[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123489","Burgerlijk Wetboek","art. 10:158",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123490","Verordening","art. 1 lid 3",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"123491","art. 10:3",[34,44,53],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"370","ECLI:NL:GHARL:2026:4273","ecli-nl-gharl-2026-4273","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.357.164\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11419496\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. E.Tj. van Dalen\n\nen\n\nStichting Reclassering Nederland\n\ndie is gevestigd in Utrecht\n\nhierna: Reclassering Nederland\n\nadvocaat: mr. J. Stikkelbroeck\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 18 juni 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• het proces-verbaal (verslag) van de mondelinge behandeling die op 2 juni 2026 is gehouden\n\nHierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] woonde, in verband met de voorwaardelijke beëindiging van zijn TBS met dwangverpleging, op het terrein van [de instelling1] in [plaats1] (hierna: [de instelling1] ). Op 13 april 2016 heeft [de instelling1] de zorg per direct beëindigd, waarna [appellant] uiteindelijk op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] is geplaatst. [appellant] is van mening dat dit komt doordat Reclassering Nederland hem destijds – kort gezegd – onvoldoende hulp en steun heeft geboden en wil daarom dat Reclassering Nederland hem een schadevergoeding betaalt. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot dezelfde slotsom en bekrachtigt het vonnis. Hoe het hof tot deze beslissing is gekomen, zal hieronder worden toegelicht.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nFeiten en achtergrond van de zaak\n\n3.1. Het hof gaat uit van dezelfde feiten als de kantonrechter heeft vastgesteld in r.o. 3.1 tot en met 3.6 van het vonnis, waar geen grieven tegen zijn gericht. Deze feiten komen op het volgende neer.\n\n3.2. In 2002 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en TBS met dwangverpleging vanwege het seksueel misbruiken van minderjarige jongens. In januari 2015 heeft de rechtbank de TBS met dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. De voorwaarden hielden onder andere in dat [appellant] zou worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen (en zich daar aan de huisregels zou houden) en dat [appellant] , mede voor zijn eigen veiligheid, niet zijn pedoseksuele voorkeur met andere derden dan zijn begeleiders zou bespreken. Reclassering Nederland werd belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden door [appellant] .\n\n3.3. \n [appellant] werd vervolgens opgenomen in [de instelling1] waar hij dagelijks werd begeleid. [appellant] woonde hier in een zelfstandige woning, werkte bij een agrariër in de buurt en bezocht de lokale kerk. [appellant] had begin 2016 de verwachting dat Reclassering Nederland de rechtbank op korte termijn zou adviseren tot zijn onvoorwaardelijk ontslag uit de TBS.\n\n3.4. In maart 2016 heeft een persoonlijk begeleider van [appellant] aan Reclassering Nederland laten weten dat hij op de computer van [appellant] heeft gezien dat bepaalde websites zijn bezocht, die erop duiden dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno. De politie heeft de computer meegenomen, heeft geconstateerd dat deze is ‘geschoond’ en heeft op basis van de gevonden zoektermen geconstateerd dat [appellant] inderdaad heeft gezocht naar kinderporno.\n\n3.5. Begin april 2016 vond een gesprek plaats tussen de afdeling Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente [gemeentenaam] , de politie, [de instelling1] en de contactfunctionaris van Reclassering Nederland. Tijdens dit gesprek vertelde de wijkagent dat hem ter ore was gekomen dat [appellant] (destijds nog bekend onder een andere naam, een geruchtmakende zaak met veel media-aandacht indertijd) in [de instelling1] verbleef. Hij benoemde daarbij het risico dat bepaalde inwoners van [plaats3] in staat zouden zijn tot een afrekening als het verhaal van [appellant] bij hen bekend zou worden. Niet veel later zou een medewerker van [de instelling1] op een verjaardagsfeestje gevraagd zijn of [appellant] bij [de instelling1] woonde. Vanwege het door de wijkagent geschetste scenario en het daarbij behorende risico voor zowel [appellant] als de andere bewoners en de medewerkers van [de instelling1] , heeft [de instelling1] besloten de zorg aan [appellant] op 13 april 2016 te beëindigen.\n\n3.6. Reclassering Nederland heeft daarna onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden, maar heeft geen vergelijkbare setting gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt zoals [de instelling1] . Reclassering Nederland heeft daarom, in combinatie met het feit dat [appellant] heeft gezocht naar kinderporno, de rechtbank geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. Op 15 juni 2016 heeft de rechtbank hervatting gelast van de TBS met dwangverpleging. Deze uitspraak is op 6 april 2017 door het hof vernietigd, omdat er nog een alternatief werd gezien en daarmee mogelijk een longstay-traject kon worden afgewend. [appellant] heeft daardoor nog een periode TBS met (gewijzigde) voorwaarden gehad.\n\n3.7. Op 6 februari 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland alsnog hervatting van de TBS met dwangverpleging gelast. Deze beslissing is in hoger beroep op 19 september 2019 bekrachtigd. [appellant] is vervolgens (uiteindelijk) op de longstay-afdeling in [de instelling2] in [plaats2] geplaatst.\n\n3.8. \n [appellant] heeft tussen 2021 en 2023 – tevergeefs – rechtszaken gevoerd tegen [de instelling1] en tegen de Staat over de door hem gestelde onrechtmatige gebeurtenissen in 2016.\n\nGeen onrechtmatige daad Reclassering Nederland\n\n3.9. Met zijn grieven (bezwaren) legt [appellant] het geschil opnieuw integraal voor in hoger beroep. [appellant] vordert om te beginnen een verklaring voor recht dat Reclassering Nederland onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Net als de kantonrechter wijst het hof deze vordering af. Dat legt het hof hierna uit.\n\n3.10. \n [appellant] stelt dat Reclassering Nederland in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht, doordat zij [appellant] niet de hulp en steun heeft geboden die van haar mocht worden verwacht in het kader van de voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging (art. 38 lid 2 en 38g Wetboek van Strafrecht (oud)). Reclassering Nederland heeft volgens [appellant] niets ondernomen tegen zijn onmiddellijke verwijdering op 13 april 2016 van het terrein van [de instelling1] en heeft zich daarna onvoldoende ingespannen om hem teruggeplaatst te krijgen bij [de instelling1] , althans hem ergens anders in Nederland bij een soortgelijke zorgverlener onder te brengen. De overplaatsing was volgens [appellant] bovendien onterecht omdat hij zich aan alle voorwaarden heeft gehouden, wat extra reden had moeten zijn voor Reclassering Nederland om hem (meer) hulp en steun te bieden. Ook heeft Reclassering Nederland de rechtbank onterecht geadviseerd de TBS met dwangverpleging te hervatten. De reden dat [de instelling1] heeft besloten tot het beëindigen van de zorg was volgens [appellant] namelijk niet het feit dat [appellant] verdacht werd van het zoeken naar kinderporno, maar dat [de instelling1] vreesde voor imagoschade als mensen wisten dat [appellant] bij haar verbleef. [appellant] verwijst hierbij naar een e-mail van Reclassering Nederland waarin staat dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben als het alleen zou gaan om de kinderporno. Het beëindigen van de zorg door [de instelling1] is dus beslissend geweest voor het advies, terwijl die beëindiging plaatsvond op grond van dreigende imagoschade van [de instelling1] , die niet aan [appellant] kan worden toegerekend, aldus [appellant] .\n\n3.11. Net als de kantonrechter volgt het hof [appellant] niet. Reclassering Nederland heeft de verwijten van [appellant] gemotiveerd betwist, met verwijzing naar haar verslagen van 9 mei 2016 (voortgangsverslag) en 4 november 2016 (adviesrapport), en heeft toegelicht wat zij heeft ondernomen en welke maatregelen binnen haar mogelijkheden liggen (en destijds lagen). Reclassering Nederland heeft terecht aangevoerd dat zij geen zeggenschap heeft over de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen. Daar kon zij binnen haar taak om hulp en steun aan [appellant] te bieden dus niets aan doen. Daar komt bij dat [appellant] indertijd met verschillende personen in de lokale gemeenschap openlijk sprak over zijn pedoseksuele voorkeur. Dat was buiten de kring van zijn begeleiders, en daarmee handelde [appellant] niet volgens de toen geldende voorwaarden. [appellant] is door [de instelling1] voor de risico’s van openheid aan derden gewaarschuwd, maar was daarin niet te corrigeren. Hij wist, of heeft althans kunnen begrijpen, dat hij daardoor zijn verblijf in gevaar bracht. Het ging [de instelling1] ook niet alleen om imagoschade; het bekend worden van het verblijf van [appellant] en de daarmee verbonden maatschappelijke onrust werd tevens als een veiligheidsrisico gezien voor de bewoners en medewerkers van [de instelling1] . Dit alles betekent dat als Reclassering Nederland al iets had kunnen ‘vinden’ van de beslissing van [de instelling1] om het verblijf van [appellant] te beëindigen, [appellant] het er zelf toe heeft geleid dat deze ruimte werd beperkt. Reclassering Nederland was in dat kader ook niet in een positie om bewijs te verlangen van [de instelling1] van een concrete dreiging van ‘pedojagers’ uit de buurt. Dat [appellant] zelf geen bewijs zegt te hebben gevonden voor zo’n dreiging, betekent niet dat die er niet was. Gezien de gebeurtenissen begin april 2016 (zie 3.5 hierboven) is hoe dan ook gebleken dat er ‘iets’ aan de hand was.