[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":185},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},22,{"min":18,"max":19},"2025-10-29T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122434","Wetboek van Koophandel","",1,[27,37,45,52,59,66,73,81,88,96,105,112,120,127,135,143,150,159,167,176],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1577","ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","ecli-nl-rbgel-2026-5077","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F2178 en 26\u002F783, 26\u002F2902 en 26\u002F2904\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2025 (jaar 2021) en van 15 december 2025 (jaar 2022).\n\n2021\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2021).\n\n2022\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.620 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 253. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2022).\n\n2023\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.091 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 478. Er is voor het jaar 2023 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2021 tot en met 2023 (voorgenomen beslissing van 13 maart 2026) ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. Op 31 december 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 verlaagd met € 78. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar nihil.\n\n2024\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.595 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 970. Er is voor het jaar 2024 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nDe rechtbank heeft na de zitting nog nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Hierin heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1946.\n\n2. Belanghebbende was van 30 maart 1973 tot en met 15 juni 2007 gehuwd met [persoon C]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie mag aftrekken, of de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de verzuimboetes voor de jaren 2021 en 2022 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n4. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n5. Voor het jaar 2024 hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij toestemming geven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank ook de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2024 kan beoordelen.\n\nMag belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen?\n\n6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij nog geld terug moet krijgen van de Belastingdienst, bijvoorbeeld vanwege betaalde alimentatie aan zijn ex-partner in de jaren 2011 tot en met 2017. Belanghebbende wil een eenvoudig aangifteformulier ontvangen en vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen.\n\n7. Over de jaren tot en met 2020 hoefde belanghebbende geen aangifte IB\u002FPVV te doen.Belanghebbende moest voor het eerst over het jaar 2021 aangifte IB\u002FPVV doen.\n\n8. Volgens de wet kan tot vijf jaar terug aangifte IB\u002FPVV worden gedaan.Om van de Belastingdienst geld terug te kunnen krijgen, moet voor die jaren in ieder geval aangifte IB\u002FPVV zijn gedaan. De jaren 2011 tot en met 2020 zijn meer dan vijf jaren geleden. Voor die jaren kan dus geen aangifte IB\u002FPVV meer worden gedaan. Belanghebbende vindt dat voor hem een uitzondering moet gelden, vanwege zijn leeftijd en omdat hij ziek is geweest.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat van de wettelijke aangifteplicht niet kan worden afgeweken, ook niet om de redenen die belanghebbende noemt.\n\nConclusie:\n\n10. Belanghebbende kan geen aangiften IB\u002FPVV dan wel verzoeken om ambtshalve vermindering doen voor de jaren 2011 tot en met 2020. Hij kan de betaalde alimentatie daarom niet in aftrek brengen.\n\nZijn de aanslagen voor de jaren 2021 tot en met 2024 juist?\n\n11. Belanghebbende heeft gesteld dat hij geld terug moet ontvangen in verband met in eerdere jaren betaalde alimentatie. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij alimentatie aan zijn ex-partner heeft betaald tot en met 2017. Dus voor de jaren 2021 tot en met 2024 heeft hij geen alimentatie betaald. Betalingen van alimentatie uit eerdere jaren kunnen niet meer worden afgetrokken van het inkomen van 2021 of latere jaren.\n\n12. Belanghebbende heeft geen andere aftrekposten genoemd en ook in de overgelegde stukken ziet de rechtbank geen andere aftrekposten. De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslagen gebaseerd op gegevens van belanghebbende, die bij de Belastingdienst via de Sociale Verzekeringsbank, het ABP, Nationale Nederlanden en de banken bekend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat die inkomsten onjuist zouden zijn. Belanghebbende heeft op de zitting ook niet aangegeven dat die gegevens onjuist zijn of dat gegevens ontbreken.\n\nConclusie:\n\n13. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 zijn juist.\n\nVerzuimboetes (jaren 2021 en 2022)\n\n14. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2021 en 2022.\n\n15. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij die aangiften niet heeft gedaan.\n\n16. De inspecteur heeft mogelijkheden om op te treden als niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen.\n\n17. Het niet binnen de termijndoen van de aangiftes vormt een verzuim. Daarvoor kan de inspecteur belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete opleggen.\n\n18. Omdat geen aangiften zijn ingediend over de jaren 2021 en 2022 heeft de inspecteur terecht de verzuimboetes opgelegd.\n\n19. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzuimboetes te matigen in verband met de door belanghebbende gestelde medische situatie en zijn leeftijd. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij geen hulp wil vragen en dat hij er bewust voor kiest om geen aangifte te doen. De inspecteur is al erg coulant geweest. De inspecteur heeft over 2023 en 2024 géén verzuimboetes opgelegd, terwijl belanghebbende ook voor die jaren geen aangiftes heeft gedaan. Voor het jaar 2025 heeft de inspecteur op de zitting een vooringevulde papieren aangifte IB\u002FPVV aan belanghebbende aangeboden. Deze aangifte wilde belanghebbende niet meenemen naar huis om hem thuis rustig te controleren, eventueel aan te vullen, te ondertekenen en terug te sturen aan de inspecteur. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een boete van € 385 voor het jaar 2021 en € 385 voor het jaar 2022 passend en geboden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf van IB\u002FPVV krijgt voor de jaren 2011 tot en met 2024 en de verzuimboetes in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a Awb is voldaan, hebben partijen ter zitting ingestemd met rechtstreeks beroep.\n\n Belanghebbende is voor die jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV.\n\n Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001.\n\n Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat persoonsgebonden aftrekposten, waaronder alimentatie, in aftrek kunnen worden gebracht op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.\n\n Artikel 9, derde lid, van de AWR (aanmaning).\n\n Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:28.117Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"860","ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","ecli-nl-rbgel-2026-5236","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904 rectificatie\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [adres], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.704Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"989","ECLI:NL:RBGEL:2026:5070","ecli-nl-rbgel-2026-5070","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [locatie], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 667;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5070","2026-07-13T00:28:57.745Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":56,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":58},"1579","ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","ecli-nl-rbgel-2026-5069","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8843\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [plaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 30 augustus 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Het betreft een nihil aanslag. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met haar fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. Belanghebbende en haar fiscaal partner hebben op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende geeft ook aan dat zij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n7. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met de fiscaal partner van belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt aan de fiscaal partner van belanghebbende een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. De fiscaal partner heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n8. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan de fiscaal partner van belanghebbende waarin hij refereert naar telefonisch contact waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n9. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n10. De fiscaal partner van belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. De fiscaal partner geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. De fiscaal partner haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n11. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n14. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n15. Belanghebbende heeft betoogd dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft zij recht op de maximale vergoeding.\n\n16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n17. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n18. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n19. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n20. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief daadwerkelijk is verzonden.\n\n21. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de datum van de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat zij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 20 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","2026-07-13T00:29:28.192Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":63,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":65},"1578","ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","ecli-nl-rbgel-2026-5042","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F9105\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.628. Gelijktijdig bij de vaststelling van de aanslag heef de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB\u002FPVV 2022 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is op 7 september 1992 bij Blokker B.V. in dienst getreden.\n\n2. Op 26 april 2021 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij partijen overeen zijn gekomen dat de bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen een beëindigingsvergoeding van € 31.444,37 overeengekomen.\n\n3. Belanghebbende heeft zich op 18 mei 2021 ziek gemeld bij Blokker B.V. Belanghebbende ontving vanaf het moment dat hij ziek werd tot 14 mei 2023 een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V.\n\n4. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2022.\n\n5. Belanghebbende heeft op 14 april 2023 om uitstel verzocht. De inspecteur heeft tot 1 mei 2024 uitstel verleend.\n\n6. Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 25.520 opgegeven bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892.\n\n7. Met dagtekening 1 december 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 23.628 en bestaat uit inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 25.520 bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892. Daarnaast heeft de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\n8. Belanghebbende heeft op 10 januari 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 januari 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022. Belanghebbende geeft in het bezwaarschrift aan dat de ingediende aangifte juist is en de witte tabel toegepast dient te worden, omdat belanghebbende in dienst was van Blokker B.V.\n\n9. De inspecteur heeft op 16 augustus 2024 aan belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij Blokker B.V.\n\n10. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2024 per e-mail een vaststellingsovereenkomst, salarisstrook van december 2022 en een brief van het UWV van 6 april 2023 aan de inspecteur verzonden.\n\n11. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende ook gewezen op het hoorrecht.\n\n12. Belanghebbende heeft op 1 november 2024 gereageerd op het voornemen van de inspecteur. Volgens belanghebbende kan een wettelijk ontslag niet ingaan tijdens een ziekteperiode. Belanghebbende heeft onder andere de jaaropgave 2023 overgelegd waarin staat vermeld dat de ontslagdatum 15 mei 2023 is.\n\n13. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende tot en met 31 augustus 2021 in loondienst was bij Blokker B.V. en in september 2021 een ontslaguitkering heeft ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 een Ziektewet-uitkering ontvangen van Blokker B.V. Volgens de inspecteur is hiermee terecht de groene tabel toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2022 juist is vastgesteld, in het bijzonder of recht bestaat op arbeidskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2022 recht heeft op arbeidskorting, omdat sprake is van een dienstbetrekking. Hij heeft op 26 april 2021 een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij de bestaande arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2021 zou eindigen. Op 18 mei 2021 heeft belanghebbende zich ziek gemeld en met ingang van deze datum heeft hij een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V. ontvangen, waardoor de dienstbetrekking niet is beëindigd op 31 augustus 2021. Belanghebbende verwijst hierbij naar een loonspecificatie van december 2022 waarin als datum van indiensttreding 1 september 2021 wordt genoemd en het contract voor onbepaalde tijd staat aangemerkt. Tevens verwijst belanghebbende naar de jaaropgaven 2021, 2022 en 2023 waarin belanghebbende wordt aangeduid als werknemer.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat van een dienstbetrekking in 2022 geen sprake meer is, omdat deze op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De inspecteur geeft aan dat uit de betalingsspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven van Blokker B.V. blijkt dat Blokker B.V. geen arbeidskorting heeft toegepast op de Ziektewet-uitkering. Pas na uitdiensttreding, per 1 september 2021, heeft Blokker B.V. een ziektewetuitkering aan belanghebbende uitgekeerd en is er een nieuwe inkomstenverhouding ontstaan. Dit heeft Blokker B.V. niet gedaan in het kader van een lopende dienstbetrekking, maar als eigenrisicodrager voor de Ziektewet.\n\n18. In artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Volgens artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet IB 2001 wordt onder arbeidsinkomen verstaan: het gezamenlijk bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. Voor 1 januari 2020 gold dat een Ziektewet-uitkering tot het arbeidsinkomen werd gerekend.Met ingang van 1 januari 2020 is dat gewijzigd en wordt een Ziektewet-uitkering alleen tot het arbeidsinkomen gerekend indien de dienstbetrekking nog niet beëindigd is.\n\n19. In de parlementaire behandelingis over bovenstaande wijziging het volgende opgenomen:\n\n“Een werknemer krijgt in veel gevallen bij ziekte zijn loon doorbetaald door zijn werkgever. Als dat niet het geval is, zorgt de ZW voor een inkomensvoorziening bij ziekte van de werknemer. Een ZW-uitkering wordt echter ook verstrekt aan personen die door ziekte tijdelijk niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, maar geen dienstbetrekking (meer) hebben, bijvoorbeeld aan personen die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) hadden en ziek zijn geworden of personen van wie de dienstbetrekking tijdens ziekte is beëindigd.\n\nAls iemand een ZW-uitkering heeft, telt die uitkering mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Een WW-uitkering telt niet mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Iemand die een WW-uitkering heeft en ziek wordt en daardoor een ZW-uitkering ontvangt, heeft op dat moment een hoger inkomen dat meetelt voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Als gevolg daarvan treedt op dat moment in de regel een substantiële netto-inkomensstijging op. Vervolgens ervaart deze persoon juist in de regel een substantiële netto-inkomensdaling als hij zich beter meldt en weer een WW-uitkering geniet. Beide situaties acht het kabinet, ook voor vergelijkbare groepen, niet wenselijk. Daarom is het voorstel om per 2020 voor nieuwe ZW-uitkeringsgerechtigden zonder werk de ZW-uitkering niet mee te laten tellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting.\n\nDat betekent dat een knip moet worden aangebracht in de groep mensen die een ZW-uitkering geniet. Kort gezegd, wordt een knip aangebracht tussen zieken met werk en zieken zonder werk. De voorgestelde maatregel is daarmee zowel van toepassing voor mensen met een WW-uitkering die ziek worden als voor mensen die in een vergelijkbare situatie verkeren als zieke WW-gerechtigden: zij zijn ziek en hebben geen dienstbetrekking (meer). Het betreft bijvoorbeeld mensen met een arbeidscontract voor bepaalde duur dat is beëindigd, uitzendkrachten die onder het uitzendbeding vallen en zwangeren die geen dienstbetrekking (meer) hebben en zich vóór hun zwangerschaps- en bevallingsverlof ziek melden. Voorgesteld wordt bij deze groepen de ZW-uitkering niet langer te laten meetellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Het gaat om circa 250.000 ziektegevallen per jaar (ZW-uitkeringen), met een gemiddelde duur van 52 dagen (cijfers 2017).”\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in 2022 geen recht had op arbeidskorting, omdat hij geen dienstbetrekking had. Belanghebbende ontving in 2022 een Ziektewet-uitkering van zijn ex-werkgever, waarbij de dienstbetrekking al per 1 september 2021 middels een vaststellingsovereenkomst was beëindigd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die erop kunnen wijzen dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig of herroepen is. Dat in de loonspecificatie een ingangsdatum van 1 september 2021 en een contract voor onbepaalde tijd staat genoemd, en in de jaaropgaven over een werknemer wordt gesproken, maakt niet dat het om een lopende dienstbetrekking gaat. De rechtbank ziet daarentegen in de loonspecificatie ook de functie ‘ZW-uitkeringsgerechtigde’ staan. Verder blijkt uit de door de inspecteur overgelegde stukken dat de ex-werkgever van belanghebbende voor de periode tot 1 september 2021 uitgaat van een dienstbetrekking en voor de periode erna (dus heel 2022) niet. Voorts merkt de rechtbank op dat belanghebbende bij een eventuele betermelding na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst immers niet meer bestond.\n\n21. Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland zonder de exacte gegevens te weten. De rechtbank heeft getracht deze uitspraak te achterhalen. Voor zover belanghebbende heeft willen verwijzen naar de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2024:2692, merkt de rechtbank op dat deze op een andere situatie ziet.\n\n22. Nu het hier niet om een Ziektewet-uitkering met dienstbetrekking gaat, dient de Ziektewet-uitkering niet tot het arbeidsinkomen gerekend te worden en bestaat er dus ook geen recht op arbeidskorting. De aanslag IB\u002FPVV 2022 is juist vastgesteld.\n\nBelastingrente\n\n23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8.1, tweede lid, onderdeel van de Wet IB 2001 (tekst 2019).\n\n MvT, Kamerstukken II2018\u002F19, 35026, nr.3, p 18-19.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","2026-07-13T00:29:28.152Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":70,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":72},"1580","ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","ecli-nl-rbgel-2026-5066","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [woonplaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 20 oktober 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met zijn fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. De inspecteur heeft op 28 juni 2023 een brief aan belanghebbende verzonden over massaal bezwaar plus en box 3. De inspecteur geeft aan dat het bezwaar ondanks dat het te laat is ingediend toch in behandeling wordt genomen en beoordeeld zal worden of belanghebbende in aanmerking komt voor rechtsherstel.\n\n7. Belanghebbende heeft op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende. Belanghebbende geeft ook aan dat hij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n8. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt belanghebbende om een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. Belanghebbende heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n9. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan belanghebbende waarin hij refereert naar het telefonisch contact met belanghebbende waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n10. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n11. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. Belanghebbende geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. Belanghebbende haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n12. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n15. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n16. Belanghebbende heeft betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de maximale vergoeding.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n19. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.(…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief ook daadwerkelijk is verzonden.\n\n22. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting is vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op zijn verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat hij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 21 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","2026-07-13T00:29:28.258Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":35,"updatedAt":80},"1749","ECLI:NL:RBGEL:2026:5017","ecli-nl-rbgel-2026-5017","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 23\u002F2634\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 januari 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.854 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.712.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om zonder mondelinge behandeling het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens de inspecteur gevraagd of hij hiermee instemt. De inspecteur heeft daarmee ingestemd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende staat tot 2 februari 2017 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 2]. Met ingang van 2 februari 2017 staat zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 1].\n\n2. Belanghebbende en haar ex-partner hebben de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] (woning 1) op basis van een op 22 september 2016 gesloten voorlopige koopovereenkomst op 21 oktober 2016 geleverd aan een derde. De verkoopprijs bedraagt € 305.000.\n\n3. Belanghebbende heeft op 28 oktober 2016 een voorlopige koopovereenkomst gesloten ter zake van het appartementsrecht met betrekking tot het adres [adres 2] te [plaats 1] (woning 2). De koopsom daarvan bedraagt € 160.000. Deze koopovereenkomst bevat, behoudens de wettelijke bedenktijd van drie dagen, geen opschortende of ontbindende voorwaarden.\n\n4. Woning 2 is conform de voorlopige koopovereenkomst aan belanghebbende geleverd op 12 januari 2017. Op de notariële afrekening is vermeld dat belanghebbende uiterlijk vóór 12 januari 2017 een bedrag van € 148.745,49 diende over te maken op de derdengeldrekening van de notaris. Belanghebbende heeft de koopsom in drie delen op 6 januari 2017, 9 januari 2017 en 10 januari 2017 op de derdengeldrekening van de notaris overgemaakt.\n\n5. Belanghebbende had op 1 januari 2017 in totaal € 181.525 aan bank-, giro- en spaartegoeden. In de aangifte heeft belanghebbende € 177.383 van dit totaalbedrag aan zichzelf toegerekend\n\n6. Op 5 november 2018 is de aangifte IB\u002FPVV 2017 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 10.566. Het aangegeven voordeel uit sparen en beleggen bedraagt € 5.712.\n\n7. Op 14 februari 2018 is de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2017 vastgesteld conform de aangifte.\n\n8. De inspecteur heeft op 9 januari 2019 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. Belanghebbende heeft daarin gesteld dat in de aangifte ten onrechte geen tot de rendementsgrondslag behorende schuld is opgenomen in verband met de aankoop van woning 2.\n\n9. Bij brief van 12 december 2022 heeft gemachtigde de inspecteur in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsom.\n\n10. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende met dagtekening 19 januari 2023 afgewezen.\n\n11. Met dagtekening 24 februari 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2017 ambtshalve verminderd in verband met toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is daarbij verminderd tot € 365.\n\n12. Op 7 maart 2023 heeft de inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen. Op 22 maart 2023 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het voordeel uit sparen en beleggen, na vermindering op grond van het Besluit rechtsherstel box 3, terecht heeft vastgesteld op € 365. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende de uit de voorlopige koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van de koopsom als een tot de rendementsgrondslag behorende schuld in aanmerking kan nemen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat daar geen tot de rendementsgrondslag behorende bezitting tegenover staat.\n\n14. Daarnaast is in geschil of het gelijkheidsbeginsel op regelniveau is geschonden, of de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd en of de inspecteur op juiste gronden heeft beslist dat geen dwangsom verschuldigd is.\n\n15. Tenslotte heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële\n\nschade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\n16. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInkomen uit sparen en beleggen (box 3)\n\nWettelijk kader\n\n17. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bestaat de rendementsgrondslag uit de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Het tweede lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat bezittingen zaken of rechten zijn met waarde in het economische verkeer. Het derde lid van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bepaalt dat schulden verplichtingen zijn met waarde in het economische verkeer.\n\n18. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 is het uitgangspunt af te leiden dat voor de inhoud van de begrippen ‘bezittingen’ en ‘schulden’ kan worden aangesloten bij de jurisprudentie en doctrine die over deze begrippen is ontwikkeld voor de vermogensbelasting.\n\n19. Voor de vermogensbelasting gold dat de zinsnede ‘met waarde in het economische verkeer’ naar de bedoeling van de wetgever uitdrukking moest geven aan het objectieve karakter van de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.\n\nBezitting\n\n20. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag op de bankrekening geen bezitting vormt, omdat het geld afkomstig is uit de verkoop van de voormalige eigen woning en omdat dit geld bedoeld is om de nieuwe eigen woning mee te betalen. Het is volgens belanghebbende zeer onredelijk en onbillijk om het bedrag dat bestemd is om de koopprijs van woning 2 mee te betalen op de peildatum tot de rendementsgrondslag te rekenen. Dat is volgens belanghebbende niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.\n\n21. De rechtbank stelt voorop dat het buiten twijfel is dat een geldbedrag dat op de peildatum op een bankrekening staat als bezitting moet worden aangemerkt, aangezien het bezit van een geldbedrag waarde in het economische verkeer heeft. De wetgever heeft bedoeld het begrip ‘bezittingen’ een objectief karakter te geven. Met dat objectieve karakter is niet verenigbaar om de herkomst of het bestedingsdoel van een geldbedrag bepalend te laten zijn voor het antwoord op de vraag of het een bezitting is. In de tekst van de wet en in de parlementaire geschiedenis is voor een dergelijke uitleg als door belanghebbende gegeven dan ook geen steun te vinden.\n\n22. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld het standpunt in te nemen dat zij de toepassing van de wettelijke bepalingen in zijn geval onbillijk en onrechtvaardig vindt, overweegt de rechtbank dat zij op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Deze beroepsgrond kan belanghebbende dan ook niet baten.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n23. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van ongelijke behandeling van overigens gelijke gevallen. Indien de koopsom vóór 1 januari 2017 zou zijn betaald, zou er fiscaal geen sprake zijn geweest van belastbaar vermogen per 1 januari 2017 en had ook geen terugbetaling hoeven plaats te vinden van toeslagen.\n\n24. De rechtbank oordeelt als volgt. Het wettelijke systeem maakt onderscheid tussen wel of niet uitgegeven geld. Dat is in het licht van het doel van de regeling een redelijk onderscheid, omdat het gaat om het in de belastingheffing betrekken van inkomsten uit bezit. Dat de vermogensrendementsheffing geen rekening houdt met een koper die zijn woning in jaar 1 geleverd krijgt ten opzichte van een koper die de woning pas in het daarop volgende jaar geleverd krijgt, is geen verschil dat tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van beide groepen leidt. De groep die de koopsom voor een andere woning in jaar 1 meteen betaalt, heeft immers ook geen profijt van geld op de rekening. Terwijl de groep kopers die het geld wel in hun bezit heeft gehad, daar ook profijt van kon hebben. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n25. Nu het geldbedrag moet worden aangemerkt als bezitting faalt deze stelling van belanghebbende. De rechtbank komt dan toe aan de stelling van belanghebbende, dat tegenover die bezitting een even grote schuld staat.\n\nSchuld\n\n26. Belanghebbende stelt dat het aangaan van de koopovereenkomst voor woning 2 tot verplichtingen voor haar heeft geleid en dat daarom op 1 januari 2017 sprake is van een schuld. Er waren immers op dat moment geen ontbindende voorwaarden meer die konden worden ingeroepen.\n\n27. De rechtbank is van oordeel dat tegenover het geldbedrag dat op de bankrekening van belanghebbende staat, niet een even grote schuld in aanmerking kan worden genomen vanwege de op grond van de koopovereenkomst door belanghebbende aangegane verbintenis tot betaling van de koopsom. De koopovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een door belanghebbende aangegane verbintenis tot betaling van een geldbedrag onder een bepaalde voorwaarde, maar er is sprake van een overeenkomst met tegenover elkaar staande verbintenissen in de vorm van rechten en verplichtingen. Er is een verbintenis in de vorm van de verplichting tot betaling van de koopsom, maar daartegenover staat het recht op levering van woning 2. Van de koopovereenkomst kan dus niet enkel de betalingskant worden afgezonderd, de prestaties uit de koopovereenkomst hangen immers met elkaar samen.Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nToeslag\n\n28. Belanghebbende heeft gesteld dat het belang in deze zaak vooral is gelegen in het feit dat zij het door haar van de Belastingdienst Toeslagen ontvangen kindgebonden budget moest terugbetalen als gevolg van de heffing van inkomstenbelasting in box 3. De belastingrechter is echter niet bevoegd te oordelen over toeslagen. Belanghebbende dient zich zo mogelijk te wenden tot de Belastingdienst Toeslagen en\u002Fof de algemene bestuursrechter.\n\nDwangsom\n\nVooraf\n\n29. De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaar van belanghebbende inzake de dwangsom. Gelet op het belang dat partijen hechten aan een (spoedige) uitspraak, heeft de rechtbank afgezien van het terugverwijzen en zal, met inachtneming van hetgeen beide partijen in beroep hebben aangevoerd, uitspraak doen.\n\n30. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur een dwangsom van € 276 is verschuldigd in verband met het niet-tijdig beslissen op haar bezwaarschrift van 7 januari 2019 (ontvangen door de inspecteur op 9 januari 2019). Volgens de inspecteur heeft belanghebbende hem onredelijk laat in gebreke gesteld en is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\n31. De rechtbank constateert dat het tijdsverloop tussen het einde van de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar en het moment waarop belanghebbende de inspecteur in gebreke heeft gesteld veel langer is dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. De beantwoording van de vraag of sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan.De inspecteur heeft gesteld dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van contacten tussen hem en (de gemachtigde van) belanghebbende in de periode vanaf de datum van het hoorgesprek (11 februari 2021) tot 13 december 2022 (de datum van ontvangst van de ingebrekestelling). Belanghebbende heeft dit als zodanig ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daarmee de inspecteur onredelijk laat in gebreke gesteld (pas ruim 21 maanden later). Dat bijvoorbeeld van een nog lopend overleg sprake zou zijn of van andere bijzondere omstandigheden waarom de ingebrekestelling zo laat is ingediend, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het gevolg hiervan is dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\n32. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n33. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016.Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.\n\n34. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 9 januari 2019. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 5 jaar en 6 maanden (66 maanden) langer dan twee jaar. Dat is afgerond naar boven 11 keer een half jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 5.500 (€ 500 per half jaar). De uitspraak op bezwaar is van 19 januari 2023. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor het 43\u002F66 deel toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor 23\u002F66 deel aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 3.583 aan belanghebbende te betalen en de Staat veroordelen om een bedrag van € 1.917 aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n35. Het beroep is gegrond door de vermindering van de aanslag IB\u002FPVV in de beroepsfase als gevolg van de toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3 (punt 11). hiervoor). Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd blijft op € 4.854 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 365.\n\n36. Belanghebbende krijgt een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De rechtbank hanteert een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak. De vergoeding bedraagt dan € 934. De inspecteur moet die vergoeding betalen. Belanghebbende krijgt vanwege het gegronde beroep het betaalde griffierecht van € 50 terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 4.854 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 365;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 3.583;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.917;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Besluit van 28 juni 2022, nr. 2022-176296.\n\n Kamerstukken II 1998\u002F99, 26 727, A, blz. 84 en 85.\n\n Kamerstukken II 1958\u002F59, 5380, nr. 5, blz. 7.\n\n Vergelijk Rechtbank Noord-Holland, 12 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10031.\n\n HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:3288.\n\n Zie ook Centrale Raad van Beroep van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2642 waarin is geoordeeld dat een periode van 4,5 maand reeds als onredelijk laat wordt aangemerkt.\n\n Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5017","2026-07-13T00:29:36.889Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":85,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":35,"updatedAt":87},"1496","ECLI:NL:RBGEL:2026:4998","ecli-nl-rbgel-2026-4998","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F124\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 december 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.687.\n\nGelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 120 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\nBelanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de belastingrentebeschikking ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .\n\nFeiten\n\nDe inspecteur heeft op 31 januari 2023 aan belanghebbende op basis van geschatte inkomensgegevens een voorlopige aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2023 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 9.503.\n\nOp 25 juli 2023 heeft belanghebbende een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 140.052. Dit is als volgt opgebouwd:\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 150.474\n\nSaldo inkomsten en aftrekposten eigen woning\n\n-\u002F- € 8.022\n\nUitgaven voor inkomensvoorzieningen\n\n-\u002F- € 2.400\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 140.052\n\n3. Met dagtekening 11 augustus 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende een gewijzigde voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2023 opgelegd. Het verzamelinkomen is daarbij conform het verzoek van belanghebbende vastgesteld op € 140.052. De voorlopige aanslag betreft een te betalen bedrag van € 55.677.\n\n4. Op 20 juni 2024 heeft belanghebbende de aangifte IB\u002FPVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 155.687. Dit is als volgt opgebouwd:\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 162.822\n\nUitgaven voor inkomensvoorzieningen\n\n-\u002F- € 7.135\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 155.687\n\n5. De inspecteur heeft met dagtekening 16 augustus 2024 de definitieve aanslag IB\u002FPVV aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 155.687. De aanslag leidt tot een te betalen bedrag van € 6.662 (exclusief belastingrente). De inspecteur heeft € 120 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is berekend over de periode 1 juli 2024 tot en met 27 september 2024.\n\n6. De inspecteur heeft met dagtekening 5 november 2024 de voorgenomen beslissing op bezwaar aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\n7. Op 2 december 2024 hebben partijen telefonisch contact gehad. De inspecteur heeft te kennen gegeven dat een hoorgesprek zijn standpunt niet zou doen wijzigen. Belanghebbende heeft daarop besloten af te zien van een hoorgesprek.\n\n8. Belanghebbende is gehuwd met [partner] (de fiscale partner). De definitieve aanslag IB\u002FPVV 2023 van de fiscale partner betreft een te ontvangen bedrag van € 3.456. Daarbij is geen belastingrente vergoed.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n9. De rechtbank beoordeelt of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht en of sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n10. