdebat, zodat het hof uit zal gaan van de rechtsgeldigheid. Dat is overigens ook juist. Artikel 7:653a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (kort gezegd) namelijk dat een beding nietig is als het de werknemer verbiedt voor anderen te werken buiten de werktijden bij de eigen werkgever, tenzij het beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. In het nevenwerkzaamhedenbeding van [de werkneemster] staat geen expliciet verbod op nevenwerkzaamheden, maar is een verplichting opgenomen om vooraf toestemming te vragen om nevenwerkzaamheden te gaan verrichten. Ook zo’n beding valt onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW. IrisZorg kan toestemming alleen weigeren als daar een objectieve reden voor bestaat. Een beding waarvoor geen objectieve rechtvaardiging gegeven is of gegeven kan worden is nietig.In dit geval heeft IrisZorg erop gewezen dat met de nevenwerkzaamheden zoals [de werkneemster] die verrichtte de normen van de Arbeidstijdenwet zijn overtreden, wat een objectieve rechtvaardiging vormt om toestemming (als die gevraagd zou zijn) te mogen weigeren. Het nevenwerkzaamhedenbeding is dus geldig.\n\n- verschillende terechte verwijten3.16. Voor de beoordeling van de verschillende gedragingen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd zijn mede de gespreksverslagen van belang. Vast staat dat pas in hoger beroep en alleen in het algemeen de juistheid van de (citaten uit de) gespreksverslagen van het gesprek van 22 mei 2024 en van 9 oktober 2024 wordt betwist. [de werkneemster] heeft niet betwist dat zij de gespreksverslagen destijds heeft ontvangen. Zij heeft na ontvangst daarvan daar niet op gereageerd noch heeft zij eventuele onjuistheden laten corrigeren. Omdat zij ook nu niet concreet maakt waarom die gespreksverslagen onjuist zijn (terwijl zij naar eigen zeggen in elk geval op 22 mei 2024 arbeidsgeschikt was zodat een psychische belemmering niet aannemelijk is) passeert het hof de stelling van onjuistheid van de gespreksverslagen. De enige toegespitste betwisting (ook al bij de kantonrechter), namelijk dat [de werkneemster] op 9 oktober 2024 niet heeft gezegd dat het dienstverband bij [naam2] maar voor 8-12 uur is, acht het hof onvoldoende gelet op de e-mail van [de werkneemster] van 24 april 2024 aan IrisZorg waarin ze het heeft over in mei ‘solliciteren naar een zorg functie voor 8 uur naast mijn huidige’en het uitblijven van enige reactie toentertijd op het verslag van het gesprek van 9 oktober 2024.\n\n3.17. Het hof oordeelt vervolgens dat verschillende verwijten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd terecht zijn. Omdat het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is, had [de werkneemster] vooraf aan IrisZorg toestemming moeten vragen voor het mogen gaan verrichten van nevenwerkzaamheden bij [naam2] . Dat zij dat niet heeft gedaan, heeft [de werkneemster] niet betwist. Op 22 mei 2024 heeft zij blijkens het gespreksverslag (zie 3.4) gemeld dat zij is gestart met het werken bij een andere werkgever. Dat is niet vooraf en dat is niet het vragen om toestemming. Als haar mededeling betrekking had op haar dienstverband bij [naam2] , dan is weliswaar de startdatum bij [naam2] 27 mei 2024, maar [de werkneemster] heeft in eerste aanleg aangegeven al een aantal weken daaraan voorafgaand scholing bij [naam2] te hebben gevolgd. Ook om die reden is niet vooraf om toestemming gevraagd. Op 9 oktober 2024 heeft [de werkneemster] verklaard gedurende enkele maanden bij een andere zorginstelling aan het werk geweest te zijn voor circa 8-12 uur per week (zie 3.6). Ook dat is niet vooraf en niet het vragen om toestemming. IrisZorg heeft erkend dat het niet ongebruikelijk was dat werknemers nevenwerkzaamheden verrichtten, maar door [de werkneemster] is niet concreet en onderbouwd gesteld dat dat werd goedgevonden zonder voorafgaande toestemming, wat ook niet is gebleken. Haar nevenwerkzaamheden bij [naam1] zijn bijvoorbeeld ook met toestemming verricht.\n\n3.18. Ook het tweede verwijt, namelijk het niet transparant zijn is terecht. [de werkneemster] heeft geen volledige informatie verstrekt over waar ze werkte, de aard van het werk, de werktijden en de duur van de werkzaamheden. Dat heeft zij niet uit zichzelf gedaan in de gesprekken op 22 mei 2024 en 9 oktober 2024 terwijl dit wel op haar weg lag. Omdat zij al nevenwerkzaamheden verrichtte zonder toestemming vooraf had zij op zijn minst openheid van zaken moeten geven toen zij het nevenwerk ter sprake bracht. [de werkneemster] heeft zich er nog op beroepen dat IrisZorg wist van de nevenwerkzaamheden en die zonder verder protest goed heeft gevonden. Het is juist dat op 22 mei 2024 door [de werkneemster] is gezegd dat het om nevenwerkzaamheden ging bij een zorginstelling in de nacht, maar zoals IrisZorg ter zitting heeft toegelicht was niet bekend welke zorginstelling dat was en voor hoeveel uur zij werkte. [de werkneemster] heeft op geen enkel moment duidelijk gemaakt dat de werkzaamheden 40 uur in de week bedroegen en dat had ze wel moeten doen. Bovendien bleek tijdens de zitting bij het hof dat het bij [naam2] om werkzaamheden overdag ging en niet in de nacht, en dat zij werkte op de [locatie] in [plaats1] en niet bij een zorginstelling. IrisZorg heeft bij het hof uitgelegd dat als zij had geweten dat de omvang 40 uur was, zij geen toestemming voor de nevenwerkzaamheden zou hebben gegeven, onder meer gelet op de maximale arbeidstijden, minimale rusttijden en regels rond nachtwerk uit de Arbeidstijdenwet. Dat had ook voor [de werkneemster] zonder meer duidelijk moeten zijn.3.19. Verder neemt het hof over dat [de werkneemster] niet eerlijk is geweest in het gesprek op 9 oktober 2024. Uit het gespreksverslag blijkt dat zij toen 8-12 uur per week heeft genoemd, wat aansluit bij haar e-mail van 24 april 2024 waarin [de werkneemster] het in mei solliciteren op een functie voor 8 uur per week noemt. Op 9 oktober 2024 was [de werkneemster] echter al maanden voor 40 uur per week bij [naam2] aan het werk geweest, zodat zij met haar mededeling in het gesprek een verkeerd beeld bij IrisZorg heeft geschetst. Ter zitting heeft [de werkneemster] niet aannemelijk kunnen maken dat zij niet 40 uur per week heeft gewerkt. Zij heeft genoemd dat zij in het begin elke paar dagen vooral toetsen moest maken, dat zij geen 40 uur hoefde te werken maar dat zij wel een fulltime salaris kreeg. Dat heeft zij verder niet concreet onderbouwd en past, naar het oordeel van het hof, eerder bij haar opmerking dat zij voor de start van het dienstverband eerst scholing kreeg.\n\n3.20. Ook is [de werkneemster] niet eerlijk geweest in de WIA-aanvraag. Zij heeft geschreven dat zij toestemming had voor het verrichten van nevenwerkzaamheden terwijl dat niet zo was. Bovendien is onjuist wat [de werkneemster] schreef namelijk dat toen zij startte met de re-integratie (september 2024), zij zou zijn gestopt (zie 3.7). [de werkneemster] was namelijk nog gewoon voor 40 uur per week in dienst bij [naam2] terwijl zij toen (september 2024) naar eigen zeggen ook niet arbeidsongeschikt was. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [de werkneemster] tijdens de mondelinge behandeling dat IrisZorg de WIA-aanvraag voor haar zou hebben ingevuld. Vast staat dat zij dat samen met iemand van HR van IrisZorg heeft gedaan, waarbij [de werkneemster] echter de verantwoordelijkheid voor de juistheid droeg, terwijl niet is gebleken dat zij op dat moment last had van zodanige medische belemmeringen dat zij dat invullen niet volledig en naar waarheid zou kunnen.\n\n3.21. \n [de werkneemster] heeft haar stelling dat zij de bedrijfsarts heeft geïnformeerd over haar nevenwerkzaamheden bij [naam2] niet concreet gemaakt, bijvoorbeeld wat ze heeft verteld en wanneer zij dat met de bedrijfsarts heeft gedeeld. Uit de verslagen van de bedrijfsarts van april, mei, september en oktober 2024 blijkt niet dat de bedrijfsarts op de hoogte was van de nevenwerkzaamheden (of de daaraan voorafgaande scholing), de aard daarvan of de omvang. Andere aanwijzingen dat de bedrijfsarts door [de werkneemster] is geïnformeerd zijn er ook niet. Het hof passeert daarom die stelling.\n\n3.22. \n\nDoordat niet vaststaat dat [de werkneemster] de primaire bedrijfsarts heeft geïnformeerd over de aard van het nevenwerk bij [naam2] , de plaats, de omvang en de periode (27 mei tot 8 oktober 2024) daarvan, is niet uit te sluiten dat de bedrijfsarts in mei of september 2024 de actuele belastbaarheid van [de werkneemster] niet goed heeft kunnen beoordelen. Zo schrijft de bedrijfsarts bijvoorbeeld op 24 mei 2024 dat het doel van de re-integratie terugkeer is in passend werk, dat in de komende tijd mogelijkheden zullen zijn bijvoorbeeld voor 2 x 2u en dat zij, met de informatie die zij toen had, geen goed oordeel kon geven over de mogelijkheden, de beperkingen en de prognose ervan. [de werkneemster] heeft er terecht op gewezen dat zij op 13 augustus 2024 door de second opinion-arts arbeidsgeschikt is bevonden. Niettemin vereisen de Poortwachterverplichtingen dat zij al in mei 2024 de bedrijfsarts had moeten informeren. Als de bedrijfsarts toen had geweten van nevenwerkzaamheden voor 40 uur in de week was misschien de re-integratie anders vormgegeven of was het tot een hersteldverklaring door de bedrijfsarts gekomen. Dat klemt des te meer omdat de second opinion-arts blijkens diens oordeel wel was geïnformeerd over nevenwerkzaamheden en hij [de werkneemster] , mede op basis daarvan, arbeidsgeschikt verklaarde. Dat de bedrijfsarts daarna de second opinion niet met [de werkneemster] heeft besproken maakt een en ander niet anders.\n\n- weging van de omstandigheden3.23. \n [de werkneemster] heeft nog gewezen op een aantal bijzondere omstandigheden die het hof meeweegt. Dat [de werkneemster] op 31 januari 2025 zwanger was is hier geen bijzondere omstandigheid die aan het geven van het ontslag op staande voet in de weg staat. Zwangerschap levert bij een ontslag op staande voet geen opzegverbod op en bovendien heeft die zwangerschap op geen enkele manier een rol gespeeld als grond voor het ontslag op staande voet. Dat [de werkneemster] haar arbeidsgeschiktheid wilde bewijzen in een ander dienstverband, vanwege de weigering van (de bedrijfsarts van) IrisZorg haar hersteld te verklaren, acht het hof geen rechtvaardiging voor haar handelen. Los nog van het feit dat het om werken overdag gedurende 40 uur in ander werk gaat, de weg om het oordeel over arbeidsgeschiktheid of niet te laten toetsen is het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV, en niet het verrichten van nevenwerkzaamheden. Ten slotte neemt het hof niet over dat het hier om een disproportionele maatregel gaat. Dat een lichtere maatregel mogelijk is maakt nog niet dat een werkgever daarvoor hoeft te kiezen als hij van mening is dat er sprake is van daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer die ten gevolge hebben dat redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij komt dat als het alleen om overtreding van de re-integratievoorschriften zou gaan een loonmaategel weliswaar eerder is aangewezen, maar hier gaat het om een samenstel van (ook) andere redenen.3.24. Op grond van het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien (het niet vooraf vragen van toestemming hoewel daartoe verplicht, het niet transparant zijn op verschillende momenten terwijl dat wel had gemoeten, het niet informeren van de bedrijfsarts waardoor re-integratiemogelijkheden niet goed konden worden ingeschat) oordeelt het hof dat op 31 januari 2025 sprake was van een dringende reden voor IrisZorg voor het geven van een ontslag op staande voet. Het bezwaar van IrisZorg tegen de beschikking van de kantonrechter op dit punt slaagt dus.\n\nonverwijld ontslag3.25. In eerste aanleg heeft [de werkneemster] aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is opgezegd en de dringende reden niet onverwijld is meegedeeld, terwijl de wet dat wel vereist (artikel 7:677 lid 1 BW). IrisZorg heeft dat betwist: het ontslag is volgens haar onmiddellijk gegeven nadat IrisZorg de ernst en omvang van de gedragingen volledig heeft kunnen vaststellen en [de werkneemster] voldoende in de gelegenheid heeft gesteld voor hoor en wederhoor.