\n\n3.12. Volgens [appellant] blijft staan dat Reclassering Nederland op 12 of 13 april 2016 een alternatief voor verwijdering had moeten voorstellen, zoals een time-out of tijdelijke opvang bij [naam1] (waar [appellant] destijds een dag per week werkte). Het hof gaat hier niet in mee. Uit het verslag van Reclassering Nederland van 9 mei 2016 blijkt dat de situatie van [appellant] vroeg om professionele begeleiding en opschaling in het niveau van toezicht en controle. [naam1] kon dat niet bieden. Daar komt bij dat [appellant] was betrapt op het zoeken naar kinderporno. [appellant] heeft ook erkend dat hij de op zijn computer gevonden zoektermen heeft ingevoerd. Die erkenning was ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank die op 15 juni 2016 de TBS met dwangverpleging heeft hervat. Het hof hecht daarom geen waarde aan de ontkenning van [appellant] in de huidige procedure dat hij naar kinderporno heeft gezocht. Het zoeken door [appellant] naar kinderporno beperkte de (verzorgings-)alternatieven voor [appellant] . Ondanks deze omstandigheid heeft Reclassering Nederland niet stilgezeten, maar heeft voor [appellant] een tijdelijke plek geregeld bij [de instelling3] in [plaats4] , geprobeerd om met [de instelling1] een tussenoplossing te vinden, en vervolgens breed onderzoek gedaan naar eventuele doorplaatsingsmogelijkheden; de vraag hiernaar is – zo vermeldt het verslag van 9 mei 2016 – “uitgezet bij leden van het TBS-casusoverleg, de contactfunctionarissen TBS in het land, [naam2] , plaatsingsloket van [naam3] (dat als geen ander op de hoogte is van zorginstellingen in het land), [naam4] . Het resultaat is dat er geen vergelijkbare setting is gevonden die de mate van controle en veiligheid biedt als [de instelling1] .” Reclassering Nederland heeft later nogmaals contact gehad met [de instelling1] , over de mogelijkheid tot een verzoeningsgesprek en eventuele terugkeer, maar [de instelling1] stond daar niet voor open. [appellant] trekt in twijfel dat Reclassering Nederland zich werkelijk voor hem heeft ingezet, maar het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verslagen. [de instelling3] is weliswaar een gesloten tbs-kliniek, maar er was blijkbaar geen instelling voor begeleid wonen te vinden die [appellant] wilde opnemen. Er is ook nog gesproken over mogelijke verscherpte voorwaarden (met medicatie), maar [appellant] heeft dat geweigerd. Reclassering Nederland heeft in het verslag van 9 mei 2016 geconcludeerd dat [appellant] niet kan terugkeren in [de instelling1] en dat er geen voorzieningen zijn die een vergelijkbare waarborg bieden ter voorkoming van recidive. In de e-mail waar [appellant] naar verwijst zegt Reclassering Nederland inderdaad dat zij de rechtbank mogelijk niet negatief geadviseerd zou hebben “als er alleen sprake was geweest van het zoeken naar kinderporno”. Maar het ging dus om méér dan dat; [appellant] kon ook niet voldoen aan de voorwaarde van het verblijven in een instelling voor begeleid wonen en wilde niet aan verscherpte (extra) voorwaarden meewerken, terwijl uit bedoelde e-mail blijkt dat Reclassering Nederland dat voor een eventuele doorstart wel noodzakelijk achtte. Het hof betrekt hier nog bij – zoals blijkt uit de beslissing van de rechtbank van 15 juni 2016 – dat voor het negatieve advies ook heeft meegewogen dat de psychiater die [appellant] heeft onderzocht heeft geconcludeerd dat hij “zonder het huidig kader en strikte controle en toezicht (...) het risico hoog [acht] dat [appellant] zijn pedoseksuele gevoelens omzet in handelingen”.\n\n3.13. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Reclassering Nederland heeft [appellant] zijn stellingen – ook in hoger beroep – onvoldoende onderbouwd. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. Het hof is dan ook van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht terecht is afgewezen door de kantonrechter.\n\nGeen grond voor schadevergoeding\n\n3.14. \n [appellant] vordert € 20.000,- aan schadevergoeding, met als grondslag onrechtmatig handelen van Reclassering Nederland. Nu Reclassering Nederland niet onrechtmatig heeft gehandeld, is de gevorderde schadevergoeding eveneens terecht afgewezen.\n\n3.15. Daar komt bij dat niet is gebleken dat [appellant] schade heeft geleden door enig handelen of nalaten van Reclassering Nederland. [appellant] stelt, onder verwijzing naar artikel 6:106 sub b BW, dat hij in zijn persoon is aangetast en vergelijkt hierbij de situatie in februari 2016 waarin hij (volgens hem) bijna onvoorwaardelijk uit de TBS zou komen met de uitzichtloze situatie waarin hij nu zit: TBS met dwangverpleging op een longstay-afdeling. Die vergelijking rust echter op een keten van aannames, in plaats van een voor de hand liggend hypothetisch scenario. Zelfs als Reclassering Nederland [de instelling1] in 2016 ertoe had kunnen bewegen om het verblijf als tussenoplossing voort te zetten, is immers niet gezegd dat [appellant] daar had kunnen blijven, gegeven de schending van de voorwaarden, laat staan dat de TBS dan definitief zou zijn beëindigd. Daar sluit op aan dat de beslissing om de TBS met dwangverpleging te hervatten, op 15 juni 2016 genomen door de rechtbank, is terug te voeren op de eigen gedragingen van [appellant] . De rechtbank overwoog immers: “wat er zij van de handelwijze van [de instelling1] , vast staat dat veroordeelde ondanks aanwijzing én waarschuwing van de reclassering op internet gezocht heeft naar kinderporno. Hiermee heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden én zich weer in het delict scenario begeven. Dit maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de verpleging van overheidswege wordt hervat.” Weliswaar is dit vonnis vernietigd in hoger beroep, waarna nog even de TBS onder voorwaarden is voorgezet, maar uiteindelijk is op 6 februari 2019 de TBS met dwangverpleging hervat. Daarna is deze nog meermaals verlengd. Door [appellant] is onvoldoende onderbouwd dat deze herhaalde voortzetting van zijn TBS met dwangverpleging niet zou hebben plaatsgevonden als Reclassering Nederland in 2016 anders zou hebben gehandeld. Al met al ontbreekt dus een (voldoende direct) causaal verband tussen het gestelde handelen\u002Fnalaten van Reclassering Nederland en de situatie waarin [appellant] zich nu bevindt. Ook dat is een reden voor afwijzing van de gevorderde schadevergoeding.\n\nDe conclusie\n\n3.16. \n\nHet hoger beroep slaagt niet. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 18 juni 2025;\n\n4.2. \n\nveroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Reclassering Nederland:\n\n€ 2.255,- aan griffierecht\n\n€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Reclassering Nederland (2 procespunten x tarief II)\n\n4.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, J.P.H. van Driel van Wageningen en L. Spronck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:4015.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2911; Hof Den Haag 20 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1226.\n\n HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4273","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.452Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":52},"1260","ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","ecli-nl-rbgel-2026-5214","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F453863 \u002F HA ZA 25-275\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\n2. [naam eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna te noemen: [de eisers] ,\n\nadvocaat: mr. Z.J. Rittersma, op de voet van art. 16e van de Advocatenwet in samenwerking met mr. S. Wijnkamp, Rechtsanwalt te Mils bei Imst, Oostenrijk,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nGENERALI DEUTSCHLAND AG,\n\ngevestigd te München, Duitsland,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Generali,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. Zeeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 november 2023, aangebracht tegen de rol van 13 december 2023 en geregistreerd onder zaaknummer C\u002F05\u002F429092 \u002F HA ZA 23-538\n\n- de herhaalde en ingewilligde eenstemmige verzoeken om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord\n\n- de rolbeslissing van 16 april 2024, waarbij de zaak ambtshalve is doorgehaald op de rol\n\n- de rolbeslissingen van 16 en 18 april 2024, waarbij niet is teruggekomen van de beslissing tot doorhaling\n\n- het opbrengen van de zaak op de rol van 9 juli 2025, onder het huidige zaaknummer\n\n- de akte bij hervatting, tevens houdende eiswijziging\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het tussenvonnis van 22 oktober 2025\n\n- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 februari 2026 en de daarin genoemde aanvullende producties\n\n- de rolberichten van partijen 24 maart 2026.\n\n1.2.. \n\nTen slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nOp 2 januari 2017 is [vader eisers] , bestuurder van Topparken Holding B.V en vader van [de eisers] , in Gerlos, Oostenrijk, op straat aangereden door een bij (een rechtsvoorgangster van) Generali verzekerde personenauto. [eiser 1] heeft het ongeval zien gebeuren, [eiser 2] niet. [vader eisers] is aan zijn verwondingen overleden.\n\n [de eisers] waren destijds respectievelijk 17 en 13 jaar oud. [vader eisers] was tot de echtscheiding in 2016 gehuwd met [naam 1] .\n\n2.2.. De begrafenis van [vader eisers] vond plaats op 19 januari 2017. De uitvaartondernemer heeft de erven daarvoor een rekening gestuurd van € 31.589,47. In verband met de uitvaart zijn aan Topparken Holding B.V. (verder: Topparken) bedragen van in totaal € 211.204,20 in rekening gebracht. Voor de kosten van het grafmonument is aan [naam 2] een factuur van € 5.993,00 gezonden.