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nBelastingrente\n\nWettelijk kader\n\n11. Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:\n\n1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.\n\n12. Artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting (…) na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag (…) met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, (…), aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. 4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting (…) is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, (…), maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. (…).\n\n13. Artikel 30hb van de AWR luidde van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024 als volgt:\n\nHet percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld.\n\n14. Artikel 1 van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: Bbi) luidde, voor zover van belang, vanaf 1 januari 2024:\n\nHet percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor een kalenderjaar is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden vóór 1 november van het aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3 procentpunt, met dien verstande dat: a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt; b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten; c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; en d. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging.\n\n15. Ingevolge het Besluit vaststelling wettelijke rente bedroeg de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2024 7,00%.\n\nToepassing op de zaak\n\n16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de belastingrente sprake is van discriminatie en willekeur, hetgeen tot ongelijke behandeling leidt. Verder stelt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat aan belanghebbende belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl aan de fiscale partner ter zake van de teruggaaf van inkomstenbelasting geen belastingrente is vergoed. Verder heeft belanghebbende gesteld dat bij de berekening van belastingrente sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.\n\n17. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld.Ongelijke behandeling van gelijke gevallen is slechts toegestaan als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.\n\n18. Belanghebbende stelt in dit kader dat het oneerlijk is dat belastingrente wordt berekend indien belasting is verschuldigd en dat geen belastingrente wordt vergoed indien sprake is van een terug te ontvangen bedrag. Belanghebbende benoemt in dit kader specifiek dat de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2023 van de fiscaal partner een te ontvangen bedrag bedraagt.\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt iemand die een belastingteruggaaf ontvangt zich rechtens en feitelijk niet in dezelfde positie als belanghebbende, die belasting is verschuldigd. Het feit dat bij een aanslag naar een te betalen bedrag belastingrente in rekening wordt gebracht terwijl bij een te ontvangen teruggaaf over dezelfde periode geen belastingrente wordt vergoed, vloeit voort uit het wettelijke systeem en vormt geen reden voor vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.\n\n20. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026geoordeeld dat de selectieve renteverhoging van de belastingrente voor vennootschapsbelastingplichtigen in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:\n\n“4.11.3\n\nVan het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen.\n\n4.11.4\n\nEvenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt.\n\n4.11.5\n\nIn het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat\n\n(i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt,\n\n(ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht,\n\n(iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013\u002F14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en\n\n(iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft.\n\nOnder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.\n\n4.11.6\n\nGelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM)\n\n(…).”\n\n21. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 4.11.4 van voornoemd arrest, is ook in absolute zin het percentage belastingrente niet te hoog. De hierop gerichte beroepsgronden van belanghebbende slagen derhalve niet.\n\n22. Belanghebbende heeft gesteld dat hij voor het tijdstip van indienen van de aangifte IB\u002FPVV afhankelijk is van het accountantskantoor. Dit is een aspect dat voor rekening van belanghebbende komt. Deze stelling slaagt daarom niet.\n\nZorgvuldigheidsbeginsel\u002Fhoorgesprek\n\nWettelijk kader\n\n23. Artikel 3:2 van de Awb luidt als volgt:\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nToepassing op de zaak\n\n24. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De inspecteur heeft in de bezwaarfase namelijk te kennen gegeven dat een hoorgesprek niet tot een andere uitkomst zou leiden dan de voorgenomen beslissing van 5 november 2024. Daardoor heeft belanghebbende afgezien van het hoorrecht. De handelwijze van de inspecteur is volgens belanghebbende in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n25. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat zijn collega zich in de bezwaarfase niet gelukkig heeft uitgelaten door te stellen dat een hoorgesprek geen wijziging zou brengen in zijn standpunt. Hij heeft toegelicht dat de uitlating van de collega te maken heeft met het geschilpunt. In zaken als deze waarin het gaat over de in rekening te brengen belastingrente heeft de inspecteur namelijk niet de ruimte om de rente te verminderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht. De inspecteur heeft aangegeven dat de uitlating van de collega aanleiding is om het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de minder zorgvuldige wijze waarop de medewerker van de belastingdienst zich heeft uitgelaten en zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet het griffierecht van € 53 aan belanghebbende vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 6 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4573.\n\n Vergelijk Hoge Raad 26 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA214.\n\n Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1778.\n\n ECLI:NL:HR:2026:59.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4998","2026-07-13T00:29:24.003Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":35,"updatedAt":95},"1103","ECLI:NL:RBGEL:2026:4990","ecli-nl-rbgel-2026-4990","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F14 en 25\u002F15\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 november 2024, waarbij de inspecteur de belastingrentebeschikkingen ter zake van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het belastingjaar 2022 heeft gehandhaafd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de inspecteur.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022.\n\n2. De inspecteur heeft naar aanleiding van een verzoek daartoe van de gemachtigde van belanghebbende op grond van de becon-regeling uitstel verleend tot het doen van aangifte tot 1 mei 2024.\n\n3. Belanghebbende heeft op 30 april 2024 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.297 aangegeven.\n\n4. Met dagtekening 5 juli 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Met dezelfde datum heeft hij de aanslag Zvw 2022 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 59.706. Bij beschikkingen heeft de inspecteur respectievelijk € 3.478 en € 155 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is in rekening gebracht over de periode van 1 juli 2023 tot en met 16 augustus 2024.\n\n5. Op 5 november 2024 heeft de inspecteur intern navraag gedaan over het verleende uitstel, omdat hij in de systemen geen brief kan vinden waarin staat dat uitstel voor het doen van aangifte is verleend. Op 6 november 2024 is op deze vraag, voor zover relevant, als volgt geantwoord:\n\n“De belastingplichtige krijgt van dit uitstel geen brief omdat er beconuitstel is aangevraagd. Dit gaat via het softwarepakket van de consulent en deze consulent heeft via dit pakket een terugkoppeling gekregen (SBU).”\n\n6. Tussen partijen is alleen in geschil of de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen brengen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastingrenten terecht in rekening heeft gebracht. Zij heeft daartoe als volgt overwogen.\n\n7. Belanghebbende voert aan dat hij voor 1 mei 2023 aangifte zou hebben gedaan als hij de brief waarin de uitstel tot het doen van aangifte wordt bevestigd niet zou hebben ontvangen. Door die brief verkeerde hij in de veronderstelling dat het initiatief om uitstel te verlenen bij de Belastingdienst lag en dat daarom geen belastingrente in rekening zou worden gebracht.\n\n8. Onder omstandigheden kunnen algemeen beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht.Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.\n\n9. Belanghebbende heeft zowel voor de belastingjaren vóór als na 2022 voor de oorspronkelijke aangiftetermijn aangifte gedaan. Daarnaast heeft hij voor het belastingjaar 2022 aangifte gedaan voor het verstrijken van de termijn waarvoor uitstel is verleend. Gelet op deze gang van zaken, twijfelt de rechtbank er niet aan dat belanghebbende is geïnformeerd over het verleende uitstel. Dan is onder andere relevant waarover belanghebbende precies is geïnformeerd, in het bijzonder of hierin een toezegging of uitlating staat waaruit belanghebbende mag afleiden dat de inspecteur geen belastingrente in rekening zou brengen over de periode waarover uitstel is verleend. Dit kan de rechtbank echter niet beoordelen, omdat de brief waar belanghebbende naar verwijst niet is ingebracht. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de betreffende brief en gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij deze brief niet heeft.\n\n10. Gelet hierop en het feit dat de bewijslast voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rust, had het op de weg van belanghebbende gelegen om de betreffende brief in te brengen. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij deze brief niet meer heeft. Dit komt voor zijn rekening en risico met als gevolg dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de belastingrente terecht in rekening heeft gebracht. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 17 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.\n\n Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4990","2026-07-13T00:29:04.186Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":35,"updatedAt":104},"1534","ECLI:NL:GHARL:2026:4064","ecli-nl-gharl-2026-4064","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummers BK-ARN 24\u002F1718, 24\u002F1719, 24\u002F1720\n\nuitspraakdatum: 16 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2024, nummers ARN 22\u002F556, 22\u002F559 en 22\u002F2192, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FKantoor Zwolle(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 15 juni 2015, door de Inspecteur ontvangen op 16 juni 2015, gezamenlijk verzocht om geruisloze inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van de gehele door hen gedreven onderneming in een nog op te richten besloten vennootschap [onderneming1] , op de voet van artikel 3.65, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en uitgaande van een verkrijgingsprijs van -\u002F- € 1.371 voor belanghebbende en -\u002F- € 1.852 voor haar echtgenoot.1.2.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.1.3.. Ten name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 41.123. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.4.. Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft de Inspecteur het onder 1.1 genoemde verzoek om geruisloze inbreng afgewezen.\n\n1.5.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd; de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (aanslag Zvw) heeft de Inspecteur gehandhaafd.\n\n1.6.. Bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen het de afwijzing van het verzoek om geruisloze inbreng ongegrond verklaard.\n\n1.7.. Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.8.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.1.9.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Namens belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen. Belanghebbende is bij digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van het Hof, is het bericht op 19 januari 2026 om 9:12 uur in het digitale dossier (via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’) geplaatst. Het Hof heeft hiervan op 19 januari 2026 om 9:17 uur een kennisgeving per e-mailbericht verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 19 januari 2026. Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] . Belanghebbende was gehuwd met [echtgenoot] , geboren op [geboortedatum2] [geboortejaar2] en overleden op [datum] 2017 (hierna: erflater). Belanghebbende is enig erfgenaam van erflater.2.2.. Belanghebbende heeft in 1974 het landhuis met de naam [landhuis] , met schuur en bijbehorende grond van ongeveer 3040 m2 (het pand) gekocht. In de akte van levering staat dat het pand alleen mag worden gebruikt voor eigen bewoning en voor de verhuur aan verplegend personeel (zogenaamd kamerverhuur). Vanaf 1999 dreef belanghebbende, na inbreng van het pand, samen met erflater een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam [landhuis] . Het gehele pand is steeds gerekend tot het ondernemingsvermogen van aanvankelijk de eenmanszaak en nadien de vennootschap.2.3.. \n\nNaar aanleiding van het verzoek van erflater en belanghebbende om geruisloze inbreng heeft de Inspecteur bij brief van 6 oktober 2015 de volgende vragenbrief gestuurd:\n\n “Naar aanleiding van uw verzoek om toepassing van artikel 3.65 IB bij de inbreng in een BV (…) hebben wij al een kort telefoongesprek gehad, waarbij o.a. het ondernemerschap van uw cliënten aan de orde kwam. (…)\n\nIn uw e-mail van 29 juni 2015 geeft u aan dat u vindt dat er een onderneming wordt gedreven omdat de exploitatie voor rekening en risico wordt uitgevoerd door de firmanten van de V.O.F., waardoor alle verplichtingen drukken op de V.O.F. c.q. de firmanten.\n\nHet gaat bij de vraag of er sprake is van een materiële onderneming in fiscale zin niet om de vorm of presentatie (vof) maar om de aard en inhoud van de activiteiten.\n\nIn het pand (…) wordt een aantal appartementen te huur aangeboden. Het betreft kamers met gebruik van keuken en douche. Uit mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat een aantal bewoners al jarenlang een dergelijk appartement huurt.\n\nHet verhuren van appartementen is in principe een beleggingsactiviteit. In sommige situaties kan er sprake zijn een resultaat uit overige werkzaamheden of van het drijven van een onderneming.\n\nIk heb de volgende vragen:\n\n1. Welke feiten en omstandigheden leiden er naar uw mening toe dat er in dit geval sprake is van meer dan actief vermogensbeheer? Ik verzoek u daarbij aan te geven in welke mate eventuele werkzaamheden door de firmanten er toe leiden dat een hoger rendement van de appartementen wordt behaald dan met normaal actief vermogensbeheer.\n\n2.Hoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\n3. Wilt een exemplaar van de huurovereenkomsten die zijn gesloten ter inzage sturen?\n\n4. Wilt u een specificatie verstrekken, uitgesplitst per appartement, van de ontvangen huren in 2015 (€ 47.924)\n\n5. Welke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\n6. Indien er in 2014 of 2015 naast de permanente verhuur ook sprake was van verhuur voor drie maanden (aangeboden volgens de website) verzoek ik u de omzetverhouding tussen de permanente verhuur en de tijdelijke verhuur aan te geven.”2.4.. \n\nBij brief van 21 oktober 2015 heeft de gemachtigde van erflater en belanghebbende daarop het volgende geantwoord:\n\n“Namens [erflater] en [belanghebbende] (hierna: cliënten) verstrek ik u hierbij de volgende gegevens waarmee uw vragen worden beantwoord. Daarbij hanteer ik de door u gehanteerde volgorde van gestelde vragen in uw brief van 6 oktober jl.\n\n(…)\n\nVraag 2.\n\nHoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\nIn tegenstelling tot de door u gebruikte term 'appartement' is in deze situatie sprake van kamers welke worden verhuurd. Daarnaast wordt een appartement verhuurd.\n\nEr worden 12 kamers voor de verhuur aangeboden. Deze kamers verschillen van omvang en dientengevolge ook de gerekende huur. Hier volgt de opsomming:\n\n• 4 kamers verhuurd voor € 300 huur per maand;\n\n• 6 kamers verhuurd voor € 350 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 400 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 425 huur per maand;\n\n• 1 appartement wordt (permanent) verhuurd voor€ 710 per maand.\n\nDe bezetting in 2014 was dat niet alle kamers het gehele jaar doorlopend konden worden verhuurd. In het huidige jaar worden nagenoeg alle kamers tot op heden doorlopend gehuurd door afwisselende huurders.\n\nDe kamers worden louter en alleen verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] welke is gevestigd te [vestigingsplaats] . Ondanks de vele vraag van bijvoorbeeld andere overheidsinstanties, wensen cliënten de kamers niet aan andere partijen te verhuren.\n\n(…)\n\nVraag 3.\n\nHuurovereenkomsten\n\nEr worden geen schriftelijke huurovereenkomsten gesloten met de huurders. De voorwaarden worden mondeling overeengekomen zoals de huurprijs en een opzegtermijn van een maand. Cliënten willen de huurders niet beperken in hun mogelijkheden om tussentijds óf naar huis te kunnen gaan om daar te wonen tijdens de studie óf anderzijds beperkingen op te leggen. Dit is een risico echter dit risico wensen zij te aanvaarden omwille van het voornoemde.\n\nDe voorwaarden worden ondermeer besproken in een kennismakingsgesprek die cliënten standaard voeren met elke (nieuwe) huurder. En niet geheel ten overvloede, er is civielrechtelijk ook sprake van verhuur als zodanig wordt gehandeld. Een schriftelijke huurovereenkomst is niet noodzakelijk.\n\nVraag 4.\n\nSpecificatie ontvangen huren in 2015\n\nU schrijft dat u een specificatie wenst te ontvangen van de ontvangen huur in 2015 van € 47.924. Ik veronderstel dat u het jaar 2014 bedoelt getuige de aan u toegezonden jaarrekening.\n\nDe ontvangen huur kan eenvoudig worden verklaard:\n\nTotaal ontvangen huur in 2014\n\n€ 47.924\n\nAf: verhuur appartement\n\n- 8.520\n\nOntvangen huur kamers (6x)\n\n€ 39.404\n\nVraag 5.\n\nWelke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\nCliënten verrichten de volgende werkzaamheden:\n\n- Onderhoud internetpagina\n\nBijvoorbeeld, er wordt geconstateerd dat de internetpagina niet op een smartphone kan worden geopend.\n\n- Onderhoud kamers\n\nAlle kamers worden na afloop van een (ver)huurperiode geheel schoongemaakt. Ook het onderhoud zoals schilderen, behangen etc. wordt door hen verzorgd.\n\nOp 2 november a.s. start een schildersbedrijf om het binnenwerk te gaan schilderen. Cliënten zijn thans bezig om de huurders hierover in te lichten\n\n- en om voorbereidende werkzaamheden te verrichten zodat de schilders op 2\n\n- november een vlotte start kunnen maken.\n\n(…)\n\nVraag 6.\n\nOmzetverhouding\n\n(…)\n\nConclusie\n\nGetuige de verstrekte gegevens en de aanvulling daarbij, kan onmogelijk worden gesteld dat hier geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. (…)”\n\n2.5.. \n\nOp 1 december 2015 heeft namens de Inspecteur een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij erflater, belanghebbende en hun gemachtigde aanwezig waren. In het verslag dat daarvan is opgemaakt, staat onder meer het volgende:\n\n“Permanente verhuur:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n-1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen in de tuin met eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D]; al tien jaar verhuurd aan hen.\n\nOok hiervan zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten\n\nOpzegtermijn 1 maand\n\n(…)\n\nDaarnaast worden de overige kamers nagenoeg uitsluitend verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] . Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar, toen het opleidingsinstituut [locatie1] sloot. Daarvoor werd verhuurd aan een andere doelgroep. [Het pand] [landhuis] is 40 jaar geleden ontstaan toen [belanghebbende], werkzaam in zorginstelling, het pand kocht en dus kamers ging verhuren. (…) In de periode voor 2010 werd ook verhuurd aan jongens van [instelling1] . Dat was een moeilijker doelgroep dan studenten van [onderwijsinstelling] die makkelijker zijn qua omgang enz. (…) Het echtpaar heeft een sterke sociale band met de huurders van de kamers. Er komen ook jonge studenten (17\u002F18 jaar) en daarvoor vervult ze soms ook een sociale rol bij privé-problemen. heimwee enz. Termijn van huur eerst vooral 3 maanden, nu ook 9 maanden en 6 maanden. De huurders nemen zelf contact op met haar. Er volgt een gesprek waarbij [belanghebbende] beoordeelt of iemand “in de groep” past (dat stamt nog uit de tijd van de jongenshuisvesting van voor 2010). Ze let dan o.a. op de leeftijdsopbouw van de groep bewoners. Overigens zijn dat geheel zelfstandige huurders (privacy). De kamers mag zij natuurlijk niet betreden behoudens bij calamiteiten (reservesleutel). Momenteel vindt de verhuur van de kamers gemeubileerd plaats. Vroeger namen ze hun eigen inrichtingsspullen mee, maar dat gaf toch praktische probleempjes, als men een verblijf voor een korte periode wilde (maand\u002Fsoms korter). Men adverteert op [onderwijsinstelling] . Werft verder niet actief. Vooral nieuwe huurders door de mond-op-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er is verder geen binding met [onderwijsinstelling] . Wel zijn ze aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om zich te presenteren als huurlocatie.\n\nDe huurders hebben de beschikking over een ingerichte keuken en een badkamer (2e etage zelfs twee badkamers). Ze koken zelf en houden zelf de kamers schoon. Er staat een centrifuge in een van de badkamers (…) maar de was wordt normaliter in de weekenden meegenomen naar huis. Ook het beddengoed. [Belanghebbende] onderhoudt dus niet de kamers, verschoont niet de bedden en verzorgt geen maaltijden. (…) De studenten eten op hun kamer. Soms (een keer per jaar, bij speciale gelegenheden, eten ze gezamenlijk in de woonkamer van de fam. (…) (die eten dan ook mee). Ook hierbij is het sociale aspect betekenisvol voor het echtpaar. De studenten koken dan een maaltijd of [belanghebbende] haalt een maaltijd bij “de chinees”.\n\nZij houdt wel de algemene ruimten schoon zoals het trappenhuis. Ook eens per week (…) de badkamer en keuken. Bij iedere huurwisseling maakt zij de kamers schoon.\n\nEr gelden enige (…) 4) huisregels (…). Ze houden ook enige controle op overkomen van (nieuwe) vriendinnen en hebben daarvoor een logeerkamer (…).”2.6.. In een brief van 2 mei 2016 gericht aan de gemachtigde van erflater en belanghebbende, schrijft de Inspecteur onder andere:\n\n“Wij verschillen van mening over het aanwezig zijn van een materiële onderneming bij [erflater] en [belanghebbende].\n\n(…)\n\nDe exploitatie\n\nIn het pand (…) worden de volgende woonruimten al jarenlang permanent verhuurd:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n- 1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen achter het hoofdgebouw met een eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D] (samenwonend); al 10 jaar aan hen verhuurd.\n\nEr zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten. [Erflater] en [belanghebbende] verrichten nauwelijks schoonmaak- of andere werkzaamheden voor de huurders.\n\n[Erflater] en [belanghebbende] hebben de volledige benedenverdieping in eigen gebruik. De overige kamers worden verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] in [vestigingsplaats] (hierna: [onderwijsinstelling] ). Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar toen het opleidingsinstituut de [locatie1] in [vestigingsplaats] sloot. In de periode voor 2010 werden kamers verhuurd aan een heel andere doelgroep namelijk bewoners van de [instelling1] . Er was toen geen sprake van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend.\n\nDe termijn van verhuur varieert van 3 maanden tot 9 maanden. De huurders nemen zelf contact op met [belanghebbende]. Er vindt geen acquisitie plaats, behoudens een advertentie die is opgehangen in [onderwijsinstelling] . (…) Nieuwe huurders komen spontaan via mond-tot-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er wordt niet actief geworven. Wel zijn [erflater] en [belanghebbende] aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om hun huurlocatie te presenteren. [Erflater] en [belanghebbende] voelen zich sociaal wel bij de studenten betrokken.\n\nDe huurders wonen geheel zelfstandig. (…)\n\nDe administratie bestaat uit handmatig opgestelde facturen die door [erflater] maandelijks bij de huurders op hun kamers worden bezorgd.\n\nOnderhoud pand:\n\nHet onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven.(…)\n\nDe tuin, die behoort bij de door [erflater] en [belanghebbende] bewoonde begane grond, wordt ongeveer 3 maal per jaar onderhouden dor een hoveniersbedrijf (snoeien enz.). Het normale onderhoud, zoals onkruid wieden doet de 80-jarige [erflater] zelf ook wel (…).”\n\n2.7.. \n\nIn een brief van 8 juni 2016 schrijft de gemachtigde van erflater en belanghebbende aan de Inspecteur in reactie op de brief van de Inspecteur van 2 mei 2016 het volgende:\n\n “(…) Hetgeen [erflater] en [belanghebbende] u zeer kwalijk nemen is dat uw standpunt ter zake de ‘andere doelgroep’ volstrekt onjuist is. Er zijn nooit kamers verhuurd aan de [instelling1] . (…)\n\nUw standpunt, dat er toen geen sprake was van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend, is helemaal correct. De zorgtaken die door [erflater] en [belanghebbende] dagelijks worden gepleegd, zijn het continu klaar staan voor de zorgen (privé-situaties) van de huurders. Er is daar geen verandering in gekomen zij het dat de zorgtaken een andere perceptie hebben gekregen oftewel een ander karakter. Zij zijn sociaal emotionele gesprekspartners voor de huurders. Dit zijn geen korte en vluchtige gesprekken (…). Tot midden in de nacht hebben zij met huurders gesproken over heimwee etc.\n\n(…) Een huurtermijn van 1 maand behoort ook tot de mogelijkheden (…).\n\n(…) De termijn van huur varieert van 1, 3, 4 of 9 maanden en dat betekent dat de kamers volledig schoongemaakt worden. Daarnaast zijn er meerdere badkamers, douches en keukens. Derhalve dagelijks stofzuigen, lappen, anderszins reinigen e.d. van twee verdiepingen.\n\n(…) (…) [belanghebbende] verzorgt de gehele administratie welke bestaat uit het inboeken van facturen, verrichten van betalingen. Daarnaast wikkelt zij e-mails af, heeft zij contact met de Gemeente en banken en verder.\n\nOnderhoud pand:\n\n“Het onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven”.\n\nDit is inderdaad correct.\n\n(…)\n\n[Erflater) verricht het reguliere onderhoud bestaande (…) dat opkomt door storingen aan elektra, onderhoud van wc’s, douches, meubilair en verder. Naast dit onderhoud verricht [erflater] al het kleine onderhoud aan het pand zoals schilderwerkzaamheden en verdere reparaties. (…) Daarnaast verzorgt [erflater] het reguliere tuinonderhoud dat bestaat uit het onkruid wieden en het verder schoonhouden van de paden, de parkeerplaats en de opritten. Dit gebeurt nagenoeg iedere dag.(…)”\n\n2.8.. Tot en met het belastingjaar 2015 heeft de Inspecteur erflater en belanghebbende voor de inkomstenbelasting aangemerkt als ondernemer.2.9.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.\n\n2.10.. \n\nTen name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van de foutenleer de winst over het jaar 2016 verhoogd met de helft van het verschil tussen de WOZ-waarde van het pand en de boekwaarde daarvan tot een bedrag van € 860.990 (€ 910.000 -\u002F- de boekwaarde van € 49.910), te weten € 430.495 (1\u002F2 x € 860.990).\n\nDe belastbare winst is rekening houdend daarmee als volgt berekend:\n\nAangegeven winst voor ondernemersaftrek € 5.924\n\nzelfstandigenaftrek € 3.640 -\u002F-\n\nniet gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 2.284 -\u002F-\n\ncorrectie meer winst € 430.495\n\ncorrectie meer niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 801 -\u002F-\n\ncorrectie MKB-vrijstelling € 60.158 -\u002F-\n\nbelastbare winst € 369.536\n\nDaarnaast is de grondslag voor de vermogensrendementsheffing verhoogd met de helft van de WOZ-waarde (½ x € 910.000).\n\n2.11.. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.719. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.12.. Bij beschikking van 8 februari 2021 is het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen op de grond dat de besloten vennootschap niet binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip (1 januari 2015) tot stand is gekomen.\n\n2.13.. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft op 20 september 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag dat de Inspecteur daarvan heeft opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Het pand\n\nHet betreft een pand dat is gebouwd rond 1900 en heeft op dit moment, volgens [de gemachtigde], wat achterstallig onderhoud. Er zijn een aantal kamers bekeken op de verschillende verdiepingen, het gesprek vond plaats in de woonkamer op de begane grond. Op de tweede en derde verdieping zijn de volledig gestoffeerde (slaap)kamers. Op elke verdieping is een badkamer en een keuken net als een wasruimte die bestemd is voor gezamenlijk gebruik. Totaal is er plek voor tien studenten. De begane grond wordt privé gebruikt en wordt niet verhuurd. Wel zijn er soms samenkomsten in de woonkamer waar bijvoorbeeld samen wordt gegeten.\n\nOntstaan\n\nIn het jaar 1974 is het [pand] aangekocht voor fl. 175.000. Vanaf begin af aan is er sprake geweest van verhuur van kamers. De doelgroep en daarmee samenhangende werkzaamheden zijn in de loop der tijd wel veranderd. Centraal daarin hebben altijd passie en een hoge mate van betrokkenheid gestaan. [Belanghebbende] benadrukte dat ze altijd klaarstaat voor de huurders, er aandacht voor elkaar is en ze het van belang vindt dat de bewoners het fijn met elkaar hebben. [Belanghebbende] gaf aan dat er altijd is gewerkt vanuit een sociale insteek, dat blijkt bijvoorbeeld uit de (lage) huurprijs en het feit dat er veel contact is met de huurders. Het contact met de huurders gaat verder dan alleen kamerverhuur; [belanghebbende] omschreef het als een ‘hechte gemeenschap’. Tot op de dag van vandaag onderhoudt zij contacten met (oud) huurders. De contacten met (oud) huurders zijn [belanghebbende] veel waard, houden haar jong en geven haar vreugde. Zoals zij klaarstaat voor de huurders, zo staan en stonden de huurders ook voor haar klaar in moeilijke tijden, bijvoorbeeld in de periode van het overlijden van [erflater].\n\nVerandering van huurders\n\nOngeveer 10 tot 15 jaar geleden is een omslag gemaakt van verhuur aan zorgpersoneel naar alleen maar verhuur aan studenten van de nabij gelegen [onderwijsinstelling] . Voor deze omslag werden de kamers voornamelijk verhuurd aan zorgpersoneel van diverse instellingen in de omgeving. Deze huurders woonden permanent in het huis en waren daar ook ingeschreven. Naast het zorgpersoneel woonden er ook afwisselend jongeren die re-integreerden in de maatschappij.\n\nSamen met [erflater] en het zorgpersoneel droeg zij zorg voor deze jongeren om, zoals zij het omschreef, het positieve van de maatschappij te laten zien en te zorgen voor een goede “herstart”. Er is veel gebeurd in deze periode van verhuur, bijvoorbeeld de tijd dat er om en om gewaakt moest worden bij een verlamde patiënt.\n\nOm meer zekerheid te krijgen over het soort huurders is de omslag gemaakt naar verhuur aan studenten van de nabijgelegen [onderwijsinstelling] . Zij zijn niet ingeschreven op het adres en verblijven alleen in het huis in de periodes dat er les wordt gevolgd aan [onderwijsinstelling] . Dit zijn afwisselend periodes van één tot drie maanden, met telkens tussenpauzes van één tot drie maanden. Over het algemeen betreffen het studenten die vanuit het ouderlijk huis voor het eerst “uitvliegen”. De studenten eten en studeren vaak samen, net als dat zij vaak samen reizen (lopen\u002Ffietsen\u002F auto) naar de nabij gelegen [onderwijsinstelling] .\n\nHuursom\n\nEr wordt niet gewerkt met huurcontracten, afspraken worden mondeling gemaakt in goed vertrouwen. Elke vier weken verstuurt [belanghebbende] een factuur.\n\nVoor elke kamer geldt een vaste huur per vier weken, inclusief gas, water, licht, internet, televisie en gebruik en schoonmaak van de gezamenlijke keuken en badkamer. Bij de eerder genoemde omslag is ook besloten om voor elke kamer eenzelfde huurprijs te rekenen. Voordien werd voor elke kamer een aparte prijs gerekend die afhankelijk was van de grootte daarvan. [Belanghebbende] gaf aan dat vaste huurbedrag tussen de 400 en 425 euro ligt. Het was een bewuste keus van [belanghebbende] en wijlen [erflater].om de huur niet te hoog vast te stellen. [Erflater].liet hierin ook meewegen dat de studenten doorgaans tijdens de weekenden niet aanwezig waren, dus dan werd er ook geen gas, water en stroom verbruikt. De studenten krijgen 90% van de huursom vergoed door hun werkgever, [organisatie] . Als een student een periode geen lessen volgt hoeft er geen huur betaald te worden. Als een student een kamer heeft, is hij er ook van verzekerd dat gedurende de gehele studie een kamer voor hem beschikbaar is maar dit is, na een periode van afwezigheid, niet altijd dezelfde kamer.\n\nDe huurprijs is nimmer verhoogd. [Belanghebbende] gaf daarover aan dat dat niet juist voelde\u002Fvoelt en zij en wijlen haar echtgenoot ook opzagen tegen het feit om te vragen om een hogere huur. Het feit dat de studenten 90% vergoed krijgen, is geen aanleiding om de huur te verhogen.\n\nDe mogelijkheid deed zich voor om kamers te verhuren aan buitenlandse studenten. [Belanghebbende] realiseert zich dat ze dan waarschijnlijk een hogere huur had kunnen vragen, maar ze heeft hier bewust niet voor gekozen. Ze zou dan de regie kwijt zijn en vond dat niet wenselijk.\n\nWerkzaamheden\n\nDe insteek van [belanghebbende] en [erflater].was verhuur waarbij het sociale aspect een groot aandeel heeft. De werkzaamheden bestaan naast de eerder genoemde sociale aspecten voornamelijk uit het schoonhouden van de gezamenlijke ruimten in het pand, het uitvoeren van klein onderhoud en het onderhouden van de tuin. (…)\n\nEr wordt geen reclame gemaakt, de mond-op-mond reclame en goede connectie met [onderwijsinstelling] zorgen voor voldoende aanbod van huurders.”\n\n2.14.. In reactie op het hoorverslag heeft de gemachtigde bij brief van 11 oktober 2021 het volgende geschreven aan de Inspecteur:\n\n“Paragraaf: Verandering van huurders\n\nWat ontbreekt is de wijze van samenstelling van de huurders. Eerst waren dat huurders, zijnde verplegend personeel en huurders met een zorgbehoefte. Dat was de voorwaarde destijds bij de verwerving van het pand. Dit staat in de akte van levering. Naast deze zorg-behoevende huurders werden er ook huurders ontvangen via (…), waaronder mensen uit Sudan, Ghana, Polen, India, China enz. om hen meer wegwijs te maken.\n\nOmdat enkele huurders met zorgbehoefte aan de drugs geraakten, werd het te lastig om deze mensen te blijven opvangen omdat ook de veiligheid in het geding kwam, ook voor de andere huurders.\n\nZo gaande weg kwam [het pand] in contact met [onderwijsinstelling] , doordat eerst al huurders waren geweest die een ‘goed woordje’ bij [onderwijsinstelling] hadden gedaan over hun verblijf bij [het pand], de huiselijke sfeer en de aandacht die de huurders kregen, gelet op de zorgachtergrond en het bijbrengen van sociale vaardigheden van [erflater] en [belanghebbende]. De verandering vond in meer of mindere mate gedwongen plaats, omdat veiligheid voor alle huurders, bewoners vooropstaat.\n\n(…)\n\nParagraaf: Huursom\n\nDe huurprijs is wel verhoogd, zij het [onderwijsinstelling] de laatste jaren. Daarvoor niet of nauwelijks. Wel als er een nieuwe huurder zich aandiende, dan werd de huurprijs wel wat aangepast. De huurprijzen verschillen wel per kamer, dat in samenhang met de grootte van de kamer.\n\nParagraaf: Werkzaamheden\n\nGraag nader omschrijven: als de huurders na drie maanden naar [organisatie] gaan en er een ‘nieuwe klas’ komt, worden alle kamers volledig en grondig schoongemaakt en dit dient dan binnen enkele dagen gedaan te worden.\n\nHet onderhoud wordt door [erflater] en [belanghebbende] altijd zelf gedaan. Zo deed [erflater] al het loodgieterswerk en andere huiselijke klusjes, zgn. onderhoud en [belanghebbende] deed het schilderwerk van alle kamers, evenals het reinigen, het vervangen van vloerbedekking etc. het schilderen van de plafonds deed [erflater].\n\nErflater deed tot het laatst toe ook het volledige tuinonderhoud, in ieder geval alles buiten op het buitenterrein.\n\n(…)\n\nBij het verzoek deze op- en aanmerkingen te verwerken in het concept hoorverslag van het gesprek op 20 september 2021.”\n\n2.15.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij het opleggen van de aanslag de gestelde staking niet juist is gecorrigeerd. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de niet eerder benutte stakingsaftrek. Ook is het resultaat dat is behaald met de verhuur van de kamers in 2016 ten onrechte belast als winst uit onderneming en is voor de toepassing van de foutenleer ten onrechte aangesloten bij de waarde van het pand op 1 januari 2010 in plaats van bij de waarde van het pand op 1 januari 2016, te weten € 787.000 (waarde WOZ). Rekening houdend daarmee is de belastbare winst van belanghebbende vastgesteld op € 314.213. Dit bedrag is als volgt berekend:\n\nBoekwinst op pand: € 368.995 (1\u002F2 x € 787.000)\n\nStakingsaftrek € 3.630 -\u002F-\n\nMKB-winstvrijstelling € 51.152 -\u002F-\n\nBelastbare winst € 314.213\n\nDe grondslag sparen en beleggen heeft de Inspecteur als volgt berekend:\n\nAangegeven aandeel in de aangifte € 46.705\n\nAandeel in correctie € 483.365\u002F2 € 209.757\n\nGecorrigeerd aandeel in box 3 € 256.462\n\n2.16.. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is de volgende rendementsberekening opgenomen:\n\nOmzet\n\nExploitatie kosten\n\nNetto\n\ninkomsten\n\nWOZ\n\nIPD\n\n65% WOZ\n\n60% WOZ\n\n2010\n\n€55.236\n\n€29.438\n\n€25.798\n\n€910.000\n\n4,00%\n\n4,36%\n\n4,72%\n\n2011\n\n€52.596\n\n€27.671\n\n€24.925\n\n€875.000\n\n4,10%\n\n4,38\n\n4,75%\n\n2012\n\n€56.878\n\n€26.526\n\n€30.352\n\n€825.000\n\n4,30%\n\n5,66%\n\n6,13%\n\n2013\n\n€56.837\n\n€40.560\n\n€16.277\n\n€767.000\n\n4,50%\n\n3,26%\n\n3,54%\n\n2014\n\n€50.800\n\n€34.257\n\n€16.543\n\n€751.000\n\n4,70%\n\n3,39%\n\n3,67%\n\n2015\n\n€53.938\n\n€ 50.208\n\n€3.730\n\n€758.000\n\n4,60%\n\n0,76%\n\n0,82%\n\n2016\n\n€52.289\n\n€37.735\n\n€14.554\n\n€787.000\n\n5,50%\n\n2,85%\n\n3,08%\n\nGemiddelde\n\n€ 54.082\n\n€ 35.199\n\n€ 18.883\n\n€ 810.429\n\n4,53%\n\n3,58%\n\n3,88 %\n\nHierbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de WOZ-waarde voor 35% (kolom 65% WOZ) dan wel 40% (kolom 60% WOZ) toerekenbaar is aan de benedenverdieping. De IPD\u002FROZ index is een overzicht van in percentages uitgedrukte gemiddeld behaalde rendementen in de vastgoedmarkt. De Inspecteur heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de berekende rendementen door het gebruik van de Woz-waarde lager zijn dan de werkelijke rendementen, die moeten worden berekend op basis van de waarde in het economische verkeer en dat geen sprake is van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is in de eerste plaats of de kamerverhuur is aan te merken als een ondernemingsactiviteit of dat sprake is van normaal vermogensbeheer. In de tweede plaats is in geschil of de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt. Voorts is in geschil of het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen en of daarop tijdig is beslist.