\n\n3.26. Naar het oordeel van het hof is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven en is de dringende reden onverwijld meegedeeld. Uit het gespreksverslag van 23 januari 2025 en de ontslag op staande voet-brief van 31 januari 2025 blijkt duidelijk dat IrisZorg vooral ook het aantal uur dat [de werkneemster] in haar nevenfunctie werkte van belang vond. De omvang van de nevenfunctie bleek pas in januari 2025 en daarop heeft IrisZorg [de werkneemster] gehoord en haar een redelijke termijn van één week gegeven om haar verweer op dat punt te onderbouwen. Toen die onderbouwing uitbleef en (onbetwist) na nader onderzoek heeft IrisZorg onverwijld op 31 januari 2025 ontslag op staande voet gegeven waarbij de dringende reden ook onverwijld is meegedeeld. conclusie3.27. Omdat er een dringende reden bestaat en het ontslag ook onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld is meegedeeld, was er op 31 januari 2025 sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft in zijn beschikking dus ten onrechte het ontslag op staande voet vernietigd.\n\nRechtsgevolg onterechte vernietiging ontslag op staande voet3.28. \n\nIn artikel 7:683 lid 6 BW staat (kort gezegd) dat als het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet heeft vernietigd, het hof bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in hoger beroep geen einde van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht is toegestaan. In de toelichting op artikel 7:683 BW is opgemerkt:\n\n“Alle geschillen op grond van de arbeidsrechtelijke verhouding tussen werknemer en werkgever kunnen aan de kantonrechter in eerste aanleg worden voorgelegd. Tegen diens beslissing staan hoger beroep en cassatieberoep open, waarbij de normale regels van het civiele procesrecht van toepassing zijn voorzover in artikel 7:683 BW niet in een aantal bijzondere aspecten van hoger beroep en cassatieberoep wordt voorzien.\n\n(…)\n\nIn het geval bedoeld in het vijfde lid, bepaalt de rechter op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt - een ontbinding met terugwerkende kracht is niet toegestaan -, waarbij het hem vrijstaat een billijke (additionele) vergoeding aan de werknemer toe te kennen. In de gevallen bedoeld in het zesde lid bepaalt de rechter in hoger beroep of cassatie op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarbij is het de appel- of cassatierechter niet toegestaan om een beschikking van de kantonrechter houdende een vernietiging van de opzegging te vernietigen, omdat de opzegging zelf dan zou herleven, hetgeen per saldo zou neerkomen op een (door het nieuwe stelsel niet beoogde) einddatum in het verleden.”3.29. Het hof moet het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt dus bepalen op de datum van deze beschikking of daarna. Doordat IrisZorg [de werkneemster] echter voor een tweede keer op staande voet heeft ontslagen, op 9 april 2026, is de arbeidsovereenkomst tussen hen al geëindigd. Op dit moment bestaat tussen partijen dus geen arbeidsovereenkomst waarvan het hof de einddatum kan bepalen. [de werkneemster] heeft op de mondelinge behandeling van het hof aangekondigd ook vernietiging van dat ontslag op staande voet te verzoeken bij de kantonrechter. Dit maakt dat IrisZorg belang heeft bij een voorwaardelijk einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:683 lid 6 BW.\n\n3.30. Ter zitting is aan partijen gevraagd welke invloed het tweede ontslag op staande voet heeft op de verzoeken in deze procedure. IrisZorg heeft toegelicht dat haar verzoeken in hoger beroep als voorwaardelijk moeten worden gezien. Haar primaire verzoek om de beslissing van de kantonrechter over het ontslag op staande voet te vernietigen wordt gedaan onder de voorwaarde dat het tweede ontslag op staande voet geen stand houdt. Als het hof dat standpunt niet zou honoreren dan verzoekt IrisZorg (subsidiair) om aanhouding van de zaak totdat is beslist over de rechtsgeldigheid van het tweede ontslag op staande voet. [de werkneemster] heeft aangegeven dat de subsidiaire variant een lange weg is, terwijl zij wil herstellen en rust wil.3.31. De vraag rijst of een voorwaardelijk einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:683 lid 6 BW binnen het systeem van de wet mogelijk is. Het hof meent van wel. Deze situatie wijkt af van de Mediantzaak waarin de Hoge Raad (HR) prejudiciële vragen heeft beantwoord.In die kwestie was de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer verzocht bij de kantonrechter om vernietiging van het ontslag op staande voet, waarna de werkgever zelfstandig een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indiende. Daarbij is voorwaardelijke ontbinding verzocht ‘te weten voor zover de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld’. De werknemer heeft in dat zelfstandig verzoek een tegenverzoek ingediend gericht op toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft in die zaak het vernietigingsverzoek en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met tegenverzoek gesplitst. In het vernietigingsverzoek is een bewijsopdracht gegeven, in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met tegenverzoek zijn prejudiciële vragen gesteld. Voor zover hier relevant heeft de kantonrechter aan de HR gevraagd of een werkgever in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding kan worden ontvangen indien de werknemer een verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet heeft ingediend en op dat verzoek nog niet is beslist (bijvoorbeeld omdat een bewijsopdracht is gegeven), en of bij de beantwoording van die vraag onderscheid gemaakt dient te worden naar gelang de formulering van de voorwaarde, te weten: (a) de voorwaarde ‘dat de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld’ en (b) de voorwaarde ‘indien en voor zover het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging (het gegeven ontslag op staande voet) wordt afgewezen’?\n\n3.32. De HR heeft geantwoord dat een werkgever onder het huidige ontslagrecht nog steeds de mogelijkheid heeft een verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, maar dat de voorwaarde die aan het verzoek kan worden verbonden evenwel beperkt is. De HR overweegt in rechtsoverwegingen (rov.) 3.6.1-3.6.2 dat, in het licht van de doelstellingen van de Wet werk en zekerheid (namelijk vereenvoudiging en bevordering van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid) en wat in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt bij artikel 7:686a lid 3 BW, uitgangspunt moet zijn dat geschilpunten omtrent een ontslag op staande voet en ontbinding van de arbeidsovereenkomst die geheel of overwegend betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex maar onderwerp zijn van verschillende zaken die gelijktijdig aanhangig zijn, verknocht zijn (artikel 285 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv).\n\n3.33. Vervolgens overweegt de HR in rov. 3.12.1-3.13.2 specifiek voor de situatie dat de rechter in hoger beroep moet oordelen over (kort gezegd) a) de situatie dat het verzoek van de werkgever om ontbinding ten onrechte is toegewezen of het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 3 BW) of b) de situatie dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Uit die overwegingen volgt dat in die gevallen de rechter in hoger beroep de bevoegdheid om (de werkgever te veroordelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen in volle omvang moet kunnen uitoefenen met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee is onverenigbaar dat de kantonrechter desverlangd de voorwaardelijk verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ook) zou uitspreken voor het geval de rechter in hoger beroep, anders dan de kantonrechter, het op staande voet gegeven ontslag (in de woorden van het hof) onterecht zou vinden.Een verzoek tot ontbinding onder een zodanige voorwaarde, moet dus in zoverre door de kantonrechter worden afgewezen. Gelet op het systeem van het huidige recht kan in dit verband slechts als voorwaarde worden gesteld dat het op staande voet gegeven ontslag door de rechter van dezelfde aanleg wordt vernietigd, voor welk geval de rechter die tot dat oordeel komt, kan worden verzocht de overeenkomst te ontbinden.\n\n3.34. In deze zaak is er geen sprake van een situatie van artikel 7:683 lid 3 of lid 5 BW maar van een situatie van artikel 7:683 lid 6 BW. Hiervoor is al geoordeeld dat het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is toegewezen. Daarmee wordt in hoger beroep niet meer toegekomen aan het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. IrisZorg heeft als voorwaarde voor de behandeling van het ontbindingsverzoek in eerste aanleg genoemd: ‘indien en voor zover het ontslag op staande voet is vernietigd’ en heeft dat in hoger beroep gehandhaafd. Omdat de voorwaarde voor dat verzoek niet in vervulling is gegaan wordt ook geen oordeel gegeven of het voorwaardelijk ontbindingsverzoek door de kantonrechter ten onrechte is afgewezen.3.35. In deze situatie is een nieuwe omstandigheid het tweede ontslag op staande voet. Dat tweede ontslag op staande voet ligt niet ter beoordeling bij het hof voor, net zo min als de door IrisZorg aangevoerde omstandigheden van na de beschikking van de kantonrechter die (ex nunc) mogelijk relevant zouden zijn geweest voor de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Hiervoor is immers overwogen dat, omdat aan de voorwaarde niet is voldaan, ook geen oordeel wordt gegeven over het voorwaardelijk ontbindingsverzoek.3.36. Een rechter kan een voorwaardelijke eindbeslissing nemen. In dit geval zal het hof het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op de datum van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst (nog) bestaat. De voorwaarde hangt samen met het tweede ontslag op staande voet dat mede is gebaseerd op een ander feitencomplex en waarover partijen kunnen procederen bij de kantonrechter en het hof. Dat wordt niet doorkruist met een voorwaardelijke eindbeslissing van dit hof ten aanzien van het eerste ontslag op staande voet. Er kunnen zich dan verschillende situaties voordoen:\n\n- Dient [de werkneemster] niet tijdig een vernietigingsverzoek in met betrekking tot het tweede ontslag op staande voet dan bestaat de arbeidsovereenkomst niet meer en staat daarmee het einde van de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026 vast.\n\nDient [de werkneemster] wel zo’n verzoek in en zal uit een onherroepelijke beslissing op dat verzoek blijken, hetzij dat het tweede ontslag op staande voet wordt vernietigd, hetzij (in een nieuw hoger beroep) dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet niet heeft vernietigd, dan bestaat de arbeidsovereenkomst nog. In dat geval zal de arbeidsovereenkomst eindigen op de datum van deze beschikking.\n\nAls [de werkneemster] tijdig een vernietigingsverzoek indient en uit een onherroepelijke beslissing blijkt dat het tweede ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, bestaat de arbeidsovereenkomst niet meer op de datum van deze beschikking en eindigt de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026.\n\nBlijkt bij onherroepelijke beslissing (bij een nieuw hoger beroep) dat het tweede ontslag op staande voet ten onrechte door de kantonrechter is vernietigd, dan bestaat de arbeidsovereenkomst nog en eindigt de arbeidsovereenkomst op de datum van deze beschikking.\n\nLoonaanspraak bij onterecht vernietigd ontslag op staande voet3.37. \n\n Het hof neemt aan dat in het beroepschrift in de formulering van de precieze verzoeken van IrisZorg in hoger beroep (het petitum) woorden zijn weggevallen. Nu staat er:\n\n‘Te verklaren voor recht dat IrisZorg over de periode gelegen tussen 31 januari 2025 en de door uw Gerechtshof vast te stellen datum waarop de tussen IrisZorg en [de werkneemster] bestaande arbeidsovereenkomst zal eindigen en aan [de werkneemster] geen loon is verschuldigd;’\n\nDit verzoek wordt zo uitgelegd dat IrisZorg het hof verzoekt een datum vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt alsook te verklaren voor recht dat IrisZorg tussen 31 januari 2025 en de door het hof vastgestelde datum van het einde van de arbeidsovereenkomst aan [de werkneemster] geen loon verschuldigd is.