\n\n2.3.. Bij e-mail van 19 juli 2017 heeft het Ausländerschadensbüro van het Verband der Versicherungsunternehmen Österreichs te Wenen (verder: het Verband) aan [de eisers] laten weten dat de belangen bij auto-ongevallen in Oostenrijk van de rechtsvoorgangster van Generali worden behartigd door Generali Versicherung AG, gevestigd in Wenen, Oostenrijk (verder: Generali Oostenrijk).\n\n2.4.. Bij vonnis van 9 augustus 2017 heeft het Landesgericht Innsbruck de bestuurder van de personenauto veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens dood door grove nalatigheid (grob fahrlässige Tötung). Vastgesteld werd dat de bestuurder in het donker en met door sneeuwval verminderd zicht, zonder licht te voeren en in beschonken toestand reed en [vader eisers] , die zich op de rijbaan bevond, over het hoofd heeft gezien en heeft aangereden, waardoor hij traumatisch hersenletsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij is overleden. De bestuurder is daarbij tevens veroordeeld om aan de benadeelde partijen (Privatbeteiligten) [eiser 1] en [eiser 2] (lees: [de eisers] , rb) ieder € 500,00 te betalen. Dit Oostenrijkse strafvonnis is onherroepelijk.\n\n2.5.. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft Generali Oostenrijk aan [de eisers] bericht “dass wir in den Schadenfall eintreten können”. Generali Oostenrijk heeft daarbij meegedeeld een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken te verwachten en ook een toelichting op de gezinssituatie.\n\n2.6.. Bij e-mail van 18 oktober 2019 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 15 december 2020 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.7.. Op 11 mei 2020 heeft Generali aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.000,00 betaald ter zake van smartengeld c.q. shockschade.\n\n2.8.. Bij e-mail van 27 november 2020 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 31 december 2021 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.9.. Bij e-mail van 7 december 2021 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 30 juni 2022 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n2.10.. Bij e-mail van 26 mei 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat zij de verlangde bewijsstukken nog niet heeft ontvangen, dat de termijn van afzien van een beroep op verjaring al meerdere keren is verlengd, dat zij dit nu voor de laatste maal zal doen en tot 30 november 2023 geen verjaringsverweer zal tegenwerpen.\n\n2.11.. Op 23 augustus 2023 heeft Generali betreffende smartengeld c.q. shockschade een aanvullend bedrag van € 10.000,00 betaald aan [eiser 1] onder de vermelding “Betreffend Trauerschmerzengeld\u002FSchockschaden stellen wir lhrem Mandanten [eiser 1] , der diesen tragischen Unfall miterlebte, einen weiteren Betrag von 10.000,00 Euro zur Verfügung”. Ook heeft Generali toen de leges die [de eisers] als benadeelde partijen in de strafzaak hebben moeten betalen, in totaal een bedrag van € 1.761,42, aan hen betaald.\n\n2.12.. Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat na ruggenspraak met haar contactpersoon tot 31 december 2023 wordt afgezien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [de eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,\n\n1) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor alle door [de eisers] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 2 januari 2017,\n\n2) Generali zal veroordelen om wegens geleden schade tot en met 2020 te betalen, aan [eiser 1] een bedrag van € 369.425,05 en aan [eiser 2] een bedrag van € 366.871,63, althans in goede justitie vast te stellen schadevergoedingen, te vermeerderen met rente,\n\n3) voor recht zal verklaren dat Generali aan [eiser 1] en [eiser 2] met ingang van 1 januari 2021, althans een in goede justitie vast te stellen begindatum, ieder een jaarlijkse vergoeding voor gemiste onderhoudsbijdrage, gemiste bijdragen aan huishoudelijke taken en gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene verschuldigd is, op te maken bij staat,\n\n4) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\nmet veroordeling van Generali in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met rente.\n\n3.2.. \n [de eisers] baseren hun vorderingen kort gezegd erop dat zij als nabestaanden naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder aanspraak hebben op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade, van de begrafeniskosten, van gemist levensonderhoud, van de gemiste bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding en aan het onderhoud van de gezinswoning en van de belasting die zij over de te ontvangen schadevergoeding zullen moeten afdragen. Zij kunnen deze aanspraken rechtstreeks te gelde maken tegen Generali, bij wie de door de bestuurder bestuurde auto ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid was verzekerd, aldus [de eisers] .\n\n3.3.. \n\nDe aanspraak op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade hebben [de eisers] becijferd op respectievelijk € 30.000,00 en € 15.000,00, waarvan Generali reeds respectievelijk € 25.000,00 en € 15.000,00 heeft betaald, zodat in dit verband nog een aanspraak van [eiser 1] resteert van € 5.000,00.\n\nDe aanspraak op vergoeding van de kosten van de begrafenis hebben [de eisers] geraamd op € 248.786,67, het totaal van de in 2.2. genoemde bedragen. Voor zover deze kosten door Topparken Holding B.V,. zijn voldaan, heeft deze vennootschap haar vordering op de bestuurder c.q. Generali aan [de eisers] overgedragen. [de eisers] vorderen ieder de helft van de begrafeniskosten.\n\nDe aanspraak op gemiste onderhoudsbijdrage, waaronder opleidingskosten en ten behoeve van dit onderhoud door de overledene opgebouwd vermogen van € 100.000,00 per kind, en gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] tot en met 2020 becijferd op respectievelijk € 240.531,71 en € 242.978,29. Hun aanspraken op wezenpensioen en uit een lijfrente hebben zij daarin verdisconteerd.\n\nOp hun aanspraak hebben [de eisers] ieder de € 500,00 in mindering gebracht die zij op basis van het Oostenrijkse strafvonnis van de bestuurder hebben ontvangen.\n\n3.4.. Generali voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [de eisers] in de (na)kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen nadere akte\n\n4.1.. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om [de eisers] nog bij akte op productie 8 van Generali te laten reageren. Zij hebben zich over dit juridisch advies van dr. [adviseur] genoegzaam kunnen uitlaten, in aanmerking genomen dat de strekking ervan al grotendeels in de conclusie van antwoord was vervat, zij mede worden bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat en zij zich vervolgens ook daadwerkelijk ter zitting hebben uitgelaten. Een nadere akte is dan, met het oog op hoor en wederhoor of een goede instructie van de zaak, niet noodzakelijk.\n\nIPR\n\n4.2.. In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht op grond van art. 11 lid 1 sub b j° art. 13 lid 2 en art. 26 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215\u002F2012). Het betreft hier een vordering die door getroffenen rechtstreeks tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar wordt en kan worden ingesteld, Generali heeft woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de EU en [de eisers] wonen in het rechtsgebied van deze rechtbank. Generali is bovendien verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten.\n\n4.3.. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oostenrijk. Uit art. 3 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971\u002F118), welk Verdrag gelet op art. 10:158 BW en art. 28 van de Rome II-Verordening (nr. 864\u002F2007) voor gaat op die Verordening en bij welk Verdrag Nederland en Oostenrijk partij zijn, volgt dan dat Oostenrijks recht van toepassing is. Ingevolge art. 8 van dit Verdrag bepaalt Oostenrijks recht onder meer welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade, alsmede de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing. [de eisers] en ook Topparken, die haar vordering aan hen heeft overgedragen, hebben krachtens Oostenrijks recht een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding op Generali, de verzekeraar van de aansprakelijke partij, in de zin van art. 9 lid 1 van het hiervoor bedoelde Verdrag.\n\nCessies\n\n4.4.. \n [de eisers] hebben bij akte van 1 juli 2025, vlak voordat de zaak opnieuw werd opgebracht, hun vorderingen op Generali overgedragen aan Topparken. Generali heeft bij antwoord opgeworpen dat [de eisers] daarom niets meer van haar te vorderen te hebben, zodat het gevorderde moet worden afgewezen. Bij akte van 10 februari 2026, vlak voor de mondelinge behandeling, heeft Topparken haar vorderingen op Generali overgedragen aan [de eisers] , zoals klaarblijkelijk van aanvang af de bedoeling was. Het verweer van Generali slaagt daarom niet.\n\nVerjaring\n\n4.5.. Generali beroept zich erop dat de vorderingen die [de eisers] hebben ingesteld zijn verjaard, in de eerste plaats omdat de verklaringen dat dit verweer niet zal worden gevoerd, niet namens Generali zijn gedaan en dus jegens haar geen werking hebben. De verjaringstermijn, naar Oostenrijks recht drie jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke partij (§ 1489 Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch, verder: ABGB), is daarom verstreken zodat de vorderingen zijn verjaard, aldus Generali.\n\n4.6.. Dit verweer slaagt niet. Generali leidt uit de verklaringen van Generali Oostenrijk af dat Generali Oostenrijk uitsluitend namens het Verband tijdelijk afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring en niet namens Generali. De rechtbank verwerpt dat standpunt.