\n\n3.2.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ondernemingsactiviteit, dat de heffing over sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt en dat het verzoek om geruisloze inbreng ten onrechte en te laat is afgewezen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van normaal vermogensbeheer, dat wat betreft de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nWinst uit onderneming of normaal (actief) vermogensbeheer?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van het drijven van een materiële onderneming c.q. meer dan normaal vermogensbeheer.\n\n4.2.. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de vraag of daarvan sprake is ten onrechte alleen beantwoord aan de hand van de arbeid-plus-eis en niet ook getoetst of aan de rendement-plus-eis is voldaan. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van dit Hof van 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1087. Belanghebbende voert ook aan zij veel meer dan alleen administratieve\u002Fbureauwerkzaamheden verrichtte. Zij onderhoudt ook het contact met de huurders, levert zorg aan hen, maakt schoon, onderhoudt het pand, verricht schilderwerkzaamheden en kleine reparaties, voert besprekingen van sociaal-psychologische aard met de huurders en geeft hen sociaal-emotionele ondersteuning. Zij wijst er op dat de huurperiodes vaak kort zijn waardoor er extra werkzaamheden moeten worden verricht. Ook wijst zij erop dat de huurders die al lang vertrokken zijn, nog altijd contact met haar onderhouden. Volgens belanghebbende waren zij altijd beschikbaar voor de studenten. Zij en erflater hadden als het ware hun eigen toko en werkten niet alleen van 9:00 uur tot 17:00 uur, maar ook daarbuiten.\n\n4.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake meer is van een onderneming, maar van normaal vermogensbeheer. Volgens de Inspecteur heeft er in de loop van de jaren - ergens tussen 2006 en 2010 - een omslag plaatsgevonden van de verhuur van kamers aan zorgpersoneel en zorgbehoevenden naar verhuur van die kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] .\n\n4.4.. In de jaren voorafgaand aan de aanslag zijn de opbrengsten uit de verhuur van het pand voor de IB\u002FPVV aangemerkt als winst uit onderneming. Niet in geschil is dat tot het jaar 2010 sprake was van een onderneming. Anders dan de Inspecteur stelt en de Rechtbank heeft overwogen, rust hier de bewijslast dat de activiteiten inzake de verhuur van het pand zodanig zijn gewijzigd dat in het betrokken jaar geen sprake meer is van een materiële onderneming op de Inspecteur. De Inspecteur is in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor acht het Hof het volgende van belang.\n\n4.5.. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van verhuur (van gedeelten van) een onroerende zaak, is van normaal vermogensbeheer geen sprake als het rendabel maken daarvan mede geschiedt door arbeid die de eigenaar van de onroerende zaak verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaak welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.\n\n4.6.. Uit de feiten als hiervoor onder 2. weergegeven, komt naar voren dat de activiteiten vanaf het jaar 2010 zijn afgenomen door de wijziging van de doelgroep waaraan werd verhuurd. Vóór 2010 werden niet alleen kamers verhuurd, maar verrichtten erflater en belanghebbende ook zorgtaken voor de huurders. Onder andere uit de reactie van gemachtigde op het hoorverslag van de Inspecteur komt naar voren dat er een onhoudbare toestand was ontstaan en dat erflater en belanghebbende daarom zijn gestopt met de zorgtaken en vervolgens kamers zijn gaan verhuren aan een andere doelgroep, namelijk studenten van [onderwijsinstelling] . In het betrokken jaar verhuurden erflater en belanghebbende 12 kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] , voor doorgaans drie tot negen maanden. Daarnaast werden twee kamers en een vrijstaande woning op het terrein van het landgoed permanent verhuurd. Deze verhuur en de bijkomende werkzaamheden die erflater en belanghebbende verrichtten kunnen niet worden aangemerkt als het drijven van een materiële onderneming.\n\n4.7.. Weliswaar geschiedt het rendabel maken van het pand mede door de arbeid die erflater en belanghebbende verrichtten, maar niet kan worden gezegd dat deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit het pand welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. De omvang van de door erflater en belanghebbende verrichte werkzaamheden overstijgt niet wat bij normaal vermogensbeheer van onroerende zaken gebruikelijk is. Belanghebbende maakte de gezamenlijke ruimten (de gangen, de keuken en twee badkamers) schoon en erflater verrichtte kleine onderhoudswerkzaamheden. Het groot onderhoud van het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven. De kamers die voor een aantal maanden worden verhuurd, worden schoongehouden door de huurders. Dat geldt ook voor de huurders van de andere kamers en voor de huurder van de vrijstaande woning. Daarvoor worden in het geheel geen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Dat erflater en belanghebbende incidenteel samen met huurders aten, maakt dat niet anders. Van een pensionbedrijf is geen sprake. Van een rendement dat uitgaat boven hetgeen met normaal vermogensbeheer kan worden behaald, is evenmin sprake. In 2016 en de daaraan drie voorgaande jaren, is in ieder geval niet het IPD-rendement voor vastgoed behaald (zie 2.16). Er is dus sprake van normaal vermogensbeheer. Dit betekent dat de onderneming voor het jaar 2016 is gestaakt en dat het verschil over de waarde in het economische verkeer van het pand en de boekwaarde daarvan (de meerwaarde) had moeten worden belast als winst uit onderneming in het laatste jaar waarin sprake was van een onderneming.\n\n4.8.. Niet in geschil is dat er niet meer kon worden nagevorderd over voorgaande belastingjaren omdat de daarvoor geldende termijn was verstreken. Het stond de Inspecteur daarom vrij om de onjuistheid te herstellen in het laatste openstaande belastingjaar.\n\nIndividuele en buitensporige last?\n\n4.9.. Belanghebbende klaagt ook over de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen. Volgens belanghebbende is sprake van een individuele en buitensporige last. De Inspecteur heeft dit betwist.\n\n4.10.. \n\nDe bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Die beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nNevenbeschikkingen4.11. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente en het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep daartegen is daarom ongegrond.\n\nAanslag Zvw\n\n4.12.. \n\nHet hoger beroep is ook gericht tegen de uitspraak inzake de aanslag Zvw. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat sprake is van een materiële onderneming. Uit 4.7 volgt dat die beroepsgrond niet slaagt.\n\nVerzoek geruisloze inbreng\n\n4.13.. Op grond van artikel 3.65 van de Wet IB 2001, voor zover van belang, kan op verzoek van de belastingplichtige en als aan de door de Minister te stellen voorwaarden wordt voldaan, een onderneming geruisloos worden omgezet in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Nu geen sprake is van een onderneming, komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om geruisloze inbreng is reeds daarom terecht door de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het verzoek door de Inspecteur te lang heeft geduurd, maar zij heeft daaraan geen consequenties verbonden. Het hof ziet daarom geen reden om daaraan gevolgen te verbinden.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.\n\nDe beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. van de Merwe.\n\n(E.D. Postema) (J. van de Merwe)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, HR oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481 en HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.\n\n Vgl. HR 29 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3858, HR 28 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2746, rechtsoverweging 3.4 en 3.5, en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850, rechtsoverweging 4.5.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4064","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.810Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":100,"fullText":109,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":35,"updatedAt":111},"1494","ECLI:NL:GHARL:2026:4063","ecli-nl-gharl-2026-4063","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummers BK-ARN 24\u002F1715, 24\u002F1716 en 24\u002F1717\n\nuitspraakdatum: 16 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] te [woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2024, nummers ARN 22\u002F555, 22\u002F558 en 22\u002F2189, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FKantoor Zwolle(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. \n [naam1] (erflater) en zijn echtgenote hebben bij brief van 15 juni 2015, door de Inspecteur ontvangen op 16 juni 2015, gezamenlijk verzocht om geruisloze inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van de gehele door hen gedreven onderneming in een nog op te richten besloten vennootschap [onderneming1] , op de voet van artikel 3.65, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en uitgaande van een verkrijgingsprijs van -\u002F- € 1.852 voor erflater en -\u002F- € 1.371 voor zijn echtgenote.\n\n1.2.. Erflater heeft over het jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.873 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.364.\n\n1.3.. Ten name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 379.409 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.564 (de aanslag). Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.719. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.4.. Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft de Inspecteur het onder 1.1 genoemde verzoek om geruisloze inbreng afgewezen.\n\n1.5.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 324.086 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.755, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd; de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (aanslag Zvw) heeft de Inspecteur gehandhaafd.\n\n1.6.. Bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om geruisloze inbreng ongegrond verklaard.\n\n1.7.. Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.8.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.1.9.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Namens belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen. Belanghebbende is bij digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van het Hof, is het bericht op 16 januari 2026 om 15:20 uur in het digitale dossier (via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’) geplaatst. Het Hof heeft hiervan op 19 januari 2026 om 8:16 uur per e-mailbericht een kennisgeving verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 19 januari 2026. Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur is verschenen [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Erflater is geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] en overleden op [datum] 2017. Erflater was gehuwd met [naam4] (hierna: de echtgenote), geboren op [geboortedatum2] [geboortejaar2] . De echtgenote is enig erfgenaam van erflater.\n\n2.2.. De echtgenote heeft in 1974 het landhuis met de naam [landhuis] , met schuur en bijbehorende grond van ongeveer 3.040 m2 (het pand) gekocht. In de akte van levering staat dat het pand alleen mag worden gebruikt voor eigen bewoning en voor de verhuur aan verplegend personeel (kamerverhuur). Vanaf 1999 dreef erflater, na inbreng van het pand door de echtgenote, samen met de echtgenote een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam [landhuis] . Het gehele pand is steeds gerekend tot het ondernemingsvermogen van aanvankelijk de eenmanszaak en nadien de vennootschap onder firma.\n\n2.3.. Naar aanleiding van het verzoek van erflater en de echtgenote om geruisloze inbreng heeft de Inspecteur bij brief van 6 oktober 2015 de volgende vragenbrief gestuurd:\n\n“Naar aanleiding van uw verzoek om toepassing van artikel 3.65 IB bij de inbreng in een BV (…) hebben wij al een kort telefoongesprek gehad, waarbij o.a. het ondernemerschap van uw cliënten aan de orde kwam. (…)\n\nIn uw e-mail van 29 juni 2015 geeft u aan dat u vindt dat er een onderneming wordt gedreven omdat de exploitatie voor rekening en risico wordt uitgevoerd door de firmanten van de V.O.F., waardoor alle verplichtingen drukken op de V.O.F. c.q. de firmanten.\n\nHet gaat bij de vraag of er sprake is van een materiële onderneming in fiscale zin niet om de vorm of presentatie (vof) maar om de aard en inhoud van de activiteiten.\n\nIn het pand (…) wordt een aantal appartementen te huur aangeboden. Het betreft kamers met gebruik van keuken en douche. Uit mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat een aantal bewoners al jarenlang een dergelijk appartement huurt.\n\nHet verhuren van appartementen is in principe een beleggingsactiviteit. In sommige situaties kan er sprake zijn een resultaat uit overige werkzaamheden of van het drijven van een onderneming.\n\nIk heb de volgende vragen:\n\n1. Welke feiten en omstandigheden leiden er naar uw mening toe dat er in dit geval sprake is van meer dan actief vermogensbeheer? Ik verzoek u daarbij aan te geven in welke mate eventuele werkzaamheden door de firmanten er toe leiden dat een hoger rendement van de appartementen wordt behaald dan met normaal actief vermogensbeheer.\n\n2. Hoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\n3. Wilt een exemplaar van de huurovereenkomsten die zijn gesloten ter inzage sturen?\n\n4. Wilt u een specificatie verstrekken, uitgesplitst per appartement, van de ontvangen huren in 2015 (€ 47.924)\n\n5. Welke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\n6. Indien er in 2014 of 2015 naast de permanente verhuur ook sprake was van verhuur voor drie maanden (aangeboden volgens de website) verzoek ik u de omzetverhouding tussen de permanente verhuur en de tijdelijke verhuur aan te geven.”\n\n2.4.. Bij brief van 21 oktober 2015 heeft de gemachtigde van erflater en de echtgenote daarop het volgende geantwoord:\n\n“Namens [erflater] en [de echtgenote] (hierna: cliënten) verstrek ik u hierbij de volgende gegevens waarmee uw vragen worden beantwoord. Daarbij hanteer ik de door u gehanteerde volgorde van gestelde vragen in uw brief van 6 oktober jl.\n\n(…)\n\nVraag 2.\n\nHoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\nIn tegenstelling tot de door u gebruikte term 'appartement' is in deze situatie sprake van kamers welke worden verhuurd. Daarnaast wordt een appartement verhuurd.\n\nEr worden 12 kamers voor de verhuur aangeboden. Deze kamers verschillen van omvang en dientengevolge ook de gerekende huur. Hier volgt de opsomming:\n\n• 4 kamers verhuurd voor € 300 huur per maand;\n\n• 6 kamers verhuurd voor € 350 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 400 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 425 huur per maand;\n\n• 1 appartement wordt (permanent) verhuurd voor€ 710 per maand.\n\nDe bezetting in 2014 was dat niet alle kamers het gehele jaar doorlopend konden worden verhuurd. In het huidige jaar worden nagenoeg alle kamers tot op heden doorlopend gehuurd door afwisselende huurders.\n\nDe kamers worden louter en alleen verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] welke is gevestigd te [vestigingsplaats] . Ondanks de vele vraag van bijvoorbeeld andere overheidsinstanties, wensen cliënten de kamers niet aan andere partijen te verhuren.\n\n(…)\n\nVraag 3.\n\nHuurovereenkomsten\n\nEr worden geen schriftelijke huurovereenkomsten gesloten met de huurders. De voorwaarden worden mondeling overeengekomen zoals de huurprijs en een opzegtermijn van een maand. Cliënten willen de huurders niet beperken in hun mogelijkheden om tussentijds óf naar huis te kunnen gaan om daar te wonen tijdens de studie óf anderzijds beperkingen op te leggen. Dit is een risico echter dit risico wensen zij te aanvaarden omwille van het voornoemde.\n\nDe voorwaarden worden ondermeer besproken in een kennismakingsgesprek die cliënten standaard voeren met elke (nieuwe) huurder. En niet geheel ten overvloede, er is civielrechtelijk ook sprake van verhuur als zodanig wordt gehandeld. Een schriftelijke huurovereenkomst is niet noodzakelijk.\n\nVraag 4.\n\nSpecificatie ontvangen huren in 2015\n\nU schrijft dat u een specificatie wenst te ontvangen van de ontvangen huur in 2015 van € 47.924. Ik veronderstel dat u het jaar 2014 bedoelt getuige de aan u toegezonden jaarrekening.\n\nDe ontvangen huur kan eenvoudig worden verklaard:\n\nTotaal ontvangen huur in 2014\n\n€ 47.924\n\nAf: verhuur appartement\n\n- 8.520\n\nOntvangen huur kamers (6x)\n\n€ 39.404\n\nVraag 5.\n\nWelke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\nCliënten verrichten de volgende werkzaamheden:\n\n- Onderhoud internetpagina\n\nBijvoorbeeld, er wordt geconstateerd dat de internetpagina niet op een smartphone kan worden geopend.\n\n- Onderhoud kamers\n\nAlle kamers worden na afloop van een (ver)huurperiode geheel schoongemaakt. Ook het onderhoud zoals schilderen, behangen etc. wordt door hen verzorgd.\n\nOp 2 november a.s. start een schildersbedrijf om het binnenwerk te gaan schilderen. Cliënten zijn thans bezig om de huurders hierover in te lichten\n\n- en om voorbereidende werkzaamheden te verrichten zodat de schilders op 2\n\n- november een vlotte start kunnen maken.\n\n(…)\n\nVraag 6.\n\nOmzetverhouding\n\n(…)\n\nConclusie\n\nGetuige de verstrekte gegevens en de aanvulling daarbij, kan onmogelijk worden gesteld dat hier geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. (…)”\n\n2.5.. Op 1 december 2015 heeft namens de Inspecteur een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij erflater, de echtgenote en hun gemachtigde aanwezig waren. In het verslag dat daarvan is opgemaakt, staat onder meer het volgende:\n\n“Permanente verhuur:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n- 1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen in de tuin met eigen garage enz., verhuurd aan [C] en [D]; al tien jaar verhuurd aan hen.\n\nOok hiervan zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten.\n\nOpzegtermijn 1 maand.\n\n(…)\n\nDaarnaast worden de overige kamers nagenoeg uitsluitend verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar, toen het opleidingsinstituut [locatie1] sloot. Daarvoor werd verhuurd aan andere doelgroep. [Het pand] is 40 jaar geleden ontstaan toen [de echtgenote], werkzaam in zorginstelling, het pand kocht en dus kamers ging verhuren. (…) In de periode voor 2010 werd ook verhuurd aan jongens van [instelling1] Dat was een moeilijker doelgroep dan studenten van [onderwijsinstelling] die makkelijker zijn qua omgang enz. (…) Het echtpaar heeft een sterke sociale band met de huurders van de kamers. Er komen ook jonge studenten (17\u002F18 jaar) en daarvoor vervult ze soms ook een sociale rol bij privé-problemen, heimwee, enz. Termijn van huur eerst vooral 3 maanden, nu ook 9 maanden en 6 maanden. De huurders nemen zelf contact op met haar. Er volgt een gesprek waarbij [de echtgenote] beoordeelt of iemand “in de groep” past (dat stamt nog uit de tijd van de jongenshuisvesting van voor 2010). Ze let dan o.a. op de leeftijdsopbouw van de groep bewoners. Overigens zijn dat geheel zelfstandige huurders (privacy). De kamers mag zij natuurlijk niet betreden behoudens bij calamiteiten (reservesleutel). Momenteel vindt de verhuur van de kamers gemeubileerd plaats. Vroeger namen ze hun eigen inrichtingsspullen mee, maar dat gaf toch praktische probleempjes als men een verblijf voor een korte periode wilde (maand\u002Fsoms korter). Men adverteert op [onderwijsinstelling] Werft verder niet actief. Vooral nieuwe huurders door mond-op-mond reclame op [onderwijsinstelling] Er is verder geen binding met [onderwijsinstelling] Wel zijn ze aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om zich te presenteren als huurlocatie.\n\nDe huurders hebben de beschikking over een ingerichte keuken en een badkamer (2e etage zelfs twee badkamers). Ze koken zelf en houden zelf de kamers schoon. Er staat een centrifuge in een van de badkamers (…) maar de was wordt normaliter in de weekenden meegenomen naar huis. Ook het beddengoed. [De echtgenote] onderhoudt dus niet de kamers, verschoont niet de bedden en verzorgt geen maaltijden. (…) De studenten eten op hun kamer. Soms (een keer per jaar, bij speciale gelegenheden, eten ze gezamenlijk in de woonkamer van de fam. (…) (die eten dan ook mee). Ook hierbij is het sociale aspect betekenisvol voor het echtpaar. De studenten koken dan een maaltijd of [de echtgenote] haalt een maaltijd bij “de chinees”.\n\nZij houdt wel de algemene ruimten schoon zoals het trappenhuis. Ook eens per week (…) de badkamer en keuken. Bij iedere huurwisseling maakt zij de kamers schoon.\n\nEr gelden enige (…) 4) huisregels (…). Ze houden ook enige controle op overkomen van (nieuwe) vriendinnen en hebben daarvoor een logeerkamer (…).\n\n(…)”\n\n2.6.. In een brief van 2 mei 2016 gericht aan de gemachtigde van erflater en de echtgenote, schrijft de Inspecteur onder andere:\n\n“Wij verschillen van mening over het aanwezig zijn van een materiële onderneming bij [erflater] en [de echtgenote].\n\n(…)\n\nDe exploitatie\n\nIn het pand (…) worden de volgende woonruimten al jarenlang permanent verhuurd:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n- 1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen achter het hoofdgebouw met een eigen garage enz., verhuurd aan [C] en [D] (samenwonend); al 10 jaar aan hen verhuurd.\n\nEr zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten. [Erflater] en [de echtgenote] verrichten nauwelijks schoonmaak- of andere werkzaamheden voor de huurders.\n\n[Erflater] en [de echtgenote] hebben de volledige benedenverdieping in eigen gebruik. De overige kamers worden verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] in [vestigingsplaats] (hierna: [onderwijsinstelling] ). Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar toen het opleidingsinstituut de [locatie1] sloot. In de periode voor 2010 werden kamers verhuurd aan een heel andere doelgroep namelijk[…]bewoners van de [instelling1] . Er was toen geen sprake van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend.\n\nDe termijn van verhuur varieert van 3 maanden tot 9 maanden. De huurders nemen zelf contact op met [de echtgenote]. Er vindt geen acquisitie plaats, behoudens een advertentie die is opgehangen in [onderwijsinstelling] Nieuwe huurders komen spontaan via de mond-tot-mond reclame op [onderwijsinstelling] (…) Er wordt niet actief geworven. Wel zijn [erflater] en [de echtgenote] aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om hun huurlocatie te presenteren. [Erflater] en [de echtgenote] voelen zich sociaal wel bij de studenten betrokken.\n\nDe huurders wonen geheel zelfstandig. (…)\n\nDe administratie bestaat uit handmatig opgestelde facturen die door [erflater] maandelijks bij de huurders op hun kamers worden bezorgd.\n\nOnderhoud pand:\n\nHet onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven. (…)\n\nDe tuin, die behoort bij de door [erflater] en [de echtgenote] bewoonde begane grond, wordt ongeveer 3 maal per jaar onderhouden dor een hoveniersbedrijf (snoeien enz.). Het normale onderhoud, zoals onkruid wieden doet de 80-jarige [erflater] zelf ook wel (…).”\n\n2.7.. In een brief van 8 juni 2016 schrijft de gemachtigde van erflater en de echtgenote aan de Inspecteur in reactie op de brief van de Inspecteur van 2 mei 2016 het volgende:\n\n“(…) Hetgeen [erflater] en [de echtgenote] u zeer kwalijk nemen is dat uw standpunt ter zake de ‘andere doelgroep’ volstrekt onjuist is. Er zijn nooit kamers verhuurd aan de [instelling1] . (…)\n\nUw standpunt, dat er toen geen sprake was van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend, is helemaal correct. De zorgtaken die door [erflater] en [de echtgenote] dagelijks worden gepleegd, zijn het continu klaar staan voor de zorgen (privé-situaties) van de huurders. Er is daar geen verandering in gekomen zij het dat de zorgtaken een andere perceptie hebben gekregen oftewel een ander karakter. Zij zijn sociaal emotionele gesprekspartners voor de huurders. Dit zijn geen korte en vluchtige gesprekken (…). Tot midden in de nacht hebben zij met huurders gesproken over heimwee etc. (…)\n\nEen huurtermijn van 1 maand behoort ook tot de mogelijkheden (…).\n\n(…)\n\nDe termijn van huur varieert van 1, 3, 4 of 9 maanden en dat betekent dat de kamers volledig schoongemaakt worden. Daarnaast zijn er meerdere badkamers, douches en keukens. Derhalve dagelijks stofzuigen, lappen, anderszins reinigen e.d. van twee verdiepingen.\n\n(…)\n\n(…) [de echtgenote] verzorgt de gehele administratie welke bestaat uit het inboeken van facturen, verrichten van betalingen. Daarnaast wikkelt zij e-mails af, heeft zij contact met de Gemeente en banken en verder.\n\nOnderhoud pand:\n\n“Het onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven”.\n\nDit is inderdaad correct.\n\n(…)\n\n[Erflater] verricht het reguliere onderhoud bestaande uit onderhoud dat opkomt door storingen aan elektra, onderhoud van wc’s, douches, meubilair en verder. Naast dit onderhoud verricht [erflater] al het kleine onderhoud aan het pand zoals schilderwerkzaamheden en verdere reparaties. (…) Daarnaast verzorgt [erflater] het reguliere tuinonderhoud dat bestaat uit het onkruid wieden en het verder schoonhouden van de paden, de parkeerplaats en de opritten. Dit gebeurt nagenoeg iedere dag. (…)”\n\n2.8.. Tot en met het belastingjaar 2015 heeft de Inspecteur erflater en de echtgenote voor de inkomstenbelasting aangemerkt als ondernemer.\n\n2.9.. Erflater heeft over het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.873 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.364.\n\n2.10.. \n\nTen name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 379.409 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.564 (de aanslag). Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van de foutenleer de winst over het jaar 2016 verhoogd met de helft van het verschil tussen de WOZ-waarde van het pand en de boekwaarde daarvan tot een bedrag van € 860.990 (€ 910.000 -\u002F- de boekwaarde van € 49.910), te weten € 430.495 (1\u002F2 x € 860.990).\n\nDe belastbare winst is rekening houdend daarmee als volgt berekend:\n\nAangegeven winst voor ondernemersaftrek € 5.924\n\nzelfstandigenaftrek € 3.640 -\u002F-\n\nniet gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 2.284 -\u002F-\n\ncorrectie meer winst € 430.495\n\ncorrectie meer niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 801 -\u002F-\n\ncorrectie MKB-vrijstelling € 60.158 -\u002F-\n\nbelastbare winst € 369.536\n\nDaarnaast is de grondslag voor de vermogensrendementsheffing verhoogd met de helft van de WOZ-waarde (½ x € 910.000).\n\n2.11.. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.719. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.12.. Bij beschikking van 8 februari 2021 is het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen op de grond dat de besloten vennootschap niet binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip (1 januari 2015) tot stand is gekomen.\n\n2.13.. In het kader van de behandeling van het bezwaar tegen heeft op 20 september 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag dat de Inspecteur daarvan heeft opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Het pand\n\nHet betreft een pand dat is gebouwd rond 1900 en heeft op dit moment, volgens [de gemachtigde], wat achterstallig onderhoud. Er zijn een aantal kamers bekeken op de verschillende verdiepingen, het gesprek vond plaats in de woonkamer op de begane grond. Op de tweede en derde verdieping zijn de volledig gestoffeerde (slaap)kamers. Op elke verdieping is een badkamer en een keuken net als een wasruimte die bestemd is voor gezamenlijk gebruik. Totaal is er plek voor tien studenten. De begane grond wordt privé gebruikt en wordt niet verhuurd. Wel zijn er soms samenkomsten in de woonkamer waar bijvoorbeeld samen wordt gegeten.\n\nOntstaan\n\nIn het jaar 1974 is het [pand] aangekocht voor fl. 175.000. Vanaf begin af aan is er sprake geweest van verhuur van kamers. De doelgroep en daarmee samenhangende werkzaamheden zijn in de loop der tijd wel veranderd. Centraal daarin hebben altijd passie en een hoge mate van betrokkenheid gestaan. [De echtgenote] benadrukte dat ze altijd klaarstaat voor de huurders, er aandacht voor elkaar is en ze het van belang vindt dat de bewoners het fijn met elkaar hebben. [De echtgenote] gaf aan dat er altijd is gewerkt vanuit een sociale insteek, dat blijkt bijvoorbeeld uit de (lage) huurprijs en het feit dat er veel contact is met de huurders. Het contact met de huurders gaat verder dan alleen kamerverhuur; [de echtgenote] omschreef het als een ‘hechte gemeenschap’. Tot op de dag van vandaag onderhoudt zij contacten met (oud) huurders. De contacten met (oud) huurders zijn [de echtgenote] veel waard, houden haar jong en geven haar vreugde. Zoals zij klaarstaat voor de huurders, zo staan en stonden de huurders ook voor haar klaar in moeilijke tijden, bijvoorbeeld in de periode van het overlijden van [erflater].\n\nVerandering van huurders\n\nOngeveer 10 tot 15 jaar geleden is een omslag gemaakt van verhuur aan zorgpersoneel naar alleen maar verhuur aan studenten van de nabij gelegen [onderwijsinstelling] . Voor deze omslag werden de kamers voornamelijk verhuurd aan zorgpersoneel van diverse instellingen in de omgeving. Deze huurders woonden permanent in het huis en waren daar ook ingeschreven. Naast het zorgpersoneel woonden er ook afwisselend jongeren die re-integreerden in de maatschappij.\n\nSamen met [erflater] en het zorgpersoneel droeg zij zorg voor deze jongeren om, zoals zij het omschreef, het positieve van de maatschappij te laten zien en te zorgen voor een goede “herstart”. Er is veel gebeurd in deze periode van verhuur, bijvoorbeeld de tijd dat er om en om gewaakt moest worden bij een verlamde patiënt.\n\nOm meer zekerheid te krijgen over het soort huurders is de omslag gemaakt naar verhuur aan studenten van de nabijgelegen [onderwijsinstelling] . Zij zijn niet ingeschreven op het adres en verblijven alleen in het huis in de periodes dat er les wordt gevolgd aan de [onderwijsinstelling] . Dit zijn afwisselend periodes van één tot drie maanden, met telkens tussenpauzes van één tot drie maanden. Over het algemeen betreffen het studenten die vanuit het ouderlijk huis voor het eerst “uitvliegen”. De studenten eten en studeren vaak samen, net als dat zij vaak samen reizen (lopen\u002Ffietsen\u002F auto) naar de nabij gelegen [onderwijsinstelling] .\n\nHuursom\n\nEr wordt niet gewerkt met huurcontracten, afspraken worden mondeling gemaakt in goed vertrouwen. Elke vier weken verstuurt [de echtgenote] een factuur.\n\nVoor elke kamer geldt een vaste huur per vier weken, inclusief gas, water, licht, internet, televisie en gebruik en schoonmaak van de gezamenlijke keuken en badkamer. Bij de eerder genoemde omslag is ook besloten om voor elke kamer eenzelfde huurprijs te rekenen. Voordien werd voor elke kamer een aparte prijs gerekend die afhankelijk was van de grootte daarvan. [De echtgenote] gaf aan dat vaste huurbedrag tussen de 400 en 425 euro ligt. Het was een bewuste keus van [de echtgenote] en wijlen [erflater] om de huur niet te hoog vast te stellen. [Erflater] liet hierin ook meewegen dat de studenten doorgaans tijdens de weekenden niet aanwezig waren, dus dan werd er ook geen gas, water en stroom verbruikt. De studenten krijgen 90% van de huursom vergoed door hun werkgever, de [organisatie] . Als een student een periode geen lessen volgt hoeft er geen huur betaald te worden. Als een student een kamer heeft, is hij er ook van verzekerd dat gedurende de gehele studie een kamer voor hem beschikbaar is maar dit is, na een periode van afwezigheid, niet altijd dezelfde kamer.\n\nDe huurprijs is nimmer verhoogd. [De echtgenote] gaf daarover aan dat dat niet juist voelde\u002Fvoelt en zij en wijlen haar echtgenoot ook opzagen tegen het feit om te vragen om een hogere huur. Het feit dat de studenten 90% vergoed krijgen, is geen aanleiding om de huur te verhogen.\n\nDe mogelijkheid deed zich voor om kamers te verhuren aan buitenlandse studenten. [De echtgenote] realiseert zich dat ze dan waarschijnlijk een hogere huur had kunnen vragen, maar ze heeft hier bewust niet voor gekozen. Ze zou dan de regie kwijt zijn en vond dat niet wenselijk.\n\nWerkzaamheden\n\nDe insteek van [de echtgenote] en [erflater] was verhuur waarbij het sociale aspect een groot aandeel heeft. De werkzaamheden bestaan naast de eerder genoemde sociale aspecten voornamelijk uit het schoonhouden van de gezamenlijke ruimten in het pand, het uitvoeren van klein onderhoud en het onderhouden van de tuin. (…)\n\nEr wordt geen reclame gemaakt, de mond-op-mond reclame en goede connectie met de [onderwijsinstelling] zorgen voor voldoende aanbod van huurders.”\n\n2.14.. In reactie op het hoorverslag heeft de gemachtigde bij brief van 11 oktober 2021 onder meer het volgende geschreven aan de Inspecteur:\n\n“Paragraaf: Verandering van huurders\n\nWat ontbreekt is de wijze van samenstelling van de huurders. Eerst waren dat huurders, zijnde verplegend personeel en huurders met een zorgbehoefte. Dat was de voorwaarde destijds bij de verwerving van het pand. Dit staat in de akte van levering. Naast deze zorg-behoevende huurders werden er ook huurders ontvangen via (…), waaronder mensen uit Sudan, Ghana, Polen, India, China enz. om hen meer wegwijs te maken.\n\nOmdat enkele huurders met zorgbehoefte aan de drugs geraakten, werd het te lastig om deze mensen te blijven opvangen omdat ook de veiligheid in het geding kwam, ook voor de andere huurders.\n\nZo gaande weg kwam [het pand] in contact met [onderwijsinstelling] , doordat eerst al huurders waren geweest die een ‘goed woordje’ bij [onderwijsinstelling] hadden gedaan over hun verblijf bij [het pand], de huiselijke sfeer en de aandacht die de huurders kregen, gelet op de zorgachtergrond en het bijbrengen van sociale vaardigheden van [erflater] en [de echtgenote]. De verandering vond in meer of mindere mate gedwongen plaats, omdat veiligheid voor alle huurders, bewoners vooropstaat.\n\n(…)\n\nParagraaf: Huursom\n\nDe huurprijs is wel verhoogd, zij het pas de laatste jaren. Daarvoor niet of nauwelijks. Wel als er een nieuwe huurder zich aandiende, dan werd de huurprijs wel wat aangepast. De huurprijzen verschillen wel per kamer, dat in samenhang met de grootte van de kamer.\n\nParagraaf: Werkzaamheden\n\nGraag nader omschrijven: als de huurders na drie maanden naar [organisatie] gaan en er een ‘nieuwe klas’ komt, worden alle kamers volledig en grondig schoongemaakt en dit dient dan binnen enkele dagen gedaan te worden.\n\nHet onderhoud wordt door [erflater] en [de echtgenote] altijd zelf gedaan. Zo deed [erflater] al het loodgieterswerk en andere huiselijke klusjes, zgn. onderhoud en [de echtgenote] deed het schilderwerk van alle kamers, evenals het reinigen, het vervangen van de vloerbedekking etc. het schilderen van de plafonds deed [erflater].\n\nErflater deed tot het laatst ook het volledige tuinonderhoud, in ieder geval alles buiten op het buitenterrein.\n\n(…)\n\nBij het verzoek deze op- en aanmerkingen te verwerken in het concept hoorverslag van het gesprek op 20 september 2021.”\n\n2.15.. \n\nBij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 324.086 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.755, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij het opleggen van de aanslag de gestelde staking niet juist is gecorrigeerd. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de niet eerder benutte stakingsaftrek. Ook is het resultaat dat is behaald met de verhuur van de kamers in 2016 ten onrechte belast als winst uit onderneming en is voor de toepassing van de foutenleer ten onrechte aangesloten bij de waarde van het pand op 1 januari 2010 in plaats van bij de waarde van het pand op 1 januari 2016, te weten € 787.000 (waarde WOZ). Rekening houdend daarmee is de belastbare winst van erflater vastgesteld op € 314.213. Dit bedrag is als volgt berekend:\n\nBoekwinst op pand: € 368.995 (1\u002F2 x € 787.000)\n\nStakingsaftrek € 3.630 -\u002F-\n\nMKB-winstvrijstelling € 51.152 -\u002F-\n\nBelastbare winst € 314.213\n\nDe grondslag sparen en beleggen heeft de Inspecteur als volgt berekend:\n\nAangegeven aandeel in de aangifte € 84.124\n\nAandeel in correctie € 483.365\u002F2 € 209.758\n\nGecorrigeerd aandeel in box 3 € 293.882\n\n2.16.. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is de volgende rendementsberekening opgenomen:\n\nOmzet\n\nExploitatie kosten\n\nNetto\n\ninkomsten\n\nWOZ\n\nIPD\n\n65% WOZ\n\n60% WOZ\n\n2010\n\n€ 55.236\n\n€ 29.438\n\n€ 25.798\n\n€ 910.000\n\n4,00%\n\n4,36%\n\n4,72%\n\n2011\n\n€ 52.596\n\n€ 27.671\n\n€ 24.925\n\n€ 875.000\n\n4,10%\n\n4,38%\n\n4,75%\n\n2012\n\n€ 56.878\n\n€ 26.526\n\n€ 30.352\n\n€ 825.000\n\n4,30%\n\n5,66%\n\n6,13%\n\n2013\n\n€ 56.837\n\n€ 40.560\n\n€ 16.277\n\n€ 767.000\n\n4,50%\n\n3,26%\n\n3,54%\n\n2014\n\n€ 50.800\n\n€ 34.257\n\n€ 16.543\n\n€ 751.000\n\n4,70%\n\n3,39%\n\n3,67%\n\n2015\n\n€ 53.938\n\n€ 50.208\n\n€ 3.730\n\n€ 758.000\n\n4,60%\n\n0,76%\n\n0,82%\n\n2016\n\n€ 52.289\n\n€ 37.735\n\n€ 14.554\n\n€ 787.000\n\n5,50%\n\n2,85%\n\n3,08%\n\nGemiddelde\n\n€ 54.082\n\n€ 35.199\n\n€ 18.883\n\n€ 810.429\n\n4,53%\n\n3,58%\n\n3,88%\n\nHierbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de WOZ-waarde voor 35% (kolom 65% WOZ) dan wel 40% (kolom 60% WOZ) toerekenbaar is aan de benedenverdieping. De IPD\u002FROZ index is een overzicht van in percentages uitgedrukte gemiddeld behaalde rendementen in de vastgoedmarkt. De Inspecteur heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de berekende rendementen door het gebruik van de WOZ-waarde lager zijn dan de werkelijke rendementen, die moeten worden berekend op basis van de waarde in het economische verkeer en dat geen sprake is van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is in de eerste plaats of de kamerverhuur is aan te merken als een ondernemingsactiviteit of dat sprake is van normaal vermogensbeheer. In de tweede plaats is in geschil of de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt. Voorts is in geschil of het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen en of daarop tijdig is beslist.\n\n3.2.