[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-child-custody-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":129},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},13,{"min":18,"max":19},"2026-05-15T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122232","Burgerlijk Wetboek","art. 3:185 lid 1",1,[27,38,45,52,59,66,73,80,89,96,105,112,121],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"605","ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","ecli-nl-rbzwb-2026-5444","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441941 FA RK 25-5884\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende omgangsregeling en levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B. Krijnen,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nzonder advocaat.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 7 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- de brief van de griffier van de rechtbank aan de man van 24 december 2025, houdende de oproep voor de zitting;\n\n- de brief van mr. Krijnen van 9 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen;\n\n- het vonnis van deze rechtbank in kort geding van 25 november 2025.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. De man is niet verschenen.2. De feiten\n\n2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot juni 2025;\n\n- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 (hierna ook: [minderjarige] );\n\n- [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat:\n\nvaststelling van een omgangsregeling, inhoudende dat de man en de minderjarige contact met elkaar hebben om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\nvaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4. De beoordeling\n\nOproep van de man\n\n4.1. De man is voor de zitting opgeroepen bij brief van 24 december 2025 op bovenvermeld adres, zijnde het adres waar hij in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. De brief is zowel per gewone post als per aangetekende post verzonden. De aangetekend verzonden brief is door de man niet opgehaald en teruggestuurd naar de rechtbank. De per gewone post gestuurde brief is niet geretourneerd. Uit raadpleging van de BRP is gebleken dat genoemd adres met ingang van 12 december 2025 in onderzoek is. Een (ander) adres waarop de man bereikbaar is, ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van de man is om te zorgen dat hij in de BRP staat ingeschreven op een adres waarop hij bereikbaar is. Mr. Krijnen heeft op de zitting toegelicht het verzoek en het gewijzigd verzoek ook per email aan de man te hebben toegestuurd, onder vermelding van de zittingsdatum en tijdstip, maar dat ook zij daar geen reactie van de man op heeft ontvangen. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande op de zitting geconstateerd dat de man op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgeroepen en heeft daarop de verzoeken inhoudelijk behandeld.\n\nOmgangsregeling\n\n4.2. De vrouw heeft toegelicht dat de man sinds het uiteengaan van partijen weinig interesse heeft getoond in [minderjarige] en dat er maar zeer weinig contact tussen hen heeft plaatsgevonden. De vrouw vindt het erg belangrijk dat de man en [minderjarige] op structurele basis contact met elkaar hebben en dat de situatie voor [minderjarige] voorspelbaar is, met name omdat zij kampt met bepaalde problematiek en veel aandacht vraagt. [minderjarige] geeft zelf ook aan dat zij haar vader mist en is altijd blij als zij haar vader heeft gezien. De vrouw is daarom eind 2025 een kort gedingprocedure gestart. In het vonnis van 25 november 2025 is een omgangsregeling vastgesteld gedurende iedere zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. De afgelopen periode is echter gebleken dat het voor de man niet haalbaar is om iedere week omgang met [minderjarige] te hebben. Hij laat steeds op vrijdagavond weten of hij wel of niet komt. Dit is erg onrustig, zowel voor de vrouw als voor [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom nu te bepalen dat de man en [minderjarige] om de week op zaterdag contact met elkaar hebben. De vrouw hoopt dat de man zijn verantwoordelijkheid neemt en laat zien dat hij deze regeling kan nakomen. De vrouw zal het contact tussen de man en [minderjarige] blijven stimuleren.\n\n4.3. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat een structurele omgang tussen de man en [minderjarige] wenselijk is en dat de door de vrouw verzochte regeling op dit moment het hoogst haalbare lijkt. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat aan [minderjarige] op een kindvriendelijke manier wordt uitgelegd dat het niet aan haar ligt dat de contacten met haar vader nu onregelmatig zijn. Kinderen hebben namelijk de neiging dit soort zaken op zichzelf te betrekken.\n\n4.4. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, omdat dit verzoek niet door de man is weersproken en omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzochte regeling verzet. De vrouw heeft op de zitting toegezegd contact op te nemen met de gezinscoach, die haar begeleidt bij opvoedkundige vragen, om te bekijken op welke wijze [minderjarige] kan worden voorgelicht over het door de Raad genoemde punt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de man het belang van [minderjarige] voorop zal stellen en de omgangsregeling, zoals deze nu wordt vastgesteld, zal nakomen. Het is immers niet in het belang van [minderjarige] en haar ontwikkeling dat zij (om de week) op vrijdag in onzekerheid verkeert of zij haar vader zal zien.\n\nKinderalimentatie\n\n4.5. De vrouw verzoekt verder vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4.6. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat de man met ingang van 7 november 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw moet voldoen een bedrag van\n\n€ 400,= (vierhonderd euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.946Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"608","ECLI:NL:RBZWB:2026:5453","ecli-nl-rbzwb-2026-5453","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F430176 \u002F FA RK 24\u002F6047\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. Th. Kremers\n\nen\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet\n\nbetreffende de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda\u002FMiddelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1 Het verdere procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n- het op 14 april 2026 ingekomen aanvullend verzoek van de vader;\n\n- de op 15 en 16 april 2026 ontvangen brieven van mr. N. van Vliet;\n\n-\n\n1.2 De zaak is (nader) behandeld op de zitting van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.3 Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak met kenmerk: C\u002F02\u002F446133 \u002F FA RK 26-1384. Die zaak betreft een kindbriefzaak, gestart met een e-mailbericht die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gestuurd naar de kinderrechter.2. De feiten\n\n2.1. De ouders zijn op 10 juli 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 1] . Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel zal uitmaken van de beschikking.\n\n2.3.. \n\nPartijen hebben de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.\n\nIn het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens\n\nin de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00. \n\nuur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat\n\nwanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en\u002Fof vaker bij vader en\u002Fof moeder te willen\n\nverblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel\n\nuitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de\n\nman gaan.\n\n2.4.. Bij voormelde beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigwordt vastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt de in het ouderschapsplan opgenomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) te wijzigen naar een week-op-week-af-regeling, met het wisselmoment op zondagavond om 19.00 uur, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist acht.\n\n3.2.. De vader verzoekt (aanvullend) om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat partijen voor de komende periode een nieuwe zorgregeling zijn overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact zullen hebben met de vader. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] ), die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is acht jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hoopt dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.\n\n4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt ook dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .\n\n5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. Ouders hebben afgesproken dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopig zal plaatsvinden:\n\n- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);\n\n- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. Zij komen daarmee tegemoet aan de wensen van hun kinderen. Deze regeling is ambtshalve door de rechtbank vastgelegd in het kader van de informele rechtsingang.\n\n5.2.. De komende periode wordt er gewerkt aan het contact tussen de vader en de kinderen. [hulpverlening] is gestart met een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en zullen dan naar de rechtbank hoopt ook een definitieve zorgregeling overeenkomen. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De rechtbank vindt het daarom niet wenselijk om nu al een beslissing te nemen over het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en zal daarom die beslissing aanhouden. Het loket zal opnieuw worden verzocht om uiterlijk op de na te melden pro forma datum de UHA-rapportage (van [hulpverlening] ) bij de griffie van de rechtbank in te dienen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nverzoekt het loket om uiterlijk op 25 augustus 2026 pro forma, of zoveel eerder als\n\nmogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het\n\n(jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5453","2026-07-13T00:28:39.062Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":51},"565","ECLI:NL:RBZWB:2026:5447","ecli-nl-rbzwb-2026-5447","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nzaaknummer: C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177\n\nVonnis in kort geding van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda.\n\nPartijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,\n\nhierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4-2.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een medewerker namens de Raad;\n\n- twee medewerkers van Stichting Jeugdbescherming Brabant (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3.. \n\nGelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in deze zaak, het verzoek van de Raad (in de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410) en de verzoeken in de bodemprocedure (in de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326) zijn die drie zaken gelijktijdig op zitting behandeld. In alle zaken wordt bij separate beschikking\u002Fvonnis beslist.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie de volgende op dit moment nog minderjarige kinderen zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .\n\n2.2.. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3.. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bekend onder zaaknummer C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 november 2024 in voormelde bodemprocedure heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] vervolgens erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.5.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.\n\n2.6.. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank, bij voormelde beschikking van 12 november 2024 in genoemde bodemprocedure partijen naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de (definitieve) beslissingen op de overige verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een omgangs- c.q. zorgregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.7.. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen, dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat partijen in onderling overleg een nadere uitbreiding zullen regelen.\n\n2.8.. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9.. Bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant.\n\n2.10.. Bij beschikking van vandaag (21 mei 2026) heeft de rechtbank in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure eindbeslissingen gegeven op de voorliggende verzoeken. Verkort weergegeven heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:\n\n- partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige 2] ;\n\n- de kinderen in het kader van de zorgregeling iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man zullen verblijven;\n\n- de vrouw de man iedere maand moet informeren over de ontwikkeling van de kinderen.\n\n3. De vorderingen\n\n3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. de in rechte voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de kinderen,\n\nzoals opgenomen in voormeld kortgedingvonnis van 1 december 2025, te schorsen totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist,\n\nII. althans een zodanige beslissing te nemen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen.\n\n3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen, onder veroordeling van de vrouw in de aan de zijde van de man gemaakte kosten van deze procedure.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de hiervoor onder 2.10. genoemde beschikking van vandaag (21 mei 2026) eindbeslissingen zijn gegeven op de verzoeken van partijen die nog voorlagen in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure. Eén van die beslissingen houdt de vastlegging in van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op basis waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur.\n\n4.2. Met die eindbeslissing in de bodemprocedure tussen partijen is de bij vonnis van 1 december 2025 door de voorzieningenrechter voorlopigbepaalde omgangsregeling tussen de man en de kinderen komen te vervallen. Bij de vorderingen van de vrouw om die voorlopige – inmiddels vervallen – regeling te schorsen, bestaat daarom geen belang meer.\n\n4.3. Bij gebrek aan belang zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw in deze kortgedingprocedure afwijzen.\n\n4.4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten te veroordelen, zoals de man heeft verzocht. In procedures van familierechtelijke aard is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Daarvan wordt alleen maar afgeweken als er bijzondere omstandigheden zijn, bijvoorbeeld een partij die misbruik maakt van zijn of haar procesbevoegdheid. De omstandigheid dat de vorderingen van de vrouw in dit kort geding worden afgewezen, is onvoldoende om te concluderen dat zij misbruik heeft gemaakt van haar procesbevoegdheid. De voorzieningenrechter zal daarom het uitgangspunt hanteren en de proceskosten compenseren.\n\n4.5. De voorzieningenrechter hoopt dat partijen in de toekomst geen (kortgeding)procedures meer zullen (hoeven) aanspannen in verband met (de uitvoering van) de zorgregeling tussen de man en de kinderen. De (juridische) strijd tussen ouders is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Inmiddels heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant. De voorzieningenrechter verwacht dat partijen met hulpverlening invulling weten te geven aan een vorm van gezamenlijk ouderschap waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duurzaam, positief en onbelast contact met beide ouders kunnen hebben.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Jong, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham als griffiers.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5447","2026-07-13T00:28:36.997Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":56,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":58},"569","ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","ecli-nl-rbzwb-2026-5448","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nNadere beschikking over gezag, omgang en een informatieregeling\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda.\n\nover de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] , en\n\n- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe rechtbank merkt verder als belanghebbende aan:\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1.. In het dossier bevinden zich de volgende stukken:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;\n\nde F9-formulieren van mr. Van Riel van 13 november 2024, met bijlage, en van 1 oktober 2025;\n\nde e-mailberichten van de gemeente Breda van 3 september 2025, met bijlage, en van 28 oktober 2025, met bijlagen, waaronder het (definitieve) UHA-rapport;\n\nhet e-mailbericht van mr. Voogt van 18 september 2025;\n\nde brieven van de Raad van 13 november 2025 en van 6 maart 2026, met bij de laatste brief het rapport van het raadsonderzoek van dezelfde datum.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:\n\nde man, bijgestaan door mr. Van Riel;\n\nde vrouw, bijgestaan door mr. Voogt; en\n\neen vertegenwoordiger namens de Raad;\n\ntwee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3. Gelet op hun onderlinge samenhang, is deze zaak gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177 en C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.\n\n2.2. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] op 17 december 2025 erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.4. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.\n\n2.5. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij voormelde beschikking van 12 november 2024 eveneens een voorlopige informatieregeling bepaald. Partijen zijn daarnaast naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de definitieve beslissingen op de verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een zorg- c.q. omgangsregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.6. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat zij voornemens zijn het gezamenlijk gezag voor [minderjarige 2] te regelen, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat ouders elkaar over en weer op de hoogte zullen brengen omtrent gewichtige aangelegenheden.\n\n2.7. Uit het UHA-rapport van 7 oktober 2025 blijkt dat het ingezette (jeugd)hulptraject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Raad heeft besloten om een gezags- en omgangsonderzoek en een beschermingsonderzoek uit te voeren (hierna: het raadsonderzoek).\n\n2.8. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 09:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9. Gelijktijdig met de toezending van het rapport van het raadsonderzoek op 6 maart 2026, heeft de Raad een verzoek ingediend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410. De kinderrechter heeft bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI.\n\n2.10. Begin april 2026 heeft de vrouw haar medewerking aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen opgeschort. Zij heeft vervolgens een kortgedingprocedure gestart waarin zij vordert dat de voorzieningenrechter de omgangsregeling zoals die bij vonnis van 1 december 2025 is bepaald, schorst totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist. Bij vonnis van vandaag (21 mei 2026) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van de vrouw bij gebrek aan belang afgewezen, omdat in deze bodemprocedure een definitieve beslissing over de contactregeling tussen de man en de kinderen wordt gegeven.\n\n3. De resterende verzoeken\n\n3.1. In deze procedure zijn nog aan de orde de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nhet eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] te wijzigen in die zin dat partijen voortaan het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar uitoefenen;\n\neen (definitieve) contact-\u002Fomgangsregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen;\n\neen (definitieve) informatieregeling te bepalen op basis waarvan de vrouw de man eenmaal per maand dient te informeren over de gezondheid van de minderjarigen, de ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, de sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling van de minderjarigen en hun vrijetijdsbesteding.\n\n3.2. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt:\n\nprimairom de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen. De vrouw kan instemmen met het verzoek om een informatieregeling vast te stellen, met dien verstande dat partijen geen direct contact met elkaar hebben;\n\nsubsidiairte bepalen dat het contact\u002Fde omgang tussen de man en de minderjarigen onder begeleiding plaatsvindt, tenminste eenmaal per week en maximaal tweemaal per week gedurende een uur.\n\n3.3. Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig verzoek, primairte bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag met betrekking tot [minderjarige 1] wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ensubsidiairom de beslissing omtrent het gezag aan te houden in afwachting van de hulpverlening die wordt ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n4. De verdere beoordeling\n\nGezag\n\n4.1. De man verzoekt om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige 2] . De vrouw verzet zich tegen toewijzing van dat verzoek van de man en verzoekt op haar beurt om aan haar het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] toe te kennen.\n\n4.2. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.3. In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen zij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. De rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.4. De man voert aan dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat de man betrokken is bij de totstandkoming van belangrijke beslissingen in haar leven. De man vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] een goede band met haar vader kan opbouwen. Daarbij hoort dat hij actief betrokken is bij te nemen beslissingen.\n\n4.5. De vrouw voert daartegen verweer. Volgens haar bestaat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen dat zij klem of verloren zullen raken indien partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over hen. Partijen zijn niet daadwerkelijk in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Er is niet of nauwelijks contact tussen partijen. De relatie tussen de man en de vrouw is ernstig verstoord en er is vanuit de vrouw sprake van wantrouwen en zorgen over de man als opvoeder. Mede gelet op de voorgeschiedenis, valt volgens de vrouw niet te verwachten dat in die situatie, al dan niet met hulpverlening, binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Voor de ontwikkeling van de kinderen acht de vrouw het van belang dat zij als verzorgende ouder, in staat zal zijn en blijven om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Om die reden verzoekt de vrouw om de huidige situatie te wijzigen in die zin dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar eenhoofdig gezag, zodat de vrouw alleen met het gezag over beide kinderen zal zijn belast.\n\n4.6. In het raadsrapport adviseert de Raad om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] in stand te laten. Weliswaar ziet de Raad risico’s voor de kinderen omdat partijen op dit moment niet op een goede manier met elkaar kunnen communiceren en zij (nu) onvoldoende vorm kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. De Raad ziet echter nog (hulpverlenings)mogelijkheden voor ouders om onder begeleiding van een jeugdbeschermer te komen tot gezamenlijk ouderschap. Met name op het gebied van de onderlinge communicatie tussen ouders zijn nog stappen te zetten, zodat partijen een modus weten te vinden waar zij zich beiden comfortabel bij voelen. Daarnaast verwacht de Raad dat gezamenlijk gezag de ouders ‘dwingt’ om hun eigen belang opzij te zetten en zich te richten op hetgeen belangrijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad ziet tot slot geen reden om de (definitieve) beslissing op de verzoeken die zien op de gezagsverhouding aan te houden in afwachting van de resultaten van de in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten hulpverlening. Het is voor alle betrokkenen van belang dat de langlopende juridische procedures worden afgesloten. De (definitieve) beslissing van de rechtbank biedt een duidelijk uitgangspunt voor de verdere hulpverlening.\n\n4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat ouders belast zijn met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen.\n\n4.8. Hoewel partijen op dit moment niet in staat zijn op een respectvolle en passende wijze met elkaar te communiceren en dus het nodige overleg te voeren over beslissingen over Lavinia en Georginia, zal de rechtbank bepalen dat ouders het gezamenlijk gezag over beide kinderen krijgen\u002Fbehouden. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige 2] zal toewijzen, terwijl het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal worden afgewezen.\n\n4.9. Voor de rechtbank is daarbij met name van belang dat partijen in de zomer van 2025 hebben laten zien dat zij in staat zijn om te komen tot afspraken en omgangsvormen die in het belang zijn van de kinderen. Die afspraken hebben partijen neergelegd in het ouderschapsplan dat zij op 7 juli 2025 hebben ondertekend. Daarin hebben zij ook het voornemen opgenomen om het gezamenlijk gezag te regelen. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat het partijen zal lukken om onder regie van de GI en met de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet, te werken aan een basis van onderling vertrouwen en een passende vorm van communicatie. Dat is werkelijk in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden om de definitieve beslissing omtrent het gezag aan te houden, zoals de vrouw subsidiair heeft verzocht. Met de Raad vindt de rechtbank het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor partijen, juist ook met het oog op het in te zetten hulpverleningstraject. Dat traject is gericht op het toewerken naar een vorm van gezamenlijk ouderschap, een situatie waarin de kinderen positief contact kunnen hebben met beide ouders, zonder belast te worden met spanning en\u002Fof strijd die tussen de ouders bestaat. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol voor beide ouders en dat impliceert dat zij beiden met het gezag zijn belast.\n\n4.10. Zoals ook tijdens de zitting benadrukt, merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat het (gezamenlijk) gezag voor partijen ook verplichtingen meebrengt. Van beide partijen wordt verlangd dat zij zich volledig zullen inzetten om – in het belang van de kinderen – te komen tot een vorm van gezamenlijk ouderschap. Daar hoort bij dat ouders zich zullen laten leiden door de adviezen en inzichten van de hulpverlening en de GI en dat zij eventuele eigen problematiek onder ogen zullen zien en daaraan zullen werken. Omdat beide ouders met het gezag zijn belast, kan de GI zo nodig aan ieder van hen schriftelijke aanwijzingen geven.\n\nZorgregeling\n\n4.11. De man verzoekt een (nader te specificeren) zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (op termijn) doordeweeks, een weekend per 14 dagen, de helft van de vakanties en feestdagen, op de verjaardag van de man en op de verjaardag van de kinderen contact met elkaar hebben.\n\n4.12. De vrouw maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Met name het onvoorspelbare gedrag van de man, zijn middelengebruik, de thuisomgeving van de man en zijn sociale kring baren de vrouw zorgen. Volgens de vrouw scheldt de man de minderjarigen regelmatig uit of spreekt hij ze toe op een denigrerende manier. Na een omgangsmoment zijn de kinderen vaak overstuur en ontregeld. Daarnaast wijst de vrouw erop dat zich op zaterdag 28 maart 2026 een incident heeft voorgedaan bij het ophalen van de kinderen. De man heeft zich agressief en onrustig gedragen richting de kinderen, waarbij hij de kinderen heeft uitgescholden en [minderjarige 2] op grove wijze bij haar arm heeft gepakt. De vrouw heeft ook krassen op het gezicht van [minderjarige 2] gezien, waarna zij aangifte heeft gedaan van mishandeling. Dat is voor de vrouw ook de reden geweest om haar medewerking aan de in kort geding voorlopig bepaalde omgangsregeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.8.) op te schorten. De vrouw zou het liefst zien dat de omgang weer onder begeleiding plaats gaat vinden en op neutraal terrein.\n\n4.13. De Raad ziet op basis van de binnen het raadsonderzoek verkregen informatie geen reden om de omgang tussen de man en de kinderen begeleid en op neutraal terrein te laten plaatsvinden, zoals de vrouw wenst. Hoewel de vrouw haar zorgen blijft uiten, komt uit de informatie van de politie en uit het rapport van het UHA-traject naar voren dat er geen risico’s worden gezien voor de veiligheid van de kinderen in het contact met hun vader. Er is gedurende langere tijd sprake geweest van begeleide omgang en de omgangsbegeleider schetste daarvan een overwegend positief beeld. De Raad ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De Raad adviseert daarom de huidige zorgregeling (tweemaal per week van 09:00 uur tot 17:00 uur) vast te leggen. Dat is op dit moment het hoogst haalbare en ook conform het eerder door ouders overeengekomen ouderschapsplan.\n\n4.14. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd, waaronder kwesties over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.\n\n4.15. De rechtbank vindt het in het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het contact met hun vader zo snel mogelijk en duurzaam wordt hersteld. Voor de kinderen is de huidige situatie verwarrend en emotioneel belastend. Het contact met hun vader is al meerdere malen (abrupt) weggevallen. Ze hebben een periode gehad waarin ze hun vader regelmatig zagen. Die omgang verliep goed en er was ruimte voor contact en flexibiliteit. Dat gaf de kinderen de kans om beide ouders te ervaren in een veilige setting. Nu is dat contact voor de vierde keer abrupt gestopt. Voor jonge kinderen, die nog volop bezig zijn met het vormen van vertrouwen en veiligheid in relaties, is zo’n breuk met een hechtingsfiguur moeilijk te begrijpen. Dat raakt aan hun basisgevoel van veiligheid en kan (op latere leeftijd) gevolgen hebben voor hoe zij zichzelf zien, hoe zij omgaan met emoties en hoe ze relaties met anderen aangaan. Vanwege die ontwikkelingsbedreiging heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI . Eén van de doelen waar partijen met hulpverlening aan moeten werken is een positief, veilig en onbelast contact tussen de man en de kinderen, volgens een vaste regeling.\n\n4.16. Een vaste regeling was er tot begin april van dit jaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven wekelijks op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn waaruit de rechtbank kan afleiden dat die regeling niet in het belang is van de kinderen, zal zij die regeling, die ook past bij de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve zorgregeling vastleggen in deze beschikking.\n\n4.17. Tijdens de zitting heeft de vrouw wederom haar zorgen uitgesproken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn en aangedrongen op het (opnieuw) starten met begeleid contact. Daarom vordert de vrouw in kort geding schorsing van de huidige voorlopige regeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.10.). De rechtbank ziet op dit moment echter geen aanleiding om te concluderen dat het belang van de kinderen zich tegen (hervatting van) de hiervoor genoemde regeling verzet. Partijen hebben ieder een andere beleving bij wat er op 28 maart 2026 bij het overdrachtsmoment is voorgevallen en de man weerspreekt dat de kinderen bij hem niet veilig zouden zijn. Dat betekent niet dat de rechtbank de zorgen van de vrouw niet serieus neemt. Er is op dit moment echter te weinig zicht op de situatie van de kinderen om daaraan de door de vrouw gewenste conclusies te verbinden. Zoals ook tijdens de zitting besproken, biedt de ondertoezichtstelling een kader waarbinnen de zorgen van de vrouw een plaats hebben. Door de ondertoezichtstelling komt er meer zicht op de kinderen en de ouders. Met de GI heeft de vrouw, ook buiten kantoortijden, een vast aanspreekpunt bij wie zij met haar zorgen terecht kan. Dat kan al direct in het intake-\u002Fkennismakingsgesprek, maar ook gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling en tijdens de uitvoering van de zorgregeling, met name indien zich een incident heeft voorgedaan. Het is dan aan de betrokken professionals van de GI om te beoordelen of er nadere actie moet worden ondernomen, bijvoorbeeld in de vorm van het maken van veiligheidsafspraken. Op die manier moet de ondertoezichtstelling voorkomen dat de vrouw op eigen initiatief (opnieuw) het contact tussen de kinderen en hun vader verbreekt, terwijl de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewaarborgd. De rechtbank hoopt dat de ondertoezichtstelling daarmee bijdraagt aan het ontstaan van een basis van vertrouwen tussen partijen.\n\nInformatieregeling\n\n4.18. Op grond van artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een regeling vaststellen die betrekking heeft op de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\n4.19. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige regeling bepaald dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de kinderen met betrekking tot hun gezondheid, ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en vrijetijdsbesteding.\n\n4.20. Aangezien de vrouw zich niet tegen het verzoek van de man om een informatieregeling verzet, zal de rechtbank de hiervoor weergegeven voorlopige regeling, die ook past bij de afspraak die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve informatieregeling bepalen. Met hulpverlening zullen partijen moeten werken aan een geschikte vorm waarin de vrouw de man informeert. Daarnaast merkt de rechtbank op dat van de man als gezagsdragende ouder van beide kinderen ook verwacht wordt dat hij zich uit eigen beweging tot verschillende instanties (zoals kinderopvang, school, sportvereniging, medisch behandelaars) zal wenden om zich betrokken te tonen bij en op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de kinderen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.12. De rechtbank zal de beslissingen over het gezag, de zorg- en informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissingen, ondanks een eventueel hoger beroep, direct uitgevoerd kunnen worden.\n\nProceskosten\n\n4.21. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nbepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ;\n\n5.2. bepaalt dat de man en de minderjarigen\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , en\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nin het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.3. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de gezondheid van de hiervoor genoemde kinderen, hun ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, hun sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en hun vrijetijdsbesteding;\n\n5.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham, griffiers, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","2026-07-13T00:28:37.194Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":63,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":65},"572","ECLI:NL:RBZWB:2026:5445","ecli-nl-rbzwb-2026-5445","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446133 \u002F FA RK 26-1384\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking op de vraag van de minderjarigen door middel van een informele rechtsingang\n\n [minderjarige 1] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nen\n\n [minderjarige 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,\n\nwonende te [plaats 1] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. Th. Kremers\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda\u002FMiddelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1. Het verloop van de zaak\n\n1.1. Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n1.2. De kinderrechter heeft op 25 maart 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over hun e-mailbericht.\n\n1.2. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders (en de Raad) uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Hierbij zijn verschenen: de ouders en hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3. Op 17 april 2026 heeft [minderjarige 2] nog een brief aan de kinderrechter gestuurd.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De ouders zijn op [datum 1] 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 2] . Binnen dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum 2] 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel uitmaken van de beschikking.\n\n2.3.. Partijen hebben vervolgens de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.\n\nIn het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens\n\nin de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00. \n\nuur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat\n\nwanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en\u002Fof vaker bij vader en\u002Fof moeder te willen\n\nverblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel\n\nuitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de\n\nman gaan.\n\n2.4.. Tussen de ouders is een procedure aanhangig bij deze rechtbank bekend onder het nummer met kenmerk C\u002F02\u002F430176 \u002F FA RK 24-6047. In deze procedure heeft de man verzocht om de zorgregeling te wijzigen en is door de vrouw verzocht om een raadsonderzoek te gelasten. Bij beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigvastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. De man heeft in die procedure vervolgens verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.\n\n3. De vraag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n3.1. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vragen de kinderrechter feitelijk om de (voorlopige) zorgregeling te wijzigen en [minderjarige 1] vraagt daarnaast om haar hoofverblijf te wijzigen. Zij wil dat haar hoofdverblijf bij haar vader zal zijn.\n\n3.2. \n [minderjarige 1] geeft, samengevat, aan dat zij het liefst bij haar vader wil gaan wonen. Zij heeft het bij haar moeder niet altijd fijn en dat komt omdat zij niet goed kan opschieten met de nieuwe vriend van haar moeder. Hij heeft haar een keer met de platte hand in haar gezicht geslagen, nadat zij ruzie had met [minderjarige 2] . En hij heeft haar ook een keer tegen een muur aan geduwd en hard tegen haar geschreeuwd. De vriend van haar moeder is 2 meter lang en zij voelde zich op dat moment heel erg geïntimideerd. Verder praat de vriend van haar moeder ook slecht over haar vader en daar heeft [minderjarige 1] ook veel last van. Een week op week af regeling vindt [minderjarige 2] op dit moment goed, maar zij wil uiteindelijk bij haar vader gaan wonen.\n\n3.3. \n [minderjarige 2] geeft, samengevat, aan dat zij graag meer bij haar vader wil zijn. Zij twijfelt nog wel over welke zorgregeling zij precies wil. [minderjarige 2] wil uiteindelijk waarschijnlijk tot een week op week af regeling te komen, maar zij wil dat dan wel rustig opbouwen. Dus bijvoorbeeld eerst een halve week en een week in de maand naar haar vader gaan. Zij is namelijk bang dat zij een directe verandering naar een week op week af regeling niet aan kan. Verder vindt [minderjarige 2] het belangrijk dat zij bij een nieuwe zorgregeling naar haar handbaltrainingen en wedstrijden kan blijven gaan. Zij speelt topklasse handbal en het is ook een heel leuk team. Als zij een keer niet naar de training of een wedstrijd kan, dan wil zij dat haar vader daar met haar overlegt voordat zij wordt afgemeld. Verder wil [minderjarige 2] ook als zij bij haar vader is met haar vrienden kunnen afspreken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat er voor de komende periode een nieuwe zorgregeling is overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus meer contact hebben met de vader. Er is afgesproken dat [minderjarige 1] om de week een hele week bij de man verblijft (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27) en [minderjarige 2] een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader zal zijn. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] , die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is 8 jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hootp dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.\n\n4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .\n\n5. De beoordeling van de kinderrechter\n\n5.1. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen.\n\nDe vraag van [minderjarige 1] over het wijzigen van haar hoofdverblijf5.2. De kinderrechter gaat geen (ambtshalve) beslissing nemen over de vraag van [minderjarige 1] om haar hoofdverblijf te wijzigen. De vader heeft inmiddels in de procedure die tussen ouders loopt ook verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Het bepalen van het hoofdverblijf hoort wat de kinderrechter betreft meer thuis in de procedure tussen de ouders dan in het kader van een informele rechtsingang.\n\nDe vragen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over het wijzigen van de zorgregeling5.3. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. [hulpverlening] is nu gestart met een hulpverleningstraject. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en dus ook een definitieve zorgregeling. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader.\n\n5.4. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de overeengekomen regeling voorlopigvaststellen en deze zaak aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum. Van de advocaten van de ouders wordt verwacht dat zij de kinderrechter uiterlijk op die datum schriftelijke informeren over de resultaten, dan wel stand van zaken omtrent de zorgregeling en het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] . Het rapport van [hulpverlening] zal worden ingebracht in de hiervoor vermelde tussen de ouders aanhangige procedure.