\n\n4.7.. Zoals [de eisers] in de dagvaarding onbetwist hebben gesteld en ter zitting met een citaat uit de betreffende e-mail hebben onderbouwd, heeft het Verband op 19 juli 2017 aan [de eisers] laten weten dat de belangen van de rechtsvoorgangster van Generali bij ongevallen met motorrijtuigen in Oostenrijk worden behartigd door Generali Oostenrijk, als de bevoegde contactpersoon. Daarbij is hun gevraagd zich voor de verdere correspondentie over de schadeafwikkeling tot Generali Oostenrijk te wenden. Generali Oostenrijk heeft zich vervolgens ook als zodanig gemanifesteerd, bijvoorbeeld door [de eisers] op 24 oktober 2017 te berichten “dass wir in den Schadenfall eintreten können” met het verzoek om een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken en een toelichting op de gezinssituatie. Op 26 mei 2023 heeft Generali Oostenrijk nog gerappelleerd over ontbrekende bewijsstukken. De contacten van [de eisers] met Generali Oostenrijk hebben bovendien geleid tot betalingen door Generali.\n\n4.8.. Generali Oostenrijk is aldus opgetreden als schaderegelaar (Schadenregulierungs-beauftragte) van Generali, in de zin van art. 21 van Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (verder: Richtlijn 2009\u002F103\u002FEG). Zie voor de verplichting van Generali om in Oostenrijk een schaderegelaar aan te wijzen § 163 van het huidige Duitse Versicherungsaufsichtsgesetz. Een dergelijke schadebehandelaar moet, gelet op lid 1 van dit art. 21 en lid 1 van deze § 163, geacht worden de verzekeraar ter zake van de behandeling en afwikkeling van een vordering als de onderhavige bevoegd te vertegenwoordigen. De verklaringen van Generali Oostenrijk over het afzien van een beroep op verjaring binden Generali dus wel degelijk, nog daargelaten dat Generali Oostenrijk in de e-mailberichten van 26 mei 2023 en 16 november 2023 niet heeft verklaard dat zij namens het Verband afziet van een beroep op verjaring. Dit betekent dat de vorderingen van [de eisers] in ieder geval tot 31 december 2023 niet zijn verjaard.\n\n4.9.. Dit geldt niet voor de aan [de eisers] overgedragen vordering van Topparken ter zake van de aan haar in rekening gebrachte kosten van de uitvaart. Zoals [de eisers] aanvoeren en Generali onderschrijft, heeft Topparken naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder en Generali een eigen recht op vergoeding van kosten die zij in verband met het ongeval heeft gemaakt, althans tot op zekere hoogte. Gesteld noch gebleken is echter dat Topparken tegenover de bestuurder, Generali, het Verband of Generali Oostenrijk op enigerlei wijze de verjaring heeft gestuit. Dat er door of namens Topparken enige communicatie is geweest in de richting van een van deze partijen totdat in 2025 mededeling werd gedaan van de eerste cessie, is niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Haar aanspraak op vergoeding van deze kosten is dan verjaard. Dit betreft het totaal van de rekeningen die ter zake van het overlijden en de uitvaart aan Topparken zijn gezonden, ter hoogte van het in 2.2. bedoelde bedrag van € 211.204,20. Dat Topparken haar vordering aan [de eisers] heeft overgedragen maakt het voorgaande niet anders. Die vordering was toen al verjaard.\n\n4.10.. Generali beroept zich in de tweede plaats erop dat de vorderingen van [de eisers] zijn verjaard, omdat zij de onderhavige procedure, die voor 31 december 2023 werd ingeleid, onvoldoende voortvarend hebben voortgezet.\n\n4.11.. Volgens § 1497 ABGB wordt de verjaring gestuit door de schuldenaar in rechte aan te spreken en die procedure behoorlijk voort te zetten (Die Verjährung wird unterbrochen wenn er (degene die zich op verjaring wil beroepen, rb) von dem Berechtigten belangt, und die Klage gehörig fortgesetzt wird). Wordt een procedure gestart, maar niet behoorlijk vervolgd, dan verjaart dus alsnog de vordering. Volgens vaste Oostenrijkse rechtspraak is pas sprake van onbehoorlijke voortzetting als de eiser een ongebruikelijke inactiviteit aan de dag legt, waaruit kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het bereiken van het procesdoel. (… wenn der Kläger eine ungewöhnliche Untätigkeit an den Tag legt, die darauf schließen lässt, dass ihm an der Erreichung des Prozesszieles nicht mehr gelegen ist.)\n\n4.12.. Generali wijst in dit verband erop dat [de eisers] , na doorhaling van de zaak op de rol bij beslissing van 16 april 2024, totdat zij op 1 juli 2025 aankondigden dat de zaak opnieuw zou worden opgebracht, niet van zich hebben laten horen. Deze inactieve periode van 14½ maand betekent dat [de eisers] de procedure niet behoorlijk hebben vervolgd. Daarom is de vordering verjaard, aldus Generali.\n\n4.13.. Dit verweer slaagt niet. Naar Oostenrijks recht is inactiviteit slechts relevant voor zover deze inactiviteit valt in de periode na het vollopen van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn. (Die Untätigkeit ist nur soweit relevant, als sie in die Zeit nach Ablauf der (ursprünglichen) Verjährungsfrist fällt.)\n\n4.14.. Uit § 1497 ABGB volgt dat de verjaring ook wordt gestuit als degene die zich op verjaring wil beroepen vóór het vollopen van de verjaringstermijn het recht van de ander uitdrukkelijk of stilzwijgend erkent. (Die Verjährung wird unterbrochen wenn derjenige, welcher sich auf dieselbe berufen will, vor dem Verlaufe der Verjährungszeit entweder ausdrücklich oder stillschweigend das Recht des Andern anerkannt hat.) De erkenning hoeft niet uitdrukkelijk te geschieden; gedrag waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar zich ervan bewust is tot betaling verplicht te zijn, is voldoende. De verjaring wordt onderbroken door elke handeling van de schuldenaar die op enigerlei wijze uitdrukking geeft aan zijn besef dat hij uit hoofde van de betreffende schuldverhouding verplicht is jegens de schuldeiser, waarbij de objectieve verklarende waarde van de wilsuiting doorslaggevend is. Door deelbetalingen wordt de verjaring onderbroken wanneer er geen twijfel over bestaat dat de schuldenaar daarmee slechts een deel van zijn schuld wilde dekken. (Die Anerkennung muss nicht ausdrücklich erfolgen; ein Verhalten, aus dem sich entnehmen lässt, dass der Schuldner das Bewusstsein hat, zur Zahlung verpflichtet zu sein, ist ausreichend. Die Unterbrechung der Verjährung bewirkt jede Handlung des Schuldners, die in irgendeiner Weise sein Bewusstsein, aus dem betreffenden Schuldverhältnis dem Gläubiger verpflichtet zu sein, zum Ausdruck bringt, wobei es auf den objektiven Erklärungswert der Willensäußerung ankommt. Durch Teilzahlungen wird die Verjährung dann unterbrochen, wenn zweifelsfrei ist, dass der Schuldner mit ihnen nur einen Teil seiner Schuld abdecken wollte.)\n\n4.15.. Uit de door [de eisers] gestelde feiten volgt dat Generali laatstelijk op 23 augustus 2023 ter zake van smartengeld c.q. shockschade en ter vergoeding van leges, betalingen heeft gedaan aan [de eisers] , zonder twijfel ter delging van slechts een deel van haar schuld aan hen. Die schuld bestond immers uit meer dan smartengeld c.q. shockschade, zoals Generali, getuige de herhaalde verzoeken om bewijsstukken ten aanzien van gederfd levensonderhoud, ook wist. Uit voormelde deelbetalingen van Generali aan [de eisers] kan worden afgeleid dat Generali zich bewust was tot betaling verplicht te zijn. De betalingen geven immers objectief beschouwd blijk van haar besef van de aanspraken van [de eisers] jegens haar uit hoofde van het ongeval. De verjaring is dan ook wegens erkenning gestuit op 23 augustus 2023. Op dat moment is de verjaringstermijn van drie jaar uit § 1489 ABGB opnieuw aangevangen. Volgens Oostenrijks recht wordt door de erkenning de lopende verjaringstermijn gestuit; deze begint volledig opnieuw te lopen zodra de reden voor de stuiting is weggevallen. (Durch die Anerkennung wird die laufende Verjährung unterbrochen; sie beginnt nach Wegfall des Unterbrechungsgrundes völlig neu zu laufen.) Sinds 23 augustus 2023 zijn nog geen drie jaar verstreken. Talmen van [de eisers] tijdens de onderhavige procedure kan dan naar Oostenrijks recht hun vorderingen niet doen verjaren, wat daarvan verder zij.\n\nAansprakelijkheid\n\n4.16.. Niet in geschil is dat de bestuurder en houder van de bij Generali verzekerde personenauto jegens [de eisers] aansprakelijk is uit hoofde van § 1 en § 5 van het Eisenbahn- und Kraftfahrzeughaftpflichtgesetz (verder: EKHG). Onbetwist is ook dat [de eisers] op basis van § 26 van het Kraftfahrzeug-Haftpflichtversicherungsgesetz 1994 deze schadevergoedingsaanspraak rechtstreeks jegens Generali geldend kunnen maken. Over de schade waarvan [de eisers] vergoeding vorderen, wordt, uitgesplitst per schadepost, het volgende overwogen.\n\nBegrafeniskosten\n\n4.17.. In § 12 van het EKHG, dat de inhoud van de schadeloosstelling betreft, is in lid 1 aanhef en onder 5 bepaald dat, in geval van overlijden, degene die de kosten van de begrafenis moet dragen of deze kosten daadwerkelijk heeft gedragen, aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van een passende begrafenis. Niet in geschil is dat [de eisers] jegens Generali recht hebben op vergoeding van de kosten van de begrafenis die zij hebben gemaakt, voor zover deze passend was.