[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-social-welfare-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},33,"social-welfare-law-nl","Social Welfare Law","NL","2026-07-08T16:53:14.246Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[],[22,32],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"967","ECLI:NL:RBZWB:2026:5826","ecli-nl-rbzwb-2026-5826","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F5026 WMO15\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college)\n\n(gemachtigde: mr. N.C.J.P. Melsen).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser is het niet eens met de omvang van de door het college toegekende ondersteuning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft bij besluit van 18 december 2023 een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 3 (ondersteund wonen 2) toegekend gekregen voor zeven etmalen per week. Het college heeft een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. De gemiddelde omvang van de ondersteuning was daarmee 14 uur per week. Eiser koopt hiermee zorg in bij [zorgcentrum] in [woonplaats] , waar hij zijn eigen woonruime huurt.\n\n2.1.. Omdat de indicatie afliep, heeft eiser zich weer gemeld bij het college. Op 14 januari 2025 heeft er een keukentafelgesprek plaatsgevonden. In het Plan van Aanpak is geconcludeerd dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 2 (ondersteund wonen 1) voor zeven etmalen per week tot een bedrag van € 692,31 per week. De gemiddelde omvang van de ondersteuning is daarmee 10,5 uur per week. Eiser heeft het Plan van Aanpak enkel voor gezien ondertekend. Met het retourneren daarvan is de aanvraag ingediend.\n\n2.2.. Met een besluit van 12 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college conform het Plan van Aanpak de maatwerkvoorziening beschermd wonen toegekend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. Met het besluit van 21 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.\n\n2.4.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.5.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de ouders van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte niet zelf in kaart heeft gebracht welke ondersteuning hij naar aard en omvang nodig heeft (stap 3 van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep).In bezwaar heeft eiser een zorgmomentenoverzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij wekelijks 17,15 uur begeleiding van [zorgcentrum] ontvangt. Het college is hierin gaan strepen, maar onduidelijk is op basis waarvan dit is gebeurd aangezien er geen normenkader is gebruikt. Verder wijst eiser erop dat het college in het verweerschrift stelt dat het Plan van Aanpak is opgesteld door een Toegangsmedewerker die ook cliëntondersteuner is bij MEE. Volgens eiser kunnen deze functies vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid niet tegelijkertijd worden vervuld. Daarnaast is het besluit in bezwaar door een bezwaarmedewerker volledig heroverwogen, maar deze persoon heeft volgens eiser niet de zorginhoudelijke kennis en deskundigheid om de omvang van de benodigde ondersteuning vast te stellen. Eiser voert ook aan dat de bezwaarprocedure van het college niet transparant is. Er is een adviescommissie, maar een verslag van de behandeling van de zaak door de commissie en het advies van de commissie ontbreken in het dossier.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Blijkens het bestreden besluit heeft het college voor de vaststelling van de aard en omvang van de door eiser benodigde ondersteuning het door eiser in bezwaar overgelegde zorgmomentenoverzicht als uitgangspunt genomen. Aan de hand van de dagrapportages van [zorgcentrum] is de indicatie vervolgens op een aantal punten in minuten naar beneden bijgesteld, namelijk bij het aansturen bij persoonlijke hygiëne, boodschappen doen, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat voor alle van de onder 4. genoemde taken geldt dat onduidelijk is hoe het college aan de toegekende minuten is gekomen. Er is geen navraag gedaan bij [zorgcentrum] . Bij de taken aansturen bij persoonlijke hygiëne, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren staat slechts dat het college meent dat het aantal toegekende minuten voldoende moet zijn. Deze bewoordingen zijn naar het oordeel van de rechtbank te algemeen. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n5.1.. Reeds hierom is het beroep gegrond. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week. De rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op het door eiser overgelegde zorgmomentenoverzicht. Het primaire besluit zal worden herroepen voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft.\n\n6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 666,- voor de bezwaarfase (1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1) en € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank stelt de totale kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;\n\nherroept het primaire besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;\n\nverstrekt aan eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:441, r.o. 4.1.1.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5826","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:56.875Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"964","ECLI:NL:RBZWB:2026:5845","ecli-nl-rbzwb-2026-5845","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F3362 WMO15\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen(verzoeker)\n\n(gemachtigde: mr. K.V. Witte),\n\nom opheffing als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht van de bij uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25\u002F5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) getroffen voorlopige voorziening in de zaak tussen:\n\n [verzoekster] , uit [woonplaats] (verzoekster),\n\ngemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter in de uitspraak van 12 december 2025 heeft getroffen, op te heffen. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak bepaald dat verzoeker aan verzoekster vanaf 16 oktober 2025 tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar, een maatwerkvoorziening moet toekennen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om opheffing (kennelijk) niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan (proces)belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft in 2025 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van verzoeker van 4 september 2025. Met dat besluit was haar aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo buiten behandeling gesteld. In de uitspraak van 12 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 4 september 2025 geschorst, en bepaald dat verzoeker vanaf 16 oktober 2025 aan verzoekster een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van beschermd wonen en ondersteuning kunnen worden voldaan.\n\nVerzoeker heeft bij de rechtbank middels een brief van 17 juni 2026 een verzoek ingediend om de voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 – bij voorkeur met terugwerkende kracht tot 16 oktober 2025 – op te heffen, gelet op na die uitspraak opgekomen feiten en omstandigheden, die – indien zij destijds bekend waren geweest – niet tot het treffen van de voorlopige voorziening zouden hebben geleid.\n\nDe voorzieningenrechter heeft verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ambtshalve als derde-partij aangemerkt.\n\nOmdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek (kennelijk) niet ontvankelijk is.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader van het verzoek\n\n3. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 van de Awb van overeenkomstige toepassing.\n\nOnderbouwing van het verzoek\n\n4. Verzoeker beoogt met zijn verzoek te voorkomen dat [zorginstelling] in een eventuele civielrechtelijke procedure betaling voor verleende zorg kan afdwingen door te stellen dat zij zorg aan verzoekster heeft verleend in gerechtvaardigd vertrouwen op de voorlopige voorziening van 12 december 2025. Hij stelt in zoverre belang te hebben bij opheffing van die uitspraak. In een civielrechtelijke procedure zou de discussie zich onvermijdelijk toespitsen op de vraag over welke periode de geleverde zorg al dan niet aan de kwaliteitseisen voldeed, en in hoeverre verzoeker gehouden zou zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [zorginstelling] – zoals ook onderkend door verzoeker – niet via de bestuursrechtelijke weg betaling kan afdwingen voor geleverde zorg aan verzoekster. Een bestuurlijke grondslag daartoe ontbreekt. Verzoeker heeft namelijk geen besluit genomen om een pgb toe te kennen, maar verzoeksters pgb-aanvraag inhoudelijk afgewezen bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2026 wegens het ontbreken van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte zorg, en het ontbreken van een geschikte budgetbe-heerder. Verder is het verzoek van [zorginstelling] om uitvoering te geven aan genoemde voorziening door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een uitspraak van 1 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4692) reeds niet-ontvankelijk verklaard, omdat [zorginstelling] niet als belanghebbende kon worden aangemerkt. Het belang bij deze procedure kan daarom enkel zijn gelegen in het voorkomen van het ontstaan van een aanspraak op betaling voor geleverde zorg in een (civielrechtelijke) procedure bij de burgerlijke rechter.\n\n6. Bij het ontstaan van een betalingsverplichting in een civielrechtelijke procedure gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter om een toekomstige onzekere gebeurtenis, die een onvoldoende actueel en reëel belang vormt voor de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2021 ECLI:NL:CRVB:2021:2402) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023: 2074). Wat verzoeker aanvoert ter onderbouwing van het door hem gestelde belang geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n7. De voorzieningenrechter voegt aan het voorgaande toe dat artikel 8:87 van de Awb niet de mogelijkheid biedt om een getroffen voorlopige voorziening wegens gewijzigde omstandigheden 'ab initio' (met terugwerkende kracht) op te heffen of te wijzigen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT0655, in het bijzonder overweging 2.11). De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 12 december 2025 bepaald dat verzoeker aan verzoekster tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan. Aangezien verzoeker al op 26 mei 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft de getroffen voorlopige voorziening op dit moment nog slechts werking voor een periode van ongeveer een week. Het financiële belang bij deze procedure is daarom ook beperkt tot een eventuele betalingsverplichting voor zorgkosten over die (zeer korte) periode.\n\n8. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat onvoldoende (proces)belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van verzoeker.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening op te heffen (kennelijk) niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 niet wordt opgeheven.\n\n9.1.. In deze procedure bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter heeft getroffen in de uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25\u002F5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) op te heffen, niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\n voorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5845","2026-07-13T00:28:56.772Z",1,20]