[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":48,"limit":49},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[],[22,33,41],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1701","ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","ecli-nl-ghshe-2026-1756","","Parketnummer : 20-000832-25\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 25 maart 2025, nr. 22\u002F03957, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 februari 2021 met parketnummer 02-257907-20, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nDe politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij vonnis van 22 februari 2021 (parketnummer 02-257907-20) de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Namens de verdachte is op 22 februari 2021 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nBij arrest van 21 oktober 2022 (parketnummer 20-000461-21) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. Namens de verdachte is op 25 oktober 2022 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.\n\nHet cassatiemiddel, dat onder meer klaagde dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [aangeefster] als getuige, althans het gebruik van de eerder door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs, niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces, slaagt volgens de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft vervolgens bij arrest van 25 maart 2025 (zaaknummer 22\u002F03957) de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad zijn de getuigen [aangeefster] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris gehoord.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, onder aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op of omstreeks 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) schade was toegebracht.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom, zaakregistratienummer PL2000-2020167376, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 29 juni 2020, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-29.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-2, dossierpagina’s 5-7, voor zover inhoudende de verklaring van [aangeefster] :\n\nIn de nacht van 20 op 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, reed ik de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom uit. Bij het uitrijden voelde ik dat mijn auto van achteren aangetikt werd door een andere auto, die ook de [bedrijf] uit kwam rijden. Ik zag dat er in deze auto, zijnde een Opel Astra, twee Marokkaanse jongens zaten. Het kenteken van deze auto, wat ik later heb opgenomen op de telefoon, is [kenteken] . Mijn vrienden zeiden dat ik moest stoppen. Echter toen ik gestopt was, voelde en zag ik dat de Opel Astra opzettelijk meerdere keren tegen mijn portier aan de linkerzijkant reed. Ik hoorde ook dat zij iedere keer een stukje gas bijgaven, waardoor mijn auto als het ware steeds een beetje meer opschoof richting de stoep. Daarna zag ik dat er een andere auto aan kwam rijden met een andere Marokkaanse jongen erin, die zich ook met de situatie ging bemoeien.\n\nIk heb deuk- en lakschade aan de linkerzijkant van mijn auto en het portier. Vervolgens is de bestuurder van de Opel Astra en (het hof leest – gelet op de woorden ‘zijn’ en ‘is’, alsmede de hierna volgende zin – in plaats van ‘en’ het woord ‘zijnde’)degene die tegen mijn auto aan is gereden in zijn auto gestapt en is hij weggereden. De bijrijder en de andere jongen bleven over. Op het filmpje staat de dader (de bestuurder van de Opel Astra) op beeld. De bijrijder staat helaas niet op beeld.\n\n2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-7, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, was ik werkzaam in de omgeving van Bergen op Zoom. Wij kregen het verzoek van het Operationeel Centrum te gaan naar de Boulevard ter hoogte van de [bedrijf] . Daar zou zich een conflict hebben afgespeeld. Collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werden ook naar deze melding gestuurd. Zij waren al ter plaatse op het moment dat wij ter plaatse kwamen. Ik hoorde dat zij ons verzochten uit te gaan kijken naar een Opel Astra, voorzien van het kenteken [kenteken] . De tenaamgestelde van de Opel Astra betrof [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Op 21 maart 2020, omstreeks 02.15 uur, zag ik in een parkeervak aan de Rijtuigweg-Zuid bovengenoemd voertuig geparkeerd staan. Ik zag dat er één persoon op de bijrijderstoel in het voertuig zat. Ik vroeg hem zijn identiteitsbewijs. Ik zag dat hij mij op gaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik hoorde dat hij mij vertelde dat er wat op de Boulevard was gebeurd, maar hij daar niets over wilde vertellen.