\n\n4.18.. Ter zake van de begrafenis is, zoals gezegd, aan de erven een bedrag van € 31.589,47 in rekening gebracht, van welk bedrag [de eisers] in deze procedure vergoeding vorderen. Generali betwist dat [de eisers] deze kosten hebben voldaan. Omdat (vrijwel) alle andere facturen ter zake van de begrafenis door Topparken zijn betaald acht Generali aannemelijk dat ook de factuur van de uitvaartondernemer door Topparken is voldaan en niet door [de eisers] . Daarbij heeft Generali gewezen op de eerste cessieakte, waarin staat dat Topparken een belangrijk deel van de kosten van de uitvaart heeft voldaan. De kosten van de uitvaart hebben volgens [de eisers] in totaal € 248.786,67 bedragen, waarvan een bedrag van € 211.204,20 door Topparken is voldaan, zoals hiervoor in 4.9. is aangenomen. Dit sluit aan bij de tekst van de cessieakte waarin staat dat de kosten slechts voor een belangrijk deel en dus niet (bijna) volledig door Topparken zijn voldaan. De cessieakte lijkt dan juist het standpunt van [de eisers] te ondersteunen dan zij het verhoudingsgewijs geringe bedrag van € 31.589,47 wel zelf hebben voldaan. In ieder geval heeft Generali dit aldus onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat zonder bewijslevering wordt vastgesteld dat [de eisers] zelf voor een bedrag van € 31.589,47 de kosten van de begrafenis hebben moeten dragen, zoals Generali uiteindelijk ook ‘hooguit’ wel wil aannemen. [eiser 1] heeft in de dagvaarding vergoeding van dit volledige bedrag gevorderd. Na wijziging van eis vorderen [de eisers] ieder de helft van deze kosten. In het juridisch advies van dr. [adviseur] dat Generali in het geding heeft gebracht worden aan deze eiswijziging verjaringsgevolgen verbonden, maar dat is niet concreet gebeurd in de processtukken of ter zitting, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.\n\n4.19.. De kosten van het grafmonument ad € 5.993,00 zijn bij [naam 2] in rekening zijn gebracht. [de eisers] hebben niet toegelicht dat en hoe deze kosten toch voor hun rekening zijn gekomen. In zoverre is het gevorderde daarom niet toewijsbaar.\n\n4.20.. Ter zake van de hoogte van het gevorderde bedrag is het volgende van belang. Niet in geschil is dat de factuur van de begrafenisondernemer diensten en zaken betreft die naar Oostenrijks recht als kosten van de begrafenis hebben te gelden. De vraag is vervolgens wat de kosten van een passende begrafenis in dit geval zijn, omdat slechts in zoverre een vergoedingsplicht bestaat. Volgens Generali is het gevorderde bedrag onredelijk hoog. Volgens haar wordt in Oostenrijk doorgaans een bedrag van tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 als redelijk beschouwd, waaraan in het advies van [adviseur] is toegevoegd dat zelfs als rekening wordt gehouden met de hoge beroepsstatus van [vader eisers] de gevorderde kosten ad € 248.000,00 onredelijk hoog zijn.\n\n4.21.. Zoals [de eisers] aanvoeren moet voor de uitleg van het begrip ‘passende begrafenis’ in § 12 lid 1 aanhef en onder 5 EKHG § 549 ABGB analoog worden toegepast, waarin is bepaald dat de gewoonten van de plaats, alsmede de stand en het vermogen van de overledene doorslaggevend zijn.Niet in geschil is dat de stand en het vermogen van [vader eisers] aanzienlijk bovengemiddeld waren. Dan kan een bedrag dat iets hoger ligt dan anderhalf keer een kennelijk doorgaans nog passend bedrag, niet bovenmatig worden beschouwd. Gelet hierop is aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.794,74 voor begrafeniskosten toewijsbaar. Zoals gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag en wel vanaf 28 juli 2023. Generali heeft onweersproken opgeworpen dat naar Oostenrijks recht de wettelijke rente pas gaat lopen vanaf het moment waarop een concreet bedrag aan schadevergoeding wordt gevorderd. Dit is volgens [de eisers] gebeurd door bij brief van 29 juni 2023 uiterlijk op 28 juli 2023 betaling te verlangen. [de eisers] hebben er dan geen belang meer bij dat voor recht wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nSmartengeld [eiser 1]\n\n4.22.. Niet in geschil is dat [eiser 1] , nu de bestuurder grove schuld heeft aan het ongeval, aanspraak heeft op vergoeding van het verdriet om het verlies van zijn vader (zogenoemd Trauerschmerzengeld). Generali heeft hem in dit verband buiten rechte al een vergoeding betaald van in totaal € 25.000,00. [eiser 1] vordert nu € 5.000,00 meer. Daartoe wijst hij erop dat hij destijds als minderjarige in gezinsverband samenleefde met zijn vader met wie hij de gebruikelijke intensieve emotionele band had, dat hij persoonlijk getuige was van het ongeval en heeft moeten zien hoe zijn stervende vader met zware hoofdwonden op de grond was gevallen en dat hij nog steeds lijdt aan slaap- en concentratiestoornissen, onevenwichtigheid en depressie. Hij heeft daarbij verwezen naar § 273 Zivilprozessordnung (ZPO), waarin een algemene regeling voor bewijsnood in gevallen van schadevergoeding is gegeven. Omdat in deze zaak Nederlands procesrecht moet worden toegepastgaat de rechtbank hieraan voorbij, met dien verstande dat het in dit geval, gelet op het hierna volgende, niet op bewijslevering aankomt.\n\n4.23.. Generali heeft de door [eiser 1] aangevoerde omstandigheden niet betwist, maar meent dat de reeds uitgekeerde vergoeding meer dan redelijk is.\n\n4.24.. In de door [de eisers] aangehaalde uitspraak van het Oberste Gerichtshof werd de € 20.000,00 die in eerste aanleg werd toegewezen aan ieder van de ouders van een kind van zes jaar dat op 31 maart 2004 bij een verkeersongeval om het leven kwam, door het Oberste Gerichtshof in stand gelaten.Die € 20.000,00 bedroeg, rekening houdend met de geldontwaarding in Oostenrijk tussen 31 maart 2004 en 2 januari 2017, op laatstgenoemde datum ongeveer € 25.000,00. De benadeelden hadden in dat geval, anders dan [eiser 1] in de onderhavige zaak, het ongeval niet zien gebeuren. Zoals ook volgt uit de nabetaling door Generali op 23 augustus 2023 en de reden die zij daarvoor toen heeft opgegeven, is het feit dat de benadeelde getuige was van het verongelukken, een wezenlijk verhogende omstandigheid voor het verschuldigde Trauerschmerzengeld. Generali heeft niet concreet betwist dat de overige omstandigheden van de door het Oberste Gerichtshof berechte geval vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In het licht hiervan overvraagt [eiser 1] niet door in totaal € 30.000,00 aan smartengeld c.q. shockschade te verlangen. De nog niet vergoede € 5.000,00 zal dus aan hem worden toegewezen. Zoals onbetwist gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag vanaf 28 juli 2023, op de hiervoor genoemde gronden. Het belang van een verklaring voor recht dat wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade komt daarmee te ontvallen. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.\n\nGemist levensonderhoud en gemiste zelfwerkzaamheid\n\n4.25.. Ingevolge § 12 lid 2 j° § 19 EKHG en § 1327 ABGB moeten in een geval als dit, waarin lichamelijk letsel de dood tot gevolg heeft, de nabestaanden, voor wier onderhoud de overledene volgens de wet moest zorgen, schadeloos worden gesteld voor hetgeen hun daardoor ontgaat. Niet in geschil is dat tot dit gemiste onderhoud ook behoort de gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene in het huishouden en aan de gezinswoning. De sub 1 en sub 3 gevorderde verklaringen voor recht zijn dan ook toewijsbaar in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] . Ter zitting hebben [de eisers] verklaard dat met de eiswijziging na hervatting van de procedure bedoeld is de term ‘levenslang’ in het petitum van de dagvaarding sub 3 te laten vervallen en dat de rechtbank het zo moet begrijpen dat het gaat om de periode totdat de kinderen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Ook volgens Generali is dat zo. De toe te wijzen verklaring voor recht zal in deze zin worden aangevuld.\n\n4.26.. \n [de eisers] hebben sub 2 een veroordeling gevorderd tot betaling van de volgens hen tot en met 2020 in dit verband concreet verschenen schade. Voor nadien in dit verband verschenen en te verschijnen schade vorderen zij sub 3 klaarblijkelijk een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.\n\n4.27.. Ter zake van de tot en met 2020 verschenen schade geldt het volgende. Niet in geschil is dat [de eisers] aanspraak (kunnen) hebben op enig bedrag als compensatie voor het missen van onderhoud. Het is aan hen om in dit verband het nodige te stellen en te bewijzen. Om dit schadebedrag te kunnen becijferen is inzicht nodig in het gezinsinkomen, in het bijzonder het vrij besteedbare gezinsinkomen en het aandeel van de afzonderlijke gezinsleden daarin, de zogenoemde Konsumquote.Ook is hiervoor van belang of en zo ja in welke mate de moeder van [de eisers] in hun onderhoud voorzag of (volgens het echtscheidingsconvenant) moest voorzien. Verder moet daarvoor in kaart worden gebracht op welke bedragen [de eisers] vanwege het overlijden jegens derden aanspraak konden maken, zoals bijvoorbeeld uit wezenpensioen en lijfrente. Als [de eisers] zelf inkomsten genereerden is dat ook van belang.\n\n4.28.. \n [de eisers] hebben in dit verband stellingen betrokken en hebben op basis van deze stellingen de schade laten berekenen. Zij hebben echter nagelaten om hun stellingen behoorlijk met stukken concreet toe te lichten en te onderbouwen, hoewel van de zijde van Generali vanaf 24 oktober 2017 bij herhaling om dergelijke stukken is verzocht. Als bewijs voor studiekosten wordt bijvoorbeeld verwezen naar een simpel staatje, zonder onderliggende bewijsstukken te delen. De basis voor de Konsumquote, een bedrag van € 49.717,00 in 2016, hebben zij als feit gepresenteerd, zonder concrete onderbouwing. Over de inkomsten van de overledene en hun eigen inkomsten hebben [de eisers] geen concrete, met stukken onderbouwde informatie verschaft. Bovendien hebben [de eisers] , hoewel zij onderkennen dat hun aanspraken door het Oostenrijkse recht worden bepaald, hun berekening van de schade gebaseerd op Nederlands recht, omdat het rekenprogramma van hun actuaris daarop is ingericht.