[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-assen-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":45},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},80,"Assen","nl","assen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-14T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123437","Burgerlijk Wetboek","art. 7:457",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"785","ECLI:NL:RBNNE:2026:2560","ecli-nl-rbnne-2026-2560","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Assen\n\nraadkamernummer : 25-027385\n\ndatum : 23 juni 2026\n\nbeslissing van de meervoudige strafkamer op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering in de zaak van:\n\n[veroordeelde] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna: veroordeelde.\n\nAdvocaat: mr. R.F. van Leeuwen, advocaat te Rotterdam.\n\nFeiten\n\nHet gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft aan veroordeelde bij arrest van 13 juli 2016 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat van 206.219,61. In het arrest werden aan veroordeelde nog geen dagen lijfsdwang\u002Fgijzeling opgelegd. Op 5 juni 2018 is de ontnemingsmaatregel onherroepelijk geworden.\n\nVeroordeelde heeft tot 21 april 2021 aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) een bedrag van in totaal 537,00 betaald. Een bedrag van 205.682,61 staat derhalve nog open.\n\nHet CJIB heeft in de Strafketendatabank (SKDB) achterhaald dat veroordeelde vanaf 10 mei 2024 door de gemeente (naar de rechtbank begrijpt: [plaats] , waaronder zijn toenmalige woonplaats [plaats] valt) is uitgeschreven en dat veroordeelde sinds 21 maart 2025 als niet-ingezetene geregistreerd staat op een buitenlands adres, te weten: [adres] .\n\nOp 30 juli 2025 heeft het CJIB veroordeelde aangeschreven op voornoemd adres in Marokko, om uiterlijk 29 augustus 2025 het openstaande bedrag van de ontnemingsmaatregel te voldoen. Hierop heeft het CJIB geen reactie en\u002Fof betaling ontvangen. Deze aanschrijving kwam onbestelbaar retour naar het CJIB.\n\nDe officier van justitie heeft vervolgens bij de rechtbank gevorderd dat een machtiging wordt verleend tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling voor de duur van 540 dagen.\n\nProcedure\n\nVoornoemde vordering is op 27 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe rechtbank heeft op 18 december 2025 de vordering ter terechtzitting behandeld en de oproeping nietig verklaard, omdat de oproeping niet op een bestaand adres was gedaan.\n\nDe rechtbank heeft op 23 juni 2026 de vordering opnieuw ter terechtzitting behandeld. De oproeping van veroordeelde is gedaan op het adres [adres] en verzonden via reguliere post.\n\nDe rechtbank heeft ter terechtzitting van 23 juni 2026 de officier van justitie,\n\nmr. R. Janssens, gehoord. Als advocaat van veroordeelde is verschenen mr. R.F. van Leeuwen, die heeft verklaard niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. Veroordeelde is niet verschenen.\n\nBeoordeling\n\nGeldigheid oproeping\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de oproeping van veroordeelde niet op de juiste wijze is geschied en gevorderd dat de oproeping nietig wordt verklaard.\n\nDe officier van justitie heeft daartoe toegelicht dat blijkens het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Marokko oproepingen via een Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) dienen te worden uitgestuurd naar de liaison in het betreffende land, en niet via reguliere post dienen te worden verzonden. Reeds daarom is sprake van een niet-rechtsgeldige betekening. Vervolgens geldt er een betekeningstermijn van 80 dagen, waar in onderhavige zaak niet aan is voldaan.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast toegelicht dat veroordeelde zich in Marokko in (al dan niet geschorste) uitleveringsdetentie bevindt, zodat de kans dat veroordeelde de oproeping heeft ontvangen klein is. Naar verwachting zal veroordeelde binnen een jaar aan Nederland worden uitgeleverd.\n\nDe rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de oproeping van veroordeelde niet op de juiste wijze is geschied. De rechtbank zal de oproeping daarom nietig verklaren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de oproeping nietig.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter,\n\nmr. H.R. Eising en mr. C. Krijger, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R. de Boer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nMr. C. Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2560","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.954Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"1246","ECLI:NL:RBNNE:2026:1191","ecli-nl-rbnne-2026-1191","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Assen\n\nparketnummer : 18-024181-25\n\nraadkamernummer : 26-000659\n\ndatum : 14 april 2026\n\nbeslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 14 april 2026 op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door:\n\nMeldkamer Ambulancezorg Noord-Nederland, gevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ncorrespondentieadres ten kantore van de advocaat: [adres] , hierna te noemen: de klaagster,\n\nvertegenwoordigd door mr. M. van Mourik, advocaat-gemachtigde te Groningen, en mr. bc. R.J.B. Caderius van Veen, gemachtigde.\n\nInleiding\n\nIn het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] (hierna: verdachte) met parketnummer 18-024181-25 heeft de officier van justitie van de klaagster gevorderd de bandopname te verstrekken van de hierna omschreven 112-melding. Verdachte wordt ervan verdacht dat zij opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van het leven heeft beroofd. Op 20 januari 2025 is door de moeder van verdachte, in het bijzijn van verdachte en haar vader, contact opgenomen met de meldkamer van 112 nadat het levenloze lichaam van het slachtoffer was aangetroffen.