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-11, dossierpagina 16, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, kregen wij van het Operationeel Centrum de melding te rijden naar de Boulevard te Bergen op Zoom. Ik hoorde en zag dat de melder (het hof begrijpt: [aangeefster] )mij een video toonde vanaf een smartphone. Ik zag dat er op dit beeld een man naast een auto stond. Ik zag dat er een kenteken zichtbaar was welke overeenkomt zoals beschreven in de aangifte.\n\n4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-10, dossierpagina 15, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :\n\nIk heb op 31 maart 2020 telefonisch contact gehad met aangeefster [aangeefster] . In het gesprek heb ik haar gevraagd om mij de beelden door te sturen die zij en de getuigen hebben gemaakt om hier eventuele strafbare feiten of een herkenning uit te halen. Ik heb drie filmpjes doorgestuurd gekregen van aangeefster [aangeefster] .\n\n5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-12, dossierpagina 17, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 2 april ontving ik beelden van een filmpje gemaakt op een mobiele telefoon, van collega [verbalisant 5] . Van deze beelden heeft collega [verbalisant 5] een proces-verbaal van bevindingen gemaakt onder 2020071615-10. Mij werd gevraagd of ik de persoon die je op het filmpje ziet herken. Ik herken deze persoon als: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik herken hem omdat ik hem kort na dit incident in het betrokken voertuig heb gecontroleerd.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-6, dossierpagina’s 24-25, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3] :\n\nWij waren op 21 maart 2020 bij de drive-in van de [bedrijf] aan de Boulevard Noord in Bergen op Zoom geweest en reden daarna via de afrit van de [bedrijf] rechtsaf de Boulevard Noord op. Op dat moment voelde ik een tik en ik keek om. Ik zag een auto achter ons staan, ergens links achter. Die stond heel kort nabij. Nog voordat [aangeefster] (het hof begrijpt telkens: aangeefster [aangeefster] )naar rechts ging, voelde en zag ik dat de auto achter ons voor de tweede maal tegen de auto van [aangeefster] aanreed. Ik zag dat de auto tegen de auto van [aangeefster] aan bleef duwen en hoorde dat de bestuurder van die auto gas bleef geven. Die auto duwde de auto van [aangeefster] tot tegen de stoeprand aan. Ik hoorde dat de zijkant van de auto ingedrukt werd. Ik ben vervolgens uitgestapt en zag dat in de auto achter die van [aangeefster] een personenauto, een Opel Astra, was. Het kenteken heb ik later genoteerd. Ik zag dat in de auto twee personen zaten. De bestuurder was wat groter en ouder, rond de 1.85 lang. Hij was licht getint, ik denk een Marokkaanse jongen. Hij had een slank postuur. De andere persoon was kleiner, ook licht getint, vermoedelijk ook een Marokkaan, slank postuur en rond de 1.75 tot 1.80 lang. Ik zag toen dat er nog een auto aangereden kwam (…) dat er een persoon in zat en dat die uitstapte.\n\nIk zag toen dat de bestuurder van de Opel in zijn auto stapte. Ik hoorde dat hij de Opel startte. Ik zag dat hij vervolgens met slippende banden wegreed. Ik zag dat de andere twee bleven staan. De bestuurder heeft aan niemand kenbaar gemaakt hoe hij heette en is eigenlijk gewoon gevlucht voordat de politie kwam.\n\n7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 maart 2020, procesverbaalnummer PL2000-2020071615-8, dossierpagina’s 20-21, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, gingen we naar de [bedrijf] in Bergen op Zoom. We waren met zijn vieren. We hadden bij de drive-in van de [bedrijf] eten gehaald. Nadat we weg reden voelde ik dat we aangereden werden aan de achterzijde van de auto. Ik zat naast de bestuurder. De bestuurder heet [aangeefster] van het hof (het hof begrijpt: [aangeefster] ). Ik keek om en zag twee jongens in een auto zitten. Ik zag dat [aangeefster] iets naar rechts stuurde om te gaan parkeren op de parkeerstrook. Ik wilde uitstappen, maar voordat ik dat kon voelde ik dat we aan de linkerzijde nogmaals aangereden werden. Ik hoorde dat de jongen extra gas gaf tijdens dat hij tegen ons aan reed.\n\nIk kan het volgende signalement van de bestuurder geven: een jongen, getinte huidskleur, Marokkaans of Turks uiterlijk, hij was ongeveer 1,85 lang, donker kort stijl haar, zijkanten waren opgeschoren, hij had een beetje een snor, hij droeg donkere kleding. Zijn postuur was gemiddeld.\n\nToen we allemaal uitgestapt waren ontstond een ruzie tussen [getuige 4] , [getuige 3] en de twee jongens van de andere auto. De bestuurder vertelde dat hij in wilde stappen om zijn auto te parkeren. De bestuurder is toen in zijn auto gestapt en reed weg.\n\nDe auto van de jongens had het kenteken [kenteken] .