\n\n5.5. De beslissing over de voorlopigezorgregeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als eventueel hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5.6. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen ieder een brief met een uitleg van de beslissingen van de kinderrechter.\n\nBeste [minderjarige 1] ,\n\nJij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat jij het liefst bij je vader wil wonen en dat je hem in ieder geval vaker wil zien. Je ouders hebben samen een regeling voor de komende maanden afgesproken, waarbij jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.\n\nVoor wat betreft het hoofdverblijf, gaat de kinderrechter nu geen beslissing nemen. Tussen je ouders loopt er een juridische procedure en de kinderrechter vindt de vraag over waar jij je hoofdverblijf moet hebben beter in die procedure passen. Uiteindelijk zal daar dus een beslissing over genomen worden, maar eerst zal worden bekeken hoe de uitgebreidere contacten met je vader gaan verlopen.\n\nJe ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\nBeste [minderjarige 2] ,\n\nJij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 17 april 2026 heb jij nog een aanvullende e-mail gestuurd. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat je meer contact wil met je vader, maar dat je nog niet precies weet hoe je dat het liefste wilt. Je ouders hebben samen afspraken gemaakt de komende maanden, waarbij ze hebben afgesproken dat jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.\n\nJe ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\n6. De beslissing van de kinderrechter\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1. neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige 1] om het hoofdverblijf van haar bij de vader te bepalen;\n\n6.2. bepaalt ambtshalve dat de bij beschikking van 10 juni 2025 vastgestelde voorlopige contactregeling wordt gewijzigd en bepaalt dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopigzal plaatsvinden:\n\n- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);\n\n- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader;\n\n6.3. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4. houdt de verdere behandeling van deze zaak aan tot 25 augustus 2026 pro forma,in afwachting van een schriftelijke reactie van de advocaten van de ouders zoals staat beschreven in rechtsoverweging 5.4;\n\n6.5. houdt iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nVoor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:\n\na. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nb. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nc. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nd. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5445","2026-07-13T00:28:37.399Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":70,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":72},"582","ECLI:NL:RBZWB:2026:5455","ecli-nl-rbzwb-2026-5455","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444905 \u002F JE RK 26-230\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Brabant,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. R.A.M. Jorna uit Den Haag.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nde beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 31 maart 2021;\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de Raad;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben geen mening gegeven.\n\n1.4.. Deze procedure hangt nauw samen met het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling met het kenmerk C\u002F02\u002F447531 \u002F JE RK 26-716. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 23 mei 2026.\n\n2.4.. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 31 maart 2021 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:\n\nde kinderen verblijven om de week van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij hun vader waarbij de moeder de kinderen op vrijdag om 18.30 uur bij de woning van de vader brengt en de vader de kinderen op zondag om 18.30 uur bij de woning van de moeder brengt;\n\nvakantieregeling\n\nVoorjaarsvakantie:even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader,\n\nMeivakantie (2 weken):even jaren eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, oneven jaren andersom,\n\nMeivakantie (1 week):even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder,\n\nZomervakantie:eerste drie weken bij de vader en laatste drie weken bij de moeder,\n\nHerfstvakantie:even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader,\n\nKerstvakantie:even jaren eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, oneven jaren andersom,\n\nPasen:even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder, behalve als Pasen in een vakantie valt,\n\nPinksteren: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader, behalve als Pinksteren\n\n in een vakantie valt,\n\nKerstdagen:bij de ouder waar de kinderen dan vanwege de kerstvakantie\n\n verblijven,\n\nOud en Nieuw:bij de ouders waar de kinderen dan vanwege de kerstvakantie\n\n verblijven,\n\nhierbij geldt dat de schoolvakanties beginnen op vrijdagavond om 18.30 uur en eindigen de vrijdag daarom om 18.30 uur waarna de reguliere omgangsregeling wordt voortgezet en hierbij geldt dat het wisselmoment in de meerwekelijkse vakanties op vrijdagavond om 18.30 uur is, en indien de kinderen met Pasen en\u002Fof Pinksteren bij vader zijn, vader de kinderen, indien het niet in een omgangsweekend valt, zaterdagavond 18.30 uur bij moeder ophaalt en maandag om 18.30 uur bij moeder terugbrengt.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 31 maart 2021 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nDe GI verzoekt de volgende zorgregeling vast te stellen:\n\nweekendregeling\n\nde kinderen verblijven om de week van vrijdag 18.30 uur tot zondag 19.30 uur bij hun vader waarbij de moeder de kinderen op vrijdag om 18.30 uur bij de woning van de vader brengt en de vader de kinderen op zondag om 19.30 uur bij de woning van de moeder brengt;\n\nde vader mag jaarlijks drie extra weekenden kiezen buiten de vakanties en feestdagen. Hij geeft deze weekenden uiterlijk op 1 januari door aan de moeder, die hier binnen twee weken op reageert. Als een weekend niet uitkomt, kan de vader één vervangend voorstel doen. Reageert de moeder niet binnen de gestelde termijn, dan geldt het voorstel automatisch als akkoord.\n\nvakanties en feestdagen:\n\nPasen:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nHemelvaartsdag:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder. Ophalen op woensdag om 18.30 uur en wegbrengen op donderdag om 19.30 uur.\n\nBevrijdingsdag:Volgens de zorgregeling.\n\nPinksteren:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nVaderdag en Moederdag:Als de dag valt in het weekend van de andere ouder, worden de kinderen in de gelegenheid gesteld om te bellen met de andere ouder.\n\nSinterklaas:Volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van de ouders:de moeder is jarig op [datum 1] en de vader op [datum 2] . De ouders stellen de kinderen in de gelegenheid om telefonisch contact te hebben met de jarige ouder.\n\nVerjaardagen van de kinderen:[minderjarige 1] is jarig op [geboortedag 1] en [minderjarige 2] op [geboortedag 2] . De kinderen vieren hun verjaardag bij de ouder volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van familieleden:Iedere ouder draagt hier zelf zorg voor wanneer de kinderen bij die ouder zijn.\n\nKerstvakantie (inclusief kerstdagen en oud & nieuw):In even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren zijn ze de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. Kerst en oud & nieuw vallen in deze weken en daar zijn geen aparte afspraken voor.\n\nHerfstvakantie:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader.\n\nZomervakantie:Ten aanzien van de zomervakantie refereert de GI zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nCarnavalsvakantie:Oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader.\n\nMeivakantie (2 weken): In even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader.\n\nMeivakantie (1 week):In even jaren bij de vader en in oneven jaren bij de moeder.\n\nVakanties en weekenden starten altijd op vrijdag om 18.30 uur. De weekendregeling loopt door, behalve gedurende de zomervakantie. In het kader van de weekendregeling brengt de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader om 18.30 uur. Op zondag (of vrijdag in de vakanties) brengt de vader de kinderen om 19.30 uur terug naar de moeder.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI heeft ter toelichting op het verzoek naar voren gebracht dat in het kader van de ondertoezichtstelling is gewerkt met de focus op de samenwerking en communicatie tussen de ouders en het maken van duidelijke, werkbare afspraken over de zorg- en opvoedingstaken. Er zijn stappen gezet, maar de situatie is nog altijd kwetsbaar. Het is niet gelukt een door beide ouders gedragen ouderschapsplan op te stellen, ondanks langdurige begeleiding via [psychologenpraktijk] en het opstellen van een concept-ouderschapsplan. De ouders hebben het concept niet willen ondertekenen, omdat zij geen overeenstemming konden bereiken over de zomervakantieregeling en de haal- en brengtijden in het kader van de weekendregeling. De GI acht het van belang dat de gehele zorgregeling in één beschikking wordt opgenomen zodat er duidelijkheid is over deze regeling en daarover geen discussie kan ontstaan. De GI is voornemens om na de vaststelling van een duidelijke zorgregeling te gaan werken naar een beëindiging van de ondertoezichtstelling. Hiervoor is het noodzakelijk dat er een duidelijke zorgregeling wordt vastgesteld. De GI had verwacht dat met het indienen van het verzoek met betrekking tot de zorgregeling meer rust zou ontstaan, maar vervolgens ontstaat er weer onrust en willen de ouders weer procedures opstarten bij de rechtbank. De GI vreest dat dit de realiteit is waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten opgroeien en dat deze situatie niet zal veranderen. Er zijn momenten dat het goed gaat, maar deze perioden worden afgewisseld met spanningen, gebrekkige afstemming door de ouders en onvoldoende eigenaarschap van de ouders. De GI hoopt dat dit met een duidelijke zorgregeling minder wordt. De GI wil de komende maanden monitoren of de contactregeling wordt nagekomen.\n\n4.2.. Door en namens de moeder is aangevoerd dat de GI geen wijziging van omstandigheden heeft aangevoerd en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek. Voorts heeft de moeder aangegeven dat door de GI niet doorgepakt is op de onderlinge communicatie en verhoudingen tussen de ouders, maar dat vooral is gestuurd op randzaken. Zo is aan de GI in het kader van de ondertoezichtstelling niet de opdracht gegeven om naar de vakantieregeling te kijken. Als de communicatie een probleem is, is dit geen reden om wijziging in de zorgregeling aan te brengen. De moeder heeft hiertegen bovendien bezwaar, omdat dit verzoek ook voorligt in de aangehouden procedure waarin ook de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onderwerp is. Deze zaak wordt binnenkort ook door de rechtbank behandeld. De moeder verzet zich tegen de door de vader gewenste verdeling van de zomervakantie. De partner van de moeder heeft al jaren een vaste plek op een camping in Spanje. De kinderen hebben daar vakantievrienden. Als de vakanties worden verdeeld op een andere wijze dan kan de vakantie op deze wijze geen doorgang meer vinden en dit is volgens de moeder ook niet in het belang van de kinderen. Ten aanzien van het verlaten van het tijdstip van terugbrengen van de kinderen tijdens de weekendregeling heeft de moeder aangevoerd dat de vader zich nooit aan de tijden houdt en dat zij er ook geen vertrouwen in heeft dat hij dit na een wijziging wel zal doen. Als de tijd wordt gewijzigd in 19.30 uur vreest de moeder dat de kinderen nog later thuis komen en dat zij te weinig tijd hebben om te schakelen in de avond.\n\n4.3.. De vader heeft aangevoerd dat het praktisch niet mogelijk is om de kinderen op zondag om 18.30 uur terug te brengen naar de moeder. Een wijziging van het tijdstip zal dan ook meer rust geven. De vader heeft aangegeven dat hij zich aan dit tijdstip kan houden. Hij stelt dat het ook een wisselwerking is met de moeder. Zij brengt de kinderen ook niet altijd op tijd. Gezien de leeftijd van de kinderen vindt de vader ook het tijdstip van 18.30 uur niet meer passend. De vader heeft verder naar voren gebracht dat hij al lange tijd aangeeft dat hij ook de verjaardag van [minderjarige 2] met hem wil vieren. Om die reden wil hij ook een andere regeling tijdens de zomervakantie zodat hij ook om het jaar de verjaardag van [minderjarige 2] met de kinderen kan vieren.\n\n4.4.. De vertegenwoordigster van de Raad heeft geadviseerd het tijdstip van het terugbrengen tijdens de weekendregeling te wijzigen naar 19.30 uur. Daarnaast heeft zij ook geadviseerd de regeling tijdens de zomervakantie te wijzigen in die zin dat de kinderen het ene jaar de eerste drie weken bij de vader zijn en de laatste drie weken bij de moeder verblijven en het andere jaar de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. De Raad betreurt het ten zeerste dat de ondertoezichtstelling geen verbetering in de onderlinge verhoudingen tussen de ouders heeft opgeleverd voor de kinderen. De ouders gunnen elkaar nog steeds niets en zij zijn niet bereid om elkaar enigszins tegemoet te komen. Zij zijn vooral bezig met wat zijzelf belangrijk vinden. Daarmee stellen zij hun eigen belangen boven de belangen van de kinderen en zo zou het niet moeten zijn.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter overweegt dat artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, bepaalt dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In lid 3 van dit artikel is voorts bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a lid 2 BW.\n\n5.2.. De kinderrechter overweegt eerst of er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beschikking van 31 maart 2021. De kinderrechter overweegt dat de huidige zorgregeling tot stand is gekomen toen de kinderen nog jong waren. De kinderen zijn inmiddels ouder, in de pubertijd, en hebben ook andere behoeften. Bovendien heeft de ondertoezichtstelling niet tot een verbetering van de onderlinge communicatie tussen de ouders geleid. De kinderrechter is van oordeel dat daarmee voldoende wijziging van omstandigheden aanwezig is zodat de GI kan worden ontvangen in haar verzoek.\n\n5.3.. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht blijkt dat er ondanks de inzet van hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling het de ouders niet is gelukt om tot een gezamenlijk gedragen ouderschapsplan te komen. Hoewel beide ouders de GI verwijten dat er te weinig is gebeurd in het kader van de ondertoezichtstelling hebben ook beide ouders hun verantwoordelijkheid als ouders niet voldoende genomen. Zij blijven verzanden in discussies, onderling wantrouwen en op te starten procedures bij de rechtbank. Zij zijn daarbij met name gericht op hun eigen belangen en behoeften en gaan voorbij aan de belangen van de kinderen. De kinderrechter betreurt het, net als de GI en de Raad, dat de ouders hierin geen verandering willen of kunnen aanbrengen. In dat licht acht de kinderrechter het dan ook noodzakelijk in het belang van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de gehele zorgregeling gedetailleerd in deze beschikking vast te leggen zodat hierover zo min mogelijk discussie blijft bestaan tussen de ouders.\n\n5.4.. Ten aanzien van de terugbrengtijd is de kinderrechter van oordeel dat het gezien de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend is dat dit tijdstip wordt gewijzigd in 19.30 uur. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat beide ouders zich aan de tijdstippen van de regeling zullen houden, omdat zij vooralsnog niet in staat zijn om zich hierin flexibel op te stellen zonder daarna in verwijtende sfeer met elkaar om te gaan.\n\n5.5.. Ten aanzien van de zomervakantie is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij het ene jaar de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder doorbrengen en het andere jaar de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij hun vader. Het is voor de band van de vader met hen ook van belang dat [minderjarige 2] zijn verjaardag met hem kan vieren. Bovendien hebben beide kinderen aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen een wijziging van de verdeling van de zomervakantie. [minderjarige 2] vindt het ook fijn om zijn verjaardag door te brengen met zijn vader. De kinderrechter acht de stem van de kinderen in deze zaak, ook gelet op hun leeftijd, van doorslaggevende betekenis. Het belang van de moeder bij het behoud van de gereserveerde plaats op de camping in Spanje is hieraan ondergeschikt.\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de beschikking van 31 maart 2021 wijzigen en de volledige contactregeling vaststellen in deze beschikking. De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.7.. De kinderrechter overweegt nog ten overvloede dat zij hoopt dat de ouders gaan inzien dat het steeds opstarten van gerechtelijke procedures niet in het belang is van de kinderen. Zij betreurt het dat het de ouders niet lukt om in het belang van de kinderen de strijdbijl te begraven en te gaan handelen in het belang van de kinderen. De voortdurende onderlinge strijd en de wijze waarop zij met elkaar omgaan is niet goed voor de kinderen.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. \n\nwijzigt de beschikking van 31 maart 2021 als volgt en bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar op de volgende wijze:\n\nweekendregeling\n\nde kinderen verblijven om de week van vrijdag 18.30 uur tot zondag 19.30 uur bij hun vader waarbij de moeder de kinderen op vrijdag om 18.30 uur bij de woning van de vader brengt en de vader de kinderen op zondag om 19.30 uur bij de woning van de moeder brengt;\n\nde vader mag jaarlijks drie extra weekenden kiezen buiten de vakanties en feestdagen. Hij geeft deze weekenden uiterlijk op 1 januari door aan de moeder, die hier binnen twee weken op reageert. Als een weekend niet uitkomt, kan de vader één vervangend voorstel doen. Reageert de moeder niet binnen de gestelde termijn, dan geldt het voorstel automatisch als akkoord.\n\nvakanties en feestdagen:\n\nPasen:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nHemelvaartsdag:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder. Ophalen op woensdag om 18.30 uur en wegbrengen op donderdag om 19.30 uur.\n\nBevrijdingsdag:Volgens de zorgregeling.\n\nPinksteren:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nVaderdag en Moederdag:Als de dag valt in het weekend van de andere ouder, worden de kinderen in de gelegenheid gesteld om te bellen met de andere ouder.\n\nSinterklaas:Volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van de ouders:de moeder is jarig op [datum 1] en de vader op [datum 2] . De ouders stellen de kinderen in de gelegenheid om telefonisch contact te hebben met de jarige ouder.\n\nVerjaardagen van de kinderen:[minderjarige 1] is jarig op [geboortedag 1] en [minderjarige 2] op [geboortedag 2] . De kinderen vieren hun verjaardag bij de ouder volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van familieleden:Iedere ouder draagt hier zelf zorg voor wanneer de kinderen bij die ouder zijn.\n\nKerstvakantie (inclusief kerstdagen en oud & nieuw):In even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren zijn ze de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. Kerst en oud & nieuw vallen in deze weken en daar zijn geen aparte afspraken voor.\n\nHerfstvakantie:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader.\n\nZomervakantie:De eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder en vanaf 2027 in de oneven jaren de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij moeder en de laatste drie weken bij vader. In de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder.\n\nCarnavalsvakantie:Oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader.\n\nMeivakantie (2 weken): In even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader.\n\nMeivakantie (1 week):In even jaren bij de vader en in oneven jaren bij de moeder.\n\nVakanties en weekenden starten altijd op vrijdag om 18.30 uur. De weekendregeling loopt door, behalve gedurende de zomervakantie. In het kader van de weekendregeling brengt de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader om 18.30 uur. Op zondag (of vrijdag in de vakanties) brengt de vader de kinderen om 19.30 uur terug naar de moeder.\n\n6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;6.