\n\nProcedure\n\nOp 23 september 2025 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de klaagster gevorderd de gegevens te verstrekken met betrekking tot de 112-melding op maandag 20 januari 2025 om 13.35.01 uur met het telefoonnummer [telefoonnummer] , die gaat over een acute situatie op het adres [adres] .\n\nDe rechter-commissaris heeft op 23 september 2025 een machtiging verleend aan de officier van justitie overeenkomstig de vordering.\n\nPer e-mail heeft de officier van justitie mr. G.R. Stoeten op 5 november 2025 aan de gemachtigde van klaagster een nadere toelichting gegeven op de vordering.\n\nOp 8 januari 2026 is op grond van artikel 552a Sv, in samenhang met de artikelen 126nf Sv, 96a Sv, derde lid, en 98 Sv een klaagschrift ingediend.\n\nIn het verweerschrift van 20 februari 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.\n\nDe rechtbank heeft verdachte [verdachte] in deze procedure als derde-belanghebbende aangemerkt en haar in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen. De raadsman van verdachte, mr. R.P. Eefting, heeft per e-mail op 27 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat de verdediging geen bezwaar heeft tegen vrijgave van de gevorderde gegevens en dat de verdediging niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het klaagschrift.\n\nHet klaagschrift is op 1 april 2026 in openbare raadkamer behandeld. De volgende personen zijn hierbij gehoord:\n\nmr. G.R. Stoeten, officier van justitie;\n\nmr. M. van Mourik, advocaat-gemachtigde van de klaagster;\n\nmr. bc. R.J.B. Caderius van Veen, gemachtigde van de klaagster;\n\ndhr. [naam] , medisch manager ambulancezorg.\n\nStandpunten partijen\n\nStandpunt van de klaagster\n\nDe klaagster heeft verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en te bepalen dat de klaagster niet hoeft te voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de bandopname te verstrekken van de betreffende 112-melding. Daartoe is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.\n\nMedewerkers van de ambulancedienst op de meldkamer hebben een beroepsgeheim dan wel een afgeleid beroepsgeheim op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst genoemd in het burgerlijk wetboek en de Wet BIG. Verschoningsgerechtigden zijn niet verplicht aan een vordering ex artikel 126nf Sv te voldoen voor zover het verschoningsrecht aan de verstrekking van de gegevens in de weg staat. De klaagster stelt zich op het standpunt dat de gevorderde gegevens vallen onder het (afgeleid) medisch beroepsgeheim dat voor (de medewerkers van) de ambulancedienst geldt en dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het belang van de waarheidsvinding in deze situatie moet prevaleren boven het verschoningsrecht.\n\nHet feit dat verdachte, de moeder van verdachte en de nabestaanden van het slachtoffer hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verstrekken van de gevorderde gegevens, maakt niet dat kan worden verondersteld dat ook het slachtoffer bij leven hiervoor toestemming zou hebben gegeven.\n\nDeze omstandigheid is wel meegenomen in de belangenafweging, maar maakt volgens klaagster niet dat het verschoningsrecht in deze situatie kan worden doorbroken. Het algemene belang dat mensen vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, contact moeten kunnen opnemen met de 112-meldkamer dient alsnog te prevaleren.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag en heeft daartoe het volgende - kort weergegeven - aangevoerd.\n\nNiet betwist wordt dat de gevorderde gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en het afgeleide verschoningsrecht van de klaagster. Volgens de officier van justitie kan het beroepsgeheim in deze situatie echter worden doorbroken, omdat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit en er is sprake van een ernstig geschokte rechtsorde. Het 112-gesprek betreft het eerste contact dat wordt gelegd met autoriteiten\u002Fhulpverleners over het aantreffen van het overleden slachtoffer. De inhoud van dit gesprek is van belang om vast te kunnen stellen wat verdachte en\u002Fof haar moeder tijdens dat gesprek precies hebben verteld en welke emoties daarbij zijn getoond. Ook kunnen de gevorderde gegevens meer duidelijkheid verschaffen over de wijze van aantreffen van de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht en de totstandkoming van het besluit om in eerste instantie alleen een huisarts ter plaatse te laten komen. Deze details zijn van cruciaal belang, omdat er getwijfeld wordt aan de verklaringen van verdachte die zij tegenover de politie heeft afgelegd. De gevorderde gegevens kunnen bovendien niet op een andere manier worden verkregen.\n\nGelet op de aard en de inhoud van het gesprek is de inbreuk op het verschoningsrecht relatief beperkt. Het betreft een geluidsopname van 441 seconden en betreft niet een uitvoerig medisch rapport. Daarbij heeft de officier van justitie benadrukt dat veel medische gegevens van het slachtoffer reeds bekend zijn als gevolg van de in het dossier aanwezige forensische rapportages.\n\nVoorts heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat de verdediging en de nabestaanden van het slachtoffer allen te kennen hebben gegeven, geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. Mede in het licht van de context van de zaak (een verdenking van\n\nmoord) mag verondersteld worden dat het slachtoffer, als hij nog zou leven, ook toestemming zou hebben verleend tot verstrekking van de gevorderde gegevens.\n\nDe beoordeling van het klaagschrift\n\nGeheimhoudingsplicht en verschoningsrecht\n\nIngevolge artikel 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) is een ieder die is ingeschreven in een op grond van de Wet BIG gehouden register, verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. De centralist op de meldkamer ambulancezorg is een op grond van de wet BIG geregistreerde verpleegkundige. Op die centralist rust dan ook een geheimhoudingsplicht met een daaraan gekoppeld verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe plicht tot geheimhouding vloeit, aanvullend daarop, voort uit artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel artikel 7:464 juncto artikel 7:457 BW, beter bekend als de Wet inzake de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst.\n\nVeronderstelde toestemming\n\nDe rechtbank stelt vast dat zowel de verdachte in de onderliggende strafzaak als de nabestaanden van het slachtoffer te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. De rechtbank is van oordeel dat toestemming van de direct betrokkenen niet vanzelf met zich meebrengt dat een verschoningsgerechtigde verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een vordering, omdat het recht om zich te verschonen bij de verschoningsgerechtigde ligt en niet bij een ander.\n\nDe klaagster heeft aangevoerd dat het slachtoffer is overleden en dat niet verondersteld kan worden dat het slachtoffer toestemming zou hebben gegeven voor het verstrekken van de gevorderde gegevens als hij nog in leven zou zijn. Wel is de omstandigheid dat direct betrokkenen toestemming hebben gegeven betrokken in de afweging om de gevorderde gegevens niet te verstrekken.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat niet is voorzien in de mogelijkheid dat nabestaanden van het overleden slachtoffer, in plaats van het slachtoffer, toestemming geven voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim. De inschatting of sprake is van veronderstelde toestemming van het slachtoffer en of het verschoningsrecht moet worden gehandhaafd, is primair voorbehouden aan de verschoningsgerechtigde(n) en kan slechts marginaal worden getoetst door de rechtbank. Het oordeel van de klaagster dat in deze situatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van toestemming van het slachtoffer, komt de rechtbank niet kennelijk onredelijk voor.\n\nDat betekent dat het verschoningsrecht niet reeds kan worden doorbroken enkel vanwege het feit dat zowel verdachte als de nabestaanden van het slachtoffer toestemming hebben gegeven voor openbaarmaking van de inhoud van het 112-gesprek.\n\nBeoordelingskader\n\nAan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich, vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht is echter niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.\n\nDe beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel te vatten. De Hoge Raad heeft wel enkele meer algemene factoren benoemd die bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen, zoals de aard en zwaarte van het delict, de aard en de omvang van de gegevens, de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen en de mate waarin de betrokken belangen worden geschaad, indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.\n\nOmdat het een uitzondering op de hoofdregel betreft, wijst de Hoge Raad erop dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit en dat voor de uitzondering zware motiveringseisen gelden.\n\nBeoordeling\n\nDe officier van justitie heeft betoogd dat in dit geval het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding in een zeer ernstige strafzaak, en dat daarom sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid als door de Hoge Raad bedoeld.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het in de onderliggende strafzaak ontegenzeggelijk gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk het opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] door verdachte [verdachte] . Daarover bestaat geen discussie.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de gevorderde gegevens naar hun aard en omvang bekeken strikt noodzakelijk zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid.\n\nDaarbij is het volgende van belang.\n\nDe door de officier van justitie gevorderde gegevens hebben betrekking op het 112-gesprek dat is gevoerd door de moeder van verdachte op de dag (20 januari 2025) dat het levenloze lichaam van het slachtoffer door verdachte is aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat verdachte en de vader van verdachte bij dit 112-gesprek van de moeder aanwezig waren. De moeder en de vader hebben bij de politie verklaard over de inhoud van het gevorderde 112-gesprek, de omstandigheden waaronder dit gesprek heeft plaatsgevonden, de emoties van verdachte op dat moment en de plek waar de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht werd gevonden. Indien nodig kunnen deze personen over de betreffende punten nog nader worden ondervraagd.\n\nDe rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de onderliggende strafzaak tegen verdachte een uitvoerig einddossier is opgesteld, waarin verschillende potentiële bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevorderde gegevens andere, nieuwe of aanvullende informatie bevatten die zodanig cruciaal is dat gesproken kan worden van een zeer uitzonderlijke omstandigheid waarin de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht dat de\n\nklaagster toekomt. Dat de gevorderde bandopname van het 112-gesprek het wellicht mogelijk maakt om de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd (nader) te toetsen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend.\n\nAndere zeer uitzonderlijke, zwaarwegende omstandigheden die zouden nopen tot doorbreking van het verschoningsrecht zijn gesteld noch gebleken.\n\nOp grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het beklag daarom gegrond.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beklag gegrond;\n\nbepaalt dat de klaagster niet hoeft te voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de bandopname te verstrekken van de betreffende 112-melding.\n\nDeze beslissing is gegeven door de meervoudige raadkamer, mr. J. van Bruggen, voorzitter,\n\nmr. R. Depping en mr. M.B.W. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. de Vries, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.\n\nmr. M.B.W. Venema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1191","2026-07-13T00:29:11.934Z",20]