\n\n3.38. De HR heeft het recht op loon beoordeeld in de situatie dat de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet toewijst maar het hof oordeelt dat dat verzoek ten onrechte is toegewezen.Die situatie is hier aan de orde. De HR heeft geoordeeld dat de aanspraak op loon moet worden bepaald aan de hand van artikel 7:627 BW (oud, kort gezegd: geen werk, geen loon) en artikel 7:628 lid 1 BW (oud, kort gezegd: geen werk, toch loon, als de oorzaak van het niet werken in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen). Bij de beoordeling van die aanspraak moeten twee periodes worden onderscheiden, te weten periode 1 (tussen het ontslag op staande voet en de beslissing van de kantonrechter waarbij de opzegging wordt vernietigd) en periode 2 (tussen de beslissing van de kantonrechter en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep). Voor beide periodes, zij het op andere gronden, heeft de HR bepaald dat de oorzaak van het niet werken in redelijkheid niet voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarbij biedt de maatstaf van artikel 7:628 lid 1 BW (oud) ruimte voor het oordeel dat de uitspraak van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geheel of gedeeltelijk (wel) voor risico van de werkgever komt.\n\n3.39. In het huidig recht zijn de artikelen 7:627 en 628 lid 1 BW (oud) vervangen door artikel 7:628 lid 1 BW. Daarin is opgenomen dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Met deze wijziging is geen inhoudelijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer en van de rechtspraak van de HR daarover beoogd. Het is wel aan de werkgever om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten, alsmede dat het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt.IrisZorg heeft echter niet gesteld dat of op grond waarvan bij [de werkneemster] de bereidheid om te werken ontbrak, noch dat of op grond waarvan het niet verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van [de werkneemster] komt. De verzochte verklaring voor recht kan dus niet op deze grond worden afgegeven.\n\n3.40. \n\nDe HR heeft in de Wilco-beschikking ook gewezen op de mogelijkheid om in deze situatie een beroep te doen op matiging van het verschuldigde loon met overeenkomstige toepassing van artikel 7:680a BW dan wel een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Omdat IrisZorg daarop geen beroep heeft gedaan laat staan daarvoor relevante feiten en omstandigheden heeft gesteld kan het verzoek van IrisZorg ook niet op een van die gronden worden toegewezen.\n\nConclusie\n\n3.41. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van IrisZorg grotendeels slaagt, zodat [de werkneemster] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld. Ook zal [de werkneemster] worden veroordeeld in de kosten van IrisZorg van de procedure bij de kantonrechter, conform de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz.3.42. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen zodanig concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken dat die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2025 en opnieuw rechtdoende:\n\n4.2. bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen IrisZorg en [de werkneemster] eindigt op de datum van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst (nog) bestaat;\n\n4.3. \n\nveroordeelt [de werkneemster] tot betaling van de volgende proceskosten van IrisZorg tot aan de uitspraak van de kantonrechter:\n\n€ 814 aan salaris van de advocaat van IrisZorg\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van IrisZorg in hoger beroep:\n\n€ 827 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van IrisZorg (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);4.4. bepaalt dat deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.5. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, G.A. Diebels en F.G. Laagland, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. G.A. Diebels en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Rechtbank Gelderland 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7172\n\nKamerstukken II2021-2022, 35 962, nr. 3 (MvT), p. 4 en 14.\n\n Productie 13 bij het aanvullend verweerschrift bij de kantonrechter.\n\n Artikel 32 lid 3 aanhef en onder c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.\n\nKamerstukken II2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 119-120.\n\n HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant-beschikking).\n\n Naar later door de HR is aangevuld in ECLI:NL:HR:2017:571 (Vlisco-beschikking).\n\n HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209 (Wilco-beschikking), rov. 3.5.1. e.v. situatie (b).\n\nKamerstukken II2013-2014 33 818, nr. 3 (MvT), p. 87-88; HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, rov 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3919","2026-07-13T00:29:04.459Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":62,"updatedAt":79},"1145","ECLI:NL:GHARL:2026:3679","ecli-nl-gharl-2026-3679","2026-06-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.679\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11671308\n\nbeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nAlfa Laval Nijmegen B.V.\n\ndie is gevestigd in Nijmegen\n\nhierna: ALN\n\nadvocaat: mrs. S.A. Poelman en C. Jacobs\n\nen\n\n [verweerder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [verweerder]\n\nadvocaat: mr. R.K.A. Kop\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. ALN heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 24 juli 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel appel\n\nhet verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel appel\n\n1.2.. Op 29 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.\n\n2.2.. ALN heeft bij de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege bedrijfseconomische redenen (artikel 7:699 lid 3 sub a BW, a-grond), subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW, g-grond).\n\n2.3.. \n [verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. Omdat hij van mening is dat ALN bij de reorganisatie en het voorgenomen ontslag ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij de kantonrechter (ook) verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en daarbij te bepalen dat hem een billijke vergoeding wordt toegekend wegens het onterechte ontslag. Verder maakt hij aanspraak op de transitievergoeding, betaling van nakoming van de vergoedingen uit het Sociaal Plan, vergoeding van de juridische kosten, een opzegtermijn van drie maanden, vergoeding voor pensioenschade en opheffing van het concurrentie- en relatiebeding.\n\n2.4.. De kantonrechter heeft het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond afgewezen. Volgens de kantonrechter heeft ALN voldoende aangetoond dat zij op grond van bedrijfseconomische redenen genoodzaakt was haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen kwamen te vervallen. Maar ALN heeft onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] als gevolg van de reorganisatie moest komen te vervallen, nu zij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast. Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is afgewezen omdat volgens de kantonrechter geen sprake is van een ernstige en duurzame verstoorde arbeidsrelatie, waarvan geen herstel mogelijk is. ALN heeft te weinig gedaan om tot een oplossing van de (volgens haar) verstoorde arbeidsverhouding te komen.\n\n2.5.. \n\nHet tegenverzoek van [verweerder] is toegewezen op grond van artikel 7:671c BW. In zo’n geval is de werkgever\u002FALN de transitievergoeding alleen verschuldigd als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Voor de toekenning van een billijke vergoeding geldt hetzelfde. De kantonrechter is van oordeel dat ALN niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding of een billijke vergoeding.\n\nDe overige tegenverzoeken zijn afgewezen, behalve het verzoek met betrekking tot het concurrentie- en relatiebeding. De kantonrechter heeft zijn oordeel over de pensioenschade aangehouden, omdat [verweerder] had verzocht de gelegenheid te krijgen zijn verzoek in te trekken als aan de ontbinding geen billijke vergoeding zou worden verbonden. [verweerder] heeft zijn tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingetrokken, zodat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven en eventueel geleden pensioenschade niet meer aan de orde is gekomen.\n\n2.6.. De bedoeling van het principaal hoger beroep van ALN is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen en dat het hof een tijdstip bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (mocht de arbeidsovereenkomst worden ontbonden) van [verweerder] heeft betrekking op de vergoedingen waar hij ook in zijn tegenverzoek bij de kantonrechter om had verzocht (zie 2.3.). Bovendien heeft hij verzoeken gedaan die betrekking hebben op loonsverhoging en verlofdagen.\n\n2.7.. Het hof zal bepalen dat het principaal hoger beroep van ALN slaagt en het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. Het vonnis van de kantonrechter blijft dus niet in stand. De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 augustus 2026. De grond voor die beëindiging is het vervallen van de arbeidsplaats vanwege bedrijfseconomische redenen (de a-grond). De verzoeken van [verweerder] zullen worden afgewezen. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nachtergrond van het geschil\n\n3.1.. ALN maakt onderdeel uit van de wereldwijde Alfa Laval groep. ALN legt zich toe op de ontwikkeling, verkoop en productie van inert gas systems (IGS) en exhaust gas systems (EGS) voor toepassingen in de maritieme sector. De activiteiten van ALN behoren binnen de Alfa Laval groep tot de Business Unit Heat & Gas Systems (BU HGS), onderdeel van de binnen de groep te onderscheiden Divisie Marine Business. ALN dient daarbij ook als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS.\n\n3.2.. Op 17 november 2014 is [verweerder] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Process System Engineer tegen een maandsalaris van € 6.042,28 bruto.\n\n3.3.. Op 12 september 2024 is door ALN (in de persoon van Managing Director [naam1] ) een adviesaanvraag voor een reorganisatie ingediend bij de Ondernemingsraad. Daarin staat het voornemen om de aan IGS gerelateerde activiteiten geheel te staken en de aan EGS gerelateerde activiteiten vanuit de onderneming in Denemarken (Aalborg) en China (Qingdao) te verrichten. ALN zou dan enkel nog als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS blijven voortbestaan, waardoor ruim 50 arbeidsplaatsen binnen ALN vervallen.\n\n3.4.. Op 26 september 2024 heeft ALN een melding in de zin van de Wet melding collectief ontslag gedaan. De Ondernemingsraad heeft op 30 oktober 2024 een positief advies uitgebracht en heeft het Sociaal Plan ondertekend.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 heeft ALN voor 51 boventallige werknemers, onder wie [verweerder] , een voorlopige ontslagaanvraag (formulier A) ingediend bij het UWV. Op 29 oktober 2024 zijn individuele gesprekken gevoerd met alle werknemers van wie de arbeidsplaats zou komen te vervallen.\n\n3.7.. \n [verweerder] heeft op 31 oktober 2024 verder gesproken met [naam2] (Manager System Development) en [naam3] (HR Business Partner). In dat gesprek zijn de gevolgen van de reorganisatie, waaronder herplaatsing, aan bod gekomen en heeft [verweerder] nog specifieke vragen gesteld, die de advocaat van ALN per mail van 6 november 2024 heeft beantwoord. Ook heeft de afdeling HR van ALN op die datum per e-mail drie vacatures gestuurd aan alle medewerkers die door de reorganisatie hun functie zouden verliezen. [verweerder] heeft over deze vacatures vragen aan ALN gesteld, waarna een gesprek met HR van ALN heeft plaatsgevonden.\n\n3.8.. Op 14 november 2024 vond een gesprek plaats tussen de recruiter van ALN, [naam4] en [verweerder] , naar aanleiding van een door [verweerder] getoonde interesse in de vacante functie van Process Engineer (Service). Na afloop van het gesprek heeft [verweerder] [naam4] per e-mail laten weten dat hij over de functie zal nadenken en in dat verband gevraagd of de nieuwe functie onder zijn bestaande contract wordt voortgezet of dat er opnieuw over salaris en arbeidsvoorwaarden moet worden onderhandeld.\n\n3.9.. \n [naam5] (HR Business Partner ALN) heeft [verweerder] op 18 november 2024 aanvullende informatie over de functie van Process Engineer (Service) verstrekt en aangegeven dat de werkzaamheden minder complex zouden zijn dan de (vervallen) functie van [verweerder] en de functie daardoor ook lager was ingeschaald en dat de inschaling de komende jaren niet zou worden verhoogd. Op 20 en 21 november 2024 hebben [naam5] en [verweerder] hierover via Teams gesproken. [verweerder] gaf aan door de verandering in het operationele takenpakket en het lagere salaris te twijfelen of hij wel formeel zou gaan solliciteren. [verweerder] heeft uiteindelijk niet (meer) gesolliciteerd.\n\n3.10.. \n\nDe organisatiewijzigingen binnen ALN zijn per 1 december 2024 geëffectueerd.\n\nDaarbij is boventallige werknemers gevraagd om nog enige tijd werkzaamheden te blijven verrichten.