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ondernemingsactiviteit, dat de heffing over sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt en dat het verzoek om geruisloze inbreng ten onrechte en te laat is afgewezen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van normaal vermogensbeheer, dat wat betreft de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nWinst uit onderneming of normaal (actief) vermogensbeheer?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van het drijven van een materiële onderneming c.q. meer dan normaal vermogensbeheer.\n\n4.2.. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de vraag of daarvan sprake is ten onrechte alleen beantwoord aan de hand van de arbeid-plus-eis en niet ook getoetst of aan de rendement-plus-eis is voldaan. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van dit Hof van 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1087. Belanghebbende voert ook aan dat zij veel meer dan alleen administratieve\u002Fbureauwerkzaamheden verrichtte. Zij onderhoudt ook het contact met de huurders, levert zorg aan hen, maakt schoon, onderhoudt het pand, verricht schilderwerkzaamheden en kleine reparaties, voert besprekingen van sociaal-psychologische aard met de huurders en geeft hen sociaal-emotionele ondersteuning. Zij wijst erop dat de huurperiodes vaak kort zijn waardoor er extra werkzaamheden moeten worden verricht. Ook wijst zij erop dat de huurders die al lang vertrokken zijn, nog altijd contact met haar onderhouden. Volgens belanghebbende waren zij altijd beschikbaar voor de studenten. Erflater en de echtgenote hadden als het ware hun eigen toko en werkten niet alleen van 9:00 uur tot 17:00 uur, maar ook daarbuiten.\n\n4.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake meer is van een onderneming, maar van normaal vermogensbeheer. Volgens de Inspecteur heeft er in de loop van de jaren - ergens tussen 2006 en 2010 - een omslag plaatsgevonden van de verhuur van kamers aan zorgpersoneel en zorgbehoevenden naar verhuur van die kamers aan studenten van de [onderwijsinstelling] .\n\n4.4.. In de jaren voorafgaand aan het jaar van de aanslag zijn de opbrengsten uit de verhuur van het pand voor de IB\u002FPVV aangemerkt als winst uit onderneming. Niet in geschil is dat tot het jaar 2010 sprake was van een onderneming. Anders dan de Inspecteur stelt en de Rechtbank heeft overwogen, rust hier de bewijslast dat de activiteiten inzake de verhuur van het pand zodanig zijn gewijzigd dat in het onderhavige jaar geen sprake meer is van een onderneming, op de Inspecteur. De Inspecteur is in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor acht het Hof het volgende van belang.\n\n4.5.. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van verhuur (van gedeelten van) een onroerende zaak, is van normaal vermogensbeheer geen sprake als het rendabel maken daarvan mede geschiedt door arbeid die de eigenaar van de onroerende zaak verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaak welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.\n\n4.6.. Uit de feiten als hiervoor onder 2. weergegeven, komt naar voren dat de activiteiten vanaf het jaar 2010 zijn afgenomen door de wijziging van de doelgroep waaraan werd verhuurd. Vóór 2010 werden niet alleen kamers verhuurd, maar verrichtten erflater en de echtgenote ook zorgtaken voor de huurders. Onder andere uit de reactie van gemachtigde op het hoorverslag van de Inspecteur komt naar voren dat er een onhoudbare toestand was ontstaan en dat erflater en de echtgenote daarom zijn gestopt met de zorgtaken en vervolgens kamers zijn gaan verhuren aan een andere doelgroep, namelijk studenten van de [onderwijsinstelling] . In het betrokken jaar verhuurden erflater en de echtgenote tien kamers aan studenten van de [onderwijsinstelling] , voor doorgaans drie tot negen maanden. Daarnaast werden twee kamers en een vrijstaande woning op het terrein van het landgoed permanent verhuurd. Deze verhuur en de bijkomende werkzaamheden die erflater en de echtgenote in 2016 verrichtten, kunnen niet worden aangemerkt als het drijven van een materiële onderneming.\n\n4.7.. Weliswaar geschiedt het rendabel maken van het pand mede door de arbeid die erflater en de echtgenote verrichtten, maar niet kan worden gezegd dat deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit het pand welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. De omvang van de door erflater en de echtgenote verrichte werkzaamheden overstijgt niet wat bij normaal vermogensbeheer van onroerende zaken gebruikelijk is. De echtgenote maakte de gezamenlijke ruimten (de gangen, de keuken en twee badkamers) schoon en erflater verrichte kleine onderhoudswerkzaamheden. Het groot onderhoud van het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven. De kamers die voor een aantal maanden worden verhuurd, worden schoongehouden door de huurders. Dat geldt ook voor de huurders van de andere kamers en voor de huurder van de vrijstaande woning. Daarvoor worden in het geheel geen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Dat erflater en de echtgenote incidenteel samen met huurders aten, maakt dat niet anders. Van een pensionbedrijf is geen sprake. Van een rendement dat uitgaat boven hetgeen met normaal vermogensbeheer kan worden behaald, is evenmin sprake. In het jaar 2016 en de drie daaraan voorafgaande jaren, is in ieder geval niet het IPD-rendement voor vastgoed behaald (zie 2.16). Er is dus sprake van normaal vermogensbeheer. Dit betekent dat de onderneming vóór het jaar 2016 is gestaakt en het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het pand en de boekwaarde daarvan (de meerwaarde) had moeten worden belast als winst uit onderneming in het laatste jaar waarin sprake was van een onderneming.\n\n4.8.. Niet in geschil is dat er niet meer kon worden nagevorderd over voorgaande belastingjaren omdat de daarvoor geldende termijn was verstreken. Het stond de Inspecteur daarom vrij om de onjuistheid te herstellen in het laatste openstaande belastingjaar.\n\nIndividuele en buitensporige last?\n\n4.9.. Belanghebbende klaagt ook over de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen. Volgens belanghebbende is sprake van een individuele en buitensporige last. De Inspecteur heeft dit betwist.\n\n4.10.. De bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Die beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nNevenbeschikkingen\n\n4.11.. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente en het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep daartegen is daarom ongegrond.\n\nAanslag Zvw\n\n4.12.. Het hoger beroep is ook gericht tegen de uitspraak inzake de aanslag Zvw. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat sprake is van een materiële onderneming. Uit 4.7 volgt dat die beroepsgrond niet slaagt.\n\nVerzoek geruisloze inbreng\n\n4.13.. Op grond van artikel 3.65 van de Wet IB 2001, voor zover van belang, kan op verzoek van de belastingplichtige en als aan de door de Minister te stellen voorwaarden wordt voldaan, een onderneming geruisloos worden omgezet in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Nu geen sprake is van een onderneming, komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om geruisloze inbreng is reeds daarom terecht door de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het verzoek door de Inspecteur te lang heeft geduurd, maar zij heeft daaraan geen consequenties verbonden. Het Hof ziet daarom geen reden om daaraan gevolgen te verbinden.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.\n\nDe beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. van de Merwe.\n\n(E.D. Postema) (J. van de Merwe)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, HR oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481 en HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.\n\n Vgl. HR 29 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3858, HR 28 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2746, rechtsoverweging 3.4 en 3.5, en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850, rechtsoverweging 4.5.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4063","2026-07-13T00:29:23.833Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":35,"updatedAt":119},"428","ECLI:NL:RBGEL:2026:4496","ecli-nl-rbgel-2026-4496","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F5739\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de inspecteur van 18 april 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2020, 2021 en 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Hij heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022 ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nZoals afgesproken op zitting, heeft de inspecteur na het sluiten van het onderzoek nog een stuk, te weten een reeds eerder door hem aan belanghebbende gestuurd – en door haar ontvangen – stuk ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\nFeiten\n\n1. Met dagtekening 5 juni 2021 en 14 maart 2023 is aan belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2020, respectievelijk 2021 opgelegd.\n\n2. Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in zijn uitspraak met dagtekening 18 april 2024 deze bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft deze bezwaren vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering van de betreffende aanslag en heeft deze verzoeken afgewezen.\n\n3. Belanghebbende heeft de volgende inkomsten ontvangen in 2022:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\nLoonbelastingtabel\n\nBedrijfstakpensioenfonds beroepsvervoer over de weg\n\n€ 2.570\n\n€ 941\n\nGroen\n\nUWV\n\n€ 9.990\n\n€ 802\n\nGroen\n\n [naam bedrijf] B.V.\n\n€ 6.685\n\n€ 0\n\nWit\n\n4. Het arbeidsinkomen dat belanghebbende in 2022 heeft genoten bedraagt € 6.685. De uitkering van het UWV betreft een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-uitkering).\n\n5. Belanghebbende heeft op 27 december 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen in de aangifte bedraagt € 19.245.\n\n6. Met dagtekening 9 februari 2024 is de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2022 opgelegd conform de ingediende aangifte.\n\n7. Met dagtekening 18 april 2024 heeft de inspecteur het tegen deze aanslag ingediende bezwaar afgewezen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de door belanghebbende in de jaren 2020, 2021 en 2022 genoten WGA-uitkering, welke alle jaren door het UWV aan haar werd uitbetaald, in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting moet worden betrokken. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n9. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVerzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021\n\n10. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 zijn opgelegd op respectievelijk 5 juni 2021 en 14 maart 2023. Verder staat onbestreden vast dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n11. Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Indien partijen daar beiden mee instemmen, kan echter rechtstreeks beroep worden ingesteld op grond van artikel 7:1a van de Awb.\n\n12. De inspecteur heeft de beide door hem als zodanig aangemerkte verminderingsverzoeken op 18 april 2024 afgewezen. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 ambtshalve te verminderen. De rechtbank heeft deze verzoeken ontvangen op 16 mei 2024.\n\n13. De rechtbank zou deze verminderingsverzoeken moeten doorsturen naar de inspecteur om ze als zodanig inhoudelijk te laten beoordelen, waarna – bij een eventuele afwijzing van de verzoeken – belanghebbende alsnog daartegen beroep zou kunnen instellen bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen echter toestemming gegeven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank de verminderingsverzoeken over deze twee jaren ook kan beoordelen.\n\nInhoudelijk\n\n14. Belanghebbende heeft haar WGA-uitkering direct van het UWV ontvangen. Voor de vaststelling van de hoogte van de arbeidskorting van belanghebbende, is in alle in geschil zijnde jaren met deze uitkering geen rekening gehouden. Wanneer daarentegen belanghebbende de WGA-uitkering van haar werkgever zou hebben ontvangen, dan zou deze uitkering wel tot de grondslag van de arbeidskorting hebben behoord. Dat in het geval dat de WGA-uitkering via het UWV wordt betaald deze uitkering niet en wanneer de WGA-uitkering via de werkgever wordt uitbetaald, wèl in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de arbeidskorting, is volgens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij beroept zich hierbij op een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.Dit gerechtshof oordeelde, kort gezegd, dat bij het vaststellen van de arbeidskorting rekening moet worden gehouden met een ontvangen WGA-uitkering en dat daarbij niet van belang is door wie die WGA-uitkering wordt uitbetaald.\n\n15. De hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag is door de Hoge Raad vernietigd.De Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer een WGA-uitkering door een werkgever wordt uitbetaald, deze uitkering wel, en wanneer deze uitkering door het UWV wordt uitbetaald, niet meeloopt in de vaststelling van de arbeidskorting. De Hoge Raad vindt dit een niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dit is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In zoverre heeft belanghebbende dus gelijk.\n\n16. De Hoge Raad oordeelt verder dat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever is om in gevallen als daar aan de orde voor rechtsherstel te zorgen. Gelijke behandeling zou namelijk op verschillende manieren kunnen worden bereikt. Dat zou kunnen door ook in gevallen waarin de WGA-uitkering door het UWV wordt betaald, rekening te houden met de arbeidskorting. De wetgever zou echter bijvoorbeeld ook kunnen beslissen om nooit – dus ook wanneer de WGA-uitkering door de werkgever wordt uitbetaald – rekening te houden met de arbeidskorting (net als bij belanghebbende nu gebeurt). Omdat een keuze voor een van die manieren zich niet duidelijk laat afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis, heeft de Hoge Raad rechtsherstel overgelaten aan de wetgever.\n\n17. De rechtbank overweegt dat het voorgaande ook geldt voor de zaken van belanghebbende. Dat betekent dat de rechtbank belanghebbende geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod en dat dit, net als in het geval waarin de Hoge Raad heeft beslist, niet leidt tot vermindering van de aanslagen.\n\n18. Het kabinet heeft bij brief van 14 maart 2025 gereageerd op het arrest van 15 november 2024 (de kabinetsreactie).De kabinetsreactie komt erop neer dat het kabinet ervoor kiest de ongelijke behandeling op te heffen door in geen enkel geval meer arbeidskorting toe te passen over socialezekerheidsuitkeringen, waaronder begrepen de WGA. Volgens het kabinet sluit inperking op die wijze het meest nauw aan bij een doel van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparticipatie) en wordt met een inperking voorkomen dat nieuwe mogelijke discriminaties ontstaan (bijvoorbeeld tussen mensen met een WGA-uitkering en mensen met een WW-uitkering). Het kabinet heeft ervoor gekozen deze inperking door te voeren per 1 januari 2027. De redenen daarvoor zijn (i) borgen dat degenen die een financieel nadeel ondervinden door de inperking niet te abrupt worden geconfronteerd met een inkomensdaling en (ii) softwareontwikkelaars en werkgevers de nodige tijd geven om te anticiperen op deze aanpassing.\n\n19. De kabinetsreactie is voor de rechtbank geen aanleiding om aan belanghebbende toch rechtsherstel te bieden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het kabinet met voldoende spoed actie heeft ondernomen om de discriminatie, binnen iets meer dan twee jaar na het arrest van 15 november 2024, op te heffen. Daarbij heeft de rechtbank op dit moment geen reden om eraan te twijfelen dat de wetgever 1 januari 2027 zal halen. Ook de voorgenomen wijze waarop de discriminatie wordt opgeheven, geeft de rechtbank geen aanleiding om in te grijpen. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 15 november 2024 heeft overwogen, sluit het goed aan bij het doel van de arbeidskorting om een WGA-uitkering in geen enkel geval meer mee te tellen voor de berekening van de arbeidskorting.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat over de jaren 2020, 2021 en 2022 de aanslagen en bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De inspecteur heeft op de zitting aangegeven het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende, te weten € 31,36 reiskosten, te vergoeden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 31,36 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Gerechtshof Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:370.\n\n Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.\n\nBrief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en van de Minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid van 14 maart 2025, 2025-0000079599.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4496","2026-07-13T00:28:29.426Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":124,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":35,"updatedAt":126},"727","ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","ecli-nl-rbgel-2026-4470","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7178, 24\u002F7184, 24\u002F7185, 24\u002F7186, 24\u002F7188 en 24\u002F7191\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juni 2024, 12 juni 2024, 13 juni 2024 en 18 juni 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2020 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd en gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) van:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\nNavordering\n\n€ 770.064\n\n€ 197.458\n\n€ 46.665\n\n2016\n\nNavordering\n\n€ 680.892\n\n€ 243.516\n\n€ 38.575\n\n2017\n\nNavordering\n\n€ 750.950\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 31.572\n\n2018\n\nNavordering\n\n€ 1.531.079\n\n€ 131.213\n\n€ 99.212\n\n2019\n\nAanslag\n\n€ 677.237\n\n€ 175.654\n\n€ 13.260\n\n2020\n\nAanslag\n\n€ 2.887.547\n\n€ 161.682\n\n€ 60.395\n\nVoor de jaren 2018 en 2019 heeft de inspecteur naar aanleiding van het Kerstarrest het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 117.882 (2018) en € 157.393 (2019) en de belastingrente verminderd tot € 98.518 (2018) en € 12.512 (2019).\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen uitsluitend voor wat betreft het belastbaar inkomen box 1 en de belastingrente als volgt verminderd:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\n€ 698.739\n\n€ 197.458\n\n€ 38.755\n\n2016\n\n€ 616.856\n\n€ 243.516\n\n€ 31.788\n\n2017\n\n€ 685.316\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 25.659\n\n2018\n\n€ 1.373.230\n\n€ 117.882\n\n€ 84.302\n\n2019\n\n€ 674.004\n\n€ 157.393\n\n€ 12.284\n\n2020\n\n€ 2.675.488\n\n€ 161.682\n\n€ 54.942\n\nDe rechtbank heeft de beroepen als volgt geregistreerd:\n\nJaar\n\nZaaknummer\n\n2015\n\n24\u002F7178\n\n2016\n\n24\u002F7184\n\n2017\n\n24\u002F7185\n\n2018\n\n24\u002F7186\n\n2019\n\n24\u002F7188\n\n2020\n\n24\u002F7191\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Belanghebbende en zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen verzocht schriftelijke inlichtingen te geven. Partijen hebben daarop gereageerd. Bij bericht van 17 april 2026 heeft de rechtbank partijen ervan in kennis gesteld dat zij voldoende geïnformeerd is en het onderzoek wil sluiten zonder nadere zitting, tenzij partijen binnen twee weken kenbaar maken een nadere zitting te willen. Omdat geen reactie is ontvangen, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 mei 2026 gesloten.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren in 1967 en onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.\n\n2. Belanghebbende bezit sinds 23 december 2005 alle aandelen in [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n3. [naam bedrijf 1] bezit sinds 1 januari 2006 alle aandelen in [naam bedrijf 2] B.V. ([naam bedrijf 2]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n4. Belanghebbende is sinds 4 juli 2014 enig bestuurder van de [naam stichting] (de stichting). De stichting heeft een Raad van Toezicht (RvT) bestaande uit ten minste één en ten hoogste drie leden. De stichting is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.\n\n5. Belanghebbende is eigenaar van een villa-complex met 7 appartementen (de villa’s) met gezamenlijk zwembad aan de [locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers) te [plaats 2].\n\n6. Belanghebbende is eigenaar van een woon-zorgcomplex (het woon-zorgcomplex) te [plaats 2] genaamd ‘[naam]’, bestaande uit een hoofdgebouw ([locatie] [huisnummer]) en 48 appartementen ([locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers)).\n\n7. Op 4 juli 2014 heeft belanghebbende een recht van erfpacht uitgegeven op het woon-zorgcomplex ten behoeve van de stichting. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.500.000. Daarvan is € 2.000.000 door de stichting betaald. De overige € 5.500.000 werd schuldig gebleven. Jaarlijks werd over dit bedrag aan belanghebbende rente vergoed. De rente bedroeg per jaar:\n\n2015\n\n€ 267.254\n\n2016\n\n€ 247.187\n\n2017\n\n€ 219.948\n\n2018\n\n€ 205.307\n\nBelanghebbende gaf ook het recht op gebruik van de grond uit aan de stichting. De overeengekomen erfpachtcanon bedroeg € 42.000 per jaar. De waarde van de blote eigendom van de grond is getaxeerd op € 1.400.000.\n\n8. Op 7 december 2018 heeft de stichting het recht van erfpacht verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.216.900. Daarvan is € 2.216.900 door [naam bedrijf 1] betaald. De overige € 5.000.000 werd schuldig gebleven. Belanghebbende heeft tegelijkertijd de juridische gerechtigdheid tot het woon-zorgcomplex verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 1.633.100 en is volledig schuldig gebleven.\n\n9. [naam bedrijf 1] heeft het woon-zorgcomplex vervolgens aan de stichting verhuurd. De stichting zette zich in voor persoonlijke zorg- en dienstverlening aan de bewoners van het woon-zorgcomplex.\n\n10. De stichting verhuurde de appartementen in het woon-zorgcomplex aan bewoners. De huurovereenkomst werd aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigde door opzegging of na overlijden van de bewoner of als de bewoner de overeenkomst tot persoonlijke verzorging had opgezegd of die overeenkomst om een andere reden werd beëindigd. Bewoners sloten tevens een overeenkomst tot serviceverlening met [naam bedrijf 2] voor de afname van hotelmatige diensten.\n\n11. Belanghebbende verhuurde de villa’s aan bewoners. In de jaren 2015 tot en met 2020 bedroeg de huuropbrengst:\n\n2015\n\n€ 244.140\n\n2016\n\n€ 203.460\n\n2017\n\n€ 244.020\n\n2018\n\n€ 244.020\n\n2019\n\n€ 282.360\n\n2020\n\n€ 142.020\n\n12. Het zwembad verhuurde belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2017 aan de stichting. In 2018 en 2019 is het zwembad verhuurd aan [naam bedrijf 2]. De jaarlijkse huuropbrengst bedroeg € 40.980. In 2020 is er geen huuropbrengst geweest.\n\n13. In 2020 heeft belanghebbende de villa’s en het zwembad verkocht aan een Frans bedrijf dat actief is op het gebied van gezondheidszorg en huisvesting voor bejaarden. [naam bedrijf 1] heeft tegelijkertijd ook het woon-zorgcomplex verkocht aan het Franse bedrijf. De verkoopprijs voor al het onroerend goed samen bedroeg € 15.180.000. Daarvan is € 5.624.534 toerekenbaar aan de villa’s en het zwembad.\n\n14. De historische verkrijgingsprijs van de villa’s bedroeg in totaal € 2.932.920.\n\n15. Belanghebbende rekende de villa’s en het hoofdgebouw van het woon-zorgcomplex jaarlijks tot zijn grondslag sparen en beleggen. In zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2020 heeft belanghebbende daarvoor het volgende aangegeven:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 270.300\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 369.750\n\n€ 371.450\n\n€ 383.350\n\n€ 395.250\n\n€ 425.850\n\n€ 476.000\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n-\n\nTotaal\n\n€ 2.520.250\n\n€ 2.530.450\n\n€ 2.584.850\n\n€ 2.630.750\n\n€ 3.081.250\n\n€ 2.495.600\n\n16. De op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV verschuldigde belasting bedroeg:\n\n2015\n\n€ 233.047\n\n2016\n\n€ 230.173\n\n2017\n\n€ 245.435\n\n2018\n\n€ 255.201\n\n2019\n\n€ 290.537\n\n2020\n\n€ 277.107\n\n17. De inspecteur is een boekenonderzoek gestart naar aanleiding van de aangifte\n\nvennootschapsbelasting 2018 van [naam bedrijf 1]. Van dit boekenonderzoek is geen rapport opgemaakt.\n\n18. De gegevens die bij het boekenonderzoek bekend zijn geworden, vormden voor de inspecteur aanleiding om navorderingsaanslagen IB\u002FPVV aan belanghebbende op te leggen voor de jaren 2015 tot en met 2018 en om voor de jaren 2019 en 2020 bij het opleggen van de aanslagen IB\u002FPVV af te wijken van de aangiften. De inspecteur heeft daarbij de volgende correcties aangebracht in het belastbaar inkomen:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nCorrectie box 1\n\n+ € 594.374\n\n+ € 533.627\n\n+ € 546.948\n\n+ €1.315.407\n\n+ € 287.772\n\n+ €2.493.599\n\nCorrectie box 2\n\n+ € 51.309\n\nCorrectie box 3\n\n-\u002F- € 300.810\n\n-\u002F- € 294.019\n\n-\u002F- € 383.328\n\n-\u002F- € 370.484\n\n-\u002F- € 172.242\n\n-\u002F- € 127.079\n\n19. De correcties in box 1 zijn als volgt te specificeren:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.691.615\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 35.568\n\n-\u002F- € 340.036\n\nTotaal\n\n€ 594.374\n\n€ 533.627\n\n€ 546.948\n\n€1.315.407\n\n€ 287.772\n\n€ 2.493.599\n\n20. De grondslag box 3 heeft de inspecteur naar aanleiding van de correcties in box 1 met de volgende bedragen verlaagd:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nOverige vorderingen en contant geld\n\n€5.000.000\n\n €4.820.000\n\n€4.525.000\n\n€4.250.000\n\n-\n\n-\n\nOverige onroerende zaken\n\n€2.520.250\n\n €2.530.450\n\n€2.586.850\n\n€2.630.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\nTotaal\n\n€7.520.250\n\n €7.350.450\n\n€7.111.850\n\n€6.880.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\n21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de correcties van de inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de correcties in box 1 als volgt aangepast:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.450.640\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 71.325\n\n-\u002F- € 64.036\n\n-\u002F- € 65.634\n\n-\u002F- € 157.849\n\n-\u002F- € 38.801\n\n-\u002F- € 311.120\n\nTotaal\n\n€ 523.049\n\n€ 469.591\n\n€ 481.314\n\n€1.157.558\n\n€ 284.539\n\n€ 2.281.540\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n22. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 en de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n24. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n25. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor alle in geschil zijnde jaren de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Volgens de inspecteur is sprake van inhoudelijke gebreken in de aangiften die ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De inspecteur voert primair aan dat sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en dat belanghebbende daarom een aantal inkomensbestanddelen in box 1 had moeten aangeven in plaats van in box 3. Volgens de inspecteur wist belanghebbende dit of had hij zich ervan bewust moeten zijn. De inspecteur heeft zijn standpunt onderbouwd met de volgende berekening met betrekking tot de verschuldigde belasting:\n\n26. Subsidiair voert de inspecteur aan dat, ook als wordt aangenomen dat geen sprake is van een samenwerkingsverband, de aangiften IB\u002FPVV 2015 tot en met 2019 de volgende inhoudelijke gebreken vertonen:\n\n2015 tot en met 2018: De hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] is voor € 550.000 te weinig aangegeven in box 3.\n\n2015 tot en met 2017: De waarde van het zwembad is niet in box 3 aangegeven en bedraagt volgens de inspecteur € 700.000.\n\n2018 en 2019: De huuropbrengst van het zwembad (€ 40.980) is niet in box 1 aangegeven.\n\nHet verschil tussen de verschuldigde belasting op grond van de aangiften en de werkelijk verschuldigde belasting heeft de inspecteur voor dat geval als volgt berekend:\n\n2015: € 15.000 absoluut en 11,60% relatief\n\n2016: € 15.000 absoluut en 10,07% relatief\n\n2017: € 20.212 absoluut en 12,32% relatief\n\n2018: € 22.851 absoluut en 12,56% relatief\n\n2019: € 21.207 absoluut en 14,42% relatief\n\n27. Belanghebbende is van mening dat er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat sprake is van een pleitbaar standpunt ten aanzien van de vraag of er een samenwerkingsverband is. De correcties op grond van het subsidiaire standpunt van de inspecteur zijn volgens belanghebbende ten dele juist, maar leiden niet tot een relatief aanzienlijk bedrag aan te weinig betaalde belasting.\n\n28. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd (absoluut) en verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.Ten slotte geldt dat als sprake is van een rechtens pleitbaar standpunt, er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n29. De rechtbank moet per belastingjaar beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Omdat belanghebbende voor al de in geschil zijnde belastingjaren aangiften IB\u002FPVV heeft ingediend, moet worden beoordeeld of sprake is van ‘inhoudelijke gebreken’, zoals hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat dit het geval is. Als de rechtbank de inspecteur al zou volgen in zijn primaire standpunt dat sprake is van een samenwerkingsverband, dan kan dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat belanghebbende bij zijn aangiften voor de jaren 2015 tot en met 2020 ervan is uitgegaan dat geen samenwerkingsverband aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank een pleitbaar standpunt. Het kon namelijk gebaseerd worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, waarvan hij - naar objectieve maatstaven gemeten - redelijkerwijs kon en mocht menen dat die uitleg en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren.\n\n30. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de inspecteur staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3. Verder staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2017 de waarde van het zwembad onterecht niet in box 3 heeft aangegeven en voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 heeft aangegeven. Deze inhoudelijke gebreken in de aangiften leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekeningen is uitgegaan van veel lagere belastingbedragen (zie 25. de kolom ‘Aangifte’) dan die op grond van de ingediende aangiften verschuldigd zijn (zie 16.). Bovendien verschillen partijen van mening over de waarde van het zwembad en staat de € 700.000 waarvan de inspecteur in zijn berekening is uitgegaan dus ter discussie. Als wordt uitgegaan van de juiste belastingbedragen die op grond van de aangiften verschuldigd zijn en voor het overige de uitgangspunten van de inspecteur zouden worden gevolgd (zie 26.), is de werkelijk verschuldigde belasting voor de jaren 2015 tot en met 2019 tussen de 6,43% en 8,95% lager.De rechtbank acht dit niet relatief aanzienlijk.\n\n31. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor geen enkel belastingjaar aanleiding is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. Dat betekent dat de rechtbank de normale bewijslastverdeling zal hanteren.\n\nIs er een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001?\n\n32. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is van een samenwerkingsverband. Volgens belanghebbende is daarvoor nodig dat het samenwerkingsverband in civiel juridische zin kwalificeert als een bijzondere overeenkomst die aan alle kenmerken voldoet van een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ondernemingen moeten worden gedreven voor rekening en risico van een fiscaal transparant samenwerkingsverband en dat is niet het geval volgens belanghebbende.\n\n33. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stichting, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] een samenwerkingsverband vormen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. De inspecteur is van mening dat niet enkel juridische feiten doorslaggevend zijn, maar ook of en in hoeverre sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen partijen. Volgens de inspecteur gaat het hier om partijen die niet onafhankelijk van elkaar handelden, maar een hecht samenwerkingsverband hebben gerealiseerd, waarbij ze gebruikmaakten van elkaars diensten. Belanghebbende stelt vermogensbestanddelen ter beschikking aan dat samenwerkingsverband. Die vermogensbestanddelen behoren daarom tot box 1 en niet tot box 3. Voor zover is vereist dat sprake is van een in het BW geregelde vorm van samenwerking, stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband kwalificeert als een stille maatschap. Aanwijzingen daarvoor ziet de inspecteur onder meer in het feit dat in een due diligence rapport staat vermeld dat partijen gezamenlijk een onderneming drijven en dat in een concentratiebesluit partijen gezamenlijk worden aangemerkt als [naam onderneming]. Partijen waren afhankelijk van elkaars activiteiten, zodat een totaalpakket kon worden geleverd van wonen, zorg en dienstverlening. Er was sprake van feitelijke samenwerking in het kader van de beroepsuitoefening.\n\n34. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 volgt dat aan de keuze van de wetgever voor een regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen twee uitgangspunten ten grondslag liggen, namelijk a) de parallel te versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de rechtsvorm van de BV en b) te voorkomen dat al te gemakkelijk relatief hoog belast winstinkomen wordt getransformeerd in lager belast inkomen in box 3.\n\n35. In de wet en de wetsgeschiedenis ontbreekt een duidelijke definitie van het begrip ‘samenwerkingsverband’. Wel is duidelijk dat hieronder in elk geval moeten worden begrepen de in boek 7A van het BW en de in het Wetboek van Koophandel geregelde samenwerkingsverbanden, zoals de maatschap en de vennootschap onder firma. De rechtbank leidt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2013 af dat de uitleg van het begrip ‘samenwerkingsverband’ moet worden beperkt tot fiscaal transparante lichamen.De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of sprake is van een samenwerkingsverband dat wordt gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam. Op de inspecteur rust de bewijslast dat hiervan sprake is.\n\n36. Artikel 7A:1655 BW definieert de maatschap als “ene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.” Deze definitie bevat vijf elementen: 1) overeenkomst 2) samenwerking op basis van gelijkheid\u002Fgelijkwaardigheid 3) verdeling van voordeel 4) inbreng 5) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan al deze elementen. Als al wordt aangenomen dat partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden om op basis van gelijkwaardigheid in maatschapsverband samen te werken, dan ontbreekt een onderbouwing door middel van documenten of cijfers waaruit valt af te leiden dat partijen gericht waren op gezamenlijk voordeel, wat dit gezamenlijke voordeel was en hoe dit vervolgens onderling werd verdeeld. Weliswaar is het al dan niet bestaan van een winstverdelingsregeling niet vereist en zou voldoende zijn dat partijen gezamenlijk gerechtigd waren tot (een deel van) de winst, maar ook dat is niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur. De enkele stelling dat de samenwerking tussen partijen was gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, is hiervoor onvoldoende.\n\n37. Gelet op wat in 34. tot en met 36 is overwogen concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001. Dat betekent dat de door de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen aangebrachte en op dit standpunt gebaseerde correcties onterecht zijn. Met betrekking tot het jaar 2020 leidt dit ertoe dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat het beroep gegrond is. Of ook voor de (navorderings)aanslagen 2015 tot en met 2019 geldt dat deze te hoog zijn vastgesteld zal de rechtbank in het navolgende beoordelen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen te hoog, gelet op het subsidiaire standpunt inspecteur?\n\n38. De inspecteur heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat er alsnog correcties mochten plaatsvinden voor de jaren 2015 tot en met 2019. De inspecteur heeft met betrekking tot zijn subsidiaire standpunt een beroep gedaan op interne compensatie.\n\n39. Het leerstuk van de interne compensatie houdt in dat, in het geval dat een beroep geheel of gedeeltelijk gegrond is, de inspecteur andere elementen van de aanslag aan de orde mag stellen en het standpunt mag innemen dat de aanslag toch niet te hoog is vastgesteld gelet op die andere elementen. Aan het toepassen van interne compensatie zijn enkele beperkingen gesteld. Zo mag geen hoger bedrag worden gevorderd dan het oorspronkelijke bedrag van de aanslag, aangezien belanghebbende door het instellen van beroep niet in een slechtere positie mag komen. Daarnaast kan interne compensatie worden beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zaak ziet de rechtbank geen beperkingen voor toepassing van interne compensatie.\n\n40. Niet meer in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond van [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3 en dat voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 is aangegeven. Partijen verschillen alleen nog van mening over de waarde van het zwembad in de jaren 2015 tot en met 2017. De inspecteur is van mening dat de waarde € 700.000 bedraagt en onderbouwt dit door de bij de verkoop in 2020 gerealiseerde verkoopprijs van € 5,6 miljoen (zie 13.) voor de 7 villa’s inclusief het zwembad te delen door 8. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. Dit zou namelijk betekenen dat het zwembad evenveel waarde vertegenwoordigt als een villa en dat acht de rechtbank onaannemelijk. Bovendien strookt dit niet met de aanschafwaarde die de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft becijferd. Die heeft de inspecteur berekend op € 190.974 (5 x € 38.194,68) aanschafwaarde + € 50.000 ontwikkelkosten = € 240.974. Belanghebbende heeft de waarde van het zwembad geschat op 5 maal de jaarhuur van € 40.980 = € 204.900. Dat ligt in de buurt van de door de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar verdedigde waarde. De rechtbank zal daarom uitgaan van de hoogste van deze twee waardes, dus € 240.974. De rechtbank zal per jaar uitwerken wat de gevolgen zijn.\n\n2015\n\n41. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 12.681.454\n\n€ 13.472.428\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 42.660\n\n€ 42.660\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 12.638.794\n\n€ 13.429.768\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 182.083\n\n€ 182.083\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 12.456.711\n\n€ 13.247.685\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 13.247.685 * 4% = € 529.907.\n\n42. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\nROW\n\n € 0\n\n€ 594.374\n\n€ 523.049\n\n€ 0\n\nEigen woning\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\nInkomen box 1\n\n€ 175.690\n\n€ 770.064\n\n€ 698.739\n\n€ 175.690\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 498.268\n\n€ 197.458\n\n€ 197.458\n\n€ 529.907\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 673.958\n\n€ 967.522\n\n€ 896.197\n\n€ 705.597\n\n43. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2015 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2016\n\n44. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 14.041.795\n\n€ 14.832.769\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 320.976\n\n€ 320.976\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 48.874\n\n€ 48.874\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 13.671.945\n\n€ 14.462.919\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 233.578\n\n€ 233.578\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 13.438.367\n\n€ 14.229.341\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 14.229.341 * 4% = € 569.174.\n\n45. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\nROW\n\n€ 11.484\n\n€ 545.111\n\n€ 481.075\n\n€ 11.484\n\nEigen woning\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\nInkomen box 1\n\n€ 147.264\n\n€ 680.892\n\n€ 616.856\n\n€ 147.265\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 537.534\n\n€ 243.516\n\n€ 243.516\n\n€ 569.174\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 684.799\n\n€ 924.408\n\n€ 860.372\n\n€ 716.439\n\n46. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2016 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2017\n\n47. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 11.094.411\n\n€ 11.885.385\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 50.000\n\n€ 50.000\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.044.411\n\n€ 11.835.385\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.804.105\n\n€ 1.804.105\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.240.306\n\n€ 10.031.280\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan (€ 239.250 * 1,63%) + (€ 9.792.030 * 5,39%) = € 531.690.\n\n48. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\nROW\n\n€ 65.417\n\n€ 612.365\n\n€ 546.731\n\n€ 65.417\n\nEigen woning\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\nInkomen box 1\n\n€ 204.002\n\n€ 750.950\n\n€ 685.316\n\n€ 204.002\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\nInkomen box 3\n\n€ 489.054\n\n€ 105.726\n\n€ 105.726\n\n€ 531.690\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 693.056\n\n€ 907.985\n\n€ 842.351\n\n€ 787.001\n\n49. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2017 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2018\n\n50. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 958.137\n\n€ 958.137\n\nOverige bezittingen\n\n€ 10.830.319\n\n€ 11.380.319\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 339.711\n\n€ 339.711\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.448.745\n\n€ 11.998.745\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.000\n\n€ 60.000\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 11.388.745\n\n€ 11.938.745\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.846.991\n\n€ 1.846.991\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.541.754\n\n€ 10.091.754\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,12% * € 958.137) + (€ 11.380.319 * 5,38%) -\u002F- (€ 339.711 * 3,20%)) ÷ € 11.998.745 = 5,02%. 5,02% * € 10.091.754 = € 506.777.\n\n51. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\nROW\n\n€ 92.210\n\n€ 1.407.617\n\n€ 1.249.768\n\n€ 128.272\n\nEigen woning\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\nInkomen box 1\n\n€ 215.672\n\n€ 1.531.079\n\n€ 1.373.230\n\n€ 251.734\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 501.397\n\n€ 117.882\n\n€ 117.882\n\n€ 506.777\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 717.069\n\n€ 1.648.961\n\n€ 1.491.112\n\n€ 758.511\n\n52. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2018 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2019\n\n53. Voor box 3 geldt dat er geen aanleiding is de rendementsgrondslag te verhogen ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 743.383\n\n€ 743.383\n\nOverige bezittingen\n\n€ 6.765.861\n\n€ 6.765.861\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 7.509.244\n\n€ 7.509.244\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.720\n\n€ 60.720\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 7.448.524\n\n€ 7.448.524\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 989.736\n\n€ 989.736\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 6.458.788\n\n€ 6.458.788\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,08% * € 743.383) + (5,59% * € 6.765.861)) ÷ € 7.509.244 = 5,045%. 5,045% * € 6.458.788 = € 325.846.\n\n54. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\nROW\n\n€ 286.291\n\n€ 574.063\n\n€ 570.830\n\n€ 322.353\n\nEigen woning\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\nInkomen box 1\n\n€ 389.465\n\n€ 677.237\n\n€ 674.004\n\n€ 425.527\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 347.896\n\n€ 157.393\n\n€ 157.393\n\n€ 325.846\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 737.361\n\n€ 834.630\n\n€ 831.397\n\n€ 751.373\n\n55. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de aanslag IB\u002FPVV 2019 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2019 gegrond is. De rechtbank zal de aanslag IB\u002FPVV 2019 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n56. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n57. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n58. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht (€ 51) aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.503 en is als volgt berekend: 2,5 punten voor de beroepsfase (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, schriftelijke inlichtingen 0,5 punt) met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 omdat het meer dan 4 zaken betreft. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend, omdat alleen om kostenvergoeding is gevraagd met betrekking tot het jaar 2020 en daarvoor in bezwaar al een kostenvergoeding is toegekend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 (24\u002F7178) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.690 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 529.907 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 (24\u002F7184) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.265 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 569.174 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 (24\u002F7185) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 204.002, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 51.309 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 531.690 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 (24\u002F7186) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 251.734 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 506.777 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2019 (24\u002F7188) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 425.527 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 325.846 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2020 (24\u002F7191) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 393.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 293.501 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.503 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet inkomstenbelasting 2001\n\nArtikel 3.92. Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden\n\n1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:\n\na. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11;\n\nb. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt.\n\n2. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:\n\na. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:\n\n1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n2°. het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering of het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;\n\n3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband;\n\n4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;\n\n5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\nb. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c;\n\nc. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel;\n\nd. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;\n\ne. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap;\n\nf. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand;\n\ng. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.\n\n3. Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.\n\n4. Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte gemeenschap van goederen.\n\n Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.\n\n Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.\n\n Vgl. Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, rechtsoverweging 3.4.5.\n\n 2015: € 15.000\u002F€ 233.047 = 6,43%\n\n2016: € 15.000\u002F€ 230.173 = 6,52%\n\n2017: € 20.212\u002F€ 245.435 = 8,24%\n\n2018: € 22.851\u002F€ 255.201 = 8,95%\n\n2019: € 21.207\u002F€ 290.537 = 7,3%\n\nKamerstukken II1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 136 enKamerstukken I1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43-44 en nr. 202c, p. 18.\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4034, r.o. 3.3.2. en 3.3.3.\n\n Zie Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.9.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","2026-07-13T00:28:45.115Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":131,"fullText":132,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":35,"updatedAt":134},"1179","ECLI:NL:RBGEL:2026:3457","ecli-nl-rbgel-2026-3457","2026-05-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8010\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 mei 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.110.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nBelanghebbende heeft een nader stuk ingediend, waarin hij wijst op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025.\n\nDe inspecteur heeft een nader stuk ingediend, waarin hij ook ingaat op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025.\n\nDe rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .\n\nFeiten\n\nVaststelling aanslag IB\u002FPVV 2020 en bezwaar\n\n1. Belanghebbende is in de jaren 2019 en 2020 in loondienst bij [naam bedrijf 1] B.V.\n\n2. Op 28 januari 2019 heeft [naam bedrijf 2] B.V. een auto besteld, waarvan belanghebbende de beoogde bestuurder is. Het betreft een KIA e-Niro DynamicLine 64kWh, die uiteindelijk is geleverd op 20 januari 2020 met kenteken [kenteken] (de auto). De datum van de tenaamstelling van de auto is 24 januari 2020. De auto is volledig elektrisch.\n\n3. Op 14 maart 2021 heeft de inspecteur de aangifte IB\u002FPVV 2020 van belanghebbende ontvangen. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 56.525. Er is geen inkomen uit sparen en beleggen en inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. Belanghebbende heeft in die aangifte een percentage voor de bijtelling van de auto van 4% aangegeven.\n\n4. Bij brief van 11 juli 2023 heeft de inspecteur aangegeven voornemens te zijn af te wijken van de aangifte IB\u002FPVV 2020, omdat hij in de ontvangen aangifte voor het aangegeven loon uit dienstbetrekking een afwijking heeft geconstateerd in vergelijking met de ontvangen aangifte loonheffingen. De inspecteur stelt in de brief voornemens te zijn het loon uit dienstbetrekking van belanghebbende met € 1.585 te verhogen, van € 56.589 naar € 58.174. De afwijking ziet op de bijtelling voor de auto. Het percentage voor de bijtelling van de auto heeft de inspecteur verhoogd van 4% naar 8%.\n\n5. Op 17 juli 2023 heeft de inspecteur een reactie van belanghebbende ontvangen, waaruit blijkt dat belanghebbende het niet eens is met de voorgenomen afwijking van de aangifte IB\u002FPVV 2020.\n\n6. Met dagtekening 18 augustus 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2020 vastgesteld overeenkomstig zijn voornemen tot afwijking. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.110 (€ 56.589 -\u002F- € 64 inkomen uit eigenwoning + € 1.585).\n\n7. Op 16 augustus 2023 heeft de inspecteur van belanghebbende het bezwaarschrift tegen de aanslag IB\u002FPVV 2020 ontvangen.\n\n8. Op 11 september 2024 heeft de inspecteur uitspraak op het bezwaar van belanghebbende gedaan.\n\nAlgemeen\n\n9. Op 19 juni 2015 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze brief heeft de naam \"Autobrief II\" gekregen.\n\n10. Op 5 juli 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze brief heeft de naam \"Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM\" gekregen.\n\n11. Op 28 juni 2019 heeft de Staatssecretaris van Financiën een brief verstuurd aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met als titel \"Kabinetsaanpak Klimaatbeleid\". Daarin is onder meer vermeld:\n\n“(…)\n\nIn de periode tot de overgang naar een nieuw systeem wordt de stimulering van elektrisch rijden aangepast doorgezet. Het kabinet wil immers oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen.\n\nHet kabinet zet de huidige systematiek van stimulering van EV voort t\u002Fm 2025. Daarbij kiest het kabinet voor een stapsgewijze oploop van de bijtelling om oversubsidiëring te voorkomen. De bijtelling voor zakelijke rijders gaat daarom in 2020 naar 8% en het plafond waarboven deze korting niet meer geldt voor het resterende bedrag van de aanschafprijs wordt verlaagd. Hiermee zorgt het kabinet ervoor dat de stimulering gericht wordt op de aanschaf van modellen die later ook interessant zijn voor de tweedehands markt.\n\n(…)”\n\n12. In het debat over het pakket klimaatmaatregelen (Klimaatakkoord) van 3 juli 2019 is de vraag (van het kamerlid J.F. Klaver) aan de orde gekomen waarom de bijtelling, in afwijking van Autobrief II, al in 2020 omhooggaat. Over de specifieke groep die in 2019 een bestelling voor een elektrische auto heeft geplaatst, maar pas in 2020 geleverd krijgt, is het volgende vermeld:\n\n“Staatssecretaris Van Veldhoven- van der Meer [Rechtbank: de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat]:\n\n(…)\n\nVoorzitter. Dan had de heer Klaver nog een vraag over de bijtelling die al in 2020 verhoogd wordt. Dat is inderdaad een lastige maatregel. Er zitten altijd plussen en minnen in een akkoord, en dit is een lastige maatregel. Maar ik vind het wel belangrijk om te preciseren voor welke groep dit geldt. Mensen die nu al in een elektrische auto buiten rondrijden, worden hier niet door geraakt. Dit gaat alleen om de mensen die eigenlijk op de wachtlijst stonden en die hun auto dit jaar besteld hebben, maar die pas volgend jaar geleverd krijgen. Als u nu al in een elektrische auto rijdt, raakt het u dus niet. De kleine groep die op de wachtlijst stond voor een auto is de groep waar het over gaat. Voor iedereen die het raakt, is dat natuurlijk vervelend, maar als je het op het hele wagenpark bekijkt, dan is het een relatief kleine groep.\n\n(…)\n\nDe indruk die we nu hebben, is dat het gaat om een 10.000 mensen die daardoor geraakt worden. Dat is voor iedereen natuurlijk heel vervelend, maar op de grote groep van het wagenpark is dat een relatief kleine groep.\n\nDe heer Klaver (GroenLinks):\n\nDit is waarom ik deze vraag stel: het is een betrekkelijk kleine groep, en daarmee is het effect ook betrekkelijk klein, zowel financieel als ten aanzien van wat het voor het milieu doet. De reden waarom ik de vraag stelde, was dat het wel iets zegt over de betrouwbaarheid van de overheid. Mijn vraag is dus toch: waarom neemt u deze maatregel al voor 2020 en voor deze groep?\n\nStaatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:\n\nIk snap de vraag en die is ook terecht. Wij hebben dit gedaan, omdat we aan de ene kant overstimulering willen voorkomen. Aan de andere kant gaat ook de cap in. Nederland wil een ander soort auto’s aantrekken. Want wat zag je gebeuren? De Rekenkamer heeft daar ook een aantal keren aandacht aan besteed. De afgelopen jaren vroeg het soort auto’s dat we aantrokken, per auto een relatief grote stimulering, maar die auto's waren te duur voor de tweedehandsmarkt. Vervolgens werden die geëxporteerd naar het buitenland. Je zou kunnen zeggen: laat die situatie nog een jaar voortbestaan. Dan krijg je echter een grote piek in de aankoop van juist dat soort auto’s. En waarschijnlijk gaan die daarna weer naar het buitenland gaan, als je de resultaten uit het verleden bekijkt. Wat we dus willen doen, is zo snel mogelijk de focus verleggen naar de auto's die daarna ook interessant zijn voor de tweedehandsmarkt. We willen dus niet meer de Tesla’s en de Jaguars, maar meer de middenklassenauto's. We laten dit nu snel ingaan, omdat je anders nog een soort piek in de markt creëert van auto's die je niet meer wilt aantrekken.\n\n(…)\n\nDe heer Klaver (GroenLinks):\n\n(…)\n\nVoorzitter. Ik wil echt nog even op terugkomen op de auto’s om het goed te snappen. Ik snap heel goed dat je een ander type auto wil. Daar ben ik het mee eens. U zegt terecht dat deze mensen de auto al besteld hebben, maar dat die nog niet geleverd is. Die auto komt dus sowieso naar Nederland. De vraag is wat het effect is van deze maatregel die nu ingaat. Komen er daardoor echt minder auto’s van dit type op de Nederlandse markt?\n\nStaatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:\n\nDeze auto’s zijn besteld. Wat het voor deze mensen betekent, is dat de korting op hun bijtelling omlaaggaat van 18% naar 14%. Het betekent voor deze mensen dus een financieel verschil. Dat zou per maand een paar tientjes verschil kunnen maken. Het is dan de vraag of zo’n auto daarvoor dan niet meer naar Nederland komt, want als je de bijtelling van vergelijkbare fossiele auto’s bekijkt, is die nog steeds een stuk hoger. Dan is het dus nog steeds een stuk aantrekkelijker om deze auto te rijden.\n\nDe heer Klaver (GroenLinks):\n\nIk stel deze vragen omdat het me gaat om de proportionaliteit van ingrijpen in een belofte die de overheid heeft gedaan. Ik ben het er nog mee eens ook. Ik snap heel goed waarom het kabinet het doet. Maar om dan deze relatief kleine groep te pakken … Die auto’s komen toch naar Nederland, want een wachtlijst betekent vaak dat ze al besteld zijn. Ik hoop dat het kabinet daar nog over wil nadenken. Als je het hebt over draagvlak, is dit iets dat er bij heel veel mensen in hakt, zelfs als je er onwijs tegen bent dat auto’s ook gesubsidieerd worden.\n\nStaatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:\n\nIk ben blij dat we met elkaar constateren dat het kabinet de goede richting kiest met de elektrische auto’s: een ander type auto en focus op de tweedehandsmarkt. We hebben gekeken of we het een halfjaar later konden laten ingaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen, maar dat blijkt niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Ik heb tegen de mensen aan tafel wel gezegd: laten we met elkaar om tafel gaan om te kijken waar dit knelpunten oplevert. Dit pakket staat, maar laten we met elkaar kijken naar het handelingsperspectief.”\n\n13. In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord zijn voorstellen ter uitwerking van de aangekondigde fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord opgenomen. In de memorie van toelichting is omtrent het verlagen van de korting van 18% naar 14% het volgende vermeld:\n\n“In overeenstemming met de afspraken in het Klimaatakkoord wordt bij de stimulering van elektrische auto’s meer rekening gehouden met de ontwikkelingen in de markt. De verkoopcijfers van elektrische voertuigen tonen aan dat de verkoop van elektrische auto’s aanvankelijk achterbleef bij de ramingen, maar dat het gevoerde beleid succesvol is en dat de verkopen de verwachtingen van de Wet uitwerking Autobrief II inmiddels ruimschoots overtreffen. In 2018 zijn ongeveer twee keer zoveel elektrische auto's verkocht als verwacht. De verkopen tot nu toe in 2019 laten zien dat ook in 2019 meer elektrische auto’s zullen worden verkocht dan eerder geraamd. Een dergelijke stijging van de verkopen is een aanwijzing dat de mate van stimulering waarschijnlijk hoger is dan noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Dat is voor het kabinet aanleiding om al met ingang van 1 januari 2020 over te gaan tot een verlaging van de korting op de bijtelling voor elektrische auto’s en een verlaging van de cap. De korting op de bijtelling bedraagt zoals gezegd op dit moment 18%-punt. Het kabinet stelt voor met ingang van 1 januari 2020 deze korting te verlagen tot 14%-punt en tegelijkertijd de cap te verlagen tot € 45.000 waardoor in 2020 de korting maximaal € 6300 bedraagt.”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n14. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2020 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de volgende vragen:\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting van 18% naar 14% tot een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM)?\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het vertrouwensbeginsel?\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel?\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het discriminatieverbod, zoals bedoeld in artikel 14 van het EVRM?\n\nDe rechtbank zal de vragen hierna één voor één behandelen. Eerst zal de rechtbank het wettelijk kader geven.\n\nWettelijk kader\n\n15. Op grond van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (wettekst 2020), wordt voor een auto die ook voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld, het voordeel op kalenderjaarbasis op ten minste 22% van de waarde gesteld indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.\n\n16. Artikel 13bis, tweede lid, van de Wet LB (wettekst 2020) bepaalt dat het voordeel op kalenderjaarbasis met 14% van de waarde van de auto wordt verlaagd indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot van de auto 0 gram per kilometer is (nulemissieauto), met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 6.300 bedraagt. Op grond van de wettekst 2019 bedroeg die verlaging 18% en ten hoogste € 9.000.\n\n17. Uit artikel 13bis, achttiende lid, van de Wet LB (wettekst 2020) volgt dat een bijtellingspercentage dat eenmaal is vastgesteld voor een periode van vijf jaar na de eerste tenaamstelling blijft gelden.\n\n18. Artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat onder loon wordt verstaan hetgeen op grond van de Wet LB ook onder loon wordt verstaan.\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting van 18% naar 14% tot een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 op het EP bij het EVRM?\n\n19. Belanghebbende is van mening dat de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% leidt tot een schending van artikel 1 van het EP bij het EVRM, omdat hij de auto op 28 januari 2019 heeft besteld met de gerechtvaardigde verwachting dat de bijtellingskorting 18% zou bedragen. Die verwachting is volgens belanghebbende gebaseerd op de openbare communicatie van de Rijksoverheid en de Belastingdienst op 19 juni 2015 (Autobrief II) en 5 juli 2018 (Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM). Belanghebbende stelt dat hij door de snelle invoer van de verminderde bijtellingskorting van 14% is benadeeld, omdat hij niet meer de mogelijkheid had om te kiezen voor een auto met een kortere levertermijn zodat hij nog gebruik kon maken van de hogere bijtellingskorting van 18%. Belanghebbende wijst in zijn nader stuk op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, waarin in een vergelijkbare zaak werd geoordeeld dat de verhoogde bijtelling op regelniveau strijdig is met artikel 1 van het EP van het EVRM.\n\n20. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn uitspraak van 17 maart 2026heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, waar belanghebbende zich op heeft beroepen, vernietigd. In zijn uitspraak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een vergelijkbaar geval – over de vraag of de verhoging van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto per 1 januari 2020 op stelselniveau een onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 van het EP bij het EVRM – onder meer het volgende overwogen.\n\n“ (…)4.10.. De Rechtbank [Noord-Nederland, toevoeging rechtbank] heeft voor zijn oordeel dat sprake is van schending in vorenbedoelde zin onder meer redengevend geacht dat de wetgever met geen woord heeft gerept over de groep belastingplichtigen die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 (zie 4.4) al verplichtingen is aangegaan en de gewekte verwachtingen van deze groep dus in het geheel niet zijn meegewogen. Deze overweging mist feitelijke grondslag aangezien uit het onder 4.5 vermelde blijkt dat de gevolgen voor deze specifieke groep onderdeel is geweest van het debat.\n\n4.11.. \n\nUit de onder 4.4 tot en met 4.6 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met de stapsgewijze oploop van de bijtelling vanaf 2020 het volgende heeft beoogd: oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen. Daarbij is ervoor gekozen de maatregel niet een halfjaar later in te laten gaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen – zodat, naar het Hof begrijpt, ook deze groep zou vallen onder het onder artikel 13bis, lid 18, van de Wet LB 1964 opgenomen overgangsrecht – omdat dit niet uitvoerbaar blijkt voor de Belastingdienst. De wetgever realiseerde zich dat deze relatief kleine groep er per maand een aantal tientjes op achteruit zou gaan.\n\n(…)”\n\nDe rechtbank maakt bovenstaande overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot de hare. Zij wijst hierbij op de hiervoor onder punt 11 tot en met 13 geciteerde stukken uit de parlementaire geschiedenis, zoals die ook zijn opgenomen onder overweging 4.4. tot en met 4.6 van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.\n\n21. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met de gemaakte afweging voor het reeds op 1 januari 2020 in laten gaan van de verlaging van de bijtellingskorting, zonder overgangsrecht voor de groep belastingplichtigen die al verplichtingen was aangegaan vóór de aankondiging op 28 juni 2019, niet buiten zijn ruime beoordelingsmargeis getreden. De conclusie luidt dat de verlaging van de bijtellingskorting geen ongeoorloofde inbreuk vormt op artikel 1 van het EP bij het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nLeidt verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het vertrouwensbeginsel?\n\n22. Belanghebbende is van mening dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert belanghebbende aan dat de stimuleringsmaatregel in de vorm van een bijtellingskorting van 18% hem heeft aangespoord om voor een nulemissieauto te kiezen. Het vertrouwen dat de bijtellingskorting 18% zou bedragen, is opgewekt door overheidscommunicatie, zonder tijdsbeperking van de stimuleringsmaatregel. Volgens belanghebbende ging de rol van de Staatssecretaris van Financiën daarbij verder dan de rol van medewetgever. Dit blijkt uit de publiekscommunicatie door de Rijksoverheid waarin de Autobrief II als geldend beleid werd vermeld en de communicatie via de site van de Rijksoverheid, waarbij de burger is geïnformeerd over een aanpak tot en met 2020. Belanghebbende is van mening dat de Staatssecretaris van Financiën daarbij heeft gehandeld als uitvoerende macht. Er was geen reden om aan te nemen dat in 2019 een wetswijziging per 1 januari 2020 zou worden aangekondigd zonder een overgangsbepaling voor de gevallen waarin al sprake was van een lopende bestelling van een nulemissieauto. Volgens belanghebbende is het algemeen belang van belastingheffing niet dermate groot dat dit opweegt tegen het invoeren van overgangsbeleid of een specifieke toepassing van een lager bijtellingspercentage in dit individuele geval.\n\n23. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.\n\n24. De rechtbank is van oordeel dat de verlaging van de bijtellingskorting niet leidt tot schending van het vertrouwensbeginsel. Op de eerste plaats is geen sprake van een expliciete toezegging dat de bijtellingskorting ook in 2020 18% zou blijven. Bovendien geldt dat, indien al sprake zou zijn van een (impliciete) toezegging, deze is gedaan door de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van medewetgever en niet in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet. De rechtbank wijst er daarbij op dat de Autobrief II en de Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II en parallelimport in relatie tot de BPM parlementaire stukken zijn. Belanghebbende kan aan een toezegging van de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van medewetgever geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel?\n\n25. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Belanghebbende wijst op een adviesdocument van het Ministerie van Financiën waarin staat dat de keuze om de bijtelling met ingang van 1 januari 2020 te verhogen het verwijt tot gevolg heeft dat sprake is van een onbetrouwbare overheid en dat dit verwijt terecht lijkt. Vanwege de snelle invoering van de nieuwe wetgeving was het volgens belanghebbende noodzakelijk dat er fiscaal overgangsbeleid zou worden ingevoerd.\n\n26. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginselbeginsel. Burgers kunnen er in het algemeen in redelijkheid niet op vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven.De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.\n\nLeidt de verlaging van de bijtellingskorting naar 14% tot schending van het discriminatieverbod, zoals bedoeld in artikel 14 van het EVRM?\n\n27. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot een schending van het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 14 van het EVRM. Volgens belanghebbende worden degenen die vóór juni 2019 een auto met een lange levertijd hebben besteld, zwaarder belast dan degenen die na die datum een auto met een kortere levertijd hebben besteld, in de wetenschap dat het bijtellingstarief gewijzigd zou worden. Belanghebbende stelt dat zijn werkgever de auto al in januari 2019 heeft besteld en dat de auto niet kosteloos geannuleerd kon worden, waardoor hij geen keuze meer had om een auto met een kortere levertermijn te bestellen met bijbehorend lager bijtellingspercentage. Gevallen waarin al sprake was van een lopende bestelling zijn benadeeld door de snelle invoering van het gewijzigde bijtellingspercentage zonder overgangsbepaling.\n\n28. De rechtbank overweegt als volgt. In het algemeen komt aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de verlaging van de bijtellingskorting niet leidt tot schending van het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Zelfs indien sprake zou zijn van gelijke gevallen, bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging om deze gevallen verschillend te behandelen. De objectieve rechtvaardiging is gelegen in het feit dat de verlaging van de bijtellingskorting afhankelijk is gesteld van de datum van tenaamstelling van de auto. De redelijke rechtvaardiging is gelegen in de wens van de wetgever om oversubsidiëring van nulemissieauto’s te voorkomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB\u002FPVV 2020 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.\n\nUitgesproken op 1 mei 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Rechtbank Noord-Nederland 10 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2815.\n\n Zie voetnoot 1.\n\nKamerstukken II2014\u002F15, 32800, nr. 27.\n\nKamerstukken II2017\u002F18, 32800, nr. 44.\n\nKamerstukken II2018\u002F19, 32813, nr. 342, p. 11.\n\nHandelingen II2018\u002F19, nr. 101, item 15, p. 48-50.\n\nMvT, Kamerstukken II2019\u002F20, 35304, nr. 3, p. 5.\n\n Zie voetnoot 1.\n\n ECLI:NL:GHARL:2026:1661.\n\n Vergelijk Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.\n\n Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.\n\n Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.\n\n Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.\n\n Hoge Raad 22 december 2013, ECLI:NL:HR:2023:1789, r.o. 4.2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3457","2026-07-13T00:29:08.325Z",{"id":136,"ecli":137,"slug":138,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":139,"fullText":140,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":35,"updatedAt":142},"1537","ECLI:NL:RBGEL:2026:4484","ecli-nl-rbgel-2026-4484","2026-04-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F4467 en 24\u002F4476\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 april 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023 en 27 december 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd:\n\nvoor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Tevens is aan belanghebbende € 1.861 belastingrente in rekening gebracht.\n\nvoor het jaar 2017 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Tevens is aan belanghebbende € 1.599 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon A]. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen [persoon B] en [persoon C].\n\nTer zitting zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld de beroepen van de partner van belanghebbende, [persoon D], met de zaaknummers 24\u002F4259 en 24\u002F4267.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende en zijn partner zijn ieder voor 50% aandeelhouder in [de vennootschap] B.V. (de vennootschap).\n\n2. In 2010 heeft belanghebbende samen met zijn partner voor € 700.000 een eigen woning gekocht, gelegen aan de [locatie] te [plaats 2]. De koopsom is gefinancierd met een lening van € 700.000 van de vennootschap. Op 12 november 2012 is ten behoeve van de vennootschap een recht van hypotheek op de woning gevestigd tot zekerheid van de terugbetaling van deze geldlening. Daarin is verder bepaald dat vanaf 14 januari 2010 een rente is verschuldigd van 5% en dat maandelijks € 1.944 dient te worden afgelost, voor het eerst op 31 december 2012.\n\n3. Belanghebbende en zijn partner hebben een rekening-courantschuld aan de vennootschap. Er is in 2012 een rekening-courantovereenkomst opgemaakt voor een maximaal bedrag aan kredietverlening van € 500.000 met een rente van 5% per jaar, welke rente jaarlijks in rekening-courant is verwerkt.\n\n4. Op 3 maart 2016 hebben belanghebbende en zijn partner de eigen woning verkocht voor € 508.750. Bij die gelegenheid is de hypothecaire geldlening bij de vennootschap voor een bedrag van € 479.974 afgelost.\n\n5. Het verloop van de schulden van belanghebbende en zijn partner aan de vennootschap is als volgt:\n\nSaldo per 31 december\n\nLening (€)\n\nRekening-courant €\n\nTotaal €\n\nMutatie rekening-courant €\n\n2009\n\n29.728\n\n29.728\n\n2010\n\n700.000\n\n279.201\n\n979.201\n\n249.473\n\n2011\n\n700.000\n\n346.298\n\n1.046.298\n\n67.097\n\n2012\n\n700.000\n\n369.009\n\n1.069.009\n\n22.711\n\n2013\n\n700.000\n\n395.314\n\n1.095.314\n\n26.305\n\n2014\n\n700.000\n\n418.842\n\n1.118.842\n\n23.528\n\n2015\n\n700.000\n\n453.322\n\n1.153.322\n\n34.480\n\n2016\n\n220.027\n\n463.297\n\n683.324\n\n9.975\n\n2017\n\n220.027\n\n496.867\n\n716.894\n\n33.570\n\n6. Bij de aanslagregeling IB\u002FPVV van belanghebbende ter zake van het jaar 2014 heeft de inspecteur vragen gesteld over de schuldpositie van belanghebbende bij de vennootschap. Naar aanleiding van de antwoorden daarop is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. In de brief ‘voornemen af te wijken van aangifte’ van 15 maart 2017 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifteInkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)\n\nAanmerkelijk belang\n\nUit mijn dossier blijkt dat [de vennootschap] BV in 2010 een aanzienlijke boekwinst heeft gemaakt met de verkoop van een stuk grond. Voor deze boekwinst is een HIR gevormd, welke in 2013 is vrijgevallen. Tot zo ver niets aan de hand. Ik constateer echter ook dat in 2010, na deze verkoop, [belanghebbende] een nieuw en gelet op zijn inkomen veel te duur huis koopt. Daarnaast loopt er nog een RC met een kredietplafond van € 500.000. Naar mijn mening kan [belanghebbende] dit nooit (volledig) terugbetalen. Kijkend naar de te betalen rente (over de RC en de hypothecaire lening) en het inkomen van [belanghebbende] is de rente al te hoog. Laat staan dat er kan worden afgelost, hetgeen dan ook niet gebeurt. Uit de oplopende RC blijkt ook dat [belanghebbende] de (volledige) rente niet kan betalen vanuit zijn reguliere inkomen. Niet gek als je bedenkt dat de schuld twaalf maal zijn jaarinkomen is. Alleen met de verkoop van de betreffende woning in 2016 wordt er een deel afgelost. Er blijft echter een behoorlijk restschuld. Naast de schuld in RC die [belanghebbende] nog steeds heeft. Komt bij dat nu door de verkoop van de woning ook de zekerheid die door de BV bedongen was is weggevallen. Kijkend naar de situatie (hoogte schuld, inkomsten en vermogen [belanghebbende]) en de tijdlijn (verkoop grond, boekwinst, aankoop te dure woning, financiering te hoog en volledig via BV, verkoop voor gedeeltelijke aflossing) is er bij zowel de BV als bij [belanghebbende] sprake moet zijn geweest van bewustzijn dat er te veel geld is geleend. En dat een deel van dit geld het vermogen van de BV blijvend heeft verlaten. Er heeft dus een vermogensverschuiving plaats gevonden waarbij de BV is verarmd en [belanghebbende] is verrijkt. Dat er door de verkoop van de grond in 2010 meer dan voldoende winstreserve was lijkt me evident. Voor deze aangifte over 2014 betekent dit dat ik voor het bedrag waarmee de totaalschuld verder oploopt (i.c. € 23.528) uitdeling stel.\n\nIn 2016 wordt de onderhavige woning verkocht en vindt er een aflossing plaats van € 479.973. Dit betekent tegelijkertijd dat er een restschuld ontstaat van € 220.027. Ultimo 2014 Is de schuld in RC van [belanghebbende] aan [de vennootschap] BV € 418.841 - € 23.528 (bedrag aan uitdeling) = € 395.313. Ik stel voor de bedragen waarmee de schuld (in RC) over 2015 en 2016 oploopt ook sprake is van uitdeling. Ik zal de aangiften over 2015 en 2016 tegen die tijd hier op aanpassen.\n\nVorenstaande betekent ook dat de schuld ultimo 2016 nog steeds € 220.027 (restschuld woning) + € 395.313 (RC) = € 615.340 is. Dat is maal het jaarsalaris van [belanghebbende]. Bij een rente van 5% zoals in de overeenkomst is opgenomen, bedraagt deze rente per jaar ruim € 30.000. Niet op te brengen door [belanghebbende].\n\nKomt bij dat de leenovereenkomst een kredietplafond heeft van \"slechts\" € 500.000 en er geen zekerheden zijn gesteld. Een rente van 5% is dus zeker niet te hoog. Graag verneem ik van u hoe [belanghebbende] deze schuld gaat terugbetalen \u002F verlagen?\n\nVoor deze aangifte over 2014 stel ik dat er voor een bedrag van € 23.528 sprake is van uitdeling.”\n\n7. Belanghebbende heeft niet op de brief van de inspecteur van 15 maart 2017 gereageerd. De in de tabel hierboven in punt 5. omkaderde bedragen zijn over de betreffende jaren als uitdeling van winst gecorrigeerd. Bij brief van 25 april 2017 heeft de inspecteur aangekondigd de rekening courantschuld voor de jaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks te zullen verminderen met € 125.000 door het stellen van een uitdeling voor hetzelfde bedrag.\n\n8. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is voor belanghebbende in 2016 door de inspecteur vastgesteld op € 67.488, zijnde de helft van € 125.000 ter zake van de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 9.975 ter zake van de toename van de schuldenpositie in 2016.\n\n9. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is voor belanghebbende voor 2017 door de inspecteur vastgesteld op € 79.285, zijnde de helft van € 125.000 voor de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 33.570 voor de toename van de schuldenpositie in 2017.\n\n10. Met dagtekening 21 februari 2020 heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV 2016 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n11. Met dagtekening 25 augustus 2020 heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV 2017 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In het bijzonder is in geschil of de inspecteur in 2016 en 2017 uitdelingen van winst in aanmerking kon nemen.\n\n13. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is geweest van bewustheid bij zowel belanghebbende als bij de vennootschap dat belanghebbende teveel geld bij de vennootschap zou hebben geleend. Ook stelt belanghebbende dat de bedragen het vermogen van de vennootschap niet blijvend hebben verlaten.\n\n14. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat het door de inspecteur als bovenmatig gekwalificeerde deel van de schuld reeds in 2010 het vermogen van de vennootschap blijvend heeft verlaten. In dat jaar is de schuld aan de vennootschap immers toegenomen van € 29.728 tot € 979.201. Daarom had de inspecteur volgens belanghebbende dat deel van de schuld van belanghebbende aan de vennootschap reeds in 2010 als winstuitdeling in aanmerking moeten nemen. De bij de aanslagregeling inkomstenbelasting 2016 en 2017 toegepaste correcties van het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn dus in de verkeerde jaren toegepast en moeten om die reden vervallen, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n15. Verder stelt belanghebbende dat een gespreide correctie over meerdere jaren, zoals in dit geval, had moeten worden geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst. Dat is niet gebeurd, waardoor belanghebbende niet gehouden was om enige correctie in zijn aangifte toe te passen.\n\n16. De inspecteur heeft gesteld dat de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder onzakelijk hoog was en dat een willekeurige derde\u002Fschuldeiser een dergelijke financiële verhouding niet op die manier zou accepteren. De geleende gelden hebben de vennootschap bij het aangaan van de lening niet blijvend verlaten, aldus de inspecteur.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nJuridisch kader\n\n18. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten.Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.\n\n19. In zijn arrest van 13 januari 2023(het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen:\n\n“(…)\n\n3.4.2\n\nGeldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.5\n\n3.4.3\n\nOok na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.6\n\n3.4.4\n\nIndien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn.7 Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.8\n\n3.4.5\n\nDe inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.\n\n(…)\n\n5Vgl. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761.\n\n6Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, rechtsoverweging 3.5.\n\n7Vgl. HR 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458, rechtsoverweging 4.3.\n\n8Vgl. HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, rechtsoverweging 4.3, en het aldaar genoemde arrest HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193, rechtsoverweging 5.1.\n\n(…)”\n\nBeoordeling\n\n20. De bewijslast dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen in de zin van het arrest, rust op de inspecteur.\n\n21. Uit rechtsoverweging 3.4.2 van het hiervoor geciteerde arrest volgt dat ten eerste dient te worden beoordeeld of op het moment van het aangaan van de lening vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. De rechtbank hoeft deze vraag in deze zaken niet te beantwoorden omdat de geldleningen zijn aangegaan in 2010 en in deze procedure uitsluitend de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2016 en 2017 aan de orde zijn.\n\n22. Gelet op rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de inspecteur gestelde bedragen het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen.\n\n23. De inspecteur heeft aangevoerd dat er middels hetgeen in de brief van 15 maart 2017 (zie punt 6.) door de inspecteur is geschreven, weliswaar geen afspraken met belanghebbende zijn gemaakt om de geldlening naar zakelijke verhoudingen terug te brengen, maar dat belanghebbende door geen bezwaar te maken tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015, deze ‘verzakelijking’ van de leningen heeft geaccepteerd.\n\n24. Belanghebbende heeft betwist dat afspraken zouden zijn gemaakt over ‘verzakelijking’ van de leningen en heeft gesteld dat uit het feit dat geen bezwaar is gemaakt tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015 niet geconcludeerd kan worden dat belanghebbende zich ook voor 2016 en 2017 kon vinden in die voorgestelde correcties.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. De inspecteur heeft ter onderbouwing daarvan slechts verwezen naar de hiervoor onder punt 6 genoemde brief van 15 maart 2017. Ter zitting heeft de inspecteur ook erkend dat hij zijn stellingen daarover niet nader kan onderbouwen, anders dan door te verwijzen naar die brief. De rechtbank is van oordeel dat die verwijzing onvoldoende is. Dat belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 kennelijk heeft berust in de correcties voor wat betreft die jaren, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft bovendien ter zitting verklaard dat geen sprake is van het (formeel) prijsgeven van de rechten door de vennootschap in 2016 en 2017.\n\n26. De inspecteur heeft verder gesteld dat van prijsgeven ook in materieel opzicht sprake kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven hoe het arrest op dit punt moet worden uitgelegd. Ook als de Hoge Raad met de term prijsgeven in het arrest het prijsgeven in materieel opzicht zou hebben bedoeld, heeft de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.\n\n27. Nu niet is komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de vennootschap in 2016 of 2017 definitief hebben verlaten doordat de vennootschap haar rechten die haar als crediteur toekomen, in die jaren geheel of gedeeltelijk zou hebben prijsgegeven op grond van de vennootschappelijke betrekkingen, is geen sprake van een onttrekking en daarmee dus ook niet van een winstuitdeling.\n\n28. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur ter zake van de jaren 2016 en 2017 ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende en de partner. De overige stellingen van belanghebbende behoeven hierdoor geen bespreking meer.\n\n29. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n30. De beroepen zijn gegrond omdat de inspecteur het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over 2016 en 2017 te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n31. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2016 vaststellen op een bedrag van € 19.970 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2017 vaststellen op een bedrag van € 32.906 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De in rekening gebrachte belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd.\n\n32. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n33. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 in verband met vier samenhangende zaken). Een kostenvergoeding voor bezwaar is niet in bezwaar gevraagd en is daarom niet toewijsbaar. De rechtbank zal aan belanghebbende en de partner ieder de helft, € 1.401, van de toegekende vergoeding toewijzen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2016 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;\n\n- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2017 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;\n\n- vermindert de bijbehorende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 102 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 24 april 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001.\n\n ECLI:NL:HR:2023:26.\n\n Zie artikel 3 en bijlage C2 bij het besluit.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4484","2026-07-13T00:29:26.020Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":139,"fullText":147,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":35,"updatedAt":149},"865","ECLI:NL:RBGEL:2026:4485","ecli-nl-rbgel-2026-4485","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F4259 en 24\u002F4267\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 april 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023 en 27 december 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd:\n\nvoor het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.322 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Tevens is aan belanghebbende € 1.843 belastingrente in rekening gebracht.\n\nvoor het jaar 2017 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.451 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Tevens is aan belanghebbende € 1.599 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de aanslag gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon A]. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen [persoon B] en [persoon C].\n\nTer zitting zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld de beroep van de partner van belanghebbende, [persoon D], met de zaaknummers 24\u002F4467 en 24\u002F4476.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende en haar partner zijn ieder voor 50% aandeelhouder in [de vennootschap] B.V. (de vennootschap).\n\n2. In 2010 heeft belanghebbende samen met haar partner voor € 700.000 een eigen woning gekocht, gelegen aan de [locatie] te [plaats 2]. De koopsom is gefinancierd met een lening van € 700.000 van de vennootschap. Op 12 november 2012 is ten behoeve van de vennootschap een recht van hypotheek op de woning gevestigd tot zekerheid van de terugbetaling van deze geldlening. Daarin is verder bepaald dat vanaf 14 januari 2010 een rente is verschuldigd van 5% en dat maandelijks € 1.944 dient te worden afgelost, voor het eerst op 31 december 2012.\n\n3. Belanghebbende en haar partner hebben een rekening-courantschuld aan de vennootschap. Er is in 2012 een rekening-courantovereenkomst opgemaakt voor een maximaal bedrag aan kredietverlening van € 500.000 met een rente van 5% per jaar, welke rente jaarlijks in rekening-courant is verwerkt.\n\n4. Op 3 maart 2016 hebben belanghebbende en haar partner de eigen woning verkocht voor € 508.750. Bij die gelegenheid is de hypothecaire geldlening bij de vennootschap voor een bedrag van € 479.974 afgelost.\n\n5. Het verloop van de schulden van belanghebbende en haar partner aan de vennootschap is als volgt:\n\nSaldo per 31 december\n\nLening (€)\n\nRekening-courant €\n\nTotaal €\n\nMutatie rekening-courant €\n\n2009\n\n29.728\n\n29.728\n\n2010\n\n700.000\n\n279.201\n\n979.201\n\n249.473\n\n2011\n\n700.000\n\n346.298\n\n1.046.298\n\n67.097\n\n2012\n\n700.000\n\n369.009\n\n1.069.009\n\n22.711\n\n2013\n\n700.000\n\n395.314\n\n1.095.314\n\n26.305\n\n2014\n\n700.000\n\n418.842\n\n1.118.842\n\n23.528\n\n2015\n\n700.000\n\n453.322\n\n1.153.322\n\n34.480\n\n2016\n\n220.027\n\n463.297\n\n683.324\n\n9.975\n\n2017\n\n220.027\n\n496.867\n\n716.894\n\n33.570\n\n6. Bij de aanslagregeling IB\u002FPVV van belanghebbende ter zake van het jaar 2014 heeft de inspecteur vragen gesteld over de schuldpositie van belanghebbende bij de vennootschap. Naar aanleiding van de antwoorden daarop is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. In de brief ‘voornemen af te wijken van aangifte’ van 15 maart 2017 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifteInkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)\n\nAanmerkelijk belang\n\nUit mijn dossier blijkt dat [de vennootschap] BV in 2010 een aanzienlijke boekwinst heeft gemaakt met de verkoop van een stuk grond. Voor deze boekwinst is een HIR gevormd, welke in 2013 is vrijgevallen. Tot zo ver niets aan de hand. Ik constateer echter ook dat in 2010, na deze verkoop, [persoon D] een nieuw en gelet op zijn inkomen veel te duur huis koopt. Daarnaast loopt er nog een RC met een kredietplafond van € 500.000. Naar mijn mening kan [persoon D] dit nooit (volledig) terugbetalen. Kijkend naar de te betalen rente (over de RC en de hypothecaire lening) en het inkomen van [persoon D] is de rente al te hoog. Laat staan dat er kan worden afgelost, hetgeen dan ook niet gebeurt. Uit de oplopende RC blijkt ook dat [persoon D] de (volledige) rente niet kan betalen vanuit zijn reguliere inkomen. Niet gek als je bedenkt dat de schuld twaalf maal zijn jaarinkomen is. Alleen met de verkoop van de betreffende woning in 2016 wordt er een deel afgelost. Er blijft echter een behoorlijk restschuld. Naast de schuld in RC die [persoon D] nog steeds heeft. Komt bij dat nu door de verkoop van de woning ook de zekerheid die door de BV bedongen was is weggevallen. Kijkend naar de situatie (hoogte schuld, inkomsten en vermogen [persoon D]) en de tijdlijn (verkoop grond, boekwinst, aankoop te dure woning, financiering te hoog en volledig via BV, verkoop voor gedeeltelijke aflossing) is er bij zowel de BV als bij [persoon D] sprake moet zijn geweest van bewustzijn dat er te veel geld is geleend. En dat een deel van dit geld het vermogen van de BV blijvend heeft verlaten. Er heeft dus een vermogensverschuiving plaats gevonden waarbij de BV is verarmd en [persoon D] is verrijkt. Dat er door de verkoop van de grond in 2010 meer dan voldoende winstreserve was lijkt me evident. Voor deze aangifte over 2014 betekent dit dat ik voor het bedrag waarmee de totaalschuld verder oploopt (i.c. € 23.528) uitdeling stel.\n\nIn 2016 wordt de onderhavige woning verkocht en vindt er een aflossing plaats van € 479.973. Dit betekent tegelijkertijd dat er een restschuld ontstaat van € 220.027. Ultimo 2014 Is de schuld in RC van [persoon D] aan [de vennootschap] BV € 418.841 - € 23.528 (bedrag aan uitdeling) = € 395.313. Ik stel voor de bedragen waarmee de schuld (in RC) over 2015 en 2016 oploopt ook sprake is van uitdeling. Ik zal de aangiften over 2015 en 2016 tegen die tijd hier op aanpassen.\n\nVorenstaande betekent ook dat de schuld ultimo 2016 nog steeds € 220.027 (restschuld woning) + € 395.313 (RC) = € 615.340 is. Dat is maal het jaarsalaris van [persoon D]. Bij een rente van 5% zoals in de overeenkomst is opgenomen, bedraagt deze rente per jaar ruim € 30.000. Niet op te brengen door [persoon D].\n\nKomt bij dat de leenovereenkomst een kredietplafond heeft van \"slechts\" € 500.000 en er geen zekerheden zijn gesteld. Een rente van 5% is dus zeker niet te hoog. Graag verneem ik van u hoe [persoon D] deze schuld gaat terugbetalen \u002F verlagen?\n\nVoor deze aangifte over 2014 stel ik dat er voor een bedrag van € 23.528 sprake is van uitdeling.”\n\n7. Belanghebbende heeft niet op de brief van de inspecteur van 15 maart 2017 gereageerd. De in de tabel hierboven in punt 5. omkaderde bedragen zijn over de betreffende jaren als uitdeling van winst gecorrigeerd. Bij brief van 25 april 2017 heeft de inspecteur aangekondigd de rekening courantschuld voor de jaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks te zullen verminderen met € 125.000 door het stellen van een uitdeling voor hetzelfde bedrag.\n\n8. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.322 en de inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV overeenkomstig de aangifte opgelegd.\n\n9. De inspecteur heeft met dagtekening 22 februari 2020 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 aan belanghebbende opgelegd ter zake van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.322 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488, zijnde de helft van € 125.000 ter zake van de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 9.975 ter zake van de toename van de schuldenpositie in 2016.\n\n10. Belanghebbende heeft over het jaar 2017 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.451. Bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2017 met dagtekening 25 augustus 2020 is de inspecteur afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft bij het vaststellen van die aanslag een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang voor 2017 in aanmerking genomen van € 79.285, zijnde de helft van € 125.000 voor de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 33.570 voor de toename van de schuldenpositie in 2017.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In het bijzonder is in geschil of de inspecteur in 2016 en 2017 uitdelingen van winst in aanmerking kon nemen. Voor 2016 is ook in geschil of sprake is van een nieuw feit.\n\n12. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is geweest van bewustheid bij zowel belanghebbende als bij de vennootschap dat belanghebbende teveel geld bij de vennootschap zou hebben geleend. Ook stelt belanghebbende dat de bedragen het vermogen van de vennootschap niet blijvend hebben verlaten.\n\n13. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat het door de inspecteur als bovenmatig gekwalificeerde deel van de schuld reeds in 2010 het vermogen van de vennootschap blijvend heeft verlaten. In dat jaar is de schuld aan de vennootschap immers toegenomen van € 29.728 tot € 979.201. Daarom had de inspecteur volgens belanghebbende dat deel van de schuld van belanghebbende aan de vennootschap reeds in 2010 als winstuitdeling in aanmerking moeten nemen. De bij het opleggen van de navorderingsaanslag 2016 en de aanslagregeling inkomstenbelasting 2017 toegepaste correcties van het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn dus in de verkeerde jaren toegepast en moeten om die reden vervallen, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n14. Verder stelt belanghebbende dat een gespreide correctie over meerdere jaren, zoals in dit geval, had moeten worden geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst. Dat is niet gebeurd, waardoor belanghebbende niet gehouden was om enige correctie in zijn aangifte toe te passen.\n\n15. De inspecteur heeft gesteld dat de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder onzakelijk hoog was en dat een willekeurige derde\u002Fschuldeiser een dergelijke financiële verhouding niet op die manier zou accepteren. De geleende gelden hebben de vennootschap bij het aangaan van de lening niet blijvend verlaten, aldus de inspecteur.\n\n16. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nJuridisch kader\n\n17. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten.Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.\n\n18. In zijn arrest van 13 januari 2023(het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen:\n\n“(…)\n\n3.4.2\n\nGeldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.5\n\n3.4.3\n\nOok na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.6\n\n3.4.4\n\nIndien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn.7 Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.8\n\n3.4.5\n\nDe inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.\n\n(…)\n\n5Vgl. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761.\n\n6Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, rechtsoverweging 3.5.\n\n7Vgl. HR 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458, rechtsoverweging 4.3.\n\n8Vgl. HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, rechtsoverweging 4.3, en het aldaar genoemde arrest HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193, rechtsoverweging 5.1.\n\n(…)”\n\nNieuw feit\n\n19. Voor wat betreft de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 is een navorderingsaanslag opgelegd. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of sprake is van een onttrekking en uitdeling van winst in 2016 en\u002Fof in 2017.\n\nIs sprake van een onttrekking?\n\n20. De bewijslast dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen in de zin van het arrest, rust op de inspecteur.\n\n21. Uit rechtsoverweging 3.4.2 van het hiervoor geciteerde arrest volgt dat ten eerste dient te worden beoordeeld of op het moment van het aangaan van de lening vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. De rechtbank hoeft deze vraag in deze zaken niet te beantwoorden, omdat de geldleningen zijn aangegaan in 2010 en in deze procedure uitsluitend de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2016 en 2017 aan de orde zijn.\n\n22. Gelet op rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de inspecteur gestelde bedragen het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen.\n\n23. De inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat er middels hetgeen in de brief van 15 maart 2017 (zie punt 6.) door de inspecteur is geschreven, weliswaar geen afspraken met belanghebbende zijn gemaakt om de geldlening naar zakelijke verhoudingen terug te brengen, maar dat belanghebbende door geen bezwaar te maken tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015, deze ‘verzakelijking’ van de leningen heeft geaccepteerd.\n\n24. Belanghebbende heeft betwist dat afspraken zouden zijn gemaakt over ‘verzakelijking’ van de leningen. Uit het feit dat geen bezwaar is gemaakt tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015 kan volgens belanghebbende niet worden geconcludeerd dat belanghebbende zich ook voor 2016 en 2017 kon vinden in die voorgestelde correcties.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. De inspecteur heeft ter onderbouwing daarvan slechts verwezen naar de hiervoor onder punt 6 genoemde brief van 15 maart 2017. Ter zitting heeft de inspecteur ook erkend dat hij zijn stellingen daarover niet nader kan onderbouwen, anders dan door te verwijzen naar die brief. De rechtbank is van oordeel dat die verwijzing onvoldoende is. Dat belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 kennelijk heeft berust in de correcties voor wat betreft die jaren, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft bovendien ter zitting verklaard dat geen sprake is van het (formeel) prijsgeven van de rechten door de vennootschap in 2016 en 2017.\n\n26. De inspecteur heeft verder gesteld dat van prijsgeven ook in materieel opzicht sprake kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven hoe het arrest op dit punt moet worden uitgelegd. Ook als de Hoge Raad met de term prijsgeven in het arrest het prijsgeven in materieel opzicht zou hebben bedoeld, heeft de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.\n\n27. Nu niet is komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de vennootschap in 2016 of 2017 definitief hebben verlaten doordat deze haar rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de vennootschappelijke betrekkingen, is in die jaren geen sprake van een onttrekking en daarmee dus ook niet van een winstuitdeling.\n\n28. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur ter zake van de jaren 2016 en 2017 ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende en de partner. De overige stellingen van belanghebbende behoeven hierdoor geen bespreking meer. De vraag of sprake is van een nieuw feit kan daardoor in het midden blijven.\n\n29. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n30. De beroepen zijn gegrond omdat de inspecteur het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over 2016 en 2017 te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n31. De rechtbank zal de navorderingsaanslag over het jaar 2016 en de beschikking belastingrente vernietigen.\n\n32. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2017, vaststellen op een bedrag van € 25.451 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De in rekening gebrachte belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd.\n\n33. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n34. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 in verband met vier samenhangende zaken). Een kostenvergoeding voor bezwaar is niet in bezwaar gevraagd en is daarom niet toewijsbaar. De rechtbank zal aan belanghebbende en de partner ieder de helft, € 1.401, van de toegekende vergoeding toewijzen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vernietigt de navorderingsaanslag en de bijbehorende beschikking belastingrente voor het jaar 2016;\n\n- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2017 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.451 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;\n\n- vermindert de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar voor 2017;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 24 april 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001.\n\n ECLI:NL:HR:2023:26.\n\n Zie artikel 3 en bijlage C2 bij het besluit.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4485","2026-07-13T00:28:51.973Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":35,"updatedAt":158},"862","ECLI:NL:GHARL:2026:2743","ecli-nl-gharl-2026-2743","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummers BK-ARN 24\u002F1754, 24\u002F1755 en 24\u002F1756\n\nuitspraakdatum: 21 april 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats] (Spanje)(hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 augustus 2024, nummers ARN 23\u002F85, 23\u002F3799 en 23\u002F3800, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FKantoor Heerlen(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\nzaaknummer 24\u002F17541.1.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.631. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 36.\n\nzaaknummer 24\u002F17551.2.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.003. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 105.\n\nzaaknummer 24\u002F17561.3.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.374. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 68.\n\n1.4.. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 14 juli 2022 (voor het jaar 2016) en van 30 mei 2023 (voor de jaren 2017 en 2018) de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.5.. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.7.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Inspecteur mr. [naam1] en mr. [naam2] . Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niemand verschenen.\n\n1.8.. Bij een aangetekend verzonden brief van 22 januari 2026 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting. De uitnodiging is verzonden naar het door (de gemachtigde van) belanghebbende opgegeven adres [adres] , te [plaats] . Uit informatie van Track & Trace blijkt dat deze uitnodiging op 23 januari 2026, om 12:39, is bezorgd, waarbij voor ontvangst is getekend. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan (de gemachtigde van) belanghebbende is verzonden, heeft het Hof het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende woonde gedurende de gehele jaren 2016, 2017 en 2018 in Duitsland. Belanghebbende was aldaar eigenaar van een eigen woning.\n\n2.2.. Belanghebbende genoot in 2016, 2017 en 2018 drie verschillende (pensioen)uitkeringen van respectievelijk een Nederlands pensioenfonds, een Nederlandse uitkeringsinstantie en een Nederlandse verzekeraar.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan waarin hij heeft aangegeven dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018) moet worden aangemerkt. In deze aangifte heeft belanghebbende de Nederlandse (pensioen)uitkeringen van in totaal € 30.631 aangegeven als in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning. Belanghebbende heeft verder met betrekking tot zijn woning in Duitsland een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning opgevoerd van € 3.884. Belanghebbende heeft geen andere inkomsten in de aangifte vermeld, waardoor het in Nederland belastbare inkomen uit werk en woning van € 26.747 tevens het wereldinkomen is.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte IB\u002FPVV waarin hij heeft aangegeven dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018) moet worden aangemerkt. In deze aangifte heeft belanghebbende de Nederlandse (pensioen)uitkeringen van in totaal € 31.003 aangegeven als in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning. Belanghebbende heeft verder met betrekking tot zijn woning in Duitsland een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning opgevoerd van € 3.640. Belanghebbende heeft geen andere inkomsten in de aangifte vermeld, waardoor het in Nederland belastbare inkomen uit werk en woning van € 27.363 tevens het wereldinkomen is.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte IB\u002FPVV gedaan waarin hij heeft aangegeven dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018) moet worden aangemerkt. In deze aangifte heeft belanghebbende de Nederlandse (pensioen)uitkeringen van in totaal € 31.374 aangegeven als in Nederland belastbaar inkomen uit werk en woning. Belanghebbende heeft verder met betrekking tot zijn woning in Duitsland een aftrek wegens negatieve inkomsten uit eigen woning opgevoerd van € 3.505. Belanghebbende heeft geen andere inkomsten in de aangifte vermeld, waardoor het in Nederland belastbare inkomen uit werk en woning van € 27.869 tevens het wereldinkomen is.\n\n2.6.. De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslagen 2016, 2017 en 2018 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangiften in die zin dat de Inspecteur belanghebbende niet heeft aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De Inspecteur heeft daarom geen rekening gehouden met de negatieve inkomsten uit eigen woning. De Inspecteur heeft enkel inkomstenbelasting – en geen premies volksverzekeringen – geheven, omdat belanghebbende in de jaren 2016, 2017 en 2018 niet verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting heeft de Inspecteur geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting.\n\n2.7.. Tot de gedingstukken behoort een ten name van belanghebbende gesteld ‘Bescheid für 2016 über Einkommensteuer und Solidaritätszuschlag’ vastgesteld door de Duitse ‘Finanzamt Ahaus’ waaruit volgt dat belanghebbende in dat jaar – in Duitsland – geen ander inkomen heeft genoten dan de in zijn aangifte vermelde Nederlandse (pensioen)uitkeringen. Tot de gedingstukken behoren eveneens twee gelijksoortige documenten voor de jaren 2017 en 2018, waaruit volgt dat belanghebbende ook in die jaren – in Duitsland – geen ander inkomen heeft genoten dan de in zijn aangifte voor die jaren vermelde Nederlandse (pensioen)uitkeringen.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of belanghebbende in de jaren 2016, 2017 en 2018 moet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018).\n\n3.2.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2016, 2017 en 2018 moet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Volgens belanghebbende heeft hij voldoende documenten van de Duitse belastingdienst overgelegd waaruit is af te leiden dat hij in deze jaren voldoet aan de materiële voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. Belanghebbende stelt verder dat de Inspecteur verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en dat ook om die reden de aanslagen overeenkomstig de aangiften moeten worden vastgesteld.\n\n3.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in de jaren 2016, 2017 en 2018 niet kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, omdat belanghebbende niet de daarvoor vereiste inkomensverklaring, in de vorm van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring, heeft overgelegd. Volgens de Inspecteur was hij niet gehouden om andere bewijsstukken dan een modelverklaring te accepteren als bewijs dat aan de materiële voorwaarden om te worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is voldaan, omdat niet aannemelijk is geworden dat het voor belanghebbende niet mogelijk was voor deze jaren tijdig een modelverklaring te verkrijgen. Verder is de Inspecteur van mening dat hij niet heeft gehandeld in strijd met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen is opgenomen in artikel 7.8 van de Wet IB 2001. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen wonen weliswaar niet in Nederland, maar hebben in beginsel recht op dezelfde persoonlijke tegemoetkomingen als binnenlandse belastingplichtigen (ingezeten van Nederland). Artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018) bepaalt, voor zover in deze zaken van belang, dat als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt een persoon die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie in de belastingheffing van die andere lidstaat wordt betrokken, en van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel aan de heffing van inkomstenbelasting of loonbelasting in Nederland is onderworpen, of van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting. Met de regeling voor de kwalificerende buitenlande belastingplichtige heeft de wetgever beoogd invulling te geven aan het vrije verkeer van werknemers zoals vastgelegd in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de op dit artikel gebaseerde rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder het Schumacker-arrest.\n\n4.2.. Om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, geldt op grond van artikel 7.8, lid 6, van Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018) tevens als voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van zijn woonland verstrekt waaraan bij algemene maatregel van bestuur eisen kunnen worden gesteld wat betreft de inhoud en de vormgeving, en regels kunnen worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen die verklaring achterwege kan blijven. Op grond van artikel 21bis, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016 – 2018), moet voor de inkomensverklaring bedoeld in artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 (tekst 2016 – 2018) gebruik worden gemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring (hierna: een modelverklaring).\n\n4.3.. Vast staat dat belanghebbende voor de jaren 2016, 2017 en 2018 niet een modelverklaring heeft overgelegd. Enkel naar nationaal recht beoordeeld, heeft belanghebbende dus niet voldaan aan de in artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 in samenhang met artikel 21bis, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2016 – 2018) gestelde voorwaarden om te worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.\n\n4.4.. De wettelijke regeling over de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet echter worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht. Dit brengt mee dat de rechter de nationale regeling op grond van rechtstreekse toepassing en voorrang van het Unierecht buiten toepassing zou moeten laten, indien een uitleg van de nationale wet in overeenstemming met het Unierecht niet tot een met het Unierecht te verenigen oplossing zou leiden.Het Hof moet daarom nagaan of de voorwaarde dat een belastingplichtige een modelverklaring moet verstrekken om aangemerkt te kunnen worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in overeenstemming is met het Unierecht.\n\n4.5.. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie geldt, op grond van het Europese beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten, dat Nederland zijn eigen bewijsregels mag vaststellen om te kunnen beoordelen of een belanghebbende zijn aan het Unierecht ontleende rechten kan uitoefenen, voor zover die bewijsregels binnen de grenzen van het Europese gelijkheidsbeginsel en het Europese effectiviteits- of doeltreffendheidsbeginsel blijven.Het doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat de uitoefening van de aan het Unierecht ontleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt.\n\n4.6.. Het Unierecht staat er niet aan in de weg dat de wet in dit geval voorschrijft dat een belastingplichtige bewijsstukken moet verstrekken aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. Aan die bewijstukken mogen op grond van het Unierecht zodanige eisen worden gesteld dat de inspecteur aan de hand van die bewijsstukken in staat is om duidelijk en nauwkeurig na te gaan aan deze voorwaarden is voldaan. Die beoordeling moet echter niet te formalistisch geschieden, zodat niet de eis mag worden gesteld dat bewijsstukken in een bepaalde vorm moeten worden verstrekt. Dit betekent dat, indien een belastingplichtige andere bewijsstukken dan een modelverklaring verstrekt aan de hand waarvan voldoende duidelijk en nauwkeurig kan worden nagegaan dat is voldaan aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt, de inspecteur deze bewijsstukken moet beschouwen als gelijkwaardig aan een modelverklaring.\n\n4.7.. De Inspecteur mocht daarom, op grond van het Unierecht, niet weigeren belanghebbende voor de jaren 2016, 2017 en 2018 als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aan te merken, enkel omdat belanghebbende voor deze jaren geen modelverklaringen heeft verstrekt. De Inspecteur had in plaats daarvan aan de hand van de door belanghebbende verstrekte bewijsstukken moeten beoordelen of voldoende duidelijk en nauwkeurig kan worden nagegaan dat materieel is voldaan aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. Dat niet is gebleken dat het voor belanghebbende onmogelijk is geweest om wel modelverklaringen te verkrijgen, maakt dat niet anders. Het Hof merkt hierbij nog op dat dit strookt met de wijziging van artikel 7.8, lid 6 van de Wet IB 2001 per 1 januari 2026. Op basis van artikel 7.8, lid 6, van de Wet IB zoals dat per 1 januari 2026 luidt, kan de inspecteur – nadat hij een belastingplichtige heeft verzocht een inkomensverklaring te verstrekken – een belastingplichtige alsnog de mogelijkheid bieden op een andere wijze dan met een modelverklaring aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is voldaan.\n\n4.8.. De Inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat, indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende in dit geval ook op een andere wijze dan met behulp van de modelverklaringen aannemelijk mag maken dat aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt is voldaan, aan de hand van de door belanghebbende overgelegde stukken, waaronder de in 2.7. genoemde documenten, aannemelijk is geworden dat belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. De Inspecteur heeft tevens bevestigd dat in dat geval de aanslagen moeten worden vastgesteld naar de belastbare inkomens uit werk en woning zoals belanghebbende die in de aangiften heeft vermeld en dat belanghebbende daarbij recht heeft op het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting. Het Hof zal overeenkomstig beslissen.\n\n4.9.. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen belastingrente geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep tegen de beschikkingen belastingrente is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslagen betreft.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de procedure bij de Rechtbank en de procedure bij het Hof te vergoeden.\n\n5.2.. Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op in totaal € 5.466. Dit bedrag bestaat uit:\n\n- kosten voor de bezwaarfase van in totaal € 2.664, te weten € 1.332 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 666) voor de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2016 en € 1.332 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 1 x € 666), voor de behandeling van de gelijktijdig behandelde en overigens samenhangende bezwaren tegen de aanslagen voor de jaren 2017 en 2018;\n\n- kosten voor de procedure in eerste aanleg, waar sprake is geweest van samenhang van alle zaken, van € 1.868 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934); en\n\n- kosten voor de procedure in hoger beroep, waar eveneens sprake is van samenhang van alle zaken, van € 934 (1 punt voor het hogerberoepschrift  wegingsfactor 1  € 934).