\n\n8. De eigen waarneming van dit hof ten aanzien van de foto van de verdachte op de hem betreffende ID-staat d.d. 3 juni 2020 op dossierpagina 3, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nHet hof neemt op de foto waar dat de verdachte een licht getinte huidskleur heeft en dat hij kort donker haar heeft dat aan de zijkant deels is opgeschoren. Voorts neemt het hof op de foto waar dat de verdachte een beginnende snor heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het politiedossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die tegen de auto van aangeefster [aangeefster] heeft gereden.\n\nHet hof overweegt dienaangaande het volgende.\n\nHet hof is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangeefster [aangeefster] en getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard dat de auto van aangeefster op 21 maart 2020 bij de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom meerdere keren is aangereden door een Opel Astra voorzien van het kenteken [kenteken] , waarin twee Marokkaanse jongens zaten. Aangeefster en voormelde getuigen hebben gezien dat de bestuurder van de Opel Astra na het incident in zijn auto is gestapt en is weggereden, zonder zijn gegevens achter te laten. Ongeveer dertig minuten na het ongeval trof verbalisant [verbalisant 2] de verdachte aan op de bijrijdersstoel van de Opel Astra. De verdachte vertelde dat er wat was gebeurd op de Boulevard en dat hij de verbalisant daar niets over wilde vertellen.\n\nDoor een getuige is kort na het incident een filmpje opgenomen, waarvan aangeefster heeft verklaard dat daarop de bestuurder van de auto die haar auto had aangereden is te zien. Verbalisant [verbalisant 2] wordt gevraagd of hij de persoon op het filmpje herkent. De verbalisant herkent deze persoon als zijnde de verdachte, omdat hij hem kort na het incident in het betrokken voertuig heeft gecontroleerd. Het signalement van de verdachte komt bovendien overeen met de omschrijving door de getuigen.\n\nGelet op de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die op 21 maart 2020 meermalen tegen de auto van aangeefster heeft gereden, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Uit deze bewijsmiddelen, met name het feit dat hij zich uit de voeten maakt en de verbalisant die hem in de Opel Astra aantreft wel mededeelt dat er ter plekke iets is gebeurd, maar hij niet wil zeggen wat, leidt het hof af dat de verdachte wist, en in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij de auto van aangeefster meermalen had aangereden waardoor schade was ontstaan.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard hij zich op 21 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, nadat hij als bestuurder van een motorvoertuig de auto van aangeefster [aangeefster] meermalen had aangereden. Door de aanrijding is er schade ontstaan aan de auto van aangeefster. De verdachte wist dat of had dit in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden en had de plaats van het ongeval derhalve niet als een dief in de nacht mogen verlaten. De verdachte heeft met zijn handelen zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof acht de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan strafverzwarend. Uit de aangifte blijkt immers dat de verdachte ter plaatse zou hebben gezegd: ‘Ik maak jullie allemaal kankerdood’ of woorden van gelijke strekking. Aangeefster hoorde ook dat één van de aanwezige jongens zei: ‘Ik ga een pistool halen.’ Volgens een van de andere drie inzittenden van haar auto, [getuige 4] (dossierpagina 22) was dat de verdachte. Daarnaast blijkt uit het politiedossier dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde als bestuurder van de auto lachgasballonnen gebruikte en onder invloed was.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft in dat kader ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte een omgangsregeling heeft met zijn kinderen en dat hij als bezorger in dienstverband werkzaam is.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de politierechter dan wel de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis passend en geboden.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.\n\nNaar aanleiding van het ingestelde cassatieberoep namens de verdachte op 25 oktober 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op 25 maart 2025. Daarmee is niet binnen twee jaren na het instellen van cassatie arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in deze fase met vijf maanden is overschreden.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad op 25 maart 2025 zal het hof bij arrest van heden op 1 juli 2026 uitspraak doen. Daarmee is de redelijke termijn in deze fase niet overschreden.