[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-parental-authority-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":52},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},74,"parental-authority-nl","Parental Authority","NL","2026-07-08T16:54:48.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122395","Burgerlijk Wetboek","art. 1:266 lid 1",1,[27,37,45],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1911","ECLI:NL:GHARL:2026:4193","ecli-nl-gharl-2026-4193","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.365.414\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 452145\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nover de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.E.M. Messink\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nregio Gelderland, locatie Arnhem\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Arnhem\n\nen\n\n [belanghebbende1](de pleegmoeder)\n\ndie woont in [woonplaats2] .\n\nHet hof merkt als informant aan:\n\n [informant1](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe ouders hebben een kind: [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), die is geboren [in]\n\n 2019.\n\n2.2.. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] .2.3.. \n [de minderjarige1] verblijft sinds [datum1] 2022 bij de pleegmoeder in een netwerkpleeggezin.\n\n2.4. \n [de minderjarige1] is op 13 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd tot 13 januari 2027.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing zijn blijven doorlopen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.\n\n4.2.. De raadwil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.3.. De GIwil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegmoeder wil dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.4.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 9 februari 2026\n\nde spreekaantekeningen van de raad\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\neen vertegenwoordiger van de GI\n\nde dochter van de pleegmoeder, als informant\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nWat vinden partijen?\n\n5.3.. Volgens de moeder is de zogenoemde ‘aanvaardbare termijn’ nog niet verstreken. De moeder vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een traject bij [naam1] is gestart om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De moeder heeft goede hoop dat zij op enig moment weer zelf voor [de minderjarige1] kan zorgen. Voor de moeder werkt het niet om meerdere therapieën en trajecten tegelijk te volgen. Zij wil eerst focussen op haar therapie bij [naam1] , daarom heeft zij niet meegewerkt aan het NIKA-traject en de begeleide omgang. Inmiddels is er volgens de moeder wel een intakegesprek ingepland met een instantie die de omgang gaat begeleiden. Volgens de moeder ontvangt zij niet altijd alle informatie over [de minderjarige1] en verloopt de communicatie met de pleegmoeder niet goed. Hierdoor is het voor haar lastig om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor speltherapie van [de minderjarige1] , omdat zij vindt dat de problemen van [de minderjarige1] voortkomen uit het feit dat [de minderjarige1] niet meer bij haar woont. Het uitbreiden van het contact is volgens de moeder de oplossing voor de problemen van [de minderjarige1] .\n\n5.4.. De raad vindt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het gezag. De raad benadrukt dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling veel hulpverlening is ingezet, gericht op de behandeling van de moeder, het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder en het onderzoeken van een terugplaatsing. Veel van de ingezette hulpverlening heeft de moeder vroegtijdig stopgezet. Volgens de raad ontwikkelt [de minderjarige1] zich goed in het gezin van de pleegmoeder en ligt zijn perspectief daar. Dat de moeder weigert toestemming te geven voor de speltherapie van [de minderjarige1] baart de raad zorgen. Volgens de raad laat de moeder hiermee zien dat zij geen inzicht heeft in wat [de minderjarige1] nodig heeft. De raad vindt het positief dat de moeder hulpverlening bij [naam1] is aangegaan, maar dit traject is niet meer van invloed op het perspectief van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een instabiel verleden en er is sprake van hechtingsproblematiek. Hij heeft daardoor extra behoefte aan stabiliteit, structuur en duidelijkheid. Volgens de raad is het daarom ook in het belang van [de minderjarige1] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat duidelijk is dat zijn perspectief binnen het pleeggezin ligt.\n\n5.5.. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] heel belangrijk is. Hier heeft de GI twee jaar lang op ingezet, maar dit komt nog niet goed van de grond. Volgens de GI is het een terugkerend patroon dat de moeder de hulpverlening en de omgang stopt op het moment dat het te dichtbij komt. Dit is volgens de GI heel moeilijk voor [de minderjarige1] . Volgens de GI is het belangrijk dat de moeder de hulpverlening afrondt.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6.. De rechtbank heeft het gezag van de moeder op goede gronden beëindigd. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.