[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-family-property-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":36,"total":16,"page":25,"limit":56},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},49,"family-property-nl","Family Property","NL","2026-07-08T16:53:53.170Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-20T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21,26,29,33],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121976","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121977","art. 9",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"121978","Burgerlijk Wetboek","art. 10:51",{"provisionId":34,"code":31,"article":35,"count":25},"122232","art. 3:185 lid 1",[37,48],{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":47},"592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","ecli-nl-rbzwb-2026-5446","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434734 FA RK 25-2152 (echtscheiding) en C\u002F02\u002F440296 FA RK 25-5006 (verdeling)\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bree,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.M.H.B. Stoffels.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. De Bree van 3 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen.\n\n- de brief van mr. Stoffels van 7 april 2026, tevens houdende wijziging verzoek, met bijlagen.\n\n1.2 De behandeling van de zaak stond gepland op de zitting van 16 april 2026. Vanwege de onaangekondigde afwezigheid van de advocaat van de man is de zaak op die zitting niet inhoudelijk behandeld en is besloten om de behandeling aan te houden tot een nadere zitting. Deze zitting is bepaald op 7 mei 2026. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 14 april 2026.2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen;\n\n- uit hun huwelijk is het volgende, nu jong-meerderjarige kind geboren:\n\n1. [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;\n\n- uit hun huwelijk zijn verder de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;\n\n3. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010;\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. \n\nDe vrouw verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige 1] en, naar de rechtbank begrijpt, [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] hersteld dient te worden en dat partijen hiervoor worden verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (UHA);\n\nIII. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft;\n\nIV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek tot en met 31 december 2025;\n\nV. vaststelling van een door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 17,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek;\n\nVI. te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en de betaling van de kosten van verkoop;\n\nVIII. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 35,= in verband met de verkoop van de caravan.\n\n3.2. \n\nDe man verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] ;\n\nIV. bepaling dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] ;\n\nV. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind met ingang van 1 januari 2026, dan wel met ingang van zodanige datum en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nVI. de verdeling van de gemeenschap te gelasten met inachtneming van hetgeen de man in de brief van 7 april 2026 heeft opgemerkt over verdeling van gemeenschappelijke tegoeden en schulden;\n\nVII. te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de caravan aan de man zal voldoen.\n\n3.3. Ter zitting heeft de man zijn in de brief van 7 april 2026 gedane verzoek te bepalen dat de vrouw zo spoedig mogelijk haar medewerking verleent aan het transport van de echtelijke woning op naam van een derde, met een daaraan verbonden dwangsom, ingetrokken.\n\n4. De beoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid4.1. Uit artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van partijen in hun echtscheidingsverzoeken.4.2. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. De verhouding tussen hen is zodanig verstoord dat zij er lange tijd niet in zijn geslaagd om in gezamenlijkheid afspraken te maken over de kinderen. Gebleken is dat partijen het inmiddels op hoofdlijnen eens zijn over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie.\n\nInhoudelijke beoordeling4.3. Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond en onweersproken toewijzen.\n\nHoofdverblijf\n\n4.4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man moet worden bepaald. De rechtbank acht dit ook in het belang van de kinderen. Dit stemt tevens overeen met de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is gebleken in het gesprek met de kinderrechter. De rechtbank zal de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van de kinderen daarom toewijzen.