\n\n3.11.. Op 12 december 2024 heeft [naam5] via de advocaat van [verweerder] een nieuwe vacature voor de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty onder de aandacht gebracht. [verweerder] heeft niet op deze vacature gereageerd.\n\n3.12.. Het UWV heeft op 7 februari 2025 op de ontslagaanvraag beslist. Volgens het UWV heeft ALN aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische redenen om arbeidsplaatsen te laten vervallen, maar zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat daarmee specifiek de arbeidsplaats van [verweerder] komt te vervallen. Door deze onduidelijkheid heeft het UWV niet kunnen vaststellen of het afspiegelingsbeginsel – en daarmee de ontslagvolgorde – juist is toegepast bij de voordracht van het ontslag. Het UWV heeft ook de herplaatsingsinspanningen van ALN onvoldoende geacht. Van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is volgens UWV geen sprake en het UWV heeft dan ook de toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen geweigerd.\n\n3.13.. \n [naam5] heeft vervolgens in een e-mail van 14 maart 2025 [verweerder] voor een herplaatsingsgesprek op 17 maart 2025 uitgenodigd. Zij heeft als bijlage bij dit e-mailbericht een overzicht van alle (circa 392) vacatures binnen de groep van Alfa Laval gevoegd. Ook heeft zij nog de vacatureteksten van vier binnen deze groep openstaande vacatures gevoegd, omdat zij meende dat deze gelet op de huidige rol van [verweerder] passend waren. [naam5] heeft [verweerder] verzocht om alvast na te denken over zijn herplaatsingsvoorkeuren, zoals een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn te verhuizen.\n\n3.14.. \n [verweerder] heeft in zijn e-mailbericht van 20 maart 2025 aan [naam5] (met cc aan [naam1] ) gereageerd op de ontvangen notulen van dit gesprek. Hij heeft niet, zoals ALN hem had verzocht, de gehele lijst van 392 vacatures van de internationale Alfa Laval organisatie doorgenomen omdat herplaatsing volgens hem de verantwoordelijkheid van de werkgever is en hij zijn eigen functie wil behouden wat dus niet met elkaar te rijmen is. Verder heeft hij laten weten geen interesse te hebben in de vier door ALN aangedragen functies, omdat het om typisch mechanical engineer functies gaat en hij geen diepgaande kennis van mechanische constructies heeft. Dit nog los van het feit dat dit functies in het buitenland zijn terwijl hij heeft besloten geen buitenlandse functies te accepteren, aldus [verweerder] .\n\n3.15.. \n [naam5] heeft in reactie hierop in haar e-mail van 25 maart 2025 [verweerder] nog gewezen op twee andere vacatures, die van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen). [verweerder] laat dezelfde dag weten onvoldoende interesse te hebben; hij geeft de voorkeur aan het behoud van zijn eigen functie.\n\n3.16.. Op 7 april 2025 is bij de rechtbank Gelderland het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnengekomen. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de kantonrechter in die rechtbank het verzoek afgewezen. Het verzoek tot ontbinding namens [verweerder] heeft de kantonrechter toegewezen, maar is door [verweerder] op 29 juli 2025 ingetrokken.\n\n3.17.. Op 17 april 2025 is [verweerder] verzocht zijn nog resterende taken, in overleg met [naam2] , af te ronden en over te dragen, waarna hij per 28 april 2025 zou worden vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.\n\n3.18. Op 21 augustus 2025 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] , [naam5] en [naam1] , waarin [verweerder] heeft verteld over ingrijpende gebeurtenissen in zijn privéleven. Ook heeft hij aangegeven dat de hele procedure rond de reorganisatie hem zwaar viel en hij spanningsklachten ervaarde. In dit gesprek heeft ALN de opties na de uitspraak van de kantonrechter met [verweerder] gedeeld (functie van ‘Process Engineer Service’, een vaststellingsovereenkomst, hoger beroep tegen uitspraak kantonrechter) en is over mediation gesproken. Over wat hierna is afgesproken verschillen partijen van mening. Volgens [verweerder] was het de bedoeling dat hij op 26 augustus 2025 weer op het werk zou verschijnen, maar [naam1] verkeerde in de veronderstelling dat hij had gezegd dat ALN en [verweerder] pas weer op 29 augustus 2025 verder zouden praten. Toen [verweerder] op 26 augustus 2025 verscheen is hem verzocht weer naar huis te gaan.\n\n3.19.. In een e-mail van 25 augustus 2025 van [naam5] aan [verweerder] heeft [naam5] , hoewel zij uit het gesprek van 21 augustus 2025 had begrepen dat [verweerder] geen belangstelling had voor de functie van Process Engineer Service, [verweerder] op zijn verzoek toch een functieomschrijving van deze vacante functie gestuurd. Verder schrijft [naam5] dat ALN nog heeft bezien of er alternatieve mogelijkheden voor herplaatsing voor [verweerder] zijn, maar dat die mogelijkheden ontbreken.\n\n3.20.. Als reactie hierop heeft [verweerder] in zijn e-mailbericht van 29 augustus 2025 aan [naam5] laten weten dat hij geen interesse heeft in deze ‘aanzienlijk lager ingeschaalde, niet passende functie’ (een operationele functie die te veel van zijn huidige functie afwijkt). Hij blijft beschikbaar voor zijn eigen functie van Senior Process System Engineer en is bereid die werkzaamheden met volle inzet weer op te pakken.\n\n3.21.. Tijdens het (vervolg)gesprek op 29 augustus 2025 hebben partijen overleg gevoerd over de in rov. 3.18. genoemde voorstellen van ALN. In dit gesprek tracht [verweerder] duidelijk te maken dat hij een functiewijziging niet zal accepteren als die niet passend is, maar dat hij wel bereid is gewijzigde werkzaamheden uit te voeren. [verweerder] heeft zijn bereidheid voor een mediation uitgesproken.\n\n3.22.. \n [verweerder] heeft zich per 8 september 2025 ziekgemeld.\n\n3.23.. In de weken nadien zijn partijen het eens geworden over het inzetten van mediation. De mediation heeft echter niet tot een oplossing tussen partijen geleid.\n\nbeoordeling\n\n3.24.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). ALN heeft aan haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] als gezegd primair bedrijfseconomische redenen ten grondslag gelegd (a-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair de combinatiegrond (i-grond).\n\nde beoordeling van de a-grond\n\n3.25.. ALN beroept zich primair op ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vanwege bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter heeft in rov. 4.8 van zijn bestreden vonnis geoordeeld dat, gelet op de ondernemingsvrijheid die ALN toekomt, ALN voldoende heeft toegelicht en onderbouwd hoe zij tot de uitgevoerde organisatiewijziging heeft kunnen komen. Ook zonder een verlieslatende situatie, die hier volgens de kantonrechter wel aan de orde is, mag een werkgever besluiten haar organisatie doelmatiger in te richten, met als gevolg dat arbeidsplaatsen komen te vervallen, aldus de kantonrechter. Tegen dit oordeel zijn geen (principale\u002Fincidentele) grieven gericht, zodat vaststaat dat ALN op bedrijfseconomische redenen tot reorganisatie van de in rov. 3.3. van dit arrest genoemde onderdelen van ALN mocht overgaan. ALN is in hoger beroep wel opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat ALN onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsplaats van [verweerder] is komen te vervallen (rov. 4.14). ALN heeft volgens de kantonrechter niet alleen onvoldoende onderbouwd toegelicht waarom deze arbeidsplaats op grond van het afspiegelingsbeginsel moet komen te vervallen, maar ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor de afspiegeling zijn wanneer bijvoorbeeld collega [naam6] buiten de categorie uitwisselbare functies zou vallen, zoals [verweerder] heeft bepleit.\n\n3.26.. Het hof is van oordeel dat ALN in hoger beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het afspiegelingsbeginsel op grond van de artikelen 11 en 13 van de Ontslagregeling correct is nageleefd en dat als gevolg van de reorganisatie binnen de door haar vastgestelde categorie uitwisselbare functies 'Process Engineer (Research & Development)' drie van de vijf arbeidsplaatsen komen te vervallen. Functies zijn uitwisselbaar als die (i) vergelijkbaar zijn wat betreft de inhoud en de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en (ii) gelijkwaardig zijn wat betreft het niveau en de beloning. Gezien de toelichting van ALN op de te vervallen functies samen met productie 1 van het beroepschrift en in combinatie met de overgelegde functieomschrijving voor een Senior System Engineer, heeft ALN de samenstelling van de categorie uitwisselbare functies ( [naam7] , [verweerder] , [naam6] , [naam8] en [naam9] ) voldoende onderbouwd. Daaruit volgt dat de arbeidsplaatsen van [naam7] , [verweerder] en [naam8] vervallen en de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] behouden blijven. Volgens [verweerder] hadden [naam6] (gelet op zijn mechanische aandachtsgebied) en [naam8] (gelet op zijn detachering) niet in de categorie uitwisselbare functies mogen worden opgenomen en [naam10] juist wel (verrichtte zelfde type werkzaamheden). ALN heeft haar keuze echter voldoende inzichtelijk toegelicht. [naam6] verrichtte als (Mechanical) Process Engineer werkzaamheden op het senior niveau met een gelijke beloning als de andere vier collega’s uit hetzelfde team onder leiding van [naam2] . Hoewel [naam6] over sterke capaciteiten beschikt die ALN aanduidt als ‘mechanical’, is hij net als zijn collega’s ook werkzaam aan de ‘process’-kant. Voor het hof is het goed te volgen dat ALN [naam6] binnen de Service afdeling in Nijmegen wilde behouden, gelet op zijn ‘mechanical’ inbreng wat als meerwaarde wordt beschouwd voor ALN als service-onderdeel van het concern. [naam8] was weliswaar gedetacheerd bij Alfa Laval Rotterdam B.V., maar zou terugkomen, wat bij gebrek aan budget ook is gebeurd. [naam10] is niet in de lijst opgenomen omdat hij binnen ALN weliswaar eenzelfde type werkzaamheden verrichtte als [naam7] , [verweerder] , [naam6] en [naam9] , maar dat deed hij op junior niveau en tegen een lager salaris, onder leiding van [naam9] . De uitwisselbare functies met [verweerder] zijn functies op senior niveau, zodat de keuze van ALN om [naam10] niet in deze categorie op te nemen goed te volgen is.\n\n3.27.. \n\n [verweerder] meent dat er nog meer haken en ogen aan het door ALN toegepaste afspiegelingsbeginsel zitten. ALN had de inzet van [naam11] als extern ingehuurde process engineer eerst moeten beëindigen alvorens het dienstverband met vaste werknemers ter discussie werd gesteld. ALN heeft daartegen onvoldoende weersproken ingebracht dat [naam11] een door haar ingehuurde uitzendkracht is, die tot augustus 2025 op een junior niveau en tegen veel lagere kosten – het hof begrijpt: op een lager salarisniveau – taken verrichtte, bovendien niet voor ALN maar voor de afdeling Air Lubrication en daarmee ten behoeve van een andere business unit, die buiten de reorganisatie valt.\n\nDe functies van [naam12] en [naam13] zijn volgens [verweerder] uitwisselbaar met zijn functie. ALN heeft voldoende toegelicht waarom dat in haar ogen niet zo is. [naam12] en [naam13] waren werkzaam op de afdeling Service en niet (zoals [verweerder] en de andere vier collega’s uit de lijst van ALN) op de afdeling Research & Development. Het is de keuze van de ondernemer (ALN) om deze functies onderdeel uit te laten maken van de afdeling Service.\n\nVolgens [verweerder] had [naam14] in de categorie uitwisselbare functies opgenomen moeten worden. Hij werkte net als [naam8] (die wel is opgenomen) vanuit de vestiging in Rotterdam als Process Engineer voor Air Lubrication.\n\nALN heeft in de procedure bij het UWV voldoende toegelicht dat werknemers van Alfa Laval Rotterdam die bij ALN op de payroll staan, maar buiten deze administratieve payrolldienstverlening geen binding hebben met ALN en géén arbeidsplaats binnen ALN hebben (anders dan [naam8] ), buiten de afspiegeling van ALN zijn gehouden. [naam14] is hier één van.\n\n3.28.. \n [verweerder] heeft nog naar voren gebracht dat ALN geen rekening heeft gehouden met paragraaf 1.3.2 van de uitvoeringsregels van het UWV, die voorschrijft dat in internationale situaties de werkgever de noodzaak tot het vervallen van arbeidsplaatsen moet onderbouwen. Volgens [verweerder] was dit nodig omdat de internationale afdeling System Development, waartoe hij behoort, juist opgericht was om uitwisselbaarheid van werknemers te creëren tussen Aalborg en Nijmegen.\n\n3.29.. \n\nHet hof gaat hier niet in mee. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat ALN een zelfstandige, nationale, bedrijfsvestiging is binnen de groep van Alfa Laval.\n\nDe werknemers die voor Alfa Laval Aalborg werkzaam zijn, zijn bij deze onderneming in dienst. Op een buitenlandse vestiging zoals die in Aalborg is het Nederlands\n\nrecht niet van toepassing. Tegen deze overweging van de kantonrechter is bovendien niet door [verweerder] gegriefd.\n\n3.30.. \n\nHet hof is verder van oordeel dat de situatie niet anders wordt als bijvoorbeeld [naam6] (als hem bijvoorbeeld een unieke functie zou zijn toebedeeld) uit de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou vallen, zoals [verweerder] heeft betoogd met verwijzing naar een eigen afspiegelingsberekening.\n\nVolgens ALN zou [naam6] zonder meer in de nieuwe organisatie terugkeren omdat zijn ‘mechanical’ expertise voor de nieuwe serviceafdeling van groot belang is. Binnen de categorie uitwisselbare functies Process Engineer (Research & Development) zou in dat geval sprake zijn van vier arbeidsplaatsen, waarvan dan binnen ALN één arbeidsplaats zou\n\nresteren. Omdat [naam6] dan beschikbaar blijft, hoeven er niet twee arbeidsplaatsen voor als process engineers over te blijven binnen Research & Development. Binnen die categorie zouden dus alsnog drie arbeidsplaatsen komen te vervallen. ALN heeft dit voldoende inzichtelijk gemaakt met een bijbehorende afspiegelingsberekening die zij als productie 10 bij haar beroepschrift heeft overgelegd. Daaruit blijkt volgens het hof afdoende dat ook in het geval [naam6] uit de categorie uitwisselbare functies wordt gehaald, de arbeidsplaatsen van [naam9] en [naam6] overblijven en de arbeidsplaatsen van [verweerder] , [naam8] en [naam7] komen te vervallen.\n\n3.31.. Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond (de a-grond) aanwezig is. Vervolgens moet voor een geslaagd beroep op ontbinding beoordeeld worden of ALN voldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht.\n\nherplaatsing\n\n3.32.. \n\n [verweerder] stelt zich op het standpunt dat ALN tot 17 maart 2025 geen enkele herplaatsingsinspanning heeft verricht en de verantwoordelijkheid voor herplaatsing bij [verweerder] heeft neergelegd. Daarnaast zijn hem diverse passende vacatures niet aangeboden. [verweerder] noemt in dat verband (i) de vacature voor Senior Development Engineer die ontstond na het vertrek van [naam13] , (ii) de vacature voor Senior System Engineer in Aalborg (zijn feitelijke functie), die doelbewust buiten de officiële kanalen is gehouden, (iii) de functies van [naam15] en [naam16] , die beiden Senior Development Engineer zijn en vanuit Aalborg werken en (iv) de functie van [naam17] (Senior Development Engineer, Rotterdam).\n\n [verweerder] acht het verder onbegrijpelijk dat hem nooit de mogelijkheid is geboden zijn eigen functie, die naar de vestiging in Aalborg is verplaatst, vanuit Nijmegen of Aalborg voort te zetten.\n\n3.33.. Bij de beoordeling van de vraag of ALN heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste stelt het hof het volgende voorop. Volgens artikel 7:669 lid 1 BW is opzegging van de arbeidsovereenkomst, ook indien daarvoor een redelijke grond bestaat, slechts toegestaan indien herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Van de werkgever wordt een actieve, op de persoon van de werknemer gerichte benadering gevergd, die inhoudt dat hij de werknemer actief begeleidt, initiërend te werk gaat en eventuele belemmeringen voor nieuwe functies wegneemt. Het ligt op de weg van de werkgever om te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat hij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om de werknemer te herplaatsen. Ten minste zal een op de persoon van de werknemer gerichte poging tot herplaatsing moeten worden gesteld. Gezien artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling moeten, indien een onderneming tot een concern behoort, bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, mede arbeidsplaatsen in andere tot het concern behorende ondernemingen worden betrokken. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling). Toegespitst op de situatie van [verweerder] betekent het voorgaande dat ALN onderbouwd dient te stellen dat zij heeft gedaan wat mogelijk was en wat in de rede lag om [verweerder] te herplaatsen op een passende functie.\n\n3.34.. Het hof oordeelt dat ALN dit voldoende heeft gedaan. Uit rov. 3.7. blijkt dat herplaatsing al eind oktober 2024 aan de orde is gesteld. Begin november 2024 heeft ALN drie vacatures aan alle medewerkers van ALN die bij de reorganisatie waren betrokken gestuurd. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de recruiter [naam4] en [verweerder] over de vacante functie van Process Engineer (Service). Nadat [verweerder] aanvullende informatie over deze functie van [naam5] had ontvangen en in vervolg daarop enkele dagen later met haar over de vacature\u002Ffunctie heeft gesproken, heeft [verweerder] , gelet op het takenpakket en het lagere salaris, besloten niet op deze functie te solliciteren. Op de functie van Development Engineer binnen de afdeling Service Technology & Warranty, die [naam5] op 12 december 2024 onder de aandacht van de advocaat van [verweerder] heeft gebracht, heeft [verweerder] evenmin gereageerd. Dit bleek achteraf de functie te zijn van [naam13] . [verweerder] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gezegd, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit niet dezelfde functie was, gelet op een ander\u002Flager salarisniveau en vakgebied. Vaststaat dat [verweerder] al in het gesprek eind oktober 2024 met [naam1] en [naam5] heeft gezegd dat de functie van [naam13] hem wel wat leek. Ook [naam1] leek deze mening toegedaan omdat hij deze functie specifiek onder de aandacht van [verweerder] , [naam10] en [naam8] heeft laten brengen, zoals hij tijdens de zitting desgevraagd heeft toegelicht. Onder deze omstandigheden had van ALN een meer proactieve houding mogen worden verwacht, waarbij zij de advocaat van [verweerder] met meer nadruk op de vacante vacature had moeten wijzen nu [verweerder] eerder had aangegeven dat hij oren naar deze functie had. Anderzijds had van [verweerder] ook verwacht mogen worden dat hij met [naam5] contact had opgenomen over de inhoud van deze functie. In plaats daarvan heeft hij zelf de conclusie getrokken dat deze functie niets voor hem was.\n\n3.35.. Op 17 maart 2025 (nadat de UWV-procedure was afgerond) zijn partijen weer met elkaar om de tafel gaan zitten. In dat gesprek is aan [verweerder] gevraagd na te denken over een acceptabel salarisniveau en de landen waar naartoe hij bereid zou zijn om voor de vervulling van zijn werkzaamheden te verhuizen. Volgens ALN heeft [verweerder] daarop geantwoord dat hij minimaal een gelijkwaardig salaris als zijn huidige salaris wil en dat verhuizen veel impact heeft en ook aan werk voor zijn vrouw moet worden gedacht. [verweerder] heeft dit onvoldoende weersproken. Voorafgaand aan het gesprek heeft ALN [verweerder] een lijst gestuurd met 392 openstaande vacatures, met de vraag of hij wilde onderzoeken op welke vacature hij zou willen reflecteren. Naar aanleiding van het antwoord van [verweerder] op de vraag naar zijn voorkeuren, heeft ALN de vacaturelijst nogmaals doorgenomen en [verweerder] geattendeerd op de daarop voorkomende functies van Technical Specialist Marine (Breda) en Global Technical Specialist (Service) (Nijmegen) als mogelijk passende functies en hem de vacatureteksten toegestuurd.\n\n3.36.. Zoals hiervoor (3.20) vermeld is op 21 augustus 2025 nog een andere vacante, mogelijk passende functie aangedragen, waarin [verweerder] geen interesse had.\n\n3.37.. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verweerder] naar voren gebracht dat hij voor de functie die [naam18] nu in Aalborg vervult in aanmerking had kunnen komen, omdat dit nu juist zijn eigen functie was (system engineer). Daarvoor is hij echter niet uitgenodigd. Desgevraagd heeft ALN bevestigd dat deze functie [verweerder] niet is aangeboden omdat [verweerder] had gezegd dat hij niet naar het buitenland wilde verhuizen. Ook heeft [naam1] bevestigd dat deze functie niet bij de lijst van 392 vacatures zat die in maart 2025 aan [verweerder] is gestuurd. Volgens [naam1] is dat niet bewust gedaan. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij deze functie goed vanuit Nederland had kunnen vervullen. Maar feit is nu eenmaal dat ALN heeft besloten dat deze functie vanuit Aalborg zou worden vervuld omdat zij de desbetreffende afdeling naar Aalborg had overgebracht. Bovendien kan [verweerder] de door ALN genoemde reden waarom zij hem niet op deze functie heeft geattendeerd niet plaatsen, omdat ALN hem wel vier andere vacante functies in het buitenland heeft toegestuurd. Het ging om twee functies in Denemarken en twee in China. Die waren overigens volgens hem niet passend omdat het mechanical engineer functies betroffen die buiten de business unit vielen (een ander vakgebied) waarin hij werkzaam is. Wat de beweegredenen van ALN op dat moment ook waren, als onweersproken staat vast dat [verweerder] heeft uitgesproken dat hij om persoonlijke redenen niet naar het buitenland wilde verhuizen.\n\nALN is tijdens de zitting ook nog ingegaan op de functies die [verweerder] hiervoor (zie 3.32) onder (iii) en (iv) heeft genoemd. ALN heeft de functies van [naam15] en [naam16] niet passend geacht omdat die vanuit het kenniscentrum in Aalborg worden verricht en [verweerder] te kennen heeft gegeven niet naar het buitenland te willen verhuizen. [naam17] vervult bij Alfa Laval Rotterdam een specialistische rol in ‘Air Lubrication’ en zij beschikt over een PhD van de TU Delft. [verweerder] heeft deze kennis en kunde niet, zodat ook deze functie niet passend is.\n\n3.38.. Van ALN kan naar het oordeel van het hof, gelet op de hiervoor uiteengezette pogingen die zij heeft ondernomen om [verweerder] te herplaatsen, niet gezegd worden dat zij geen inspanningen op dat vlak heeft verricht. Die inspanningen acht het hof voldoende om tot het oordeel te komen dat ALN aan haar inspanningsverplichting om [verweerder] te herplaatsen heeft voldaan. ALN had weliswaar pro-actiever kunnen handelen bij de functie van [naam13] die zij aan de advocaat van [verweerder] had gestuurd, en niet duidelijk is geworden waarom de functie van [naam18] [verweerder] niet is aangeboden terwijl zij andere functies in het buitenland wel onder zijn aandacht bracht, maar daartegenover staat dat ALN zich in diverse langdurige gesprekken serieus de moeite heeft getroost [verweerder] te herplaatsen. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, heeft ook te maken met het feit dat [verweerder] niet open stond voor een functie die in het buitenland moest worden vervuld en die qua salaris niet minstens gelijk stond aan zijn huidige salaris en niet dezelfde complexiteit had. Bij het hof is het beeld ontstaan dat [verweerder] zich niet bereid heeft getoond om te opteren voor een andere functie dan die hij bekleedde, tenzij onder minstens vergelijkbare voorwaarden qua salaris en functie-inhoud. Dat is echter een verdergaande eis dan dat de functie aansluit bij zijn opleiding, ervaring en capaciteiten. Bovendien heeft [verweerder] diverse malen aangegeven een functie in het buitenland niet te ambiëren, omdat de sociale en financiële gevolgen te groot zijn. Indachtig deze voorkeuren heeft ALN serieus gezocht naar mogelijkheden en heeft zij op de persoon van [verweerder] gerichte pogingen gedaan om hem te herplaatsen.\n\neinde van de arbeidsovereenkomst\n\n3.39.. \n\nHet voorgaande leidt er toe dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de a-grond. Aan de beoordeling van de subsidiair aangevoerde ontslaggronden (de g-grond en de i-grond) komt het hof daarom niet meer toe.\n\nGelet op de gehele gang van zaken rondom het einde van de arbeidsovereenkomst, ziet het hof aanleiding om de arbeidsovereenkomst niet direct te laten eindigen en de einddatum te bepalen op 1 augustus 2026. Nu [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft hij recht op de wettelijke transitievergoeding. Het hof zal deze vergoeding toewijzen, maar kan de hoogte ervan niet berekenen omdat het hof niet over de benodigde gegevens beschikt voor de loonberekening. ALN zal [verweerder] niet houden aan de in de arbeidsovereenkomst neergelegde concurrentie en- relatiebedingen, zoals zij ook in hoger beroep heeft bevestigd. Het hof leest het dictum van het vonnis van de kantonrechter in samenhang met de overwegingen en constateert dan dat waar de kantonrechter spreekt over belemmerende bedingen, met name het relatie- en concurrentiebeding bedoeld worden en niet (bijvoorbeeld) het geheimhoudingsbeding. Daar blijft [verweerder] dus aan gebonden. In die zin is grief 7 overbodig.