\n\n4.29.. Het rapport met deze berekening bevat, behalve jaaropgaven van een pensioenfonds en een offerte voor een lijfrente, geen bewijsstukken van de uitgangspunten die aan de berekening ten grondslag zijn gelegd. Deze uitgangspunten zijn volgens het rapport aangedragen door dr. Wijnkamp en een accountant, waarnaar [de eisers] vervolgens in hun dagvaarding weer verwijzen ten bewijze van hun stellingen. Dit is een cirkelredenering. Ter zake van bewijs voor gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] in de dagvaarding nog verwezen naar een berekening met bijlagen van [expertisekantoor] B.V. van 6 november 2014, zonder deze stukken, die overigens gelet op het jaartal dateren van voor het ongeval, in het geding te brengen. Bij akte na hervatting hebben zij deze verwijzing weer teruggenomen.\n\n4.30.. Generali heeft in haar conclusie van antwoord aandacht gevraagd voor deze voortdurende gebrekkige onderbouwing van stellingen. In reactie daarop hebben [de eisers] 14 dagen voor de zitting een groot aantal bewijsstukken overgelegd. Zij hebben echter nagelaten de rechtbank en Generali wegwijs te maken in die stukken, in die zin dat niet duidelijk is gemaakt hoe deze stukken hun vorderingen concreet onderbouwen. Ter zitting hebben [de eisers] over deze stukken in de eerste plaats opgemerkt dat ze vooral van belang zijn voor zover concrete beslissingen nodig zijn over een andere berekeningsmethode dan hun actuaris heeft toegepast of als na bewijslevering over de omvang van de schade moet worden geconcludeerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Verder is ter zitting door [de eisers] over de stukken opgemerkt dat het te ver voert om die allemaal in detail te bespreken, maar dat daarmee de vordering ter zake van gemist onderhoud is onderbouwd. Aldus is de concrete relevantie van de stukken voor de vorderingen niet inzichtelijk gemaakt. [de eisers] refereren in dit verband nog aan de gang van zaken in een Oostenrijkse schadevergoedingsprocedure, waarin een deskundige het voortouw neemt. Reeds omdat deze zaak naar Nederlands procesrecht moet worden behandeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Naar Nederlands procesrecht kan weliswaar een deskundige worden benoemd om de schade te berekenen, maar het begint ermee dat vorderingen deugdelijk worden toegelicht en onderbouwd, ook om verweer daartegen en bespreking ervan mogelijk te maken.\n\n4.31.. Het voorgaande leidt ertoe dat tot op heden geen inhoudelijk partijdebat over de omvang van deze schadepost heeft kunnen plaatsvinden. Dit brengt mee dat weliswaar vastgesteld kan worden dat Generali aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat de rechtbank niet in staat is het beloop van de schade in dit vonnis te bepalen. [de eisers] hebben daarover bovendien zoveel onduidelijk gelaten dat de rechtbank geen nader onderzoek in de hoofdzaak zal gelasten, maar een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zal uitspreken.\n\n4.32.. Van de na 2020 verschenen en nog te verschijnen schade vorderen [de eisers] , naast de in 4.25. bedoelde verklaring voor recht, klaarblijkelijk een veroordeling tot vergoeding op te maken bij staat. De mogelijkheid van deze schade is ook voldoende aannemelijk. De vordering zal worden toegewezen.\n\n4.33.. Het verweer van Generali dat de vordering tot vergoeding van schade die is verschenen vanaf 2021 tot de dag van dagvaarding niet toewijsbaar is, wordt verworpen. Generali heeft haar verweer erop gebaseerd dat het naar Oostenrijks recht niet mogelijk is om ter zake van deze verschenen schade alleen een verklaring voor recht te vorderen. [de eisers] hadden deze schade concreet moeten vorderen en dat hebben zij niet gedaan, aldus Generali. Dit betreft klaarblijkelijk een regel van Oostenrijks procesrecht. Het Nederlandse procesrecht, dat hier geldt, kent een dergelijke regel niet. Voor zover Generali zich in dit verband op verjaring beroept slaagt ook dat verweer niet, omdat, zoals gezegd, de verjaring reeds door erkenning is gestuit.\n\nFiscaliteit\n\n4.34.. Generali heeft niet betwist dat zij gehouden is op te komen voor door [de eisers] eventueel te lijden schade in de vorm van belasting die zij verschuldigd zijn over te ontvangen schadevergoedingen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt Generali om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 20.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Generali om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 15.794,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] , tot het moment dat zij in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien,\n\n5.4.. veroordeelt Generali om de in 5.3. bedoelde schade te vergoeden, op te maken bij staat,\n\n5.5.. verklaart voor recht dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mrs. K. van Vlimmeren-van Ommen, S.J. Peerdeman en A.J.J.M. Weijnen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n167\u002F512\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 21 februari 2023, 2Ob12\u002F23p, ECLI:AT:OGH0002:2023:0020OB00012.23P.0221.000 en Rechtssatznummer RS0034765.\n\n Zie OGH 23 maart 2011, 4Ob191\u002F10g, ECLI:AT:OGH0002:2011:0040OB00191.10G.0323.000, r.o. 2.2., onder verwijzing naar OGH 17 november 2009, 1Ob165\u002F09k, ECLI:AT:OGH0002:2009:0010OB00165.09K.1117.000.\n\n OGH 28 april 2015, 8Ob10\u002F15a, ECLI:AT:OGH0002:2015:0080OB00010.15A.0428.000.\n\n Zie OGH 21 april 1995, 2Ob26\u002F94, ECLI:AT:OGH0002:1995:0020OB00026.94.0421.000.\n\n Zie OGH 26 november 1998, 6Ob297\u002F98i, ECLI:AT:OGH0002:1998:0060OB00297.98I.1126.000.\n\n Zie OGH 6 mei 2001, 2Ob84\u002F01v, ECLI:AT:OGH0002:2001:0020OB00084.01V.0516.000.\n\n Zie art. 1 lid 3 Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen en art. 10:3 BW.\n\n Zie OGH 12 juli 2007, 2Ob263\u002F06z, ECLI:AT:OGH0002:2007:0020OB00263.06Z.0712.000.\n\n Zie bijvoorbeeld OGH 28 januari 2021, 8Ob98\u002F20z, ECLI:AT:OGH0002:2022:E130646, r.o. 65 e.v.\n\n Vergelijk bijvoorbeeld HR 21 december 1984, NJ 1985\u002F904.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5214","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.628Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":42,"updatedAt":59},"1097","ECLI:NL:GHARL:2026:3976","ecli-nl-gharl-2026-3976","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.350.189 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 9129659\n\narrest van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. A.K. Doornbosch\n\ntegen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nhierna: [geïntimeerde]\n\nadvocaat: mr. S.W. Polak\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. Partijen hebben ieder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het eindvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de kantonrechter) op 11 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. [geïntimeerde] heeft daarnaast voorwaardelijk hoger beroep ingesteld tegen het in deze zaak door de kantonrechter op 17 november 2021 gewezen tussenvonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord tevens wijziging van eis en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep\n\nde akte uitlating vermeerdering van eis en memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 februari 2026 is gehouden.\n\n1.2.. \n [appellant] heeft op 19 maart 2026 vijf processen-verbaal van getuigenverhoren door de rechter-commissaris in strafzaken in het geding gebracht.1.3.. Partijen hebben het hof gevraagd hierna arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [geïntimeerde] heeft voor [appellant] werkzaamheden verricht bij de bouw van een woning. Hij is op de bouwplaats ten val gekomen en heeft daarbij letsel opgelopen aan beide benen. In geschil is waar [geïntimeerde] is gevallen en of dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd. Volgens [geïntimeerde] is hij tijdens hijswerkzaamheden vanaf de zolderverdieping op een platdak gevallen en volgens [appellant] is [geïntimeerde] vanaf een zeecontainer op de grond gevallen toen hij na werktijd een grap wilde uithalen.\n\n2.2.. \n [geïntimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [appellant] aansprakelijk is voor zijn schade en [appellant] veroordeelt tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente en kosten.2.3.. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] in het tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning is gevallen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] daarin is geslaagd en heeft hij de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met uitzondering van de wettelijke rente. De kantonrechter heeft geoordeeld dat daarover in de schadestaatprocedure moet worden beslist.\n\n2.4.. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] tegen het eindvonnis is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd en vordert tevens de veroordeling van [appellant] tot betaling van een voorschot op zijn schadevergoeding van € 75.000. Voor het geval het hof – anders dan de kantonrechter – niet bewezen acht dat [geïntimeerde] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis. Volgens [geïntimeerde] heeft de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte een bewijsopdracht gegeven en had de door hem gestelde toedracht van het ongeval direct als vaststaand aangenomen moeten worden.\n\n2.5.. Het hof zal beslissen dat het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd wordt en [appellant] veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000. Het hof licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe feiten\n\n3.1.. In juni 2020 werkte [appellant] vanuit zijn eenmanszaak [naam bedrijf] in opdracht van de particuliere eigenaar van het [straatnaam + woonplaats] aan de ruwbouw van een te realiseren nieuwbouwwoning. Ter uitvoering van zijn opdracht heeft [appellant] andere zelfstandigen in zijn opdracht werkzaamheden laten verrichten, onder wie [geïntimeerde] .