\n\nZorgregeling\n\n [minderjarige 1]4.5. De vrouw legt aan haar verzoek gericht op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] door middel van inzet van hulverlening, het volgende ten grondslag. Het contact tussen haar en [minderjarige 1] is inmiddels al geruime tijd verbroken. De man heeft geen stimulerende rol in het contactherstel en het lukt partijen dus niet, zonder hulpverlening, om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te herstellen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat inmiddels een jaar is verstreken sinds indiening van dit verzoek. Zij begrijpt dat [minderjarige 1] niet gedwongen kan worden om een hulpverleningstraject aan te gaan om het contact te herstellen. De vrouw mist [minderjarige 1] ontzettend en zou het heel fijn vinden als er in ieder geval nog een gesprek tussen hen plaats kan vinden, zodat zowel de vrouw als [minderjarige 1] nog een keer hun verhaal kan doen bij de ander. De vrouw heeft benadrukt dat haar deur altijd openstaat voor [minderjarige 1] .\n\n4.6. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen en verzoekt te bepalen dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] . Ter zitting heeft hij toegelicht dat [minderjarige 1] écht geen contact wil met de vrouw. Hij heeft hierover met [minderjarige 1] gesproken, maar kan haar niet op andere gedachten brengen. [minderjarige 1] heeft een opvatting over haar moeder waardoor zij geen contact met haar wil, en de man kan die opvatting ook begrijpen.\n\n4.7. \n\nDe rechtbank is zowel uit de toelichting van partijen ter zitting als het gesprek met [minderjarige 1] gebleken dat zij geen contact wil met haar moeder. Zij is heel resoluut in haar beslissing om het contact met haar moeder te verbreken, maar ook in haar weigering om nog een keer in gesprek te gaan met haar moeder en eventuele hulpverlening te aanvaarden die haar verder kan helpen in hoe zij om moet gaan met dit contactverlies. De ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de vrouw zijn een contra-indicatie voor het opleggen van contact. De rechtbank vreest ook dat verwijzing naar een hulpverleningstraject, tegen de wens van [minderjarige 1] in, de weerstand van [minderjarige 1] alleen maar zal vergroten. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De rechtbank heeft wel grote zorgen over de wijze waarop door zowel [minderjarige 1] , als in het gehele familiesysteem waarvan [minderjarige 1] deel uitmaakt, wordt omgegaan met conflicten. Conflicten resulteren in resolute afwijzing en verwijdering van de ander, getuige ook het ontbreken van iedere vorm van contact tussen oudste dochter [meerderjarige] en haar moeder en inmiddels, na een conflict wegens het wegdoen van de honden, ook haar vader. Ook is de rechtbank van oordeel dat alle kinderen van partijen zwaar belast zijn door en als gevolg van de echtscheidingsstrijd die tussen hun ouders woedt. Daar komt voor [minderjarige 1] bij dat het noodgedwongen moeten verlaten van de voor haar vertrouwende (woon- en sociale) omgeving, haar bijzonder zwaar valt.\n\nOp beide ouders rust de inspanningsverplichting om die strijd bij de kinderen weg te houden en om de (belangen van de) kinderen niet uit het oog te verliezen.\n\nDe rechtbank acht het zinvol dat [minderjarige 1] en haar moeder in ieder geval nog eenmaal met elkaar in gesprek gaan, zodat zowel [minderjarige 1] als haar moeder aan elkaar hun verhaal kunnen doen en het verhaal van de ander aan kunnen horen, zonder dat het doel van dat gesprek is tot een blijvend contactherstel te komen. Zo’n gesprek zou hen beiden verder kunnen helpen in de verwerking van de gebeurtenissen rondom de echtscheiding van partijen en het contactverlies tussen hen. Bij dat gesprek kan [minderjarige 1] eventueel worden bijgestaan door een vertrouwd persoon voor haar die zij als steunend ervaart. Omdat de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om bij de huidige stand van zaken druk op haar uit te oefenen, laat zij het bij deze suggestie die zij in de brief aan [minderjarige 1] zal herhalen. De rechtbank ziet evenmin grond voor toewijzing van het verzoek van de man. Er wordt aangaande [minderjarige 1] geen zorgregeling bepaald, en daaruit vloeit reeds voort dat uitsluitend de man, bij wie [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft, belast is met de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat de vrouw daarin geen aandeel heeft.\n\n [minderjarige 2]4.8. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het eens zijn over de zorgregeling die moet gelden voor [minderjarige 2] , inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom de verzoeken van partijen tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] op die wijze als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat gelet op de aankomende verhuizing naar [plaats] hij ervoor zorg zal dragen dat [minderjarige 2] naar de vrouw wordt gebracht en dat hij hem dus zal ondersteunen in de overbrugging van de afstand naar de woonplaats van de vrouw, zodat deze verhuizing een goed verloop van de zorgregeling niet in de weg staat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verder aangegeven in deze zorgregeling flexibiliteit te wensen. In de praktijk ziet de rechtbank dat partijen [minderjarige 2] die flexibiliteit gunnen en bieden en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hem die ruimte blijven geven. Dit is namelijk van belang voor het slagen van de zorgregeling, mede gelet op de ingewikkelde positie waarin [minderjarige 2] zich bevindt. [minderjarige 2] “draagt” de echtscheiding van zijn ouders en ziet zichzelf als het laatste lijntje tussen zijn ouders in een verbroken gezinssysteem. Hij worstelt zichtbaar met die last, en naar het oordeel van de rechtbank kan hij zich niet vrij, onbelast en onbevangen bewegen tussen beide ouders. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter duidelijke signalen afgegeven dat hij lijdt onder de spanningen van buitenaf en de spanningen die hij ongetwijfeld ook intern voelt. De zorgregeling vraagt in de huidige dynamiek tussen zijn ouders veel van hem en de sterke afwijzing van zijn moeder door de man en zijn zus belast het contact met zijn moeder. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 2] door toedoen van zijn ouders terecht is gekomen. Dit is potentieel heel erg schadelijk voor zijn ontwikkeling. Partijen moeten begrijpen dat [minderjarige 2] , hierin zoveel mogelijk steun van hen beiden dient te krijgen. Dat vraagt iets van beide ouders. Zij hebben beiden op grond van de wet (artikel 1:247 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek BW)) de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook hebben zij de verplichting om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige 2] met de andere ouder te bevorderen. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moeten zorgen dat [minderjarige 2] niet langer onderdeel is van de strijd tussen hen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige 2] op de hoogte is van alle informatie over de echtscheiding en de strijd tussen ouders. Het geestelijk welzijn van [minderjarige 2] is niet gediend met het delen van deze informatie en de rechtbank doet een dringend beroep op beide ouders om daar onmiddellijk mee te stoppen. De nieuwsgierigheid van [minderjarige 2] en zijn leeftijd vormen geen rechtvaardiging voor het ongeclausuleerd delen van informatie en opvattingen over de andere ouder en de echtscheiding. Ook moet [minderjarige 2] ondersteund en positief gestimuleerd worden in het contact met de andere ouder.\n\nKinderalimentatie\n\n4.9. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in de periode dat [minderjarige 2] nog ingeschreven stond bij de vrouw, namelijk tot begin januari 2026, zij gerechtigd was tot een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand. De rechtbank ziet in hetgeen de man ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat de vrouw gedurende die periode alle toeslagen voor [minderjarige 2] kreeg en tijdens het huwelijk veel informatie over geldzaken heeft achtergehouden, geen reden waarom dat bedrag niet betaald moet worden. Niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw onder VI. toewijzen.\n\n4.10. Gebleken is verder dat [minderjarige 1] al in de loop van 2025 bij haar vader is gaan verblijven en dat [minderjarige 2] vanaf begin januari 2026 bij de man verblijft en daar vanaf dat moment staat ingeschreven. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een minimale draagkracht heeft ter hoogte van € 50,= per maand en dat zij die volledig moet aanwenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Tussen hen is in geschil over hoeveel kinderen die draagkracht moet worden verdeeld. Volgens de man enkel over de twee minderjarige kinderen van partijen, zodat de vrouw € 25,= per maand per kind dient te voldoen. Volgens de vrouw moet deze draagkracht worden verdeeld over alle drie de kinderen van partijen. De vrouw is immers ook nog onderhoudsplichtig voor [meerderjarige] . De bijdrage komt dan uit op € 17,= per maand per kind voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.11. De rechtbank overweegt dat hoewel [meerderjarige] op dit moment van beide ouders geen onderhoudsbijdrage ontvangt, partijen beiden wel onderhoudsplichtig zijn voor haar tot zij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op die onderhoudsverplichting en de mogelijkheid die [meerderjarige] heeft om aanspraak te maken op een bijdrage van ouders (eventueel met terugwerkende kracht), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van de vrouw te verdelen over drie kinderen. Dat betekent dat zij voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juli 2025 en voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 aan de man een onderhoudsbijdrage van € 17,= per maand per kind dient te voldoen. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.\n\nBrieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.12. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij per brief van de kinderrechter geïnformeerd willen worden over de op de verzoeken die zien op hun hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, zij het uitsluitend over de onderwerpen die hen betreffen, maar ook dat de ouders weten wat de kinderrechter hierover aan de kinderen terugkoppelt. Hierna volgt daarom de tekst van de brief gericht aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze tekst zal worden overgenomen in een brief van de griffier namens de (kinder)rechter, die naar hen wordt gestuurd.