\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,\n\n– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond,\n\n– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,\n\n– vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.747, waarbij rekening wordt gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting,\n\n– vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.363, waarbij rekening wordt gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting,\n\n– vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.869, waarbij rekening wordt gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting,\n\n– vermindert de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig,\n\n– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 5.466,\n\n– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 100 in verband met de beroepen bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. E.D. Bongers en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.\n\nDe beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 752, nr. 3, blz. 23, HvJ 14 februari 1995, Schumacker, C-279\u002F93, ECLI:EU:C:1995:31.\n\n Zie Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:889, r.o. 5.2.4.\n\n HvJ 16 december 1976, nr. C-33\u002F76, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188.\n\n Zie HvJ EU 30 juni 2011, nr. C-262\u002F09, Meilicke, ECLI:EU:C:2011:438, r.o. 45 en 46 en HvJ EU, 15 september 2011, nr. C-310\u002F09, Accor, ECLI:EU:C:2011:581, r.o. 99.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2743","2026-05-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.809Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":163,"fullText":164,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":163,"parsedAt":35,"updatedAt":166},"1339","ECLI:NL:RBGEL:2026:3032","ecli-nl-rbgel-2026-3032","2026-04-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7306, 24\u002F7308 en 24\u002F7309\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 17 april 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , uit [plaats 1] , belanghebbenden,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van 27 juni 2024, 12 juli 2024 en 1 augustus 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbenden voor het jaar 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd en tevens belastingrente in rekening gebracht, naar de volgende bedragen:\n\n [belanghebbende 1] (24\u002F7306)\n\n [belanghebbende 2] (24\u002F7308)\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1)\n\n€ 68.770\n\n€ 43.051\n\nBelastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3)\n\n€ 36.163\n\n€ 36.163\n\nBelastingrente\n\n€ 3.016\n\n€ 1.903\n\nDe inspecteur heeft aan [belanghebbende 2] voor het jaar 2020 ook een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 6.937. Daarbij is € 32 aan belastingrente in rekening gebracht (24\u002F7309).\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2020 van [belanghebbende 1] ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en Zvw 2020 van [belanghebbende 2] heeft de inspecteur gegrond verklaard. Hij heeft de aanslag IB\u002FPVV 2020 van [belanghebbende 2] verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.114 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 36.163. De belastingrente heeft de inspecteur verminderd tot € 1.605. De aanslag Zvw 2020 en de daarmee verband houdende belastingrente heeft de inspecteur verminderd tot nihil.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe inspecteur heeft verzocht de beroepen van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] te voegen. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en de zaken gevoegd behandeld.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [belanghebbende 1] en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbenden zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.\n\n2. Belanghebbenden zijn een vennootschap onder firma overeengekomen, waarvan de activiteiten bestaan uit het doen van boekhoudingen, het geven van advies, het geven van bijles en het doen van correctiewerk (hierna: De Boekhouder).\n\n3. In de jaren 2019 tot en met 2024 heeft [belanghebbende 1] contact gehad met de gemeente Doetinchem over de mogelijke koop van een gebouw op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting [naam PI] , gelegen op de hoek van [locatie 1] en [locatie 2] in [plaats 2] , ten behoeve van een woningbouwtransformatieproject (project [bouwproject 1] ). De voormalige penitentiaire inrichting [naam PI] is in de jaren 2019 tot en met 2024 eigendom van de Staat (het Rijksvastgoedbedrijf, hierna RVB). In november 2020 heeft [belanghebbende 1] aan RVB kenbaar gemaakt dat hij belangstelling heeft voor de aankoop van het pand.\n\n4. In een e-mail van 24 maart 2021 van de gemeente Doetinchem aan [belanghebbende 1] is met betrekking tot het project [bouwproject 1] onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…) U hebt een aanvraag ingediend om op een deel van een perceel in eigendom van Rijksvastgoed de bestaande gebouwen te transformeren tot 3 a 5 woningen.\n\nOp dit moment bent u geen eigenaar. Daarbij is Rijkvastgoedbedrijf bezig met een nota van uitgangspunten voor het heleterrein.\n\nPas als duidelijk is wat de uitgangspunten zijn is het zinvol om met een plan te komen.\n\nUw aanvraag is daarom niet inhoudelijk behandeld en op dit moment werken we dus niet mee. (…)”\n\n5. In een e-mail van 19 november 2020 heeft de gemeente Bronckhorst het volgende aan [belanghebbende 1] geschreven:\n\n“(…) Zoals telefonisch besproken vindt u hieronder het antwoord op uw vragen mbt het perceel aan de [locatie 3] .\n\nDe beoogde locatie heeft conform het geldende bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst de bestemming 'Sport'. U vraagt of het mogelijk is om op deze locatie buffalokevers te kweken.\n\nNaar aanleiding van uw vraag, heb ik contact gehad met een aantal collega's. Voor hetgeen u voor ogen heeft, dient u een herzieningvan het bestemmingsplan te doorlopen. Echter op basis van de door u aangeleverde informatie, achten wij uw initiatief (op de betreffende locatie)niet kansrijkom medewerking aan te verlenen. Aangezien er destijds medewerking aan het initiatief is verleend vanwege het bijzondere concept; het ruitersportcentrum in combinatie met de woningen.\n\nEchter om uw verzoek goed te kunnen beoordelen is het van belang dat u een verzoek mbt vooroverleg bestemmingsplanindient. Bij het indienen van een dergelijk verzoek is het essentieel dat u de aanvraag zo volledig mogelijk toestuurt. Graag zien wij een complete beschrijving van uw verzoek.(…)”\n\n6. Op 29 maart 2021 heeft de gemeente Bronckhorst een Intakeformulier woningbouwinitiatief van [belanghebbende 1] ontvangen.\n\n7. Op 26 april 2021 heeft [belanghebbende 1] een koopovereenkomst ondertekend voor de aankoop van een weiland gelegen aan de [locatie 3] in [plaats 3] en een bouwterrein aan [locatie 3] [nummer] in [plaats 3] . De koopprijs voor het weiland bedraagt € 362.500 exclusief btw en de koopprijs voor het bouwterrein bedraagt € 50.000 exclusief btw.\n\n8. Op 25 juli 2022 heeft de gemeente Bronckhorst een ‘principeverzoek bestemmingsplanherziening’ van [belanghebbende 1] ontvangen voor het bouwproject [bouwproject 2] op de locatie [locatie 3] [nummer] te [plaats 3] . Op 21 maart 2023 heeft de gemeente medegedeeld in principe medewerking te verlenen aan het woningbouwinitiatief.\n\n9. Op 29 januari 2024 heeft [belanghebbende 1] met de gemeente Bronckhorst een anterieure overeenkomst gesloten voor het project [bouwproject 2] . Op 29 juli 2024 heeft de gemeente Bronckhorst de aangevraagde omgevingsvergunningen verleend.\n\n10. [belanghebbende 1] beschikt over een effectenportefeuille die bij een bank wordt aangehouden. In het jaaroverzicht 2020 van de effectenportefeuille zijn de volgende gegevens vermeld:\n\n1-1-2020\n\n31-12-2020\n\nSaldo rekening-courant\n\n€ -321.350,44\n\n€ -109.455,99\n\nPortefeuillewaarde\n\n€ 1.604.967,84\n\n€ 465.299,38\n\nWaarde uitgeleende stukken\n\n€ 396.190,12\n\n€ 127.476,40\n\nTotale waarde\n\n€ 1.679.807,52\n\n€ 483.319,79\n\nIn het jaaroverzicht is tevens vermeld dat [belanghebbende 1] in 2020 een rendement van € - 1.325.238 (een verlies) heeft behaald.\n\n11. In de aangiften IB\u002FPVV voor het jaar 2019 van belanghebbenden is de effectenportefeuille per 31 december 2019 voor een bedrag van € 1.679.807 als activum op de balans van De Boekhouder vermeld. Op 1 januari 2019 is de effectenportefeuille echter niet op de balans vermeld.\n\n12. Op 7 april 2021 hebben belanghebbenden aangiften IB\u002FPVV voor het jaar 2020 ingediend. In de aangiften IB\u002FPVV 2020 hebben belanghebbenden een verlies van € 1.289.777 aangegeven, waarvan € 1.260.000 (98%) is toegerekend aan [belanghebbende 1] en € 29.777 aan [belanghebbende 2] (2%). In de aangiften is een bijzondere waardevermindering vlottende activa van € 1.305.912 opgenomen. Deze bijzondere waardevermindering heeft uitsluitend betrekking op de effectenportefeuille.\n\n13. Op 18 januari 2023 hebben belanghebbenden een verzoek om vooroverleg ingediend voor het belastingjaar 2019. In het verzoek is vermeld dat:\n\nin de onderneming geld is gereserveerd voor projectontwikkeling;\n\neen rijksgebouw in 2019 zou vrijkomen, maar dat dit nog niet is gebeurd;\n\n(andere) grond is aangekocht voor de realisatie van 17 woningen, welke aankoop is gefinancierd met bedrijfsgeld;\n\ndiverse andere kosten ten behoeve van het project zijn gemaakt;\n\ninstemming van de inspecteur wordt gevraagd dat het gaat om bedrijfsmatig handelen.\n\n14. Naar aanleiding van het verzoek om vooroverleg heeft de inspecteur vragen gesteld, die door belanghebbenden zijn beantwoord.\n\n15. Bij brief van 30 mei 2023 heeft de inspecteur zijn standpunt naar aanleiding van het verzoek om vooroverleg aan belanghebbenden kenbaar gemaakt en het standpunt ingenomen dat de projecten in 2019 en 2020 geen bron van inkomen vormen. Ook heeft hij medegedeeld dat hij de bijzondere waardevermindering van € 1.305.912 zal corrigeren, omdat de effectenportefeuille ten onrechte is geactiveerd op de balans. De winst heeft de inspecteur vastgesteld op € 16.135 en deze voor ieder de helft toegerekend aan belanghebbenden. De effectenportefeuille heeft de inspecteur belast als onderdeel van de rendementsgrondslag in box 3.\n\n16. De inspecteur heeft vervolgens de aanslagen opgelegd met inachtneming van de hiervoor genoemde correctie.\n\n17. Belanghebbenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 21 juli 2023.\n\n18. In de bezwaarfase heeft de inspecteur vastgesteld dat [belanghebbende 2] geen werkzaamheden verricht in de onderneming. De inspecteur heeft daarom het belastbaar inkomen uit werk en woning van [belanghebbende 2] verminderd en de aanslag Zvw tot nihil verminderd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n19. De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020. Daarnaast beoordeelt zij of de aanslagen IB\u002FPVV 2020 niet te hoog zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.\n\n20. In geschil is of de inspecteur de bijzondere waardevermindering van € 1.305.912 terecht heeft gecorrigeerd. Daarbij zijn in het bijzonder de antwoorden op de volgende vragen in geschil:\n\nKan de effectenportefeuille als ondernemingsvermogen, subsidiair resultaatsvermogen, worden aangemerkt, omdat deze middelen waren geoormerkt voor de financiering van de projecten [bouwproject 1] en [bouwproject 2] die als bron van inkomen kwalificeren, namelijk winst uit onderneming, subsidiair resultaat uit overige werkzaamheden?\n\nKwalificeert het beheer van de effectenportefeuille op zichzelf als bron van inkomen?\n\nVormt de effectenportefeuille in 2020 ondernemings- of resultaatsvermogen van De Boekhouder?\n\nDaarnaast is in geschil of het voordeel uit sparen en beleggen lager dient te worden vastgesteld in verband met een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRMen artikel 14 van het EVRM?\n\n21. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld en dat de bijzondere waardevermindering in aanmerking genomen kan worden, omdat deze betrekking heeft op de projecten, die bronnen van inkomen zijn. De effectenportefeuille behoort hoe dan ook tot het ondernemingsvermogen. De inspecteur trekt de ondernemersactiviteiten ten onrechte uit elkaar.\n\n22. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslagen IB\u002FPVV 2020 te hoog zijn vastgesteld, omdat bij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen geen rekening is gehouden met de rekening-courantschulden. Voor het overige stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de projecten geen bronnen van inkomen zijn, het beheer van de effectenportefeuille niet kwalificeert als meer dan normaal vermogensbeheer en de effectenportefeuille niet kan worden geëtiketteerd als ondernemingsvermogen.\n\n23. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2020 gegrond zijn en het beroep tegen de aanslag Zvw 2020 niet-ontvankelijk is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid van het beroep aanslag Zvw 2020\n\n24. De inspecteur heeft met de uitspraak op bezwaar de aanslag Zvw 2020 en de belastingrente verminderd tot nihil. Niet gesteld of gebleken is dat met betrekking tot deze aanslag sprake is van nevenvorderingen. Belanghebbenden kunnen daarom met het beroep ter zake van de aanslag Zvw 2020 niet in betere positie komen dan zij nu al zijn. Belanghebbenden hebben daarom geen procesbelang bij dit beroep. De rechtbank zal het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020 om die reden niet-ontvankelijk verklaren.\n\nDe bijzondere waardevermindering\n\n25. De vraag of sprake is van een bron van inkomen en, zo ja, welke bron van inkomen, moet worden beantwoord aan de hand van regels die in de rechtspraak zijn ontwikkeld. De rechtbank zal daarom eerst deze regels benoemen. Daarna past de rechtbank deze regels toe op de feiten en omstandigheden van deze zaak.\n\nDe regels\n\n26. Wil sprake zijn van een bron van inkomen dan moet aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:\n\ner moet worden deelgenomen aan het economische verkeer;\n\ner moet sprake zijn van het (subjectieve) oogmerk om een voordeel te behalen;\n\ner moet sprake zijn van de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.\n\n27. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen wel licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom ook in aanmerking worden genomen.\n\n28. Of sprake is van een bron van inkomen dient per activiteit te worden beoordeeld.\n\n29. Om voordelen uit een bron van inkomen bestaande uit activiteiten die ook als belegging kunnen kwalificeren, zoals handel in effecten, te kunnen aanmerken als belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, moet verder sprake zijn van het (niet in dienstbetrekking) verrichten van arbeid. Die arbeid moet bovendien naar aard en omvang van zodanig belang zijn dat deze kan worden geacht te zijn bedoeld om een rendement te behalen dat het aan een belegger in zodanige goederen normaliter opkomende rendement te boven gaat.\n\n30. De handel in effecten zal in de regel als normaal actief vermogensbeheer worden beschouwd. De aard van de handel in effecten brengt immers mee dat de (hoeveelheid) verrichte arbeid geen enkele invloed heeft op het koersverloop van de aandelen. Dat kan anders zijn indien de belanghebbende met zijn deskundigheid, ervaring en relaties het koersverloop van de aandelen kan beïnvloeden.\n\n31. Een effectenportefeuille kan ook tot het ondernemingsvermogen behoren indien de effectenportefeuille is verworven binnen het kader van de normale uitoefening van de onderneming. Daaronder valt niet de investering in een effectenportefeuille voor doeleinden die op zichzelf vreemd zijn aan de onderneming, tenzij sprake is van belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aldus belegde middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zullen zijn.\n\nDe toepassing van de regels op deze zaak\n\n32. De rechtbank komt tot het oordeel dat zowel het project [bouwproject 1] als het project [bouwproject 2] in 2020 (nog) geen bron van inkomen vormden. Zij licht dit oordeel als volgt toe.\n\n33. Bij project [bouwproject 1] zijn belanghebbenden nooit eigenaar geweest van het gebouw op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting en het project is ook nooit daadwerkelijk uitgevoerd. Belanghebbenden hebben wel plannen gemaakt, maar verder geen concrete handelingen verricht. Van handelingen in het economische verkeer en van een objectieve voordeelsverwachting is daarom geen sprake.\n\n34. Project [bouwproject 2] is wel daadwerkelijk uitgevoerd. Echter, in 2020 waren belanghebbenden nog geen eigenaar van de grond waarop de woningen in latere jaren zijn gerealiseerd. Uit het dossier blijkt ook niet dat belanghebbenden in 2020 zich concreet bezig hebben gehouden met het project [bouwproject 2] . Pas in 2021 is aan de gemeente een initiatiefvoorstel toegezonden en is de koopovereenkomst voor de aankoop van de grond gesloten. In het jaar 2020 is daarom geen sprake van een bron van inkomen, omdat in 2020 geen handelingen in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en ook geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. De rechtbank merkt daarbij op dat zij daarmee geen oordeel geeft over de vraag of in latere jaren sprake is van een bron van inkomen. Belanghebbenden kunnen dit aan de orde stellen bij de aanslagen IB\u002FPVV voor de latere jaren.\n\n35. Nu de projecten geen bron van inkomen vormen, kan de beleggingsportefeuille niet als onderdeel daarvan worden aangemerkt als ondernemings- of resultaatsvermogen.\n\n36. De rechtbank komt voorts tot het oordeel dat het beheer van de effectenportefeuille op zichzelf ook niet als een bron van inkomen kan worden beschouwd, omdat belanghebbenden geen arbeid hebben verricht die normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. Belanghebbenden hebben wel gesteld dat zij vele transacties hebben verricht, maar dit is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Ook beleggers kunnen namelijk veel transacties verrichten, waardoor dit enkele feit geen onderscheidend criterium is. Belanghebbende hebben ook geen feiten gesteld op grond waarvan volgt dat zij met deskundigheid, ervaring en\u002Fof relaties het koersverloop van de effecten hebben kunnen beïnvloeden.\n\n37. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de effectenportefeuille niet als ondernemings- of resultaatsvermogen van De Boekhouder kan worden geëtiketteerd. Op de zitting hebben belanghebbenden gesteld dat de effectenportefeuille aanvankelijk in privé werd beheerd. De effectenportefeuille is dus niet verworven binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening van De Boekhouder, waarvan de activiteiten wezenlijk anders zijn dan effectenbeheer (zie punt 2.). De effectenportefeuille is daarom (verplicht) privévermogen.\n\n38. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de effectenportefeuille niet tot box 1 kan worden gerekend, maar tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort. De inspecteur heeft de bijzondere waardevermindering terecht gecorrigeerd.\n\nBox 3\n\n39. De inspecteur heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen lager moet worden vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met de rekening-courantschuld (zie punt 11.). De beroepen zijn in zoverre gegrond.\n\n40. In het nader stuk van 23 september 2025 hebben belanghebbenden het volgende geschreven:\n\n“Omdat er nog geen uitspraak is gedaan over de zaak, heb ik om te voorkomen dat ik te laat ben, bezwaar gemaakt mbt box 3 (hoewel ik van mening ben dat het box 1 is)”\n\n41. De rechtbank begrijpt deze stelling zo dat belanghebbenden zich op het standpunt stellen dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nog steeds te hoog is vastgesteld, gelet op het zogenoemde kerstarrest. Hierin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de box 3-heffing (onder omstandigheden) in strijd is met enkele bepalingen van het EVRM. De Hoge Raad heeft in een later arrest geoordeeld dat dit ook geldt voor de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3.\n\n42. Als reactie op deze stelling van belanghebbenden, heeft de inspecteur op de zitting gesteld dat in dat geval, gelet op de verliezen die zijn behaald op de effectenportefeuille, het voordeel uit sparen en beleggen negatief uitkomt en dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen daarom op nihil moet worden gesteld.\n\n43. De rechtbank ziet geen reden om van het standpunt van de inspecteur af te wijken. Dit brengt met zich dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet worden verminderd naar nihil.\n\nBelastingrente\n\n44. De beroepen inzake de aanslagen IB\u002FPVV 2020 worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbenden geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikking belastingrente hebben aangevoerd, dient de in rekening gebrachte belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n45. Het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020 is niet-ontvankelijk. De beroepen met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2020 zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar worden vernietigd en de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en de bijbehorende beschikkingen belastingrente worden verminderd. Belanghebbenden krijgen het griffierecht terug. Zij krijgen geen vergoeding van de proceskosten, omdat niet is gesteld dat belanghebbenden kosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2020 (24\u002F7309) niet-ontvankelijk;\n\nverklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2020 (24\u002F7306 en 24\u002F7308) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2020 in zaak 24\u002F7306 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.770 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2020 in zaak 24\u002F7308 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.114 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;\n\nvermindert de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 102 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. M.F. Kossen, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 17 april 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763.\n\n Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707; Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:128.\n\n Hoge Raad 7 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9757.\n\n Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2071.\n\n Hoge Raad 15 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2860; Gerechtshof Leeuwarden 7 juli 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AY3619.\n\n Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n Hoge Raad van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3032","2026-07-13T00:29:16.691Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":174,"parsedAt":35,"updatedAt":175},"870","ECLI:NL:GHARL:2026:1661","ecli-nl-gharl-2026-1661","2026-03-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nnummer BK-ARN 25\u002F2055\n\nuitspraakdatum: 17 maart 2026\n\nUitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\nde inspecteurvan deBelastingdienst\u002FKantoor Groningen(hierna: de Inspecteur)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2025, nummer LEE 24\u002F4943, ECLI:NL:RBNNE:2025:2815, in het geding tussen de Inspecteur en\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.\n\n1.2.. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n1.4.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is gedurende het belastingjaar 2020 in dienstbetrekking werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever).\n\n2.2.. Op 2 april 2019 heeft de werkgever een definitieve bestelling geplaatst voor de levering van een elektrische auto, teneinde die aan belanghebbende ter beschikking te stellen voor zakelijke doeleinden en privédoeleinden. Het gaat om een Hyundai Kona met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De verwachte levertijd bedroeg op dat moment ongeveer 12 maanden.\n\n2.3.. De datum van eerste toelating (tevens tenaamstelling) van de auto is 20 mei 2020. Op dezelfde dag is de auto geleverd en door de werkgever aan belanghebbende ter beschikking gesteld. De catalogusprijs van de auto is in het kentekenregister van de RDW geregistreerd op een bedrag van € 40.910 en de CO2-uitstoot op 0 gram per kilometer.\n\n2.4.. De werkgever heeft bij de inhouding van loonheffingen over het kalenderjaar 2020 een forfaitaire bijtelling wegens privégebruik van de auto in aanmerking genomen, waarbij is uitgegaan van 8% van de catalogusprijs van de auto en rekening is gehouden met de door belanghebbende betaalde werknemersbijdrage.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een negatieve correctie van € 945 op het loon aangegeven, met als toelichting ‘Corr bijt auto van 8% naar 4% over 40.910’. Op dezelfde dag heeft belanghebbende naar de Inspecteur een brief gestuurd waarin hij zijn standpunt met betrekking tot deze correctie op de bijtelling toelicht. Belanghebbende heeft de correctie berekend door uit te gaan van het bijtellingstarief dat voor elektrische auto’s in 2019 (4% in plaats van 8%) gold.\n\n2.6.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 september 2023 een aanslag in de IB\u002FPVV voor het jaar 2020 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.298. Daarbij is de Inspecteur afgeweken van de aangifte door de negatieve correctie van € 945 niet in aanmerking te nemen. Belanghebbende heeft op 6 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.\n\n2.7.. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 juli 2025 het beroep tegen de uitspraken op bezwaar gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verhoging met ingang van 1 januari 2020 van de per saldo bijtelling van 4% naar 8% van nulemissieauto’s (verlaging van de korting van 18% naar 14%) in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) op stelselniveau in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Die schending bestaat ten aanzien van de groep belastingplichtigen die op het moment van aankondigen van de verdubbeling van de bijtelling reeds redelijkerwijs onomkeerbare (financiële) verplichtingen waren aangegaan. Door met deze groep geen rekening te houden, is er volgens de Rechtbank geen sprake van een ‘fair balance’. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wetgever geen woord heeft gewijd aan de specifieke gevallen, zoals die van belanghebbende, waarbij al verplichtingen zijn aangegaan die redelijkerwijs niet meer kunnen worden teruggedraaid, zodat de gevolgen van de verhoging van de bijtelling voor die gevallen door de wetgever niet zijn meegewogen. Verder heeft de Rechtbank overwogen dat deze groep belastingplichtigen voorafgaand aan de aankondiging van de nieuwe wetgeving op 28 juni 2019 de gerechtvaardigde verwachting (‘good faith’) had dat de wetgever zich zou houden aan eerder aangekondigde plannen en het bijtellingspercentage niet zomaar zou verdubbelen. Voor de aantasting van de gerechtvaardigde verwachtingen van deze groep ziet de Rechtbank geen specifieke en dwingende redenen. De Rechtbank heeft gelet op de schending van artikel 1 EP de bijtelling wegens privégebruik van de auto ter zake van belanghebbende verminderd naar het bijtellingspercentage van vóór de aankondiging, te weten (per saldo) 4%.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of de aanslag in de IB\u002FPVV voor 2020 op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de per saldo verhoging van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto per 1 januari 2020, in een geval als dat van belanghebbende, – op stelselniveau – een onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 EP. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.\n\n3.2.. Partijen hebben ter zitting van het Hof eenparig verklaard dat ervan kan worden uitgegaan dat het voordeel dat de werkgever bij de inhouding van loonheffingen in 2020 ter zake van het privégebruik van de auto in aanmerking heeft genomen € 76 bedraagt.\n\n3.3.. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en primair tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.222 (= € 54.298 -\u002F- € 76).\n\n3.4.. Belanghebbende concludeert, gelet op het onder 3.2 overwogene, eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.222 (= € 54.298 -\u002F- € 76).\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nWettelijk kader4.1.. Ingevolge artikel 13bis, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet LB 1964 wordt, indien ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen. Op grond van het tweede lid (tekst 2020) wordt dit voordeel op kalenderjaarbasis verlaagd met 14% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is. Ingevolge het achttiende lid is na de eerste wijziging van het percentage in het tweede lid na de datum van eerste toelating van de auto, voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgende op de datum van eerste toelating, de verlaging, bedoeld in het tweede lid, van toepassing overeenkomstig de bepalingen die gelden direct voorafgaand aan die wijziging. In het jaar 2019 bedroeg de in het tweede lid bedoelde verlaging 18%. Per 1 januari 2020 is het percentage van de verlaging vastgesteld op de hiervoor vermelde 14% (artikel V van Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord, Stb. 2019, 511). De verlaging is in de jaren daarna stapsgewijs verder afgebouwd.\n\nParlementaire geschiedenis4.2.. De verlaging van 18% op nulemissieauto’s volgde uit de Wet uitwerking Autobrief II. In de memorie van toelichting is hierover onder meer het volgende vermeld:\n\n“Het kabinet stelt voor de nulemissieauto’s tot 2021 onverminderd te blijven stimuleren. Dit houdt in dat voor nieuwe nulemissieauto’s op de bijtelling van 22% een korting van 18% van de waarde van de auto wordt toegepast, per saldo resulterend in een bijtelling van 4%. Gelet op de verminderde stimulering voor de (zeer) zuinige auto’s wordt de stimulering voor nulemissieauto’s dus relatief groter.\n\n(…)\n\nToekomstbeeld en overgangsrecht milieugerelateerde kortingen\n\nVoor nieuwe auto’s van de zaak waarvoor vanaf 2017 tot en met 2020 een milieugerelateerde verlaging van de bijtelling van toepassing is, wordt voorzien in overgangsrecht. De milieugerelateerde korting op de bijtelling blijft gedurende 60 maanden na de maand van de DET van de auto van kracht. Dat betekent dat voor de laatste nieuwe auto’s uit 2020 pas vanaf 2026 geen kortingen op de bijtelling meer van toepassing zullen zijn. Ook voor het op 31 december 2016 bestaande wagenpark auto’s van de zaak waarvoor een milieugerelateerde verlaging van de bijtelling van toepassing is, geldt overgangsrecht.”\n\n(MvT, Kamerstukken II 2015\u002F16, 34391, nr. 3, p. 20)\n\nIn de memorie van antwoord bij het betreffende wetsvoorstel heeft de staatssecretaris van Financiën erkend dat het risico op oversubsidiëring bij de nulemissieauto’s groter is dan het risico op ondersubsidiëring en om die reden toegezegd de maatregelen uit het wetsvoorstel al in 2018 te evalueren en indien gewenst bij te sturen vanaf 2019 (zie Kamerstukken I 2015\u002F16, nr. D, p. 2).\n\n4.3.. In een brief van 5 juli 2018 heeft de staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer geïnformeerd over een tussentijdse evaluatie van de maatregelen uit de Wet uitwerking Autobrief II. Daarin is vermeld dat hij geen noodzaak ziet om bij te sturen, maar de ontwikkelingen als gevolg van de maatregelen de komende jaren scherp zal blijven monitoren (Kamerstukken II, 2017\u002F18, 32800, nr. 44, p. 9). In het verslag van een algemeen overleg dat de staatssecretaris van Financiën op 13 februari 2019 met de vaste commissie voor Financiën heeft gevoerd over onder meer de tussentijdse evaluatie van de Wet uitwerking Autobrief II is vermeld dat de staatsecretaris op vragen (of het huidige beleid ter subsidiëring van elektrische auto’s doelmatig is) heeft geantwoord dat een deel van de stimulering die de afgelopen jaren is gegeven, gewoon te veel was en niet doelmatig. Hij verklaarde maatregelen te gaan aanpassen om ervoor te zorgen dat de stimulering minder is (Kamerstukken II 2018\u002F19, 32800, nr. 56, p. 54). Op 21 februari 2019 is door de leden Omtzigt en Lodders een motie ingediend, inhoudende dat de Algemene Rekenkamer wordt verzocht een nadere analyse en update te geven van de doelmatigheid van de stimuleringsmaatregelen voor elektrische auto’s en dan met name elektrische leaseauto’s in de periode van de tweede Autobrief, inclusief de jaren 2019 en 2020 (Kamerstukken II 2018\u002F19, 32800, nr. 55). De motie is aangenomen.\n\n4.4.. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het zogenoemde Klimaatakkoord gepresenteerd. In dit Klimaatakkoord is aangekondigd dat de bijtelling voor elektrische auto’s in 2020 naar 8% wordt verhoogd. Hierover is het volgende vermeld:\n\n“In de periode tot de overgang naar een nieuw systeem wordt de stimulering van elektrisch rijden aangepast doorgezet. Het kabinet wil immers oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen.\n\nHet kabinet zet de huidige systematiek van stimulering van EV voort t\u002Fm 2025. Daarbij kiest het kabinet voor een stapsgewijze oploop van de bijtelling om oversubsidiëring te voorkomen. De bijtelling voor zakelijke rijders gaat daarom in 2020 naar 8% en het plafond waarboven deze korting niet meer geldt voor het resterende bedrag van de aanschafprijs wordt verlaagd. Hiermee zorgt het kabinet ervoor dat de stimulering gericht wordt op de aanschaf van modellen die later ook interessant zijn voor de tweedehands markt.”\n\n(Kamerstukken II 2018\u002F19, 32813, nr. 342, p. 11)\n\n4.5.. In het debat over het pakket klimaatmaatregelen (Klimaatakkoord) van 3 juli 2019 is de vraag (van het kamerlid J.F. Klaver) aan de orde gekomen waarom de bijtelling, in afwijking van Autobrief II, al in 2020 omhooggaat. Over de specifieke groep die in 2019 een bestelling voor een elektrische auto heeft geplaatst, maar pas in 2020 geleverd krijgt, is het volgende vermeld:\n\n“Staatssecretaris Van Veldhoven- van der Meer [Hof: de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat]:\n\n(…)\n\nVoorzitter. Dan had de heer Klaver nog een vraag over de bijtelling die al in 2020 verhoogd wordt. Dat is inderdaad een lastige maatregel. Er zitten altijd plussen en minnen in een akkoord, en dit is een lastige maatregel. Maar ik vind het wel belangrijk om te preciseren voor welke groep dit geldt. Mensen die nu al in een elektrische auto buiten rondrijden, worden hier niet door geraakt. Dit gaat alleen om de mensen die eigenlijk op de wachtlijst stonden en die hun auto dit jaar besteld hebben, maar die pas volgend jaar geleverd krijgen. Als u nu al in een elektrische auto rijdt, raakt het u dus niet. De kleine groep die op de wachtlijst stond voor een auto is de groep waar het over gaat. Voor iedereen die het raakt, is dat natuurlijk vervelend, maar als je het op het hele wagenpark bekijkt, dan is het een relatief kleine groep.\n\n(…)\n\nDe indruk die we nu hebben, is dat het gaat om een 10.000 mensen die daardoor geraakt worden. Dat is voor iedereen natuurlijk heel vervelend, maar op de grote groep van het wagenpark is dat een relatief kleine groep.\n\nDe heer Klaver (GroenLinks):\n\nDit is waarom ik deze vraag stel: het is een betrekkelijk kleine groep, en daarmee is het effect ook betrekkelijk klein, zowel financieel als ten aanzien van wat het voor het milieu doet. De reden waarom ik de vraag stelde, was dat het wel iets zegt over de betrouwbaarheid van de overheid. Mijn vraag is dus toch: waarom neemt u deze maatregel al voor 2020 en voor deze groep?\n\nStaatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:\n\nIk snap de vraag en die is ook terecht. Wij hebben dit gedaan, omdat we aan de ene kant overstimulering willen voorkomen. Aan de andere kant gaat ook de cap in. Nederland wil een ander soort auto’s aantrekken. Want wat zag je gebeuren? De Rekenkamer heeft daar ook een aantal keren aandacht aan besteed. De afgelopen jaren vroeg het soort auto’s dat we aantrokken, per auto een relatief grote stimulering, maar die auto's waren te duur voor de tweedehandsmarkt. Vervolgens werden die geëxporteerd naar het buitenland. Je zou kunnen zeggen: laat die situatie nog een jaar voortbestaan. Dan krijg je echter een grote piek in de aankoop van juist dat soort auto’s. En waarschijnlijk gaan die daarna weer naar het buitenland gaan, als je de resultaten uit het verleden bekijkt. Wat we dus willen doen, is zo snel mogelijk de focus verleggen naar de auto's die daarna ook interessant zijn voor de tweedehandsmarkt. We willen dus niet meer de Tesla’s en de Jaguars, maar meer de middenklassenauto's. We laten dit nu snel ingaan, omdat je anders nog een soort piek in de markt creëert van auto's die je niet meer wilt aantrekken.\n\n(…)\n\nDe heer Klaver (GroenLinks):\n\n(…)\n\nVoorzitter. Ik wil echt nog even op terugkomen op de auto’s om het goed te snappen. Ik snap heel goed dat je een ander type auto wil. Daar ben ik het mee eens. U zegt terecht dat deze mensen de auto al besteld hebben, maar dat die nog niet geleverd is. Die auto komt dus sowieso naar Nederland. De vraag is wat het effect is van deze maatregel die nu ingaat. Komen er daardoor echt minder auto’s van dit type op de Nederlandse markt?\n\nStaatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:\n\nDeze auto’s zijn besteld. Wat het voor deze mensen betekent, is dat de korting op hun bijtelling omlaaggaat van 18% naar 14%. Het betekent voor deze mensen dus een financieel verschil. Dat zou per maand een paar tientjes verschil kunnen maken. Het is dan de vraag of zo’n auto daarvoor dan niet meer naar Nederland komt, want als je de bijtelling van vergelijkbare fossiele auto’s bekijkt, is die nog steeds een stuk hoger. Dan is het dus nog steeds een stuk aantrekkelijker om deze auto te rijden.\n\nDe heer Klaver (GroenLinks):\n\nIk stel deze vragen omdat het me gaat om de proportionaliteit van ingrijpen in een belofte die de overheid heeft gedaan. Ik ben het er nog mee eens ook. Ik snap heel goed waarom het kabinet het doet. Maar om dan deze relatief kleine groep te pakken … Die auto’s komen toch naar Nederland, want een wachtlijst betekent vaak dat ze al besteld zijn. Ik hoop dat het kabinet daar nog over wil nadenken. Als je het hebt over draagvlak, is dit iets dat er bij heel veel mensen in hakt, zelfs als je er onwijs tegen bent dat auto’s ook gesubsidieerd worden.\n\nStaatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:\n\nIk ben blij dat we met elkaar constateren dat het kabinet de goede richting kiest met de elektrische auto’s: een ander type auto en focus op de tweedehandsmarkt. We hebben gekeken of we het een halfjaar later konden laten ingaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen, maar dat blijkt niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst. Ik heb tegen de mensen aan tafel wel gezegd: laten we met elkaar om tafel gaan om te kijken waar dit knelpunten oplevert. Dit pakket staat, maar laten we met elkaar kijken naar het handelingsperspectief.”