\n\n3.2.. Het ging om een vrijstaande woning met vier woonlagen: de kelder, de begane grond, de eerste verdieping en de zolderverdieping. Aan de achterzijde van de woning is op de begane grond een aanbouw met een platdak gerealiseerd. De woning zelf heeft een afgeknot schilddak waarvan het schuine gedeelte doorloopt tot de vloer van de zolderverdieping.3.3.. Op vrijdag 26 juni 2020, de dag waarop [geïntimeerde] ten val is gekomen, heeft [appellant] de volgende foto’s van de achterzijde van de woning in aanbouw gemaakt (linksachter respectievelijk rechtsachter).\n\nOp de linkerfoto zijn twee pallets te zien met witte gipsbetonblokken (giboblokken) op het platdak van de aanbouw van de woning. In het schuine gedeelte van het schilddak zijn aan de achterzijde twee uitsparingen gecreëerd voor het realiseren van dakramen. In de linker uitsparing is ook een pallet met giboblokken zichtbaar. Aan de voorkant van de woning staat een rode telescoopkraan waarvan de uitgeschoven zwarte hijsarm boven het huis uitsteekt. Op de rechterfoto zijn in de lucht ook de kettingen zichtbaar die aan de hijsarm zijn bevestigd en rechts naast het huis is een garage in aanbouw te zien. Die garage grenst aan het perceel van de buurvrouw ( [naam buurvrouw] ).\n\n3.4.. \n [appellant] had de hijskraan met kraanmachinist (de heer [naam kraanmachinist] ) voor twee dagen (in)gehuurd. Op donderdag 25 juni 2020 zijn er door [appellant] bestelde bouwmaterialen in de woning gehesen. Vervolgens zijn er dakplaten gehesen en gemonteerd. Op vrijdag 26 juni 2020 zijn de laatste dakplaten op het dak bevestigd. Daarna heeft [appellant] de foto’s gemaakt.\n\n3.5.. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] die vrijdagmiddag ten val is gekomen. [appellant] heeft hem in zijn werkbus naar de eerste hulp gebracht, waar is geconstateerd dat zijn beide enkels zijn verbrijzeld. [geïntimeerde] is in verband met dit letsel meerdere malen geopereerd.\n\n3.6.. \n [appellant] heeft de val van [geïntimeerde] niet gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: arbeidsinspectie). Dat heeft de moeder van [geïntimeerde] alsnog gedaan op 21 september 2020. De arbeidsinspectie heeft vervolgens onderzoek verricht en op 18 juli 2022 proces-verbaal opgemaakt van haar bevindingen. Op dat moment was de procedure bij de kantonrechter al aanhangig gemaakt.\n\nAansprakelijkheid voor arbeidsongevallen\n\n3.7.. Een opdrachtgever die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft (de opdrachtnemer), is aansprakelijk voor de schade die de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Dat is slechts anders als de opdrachtgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de opdrachtnemer (artikel 7:658 lid 4 in samenhang met lid 2 en lid 1 BW).\n\nSchade in de uitoefening van de werkzaamheden3.8.. Partijen twisten over de vraag waar en op welke wijze [geïntimeerde] op de bouwplaats ten val is gekomen en of dat tijdens of na het uitvoeren van zijn werkzaamheden is gebeurd.3.9.. Het is aan de opdrachtnemer (in dit geval: [geïntimeerde] ) om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat de schade in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden.\n\n3.10.. \n [geïntimeerde] stelt dat hij uit de linker uitsparing aan de achterzijde van het schilddak op het platdak van de aanbouw is gevallen. Hij stond in die uitsparing omdat de hijskraan daar doorheen een pallet met giboblokken op de zoldervloer had laten zakken. De pallet was aan de kettingen van de hijskraan bevestigd met behulp van twee singels (hijsbanden) die onder de pallet doorgingen. Iedere singel had aan beide uiteinden één haak die aan de ketting van de hijskraan waren bevestigd. Nadat de pallet op de vloer van de zolderverdieping was geplaatst, heeft [geïntimeerde] twee van de vier haken losgehaald. [geïntimeerde] stelt dat de lading daarna bewoog en dat hij vanwege de lading door de uitsparing naar buiten is geduwd en vervolgens een verdieping lager op het platdak van de aanbouw terecht is gekomen. [appellant] heeft dat betwist.3.11.. Het dossier bevat verschillende getuigenverklaringen. Enkele getuigen hebben in aanloop naar de procedure bij de kantonrechter een schriftelijke verklaring getekend. Zij en ook andere getuigen zijn vervolgens in 2021 gehoord door de arbeidsinspectie. In 2022 heeft een getuigenverhoor ten overstaan van de kantonrechter plaatsgevonden. In 2024 heeft de arbeidsinspectie [appellant] , [getuige1] en [getuige2] opnieuw gehoord, dit maal in verband met een verdenking van meineed. Tot slot zijn in dat kader ook nog getuigen gehoord door de rechter-commissaris in strafzaken.\n\n3.12.. De stelling van [geïntimeerde] vindt allereerst steun in de verklaringen van de kraanmachinist. Hij heeft verklaard dat hij een pak stenen op een pallet door de schuine doorvoer van het dak heeft laten zakken aan de achterkant van het huis, waar het voor hem vanuit de cabine niet zichtbaar was. Nadat hij via de portofoon te horen had gekregen dat de haken los waren en hij kon hijsen, heeft hij met zijn camera ingezoomd. Hij kon niet zien of de haken los waren. Wel zag hij iemand gebogen op de pallet staan, die hij niet meer zag toen hij uitzoomde. Toen hij vervolgens ging hijsen ervoer hij weerstand aan de hijsband en hijsdraad, waarna hij meteen is gestopt. Omdat hij geen contact meer kreeg via de portofoon en hij op zijn camera niemand zag, is hij uit zijn cabine gestapt. Op dat moment hoorde hij iemand schreeuwen van de pijn, waarop hij mensen aan de voorkant van de woning heeft gealarmeerd.3.13.. De kraanmachinist is niet de enige die heeft verklaard dat er een pallet door de uitsparing van het dak is geloodst. Ook de hulpkracht die door [geïntimeerde] was ingehuurd ( [naam hulpkracht] ), heeft verklaard dat er op de bovenste verdieping een pallet naar binnen werd gehesen, reden waarom [geïntimeerde] daar volgens hem heen was gegaan. De verklaring van de kraanmachinist dat hij weerstand ervoer bij het hijsen, strookt ook met de stelling van [geïntimeerde] dat de lading, nadat deze op de vloer van de zolder tot stilstand was gekomen, daarna weer bewoog. Hoewel de kraanmachinist de eerste keer bij de arbeidsinspectie heeft verklaard dat hij die dag niets heeft gezien of gehoord van vallen doet dat aan de geloofwaardigheid van zijn uiteindelijke verklaring niet af. De kraanmachinist heeft zich kort na het eerste verhoor uit eigen beweging bij de arbeidsinspectie gemeld. Uit zijn brief aan de arbeidsinspectie blijkt overtuigend dat hij gewetenswroeging kreeg en alsnog open kaart wilde spelen. Sindsdien heeft hij consequent verklaard als hiervoor beschreven. 3.14. Dat [geïntimeerde] terecht is gekomen op het platdak van de aanbouw, vindt steun in de verklaringen van de hulpkracht en de buurvrouw. De hulpkracht heeft in dat verband verklaard dat hij [geïntimeerde] op enig moment hoorde gillen, dat hij de steiger op is geklommen en door het huis is gerend tot aan het raam waar je op het achterdak kon komen. Volgens hem lag [geïntimeerde] op het achterdak al kon hij hem niet heel goed zien liggen vanuit zijn positie. Hij werd vervolgens weggestuurd, omdat – zo vulde hij in – hij nog jong was. Hij verklaarde dat het voor hem ook wel een hele happening was. Ook uit de verklaring van de buurvrouw blijkt overduidelijk dat die middag grote indruk op haar heeft gemaakt. Zij heeft verklaard dat ze een heel luide schreeuw hoorde die overging in een enorm gebrul, gejammer, gekrijs, waarop zij naar buiten is gegaan naar de hoek van haar perceel (voorbij de garage in aanbouw met zicht op de zijkant van de aanbouw van de woning). Zij heeft zeer overtuigend en consequent verklaard dat er een aantal werklui hoog in een hoek van het in aanbouw zijnde dak stonden rondom de plek waar het gekerm vandaag kwam dat door merg en been ging. Dat zij wisselend heeft verklaard over de precieze hoogte en locatie waar de mannen stonden, maakt haar verklaring niet minder geloofwaardig. Beide verklaringen komen zeer overtuigend over.3.15.. Het hof stelt vast dat uiteindelijk alleen nog door [appellant] wordt verklaard dat [geïntimeerde] op een andere plek ten val is gekomen. Hij heeft verklaard dat zijn medewerkers al klaar waren met werken en nog wat gingen drinken terwijl hij een rondje om de woning liep en onder meer de hiervoor weergegeven foto’s heeft gemaakt. Toen hij terugkwam achter de woning zaten daar alleen [getuige2] en [getuige1] nog. Op dat moment viel er een emmer water en tuimelde [geïntimeerde] er volgens [appellant] achteraan. Hij hoorde iets vallen en toen hij zich omdraaide lag [geïntimeerde] in een splitsecond ook naast de emmer. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] van een zeecontainer op een partij lege pallets gevallen die daarnaast op de grond lag.3.16.. Aanvankelijk hebben ook [getuige2] en [getuige1] in hun schriftelijke verklaringen aangegeven dat [geïntimeerde] van de verdiepingsvloer of de zeecontainer op de grond is gevallen, maar dat hebben zij tijdens hun verhoren niet herhaald. [getuige2] heeft toen verklaard dat hij [geïntimeerde] niet heeft zien vallen, maar wel op de grond heeft zien liggen. Later is hij daar op teruggekomen en zegt hij dat hij hem alleen achter het gebouw op de grond heeft zien zitten en dat hij schreeuwde van de pijn. [getuige1] heeft bij zijn eerste verhoor al aangegeven dat hij alleen heeft gezien dat [geïntimeerde] in de auto werd gezet. Hij zegt niet te hebben gezien dat iemand is gevallen en waar precies. Hij heeft [geïntimeerde] ook niet zien liggen. Ook de zoon van [appellant] ( [naam] ) heeft verklaard niets van het vallen van [geïntimeerde] te hebben gezien. Hij zat naar eigen zeggen aan de voorkant van de woning toen iemand in paniek naar hen toe kwam rennen en hij met iedereen van de voorkant is gaan kijken. Hij heeft verklaard er geen beeld meer van te hebben waar [geïntimeerde] lag, op de eerste verdiepingsvloer of op de grond. Hij was toen nog jong en best wel geschrokken.