\n\n“Beste [minderjarige 1] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan, besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je bij je vader woont en op zijn woonadres blijft of wordt ingeschreven. Je vader is ook degene die jou verzorgt en opvoedt, want de rechter heeft verder besloten dat er geen regeling voor contact met jouw moeder wordt bepaald. De rechter verwijst jullie evenmin door naar een hulpverleningstraject om weer contact op te starten. Jij hebt de leeftijd waarop jij daarin zelf een afweging en keuze kan maken, en jouw keuze weegt zwaar mee in de beslissing van de rechter. De rechter gaat ervan uit dat jij de gevolgen van jouw keuze om het contact met je moeder te verbreken, begrijpt en overziet. De rechter maakt zich wel zorgen over de manier waarop jij resoluut het contact met jouw moeder hebt verbroken. De rechter meent dat het voor de verwerking van hetgeen gebeurd is, goed is om in ieder geval eenmalig het gesprek met jouw moeder aan te gaan, zonder de bedoeling of de verwachting dat het contact daarna herstelt. In dat gesprek kan jij je verhaal doen tegen jouw moeder en heeft zij ook de mogelijkheid om aan jou haar verhaal te vertellen. Jouw moeder heeft aangegeven dat zij daartoe bereid is en dat haar deur voor jou altijd open staat. Je moeder is ermee akkoord dat bij zo’n gesprek eventueel iemand aanwezig zijn die jij vertrouwt en die jou kan ondersteunen. Het is aan jou of je zo’n gesprek nu of op een later moment nog wil voeren en het is ook aan jou om dat aan je moeder duidelijk te maken als je dat gesprek wil aangaan.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage voor jouw kosten aan jouw vader moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\n“Beste [minderjarige 2] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter over de verzoeken die over jou zijn gedaan. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je op zijn woonadres wordt of blijft ingeschreven en dat je vader jou voor het grootste deel verzorgt en opvoedt. Verder heeft de rechter beslist dat jij om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het eten bij jouw moeder bent. Jouw moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het contact met jou heel belangrijk vindt en dat zij het heel fijn vindt als jij bij haar bent. Hoewel zij jou soms moet missen, begrijpt zij het dat jij flexibiliteit en een bepaalde vrijheid in de contactregeling belangrijk vindt, en zij zal daar ook rekening mee houden. Jouw vader heeft op de zitting verder aangegeven dat hij begrijpt dat de verhuizing naar [plaats] lastig is voor jou. Hij zal jou ondersteunen in het overbruggen van de reisafstand van jullie nieuwe woonplek in [plaats] naar jouw moeder in [woonplaats 1] . De rechter vindt het belangrijk dat je zowel bij je vader als je moeder verblijft en dat zij ervoor zorgen dat je geen last meer hebt van hun onderlinge strijd.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage aan jouw vader voor jouw kosten moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\nVerdeling van de gemeenschappelijke goederen\n\n4.13. Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.\n\nPeildatum4.14. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 25 april 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.\n\n4.15. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.\n\nSamenstelling gemeenschap van de gemeenschap4.16. De bestanddelen van de gemeenschap waarvan de verdeling nog in geschil is tijdens deze procedure zijn:\n\na. de woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nb. de schuld uit hoofde van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nc. het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden;\n\nd. een caravan en schuld wegens stallingskosten;\n\ne. een schuld aan de Interbank uit hoofde van een doorlopend krediet\n\nAd. A., b., c. en e. de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening, het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden en de schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Interbank\n\n4.17. Ter zitting is gebleken dat de woning is verkocht aan (een) derde(n). Op 12 juni 2026 zal de woning notarieel geleverd worden aan de kopende partij. Partijen zijn het erover eens dat van de verkoopopbrengst van de woning worden voldaan: de op de datum van overdracht resterende hypothecaire schuld en schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van de resterende overwaarde, te vermeerderen met de netto afkoopwaarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening. Verder zijn partijen het erover eens dat de vrouw de volgende bedragen aan de man dient te vergoeden:\n\nin verband met eerder door de man voor zijn rekening genomen kosten gemoeid met verkoop van de woning (presentatiekosten die gemaakt zijn door makelaar Wino) een bedrag van € 350,=;\n\neen bedrag van € 137,50, zijnde de helft van de door de man gemaakte kosten die gemoeid waren met de aanvraag van een energielabel door de man;\n\n een bedrag van (5 maal € 141,60 =) € 708,=, zijnde haar aandeel in de maandelijkse aflossingen op de schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank, die de man voor zijn rekening heeft genomen, terwijl partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig waren.