\n\nde verzoeken van [verweerder]\n\ngeen billijke vergoeding\n\n3.40.. Volgens [verweerder] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ALN. [verweerder] maakt ALN in dat verband een aantal verwijten. Hij verwijt ALN in het proces van de reorganisatie halsstarrig en tegen beter weten te blijven volharden in het ontslag van [verweerder] , terwijl hij meer dan eens heeft aangetoond dat er geen reden was voor ontslag. ALN heeft hem steeds meer onder druk gezet en heeft hem ten onrechte op non-actief gesteld. Hij heeft niet om zijn ontslag gevraagd, wilde dat ook helemaal niet krijgen en was al helemaal niet uit op een verstoorde arbeidsrelatie wat ALN hem nu voor zijn voeten werpt. Het kan volgens [verweerder] niet zo zijn dat ALN geen bedrijfseconomische reden heeft om hem te ontslaan, maar wel weg komt met een ontbinding zonder billijke vergoeding. Verder voert [verweerder] aan dat was afgesproken dat hij zijn werkzaamheden op 26 augustus 2025 zou hervatten, maar dat hij op die dag door [naam1] op een uiterst onplezierige en onterechte wijze naar huis is gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [verweerder] ook nog naar voren gebracht dat ALN onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft gepleegd.\n\n3.41.. Het hof volgt [verweerder] niet in zijn betoog. Gelet op wat hiervoor is overwogen, blijkt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond gerechtvaardigd acht. ALN heeft in redelijkheid kunnen besluiten tot de reorganisatie die zij heeft doorgevoerd en zij heeft in hoger beroep voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij het afspiegelingsbeginsel juist heeft toegepast. Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] een bittere pil is dat na een lang dienstverband zijn functie is weggeorganiseerd en dat hij erg teleurgesteld is dat ALN nu ook een ontslag wegens een verstoorde verhouding in stelling brengt, maar dat betekent niet dat ALN hierin een ernstig verwijt, dat tot toekenning van een billijke vergoeding moet leiden, kan worden gemaakt. Het is het hof niet gebleken dat ALN de a-grond heeft geënsceneerd en\u002Fof een valse grond voor ontslag heeft aangewend met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. De maatstaf voor ernstig verwijtbaar handelen ligt echt veel hoger dan in de onderhavige situatie aan de orde is. Van moedwillig in strijd met de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst handelen of nalaten is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat geldt ook voor de non-actiefstelling op 17 april 2025 zoals [verweerder] dat noemt. Dat is niet direct juist, omdat hij per 28 april 2025 is vrijgesteld van werk met behoud van salaris, wat niet ongebruikelijk is bij een reorganisatie. In het gesprek van 21 augustus 2025 hebben partijen overlegd wanneer [verweerder] weer op het werk zou verschijnen. Daarover is blijkbaar een misverstand ontstaan (26 of 29 augustus 2025). Het hof begrijpt dat het voor [verweerder] onprettig is geweest dat (en hoe) hij op 26 augustus 2025 door [naam1] weer naar huis is gestuurd, maar ook dit wegsturen kan niet als ernstig verwijtbaar handelen van ALN worden gekwalificeerd. Het verwijt van [verweerder] dat ALN niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, is onvoldoende onderbouwd zodat het hof daar aan voorbij gaat. Voor een billijke vergoeding is al met al geen plaats.\n\ngeen vergoeding pensioenschade\n\n3.42.. \n\n [verweerder] verzoekt om vergoeding van zijn pensioenschade van\n\n€ 163.941 als onderdeel van de billijke vergoeding maar ook op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). Bovendien levert het beëindigen van zijn dienstverband (vooral als oudere werknemer) en hem laten zitten met pensioenschade strijd op met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). De schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 103.842 ten gevolge van gemiste premie-inleg door overgang naar de flat rate pensioenopbouw, vermeerderd met € 12.036 ten gevolge van een vrijwel zeker hogere eigen bijdrage bij een toekomstige werkgever, vermeerderd met € 16.718 gemiste premie inleg ten gevolge van een te verwachten langere periode van ziekte\u002Fwerkloosheid, vermeerderd met\n\n€ 31.346 ter compensatie van het fiscale nadeel dat een werknemer heeft bij eenmalige compensatie van deze schadebedragen tegen het hoogste belastingtarief.\n\n3.43.. Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van ALN met ontbinding tot gevolg. ALN heeft evenmin in het kader van de ontslagaanvraag als niet goed werkgever gehandeld. Ook overigens heeft [verweerder] te weinig gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is van onrechtmatig handelen dan wel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat pensioenschade moet worden vergoed. Het staat weliswaar vast dat de ontslagaanvraag door het UWV is afgewezen en dat de kantonrechter geen ontbinding op de a-grond heeft uitgesproken (vanwege het niet inzichtelijk maken van het afspiegelingsbeginsel), maar dat brengt niet mee dat sprake is van een van deze grondslagen. Als gezegd oordeelt het hof ook anders over de ontbinding dan het UWV en de kantonrechter. Het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt vanwege bedrijfseconomische redenen vormt op zichzelf onvoldoende grond voor vergoeding van pensioenschade. Omdat een grondslag voor de toekenning voor pensioenschade ontbreekt, zal dit verzoek worden afgewezen.\n\ngeen salarisverhoging\n\n3.44.. \n [verweerder] verzoekt ook om een verhoging van zijn salaris met 3%. Hij heeft per 1 januari 2025 slechts een verhoging van 1% gekregen en per 1 januari 2026 helemaal geen salarisverhoging. Die verhoging van 3% hebben zijn collega’s die niet in de reorganisatie waren betrokken, wel gekregen. [verweerder] heeft recht op een gelijke behandeling ten opzichte van zijn collega’s en dat recht wordt hem nu (reeds twee opvolgende jaren) onthouden. Het hof ziet dat anders. ALN heeft gemotiveerd onderbouwd waarom zij boventallige werknemers in 2025 niet geheel heeft willen uitsluiten, maar het voor salarisverhogingen beschikbare budget wel hoofdzakelijk heeft willen aanwenden voor de (niet boventallige) werknemers die geacht werden naar de toekomst toe voor ALN werkzaam te blijven. De keuze om boventallige werknemers per 1 januari 2025 een salarisverhoging van 1% te geven mocht ALN volgens het hof maken. Het gaat hier niet om gelijke gevallen en bovendien heeft ALN volgens het hof geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Anders dan [verweerder] stelt, heeft hij volgens ALN per 1 januari 2026 wél een salarisverhoging van 1% gekregen en dat is onweersproken gebleven.\n\nsociaal plan\n\n3.45.. \n [verweerder] wenst ook de outplacementvergoeding uit het Sociaal Plan en een retentiebonus over de door hem in 2025 gewerkte maanden te ontvangen. Dit verzoek zal worden afgewezen omdat ALN deze voorzieningen in het Sociaal Plan alleen toezegt aan boventallige werknemers met wie een vaststellingsovereenkomst is gesloten om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. [verweerder] heeft geen vaststellingsovereenkomst willen sluiten. [verweerder] heeft daarmee geen aanspraak op de outplacementvergoeding en evenmin op de retentiebonus.\n\ngeen vergoeding werkelijke advocaatkosten\n\n3.46.. Omdat [verweerder] zowel in het principaal als in het incidenteel appel in het ongelijk zal worden gesteld, heeft hij geen recht op vergoeding van zijn kosten. Volgens [verweerder] heeft hij ook bij verlies recht op vergoeding van (daadwerkelijke) advocaatkosten. Het hof ziet daarvoor geen grond nu ALN in het gelijk zal worden gesteld.\n\nvervallen van verlofdagen\n\n3.47.. \n [verweerder] wenst ten slotte een verklaring voor recht dat zijn wettelijke vakantiedagen over 2025 per 1 juli 2026 niet komen te vervallen. Omdat hij aan zijn verdediging in de juridische procedures heeft moeten werken heeft hij geen verlof kunnen opnemen. Het hof vindt dit een onvoldoende reden en zal de verklaring voor recht niet uitspreken. Het is de eigen keuze van [verweerder] geweest om geen vakantie op te nemen. Het hof wil zeker geloven dat [verweerder] veel tijd en werk heeft besteed aan zijn verdediging, maar het is uiteindelijk zijn eigen keuze geweest om geen vakantiedagen op te nemen.\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.48.. Het principaal hoger beroep van ALN slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [verweerder] faalt. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Onder de kosten van het hoger beroep vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van deze uitspraak. Ook is ALN door de kantonrechter ten onrechte in de kosten veroordeeld en moet [verweerder] die terugbetalen.\n\n3.49.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen, voor zover dit hierna in onderdeel 4 (het dictum) is vermeld, ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\nin het principaal hoger beroep\n\n4.1.. bepaalt het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 augustus 2026;\n\n4.2.. veroordeelt ALN tot betaling van de wettelijke transitievergoeding aan [verweerder] ;\n\n4.3.. veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling van hetgeen ALN hem ter uitvoering van de betreden beschikking heeft betaald;\n\n4.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 2.580,- voor salaris van de advocaat van ALN (2 punten x tarief II).\n\nin het incidenteel hoger beroep\n\n4.5.. verwerpt het beroep van [verweerder] ;\n\n4.6.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van ALN bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van ALN (1 punt x tarief II).\n\nin het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\n4.7.. verklaart de proceskostenveroordeling in het principaal hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.9.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, R. Verkijk en R.J.A. Dil en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3679","2026-07-13T00:29:06.511Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":84,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":62,"updatedAt":86},"1045","ECLI:NL:GHARL:2026:3462","ecli-nl-gharl-2026-3462","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.601\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 11689496\n\nbeschikking van 1 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [verzoeker]\n\nadvocaat: mr. F.B.A.M. van Oss\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nhierna: [geïntimeerde]\n\nadvocaat: mr. A. Hofman\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op 14 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens incidenteel appel\n\nhet verweerschrift in het incidenteel appel\n\n1.2.. Op 24 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] op goede gronden op staande voet is ontslagen. Mocht dit niet zo zijn, dan rijst de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.\n\n2.2.. \n [geïntimeerde] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] is hiertegen opgekomen en heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. Bovendien heeft hij verzocht [geïntimeerde] te veroordelen om hem (i) de overeengekomen werkzaamheden weer te laten verrichten, (ii) zijn loon door te betalen, (iii) zijn leaseauto terug te geven en (iv) € 450 per week te betalen over de periode vanaf 24 maart 2024 tot het moment waarop hij weer over zijn leaseauto kan beschikken. [verzoeker] heeft in een later stadium zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij nu (v) € 9.000,- in plaats van € 3.000 bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag aan loon wenst en (vi) een veroordeling van [geïntimeerde] om hem € 1.251,24 te betalen voor kosten (abonnement BMW) die hij voor zijn leaseauto heeft gemaakt.\n\n2.3.. \n [geïntimeerde] heeft een tegenverzoek gedaan voor het geval het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. Zij heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden vanwege primair verwijtbaar handelen (artikel 7:699 lid 3 sub e BW, hierna de e-grond) en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW, hierna de g-grond). Verder heeft zij de kantonrechter verzocht te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding en hem te veroordelen tot betaling van in hoofdsom € 2.682,33 vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] .