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Boink als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5455","2026-07-13T00:28:37.995Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":77,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":79},"592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","ecli-nl-rbzwb-2026-5446","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434734 FA RK 25-2152 (echtscheiding) en C\u002F02\u002F440296 FA RK 25-5006 (verdeling)\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bree,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.M.H.B. Stoffels.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. De Bree van 3 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen.\n\n- de brief van mr. Stoffels van 7 april 2026, tevens houdende wijziging verzoek, met bijlagen.\n\n1.2 De behandeling van de zaak stond gepland op de zitting van 16 april 2026. Vanwege de onaangekondigde afwezigheid van de advocaat van de man is de zaak op die zitting niet inhoudelijk behandeld en is besloten om de behandeling aan te houden tot een nadere zitting. Deze zitting is bepaald op 7 mei 2026. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 14 april 2026.2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen;\n\n- uit hun huwelijk is het volgende, nu jong-meerderjarige kind geboren:\n\n1. [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;\n\n- uit hun huwelijk zijn verder de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;\n\n3. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010;\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. \n\nDe vrouw verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige 1] en, naar de rechtbank begrijpt, [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] hersteld dient te worden en dat partijen hiervoor worden verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (UHA);\n\nIII. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft;\n\nIV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek tot en met 31 december 2025;\n\nV. vaststelling van een door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 17,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek;\n\nVI. te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en de betaling van de kosten van verkoop;\n\nVIII. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 35,= in verband met de verkoop van de caravan.\n\n3.2. \n\nDe man verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] ;\n\nIV. bepaling dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] ;\n\nV. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind met ingang van 1 januari 2026, dan wel met ingang van zodanige datum en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nVI. de verdeling van de gemeenschap te gelasten met inachtneming van hetgeen de man in de brief van 7 april 2026 heeft opgemerkt over verdeling van gemeenschappelijke tegoeden en schulden;\n\nVII. te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de caravan aan de man zal voldoen.\n\n3.3. Ter zitting heeft de man zijn in de brief van 7 april 2026 gedane verzoek te bepalen dat de vrouw zo spoedig mogelijk haar medewerking verleent aan het transport van de echtelijke woning op naam van een derde, met een daaraan verbonden dwangsom, ingetrokken.\n\n4. De beoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid4.1. Uit artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van partijen in hun echtscheidingsverzoeken.4.2. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. De verhouding tussen hen is zodanig verstoord dat zij er lange tijd niet in zijn geslaagd om in gezamenlijkheid afspraken te maken over de kinderen. Gebleken is dat partijen het inmiddels op hoofdlijnen eens zijn over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie.\n\nInhoudelijke beoordeling4.3. Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond en onweersproken toewijzen.\n\nHoofdverblijf\n\n4.4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man moet worden bepaald. De rechtbank acht dit ook in het belang van de kinderen. Dit stemt tevens overeen met de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is gebleken in het gesprek met de kinderrechter. De rechtbank zal de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van de kinderen daarom toewijzen.\n\nZorgregeling\n\n [minderjarige 1]4.5. De vrouw legt aan haar verzoek gericht op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] door middel van inzet van hulverlening, het volgende ten grondslag. Het contact tussen haar en [minderjarige 1] is inmiddels al geruime tijd verbroken. De man heeft geen stimulerende rol in het contactherstel en het lukt partijen dus niet, zonder hulpverlening, om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te herstellen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat inmiddels een jaar is verstreken sinds indiening van dit verzoek. Zij begrijpt dat [minderjarige 1] niet gedwongen kan worden om een hulpverleningstraject aan te gaan om het contact te herstellen. De vrouw mist [minderjarige 1] ontzettend en zou het heel fijn vinden als er in ieder geval nog een gesprek tussen hen plaats kan vinden, zodat zowel de vrouw als [minderjarige 1] nog een keer hun verhaal kan doen bij de ander. De vrouw heeft benadrukt dat haar deur altijd openstaat voor [minderjarige 1] .\n\n4.6. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen en verzoekt te bepalen dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] . Ter zitting heeft hij toegelicht dat [minderjarige 1] écht geen contact wil met de vrouw. Hij heeft hierover met [minderjarige 1] gesproken, maar kan haar niet op andere gedachten brengen. [minderjarige 1] heeft een opvatting over haar moeder waardoor zij geen contact met haar wil, en de man kan die opvatting ook begrijpen.\n\n4.7. \n\nDe rechtbank is zowel uit de toelichting van partijen ter zitting als het gesprek met [minderjarige 1] gebleken dat zij geen contact wil met haar moeder. Zij is heel resoluut in haar beslissing om het contact met haar moeder te verbreken, maar ook in haar weigering om nog een keer in gesprek te gaan met haar moeder en eventuele hulpverlening te aanvaarden die haar verder kan helpen in hoe zij om moet gaan met dit contactverlies. De ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de vrouw zijn een contra-indicatie voor het opleggen van contact. De rechtbank vreest ook dat verwijzing naar een hulpverleningstraject, tegen de wens van [minderjarige 1] in, de weerstand van [minderjarige 1] alleen maar zal vergroten. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De rechtbank heeft wel grote zorgen over de wijze waarop door zowel [minderjarige 1] , als in het gehele familiesysteem waarvan [minderjarige 1] deel uitmaakt, wordt omgegaan met conflicten. Conflicten resulteren in resolute afwijzing en verwijdering van de ander, getuige ook het ontbreken van iedere vorm van contact tussen oudste dochter [meerderjarige] en haar moeder en inmiddels, na een conflict wegens het wegdoen van de honden, ook haar vader. Ook is de rechtbank van oordeel dat alle kinderen van partijen zwaar belast zijn door en als gevolg van de echtscheidingsstrijd die tussen hun ouders woedt. Daar komt voor [minderjarige 1] bij dat het noodgedwongen moeten verlaten van de voor haar vertrouwende (woon- en sociale) omgeving, haar bijzonder zwaar valt.\n\nOp beide ouders rust de inspanningsverplichting om die strijd bij de kinderen weg te houden en om de (belangen van de) kinderen niet uit het oog te verliezen.\n\nDe rechtbank acht het zinvol dat [minderjarige 1] en haar moeder in ieder geval nog eenmaal met elkaar in gesprek gaan, zodat zowel [minderjarige 1] als haar moeder aan elkaar hun verhaal kunnen doen en het verhaal van de ander aan kunnen horen, zonder dat het doel van dat gesprek is tot een blijvend contactherstel te komen. Zo’n gesprek zou hen beiden verder kunnen helpen in de verwerking van de gebeurtenissen rondom de echtscheiding van partijen en het contactverlies tussen hen. Bij dat gesprek kan [minderjarige 1] eventueel worden bijgestaan door een vertrouwd persoon voor haar die zij als steunend ervaart. Omdat de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om bij de huidige stand van zaken druk op haar uit te oefenen, laat zij het bij deze suggestie die zij in de brief aan [minderjarige 1] zal herhalen. De rechtbank ziet evenmin grond voor toewijzing van het verzoek van de man. Er wordt aangaande [minderjarige 1] geen zorgregeling bepaald, en daaruit vloeit reeds voort dat uitsluitend de man, bij wie [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft, belast is met de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat de vrouw daarin geen aandeel heeft.\n\n [minderjarige 2]4.8. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het eens zijn over de zorgregeling die moet gelden voor [minderjarige 2] , inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom de verzoeken van partijen tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] op die wijze als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat gelet op de aankomende verhuizing naar [plaats] hij ervoor zorg zal dragen dat [minderjarige 2] naar de vrouw wordt gebracht en dat hij hem dus zal ondersteunen in de overbrugging van de afstand naar de woonplaats van de vrouw, zodat deze verhuizing een goed verloop van de zorgregeling niet in de weg staat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verder aangegeven in deze zorgregeling flexibiliteit te wensen. In de praktijk ziet de rechtbank dat partijen [minderjarige 2] die flexibiliteit gunnen en bieden en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hem die ruimte blijven geven. Dit is namelijk van belang voor het slagen van de zorgregeling, mede gelet op de ingewikkelde positie waarin [minderjarige 2] zich bevindt. [minderjarige 2] “draagt” de echtscheiding van zijn ouders en ziet zichzelf als het laatste lijntje tussen zijn ouders in een verbroken gezinssysteem. Hij worstelt zichtbaar met die last, en naar het oordeel van de rechtbank kan hij zich niet vrij, onbelast en onbevangen bewegen tussen beide ouders. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter duidelijke signalen afgegeven dat hij lijdt onder de spanningen van buitenaf en de spanningen die hij ongetwijfeld ook intern voelt. De zorgregeling vraagt in de huidige dynamiek tussen zijn ouders veel van hem en de sterke afwijzing van zijn moeder door de man en zijn zus belast het contact met zijn moeder. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 2] door toedoen van zijn ouders terecht is gekomen. Dit is potentieel heel erg schadelijk voor zijn ontwikkeling. Partijen moeten begrijpen dat [minderjarige 2] , hierin zoveel mogelijk steun van hen beiden dient te krijgen. Dat vraagt iets van beide ouders. Zij hebben beiden op grond van de wet (artikel 1:247 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek BW)) de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook hebben zij de verplichting om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige 2] met de andere ouder te bevorderen. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moeten zorgen dat [minderjarige 2] niet langer onderdeel is van de strijd tussen hen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige 2] op de hoogte is van alle informatie over de echtscheiding en de strijd tussen ouders. Het geestelijk welzijn van [minderjarige 2] is niet gediend met het delen van deze informatie en de rechtbank doet een dringend beroep op beide ouders om daar onmiddellijk mee te stoppen. De nieuwsgierigheid van [minderjarige 2] en zijn leeftijd vormen geen rechtvaardiging voor het ongeclausuleerd delen van informatie en opvattingen over de andere ouder en de echtscheiding. Ook moet [minderjarige 2] ondersteund en positief gestimuleerd worden in het contact met de andere ouder.\n\nKinderalimentatie\n\n4.9. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in de periode dat [minderjarige 2] nog ingeschreven stond bij de vrouw, namelijk tot begin januari 2026, zij gerechtigd was tot een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand. De rechtbank ziet in hetgeen de man ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat de vrouw gedurende die periode alle toeslagen voor [minderjarige 2] kreeg en tijdens het huwelijk veel informatie over geldzaken heeft achtergehouden, geen reden waarom dat bedrag niet betaald moet worden. Niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw onder VI. toewijzen.\n\n4.10. Gebleken is verder dat [minderjarige 1] al in de loop van 2025 bij haar vader is gaan verblijven en dat [minderjarige 2] vanaf begin januari 2026 bij de man verblijft en daar vanaf dat moment staat ingeschreven. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een minimale draagkracht heeft ter hoogte van € 50,= per maand en dat zij die volledig moet aanwenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Tussen hen is in geschil over hoeveel kinderen die draagkracht moet worden verdeeld. Volgens de man enkel over de twee minderjarige kinderen van partijen, zodat de vrouw € 25,= per maand per kind dient te voldoen. Volgens de vrouw moet deze draagkracht worden verdeeld over alle drie de kinderen van partijen. De vrouw is immers ook nog onderhoudsplichtig voor [meerderjarige] . De bijdrage komt dan uit op € 17,= per maand per kind voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.11. De rechtbank overweegt dat hoewel [meerderjarige] op dit moment van beide ouders geen onderhoudsbijdrage ontvangt, partijen beiden wel onderhoudsplichtig zijn voor haar tot zij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op die onderhoudsverplichting en de mogelijkheid die [meerderjarige] heeft om aanspraak te maken op een bijdrage van ouders (eventueel met terugwerkende kracht), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van de vrouw te verdelen over drie kinderen. Dat betekent dat zij voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juli 2025 en voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 aan de man een onderhoudsbijdrage van € 17,= per maand per kind dient te voldoen. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.\n\nBrieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.12. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij per brief van de kinderrechter geïnformeerd willen worden over de op de verzoeken die zien op hun hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, zij het uitsluitend over de onderwerpen die hen betreffen, maar ook dat de ouders weten wat de kinderrechter hierover aan de kinderen terugkoppelt. Hierna volgt daarom de tekst van de brief gericht aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze tekst zal worden overgenomen in een brief van de griffier namens de (kinder)rechter, die naar hen wordt gestuurd.\n\n“Beste [minderjarige 1] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan, besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je bij je vader woont en op zijn woonadres blijft of wordt ingeschreven. Je vader is ook degene die jou verzorgt en opvoedt, want de rechter heeft verder besloten dat er geen regeling voor contact met jouw moeder wordt bepaald. De rechter verwijst jullie evenmin door naar een hulpverleningstraject om weer contact op te starten. Jij hebt de leeftijd waarop jij daarin zelf een afweging en keuze kan maken, en jouw keuze weegt zwaar mee in de beslissing van de rechter. De rechter gaat ervan uit dat jij de gevolgen van jouw keuze om het contact met je moeder te verbreken, begrijpt en overziet. De rechter maakt zich wel zorgen over de manier waarop jij resoluut het contact met jouw moeder hebt verbroken. De rechter meent dat het voor de verwerking van hetgeen gebeurd is, goed is om in ieder geval eenmalig het gesprek met jouw moeder aan te gaan, zonder de bedoeling of de verwachting dat het contact daarna herstelt. In dat gesprek kan jij je verhaal doen tegen jouw moeder en heeft zij ook de mogelijkheid om aan jou haar verhaal te vertellen. Jouw moeder heeft aangegeven dat zij daartoe bereid is en dat haar deur voor jou altijd open staat. Je moeder is ermee akkoord dat bij zo’n gesprek eventueel iemand aanwezig zijn die jij vertrouwt en die jou kan ondersteunen. Het is aan jou of je zo’n gesprek nu of op een later moment nog wil voeren en het is ook aan jou om dat aan je moeder duidelijk te maken als je dat gesprek wil aangaan.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage voor jouw kosten aan jouw vader moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\n“Beste [minderjarige 2] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter over de verzoeken die over jou zijn gedaan. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je op zijn woonadres wordt of blijft ingeschreven en dat je vader jou voor het grootste deel verzorgt en opvoedt. Verder heeft de rechter beslist dat jij om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het eten bij jouw moeder bent. Jouw moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het contact met jou heel belangrijk vindt en dat zij het heel fijn vindt als jij bij haar bent. Hoewel zij jou soms moet missen, begrijpt zij het dat jij flexibiliteit en een bepaalde vrijheid in de contactregeling belangrijk vindt, en zij zal daar ook rekening mee houden. Jouw vader heeft op de zitting verder aangegeven dat hij begrijpt dat de verhuizing naar [plaats] lastig is voor jou. Hij zal jou ondersteunen in het overbruggen van de reisafstand van jullie nieuwe woonplek in [plaats] naar jouw moeder in [woonplaats 1] . De rechter vindt het belangrijk dat je zowel bij je vader als je moeder verblijft en dat zij ervoor zorgen dat je geen last meer hebt van hun onderlinge strijd.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage aan jouw vader voor jouw kosten moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\nVerdeling van de gemeenschappelijke goederen\n\n4.13. Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.\n\nPeildatum4.14. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 25 april 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.\n\n4.15. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.\n\nSamenstelling gemeenschap van de gemeenschap4.16. De bestanddelen van de gemeenschap waarvan de verdeling nog in geschil is tijdens deze procedure zijn:\n\na. de woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nb. de schuld uit hoofde van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nc. het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden;\n\nd. een caravan en schuld wegens stallingskosten;\n\ne. een schuld aan de Interbank uit hoofde van een doorlopend krediet\n\nAd. A., b., c. en e. de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening, het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden en de schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Interbank\n\n4.17. Ter zitting is gebleken dat de woning is verkocht aan (een) derde(n). Op 12 juni 2026 zal de woning notarieel geleverd worden aan de kopende partij. Partijen zijn het erover eens dat van de verkoopopbrengst van de woning worden voldaan: de op de datum van overdracht resterende hypothecaire schuld en schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van de resterende overwaarde, te vermeerderen met de netto afkoopwaarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening. Verder zijn partijen het erover eens dat de vrouw de volgende bedragen aan de man dient te vergoeden:\n\nin verband met eerder door de man voor zijn rekening genomen kosten gemoeid met verkoop van de woning (presentatiekosten die gemaakt zijn door makelaar Wino) een bedrag van € 350,=;\n\neen bedrag van € 137,50, zijnde de helft van de door de man gemaakte kosten die gemoeid waren met de aanvraag van een energielabel door de man;\n\n een bedrag van (5 maal € 141,60 =) € 708,=, zijnde haar aandeel in de maandelijkse aflossingen op de schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank, die de man voor zijn rekening heeft genomen, terwijl partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig waren.\n\n4.18. Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde bestanddelen a., b., c. en e., is op grond van artikel 3:185 lid 1 BW voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken die daartoe zien worden, voor zover die zien op deze bestanddelen, afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van die bestanddelen.\n\nAd. d. een caravan en schuld wegens stallingskosten\n\n4.19. De vrouw stelt dat partijen het erover eens waren dat de caravan moest worden verkocht. Zij heeft vervolgens, korte tijd na de peildatum, de caravan verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. De vrouw heeft met de verkoopopbrengst de achterstallige stallingskosten over drie jaar, zijnde in totaal een bedrag van € 1.680,= voldaan. Van de verkoopopbrengst is dus € 70,= over, zodat de man recht heeft op een bedrag van € 35,=.\n\n4.20. De man voert aan dat de vrouw zonder medeweten van de man de caravan van stalling heeft gehaald en verkocht. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met de prijs waarvoor de vrouw de caravan heeft verkocht. Volgens hem hadden partijen er € 2.500,= voor kunnen krijgen en de man vraagt de rechtbank om van dat bedrag uit te gaan bij verdeling van de caravan. Hij erkent verder dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten.\n\n4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onweersproken aangevoerd dat de caravan van partijen na de peildatum is verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. Of partijen overeenstemming hadden over het verkopen van de caravan kan de rechtbank niet vaststellen op grond van de standpunten van partijen en de overgelegde stukken. Daarbij heeft de man aan deze stelling verder geen conclusie verbonden. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de caravan, die op de peildatum tot de ontbonden gemeenschap behoorde, een oordeel geven van de waarde op de peildatum. Het is de rechtbank niet gebleken dat de caravan meer waard is dan € 1.750,=, zijnde de verkoopprijs die kort na de peildatum tot stand is gekomen in de verkooptransactie tussen twee particulieren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de informatie die de vrouw ter zitting heeft gedeeld, zoals het merk en type van de caravan, dat het kenteken van de caravan in 1994 is afgegeven, en het bedrag dat partijen bij de aanschaf van de (toen al tweedehands) caravan hebben betaald, zijnde € 3.400,=. De rechtbank sluit daarom voor de waardering van de caravan op de peildatum aan bij de verkoopprijs van € 1.750,=. De man heeft verder erkend dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten en hij heeft ter zitting aangegeven dat het door de vrouw genoemde bedrag kan kloppen. Ook niet weersproken is de stelling van de vrouw dat deze op de peildatum bestaande schuld is ingelost met de verkoopopbrengst van de caravan. De man is gerechtigd tot de helft van het resterende bedrag en dus tot € 35,=, door de vrouw aan hem te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk;5.2. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010,\n\nhun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;5.3. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw is: om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten;5.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 285,= (tweehonderdvijfentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] ;\n\n5.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 1] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.7. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, uit hoofde van de verdeling van de caravan een bedrag ter hoogte van € 35,= aan de man moet voldoen;\n\n5.8. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 21 mei 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","2026-07-13T00:28:38.439Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":36,"updatedAt":88},"457","ECLI:NL:RBZWB:2026:5431","ecli-nl-rbzwb-2026-5431","2026-05-20T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F446916 \u002F KG ZA 26-187\n\nVonnis in kort geding van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man]\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser in conventie,\n\ngedaagde in reconventie,\n\nadvocaat: mr. K. el Joghrafi,\n\ntegen\n\n [de vrouw]\n\nhierna te noemen: de vrouw;\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat: mr. F. Ergec\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de\n\nRaad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen:\n\nde Raad, de voorzieningenrechter over (een deel van) de vorderingen geadviseerd.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de (concept) dagvaarding;\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 t\u002Fm 4;\n\n- de mondelinge behandeling op 11 mei 2026.\n\n1.2.. Op 11 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende nog minderjarige kind is geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.\n\n2.2.. De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de vrouw.\n\n2.4.. Bij het uiteengaan van partijen hebben partijen een ouderschapsplan (hierna: parenting plan) opgesteld waarin een omgangsregeling is overeengekomen die inhoudt dat [minderjarige] eenmaal per 14 dagen op zaterdag en zondag bij de man zal verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.\n\n2.5.. Sinds half november 2025 is er geen omgang meer geweest tussen de man en [minderjarige] . Er is wel nog een kort contactmoment geweest in januari 2026 toen de man zijn nieuwe auto aan [minderjarige] heeft laten zien.\n\n3. De vorderingen in conventie en reconventie\n\n3.1.. De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te gebieden tot nakoming van de overeengekomen regeling, waarbij [minderjarige] eenmaal per 14 dagen van zaterdag tot zondag, alsmede gedurende de helft van de vakantie en feestdagen, bij de man verblijft.\n\n3.2.. De vrouw vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan tussen partijen met onmiddellijke ingang te schorsen;\n\n- partijen te verwijzen naar het Uniforme Hulpaanbbod (UHA);\n\n- de man te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis zijn huidige verblijfplaats (adres) schriftelijk aan de vrouw kenbaar te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dat dat hij hiermee in gebreke blijft.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen alle vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nEr is sprake van een spoedeisend belang\n\n4.2.. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er een (voldoende) spoedeisend belang bestaat bij de vorderingen. De man stelt dat de spoedeisendheid uit de aard van de zaak voortvloeit. De vrouw heeft zich niet uitgelaten over het spoedeisend belang in deze zaak.\n\n4.3.. Op grond van de gedingstukken en hetgeen tussen partijen is besproken ter zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen voldoende vast. Er is sprake van een omgangsregeling die niet wordt nagekomen en partijen hebben er belang bij dat er zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen over de vraag of de omgangsregeling moet worden nageleefd of dat de omgangsregeling (tijdelijk) moet worden geschorst.\n\nDe vastgelegde omgangsregeling moet worden nagekomen\n\n4.4.. De man vraagt om nakoming van de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan. Concreet betekent dit dat de man omgang wil met [minderjarige] één keer per veertien dagen op zaterdag en zondag en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. De man heeft toegelicht dat gedurende een bestendige periode uitvoering is gegeven aan de regeling die is vastgelegd in het parenting plan, maar dat de vrouw sinds half november 2025 weigert de regeling na te komen. De man vindt dat er geen enkele reden is waarom de regeling zoals partijen die zijn overeengekomen niet zou moeten worden nagekomen door de vrouw.\n\n4.5.. \n\nDe vrouw voert aan dat er inderdaad een omgangsregeling is afgesproken tussen partijen, maar dat voortzetting van de huidige omgangsregeling op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] . Daarom moet de omgang tussen de man en [minderjarige] (tijdelijk) worden geschorst volgens de vrouw. Zij licht toe dat de man onbetrouwbaar is omdat hij de ene keer wel en de andere keer niet komt bij de omgangsmomenten. Dit leidt tot ernstige onzekerheid en emotionele schade bij [minderjarige] . Ter zitting heeft de vrouw nog aangevuld dat de man en [minderjarige] vaak omgang hebben (gehad) bij de vrouw thuis en dat de man [minderjarige] alleen meeneemt in de perioden waarin de man een relatie heeft.\n\nVerder voert de vrouw aan dat er binnen de huidige relatie van man sprake is van heftige ruzies, waarbij de politie betrokken is geweest. Het incident waarbij de politie langs is geweest, is voorgevallen in november. In augustus en september hebben de man en zijn huidige partner ook ruzie gehad volgens de vrouw. Door de ruzies is er een reëel risico voor de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] . Ook in de relatie tussen de man en de vrouw is er volgens de vrouw sprake geweest van agressieproblematiek. Toen waren er ook ruzies waarbij de politie is geweest.\n\nVolgens de vrouw heeft [minderjarige] last van de situatie wat onder meer blijkt uit het feit dat hij overdag meerdere keren per dag in zijn broek plast terwijl hij eerder zindelijk was.\n\nEr kan wat de vrouw betreft wel omgang plaatsvinden maar die moet dan wel begeleid plaatsvinden of bij de vrouw thuis, totdat de man inzicht toont in zijn handelen en de schadelijke gevolgen daarvan voor [minderjarige] .\n\n4.6.. De man heeft ter zitting aangeven dat er in november 2025 inderdaad een incident is geweest met zijn huidige partner waarbij de politie langs is geweest. De oorzaak van deze ruzie was dat de omgang met [minderjarige] bij de vrouw had plaatsgevonden en dat de man daar was blijven slapen. De betrokkenheid van de politie is eenmalig geweest en het incident heeft plaatsgevonden op een moment waarop [minderjarige] bij de vrouw was. Er is volgens de man geen sprake van een gewelddadige relatie. De man ontkent niet dat hij wel eens ruzie heeft met zijn (huidige) partner. De man ontkent dat er tijdens de relatie met de vrouw sprake is geweest van agressieproblematiek. Naar de mening van de man heeft de vrouw moeite met het feit dat hij verder is gegaan met zijn leven nadat de relatie met de vrouw is verbroken.\n\n4.7.. Namens de Raad is ter zitting aangegeven dat de omgang zo spoedig mogelijk weer moet worden opgestart. Voor de Raad is onbegrijpelijk dat de omgangsregeling zo plotseling is stopgezet. Het valt de Raad op dat er nog veel onderwerpen spelen op ex-partner niveau. Dat is iets wat ouders onderling moeten bespreken en dat mag niet leiden tot het stopzetten van de omgang. De Raad heeft op zitting niets gehoord wat leidt tot zorgen over de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgang met de man. De omgang moet weer worden opgestart en ouders moeten zich zoveel mogelijk houden aan de regeling.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende. Uit de wet vloeit voort dat een ouder die niet met het gezag belast is in beginsel recht heeft op omgang met zijn kind. Dat is alleen anders als er een reden is om die ouder het recht op omgang te ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:\n\n- omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;\n\n- de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;\n\n- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;\n\n- er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\n4.9.. \n\nBovenstaande betekent dat de man in beginsel recht heeft op omgang met [minderjarige] en dat de omgangsregeling zoals partijen die in het parenting plan zijn overeengekomen moet worden nageleefd. Dat is alleen anders als de vrouw erin slaagt voldoende aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die de (voorlopige) conclusie rechtvaardigen dat omgang tussen de man en [minderjarige] niet (langer) in het belang van [minderjarige] is. Het moet dan gaan om ernstige en zwaarwegende omstandigheden in lijn met de hiervoor onder 4.8. genoemde omstandigheden. De vrouw is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd dergelijke omstandigheden voldoende aannemelijk te maken. Niet is komen vast te staan dat de situatie bij de man thuis een situatie oplevert die schadelijk is voor de gezondheid en het welzijn van [minderjarige] . Het incident in november, dat door de vrouw is genoemd en door de man is erkend, is een voorval geweest waarbij [minderjarige] niet aanwezig was. Ook bij de voorvallen van augustus en september die de vrouw schetst, en waaraan de man overigens een andere uitleg geeft, was [minderjarige] niet aanwezig. Zonder nadere uitleg is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom deze voorvallen dan toch schadelijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van [minderjarige] en zouden moeten leiden tot (tijdelijke) schorsing van de omgang. De enkele omstandigheid dat partners ruzie hebben rechtvaardigt in ieder geval niet de conclusie dat er geen veilige situatie is met betrekking tot de omgang.\n\nDat er sprake is van agressieproblematiek bij de man, hetgeen door de man is betwist, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd.\n\nDe voorzieningenrechter begrijpt dat er zorgen zijn bij de vrouw over het broekplassen van [minderjarige] . Door de vrouw is echter niet onderbouwd wat hiervan de oorzaak is. Broekplassen bij kinderen kan meerdere oorzaken hebben en aan de enkele omstandigheid dat hiervan sprake is kan de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting en onderbouwing van de zijde van de vrouw niet de conclusie verbinden dat er tijdelijk geen omgang moet zijn tussen de man en [minderjarige] .\n\nDe rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd ook geen aanleiding om de omgang begeleid plaats te laten vinden, aangezien geen van de aangevoerde omstandigheden voldoende is onderbouwd.\n\n4.10.. \n\nDit betekent dat de in het parenting plan overeengekomen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] zo snel mogelijk moet worden hervat op de wijze zoals overeengekomen in het parenting plan. Omdat het de voorzieningenrechter is opgevallen dat in het parenting plan geen afspraken zijn gemaakt over het tijdstip waarop de omgang aanvangt en het tijdstip waarop de omgang eindigt én het naar het oordeel van de voorzieningenrechter van belang is dat er zoveel mogelijk duidelijkheid is over de omgangsregeling, is hierover op de zitting gesproken. Ter zitting zijn partijen het niet eens geworden over het aanvangstijdstip. De man wil dat de omgang aanvangt om 9.00 uur. De vrouw wil dat dit 10.00 uur is. Partijen zijn het wel eens over de eindtijd. De eindtijd is 18.00 uur. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de omgang plaatsvindt van zaterdag 9.30 uur tot zondag 18.00 uur.\n\nVerder wijst de voorzieningenrechter erop dat in het parenting plan is bepaald dat de ouder bij wie het kind verblijft [minderjarige] naar de andere ouders zal brengen op het moment dat het de beurt is van de andere ouder om [minderjarige] bij zich te hebben. Deze afspraak wordt door deze uitspraak niet aangetast. Concreet betekent dit dat de vrouw [minderjarige] op zaterdag naar de man zal brengen en dat de man [minderjarige] op zondag terugbrengt naar de vrouw. Dit vonnis brengt evenmin wijziging in de afspraak van partijen dat de man gedurende de helft van de vakanties en feestdagen omgang zal hebben met [minderjarige] .\n\n4.11.. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de vordering van de man tot nakoming van de omgangsregeling wordt toegewezen. Uit de toewijzing van de vordering van de man volgt dat de vordering (in reconventie) van de vrouw om de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan te schorsen, wordt afgewezen.\n\nPartijen worden niet verwezen naar het Uniforme Hulpaanbod (UHA)\n\n4.12.. De vrouw vordert dat partijen worden verwezen naar het UHA. De vrouw vindt de verwijzing naar het UHA noodzakelijk zodat partijen tot veilige afspraken kunnen komen. De man verzet zich hiertegen, maar heeft wel aangegeven dat hij openstaat voor hulpverlening als op een later tijdstip blijkt dat dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.\n\n4.13.. De Raad heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat er op dit moment geen aanleiding is om partijen te verwijzen naar het UHA.\n\n4.14.. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om partijen op dit moment naar het UHA te verwijzen. Uit het voorgaande blijkt dat de voorzieningenrechter van oordeel is de feiten en omstandigheden die door de vrouw zijn aangevoerd om de omgang tussen de man en [minderjarige] (tijdelijk) te schorsen, onvoldoende zijn onderbouwd. Nu de vrouw geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering tot verwijzing naar het UHA, is er op dit moment ook geen grond voor verwijzing naar het UHA. Daar komt bij dat de man zich verzet tegen de verwijzing, waardoor toewijzing sowieso lastig zou zijn. Verder blijkt uit het advies van de Raad dat hij op basis van hetgeen door de vrouw is aangevoerd geen aanleiding ziet voor een verwijzing naar het UHA. De voorzieningenrechter zal de vordering tot verwijzing naar het UHA dan ook afwijzen.\n\nDe vrouw heeft geen belang meer bij een veroordeling van de man tot het kenbaar maken van zijn adres\n\n4.15.. De vrouw heeft verder nog gevorderd dat de man, op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld zijn huidige verblijfplaats kenbaar te maken aan de vrouw.\n\n4.16.. De man heeft ter zitting zijn adres doorgegeven aan de vrouw, zodat de vrouw bij dit gedeelte van haar vordering geen belang meer heeft. De voorzieningenrechter zal deze vordering om die reden afwijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. veroordeelt de vrouw tot nakoming van de in het parenting plan vastgelegde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , met de aanvulling dat de omgang op zaterdag aanvangt om 9.30 uur waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en dat deze duurt tot zondag om 18.00 uur waarbij de man [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw (zoals overwogen in rechtsoverweging 4.10);\n\n5.2.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3.. wijst af hetgeen, zowel in conventie als in reconventie, meer of anders is gevorderd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.\n\n Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5431","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.281Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":93,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":36,"updatedAt":95},"421","ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","ecli-nl-rbzwb-2026-5414","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442299 FA RK 25\u002F6059\n\n20 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper.\n\n1. Het procesverloop\n\nDit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 24 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- het op 26 januari 2026 ontvangen gecorrigeerde verzoekschrift;\n\n- het F9-formulier van mr. Smeulders-Martens van 4 februari 2026 met als bijlage een door partijen op 29 januari en 1 februari 2026 ondertekend ouderschapsplan;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 9 februari 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 11 maart 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 20 maart 2026;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 23 maart 2026.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op [datum] 2020 in de gemeente Dongen met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;\n\n- tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\n3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2025.\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;\n\n- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.\n\n3. Het verzoek\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat,\n\n- echtscheiding;\n\n- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve\n\nvan de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind;\n\n- opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij brieven van 11 en 19 maart 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dit is vastgelegd in een ouderschapsplan. Gelet hierop wijzigt de vrouw haar verzoek zoals hiervoor onder 3. is weergegeven. Verder verzoekt de vrouw, zo de rechtbank begrijpt, de zaak schriftelijk af te doen.\n\n4.2.. Bij F9-formulier van 23 maart 2026 is namens de man bericht dat hij instemt met de gewijzigde verzoeken van de vrouw. De rechtbank begrijpt dat ook de man geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.\n\n4.3.. Aangezien het verzoek op de wet is gegrond en de man hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van het ouderschapsplan en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat tussen partijen niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 3] is. Nu [minderjarige 3] echter binnen het huwelijk van partijen is geboren, is de man wel de juridische vader. De vrouw heeft een procedure aanhangig gemaakt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap. Gelet hierop zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het ouderschapsplan geen betrekking heeft op [minderjarige 3] en er voor hem geen onderhoudsbijdrage wordt verzocht.\n\n4.4.. Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.