\n\n5.7.. Het hof overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat het voor [de minderjarige1] , voor de pleegmoeder, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder de - heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige1] zal zorgen. Het hof vindt dat echter niet in het belang van [de minderjarige1] , omdat de aanvaardbare termijnruimschoots is verstreken. [de minderjarige1] woont immers al sinds hij drie maanden oud is (eerst in het kader van een vrijwillige plaatsing) bij de pleegmoeder en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegmoeder biedt [de minderjarige1] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele leefsituatie. De moeder heeft het traject bij [naam1] nog niet volledig doorlopen, zij heeft geen ruimte om mee te werken aan het NIKA-traject en tot voor kort wilde de moeder niet deelnemen aan de begeleide omgang met [de minderjarige1] . Er is hierdoor al langere tijd geen contact meer tussen [de minderjarige1] en de moeder. Ook de belafspraken tussen [de minderjarige1] en de moeder verlopen nog niet goed. De moeder kan [de minderjarige1] iedere dinsdag bellen, maar het lukt de moeder niet om die afspraak iedere week na te komen.\n\n5.8.. Het hof vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder gestart is met haar behandeling bij [naam1] en dat zij inmiddels openstaat voor begeleide omgang. Het hof hoopt dat de moeder de opgaande lijn kan vasthouden zodat ook het NIKA-traject in de toekomst opgestart kan worden. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] . Zij blijft altijd zijn moeder. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij het heel belangrijk vinden dat de moeder in het leven van [de minderjarige1] betrokken blijft. Het hof sluit zich daarbij aan. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] kan (blijven) spelen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van\n\n19 november 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind\n\n De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4193","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.056Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"1722","ECLI:NL:GHARL:2026:4133","ecli-nl-gharl-2026-4133","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.014\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580285)\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nover het gezag over en omgang met\n\n [de minderjarige]\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nverder te noemen: de vader\n\nadvocaat: mr. A. Azauiyat\n\nen\n\n [verweerster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. R. Vermeer\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nals adviseur van het hof.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft op 29 september 2025 de verzoeken van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorgregeling vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen in afwachting van de uitkomsten van een te gelasten onderzoek naar gezag en omgang door de raad en legt hierna uit waarom.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.\n\n2.2.. De vader heeft van de rechtbank op 29 september 2025 toestemming gekregen om [de minderjarige] te erkennen.2.3.. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .\n\n2.3.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. \n\nDe vader heeft de rechtbank verzocht:\n\n* de vader vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen\n\n* de geslachtsnaam van [de minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam1] ’ of ‘ [naam2] ’\n\n* een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen\n\n* als de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling niet toewijst, de raad te gelasten een onderzoek daarnaar te verrichten.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de vader vervangende toestemming gegeven om [de minderjarige] te erkennen. Alle andere verzoeken van de vader zijn afgewezen. De rechtbank heeft wel bepaald dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail met daarbij een foto aan de vader stuurt over de gezondheid van [de minderjarige] , hoe het met [de minderjarige] gaat op school en zijn hobby’s. De beslissing over het sturen van een-email aan de vader is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct werkt, ook als er hoger beroep is ingesteld.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn verzoeken over het gezag en de zorgregeling af te wijzen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof in de eerste plaats hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om een zorgregeling vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen. Als het hof zijn verzoeken niet toewijst, dan vraagt de vader het hof om de raad te gelasten een onderzoek te doen naar het gezag en de zorgregeling.\n\n4.2.. De moederis het eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en dat het hof de vader veroordeelt in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 26 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 16 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 20 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 24 april 2026.\n\n4.4.. De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Aanwezig waren:\n\n- de vader met zijn advocaat\n\n- de advocaat van de moeder\n\n- een vertegenwoordiger van de raad.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. \n\nDe tot het gezag bevoegde vader, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, kan het verzoek slechts worden afgewezen indien\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nAdvies raad\n\n5.3.. De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling bij het hof het advies gegeven de behandeling van de zaak over het gezag aan te houden zodat de raad onderzoek kan doen naar het gezag en de omgang. Dat heeft er volgens de raad mee te maken dat het in de opvoeding van de oudere kinderen van de moeder heel erg is misgegaan: de moeder is een kwetsbare vrouw en de raad wil goed in beeld hebben wat de mogelijkheden van de moeder zijn om met betrekking tot [de minderjarige] het gezag samen met de vader te kunnen delen. Met betrekking tot de omgang vindt de raad wel dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden. Dat contact hoeft in de ogen van de raad niet lang begeleid te zijn: als dit contact volgens de begeleiders goed verloopt, dan kan dit onbegeleid plaatsvinden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.4.. Het hof heeft nog onvoldoende informatie om een beslissing over het gezag te nemen. Het hof zal daarom het advies van de raad overnemen en de raad vragen een onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangregeling.\n\n5.5.. Het hof ziet wel aanleiding in afwachting van het raadsonderzoek een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Het hof ziet in de stukken en in het advies van de raad geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] sinds begin december 2025 niet meer gezien. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] , hij is twee jaar, is het voor een gezonde emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat het contact met zijn vader zo snel mogelijk wordt hersteld. Aangezien de moeder en de vader allebei open staan voor begeleiding van de omgang via het buurtteam, zal het hof de volgende voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vaststellen:\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon.\n\n5.6.. De moeder en de vader dienen zich daarvoor allebei zo spoedig mogelijk aan te melden bij het buurtteam in de woonplaats van de moeder.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nverzoekt de raad nader onderzoek in te doen stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangsregeling en daarover uiterlijk 18 december 2026te rapporteren\n\nstelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] :\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon\n\nbepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor de vader, de moeder en de raad zullen worden opgeroepen\n\nbepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.B. Kamminga\n\nbepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris\n\nbepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.L. van der Bel en L.D.M. Rubens-Snijders, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Dat staat in artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Dat staat in artikel 1:377a lid 3 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4133","2026-07-13T00:29:35.813Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":51},"710","ECLI:NL:GHARL:2025:8167","ecli-nl-gharl-2025-8167","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\u002FLeeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.105\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 444167\n\nbeschikking van 18 december 2025\n\nover de beëindiging van het gezag over [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster] ,(de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1] , advocaat: mr. M.G.M. Frerix,\n\ntegen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\ndie is gevestigd in Arnhem.\n\nHet hof heeft ook als belanghebbenden aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Ede,\n\nen\n\nde gezinshuisouders van [minderjarige2] ( [naam1] ), in [plaats1] ,\n\nen\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 26 maart 2025, (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en de GI belast met de voogdij.\n\nHet hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De moeder en [naam2] (de vader) hebben een relatie met elkaar gehad en zij hebben samen drie kinderen:\n\n- [minderjarige1] , geboren [in1] 2012;\n\n- [minderjarige2] , geboren [in2] 2016;\n\n- [minderjarige3] , geboren [in3] 2019.\n\n2.2.. De moeder had tot aan de bestreden beschikking als enige het gezag over de kinderen.\n\n2.3. De kinderen staan sinds 18 januari 2021 onder toezicht van de GI.\n\n2.4. De kinderen zijn met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn in juli 2022 geplaatst in gezinshuis [naam1] , [minderjarige3] in september 2022 in een pleeggezin op een geheim adres. [minderjarige1] woont sinds maart van dit jaar in een gezinshuis in [naam3] .\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de bestreden beschikking.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt (de beslissing vernietigt).\n\n4.2. De raad wil dat de beslissing in stand blijft (de beslissing bekrachtigt).\n\n4.3. De GI wil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.4.. Ook de gezinshuisouders en de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.5. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 19 juni 2025\n\nhet verweerschrift van de raad\n\nhet verweerschrift van de GI\n\nhet e-mailbericht van de GI van 22 augustus 2025\n\nde brief namens de moeder van 19 november 2025.\n\n4.6. \n [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 17 november 2025 gesproken met een raadsheer van het hof, in het bijzijn van een griffier. Zij hebben verteld wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de moeder.\n\n4.7. De zitting bij het hof was op 21 november 2025. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\ntwee vertegenwoordigers van de GI\n\nde gezinshuismoeder van [minderjarige2]\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. De rechtbank kan, op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nHoe luiden de standpunten?\n\n5.3. \n\nDe moeder kan zich niet verenigen met de beëindiging van haar gezag over de kinderen. Zij stelt dat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) slechts sprake kan zijn van een beëindiging van het ouderlijk gezag als de voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Dat is hier niet het geval. Bovendien is volgens de moeder de uithuisplaatsing van de kinderen in het vrijwillig kader mogelijk.\n\nDaarnaast wordt volgens de moeder niet voldaan aan het wettelijk criterium van het hiervoor genoemde artikel 1:266 lid 1 BW. Volgens de moeder kan niet worden gesteld dat zij de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is volgens haar nog niet verstreken.