\n\n2.4.. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet toegewezen en het ontslag op staande voet vernietigd. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] is toegewezen op de e-grond. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 10 oktober 2025 ontbonden. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft evenmin recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] is toegewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst per 10 oktober 2025 is ontbonden, is het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot zijn overeengekomen werkzaamheden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van het hiervoor vermelde bedrag van € 450 per week en de kosten voor het abonnement voor zijn BMW. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot de loonsverhoging (€ 9.000,- in plaats van € 3.000,- bruto) afgewezen. [geïntimeerde] is veroordeeld om € 3.000,- bruto aan loon, vermeerderd met de vakantietoeslag aan [verzoeker] te betalen voor de periode van 1 maart 2025 tot 10 oktober 2025.\n\n2.5.. \n\nIn (principaal) hoger beroep wenst [verzoeker] in de kern primair de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van tafel te krijgen en herstel van het dienstverband en subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen hem een billijke vergoeding te betalen van\n\n€ 582.000 en de transitievergoeding waarbij moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 9.000.\n\n2.6.. Het hoger beroep van [geïntimeerde] (het incidenteel hoger beroep) heeft betrekking op de vernietiging van het ontslag op staande voet. Volgens [geïntimeerde] is het ontslag op staande voet wel terecht gegeven omdat het afsluiten van een leasecontract door [verzoeker] op naam van [geïntimeerde] een dringende reden voor dit ontslag oplevert. Zij verzoekt dan ook alle aanspraken van [verzoeker] alsnog af te wijzen.\n\n2.7.. Het hof zal bepalen dat zowel het principaal hoger beroep van [verzoeker] als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt. De beschikking van de kantonrechter blijft dus in stand. [verzoeker] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, in beide gevallen volgens het liquidatietarief. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nachtergrond van het geschil\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] , geboren in 1961, is op 1 juni 2024 in dienst van [geïntimeerde]\n\n getreden voor 32 uur per week, in de functie van [functienaam] tegen een salaris van € 3.000 bruto per maand. Voor zover in hoger beroep van belang is in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 1: Inleidende bepalingen\n\n(…)\n\nDe werknemer maakt gebruik van zijn eigen voertuig en ontvangt van werkgever een kaart om zijn voertuig op te laden, voor uitsluitend voor kilometers gereden voor werkgever.\n\nArtikel 2: Duur van de overeenkomst\n\nDeze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd ingaande 01-06-2024\n\nDeze overeenkomst is voor beide partijen opzegbaar na l jaar met een opzegtermijn van 3 maanden en na deze periode kan een verlenging worden aangeboden voor een dan te bepalen looptijd.\n\nWerknemer heeft nevenwerkzaamheden, werkgever is hiervan op de hoogte en gaat hier mee\n\nakkoord. Tevens heeft werknemer werkgever op de hoogte gebracht dat werknemer in aanraking is geweest met Justitie in verband met het niet opgeven van inkomsten uit het buitenland (…).’\n\n3.2.. \n\nOp 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van [geïntimeerde] van dezelfde datum is het volgende vermeld:\n\n‘Hierbij beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct.\n\nReden is dat u in opspraak bent geraakt in meerdere zaken over oplichting en fraude zonder dat u ons daar over informeerde (…).\n\nDe in opspraak geraakte zaak in [plaats1] richt ons directe schade aan in onze bedrijfsvoering.\n\nDaarnaast is meerdere malen door afdeling HR gevraagd en gemaild naar uw ID gegevens. U heeft deze tot op heden niet verstrekt, het blijkt dat de naam op de loonstrook niet overeenkomt met de persoon waar u zich voor uitgeeft (…)\n\nOp uw verzoek heeft u in december 2024 een auto aangeschaft. Een BMW (...), waar u destijds heeft aangegeven de aanbetaling niet te kunnen voldoen, waarmee uw werkgever hiervoor akkoord heeft gegeven en deze heeft betaald en dat na aanbetaling vanwege de bijtelling en conform arbeidsovereenkomst de lease na uw onderneming overgaat [naam1] B.V. Dit is tot op heden niet gebeurd. In de arbeidsovereenkomst staat duidelijk dat er geen auto van de zaak beschikbaar is gesteld (…).\n\nDaarnaast heeft [naam2] B.V. aangegeven dal u als vertegenwoordiger tekenbevoegd zou zijn namens [naam7] B. K Zie teken document mail adres (...), hiervan was de heer [naam3] niet op de hoogte (bijlage E)’.beoordeling\n\nhet ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven\n\n3.3.. Ten aanzien van het ontslag op staande voet ligt in hoger beroep nog enkel de vraag voor of het afsluiten van het financieringscontract\u002Fleasecontract ten behoeve van een auto (BMW) voor [verzoeker] op naam van [naam7] B.V. een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.\n\n3.4.. \n [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij bereid was de verschuldigde btw\u002Faanbetaling voor een door [verzoeker] aan te kopen auto voor te financieren. Zij heeft echter nooit toestemming gegeven voor het op naamvan [naam7] B.V. afsluiten van een financieringscontract\u002Fleasecontract voor het resterende aankoopbedrag. [verzoeker] heeft die toestemming ook nergens uit kunnen afleiden. Het zonder medeweten en instemming van [geïntimeerde] ondertekenen van vermeld contract voor eigen persoonlijk belang betreft een zodanige ernstige schending van het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] mocht stellen, dat dit volgens [geïntimeerde] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.\n\n3.5.. Het hof oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de werkgever die een werknemer op staande voet wil ontslaan, de arbeidsovereenkomst onverwijld zal moeten opzeggen zodra hij op de hoogte is van een dringende reden tot ontslag. Als er een vermoeden is van een dringende reden, dient het voorafgaande onderzoek en het inwinnen van advies voortvarend te gebeuren.\n\n3.6.. Of partijen, in afwijking van de arbeidsovereenkomst, zijn overeengekomen dat [verzoeker] een leaseauto zou krijgen en dat het leasecontract met (impliciete) instemming van [geïntimeerde] is afgesloten (wat [verzoeker] stelt en [geïntimeerde] betwist), kan in het midden blijven. Uit de processtukken en uit hetgeen op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen, blijkt immers dat al in januari 2025 bij [naam4] bekend was dat [verzoeker] een leasecontract op naam van [naam7] B.V. had afgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling antwoordde [naam4] immers desgevraagd dat op 16 januari 2025 de eerste afschrijving van de leaseovereenkomst binnen kwam, waarna partijen om de tafel zijn gaan zitten. Aan het einde van de zitting heeft [naam4] nogmaals benadrukt dat deze kwestie pas in januari 2025 aan het licht kwam. Dat strookt met zijn reactie op de geluidsopname van [verzoeker] (transcript ‘Geluidsopname 22 januari [naam5] ’) waarin [naam4] zegt dat er een conflict was tussen [naam3] ( [naam3] , toevoeging hof) over de BMW en over een factuur inzake commissies. [naam4] trad op als adviseur voor [geïntimeerde] en onderhield de contacten met [verzoeker] zodat bekendheid bij [naam4] toegerekend kan worden aan [geïntimeerde] . Pas op 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, terwijl [geïntimeerde] dus al in januari 2025 op de hoogte was van de reden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij in die tussenliggende periode nog nader onderzoek naar dit verwijt moest doen en zo ja, waarom dat zo lang moest duren, zodat zij te lang heeft gewacht met het geven van het ontslag. De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en om die reden geen stand kan houden.\n\nde beoordeling van de e-grond\n\n3.7.. \n\nEen arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond\n\nvoor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld (e-grond). Subsidiair heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond).\n\n3.8.. \n [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek tot ontbinding op basis van de e-grond ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling bij de uitoefening van zijn taken als werknemer van [geïntimeerde] . [verzoeker] heeft met zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst gesloten met [naam8] B.V. (de groep waartoe bakkerijketen [naam6] behoorde, hierna [naam8] ) waarbij [naam1] een provisie van € 80.000,00 zou ontvangen als deze bakkerijketen door [geïntimeerde] zou worden overgenomen. In de overeenkomst tussen (de vennootschap van) [verzoeker] en [naam8] van november 2024 is opgenomen dat deze provisie zou vervallen als de deal met [geïntimeerde] niet doorgaat. [verzoeker] streefde bij de overname van bakkerijketen [naam6] door [geïntimeerde] dus een persoonlijk winstbejag na en heeft daarbij de belangen van [geïntimeerde] ondergeschikt gemaakt, aldus [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [verzoeker] verwijtbaar gehandeld omdat hij ook voor [naam9] werkte en van [naam9] een fee ontving voor de producten die door [naam9] aan [geïntimeerde] werden verkocht, terwijl het in het belang van [geïntimeerde] was dat [verzoeker] zo goedkoop mogelijk bij [naam9] inkocht. Ten slotte heeft [verzoeker] bij de deal met betrekking tot de aankoop van de voorheen geleaste thermische ovens van bakkerij [naam6] niet transparant en daarmee verwijtbaar gehandeld.\n\n3.9.. \n\n [verzoeker] heeft erkend dat hij via zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst heeft gesloten met [naam8] om te bemiddelen bij de verkoop van de tot de [naam8] groep behorende bakkerijketen [naam6] aan een derde partij tegen een provisie van\n\n€ 80.000. Hij heeft niet betwist dat deze overeenkomst is opgesteld met het oog op een door [geïntimeerde] te verrichten overname. [verzoeker] meent echter dat dit commercieel zo gaat en dat [geïntimeerde] van deze afspraak met [naam8] had kunnen weten, omdat [verzoeker] een prijslijst aan [geïntimeerde] heeft toegestuurd waaruit duidelijk blijkt dat [verzoeker] aan twee kanten commissie rekent. In deze prijslijst staat namelijk:\n\n‘Bemiddeling tot stand komen levering derden\u002Fbetaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’. Verder meent hij dat [geïntimeerde] wist van zijn nevenwerkzaamheden en het dienen van twee heren. Dat laatste maakt volgens [verzoeker] niet zonder meer dat sprake is van belangenverstrengeling.\n\n3.10.. \n\nHet hof is van oordeel dat [verzoeker] zich aan ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft schuldig gemaakt bij het bedingen van een provisie (van\n\n€ 80.000) bij [naam8] als de verkoop van bakkerij [naam6] aan [geïntimeerde] zou doorgaan. [geïntimeerde] was er, gelet op de inhoud van de arbeidsovereenkomst, van op de hoogte dat [verzoeker] (via zijn bv’s) nevenwerkzaamheden verrichtte, maar dat is iets heel anders dan het bemiddelen bij een verkoop waarbij [verzoeker] óók optrad als bemiddelaar voor de verkopende partij en op deze wijze met ‘twee petten op’ handelde. Daarmee had [verzoeker] een eigen belang bij het tot stand komen van de overeenkomst, wat op gespannen voet staat met het door [verzoeker] te dienen belang van [geïntimeerde] bij wie hij in dienst was. [geïntimeerde] mocht er op vertrouwen dat bij deze bemiddelingspogingen alleen haarbelang vooropstond, wat uiteindelijk niet het geval bleek te zijn. Dat zij daarbij mogelijk geen schade heeft geleden, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Van belang is dat [verzoeker] door dit handelen het vertrouwen van [geïntimeerde] ernstig heeft beschaamd. Uit het transcript van het gesprek van 22 januari 2025 tussen [naam4] en [verzoeker] blijkt dat [verzoeker] ook wel wist dat zijn handelen ontoelaatbaar was voor [geïntimeerde] . In dat gesprek heeft [naam4] immers expliciet tegen [verzoeker] gezegd dat hij van ‘twee kantjes’ wil eten en dat hij niet ‘twee heren kan dienen’.