\n\n(Handelingen II 2018\u002F19, nr. 101, item 15, p. 48-50)\n\n4.6.. Voorstellen ter uitwerking van de aangekondigde fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord zijn opgenomen in het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord. In de memorie van toelichting is omtrent het verlagen van de korting van 18% naar 14% het volgende vermeld:\n\n“In overeenstemming met de afspraken in het Klimaatakkoord wordt bij de stimulering van elektrische auto’s meer rekening gehouden met de ontwikkelingen in de markt. De verkoopcijfers van elektrische voertuigen tonen aan dat de verkoop van elektrische auto’s aanvankelijk achterbleef bij de ramingen, maar dat het gevoerde beleid succesvol is en dat de verkopen de verwachtingen van de Wet uitwerking Autobrief II inmiddels ruimschoots overtreffen. In 2018 zijn ongeveer twee keer zoveel elektrische auto's verkocht als verwacht. De verkopen tot nu toe in 2019 laten zien dat ook in 2019 meer elektrische auto’s zullen worden verkocht dan eerder geraamd. Een dergelijke stijging van de verkopen is een aanwijzing dat de mate van stimulering waarschijnlijk hoger is dan noodzakelijk om het gewenste doel te bereiken. Dat is voor het kabinet aanleiding om al met ingang van 1 januari 2020 over te gaan tot een verlaging van de korting op de bijtelling voor elektrische auto’s en een verlaging van de cap. De korting op de bijtelling bedraagt zoals gezegd op dit moment 18%-punt. Het kabinet stelt voor met ingang van 1 januari 2020 deze korting te verlagen tot 14%-punt en tegelijkertijd de cap te verlagen tot € 45.000 waardoor in 2020 de korting maximaal € 6300 bedraagt.”\n\n(MvT, Kamerstukken II 2019\u002F20, 35304, nr. 3, p. 5)\n\nIn de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord (bijlage bij de MvT, p. 5), waarin is geconcludeerd dat het voorstel uitvoerbaar is, is onder meer het volgende vermeld:\n\n“Handhaafbaarheid\n\nBij dit voorstel gaat het om het resultaat van het Klimaatakkoord dat deels afwijkt van de Autobrief. Er zijn situaties waarin gewekte verwachtingen niet uitkomen. Dat kan tot geschillen en procedures leiden.”\n\n4.7.. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord is omtrent de opmerkingen in de uitvoeringstoets het volgende vermeld:\n\n“9. Uitvoeringskosten Belastingdienst\n\nDe leden van de fractie van GroenLinks lezen in de uitvoeringstoets dat het aanpassen van de bijtelling (ten opzichte van de Autobrief) kan leiden tot geschillen en procedures en vragen daarop in te gaan. Ook vragen zij of een procedure voor de burger zin heeft. Bij recente wetgeving zijn verwachtingen voor burgers gewekt over de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van een auto van de zaak. Nu deze recent tot stand gebrachte aanpassingen met dit wetsvoorstel worden aangepast grijpt dit in op mogelijke verwachtingen en neemt de spanning op het rechtsgevoel van de burger toe. Dat zal hen eerder en sneller doen besluiten de gang naar de rechter te nemen, ook al is het de verwachting dat de rechter deze bevoegdheid van de wetgever de wet wederom aan te passen zal bekrachtigen.\n\nDe leden van de fractie van GroenLinks vragen wat de verwachte kosten zijn van geschillen en procedures in het kader van het aanpassen van de bijtelling (ten opzichte van de Autobrief). De hoeveelheid geschillen en procedures zijn afhankelijk van het gedrag van burgers. Het is op voorhand niet duidelijk hoeveel burgers in bezwaar komen en procedures starten. De Belastingdienst heeft twee fte (€ 170.000) opgesteld voor werkzaamheden in het kader van vragen, verzoeken en eventuele bezwaren of procedures ten aanzien van deze aanpassing.”\n\n(Kamerstukken II 2019\u002F20, 35304, nr. 6, p. 40-41)\n\nSchending van artikel 1 EP4.8.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de per saldo verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van zijn elektrische auto – op stelselniveau – in strijd is met artikel 1 EP. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij zich kan vinden in de interpretatie die de Rechtbank in haar uitspraak aan zijn stellingen heeft gegeven en dat ook zijn in hoger beroep – in het verweerschrift en in de pleitnota – ingenomen stellingen zijn bedoeld als verschillende argumenten in het kader van artikel 1 EP. In de kern komt het standpunt van belanghebbende erop neer dat de wetgever het eigendomsrecht heeft geschonden (geen ‘fair balance’) door geen overgangsrecht op te nemen voor gevallen, zoals dat van belanghebbende, waarin voorafgaand aan de aankondiging van de verhoging van de bijtelling al onomkeerbare (financiële) verplichtingen zijn aangegaan. Op grond van de Wet uitwerking Autobrief II mochten belastingplichtigen ervan uitgaan dat de regeling ongewijzigd zou blijven. De Inspecteur is een tegenovergestelde mening toegedaan.\n\n4.9.. Indien, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid met artikel 1 EP gebaseerd wordt op het betoog dat bij de beperking van een gunstige belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die beperking een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen het met die beperking nagestreefde – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele belangen. Bij de beoordeling of dit het geval is, moet aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (zie onder meer HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, r.o. 2.4.2 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3).\n\n4.10.. De Rechtbank heeft voor zijn oordeel dat sprake is van schending in vorenbedoelde zin onder meer redengevend geacht dat de wetgever met geen woord heeft gerept over de groep belastingplichtigen die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 (zie 4.4) al verplichtingen is aangegaan en de gewekte verwachtingen van deze groep dus in het geheel niet zijn meegewogen. Deze overweging mist feitelijke grondslag aangezien uit het onder 4.5 vermelde blijkt dat de gevolgen voor deze specifieke groep onderdeel is geweest van het debat.\n\n4.11.. Uit de onder 4.4 tot en met 4.6 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever met de stapsgewijze oploop van de bijtelling vanaf 2020 het volgende heeft beoogd: oversubsidiëring voorkomen, rekening houden met de ontwikkelingen in de snelgroeiende markt, aansluiten bij het handelingsperspectief van de particuliere automobilist en de tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s op gang brengen. Daarbij is ervoor gekozen de maatregel niet een halfjaar later in te laten gaan om de net bestelde auto’s erbuiten te laten vallen – zodat, naar het Hof begrijpt, ook deze groep zou vallen onder het onder artikel 13bis, lid 18, van de Wet LB 1964 opgenomen overgangsrecht – omdat dit niet uitvoerbaar blijkt voor de Belastingdienst. De wetgever realiseerde zich dat deze relatief kleine groep er per maand een aantal tientjes op achteruit zou gaan.\n\n4.12.. Bij de beoordeling of bij de beperking van een gunstige belastingmaatregel een ‘fair balance’ in acht is genomen, moet in aanmerking worden genomen dat niet elke wijziging van belastingwetgeving leidt tot een door artikel 1 EP verboden inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom. Burgers kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven (zie onder meer HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, r.o. 2.4.5 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3). Er bestaat geen grond in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Belastingplichtigen mochten niet, te meer niet in het licht van de uit 4.3 blijkende politieke aandacht en het in de wet opgenomen overgangsrecht dat aansluit bij de datum eerste toelating van de auto, erop rekenen dat een wijziging van het bijtellingspercentage op hen niet van toepassing zou zijn bij de levering van een elektrische auto een jaar na de bestelling. Daargelaten of sprake is van een gerechtvaardigde verwachting die als een ‘possession’ in de zin van artikel 1 EP kan worden beschouwd, is het Hof van oordeel dat de wetgever met de gemaakte afweging (zie 4.11) voor het reeds op 1 januari 2020 laten ingaan van de (per saldo) verhoging van het bijtellingspercentage zonder daarbij specifiek voor de groep die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 al verplichtingen is aangegaan een overgangsregeling te treffen, niet is getreden buiten zijn ruime beoordelingsmarge.\n\n4.13.. Gelet op het voorgaande vormt de verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto – op stelselniveau – geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 EP. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Nu belanghebbende ter zitting van het Hof heeft bevestigd dat hij met de extra heffing over (ten hoogste) € 76 in dit geval niet wordt getroffen door een individuele en buitensporige last, is de aanslag niet te hoog vastgesteld.\n\n4.14.. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Het hoger beroep is ook in zoverre gegrond.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,\n\n– bevestigt de uitspraken van de Inspecteur.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1661","2026-03-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.177Z",{"id":177,"ecli":178,"slug":179,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":180,"fullText":181,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":183,"parsedAt":35,"updatedAt":184},"732","ECLI:NL:RBGEL:2026:2052","ecli-nl-rbgel-2026-2052","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 22\u002F3974, 22\u002F3980, 22\u002F4014, 22\u002F4015 en 23\u002F4204\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 maart 2026\n\nin de zaken tussen\n\n [curator] , curator in het faillissement van [belanghebbende] ,kantoorhoudend in [plaats] , de curator\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almelo, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nDe inspecteur heeft aan [belanghebbende] (belanghebbende) de volgende aanslagen opgelegd:\n\nEen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 331.477 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 64.050.000. Daarnaast is een bedrag van € 1.891.472 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F3974).\n\nEen voorlopige aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 332.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453. Daarnaast is een bedrag van € 455.799 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F3980).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.072, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257 (23\u002F4204).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 81.329.338 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462. Daarnaast is een bedrag van € 976.038 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F4014).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 56.412.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257. Daarnaast is een bedrag van € 2.035.279 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F4015).\n\nBij uitspraken op bezwaar van 28 juni 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 ongegrond verklaard.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 12 juli 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2009 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 50.000.000. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is gehandhaafd.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er onderling middels een compromis uit te komen.\n\nBelanghebbende heeft, zonder tussenkomst van de curator, naar aanleiding van het voorgenomen compromis nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn door de rechtbank teruggestuurd, omdat hij geen procespartij bij deze zaak is en dus niet zonder tussenkomst van de curator stukken kan indienen.\n\nDe rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 januari 2025 geen toestemming gegeven voor het compromis zoals door partijen werd beoogd. De gemachtigde heeft de rechtbank op 13 februari 2025 verzocht om het onderzoek ter zitting te heropenen.\n\nDe rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en de beroepen op 30 september 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is indirect eigenaar van 50% van de aandelen [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). De overige aandelen zijn middellijk in eigendom van de twee kinderen van belanghebbende. Belanghebbende was tot en met 7 juni 2012 enig bestuurder van [naam bedrijf 1] .\n\n2. [naam bedrijf 1] is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting ( [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] ) waarvan [naam bedrijf 2] ( [naam bedrijf 2] ) en haar dochtermaatschappijen deel uitmaken. [naam bedrijf 2] werd vanaf 1 december 2008 bestuurd door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] . Uit het onderzoek van de curator van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] is gebleken dat [naam bedrijf 3] feitelijk geen bemoeienis met het bestuur van [naam bedrijf 2] had.\n\n3. De bezittingen en schulden (in euro’s) van belanghebbende zijn in de jaren 2008 tot en met 2012 als volgt:\n\nUltimo\n\n2008\n\n2009\n\n2010\n\n2011\n\n2012\n\nBank en overig\n\n1.800.855\n\n1.198.410\n\n3.644.951\n\n3.896.732\n\n77.416\n\n [naam bank 1] effecten\n\n30.300.556\n\n37.024.719\n\n36.816.389\n\n25.864\n\n0\n\n [naam bank 2] effecten\n\n0\n\n43.113.264\n\n32.492\n\n34.141\n\n0\n\nTotaal bezittingen\n\n32.101.411\n\n81.336.393\n\n40.493.832\n\n3.956.737\n\n77.416\n\n [naam bedrijf 2] rc\n\n0\n\n-\u002F- 1.337\n\n18.643\n\n8.722.583\n\n2.822.406\n\n [naam bedrijf 2] lening\n\n0\n\n0\n\n0\n\n4.500.000\n\n4.500.000\n\n [naam bedrijf 1] rc\n\n21.469.804\n\n41.938.169\n\n17.557.181\n\n19.571.802\n\n19.571.802\n\n [naam bedrijf 1] lening\n\n0\n\n28.383.272\n\n28.383.272\n\n29.518.603\n\n29.518.603\n\nTotaal schuld [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]\n\n21.469.804\n\n70.320.104\n\n45.959.096\n\n62.312.988\n\n56.412.811\n\n [naam bank 1] krediet\n\n60.000.000\n\n30.000.000\n\n19.969.286\n\n0\n\n0\n\nOnbekend\n\n1.535\n\n0\n\n404.728\n\n0\n\n0\n\nTotaal schulden\n\n81.471.339\n\n100.320.104\n\n66.333.110\n\n62.312.988\n\n56.412.811\n\nTotaal vermogen box 3\n\n-\u002F- 49.369.928\n\n-\u002F-18.983.711\n\n-\u002F-25.839.278\n\n-\u002F- 58.356.251\n\n-\u002F- 56.335.395\n\nMutatie vermogen\n\n30.386.217\n\n-\u002F- 6.855.567\n\n-\u002F- 32.516.973\n\n2.020.856\n\n4. Belanghebbende heeft in 2007 een bedrag van € 40 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en daarmee in privé een effectenportefeuille bij [naam bank 1] aangekocht, voornamelijk bestaande uit aandelen [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 5] , [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 7] . In het najaar 2008 heeft belanghebbende € 20 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en aandelen [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 5] bijgekocht. De waarde van de effectenportefeuille is per 31 oktober 2008 afgenomen naar € 24 miljoen.\n\n5. Belanghebbende heeft in augustus 2008 [naam bank 1] gevraagd om een krediet van € 60 miljoen om hiermee de schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] af te lossen tot ruim € 21 miljoen. Het kredietverzoek is, nadat het in eerste instantie is afgewezen, door [naam bank 1] op 19 december 2008 verstrekt tegen een effectieve rente van 4,674% per jaar. [naam bank 1] heeft daarbij de volgende zekerheden bedongen: a) verpanding van de effectenportefeuille van belanghebbende, en b) borgstelling door [naam bedrijf 2] (voor een bedrag van het verschil tussen de hoofdsom van het krediet en de waarde van de effectenportefeuille). Ook is afgesproken dat via een dividenduitkering uit [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] uiterlijk 15 januari 2009 € 20 miljoen afgelost moest worden en uiterlijk 1 oktober 2009 nogmaals € 10 miljoen.\n\n6. Belanghebbende heeft in 2009 zeven leningsovereenkomsten afgesloten bij [naam bedrijf 1] voor een totaal bedrag van € 33.490.000. In de loop van 2009 is afgerond € 5,1 miljoen afgelost op de leningen, waardoor eind 2009 een schuld van € 28.383.272 resteerde. In 2011 heeft belanghebbende € 4,5 miljoen geleend van [naam bedrijf 2] .\n\n7. Eind 2009 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] volgens de door haar namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vennootschapsbelasting (vpb) een (fiscale) winstreserve van € 89.674.556.\n\n8. Op 4 januari 2011 heeft [naam bedrijf 2] een bedrag van € 2.050.000 onverschuldigd betaald aan [naam bedrijf 8] ( [naam bedrijf 8] ). [persoon F] is directeur en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 8] , zij is tevens de echtgenote van belanghebbende. Er is in een buitengewone vergadering van aandeelhouders afgesproken dat [naam bedrijf 8] dit bedrag niet aan [naam bedrijf 2] zal terugbetalen.\n\n9. [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 9] ( [naam bedrijf 9] ). Op 1 december 2011 heeft [naam bedrijf 2] alle aandelen [naam bedrijf 9] voor € 7 miljoen verkocht aan [naam bedrijf 10] , waarvan de zoon van belanghebbende enig aandeelhouder is. Het vermogen van [naam bedrijf 9] bedroeg ten tijde van de overdracht bijna € 21 miljoen. Het vermogen kan worden gesplitst in bijna € 3,4 miljoen voor onroerende en roerende zaken en ruim € 17,5 miljoen voor 92 paarden.\n\n10. [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] heeft in 2011 alle aandelen Hotel Restaurant “ [naam hotel\u002Frestaurant] ” B.V. ( [naam hotel\u002Frestaurant] ) verkocht aan de dochter van belanghebbende voor € 1.\n\n11. Volgens de door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vpb heeft zij eind 2011 een (fiscale) winstreserve van € 5.706.835. De (fiscale) winstreserve is grotendeels afgenomen door de dotatie aan de post ‘overige voorzieningen’ van € 87.443.829.\n\n12. Op 22 mei 2012 zijn [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in surseance van betaling geraakt. Zij zijn vervolgens op 13 juli 2012 failliet verklaard. Op 27 november 2012 is belanghebbende zelf failliet verklaard.\n\n13. Belanghebbende heeft op 4 mei 2012 de aangifte IB\u002FPVV 2010 ingediend. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De aanslag IB\u002FPVV 2010 is gedagtekend 18 november 2014 en geadresseerd aan het kantooradres van de curator. De curator heeft hiertegen op 17 februari 2023 bezwaar gemaakt.\n\n14. Met dagtekening 1 maart 2017 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag IB\u002FPVV 2012 opgelegd. De op 10 april 2017 ingediende aangifte is aangemerkt als bezwaar daartegen.\n\n15. De rechtbank heeft op 7 augustus 2013en 5 maart 2014voor recht verklaard dat respectievelijk de aandelenoverdracht van [naam hotel\u002Frestaurant] en [naam bedrijf 9] door de curatoren van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] met een beroep op de actio pauliana buitengerechtelijk zijn vernietigd. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.\n\n16. Gedurende de bezwaarfase is meermalen gecorrespondeerd tussen de inspecteur en de curator, dan wel de toenmalig adviseur van belanghebbende. In deze correspondentie heeft de inspecteur meerdere keren om informatie verzocht. Deze informatie is niet verkregen en daarom heeft de inspecteur met dagtekening 20 december 2017 een informatiebeschikking voor de belastingjaren 2009 – 2011 afgegeven. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“(…)\n\nIk concludeer dat ik de in mijn brief van 23 oktober 2017 gevraagde informatie tot op heden niet heb ontvangen. Concreet gaat het daarbij om de volgende punten inzake de rekening courant schuld van de heer [belanghebbende] aan [naam bedrijf 1] :\n\nEen overzicht van het verloop van de rekening courant in de jaren 2009 tot en met 2011, waaruit blijkt welke mutaties er hebben plaatsgevonden.\n\nEen afschrift van de rekening courant overeenkomst(en) waarin partijen afspraken hebben gemaakt over rente, aflossing en zekerheden.\n\nEen overzicht van het verloop van het vermogen van de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011, alsmede een overzicht van de zekerheden die de heer [belanghebbende] had verstrekt aan derden, zodat duidelijk wordt welke vermogen er als zekerheid zou kunnen resteren voor [naam bedrijf 1] .\n\nMeer in het bijzonder verzoek ik u een overzicht te geven van de samenstelling, de waarde en de mutaties van de aandelenportefeuilles die de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011 aanhield bij [naam bank 1] en [naam bank 2] .”\n\n17. Het bezwaar tegen de informatiebeschikking is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Er is geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar waardoor de informatiebeschikking onherroepelijk vast is komen te staan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n18. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar het juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n19. Ten eerste is in geschil of belanghebbende vanwege de leenverhouding met [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in 2009 tot en met 2012 dusdanig is bevoordeeld dat sprake is van een verkapte winstuitdeling. Voor 2011 is daarnaast in geschil of belanghebbende door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is bevoordeeld bij de verkoop van de aandelen [naam bedrijf 9] en [naam hotel\u002Frestaurant] aan respectievelijk zijn zoon en dochter. Voor de jaren 2011 en 2012 is verder in geschil of de inspecteur bij het vaststellen van de grondslag sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]\n\n20. Voor 2010 is ook nog in geschil of de inspecteur de bezwaren tegen de (voorlopige) aanslag IB\u002FPVV terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n21. De rechtbank verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 gegrond en de overige beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n(Voorlopige) aanslag IB\u002FPVV 2010\n\n22. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 9.5, derde lid, van de Wet IB 2001, het niet mogelijk is om tegen een voorlopige aanslag bezwaar te maken. De inspecteur heeft het bezwaar inzake de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat ook het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en overweegt daartoe als volgt.\n\n24. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze, brengt die omstandigheid mee dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst door (de gemachtigde of vertegenwoordiger van) de belanghebbende van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n25. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen op grond van 6:11 van de Awb anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Een bezwaarschrift is verschoonbaar te laat ingediend wanneer de te late indiening te wijten is aan een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.\n\n26. Vaststaat dat de aanslag IB\u002FPVV 2010 is verzonden naar het adres van de curator. Desgevraagd heeft de curator zitting erkend dat hij deze aanslag in het najaar van 2015 heeft ontvangen en verklaard dat hij deze aanslag niet aan belanghebbende heeft doorgezonden. Door de bekendmaking aan de curator is de voornoemde aanslag rechtsgeldig bekendgemaakt.Het is hierdoor dus niet relevant dat belanghebbende pas begin 2023 de aanslag heeft ontvangen. De verwijzing van de gemachtigde naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 13 december 2000maakt dit niet anders, omdat die uitspraak op een geheel andere situatie dan de onderhavige ziet. Het voorgaande houdt in dat de bezwaartermijn in ieder geval in het najaar 2015 is gaan lopen.\n\n27. De curator heeft, net zoals belanghebbende, in 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010. Dit is ruim buiten de bezwaartermijn. De te late indiening van het bezwaar acht de rechtbank niet verschoonbaar. Het betoog van de gemachtigde dat niet tijdig bezwaar kon worden gemaakt omdat de administratie in verband met het faillissement van de vorige adviseur in beslag was genomen, leidt niet tot een ander oordeel. De curator heeft namelijk voor de aanslag IB\u002FPVV 2009 op 3 februari 2014 wel pro forma bezwaar gemaakt, terwijl hij ook toen geen toegang had tot de administratie. Van de curator, een professionele partij, had onder deze omstandigheden mogen worden verwacht dat hij in 2015 tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 ook tijdig (pro forma) bezwaar had gemaakt.\n\n27. Het beroep is in zoverre ongegrond. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (voorlopige) aanslag IB\u002FPVV 2010.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast aanslagen IB\u002FPVV 2009 en 2011\n\n29. De informatiebeschikkingen ter zake van belastingjaren 2009 en 2011 staan onherroepelijk vast. De rechtmatigheid hiervan kan dus niet meer ter discussie worden gesteld. Wel kan de vraag of een onherroepelijke informatiebeschikking tot omkering en verzwaring van de bewijslast dient te leiden aan de orde worden gesteld.\n\n30. Belanghebbende heeft meermalen aangegeven niet over de gevraagde informatie te beschikken, omdat die informatie in beslag is genomen in het faillissement van zijn voormalig adviseur. De curator wijst ter onderbouwing van dit standpunt op een vonnis van de rechtbank van 9 september 2021, waarin hij via een kort geding heeft geprobeerd om de informatie uit de failliete boedel te krijgen. Ook stelt belanghebbende dat hij niet alle door de FIOD in beslag genomen stukken terug heeft ontvangen en dat bepaalde informatie, in het bijzonder de rekening-courantovereenkomsten, niet bestaan.\n\n31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende heeft gedaan om de gevraagde informatie te verkrijgen. De enkele verwijzing naar het kort geding vonnis tegen de voormalige gemachtigde is hiervoor onvoldoende, omdat die procedure niet in de tijdlijn past. De informatiebeschikking is namelijk van 20 december 2017 en het bezwaar daartegen is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Gelet op de uitspraakdatum van 9 september 2021 en het karakter van een kort geding, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de dagvaarding voor het kort geding is betekend voordat de informatiebeschikkingen onherroepelijk zijn komen vast te staan. Ter zake van de overige standpunten heeft belanghebbende nog geen begin van bewijs geleverd.\n\nRedelijke schatting 2009 en 2011\n\n32. Ook wanneer de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard dienen de belastingaanslagen te berusten op een redelijke schatting.In dat kader rust op de inspecteur de taak om zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die de redelijkheidstoets kan doorstaan.Als de inspecteur daarin slaagt, ligt het op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die feitelijke stellingen betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n33. De rechtbank stelt voorop dat een geldlening van een vennootschap aan haar aandeelhouder een onttrekking vormt als vast komt te staan of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geldlening niet kan of zal aflossen. Indien en voor zover zo’n onttrekking kon plaatsvinden uit winst, winstreserves of te verwachten winst is sprake van een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder, mits een vermogensverschuiving naar de aandeelhouder heeft plaatsgevonden met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling.\n\n34. De rechtbank overweegt dat in beginsel op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor de (verkapte) winstuitdeling. Echter, in dit geval moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard en kan de inspecteur volstaan met een redelijke schatting. De rechtbank zal daarom marginaal toetsen of de door de inspecteur gestelde feiten de gevolgtrekking kunnen dragen dat sprake is van een verkapte winstuitdeling.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (2009)\n\n35. De inspecteur heeft (na bezwaar) een verkapte winstuitdeling van € 50 miljoen in aanmerking genomen. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het inkomen uit aanmerkelijk belang, vanwege de gestelde verkapte winstuitkering van € 50 miljoen redelijk is. Uit de kredietverstrekking van 19 december 2008 volgt dat [naam bank 1] vanwege de financiële positie van belanghebbende alleen bereid was om eind 2008 de verzochte lening te verstrekken als in het daaropvolgende jaar al € 30 miljoen zou worden afgelost via een dividenduitkering van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Hierbij heeft de accountmanager van [naam bank 1] de leden van de Krediet Commissie in een brief van 31 oktober 2008 er bovendien in niet mis te verstane bewoordingen erop gewezen dat belanghebbende in privé geen rentebetalingen en aflossingen kan opbrengen. Belanghebbende heeft er echter voor gekozen om dit bedrag op te nemen middels de rekening-courant. Daarnaast heeft hij nog een vergelijkbaar bedrag geleend, terwijl op dat moment al duidelijk was dat hij deze bedragen zo goed als zeker niet uit zijn eigen vermogen kon terugbetalen. De oplopende schuldverhouding vormt daarmee dus een onttrekking die uit de winstreserve van bijna € 90 miljoen kon plaatsvinden. Omdat belanghebbende de lening aan [naam bedrijf 1] in privé niet kon aflossen, is sprake van een vermogensverschuiving van [naam bedrijf 1] naar belanghebbende met als doel belanghebbende te bevoordelen. Belanghebbende kon hierdoor namelijk in privé leningen aflossen zonder dat daarvoor een dividenduitkering moest plaatsvinden of hij andere schulden met een aflossingsverplichting aan moest gaan. Van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordelingsbedoeling moesten hij en [naam bedrijf 1] zich bewust zijn, nu belanghebbende enig bestuurder van deze vennootschap was.\n\n36. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting van de inspecteur niet juist is. Zijn enkele stelling dat tegenover de geldopnames ter dekking een schuldenvrije eigen woning en een effectenportefeuille staan, is hiervoor onvoldoende. De aanslag IB\u002FPVV 2009 is dan ook niet te hoog vastgesteld en het beroep hiertegen is ongegrond.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2011)\n\n37. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 81.329.338. Hierbij heeft hij vier verschillende verkapte dividenduitkeringen in aanmerking genomen. Ten eerste een bedrag van € 62.312.988, zijnde de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Subsidiair stelt de inspecteur dat deze verkapte winstuitdeling € 16.353.892 dient te bedragen, zijnde de toename van de schuld. Ten tweede een bedrag van € 13.966.350 vanwege de overdracht van de aandelen [naam bedrijf 9] . Ten derde een bedrag van € 3 miljoen vanwege de overdracht van de aandelen [naam hotel\u002Frestaurant] . Beide bedragen zijn vastgesteld aan de hand van de geschatte waarde van de aandelen, zoals berekend door de FIOD, verminderd met de verkoopprijs. Tot slot ten vierde een bedrag van € 2.050.000, bestaande uit de onverschuldigde betaling aan [naam bedrijf 8] . Nu belanghebbende via [naam bedrijf 1] zeggenschap had over [naam bedrijf 2] stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het voordeel belanghebbende is toegekomen en dat hij en de vennootschappen zich daarvan bewust waren.\n\n38. De inspecteur heeft daarnaast het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 800.462, omdat volgens hem ten onrechte rekening is gehouden met bijna € 46 miljoen aan schulden die fiscaal als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen.\n\n39. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is. De schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is niet te hoog. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\n40. Voor een (verkapte) winstuitdeling is vereist dat sprake is van een onttrekking die plaatsvindt uit de winst van het lopende jaar, de winstreserves of de te verwachten winst. In 2011 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] een verlies geleden, waardoor vanuit de resultaten van dat jaar geen onttrekking kon worden gedaan. Ook de winstreserves zijn onvoldoende om een onttrekking uit te laten plaatsvinden. Gelet op de oordelen over 2009 en 2010 is een bedrag van € 95.940.453 al belast als verkapte winstuitdeling.Bij het bepalen van de omvang van de winstreserve dient fiscaal rekening te worden gehouden met deze verkapte winstuitdelingen. Nu de winstreserve niet meer dan € 93.150.664kan bedragen, is fiscaal geen sprake meer van een (positieve) winstreserve. Daarnaast heeft het gerechtshof Arnhem -Leeuwardenin de strafzaak tegen belanghebbende, waarbij een zwaardere bewijslast geldt, vastgesteld dat voor belanghebbende vanaf ten minste 1 oktober 2010 een aanmerkelijke kans op een faillissement van [naam bedrijf 2] en zichzelf voorzienbaar was. Van een te verwachten winst in de toekomst is dan ook geen sprake. Ook om deze reden kan geen sprake zijn van een verkapte winstuitdeling.\n\n41. De rechtbank is verder van oordeel dat als gevolg van de (verkapte) dividenduitkeringen de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] (in fiscale zin en daarmee afwijkend van de civielrechtelijke werkelijkheid) zijn afgenomen. De inspecteur heeft in zijn schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dan ook terecht geen rekening gehouden met deze schulden. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting niet te hoog is. De enkele verwijzing van de gemachtigde naar de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschapmaakt dit niet anders. Deze wet is namelijk pas op 1 januari 2023 in werking getreden. Bovendien blijft de bestaande jurisprudentie, waar de inspecteur zich op heeft beroepen, over verkapte winstuitdeling onverminderd van kracht.\n\n42. De aanslag IB\u002FPVV 2011 is met betrekking tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog vastgesteld. Het beroep hiertegen is daarom gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang dient te worden verminderd tot nihil. Het inkomen uit sparen en beleggen blijft gelijk.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast aanslag IB\u002FPVV 2012\n\n43. De inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd om aangifte IB\u002FPVV 2012 te doen, wat belanghebbende heeft betwist. Van het niet doen van de vereiste aangifte kan daarom geen sprake zijn.Dit betekent dat er geen grond is om de bewijslast om te keren en verzwaren. Op de inspecteur rust daarom de bewijslast om zijn correcties aannemelijk te maken.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2012)\n\n44. De inspecteur stelt dat belanghebbende een verkapte dividenduitkering van € 56.412.810 heeft genoten die bestaat uit de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Daarnaast stelt hij dat in de grondslag sparen en beleggen geen rekening moet worden gehouden met de schulden aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitkering in aanmerking zijn genomen in eerdere jaren. Wel is ten onrechte geen rekening gehouden met het heffingsvrij vermogen van belanghebbende en zijn partner van gezamenlijk € 41.570. De grondslag sparen en beleggen moet daarom worden vastgesteld op € 4.289.874, wat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594.\n\n45. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet redelijk om uit te gaan van een verkapte winstuitdeling in 2012. De schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is in de voorgaande jaren al gekwalificeerd als verkapt dividend en als zodanig belast in de eerdere aanslagen IB\u002FPVV. De rekening-courant schuld is niet verder opgelopen en belanghebbende is in 2012 geen nieuwe schulden aangegaan bij [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Er heeft in dat jaar dan ook geen onttrekking plaatsgevonden, waardoor evenmin sprake kan zijn van een (verkapte) winstuitdeling. Het beroep is in zoverre gegrond.\n\n46. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen, zie overweging 41. Nu in de aanslag ten onrechte geen rekening is gehouden met het heffingsvrij vermogen, moet het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594.\n\n47. Gelet op het voorgaande is het beroep met betrekking tot de aanslag IB\u002FPVV 2012 gegrond.\n\nHeffingsrente\n\n48. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep ter zake van het belastingjaar 2009 is dan ook in zoverre ongegrond. Ter zake van de belastingjaren 2011 en 2012 moet de in rekening gebrachte heffingsrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen en zijn de beroepen dus in zoverre gegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n49. De beroepen met betrekking tot de belastingaanslagen IB\u002FPVV 2009 en 2010 zijn ongegrond en die met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 zijn gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang moet voor 2011 en 2012 worden verminderd tot nihil. Daarnaast moet voor 2012 het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594. Omdat de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht terug.\n\n50. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen die zien op de belastingjaren 2011 en 2012 redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten die voor de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs zijn gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarom tijdens de bezwaarfase niet is verzocht.De kosten voor de behandeling van de beroepen voor belastingjaren 2011 en 2012 zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepen wordt wegens samenhang eenmaal proceskosten toegekend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers 22\u002F3974, 22\u002F3980 en 23\u002F4204 ongegrond;\n\nverklaart de beroepen inzake de aanslagen IB\u002FPVV 2011 (22\u002F4014) en IB\u002FPVV 2012 (22\u002F4015) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2011 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462;\n\nvermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2012 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594;\n\nvermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.335;\n\ngelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. M. Wevers en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem , Postbus 9030, 6800 EM Arnhem .\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2013:2303.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2014:1383.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5555.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2000:AV6659.\n\n Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.6.\n\n Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466.\n\n Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\n Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.\n\n Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.\n\n € 50 miljoen over 2009 en € 45.940.453 over 2010, zie punten 27, 28 en 35.\n\n € 5.706.835 volgens jaarrekening vermeerderd met € 87.443.829, de dotatie in 2011 aan de post ‘overige voorzieningen’. De rechtbank heeft deze dotatie niet op haar fiscale merites beoordeeld, omdat ongeacht of deze dotatie fiscaal kan plaatsvinden het oordeel over de verkapte winstuitdeling hetzelfde blijft.\n\n Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden 2 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10319.\n\n Stb. 2022\u002F531.\n\n Kamerstukken II 35 496, nr. 3, p. 6 en p. 19.\n\n Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268.\n\n Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2052","2026-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.431Z",20]