\n\n3.17.. In de overige getuigenverklaringen is dan ook onvoldoende steun te vinden voor de verklaring van [appellant] dat [geïntimeerde] op de grond is gevallen. Gelet op de overtuigende verklaringen van de kraanmachinist, de hulpkracht en de buurvrouw die niet met elkaar in tegenspraak zijn maar elkaar juist versterken en welke verklaringen haaks staan op de verklaring van [appellant] , acht het hof de verklaring van [appellant] ongeloofwaardig.\n\n3.18.. Dat [geïntimeerde] zelf wisselend over de toedracht heeft verklaard – bij de eerste hulp dat hij van een keukentrapje zou zijn gevallen en tijdens een barbecue dat hij een geintje had willen uithalen en ook zou hebben geprobeerd een schadevergoeding bij de aansprakelijkheids-verzekeraar van zijn moeder te claimen –, doet niet af aan de bewijskracht van de hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen.\n\n3.19.. \n [appellant] heeft weliswaar betwist dat een pallet met stenen van 80 bij 120 cm door de uitsparing van het dak paste en er daarnaast nog voldoende ruimte overbleef voor [geïntimeerde] om de haken los te maken, maar hij heeft zijn betwisting onvoldoende onderbouwd. Die conclusie kan niet worden getrokken uit de door hem overgelegde filmpjes. Hoewel [appellant] kan worden toegegeven dat er onduidelijkheden blijven bestaan over waar in de uitsparing [geïntimeerde] heeft gestaan en hoe hij daaruit is gevallen en op zijn voeten heeft kunnen landen, ligt het niet op de weg van [geïntimeerde] om de precieze toedracht aan te tonen. Een onzekere toedracht komt – mits aannemelijk is dat de schade is opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, hetgeen hier het geval is – voor risico van de opdrachtgever.Het was dan ook aan [appellant] om zijn betwisting concreter te onderbouwen. Dat maakt ook dat de kantonrechter, anders dan [appellant] heeft betoogd, deze betwisting niet verder heeft hoeven onderzoeken.3.20.. \n\nHet hof is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [geïntimeerde] , zoals hij stelt, op het platdak van de aanbouw is gevallen terwijl hij bezig was met hand- en spandiensten voor de hijswerkzaamheden en hij dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden.\n\nWerkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van [appellant]3.21.. De vervolgvraag die beantwoord moet worden is of [geïntimeerde] deze werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het bedrijf van [appellant] . Niet in geschil is immers dat de pallet met giboblokken die naar binnen werd gehesen bestemd was voor de Poolse metselaars die niet in opdracht van [appellant] werkten. [appellant] heeft nadrukkelijk betwist dat hij hiervoor opdracht heeft gegeven. Of [appellant] de door hem ingehuurde kraanmachinist daar al dan niet opdracht toe heeft gegeven en [geïntimeerde] om hem daarbij te assisteren, kan echter in het midden blijven. Niet vereist is immers dat de opdrachtnemers ( [geïntimeerde] en de kraanmachinist) op het moment van het ongeval strikt handelden in de daadwerkelijke uitoefening van een hen concreet opgedragen taak.Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat hij degene is geweest die alle giboblokken heeft besteld en dat hij de kraanmachinist heeft ingehuurd en betaald om onder meer die blokken in de woning te hijsen voordat het dak gesloten was. Ook als de kraanmachinist en [geïntimeerde] uit eigen beweging de pallet in de dakuitsparing hebben gehesen, is dat gebeurd in de context van de bedrijfsuitoefening van [appellant] . Tijdens de mondelinge behandeling is namens [appellant] te kennen geven dat dit op zichzelf ook niet wordt betwist, enkel de feitelijke gang van zaken.\n\nAansprakelijk voor schade; geen beroep op een uitzonderingssituatie3.22.. Dat betekent dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van de val heeft geleden en nog lijdt. [appellant] doet immers geen beroep op de uitzonderingssituaties uit artikel 7:658 lid 2 en lid 1 BW. Zo heeft hij niet gesteld dat hij zijn zorgplicht ter beperking van valgevaar is nagekomen en evenmin dat [geïntimeerde] , uitgaande van de door hem gestelde toedracht, met opzet of bewuste roekeloos heeft gehandeld en daardoor ten val is gekomen. [appellant] heeft alleen gesuggereerd dat het heel goed mogelijk is dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gehandeld, zoals hij wel vaker op de bouwplaats deed, maar heeft dat voor deze specifieke situatie niet concreet gemaakt noch daaraan een consequentie verbonden. Ook hier had het op zijn weg gelegen om dat gemotiveerd te stellen. Ook bij de kantonrechter heeft [appellant] dat niet gedaan, zodat de kantonrechter dat ook niet hoefde te onderzoeken. Schadevergoeding; voorschot\n\n3.23.. \n [appellant] is dan ook gehouden om de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. Dat [geïntimeerde] letsel heeft opgelopen en meerdere operaties heeft moeten ondergaan, wordt door [appellant] op zichzelf niet betwist. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van de omvang van zijn schade een orthopedisch expertiserapport overgelegd waarin is neergelegd dat [geïntimeerde] blijvende beperkingen ondervindt ten aanzien van het gebruik van beide benen, leidend tot 14% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. [appellant] heeft de inhoud van het expertiserapport niet weersproken. Wel heeft hij erop gewezen dat daarin is vastgesteld dat [geïntimeerde] geen beperkingen ondervindt bij zitten en dat hij dus zittend werk kan verrichten en daarom nog steeds in staat is om een arbeidsinkomen te verdienen. Omdat geen arbeidskundig onderzoek is verricht naar het verlies aan arbeidsvermogen, kan de precieze schade nog niet worden becijferd, aldus [appellant] .\n\n3.24.. Het hof is het met [appellant] eens dat de schade op dit moment om die reden nog niet kan worden begroot, zoals door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is verzocht, zodat de verwijzing naar de schadestaatprocedure aangewezen blijft. Dat het verlies aan arbeidsvermogen voor de toekomst nog niet kan worden vastgesteld hoeft echter niet in de weg te staan aan de toekenning van een voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding. [geïntimeerde] heeft immers onbetwist gesteld dat hij gedurende het eerste jaar na zijn val in een rolstoel heeft gezeten en hij ook daarna nog heeft moeten revalideren van meerdere operaties. In die periode kon redelijkerwijs van hem niet worden verwacht dat hij zich op ander werk oriënteerde. Bovendien is het aannemelijk dat [geïntimeerde] zich eerst zou moeten laten omscholen, hetgeen enige tijd vergt. Uitgaande van het door [geïntimeerde] becijferde en door [appellant] niet betwiste hypothetisch netto jaarinkomen van € 33.000 wordt de geleden inkomensschade voor de eerste anderhalf jaar grofweg geschat op € 50.000. Daarbij betrekt het hof dat [geïntimeerde] onbetwist heeft gesteld dat hij eerst in 2022 een bijstandsuitkering heeft genoten. Voormeld bedrag van € 50.000 zal dan ook bij wege van voorschot op de nog te begroten schadevergoeding worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft uitdrukkelijk afgezien van het vorderen van een voorschot op het smartengeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n3.25.. Omdat partijen geen concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het bewijsaanbod van partijen wordt daarom gepasseerd.\n\nDe conclusie\n\n3.26.. \n\nHet hoger beroep tegen het eindvonnis van [geïntimeerde] slaagt derhalve en het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. [appellant] heeft geen belang bij beoordeling van zijn tweede grief met betrekking tot het oordeel van de kantonrechter over meineed, nu die grief niet tot een ander dictum kan leiden.\n\nAan beoordeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] tegen het tussenvonnis wordt niet toegekomen, nu niet is voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarde.\n\n3.27.. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.3.28.. Omdat [geïntimeerde] ook bij de procedure bij de kantonrechter al een voorschot had kunnen vorderen, ziet het hof aanleiding om in het incidenteel hoger beroep te bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).\n\n3.29.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. bekrachtigt het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Utrecht van 11 september 2024;\n\n4.2.. veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 50.000 aan voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding;\n\n4.3.. bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.4.. \n\nveroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep:\n\n€ 349 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 1.290)\n\n4.5.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.6.. bepaalt dat iedere partij in het incidenteel hoger beroep de eigen kosten draagt;\n\n4.7.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, voorzitter, A.A. van Rossum en A.C.M. Kuypers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n Zie onder meer HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430 (Bloemsma\u002FHattuma) en HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 (Fransen\u002FStichting Pasteurziekenhuis).\n\n Zie HR 15 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9048 (Van Uitert\u002FJalas).\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3976","2026-07-13T00:29:03.882Z",20]