\n\nZij kan haar verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder op afstand blijven uitoefenen, waarbij zij meer voor de kinderen kan betekenen. Zij is bereid om aan zichzelf te werken en zij zal een detox-traject aangaan, waardoor er zicht is op verbetering van haar situatie.\n\n5.4. \n\nDe raad voert aan dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk en in het belang van de kinderen is en dat zowel aan het wettelijk criterium als aan de eisen van het EHRM wordt voldaan.\n\n [minderjarige2] en [minderjarige3] verblijven op een perspectiefbiedende plek. Dat betekent dat de kinderen daar tot hun volwassenheid kunnen opgroeien. [minderjarige1] verblijft sinds eind maart 2025 op een andere groep, omdat zijn problematiek te zwaar werd voor het toenmalige gezinshuis. [minderjarige3] is onlangs gestart met traumatherapie. Het perspectief van de kinderen ligt niet bij de moeder. Dat betekent dat de kinderen niet meer bij de moeder zullen opgroeien. Volgens de raad heeft de GI, anders dan de moeder stelt, zich voldoende ingespannen om terugplaatsing van de kinderen bij de moeder te onderzoeken. De moeder heeft tijdens de ondertoezichtstelling onvoldoende stappen gezet om haar leven structureel te veranderen, zodat zij de kinderen een veilige opvoedomgeving zou kunnen bieden.\n\n5.5. Volgens de GI is het gezag van de moeder terecht beëindigd. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en de moeder is, als gevolg van aanhoudende persoonlijke problematiek, waaronder verslaving en psychische instabiliteit, niet in staat om binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De kinderen hebben te maken met forse kind-eigen problematiek. Ze komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben langdurige, gespecialiseerde zorg en stabiliteit nodig. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen niet kan bieden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. De kinderen zijn in het verleden in de thuissituatie getuige geweest van zowel fysieke als verbale agressie tussen de moeder en de vader. Beide ouders kampen met verslaving en persoonlijke problematiek. De kinderen zijn daardoor getraumatiseerd. Het is de moeder, die al ruim twaalf jaar verslaafd is, niet gelukt om de kinderen de basale verzorging te bieden. Zij is niet in staat gebleken om de kinderen de voor hen nodige veiligheid, emotionele warmte, stimulatie, regels en grenzen te bieden. De kinderen zijn al drie jaar uit huis geplaatst. De GI heeft de afgelopen jaren de nodige inspanningen verricht om te onderzoeken of de moeder weer in staat was om de kinderen op een voor hen verantwoorde manier bij haar thuis te verzorgen en op te voeden. De moeder heeft zich in die periode diverse keren bereid verklaard om aan zichzelf te werken en hulp te accepteren om haar verslaving te overwinnen. Zij is ook een aantal keren op vrijwillige basis opgenomen geweest, maar het lukt haar steeds niet om een behandeling succesvol te voltooien. De persoonlijke en verslavingsproblematiek blijven op de voorgrond aanwezig. Zij heeft onlangs tegenover de GI verklaard dat zij afgelopen zomer nog speed heeft gebruikt. De moeder komt niet in aanmerking voor een opname, omdat zij niet wil voldoen aan de daarvoor door IrisZorg gestelde voorwaarde om in een beschermd-wonen-plek te verblijven. Zij was de afgelopen jaren vaak gedurende een langere periode niet bereikbaar voor de GI en heeft daardoor veel belangrijke overlegmomenten, waarbij ook beslissingen over de kinderen genomen moesten worden, gemist.\n\n5.7. Het hof is, gelet op alles wat hiervoor is opgeschreven, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof stelt voorop dat het heel duidelijk is dat de moeder en de kinderen veel van elkaar houden. Maar ook is duidelijk geworden dat de kinderen niet bij de moeder teruggeplaatst kunnen worden. Het is de moeder de afgelopen jaren, ondanks haar goede voornemens en diverse pogingen, niet gelukt om succesvol aan haar verslavingsproblematiek te werken. De kinderen komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben daardoor forse problematiek opgelopen. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen nu niet kan bieden. Het is daarom niet de verwachting dat de moeder in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer te dragen.\n\n5.8. \n\nDe moeder stelt dat volgens het EHRM slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag als blijkt dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor de kinderen, wat volgens haar hier niet het geval is. Het hof is van oordeel dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van de kinderen. Uit de stukken, tijdens de gesprekken met [minderjarige1] en [minderjarige2] en uit wat de pleegouders van [minderjarige3] vertellen, is gebleken dat het voor de kinderen nog steeds onduidelijk is wat hun toekomstperspectief is. Voor de kinderen is het nodig om te weten dat zij niet meer bij de moeder kunnen wonen. Door de gezagsbeëindiging worden zij niet meer jaarlijks belast met de verlengingsprocedures van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, wat hun de nodige rust zal brengen voor hun verdere ontwikkeling, behandelingen en de hechting bij hun huidige verzorgers\u002Fopvoeders. Dat de moeder geen gezag meer heeft betekent uiteraard niet dat zij uit het leven van de kinderen verdwijnt. [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] willen graag contact met de moeder en het is belangrijk dat dit contact wordt voortgezet.\n\nHet hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. G.E.M. Bours als griffier, en is op 18 december 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8167","2026-07-13T00:28:44.226Z",20]