\n\n4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2020 in de gemeente [woonplaats 1] met elkaar gehuwd;\n\n bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 februari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\naan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand;\n\ncompenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;\n\n wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","2026-07-13T00:28:29.040Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":36,"updatedAt":104},"335","ECLI:NL:RBZWB:2026:5376","ecli-nl-rbzwb-2026-5376","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F407666 \u002F FA RK 23-1360\n\ndatum uitspraak: 2 juni 2026\n\nNadere beschikking\n\n in de zaak van\n\n [de man] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende in [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet te Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op\n\n [geboortedag 2] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,\n\n hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:\n\nde op 20 mei 2025 door deze rechtbank gegeven tussenbeslissing en de daarin genoemde stukken;\n\nde op 26 januari 2026 van de GI ontvangen brief annex verslag, gedateerd 23 januari 2026;\n\nhet op 28 januari 2026 door de advocaat van de vrouw ingediend F9-formulier;\n\nhet op 28 januari 2026 door de advocaat van de man ingediend F9-formulier.\n\n3. Het (resterend) verzoek\n\n3.1.. Aan de orde zijn (nog) de verzoeken van de man om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:\n\nhij en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot (begeleide) omgang met elkaar (in het kader van een traject) - en indien partijen hiertoe toestemming verlenen intensieve oudergesprekken - (e.e.a. met inachtneming van hetgeen sub 28 tot en met 38 van het verzoekschrift uiteen is gezet);\n\nwordt bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk met het ouderlijk gezag worden\n\nbelast over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.2.. Bij voormelde beschikking van 20 mei 2025 is bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig het recht hebben op (on)begeleide omgang met elkaar, in die zin dat de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden, in afwachting van een actueel verslag van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling, in het bijzonder het traject ten aanzien van contactherstel. De advocaten van partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dat verslag te reageren.\n\n3.3.. Gelet op de nauwe samenhang van deze bodemzaak met het door de GI ingediend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in de zaak met het kenmerk C\u002F02\u002F446423 \u002F JE RK 26-510 zijn deze zaken ter zitting gezamenlijk behandeld. In de beide zaken is bij separate beschikking beslist.\n\n3.4.. De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n4. Het (nadere) standpunt van de GI\n\n4.1.. De GI heeft schriftelijk bericht dat er in totaal in 2024 acht begeleide contactmomenten hebben plaats gevonden. Deze zijn positief verlopen, maar hebben desondanks geen vervolg gekregen, omdat de vrouw nog niet in staat is gebleken de kinderen emotionele ruimte te geven om het contact met hun vader aan te gaan. De kinderen hebben nooit uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. De vrouw laat zien dat zij angst blijft houden dat de veiligheid van de kinderen in het gedrang komt als er omgang is tussen hen en de man. Het lukt haar tot op heden onvoldoende om haar angsten en spanningen bij de kinderen weg te houden. Door de betrokken hulpverlening zijn de bij de vrouw aanwezige zorgen over de man niet als zodanig vastgesteld of anderszins bevestigd. Alle betrokkenen, waaronder ook de Raad, zijn van opvatting dat het inschakelen van hulpverlening voor de vrouw om haar te ondersteunen in het traject van contactherstel belangrijk is, waarbij er in dat kader ook wordt gewerkt aan het vergroten van haar draagvlak. Het wordt in het belang van de kinderen geacht dat zij de mogelijkheid krijgen om zich zelfstandig een vaderbeeld te kunnen vormen.\n\n4.2.. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en omdat beide ouders nog een behoorlijke tijd als ouders van deze kinderen met elkaar te maken (zullen) hebben is het belangrijk dat beide kinderen daadwerkelijk gaan voelen dat hun ouders in staat zijn om in hun belang te handelen. Complicerend in dat verband is dat de ouders niet met elkaar communiceren. In de praktijk informeert de moeder de vader éénmaal in de zes weken kort via haar advocaat over de kinderen.\n\n4.3.. Er kon nog geen vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. Wel is in afwachting daarvan de huidige jeugdbeschermer betrokken, die de regie voert over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en gesprekken voert met de ouders en met de kinderen. Gezien wordt bij [minderjarige 2] dat zij een vrolijk meisje is, dat met plezier naar haar moeder en partner gaat. [minderjarige 2] ziet er verzorgd uit, zij praat niet over haar vader. De leerkracht signaleert bij [minderjarige 2] geen veranderd of zorgelijk gedrag. [minderjarige 1] wordt door school omschreven als een heerlijk vrolijk mannetje. Hij let goed op en doet erg zijn best. Hij heeft geen problemen met andere kinderen. Hij praat op school nooit over zijn vader. Wel was hij recent erg van slag toen zijn vader in beeld kwam wegens een gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming.\n\n4.4.. \n\nDe man en de vrouw zijn aangemeld bij [praktijk] om te werken aan de volgende doelen:\n\n• er is duidelijkheid hoe de omgang tussen de man en de kinderen kan worden opgestart, waardoor er tussen hen onbelast contact kan plaats vinden;\n\n• duidelijk is hoe en in welke vorm omgang het best passend is voor beide kinderen,\n\nwaardoor zij onbelast contact kunnen hebben met de man;\n\n• het lukt de man en de vrouw om positief over elkaar te spreken, waardoor de\n\n kinderen op een onbelaste wijze zich een eigen beeld kunnen vormen van hun\n\nouders;\n\n• de kinderen hebben een plek waar zij hun verhaal kunnen delen, zodat zij worden\n\n gehoord en duidelijk wordt wat beiden nodig hebben in het contact met de ouders;\n\n• door middel van systeemgesprekken met de ouders komt er meer zicht op de situatie\n\n van de ouders en de invloed hiervan op de kinderen, hierdoor ontstaat er een stabiele\n\n opvoedsituatie voor de kinderen; in de systeemgesprekken zal er aandacht zijn voor\n\nde achtergrond van de ouders en de huidige situatie rondom de woon- en leefsituatie\n\n van de kinderen;\n\n• de ouders krijgen inzicht in bestaande patronen, waardoor gedragspatronen kunnen\n\nveranderen die er in het heden voor zorgen dat ze in negatieve patronen blijven hangen; door de patronen uit te tekenen waardoor zij vastlopen zullen de ouders deze (h)erkennen en weten om te buigen naar positieve patronen; de onderlinge relatie kan daardoor herstellen, waardoor de emotionele problemen verminderen;\n\n• het lukt de ouders om meer regie te houden over hun eigen reacties bij moeilijke\n\n situaties en ruzies waardoor spanningen niet meer oplopen;\n\n• de ouders hebben inzicht in de mogelijkheden en belemmeringen van hen zelf en\n\n zij accepteren de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de\n\n kinderen te realiseren en te behouden;\n\n• het lukt de ouders om met elkaar te communiceren en afspraken te maken,\n\n waardoor zij beslissingen nemen die in het belang zijn van de kinderen, de\n\n kinderen ervaren meer rust en zij hebben geen last van strijd tussen de ouders.\n\n4.5.. De rechtbank heeft bij voornoemde beschikking van 20 mei 2025 bepaald dat de kinderen recht hebben op contact met de vader, waarbij de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI. De GI is verzocht dit voortvarend op te pakken. De GI tekent daarbij aan dat er geen minimum regeling is vastgelegd en het bovendien lange tijd geleden is dat het begeleide contact tussen de vader en de kinderen is gestopt. Dit maakt dat beide ouders en de kinderen heel zorgvuldig meegenomen dienen te worden in het proces van de hulpverlening om ook duurzaam contact te kunnen realiseren tussen de man en de kinderen. Ook ligt er een belangrijke taak bij de vrouw voor wat betreft het geven van emotionele toestemming aan de kinderen.\n\n4.6.. In december 2025 is [praktijk] gestart nadat ook de financiering rond was. Tijdens de start van de hulpverlening hebben er gesprekken plaatsgevonden waarin het genogram en de tijdlijn zijn gemaakt en de Masic is afgenomen bij beide ouders. In maart 2026 hebben ouders (afzonderlijk van elkaar), [praktijk] en de GI gesprekken gehad met elkaar, waarbij door [praktijk] een terugkoppeling is gegeven van de afgelopen periode, alsook een advies voor de komende periode. Daaruit is gebleken dat [praktijk] geen veiligheidsrisico’s ziet die aan contact tussen man en de kinderen in de weg staan. Hoewel beide ouders qua visie aanzienlijk verschillen over hoe zij de relatie hebben beleefd, is er feitelijk, gezien het verloop van de afgelopen twaalf maanden geen sprake geweest van enige vorm van geweld, dreiging of dwingende controle van de man naar de vrouw en\u002Fof de kinderen. De vrouw is nogmaals geadviseerd persoonlijke hulpverlening aan te gaan om haar pijn uit het verleden een plekje te geven, maar ook om de man te kunnen zien als ouder van de kinderen die, los van het verleden, een rol in hun leven dient te spelen.\n\n4.7.. Er is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om tot begeleide contacten tussen de man en de kinderen te komen. Niet omdat de GI zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de man, maar omdat het lange tijd geleden is dat de kinderen hem voor het laatst hebben gezien en omdat na het eerdere abrupt eindigen van de omgang de kinderen daarover geen duidelijke reden en uitleg hebben gekregen. De GI heeft grote zorgen over het feit dat de kinderen zich geen eigen beeld hebben kunnen vormen van de man en zij op dit moment alleen informatie en de (angstige) gevoelens en gedachten meekrijgen van de vrouw. In dat verband heeft de vrouw aangegeven dat de kinderen geen contact met de man willen en dat zij regelmatig bang zijn en nachtmerries hebben. De verwachting van de GI is dat de kinderen, die hun vader langere tijd niet hebben gezien of gesproken, een neutrale volwassene nodig hebben in het contact met hem om zich van hem een eigen beeld te kunnen vormen. De kinderen zijn daarom ook aangemeld voor speltherapie met als voornaamste reden dat zij een eigen onafhankelijke plek (zullen) hebben waar zij hun eigen gevoelens en emoties mogen\u002Fdurven en kunnen uiten. Los daarvan acht de GI het van belang dat de vrouw individuele hulpverlening aangaat om de man een rol te kunnen laten hebben (en houden) in het leven van de kinderen.\n\n4.8.. Tot dusver ondernomen acties, waarbij is geprobeerd door het creëren van zo gunstig mogelijke omstandigheden voor de kinderen begeleide contacten tussen hen en de man te laten plaatsvinden, hebben geen resultaat gehad. Gezien werd bij beide kinderen in de wachtkamer dat zij als het ware verstijfden van angst en nadrukkelijk steun bij hun moeder zochten zodra (begeleide) contacten met de man ter sprake kwamen. [praktijk] concludeerde dat er bij de kinderen geen enkele ruimte is om te komen tot contactherstel. Zij ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een situatie verkeren, waarin zij feitelijk geen kind kunnen zijn. Ook vindt zij het zorgelijk dat beide kinderen aangeven dat zij de partner van de moeder als hun biologische vader tevens opvoeder beschouwen. Op grond van al deze omstandigheden ziet de GI op dit moment geen heil in het voortzetten van het traject gericht op het tot stand brengen van begeleide contacten. Er zal eerst moeten worden geïnvesteerd in hulpverlening voor beide kinderen in de vorm van speltherapie. Van belang is dat beide kinderen ieder een eigen behandelaar\u002Ftherapeut zullen krijgen. Los daarvan blijft het van belang dat de vrouw daadwerkelijk start met individuele hulpverlening, zodra die beschikbaar is. De GI is bereid om de vrouw te helpen om dit hulpverleningstraject te bespoedigen.\n\n4.8.. \n\nDe GI acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat in de komende periode gewerkt kan (blijven) worden aan (a) de moeder is in staat emotionele toestemming te geven voor het contact tussen de kinderen en de man, (b) de kinderen hebben een positief en onbelast contact met de man en (c) de ouders zijn in staat om met elkaar over de kinderen te communiceren en zij hebben tevens duidelijkheid over het vormgeven van het ouderschap.\n\nDaarom heeft de GI bij een door haar afzonderlijk ingediend verzoekschrift verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen, aanvankelijk voor de duur van negen maanden. Ter zitting heeft de GI dit verzoek mondeling in die zin gewijzigd, dat zij nu\n\nverzoekt de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden te verlengen.5. Het standpunt van [minderjarige 1]\n\n heeft tijdens het afzonderlijke kindgesprek - samengevat - aangegeven dat hij het moeilijk vindt dit gesprek te voeren en dat hij daarom de avond tevoren kampte met hoofdpijnklachten. Er heeft met hem een gesprek plaatsgevonden bij [praktijk] . Dat vond hij niet fijn, vooral omdat hij de indruk had dat men hem ertoe wilde dwingen om mee te werken aan begeleide contacten met zijn vader. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen contact met zijn vader wil, omdat hij niet zijn opvoeder was en is. Dat is nu [persoon] , de partner van zijn moeder. Ten slotte heeft [minderjarige 1] opgemerkt dat het thuis goed gaat, maar dat er wel eens ruzie is tussen hem en zijn zusje. Ook op school loopt het goed. Verder speelt hij graag videospelletjes op de PlayStation.\n\n5. De standpunten van partijen\n\n5.1.. Door en namens de man is - samengevat - naar voren gebracht dat hij van opvatting is dat bij de vrouw nog steeds sprake is van een blokkade, die maakt dat zij niet of onvoldoende in staat is om aan de kinderen emotionele toestemming te geven om met hun vader contact te hebben. Ook ziet hij dat het bij de vrouw ontbreekt aan voldoende intrinsieke motivatie om te (gaan) werken aan het geven van emotionele instemming. Daardoor beschikken de kinderen niet over mogelijkheden om met de man contact te hebben en zich van hem een beeld te vormen. Er hebben eerder acht begeleide contactmomenten plaatsgevonden, die positief zijn verlopen, maar niettemin geen vervolg hebben gekregen. De kinderen hebben vervolgens geen uitleg gekregen over het abrupt stoppen van de begeleide contacten. Wel loopt er een ondertoezichtstelling, mede vanuit de bedoeling dat de moeder aan haar trauma’s en angsten zal gaan werken. Verder heeft [praktijk] aangegeven geen veiligheidsrisico’s in relatie tot contacten tussen de man en de kinderen te zien. Desondanks is er intussen geen vooruitgang geboekt. Er lijkt zelfs sprake van verdere achteruitgang, nu beide kinderen nadrukkelijk blijk geven van weerstand ten aanzien van contacten met de man. Bij elkaar maakt dit dat er in elk geval zwaarder op hulpverlening ingezet zal moeten gaan worden.\n\n5.2.. Met voormelde toelichting luidt het standpunt van de man dat - overeenkomstig het sub b vermelde verzoek - zal worden bepaald dat hij en de vrouw gezamenlijk met het gezag over de kinderen zullen zijn belast. Daarmee krijgt de man een meer gelijkwaardige positie in het geheel, wat gunstiger is voor het (kunnen) werken aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling. Ook beschikt de man in dat geval over meer mogelijkheden om zich bijvoorbeeld via de school op de hoogte te stellen omtrent de ontwikkeling van de kinderen. Nu wordt de man door de vrouw over de kinderen slechts op summiere wijze geïnformeerd. Het ontbreekt de man daardoor aan voldoende zicht op de ontwikkeling van beide kinderen en wat hen bezig houdt. Wat het sub a vermelde verzoek betreft luidt het standpunt van de man dat dit onderdeel zou moeten worden aangehouden, in afwachting van het verdere verloop en de resultaten van de ondertoezichtstelling. Daarbij speelt ook met name een rol dat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI dient te blijven.\n\n5.3.. Door en namens de vrouw is - samengevat - opgemerkt dat zij op de wachtlijst staat voor hulpverlening, omdat zij nog altijd kampt met trauma’s en herbelevingen uit het verleden. Hoewel zij graag zou zien dat de man erkent dat de gebeurtenissen, die daaraan ten grondslag liggen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is haar gebleken dat hij daarover niet open en eerlijk is. Daarnaast ervaart de moeder dat bij beide kinderen sprake is van hoofd- en buikpijnklachten, alsook van bedplassen en nachtmerries. Dit trekt een zware wissel op haar, nu zij volledig met de zorg voor de kinderen is belast. De vrouw houdt de kinderen voor dat zij er achter staat dat zij begeleid contact hebben met de man. Ook worden de kinderen door haar daarop voorbereid. Desondanks laten de kinderen blijken geen contact met de man te willen. De vrouw ziet niet wat zij nog zou kunnen doen om dit te veranderen. De vrouw wenst wel dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook opdat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen bij de GI blijft berusten.\n\n5.4.. Met voormelde toelichting luidt primair het standpunt van de vrouw dat het sub b vermelde verzoek tot wijziging van het gezag moet worden afgewezen. Dit omdat de man en de vrouw niet op één lijn zitten over het verloop van hun relatie in het verleden, de gevoelens bij de vrouw daaromtrent door de man niet worden erkend en er daardoor geen of althans onvoldoende basis is voor gezamenlijke gezagsuitoefening. Ook betwijfelt de vrouw in sterke mate of in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening er van (voldoende) gelijkwaardigheid sprake zal zijn. Ten aanzien van het sub a vermelde verzoek luidt het standpunt van de vrouw dat, hoewel een eindbeslissing op dat verzoek haar voorkeur heeft, het wat haar betreft de bedoeling is dat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI blijft. Ten slotte zal de vrouw ervoor blijven zorgen dat de man over de ontwikkeling van de kinderen wordt geïnformeerd. Voor zover die informatie verstrekking in de visie van de man onvoldoende is ligt het op zijn weg om aan te geven welke informatie hij verder nog van de vrouw zou willen ontvangen.\n\n6. Het standpunt van de Raad\n\nNamens de Raad is - samengevat - aangevoerd dat er nog steeds sprake is van omstandigheden die maken dat de kinderen zich geen beeld van de man kunnen vormen. In het belang van de kinderen en hun (verdere) ontwikkeling dient daaraan gewerkt te blijven worden middels hulpverlening voor de kinderen en individuele hulpverlening voor de vrouw. Te denken valt waar het hulpverlening voor de vrouw betreft aan Flash forward EMDR. Dit betreft een intensief traject, maar kan de vrouw helpen om inzicht te krijgen in haar eigen situatie en die van de kinderen en hoe daarmee om te gaan. De GI kan daarin mogelijk ook een rol vervullen om ervoor te zorgen dat de vrouw hoger op de wachtlijst wordt geplaatst. Voor de kinderen adviseert de Raad om in elk geval de Word en Pictures methode te proberen. Van de man vraagt de Raad dat hij de komende tijd door middel van het sturen van kaartjes en\u002Fof videoboodschappen probeert voorzichtig te investeren in herstel van het contact met de kinderen. De oudercommunicatie blijft ook een punt van aandacht, maar heeft op dit moment niet de hoogste prioriteit. Van belang is dat de ouders zich niet langer blijven focussen op het verleden en hun afzonderlijke belevingen daaromtrent, maar dat zij al dat wat de kinderen aangaat zakelijk weten te benaderen en zij daarbij de belangen van de kinderen steeds voor ogen weten te houden. Verder is de Raad van mening dat over het contact tussen de man en de kinderen de regie bij de GI dient te blijven berusten. De situatie aangaande het gezag ligt in de visie van de Raad ingewikkelder. De Raad onthoudt zich van een advies over dat verzoek. Wel wenst de Raad de rechtbank bij de beoordeling van dit onderdeel ter overweging mee te geven dat, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening de man gevoelsmatig een gelijkwaardigere positie zal krijgen, maar daar tegenover staat dat er voor de vrouw en voor de kinderen nog intensieve hulpverleningstrajecten zullen starten, waardoor de kans aanwezig is dat de vrouw grotere druk zal ervaren en dit bij haar voor (extra) blokkades kan gaan zorgen.\n\n7. De beoordeling\n\n7.1.. Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek\u002FBW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat, indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder niet instemt met gezamenlijk gezag, het verzoek slechts wordt afgewezen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n7.2.. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek(BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien\n\na. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,\n\nb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,\n\nc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,\n\nd. indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\n7.3.. Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat het door de GI in samenspraak met [praktijk] gemaakte plan, bedoeld om te komen tot contactherstel tussen de man en de kinderen op dit moment niet haalbaar is. Er zijn pogingen ondernomen om de kinderen zo goed mogelijk op begeleide contacten met de man voor te bereiden. Op die momenten hebben de kinderen laten zien dat zij verstijfden van angst en nadrukkelijk steun zochten bij de vrouw. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] herhaald dat hij geen contact met de man wil en dat hij de partner van de vrouw als zijn vader\u002Fopvoeder ziet. Met de Raad en de GI is de rechtbank van oordeel dat dit een erg zorgelijke situatie is, en deze een bedreiging vormt voor de verdere (identiteits)ontwikkeling van beide kinderen. Vast is komen te staan dat de GI in het kader van de lopende ondertoezichtstelling hulpverlening wenst te gaan inzetten in de vorm van speltherapie voor de kinderen. Daarnaast acht de GI het van belang dat de vrouw voor zichzelf hulpverlening accepteert bij het werken aan haar trauma’s en herbelevingen, nu die er in de visie van de GI nog steeds voor zorgen dat zij onvoldoende emotionele toestemming weet te geven voor contact tussen de kinderen en de man. De vrouw staat momenteel voor individuele hulpverlening op een wachtlijst. De GI zal in het kader van de ondertoezichtstelling mogelijk een rol kunnen vervullen bij het bespoedigen van die hulpverlening.\n\n7.4.. Uitgaande van de hiervóór beschreven factoren en omstandigheden, alsook rekening houdend met de gebleken uiteenlopende visies en belevingen van de ouders en hun onderlinge wantrouwen doet zich naar het oordeel van de rechtbank de situatie voor dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening het risico in belangrijke mate aanwezig is dat de nog in te zetten hulpverlening voor de kinderen stagneert of voortijdig eindigt wegens het (komen te) ontbreken van instemming vanuit de beide ouders of het uitblijven van beslissingen daarover. De rechtbank acht gezamenlijk gezag bij deze omstandigheden niet in het belang van de kinderen en zal daarom het verzoek van de man (onderdeel b) tot gezamenlijk gezag afwijzen.\n\n7.5.. Ten aanzien van het verzoek van de man tot omgang met de kinderen overweegt te rechtbank als volgt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen en hun (identiteits)ontwikkeling dat ingezet blijft worden op contact tussen de man en de kinderen onder regie van de GI. De rechtbank zal het verzoek van de man (onderdeel a) in die zin toewijzen dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zullen zijn tot (on)begeleide omgang met elkaar, waarbij de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat in de pogingen tot contactherstel het tempo van de kinderen moet worden gevolgd, nu beide kinderen op dit moment hebben aangegeven geen ruimte te voelen om te komen tot c.q. werken aan herstel van het contact met de man. Ook is gebleken dat zij kampen met nachtmerries en bedplassen en dat zij hoofd- en buikpijnklachten hebben. In het kader van de ondertoezichtstelling zal onderzocht worden waar deze klachten vandaan komen en zal hulpverlening voor de kinderen worden ingezet. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan zal door de GI in samenspraak met alle betrokkenen (kunnen) worden bepaald wat er voor nu en in de (nabije) toekomst wel en niet mogelijk c.q. haalbaar is in het contact tussen de man en de kinderen.\n\n7.6.. Ten slotte wenst de rechtbank aan de man mee te geven dat het op zijn weg ligt om in samenspraak met de GI - waar mogelijk - te proberen door middel van het sturen van kaartjes en\u002Fof videoboodschappen naar de kinderen een opening te creëren voor herstel van het contact. Richting de vrouw wenst de rechtbank te benadrukken dat op haar de taak\u002Fverplichting rust om de man over de ontwikkeling van beide kinderen uitvoeriger te informeren, waaronder ook over hun dagelijkse bezigheden, opdat de man zich een goed beeld zal kunnen vormen van waar zij mee bezig zijn en wat er in hen om gaat.\n\n7.7. Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nbepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot (on)begeleide omgang met elkaar, in die zin dat de invulling, duur, frequentie en uitbreiding wordt overgelaten aan de GI;\n\n verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n wijst het verzoek van de man sub a voor het overige en het door hem sub b gedane verzoek af;\n\n compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2026 in tegenwoordigheid van Baremans, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.\n\nverzonden op:\n\nIn verband met deze procedure\u002Ften behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5376","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.970Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":100,"fullText":109,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":36,"updatedAt":111},"396","ECLI:NL:RBZWB:2026:5377","ecli-nl-rbzwb-2026-5377","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446868 FA RK 26\u002F1770\n\ndatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking betreffende vervangende toestemming reizen naar het buitenland\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.G.J. van Kerkhof,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 3 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Hoewel correct opgeroepen, is de man niet verschenen.2. De feiten\n\n2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.\n\n- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016.\n\n- Genoemd kind is door de man erkend.\n\n- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;\n\n- de minderjarige staat ingeschreven op het adres van de vrouw.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de reis en het verblijf van de vrouw tezamen met de minderjarige dochter van partijen te ( [plaats] ) Duitsland gedurende de periode 12 en 13 juni 2026.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\n4.2. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Dit betekent dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met de minderjarige naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. In het algemeen is het in het belang van een kind dat een kind op (mini)vakantie dan wel uitstapjes kan met zijn of haar ouders. In het onderhavige geval gaat het om een [concert] in [locatie] . [minderjarige] is groot fan van de zanger. Op vrijdag 12 juni 2026 zullen [minderjarige] en de vrouw heen reizen, en op zaterdag 13 juni weer terug naar Nederland reizen. De vrouw beschikt niet over een toestemmingsformulier van de man zodat zij met [minderjarige] naar het buitenland mag reizen, ondanks dat de vrouw daarom heeft verzocht. De rechtbank kijkt naar het belang van [minderjarige] . Er is geen enkele reden om haar het uitstapje naar het concert in Duitsland met haar moeder te ontzeggen. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen of wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder dan wel wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke situaties hier aan de orde zijn. De rechtbank zal aan de vrouw dan ook vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] naar Duitsland te gaan in de periode van 12 juni 2026 tot en met 13 juni 2026.\n\n4.3. De rechtbank zal deze beslissing in het belang van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep uitgevoerd kan worden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om in de periode 12 juni 2026 tot en met 13 juni 2026 met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, af te reizen en te verblijven in Duitsland ( [plaats] );\n\n5.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5377","2026-07-13T00:28:27.718Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":36,"updatedAt":120},"1162","ECLI:NL:RBZWB:2026:5345","ecli-nl-rbzwb-2026-5345","2026-05-18T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444816 \u002F FA RK 26-658 (bodem)\n\n C\u002F02\u002F445629 \u002F FA RK 26-1119 (voorlopige voorziening artikel 223 Rv)\n\ndatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nbeschikking over hoofdverblijf, regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming en over provisionele voorzieningen\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. W.H.P. de Jongh in Roosendaal,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. Z.A. Hoetjes in Breda,\n\nover de minderjarige\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. In het dossier zitten de volgende stukken:\n\n- het op 6 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen 1 tot en met 5, van de zijde van de man;\n\n- het op 27 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, tevens houdende provisionele voorziening, met bijlagen 1 tot en met 7, van de zijde van de vrouw;\n\n- het op 16 april 2026 ontvangen verweerschrift naar aanleiding van zelfstandig verzoek, tevens houdende verweerschrift provisionele voorziening, met bijlagen 6 tot en met 9, van de zijde van de man;\n\n- de op 28 april 2026 ingediende reactie van de zijde van vrouw op de door de man ingediende bijlage 8;\n\n- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] .\n\n1.2. De verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn mondeling behandeld op 1 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.\n\n1.3. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij na de mondelinge behandeling in onderling overleg zullen treden over een voorlopige zorgregeling. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk 13 mei 2026 te berichten of zij in onderling overleg een voorlopige zorgregeling zijn overeengekomen. Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld zich nader inhoudelijk over de zaak uit te laten. Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:\n\n- de brief van mr. Hoetjes van 13 mei 2026;\n\n- de brief van mr. De Jongh van 13 mei 2026.\n\nUit deze brieven blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige zorgregeling. Voor zover partijen zich in hun brieven nader inhoudelijk hebben uitgelaten over de voorlopige zorgregeling, gaat de rechtbank daaraan bij de beoordeling van het verzoek voorbij. Zij zijn daarmee immers buiten het onderwerp getreden waarover zij de rechtbank mochten informeren, zodat dat als in strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing dient te blijven.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.\n\n2.2. \n\nUit deze relatie is het volgende, minderjarige kind geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , hierna [minderjarige] .\n\n2.3. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .\n\n2.4. \n [minderjarige] verblijft in de gezamenlijke woning. Partijen verblijven op dit moment afwisselend ieder 24 uur in de woning bij [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken en de standpunten\n\n3.1. \n\nDe man verzoekt in de bodemprocedure, na wijziging van zijn verzoek, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man en op het adres\n\n zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen;\n\nII. te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:\n\n - zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur\n\n aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook\n\n het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan de\n\n [adres] in [woonplaats] .\n\n - zodra één van partijen over andere woonruimte beschikt, 3 ½ dag per week\n\n met een wisselmoment op woensdag rond de middag en zondag;\n\n - gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen en, totdat [minderjarige]\n\n naar school gaat, één keer per jaar een periode van twee weken\n\n aaneengesloten om een vakantie met [minderjarige] te kunnen doorbrengen,\n\n althans een zodanige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als uw rechtbank juist acht;\n\nIII. te bepalen dat de man vervangende toestemming wordt verleend in plaats van\n\n de toestemming van de vrouw voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het\n\n Rijksvaccinatieprogramma en dat de man [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als bijlage 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met\n\n de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.\n\nVerder verzoekt de man, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:\n\n- te bepalen dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:\n\n zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan [adres] in [woonplaats] .\n\n3.2. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.\n\nDe vrouw verzoekt in de bodemprocedure zelfstandig om bij beschikking:\n\nI. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;\n\nII. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden inhoudende\n\n dat:\n\n - [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks (vooralsnog) zonder overnachting, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nIII. subsidiair, en uitsluitend voor het geval de rechtbank aanleiding ziet om aan de\n\n man vervangende toestemming te verlenen voor deelname van [minderjarige] aan het\n\n Rijksvaccinatieprogramma, te bepalen dat:\n\n - vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt;\n\n - indien en voor zover tot vaccinatie wordt overgegaan, uitsluitend\n\n monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties;\n\nkosten rechtens.\n\nVerder verzoekt de vrouw, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:\n\nI. te bepalen dat de vrouw in afwachting van de bodemprocedure bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de inboedel van de woning, met bevel aan de man om de woning te verlaten en niet meer te betreden;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;\n\nIII. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling zal gelden,\n\n inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting, althans een zodanige voorlopige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nkosten rechtens.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Vanwege de nauwe samenhang zullen de verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken in het kader van de voorlopige voorziening gezamenlijk worden beoordeeld.\n\nHoofdverblijf(bodemprocedure)\n\nVoorlopige toevertrouwing(voorlopige voorziening)\n\n4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij zich niet langer verzet tegen het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw. De man heeft zijn eigen verzoek om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij hem en op zijn adres zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen ingetrokken.\n\n4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] als niet weersproken zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Aangezien in de bodemprocedure een definitieve beslissing zal worden gegeven met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] , heeft de vrouw geen belang meer bij de door haar verzochte voorlopige voorziening om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen. Dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nRegeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)(bodemprocedure en voorlopige voorziening)\n\nVerzoeken4.4. De man verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, kort gezegd, vaststelling van een co-ouderschapsregeling.\n\n4.5. De vrouw verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting.\n\nStandpunt van de man4.6. Ter onderbouwing van zijn verzoeken is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Na een conflict in november 2025 is in samenspraak met de politie een co-ouderschapsregeling afgesproken, waarbij [minderjarige] in de woning woont en partijen steeds afwisselend 24 uur in de woning zijn. Deze regeling loopt nog steeds. Hoewel er soms conflicten zijn, functioneert de regeling. Vanuit het CJG is het advies gekomen om deze regeling voorlopig te handhaven. Wijziging van deze voorlopige regeling acht hij ook niet in het belang van [minderjarige] . Verder betwist de man alle beschuldigingen van de vrouw, onder meer over mishandeling, drugs- of alcoholgebruik en betwist hij de inhoud van haar logboeken. Verder is hij prima in staat om [minderjarige] de juiste zorg te geven en houdt hij het door de vrouw gemailde voedingsschema aan. Tussen partijen is sprake van een hoog conflictgehalte. Het is in belang van partijen en van [minderjarige] dat daaraan een einde komt. Hij wenst uiteindelijk vaststelling van een co-ouderschapsregeling.\n\nStandpunt van de vrouw4.7. \n\nTer onderbouwing van haar verweer en haar verzoeken voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. De relatie van partijen werd gekenmerkt door vele fysieke en verbale escalaties van de man richting de vrouw. Nadat de situatie op 30 november 2025 weer was geëscaleerd, heeft zij de relatie definitief beëindigd. Op het moment van het incident heeft zij de politie ingeschakeld. Met tussenkomst van de politie is de door de man beschreven\n\n24-uursregeling afgesproken. Dit was bedoeld als tijdelijke oplossing voor enkele dagen, maar de regeling loopt nog steeds. Zij ervaart de regeling als zeer belastend. Er zijn te veel wisselingen en de overdrachtsmomenten verlopen niet goed. Volgens de vrouw is de regeling ook te belastend voor [minderjarige] , wat zich uit in een verandering van haar gedrag. Bovendien maakt zij zich zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de man. [minderjarige] is na een contactmoment met de man vaak overstuur. Daarnaast houdt de man zich niet aan het voedingsschema, waardoor [minderjarige] iedere 24 uur een ander voedingsschema heeft, en heeft hij onvoldoende oog voor de persoonlijke verzorging van [minderjarige] . Daarnaast was haar een aantal keer niet duidelijk waar de man met [minderjarige] heeft verbleven tijdens de zorgmomenten. Zo heeft hij [minderjarige] een keer zonder haar toestemming meegenomen naar een vakantiepark in België. De vrouw heeft haar zorgen neergelegd bij het CJG. Vanuit het CJG is met beide ouders afgesproken dat er bij ieder overdrachtsmoment een alcohol- en drugstest wordt uitgevoerd. Deze testen zijn echter nooit aangeschaft en uitgevoerd. Het CJG was voornemens een veiligheidsplan op te stellen, maar dit is niet van grond gekomen. Vervolgens heeft het CJG zich teruggetrokken, omdat het vrijwillig kader in de situatie van partijen ontoereikend is gebleken. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] dat er nieuwe afspraken worden gemaakt, waarbij een opbouwende zorgregeling met de man wordt overeengekomen, bestaande uit één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend, vooralsnog zonder overnachting. Zodra het aansluit bij de ontwikkeling van [minderjarige] en de man heeft aangetoond dat hij over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt, kan de zorgregeling worden uitgebreid, waarbij bijvoorbeeld kan worden toegewerkt naar een weekendregeling eens per veertien dagen.\n\nAdvies van de Raad4.8. De Raad geeft aan dat de huidige 24-uursregeling, die als tijdelijke maatregel was bedoeld, niet in het belang van partijen en ook niet in het belang van [minderjarige] is. De vrouw geeft aan dat zij deze regeling als zeer belastend ervaart. Dat vindt de Raad een belangrijk signaal. Als een verzorgende ouder zodanig wordt belast dat het stress en spanning geeft, heeft een kind daar ook last van. Dit betekent dat partijen in gesprek zullen moeten over de invulling van de zorgregeling. Aangezien de invulling van de zorgregeling nauw samenhangt met de huisvesting van partijen en de huisvesting weer nauw samenhangt met de verdeling van de inboedel, is het belangrijk dat partijen ook over deze onderwerpen in gesprek gaan. De Raad ziet geen reden waarom deze gesprekken zouden moeten plaatsvinden in een gedwongen kader. Er is immers geen sprake van een ontwikkelings-bedreiging van [minderjarige] . Dat neemt niet weg dat partijen – gelet op hun conflictueuze communicatie en gebrek aan vertrouwen, met name aan de zijde van de vrouw – wel een zeker kader nodig hebben, bijvoorbeeld in de vorm van het UHA. Als het gaat om de invulling van de zorgregeling, dan heeft de man aangegeven dat hij graag een volwaardige vader wil zijn en zorgtaken wil hebben. Partijen moeten hierover in gesprek gaan en bekijken hoe daaraan invulling kan worden gegeven. In dat kader is het belangrijk dat [minderjarige] , vanwege haar zeer jonge leeftijd, met beide ouders een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Daarvoor is nodig dat [minderjarige] regelmatig contact heeft met beide ouders. Anderzijds moet de zorgregeling ook praktisch haalbaar zijn voor partijen. Daarbij geldt dat een verblijf van [minderjarige] bij een ouder prevaleert boven opvang door derden.\n\nOverweging van de rechtbank4.9. \n\nIn artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.\n\nLid 2 aanhef en onder a van dat artikel bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan vaststellen, waaronder een zorgregeling.\n\n4.10. De rechtbank volgt de Raad in zijn standpunt dat de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] is en evenmin in het belang van partijen. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de vrouw overbelast is geraakt. Dit heeft ook zijn weerslag op [minderjarige] . Het is dus in het belang van [minderjarige] en in het belang van partijen dat er een andere zorgregeling wordt vastgesteld. Daarbij is het, zoals de Raad heeft aangegeven, van belang dat [minderjarige] met beide partijen een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Aan de ene kant is daarvoor nodig dat [minderjarige] , gelet op haar zeer jonge leeftijd, beide partijen regelmatig ziet, aan de andere kant moet worden voorkomen dat er te veel wisselingen zijn en moet de regeling voor partijen praktisch uitvoerbaar zijn. Partijen hebben aangegeven dat zij voor de invulling van de definitieve zorgregeling gesprekken wensen aan te gaan onder begeleiding van een professional en dat zij een doorverwijzing wensen naar het UHA. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.\n\nUHA\n\n4.11. De problematiek van partijen (de ouders) omvat het volgende: Zowel tijdens als na het beëindigen van de relatie in november 2025 is sprake van conflictueuze situaties. Volgens de vrouw was tijdens de relatie ook sprake van conflictsituaties met geweld. [minderjarige] is een heel jong kind. Zij was pas 6 maanden oud toen partijen uit elkaar gingen. Sinds het uiteengaan verblijft [minderjarige] in de woning en verblijven partijen afwisselend 24 uur in de woning. Deze regeling is in samenspraak met de politie tot stand gekomen. De regeling loopt maar er is nog steeds sprake van conflicten. Partijen hebben over en weer aangifte tegen elkaar gedaan. De man is van mening dat partijen prima met elkaar communiceren over [minderjarige] . De vrouw is van mening dat de communicatie helemaal niet goed gaat. De 24-uursregeling was bedoeld als tijdelijke oplossing, maar de regeling loopt nu al maanden. De vrouw lijkt hierdoor overbelast te zijn. Partijen slagen er niet in om tot verdere afspraken te komen over de zorgregeling.\n\n4.12. Het lukt partijen samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 4 mei 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.\n\n4.13. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ; - [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.\n\n4.14. Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] (lichte interventie); - [minderjarige] en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden\u002Fbelemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst (bijlage 1).\n\n4.15. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente\u002Ftoegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.\n\n4.16. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .\n\n4.17. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.\n\n4.18. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.\n\n4.19. \n\nWanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:\n\n- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?\n\n4.20. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.\n\n4.21. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.\n\n4.22. Door in te stemmen met de verwijzing hebben partijen tevens ingestemd met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt (bijlage 2).\n\n4.23. Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot definitieve zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en\u002Fof de gemeente\u002Ftoegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.\n\nVoorlopige zorgregeling\n\n4.24. Partijen hebben ieder voor zich verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzoeken voldoende samenhang met de hoofdzaak, zodat partijen (spoedeisend) belang hebben bij hun verzoeken.\n\n4.25. Zowel tijdens als na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd afspraken te maken over een tijdelijke regeling in afwachting van resultaten UHA, maar zijn daarin niet geslaagd. Dit betekent dat de rechtbank een voorlopige zorgregeling zal vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen is de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] (en ook niet in het belang van partijen). Met inachtneming van het advies van de Raad over de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en ieder van partijen, en zoveel mogelijk rekening houdend met de werkdagen van de vrouw op dinsdag, donderdag en vrijdag (de man heeft aangegeven dat zijn werkgever flexibel is), acht de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] :\n\n- [minderjarige] verblijft bij de vrouw van zondag 09:00 uur tot donderdag 09:00 uur,\n\n- [minderjarige] verblijft bij de man van donderdag 09:00 uur tot zondag 09:00 uur.\n\nOp deze wijze is de zorg voor [minderjarige] ongeveer gelijk tussen partijen verdeeld, ziet [minderjarige] beide ouders regelmatig, maar zijn er niet te veel wisselingen. De rechtbank zal voormelde voorlopige regeling vaststellen. De voorlopige regeling gaat in vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026). De verzoeken van partijen zullen, voor zover meer of anders is verzocht, worden afgewezen.\n\n4.26. De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.\n\nVervangende toestemming deelname Rijksvaccinatieprogramma\n\nVerzoeken4.27. De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en dat hij [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als productie 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.\n\n4.28. De vrouw verzoekt primair het verzoek van de man af te wijzen. Zij verzoekt voorwaardelijk – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma – te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt en dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend (en geen combivaccinaties).\n\nStandpunt van de man4.29. Ter onderbouwing van zijn verzoek is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is in het belang van [minderjarige] , zodat zij wordt beschermd tegen vele ernstige ziektes. Volgens het consultatiebureau kan [minderjarige] de vaccinaties, die zij tot nu toe nog niet heeft gekregen, alsnog krijgen. Dit is voor de vrouw echter onbespreekbaar. Hij verzoekt hem daarom vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] alsnog te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover het de vaccinaties betreft tot en met de leeftijd van 14 maanden. Hij gaat ervan uit dat partijen met betrekking tot de overige vaccinaties alsnog afspraken kunnen maken. In reactie op het verweer van de vrouw heeft de man betwist dat partijen het er tijdens hun relatie over eens waren dat [minderjarige] niet gevaccineerd zou worden. Nadat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling haar voorwaardelijk verzoek had toegelicht, heeft de man aangegeven dat hij ermee instemt dat alleen monovaccinaties, op de wijze zoals de vrouw beoogt, worden toegediend.\n\nStandpunt van de vrouw4.30. \n\nDe vrouw voert als verweer, samengevat, het volgende aan. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is vrijwillig en kent geen wettelijke verplichting. Partijen hebben tijdens de relatie en de zwangerschap uitvoerig gesproken over al dan niet deelnemen aan het\n\nRijksvaccinatieprogramma. In de stukken heeft de vrouw gesteld dat partijen hadden afgesproken dat [minderjarige] niet zou worden gevaccineerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit nader toegelicht. Volgens de vrouw heeft zij zich altijd op het standpunt gesteld dat zij niet wenst dat [minderjarige] gevaccineerd zou worden. De man heeft daarover zijn twijfels geuit, maar heeft vervolgens niks gedaan met de aangeboden informatie, althans hij is er bij haar niet op teruggekomen. In het dossier van het consultatiebureau is in ieder geval vastgelegd dat [minderjarige] niet wordt gevaccineerd. Zij is niet principieel tegen vaccinaties, maar zij is wel van mening dat medische handelingen bij een baby met grote zorgvuldigheid moeten worden overwogen, mede doordat aan het vaccineren risico's verbonden zijn. Bovendien geeft vaccinatie geen 100% garantie dat [minderjarige] de ziekte niet zal krijgen. Hoogstens zal het verloop van de ziekte milder zijn. Bij vaccineren zal het lichaam een kunstmatige respons geven, terwijl zij meer gelooft in een natuurlijke respons. Bovendien is er geen sprake van een medische noodsituatie of concrete gezondheidsdreiging die onmiddellijke vaccinatie voor [minderjarige] noodzakelijk maakt. Voor het geval de rechtbank aanleiding ziet vervangende toestemming te verlenen, verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat vaccinatie niet eerder plaatsvindt dan na het tweede levensjaar van [minderjarige] , omdat de nieren en lever dan beter ontwikkeld zijn en beter in staat zijn om toxische stoffen uit te scheiden, zodat eventuele schade wordt beperkt. Verder verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties worden toegediend in plaats van combinatievaccinaties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen bijvoorbeeld de DKTP-vaccinatie, de vaccinatie die vroeger ook werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie.\n\nAdvies van de Raad4.31. De Raad geeft aan dat zij voorstander is van het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat het in beginsel wordt gerespecteerd wanneer beide ouders daarvan willen afwijken. In dit geval zijn partijen het er echter niet over eens dat zij daarvan willen afwijken. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man om vervangende toestemming voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma toe te wijzen.\n\nOverweging van de rechtbank4.32. De vrouw stelt primair dat partijen het erover eens waren dat [minderjarige] niet zou deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Dit is echter niet vast komen te staan. De vrouw stelt immers dat dit háár standpunt is en dat de man – in ieder geval vanaf de geboorte van [minderjarige] – daarover zijn twijfels heeft geuit. Uit het gegeven dat de man – ondanks dat de vrouw hem daarop heeft gewezen – geen nader onderzoek heeft gedaan en er bij de vrouw niet meer op is teruggekomen, kan niet worden afgeleid dat hij het eens is met het standpunt van de vrouw.\n\n4.33. Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat partijen het er niet over eens zijn of [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.34. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.\n\n4.35. Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Het programma is door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij, hoe klein de kans mogelijk is, aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd had kunnen zijn, wordt blootgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw geen principiële of godsdienstige bezwaren heeft tegen het laten vaccineren van [minderjarige] overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat haar bezwaren met name zien op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor [minderjarige] als gevolg van deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het op zichzelf juist is dat bijwerkingen kunnen ontstaan, de vrouw niets heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat [minderjarige] meer risico op bijwerkingen of schadelijke gevolgen loopt dan enig ander kind. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel is dat het zowel in het algemeen belang als het individueel belang van [minderjarige] is dat zij deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.36. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereik, zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat [minderjarige] , zolang zij niet is gevaccineerd, geen bescherming opbouwt en de kans op ziekte groter is. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zo spoedig als mogelijk met het vaccineren wordt gestart.\n\n4.37. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties, zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek toegelicht en aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de DKTP-vaccinatie zoals deze vroeger ook al werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw in beginsel geen bezwaar heeft tegen combivaccinatie als DKTP en BMR, maar dat zij specifiek bezwaar heeft tegen het feit dat de vaccinatie tegen DKTP wordt gecombineerd met vaccinaties tegen Hib en HepB. De man heeft ermee ingestemd dat deze vaccinaties als monovaccinatie zullen worden gegeven.\n\n4.38. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, zal worden toegewezen, met dien verstande dat de DKTP – Hib – HepB combivaccinatie zal worden gegeven als monovaccinaties, dus als drie afzonderlijke vaccinaties (een vaccinatie tegen DKTP, een vaccinatie tegen Hib en een vaccinatie tegen HepB). Daarbij acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat het tijdstip van de (in te halen) vaccinaties (RS, Rota, DKTP, Hib, HepB, Pneu, BMR en MenACWY) wordt bepaald in overeenstemming met het daartoe in te winnen advies van Jeugdgezondheidszorg (GGD, consultatiebureau), zijnde de uitvoerder van het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.39. De rechtbank zal de beslissing over de vervangende toestemming voor deelname van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.\n\nUitsluitend gebruik woning en inboedel(voorlopige voorziening)\n\n4.40. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten over het verzoek van de vrouw over en weer nader toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling kort onderbroken voor overleg tussen partijen. Dit heeft geleid tot overeenstemming. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:\n\n- de man zal zich zo snel mogelijk uitschrijven van het adres van de woning;\n\n- partijen gaan in gesprek over de verdeling van de inboedel volgens een bij hen bekende lijst; binnen een week nadat partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de inboedel, zal de man de woning verlaten; de man zal de woning in ieder geval per 1 juni 2026 hebben verlaten.\n\n4.41. Gelet op deze afspraken begrijpt de rechtbank dat de vrouw haar verzoek met betrekking tot de woning intrekt. Aangezien het verzoek is ingetrokken, zullen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat partijen gehouden zijn uitvoering te geven aan de onderlinge afspraken.\n\nDe proceskosten in de voorlopige voorziening\n\n4.42. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F02\u002F444816 \u002F FA RK 26-658)\n\n5.1. bepaalt dat [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;\n\n5.2. wijst het verzoek van de man met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] en de inschrijving van [minderjarige] op zijn adres af;\n\n5.3. verwijst partijen (ouders) en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;\n\n5.4. verzoekt het loket om uiterlijk 2 november 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;\n\n5.5. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;\n\n5.6. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;\n\n5.7. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.19 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;\n\n5.8. houdt de behandeling van deze zaak, alsmede iedere verdere beslissing, met betrekking tot de verzoeken over de zorgregeling aan tot 2 november 2026pro forma;\n\n5.9. geeft aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming om [minderjarige] deel te laten nemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.38 van deze beschikking, en verklaart deze vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad;\n\n In de voorlopige voorziening (C\u002F02\u002F445629 \u002F FA RK 26-1119)\n\n5.10. wijst het verzoek van de vrouw om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen af;\n\n5.11. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig– totdat in de bodemprocedure is beslist op de verzoeken van partijen – recht hebben op contact met elkaar elke week van donderdag 09:00 uur tot zondag 09.00 uur, welke regeling ingaat vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026);\n\n5.12. wijst de verzoeken van partijen ten aanzien van de voorlopige zorgregeling voor het overige af;\n\n5.13. wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning af;\n\n5.14. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5345","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.539Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":125,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":127,"parsedAt":36,"updatedAt":128},"1810","ECLI:NL:RBZWB:2026:5219","ecli-nl-rbzwb-2026-5219","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446116 \u002F FA RK 26-1374\n\nDatum uitspraak: 15 mei 2026\n\nbeschikking\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. A.J.C. Odekerken in Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. N. Schuerman in Rotterdam,\n\nover de minderjarige:\n\n- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika) op [geboortedag] 2018, hierna: [minderjarige] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het op 17 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het stelbericht van mr. Schuerman van 18 maart 2026;\n\n- het F9-formulier van 19 maart 2026 van mr. Schuerman;\n\n- het op 4 mei 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;\n\n- de brief van de griffier aan partijen van 11 mei 2026.\n\n2. De verzoeken\n\n2.1. De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. De beschikking van uw rechtbank van 13 oktober 2021 te wijzigen voor zover daarin de wijze van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is vastgelegd en met ingang van de in deze procedure af te geven beschikking:\n\n ▪ te bepalen dat de man en de minderjarige recht hebben op contact hebben met elkaar:\n\n - in de even weken:\n\n o op maandag van 08:00 uur tot 18:30 uur,\n\n o op woensdag van 12:30 uur (uit school) tot 18:30 uur,\n\n o vanaf zaterdag 11:15 uur;\n\n - in de oneven weken:\n\n o tot en met woensdag 08:30 uur (naar school),\n\n o op vrijdag van 14:30 uur (uit school) tot 18:30 uur;\n\n - en gedurende een deel van de vakanties, nader in onderling overleg door\n\n partijen te regelen;\n\n ▪ te bepalen dat de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] naar de vrouw\n\n terugbrengt.\n\n2.2. De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen (I.).\n\n2.3. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nII. de beschikking deze rechtbank van 13 oktober 2021 te wijzigen voor zover daarin de\n\n wijze van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is vastgelegd, en met ingang van de in deze procedure af te geven beschikking te bepalen dat de man en de minderjarige [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar als volgt:\n\n - eenmaal per twee weken een aaneengesloten weekendverblijf, te weten van\n\n vrijdagmiddag na school tot maandag 18:00 uur (drie overnachtingen);\n\n - feestdagen en vakanties te verdelen conform het door de vrouw voorgestelde\n\n vaste jaarlijkse feestdagen- en vakantieschema (Productie 12), dan wel conform een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen schema;\n\nIII. te bepalen dat overdrachten plaatsvinden bij de woning van de vrouw in die zin dat\n\n de vader [minderjarige] aan het einde van ieder verblijf thuisbrengt bij de woning van de\n\n vrouw, danwel — op schooldagen — [minderjarige] rechtstreeks van school haalt;\n\nIV. te bepalen dat de man op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft verantwoordelijk is voor het brengen van [minderjarige] naar diens sport, hobby's en activiteiten;\n\nV. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, gelet op het feit dat de man door zijn structurele weigering tot overleg deze en eerdere juridische procedures noodzakelijk heeft gemaakt en gelet op het patroon waarbij de mande rechterlijke macht stelselmatig inzet als middel om zijn wensen door te drukken zonder daartoe eerst serieuze pogingen tot onderling overleg te ondernemen, hetgeen het karakter heeft van misbruik van procesrecht;\n\nVI. te bepalen dat de communicatie tussen partijen zich beperkt tot schriftelijke, noodzakelijke en kindgerelateerde aangelegenheden, en plaatsvindt op een zakelijke en respectvolle wijze, zonder beledigende, denigrerende of intimiderende uitlatingen,\n\n waarbij partijen hun berichten beperken tot korte, feitelijke informatie gericht op\n\n praktische afstemming in het belang van [minderjarige] .\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. De rechtbank zal de zaak ambtshalve verwijzen in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch.\n\n3.2. Op grond van artikel 46b Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: WRO) kan de rechtbank een zaak ter verdere behandeling naar een andere rechtbank verwijzen, indien naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is.\n\n3.3. In dit geval zit de “betrokkenheid” van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het feit dat [café], waarvan de man eigenaar is, in de afgelopen periode met regelmaat en voor het laatst in mei 2026, diende als locatie voor personeelsevenementen van het team Familie & Jeugd. In dit team is deze zaak voor behandeling ondergebracht.\n\n3.4. De rechtbank ziet in de hiervoor beschreven omstandigheden aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 46b WRO en de zaak te verwijzen naar een ander gerecht voor verdere behandeling.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1. verwijst deze zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, in de stand waarin deze zich bevindt.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5219","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.981Z",20]