\n\nGezien de hoogte van de op te leggen straf ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan en zal het hof volstaan met de constatering dat bij de strafvervolging van de verdachte sprake is van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vervatte recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:34.306Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1830","ECLI:NL:RBZWB:2026:5749","ecli-nl-rbzwb-2026-5749","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11576282 \\ MB VERZ 25-369\n\nCJIB-nummer: [cjib-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 10 november 2023 om 17:04 uur.\n\nBetrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat het voertuig is geschorst op 21 november 2023 en in opslag staat. Verder komt het voertuig niet op de openbare weg. De schorsing is geldig tot 21 november 2024. Betrokkene verwijst naar de bijlagen.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan worden vastgesteld. Er wordt door het CVOM slechts een verzoek tot matiging gedaan als is voldaan aan twee vereisten, namelijk dat niet is gereden met het voertuig en er snel actie is ondernomen. In dit geval is niet onderbouwd dat niet is gereden met het voertuig en is er ook niet snel actie ondernomen. Er is pas na 54 dagen gehandeld, rekenend vanaf de begindatum van de aansprakelijkheid. Daarbij wordt een termijn van zes weken geboden voordat er wordt gehandhaafd. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van het RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.\n\nDe kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Betrokkene heeft nagelaten tijdig actie te ondernemen.\n\nDe boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 337,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 112,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5749","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.884Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1636","ECLI:NL:RBZWB:2026:5750","ecli-nl-rbzwb-2026-5750","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Breda\n\nzaaknummer.: 11588756 \\ MB VERZ 25-427\n\nCJIB-nummer: [CJIB-nummer]\n\nuitspraakdatum: 9 juni 2026\n\nproces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene]\n\nadres : [adres]\n\nwoonplaats : [woonplaats]\n\nhierna: betrokkene\n\ngemachtigde : [gemachtigde] (Boete.nu)\n\nVerloop van de procedure\n\nAan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.\n\nStandpunten\n\nDe gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Moerlaken te Breda op 20 november 2023 om 09:46 uur.\n\nGemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt geen mobiel elektronisch apparaat te hebben vastgehouden tijdens het rijden als bedoeld in artikel 61a RVV1990. Betrokkene had op het moment dat de constatering is gedaan wel een ander voorwerp in zijn hand. De verbalisant heeft zich mogelijk vergist en dit voorwerp aangezien voor een mobiel elektronisch apparaat. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.\n\nDe zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren, aangezien hetgeen gemachtigde aanvoert geen reden geeft voor twijfel aan de gedraging. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.\n\nOverwegingen\n\nInhoudelijk\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.\n\nDe kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Daarbij is van belang dat bij de staandehouding door betrokkene is verklaard dat hij niet wist dat hij op de fiets niet mocht bellen. Bovendien is onvoldoende onderbouwd welk voorwerp de verbalisant anders zou moeten hebben aangezien als mobiel elektronisch apparaat.\n\nDe boete is dus terecht opgelegd.\n\nOverschrijding redelijke termijn\n\nIedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.\n\nIn dit geval is de redelijke termijn overschreden.\n\nOmdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.\n\nProceskostenvergoeding\n\nOmdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.\n\nDe beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.\n\nDe proceskostenvergoeding is als volgt berekend:\n\nberoepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;\n\n‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 112,50, plus € 9,- administratiekosten;\n\n‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 37,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;\n\n‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\nAls u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:\n\nde boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nuw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.\n\nHet beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.\n\nU dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.\n\nDatum verzending:\n\n Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5750","2026-07-13T00:29:30.816Z",1,20]