\n\n4.18. Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde bestanddelen a., b., c. en e., is op grond van artikel 3:185 lid 1 BW voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken die daartoe zien worden, voor zover die zien op deze bestanddelen, afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van die bestanddelen.\n\nAd. d. een caravan en schuld wegens stallingskosten\n\n4.19. De vrouw stelt dat partijen het erover eens waren dat de caravan moest worden verkocht. Zij heeft vervolgens, korte tijd na de peildatum, de caravan verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. De vrouw heeft met de verkoopopbrengst de achterstallige stallingskosten over drie jaar, zijnde in totaal een bedrag van € 1.680,= voldaan. Van de verkoopopbrengst is dus € 70,= over, zodat de man recht heeft op een bedrag van € 35,=.\n\n4.20. De man voert aan dat de vrouw zonder medeweten van de man de caravan van stalling heeft gehaald en verkocht. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met de prijs waarvoor de vrouw de caravan heeft verkocht. Volgens hem hadden partijen er € 2.500,= voor kunnen krijgen en de man vraagt de rechtbank om van dat bedrag uit te gaan bij verdeling van de caravan. Hij erkent verder dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten.\n\n4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onweersproken aangevoerd dat de caravan van partijen na de peildatum is verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. Of partijen overeenstemming hadden over het verkopen van de caravan kan de rechtbank niet vaststellen op grond van de standpunten van partijen en de overgelegde stukken. Daarbij heeft de man aan deze stelling verder geen conclusie verbonden. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de caravan, die op de peildatum tot de ontbonden gemeenschap behoorde, een oordeel geven van de waarde op de peildatum. Het is de rechtbank niet gebleken dat de caravan meer waard is dan € 1.750,=, zijnde de verkoopprijs die kort na de peildatum tot stand is gekomen in de verkooptransactie tussen twee particulieren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de informatie die de vrouw ter zitting heeft gedeeld, zoals het merk en type van de caravan, dat het kenteken van de caravan in 1994 is afgegeven, en het bedrag dat partijen bij de aanschaf van de (toen al tweedehands) caravan hebben betaald, zijnde € 3.400,=. De rechtbank sluit daarom voor de waardering van de caravan op de peildatum aan bij de verkoopprijs van € 1.750,=. De man heeft verder erkend dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten en hij heeft ter zitting aangegeven dat het door de vrouw genoemde bedrag kan kloppen. Ook niet weersproken is de stelling van de vrouw dat deze op de peildatum bestaande schuld is ingelost met de verkoopopbrengst van de caravan. De man is gerechtigd tot de helft van het resterende bedrag en dus tot € 35,=, door de vrouw aan hem te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk;5.2. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010,\n\nhun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;5.3. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw is: om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten;5.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 285,= (tweehonderdvijfentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] ;\n\n5.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 1] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.7. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, uit hoofde van de verdeling van de caravan een bedrag ter hoogte van € 35,= aan de man moet voldoen;\n\n5.8. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 21 mei 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.439Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":52,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":46,"updatedAt":55},"399","ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","ecli-nl-rbzwb-2026-5413","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nC\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-3226 maart 2025\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-32\n\nVonnis van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende op het [adres] , [woonplaats 2] ),\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.\n\n1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n het tussenvonnis van 23 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n de akte uitlaten rechtsmacht en toepasselijk recht van de zijde van de vrouw;\n\n de mondelinge behandeling op 19 november 2025;\n\n de akte uitlaten en wijzigen eis van de zijde van de vrouw;\n\n het op 27 januari 2026 aan de man uitgebrachte betekeningsexploot.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil2.1. Na wijziging van eis vordert de vrouw nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nter zake de polis bij Aegon met nummer [nummer 1]\n\nI. voor recht te verklaren dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de polis bij Aegon (polisnummer [nummer 1] ), als ook de verdeling van het tijdens huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\nII. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de nog onverdeelde waarde uit de polis bij Aegon ten bedrage van (50% van € 40.325,=) € 20.162,50, althans (50% van € 39.171,98) € 19.585,99, althans een nader te bepalen bedrag, te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is en over het toe te kennen bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nter zake het pensioen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens\n\nprimair\n\nIII. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), in die zin dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen;\n\nsubsidiair\n\nIV. de man te verplichten aan de vrouw opgave te doen van de aan hem toekomende pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens binnen twee weken na dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag dat de man nalatig is uitvoering te geven aan de veroordeling tot het doen van opgave aan de vrouw van de aan hem toekomende pensioenuitkering, met een maximum van € 50.000,=, althans een nader te bepalen dwangsom;\n\nV. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), voor zover dit pensioen door de man is opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, met ingang van de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is vanaf de eerste dag van elke maand dat de man niet heeft betaald en hij over het aan de vrouw toekomende aandeel van het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nen overigens\n\nVI. de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat van de vrouw, alsmede de nakosten\u002Fhet nasalaris.\n\n3. De nadere beoordelingBetekening \u002F verstekverlening\n\n3.1. Blijkens het (tussen)vonnis van 23 juli 2025 is tegen de man verstek verleend. Vervolgens heeft de vrouw bij akte van 14 januari 2026 haar vorderingen gewijzigd.\n\n3.2. Nu de man in de Dominicaanse Republiek woont, moet betekening gebeuren volgens de bepalingen in het Haags Betekeningsverdrag 1965. De rechtbank stelt vast dat zowel de dagvaarding als de akte van wijziging van eis op juiste wijze aan de man zijn betekend. Ook na de wijziging van eis is de man niet in de procedure verschenen. Voor zover nodig wordt in dit vonnis ter zake de gewijzigde vorderingen van de vrouw tegen de man verstek verleend.\n\n3.3. De rechtbank zal hierna beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van de vrouw en zo ja, welk recht op die vorderingen van toepassing is.\n\nPolis bij Aegon, met nummer [nummer 1] (vorderingen onder I. en II.)\n\n3.4. De vrouw heeft gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk een beleggingspolis bij Aegon hadden (met nummer [nummer 1] ), welke tot de huwelijksgemeenschap behoorde. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw verzocht om over te gaan tot verdeling van de waarde van de polis door splitsing of afkoop, maar de man wilde hier niet aan meewerken. In de afgelopen jaren heeft de vrouw de man meerdere keren aangeschreven met het verzoek om alsnog tot verdeling van de waarde van de Aegon polis over te gaan. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de polis per datum echtscheiding, zijnde 22 juni 2015. Volgens de vrouw is de polis vanaf 20 mei 2021 tot uitkering gekomen. De waarde van de polis per 20 mei 2021 werd volgens de vrouw gegarandeerd tot in ieder geval € 40.325,=, waarvan aan haar de helft toekomt, zijnde een bedrag van € 20.162,=.\n\n3.5. De vordering van de vrouw onder I., voor zover deze betrekking heeft op de Aegon polis, en de vordering onder II. strekken, kort samengevat, tot verdeling van de waarde van de polis van Aegon. Deze vorderingen vloeien voort uit het staken van de huwelijksband tussen partijen. Gelet hierop moet de rechtsmacht beoordeeld worden aan de hand van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Op grond van het bepaalde in artikel 6 onder b van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak nog verblijft.\n\n3.6. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime moet worden beantwoord aan de hand van het Chelouche-Van Leer arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275), omdat het huwelijk van partijen is gesloten voor 1 september 1992 en het Haags Huwelijskvermogensverdrag niet van toepassing is. Op het huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing, omdat beide partijen ten tijde van huwelijkssluiting beiden de Nederlandse nationaliteit hadden.\n\n3.7. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht brengt mee dat partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw alsnog verdeling van de waarde van de polis van Aegon vordert in die zin dat de polis aan de man moet worden toegedeeld, onder gehoudenheid de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. Met betrekking tot de Aegon polis kunnen de vorderingen van de vrouw onder I. en II. als niet weersproken worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum is verwoord.\n\nPensioen (vorderingen onder I., III., IV. en V.)