\n\n3.11.. \n [verzoeker] meent, zoals gezegd, dat het [geïntimeerde] duidelijk was dat hij aan twee kanten commissie rekent. Het hof ziet dat anders. Uit niets blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] bij dergelijke bemiddelingen van beide partijen een beloning zou ontvangen. Anders dan [verzoeker] aanvoert, blijkt dat niet uit de prijslijst die hij per e-mail van 28 augustus 2024 als onderdeel van zijn voorstel voor het afsluiten van een hernieuwde overeenkomst aan [geïntimeerde] heeft gestuurd. Ten eerste is deze e-mail gestuurd in een geheel andere context. Het e-mailbericht bevat een voorstel voor een hernieuwde arbeidsovereenkomst als reactie op de mededeling van [geïntimeerde] over de niet wenselijke situatie van het naast elkaar bestaan van twee andersoortige overeenkomsten, wat mogelijk was op grond van de bestaande arbeidsovereenkomst. [verzoeker] mocht er dan ook niet op vertrouwen dat [geïntimeerde] uit deze e-mail met verwijzing naar een prijslijst begreep dat [verzoeker] provisie van twee kanten kreeg. Ten tweede is het bij een voorstel gebleven en niet is gebleken dat [verzoeker] dit voorstel heeft geaccepteerd. Ten derde, ook al zou [verzoeker] een beroep mogen doen op de prijslijst, dan nog kan hieruit niet afgeleid worden dat [verzoeker] bij het tot stand komen van een overeenkomst\u002Fdeal van beide partijencommissie zou ontvangen. Dat leest het hof niet in de prijslijst, die overigens niet uitblinkt in duidelijkheid. Onder het kopje ‘Bemiddeling tot stand komen levering derden\u002Fbetaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’, gaat het veeleer om provisie die [verzoeker]van[geïntimeerde] ontvangt over bijvoorbeeld levering van zuivel\u002Fbrood\u002Fgebak (€ 0,10 per artikel) of bij bemiddeling verkoop exploitatie (5% van de verkoop) ennietover provisie die [verzoeker] van de wederpartij ontvangt.\n\n3.12.. Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond aanwezig is. Het ‘dienen van twee heren’ kwalificeert het hof als een ontoelaatbare belangenverstrengeling, waardoor [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [geïntimeerde] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De twee andere door [geïntimeerde] aangevoerde verwijtbare handelingen behoeven geen bespreking meer. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede, omdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden op de e-grond (artikel 7:699 lid 1 BW).\n\nfiscale bijtelling\u002F afgedragen loonheffing\n\n3.13.. Over de periode december 2024 tot en met februari 2025 heeft [verzoeker] een auto van de zaak genoten. [verzoeker] meent dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld een bedrag van € 2.682,33 aan [geïntimeerde] te betalen, vanwege door [geïntimeerde] afgedragen loonheffing met betrekking tot de met de auto verband houdende bijtelling. Volgens [verzoeker] heeft hij inzichtelijk gemaakt dat het privégebruik van de leaseauto onder de 500 km per jaar is gebleven en van een fiscale bijtelling is dan geen sprake. Het betoog van [verzoeker] faalt. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat de door [verzoeker] zelf bijgehouden kilometerregistratie niet overeenkomt met de digitale rittenregistratie van de leaseauto, in die zin dat op aanzienlijk meer data door [verzoeker] privéritten zijn afgelegd dan door hem opgegeven. Hiervoor heeft zij verwezen naar de ‘Rapportage Ritregistratie met dagtotalen’. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [verzoeker] onvoldoende aangevoerd (ook niet op de mondelinge behandeling) om ervan uit te gaan dat er geen bijtelling zou moeten plaatsvinden.\n\ngeen billijke vergoeding\n\n3.14.. \n\nVolgens [verzoeker] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is immers zonder voorafgaand gesprek of waarschuwing overgegaan tot het zwaarste middel, het ontslag op staande voet, terwijl daar geen reden voor was. Deze handelwijze heeft de arbeidsverhouding zwaar onder druk gezet.\n\nHet hof volgt [verzoeker] niet in zijn betoog. [geïntimeerde] heeft namelijk aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan het ontslag op staande voet. Uit wat hiervoor in 3.7. e.v. is overwogen, volgt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond gerechtvaardigd acht. Dat heeft niets te maken met een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. Als hierdoor de arbeidsverhoudingen al zijn verstoord, zoals [verzoeker] betoogt, dan zou dat mogelijk een rol kunnen spelen bij de ontbinding op de g-grond, maar niet bij de ontbinding op de e-grond vanwege verwijtbaar handelen van [verzoeker] waarvan hier sprake is. Voor een billijke vergoeding op grond van artikel 7: 671b BW lid 9 onder c is daarom geen plaats.\n\ngeen transitievergoeding\n\n3.15.. Het hof vindt de handelwijze van [verzoeker] waarbij hij bij de deal rondom bakkerij [naam6] ‘twee heren’ heeft gediend niet alleen verwijtbaar maar ook ernstig verwijtbaar. Het gedrag van [verzoeker] heeft ernstig afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] als commercieel medewerker\u002Fmanager mocht hebben. [geïntimeerde] moet er immers van op aan kunnen dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn functie volledig in haar belang handelt en niet daarnaast uit is op eigenbelang. Dat betekent dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW)..\n\ngeen vergoeding vervangende huurauto en abonnement BMW\n\n3.16.. \n [verzoeker] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij onder dwang de leaseauto heeft moeten inleveren. Omdat hij van de ene op de andere dag geen beschikking meer over een auto had, heeft hij kosten voor de huur van een vervangende auto moeten maken. Die kosten komen neer op een bedrag van € 450 per week (totaal € 1.800), exclusief btw. Hij verwijst hiervoor naar een factuur van 20 april 2025.\n\n3.17.. \n\nHet hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze factuur gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens [geïntimeerde] is de factuur afkomstig van ‘ [naam10] ’, maar de naam\u002Fadres\u002Fwoonplaats van deze afzender ontbreken, evenals het KvK-nummer. Daarnaast heeft [verzoeker] niet aangetoond dat hij deze factuur heeft betaald, nu de factuur is gericht aan [naam1] . Gelet op deze betwisting heeft [verzoeker] niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij kosten van € 450 exclusief btw per week voor de huurauto heeft gemaakt. Bovendien heeft [verzoeker] , in het kader van zijn schadebeperkingsplicht, niet inzichtelijk gemaakt dat hij voor privéritten deze huurauto nodig had en geen gebruik van een ander vervoermiddel (bijvoorbeeld een taxi voor de ritten naar het ziekenhuis met zijn echtgenote) kon maken.\n\nDatzelfde geldt voor de kosten van het abonnement dat [verzoeker] voor zijn BMW heeft aangeschaft. Niet alleen blijkt uit de door [verzoeker] overgelegde factuur van dit abonnement dat het abonnement door zijn vennootschap [naam1] is afgesloten (en de hiermee gepaard gaande kosten door BMW kennelijk bij [naam1] in rekening zijn gebracht) maar in ieder geval is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] met toestemming van [geïntimeerde] dit abonnement heeft afgesloten. De kosten ervan blijven dus voor rekening van [verzoeker] .\n\nloon € 3.000\n\n3.18.. \n\n [verzoeker] meent dat hij met ingang van 1 februari 2025 recht heeft op loon van € 9.000 per maand omdat dit met [naam4] is afgesproken. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verwezen naar gevoerde e-mailcorrespondentie in januari 2025 tussen hem en [naam4] . [verzoeker] heeft in de tekst van een e-mail van 29 januari 2025 van [naam4] opmerkingen gemaakt. In deze e-mail is het volgende te lezen (waarbij de onderstreepte tekst door [verzoeker] (‘ [verzoeker] ’) is geschreven):\n\n‘Dag [verzoeker] ,\n\nAfgelopen woensdag hebben we overleg gehad inzake de winkels [naam6] die overgenomen zijn waar een afspraak is gemaakt van 5%, maar de termijn was mijn onduidelijk (…).\n\nAls aangesteld commissaris per l november 2024 is mij niet helemaal duidelijk wat de afspraken zijn met jou bedrijf en [naam7] inzake deal [naam6] en andere zaken. de afspraken met [naam7] zijn in 4 overeenkomsten vastgelegd en hebben we beide met ons volle verstand getekend (…)\n\nDaar mijn salaris hoog was, is het opgedeeld:\n\n1 de eerste overeenkomst staan dus de taken in.\n\n2 De bestaande provisie overeenkomst die voordat ik werd aangenomen 3% was is naar 5% gegaan en is ook zo uitbetaald 1e helft 2024 (provisie was voor omzet wat ik binnen zou halen. (...)\n\n3 een arbeidsovereenkomst met een bruto salaris van €3.000,- volgens de cao 32 uur in de week. januari is cao verhoging door gevoerd, dus salaris is iets hoger\n\n4 een overeenkomst met [naam1] B.V. van € 2.100,- excl per maand\n\nOm dit tot een werkbare oplossing te krijgen en tot afronding van de doorstart [naam6] , is denk goed dit project, project matig vast te stellen hoe de commissie wordt vastgesteld en uitgekeerd over de periode de komende 60 maanden (…)\n\nMijn voorstel is [naam6] winkels:\n\nVanaf 1 februari 2025 tot 1 februari 2030 wordt op basis van bovenstaand een maandelijks voorschot wordt € 9000,- euro ex btw betaald, en na 12 maanden door onafhankelijke accountant (…) vastgesteld welke omzet en winst is gedraaid op bovengenoemde locaties door [naam3] ( [naam3] , toevoeging hof) geleverd (…)\n\nCommissie overeenkomst vast € 2100,-:\n\nOok is mij niet duidelijk waarvoor en om problemen te voorkomen, is wel zaak dat hier een goede overeenkomst vast te stellen voor welke werkzaamheden en verwachtingen\n\nhier is mijns inziens geen onduidelijkheid over, zie de door ons beide getekende overeenkomsten.\n\n3.19.. \n\nVolgens [geïntimeerde] was de strekking van de e-mail van [naam4] niet om [verzoeker] een onvoorwaardelijk voorstel te doen, maar om ontstane plooien glad te strijken en te bezien of de samenwerking voor de toekomst op meer gestructureerde basis kon plaatsvinden. Die plooien waren ontstaan doordat [verzoeker] via zijn vennootschap [naam1] een provisiefactuur van bijna € 48.000 aan [naam7] had gestuurd vanwege werkzaamheden in verband met de overname [naam6] door [geïntimeerde] .\n\nMaar ook als hetgeen in deze mail staat als een (bindende) afspraak zou moeten worden aangemerkt, dan nog heeft het door [naam4] genoemde voorschot van € 9.000 per maand geen betrekking op het salaris van [verzoeker] uit hoofde van zijn dienstverband, maar op een voorschot op provisie op grond van overeenkomsten die [verzoeker] via zijn vennootschap(pen) met [geïntimeerde] heeft gesloten. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat deze e-mail is gestuurd naar aanleiding van een bespreking die had plaatsgevonden na het sturen van genoemde provisiefactuur, maar ook wordt in het e-mailbericht melding gemaakt van ‘overeenkomsten tussen jou bedrijf en [naam7] ’. Bovendien is het maandelijkse voorschot van € 9.000 als een bedrag exclusief btw vermeld wat niet gebruikelijk is bij arbeidsloon.\n\nDit betekent dat voor het loon dat [geïntimeerde] nog aan [verzoeker] verschuldigd is, moet worden uitgegaan van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen bedrag van € 3.000.\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.20.. Het principaal hoger beroep van [verzoeker] slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt evenmin. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. [verzoeker] is het niet eens met de compensatie van de proceskosten in het verzoek in eerste aanleg omdat het ontslag op staande voet geen stand heeft gehouden. Dit ziet het hof anders. Weliswaar is het ontslag op staande voet vernietigd, maar vervolgens is de arbeidsovereenkomst ontbonden terwijl [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Op dat punt brengt de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz van de Kring van kantonrechters mee dat de proceskosten voor rekening van de werknemer ( [verzoeker] ) kunnen komen. Ook heeft [verzoeker] op het punt van zijn verhoogde aanspraak op loon ongelijk gekregen. Al met al acht het hof een compensatie van kosten, net als de kantonrechter, redelijk. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.\n\n3.21.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\nin het principaal hoger beroep\n\n4.1.. verwerpt het beroep van [verzoeker] ;\n\n4.2.. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [geïntimeerde] bepaald op € 851 griffierecht en € 2.580,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 punten x tarief II);\n\nin het incidenteel hoger beroep\n\n4.3.. verwerpt het beroep van [geïntimeerde] ;\n\n4.4.. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [verzoeker] bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 punt x tarief II);\n\nin het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\n4.5.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3462","2026-07-13T00:29:01.020Z",20]