\n\n3.8. De vorderingen van de vrouw met betrekking tot het pensioen strekken tot verevening van het door de man tijdens het huwelijk bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens opgebouwde pensioen en op de uitvoering van die verevening.\n\n3.9. Gelet op de woonplaats van de man in de Dominicaanse Republiek zijn er geen verdragen of EU-verordeningen van toepassing die het onderwerp van de pensioenverevening tussen voormalige echtgenoten bestrijken. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter zal dan ook op grond van artikel 1 Rv moeten worden beoordeeld volgens de regels van het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 2 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.).\n\n3.10. De vrouw betoogt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 9, aanhef en onder c, Rv., omdat de zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en het onaanvaardbaar is om van de vrouw te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter in de Dominicaanse Republiek onderwerpt. Ook is de Nederlandse rechter volgens de vrouw bevoegd omdat de vorderingen verband houden met Nederlandse pensioenrechten en Nederlands huwelijksvermogensrecht.\n\n3.11. De rechtbank stelt vast dat artikel 9 Rv. twee cumulatieve voorwaarden stelt voor de uitoefening van een noodbevoegdheid door de Nederlandse rechter, te weten: (i) de zaak is voldoende verbonden met de rechtssfeer van Nederland en (ii) het is onaanvaardbaar om van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Voldoende binding met Nederland volgt uit het feit dat de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland en dat de vordering van de vrouw ziet op pensioen dat in Nederland en bij een Nederlands pensioenfonds (Stichting Pensioenfonds Hoogovens) is opgebouwd. Daarnaast ontvangt de vrouw een bijstandsuitkering en kan naar het oordeel van de rechtbank niet van haar gevergd worden dat zij een gerechtelijke procedure gaat voeren in de Dominicaanse Republiek. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten van artikel 9, aanhef en onder c, Rv., zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.\n\n3.12. Vervolgens moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de vorderingen van de vrouw. In artikel 10:51 BW is bepaald dat de vraag, of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Een uitzondering wordt gevormd door artikel 1 lid 7 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS), dat bepaalt dat de Nederlandse wet de Verevening beheerst van pensioenrechten die opgebouwd zijn ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4-6 WVPS.\n\n3.13. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man in Nederland voor verevening vatbare pensioenrechten heeft opgebouwd, te weten bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op de vordering van de vrouw ter zake de verevening van het pensioen.\n\n3.14. Overeenkomstig de vordering van de vrouw (onder I.) zal de rechtbank voor recht verklaren dat het door de man tijdens het huwelijk van partijen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens (polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ) opgebouwde pensioen nog niet is verevend. Dit nu door de man geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de vrouw.\n\n3.15. Ook het door de vrouw onder III. gevorderde zal als niet weersproken worden toegewezen. Nu het door de vrouw primair gevorderde wordt toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen onder IV. en V. geen verdere bespreking. Deze subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten (vordering onder VI.)\n\n3.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat en nakosten.\n\n3.17. In zaken tussen ex-echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen en de proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.\n\n3.18. De rechtbank begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1. verleent verstek tegen de man;\n\n4.2. verklaart voor recht dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de verdeling van de polis bij Aegon, met nummer [nummer 1] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.3. deelt de polis bij Aegon met nummer [nummer 1] toe aan de man, onder de verplichting van de man om de helft van de waarde van € 40.325,= aan de vrouw te betalen, zijnde een bedrag van € 20.162,50;\n\n4.4. veroordeelt de man om, binnen twee weken na dit vonnis, ter zake de onverdeelde waarde van de hiervoor genoemde polis bij Aegon een bedrag van € 20.162,50 (twintigduizend eenhonderdentweeënzestig euro en vijftig eurocent) aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag van algehele betaling;\n\n4.5. verklaart voor recht dat de verevening van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.6. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens, uit de polis met nummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] , op die manier dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man ter zake voormeld polisnummer te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van elke maand;\n\n4.7. verklaart de beslissingen hiervoor onder 4.3., 4.4. en 4.5. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk,\n\n griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.849Z",20]