[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-value-added-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},78,"value-added-tax-nl","Value Added Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.373Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2024-08-26T00:00:00.000Z","2026-04-24T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"733","ECLI:NL:RBZWB:2026:3321","ecli-nl-rbzwb-2026-3321","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F1851\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 maart 2025.\n\n1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 40.950 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete van € 20.475 opgelegd (de boetebeschikking) en € 5.229 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).\n\n1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Daarbij heeft de inspecteur de boetebeschikking verminderd tot € 20.435. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking zijn gehandhaafd.\n\n1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,\n\n [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en niet naar te hoge bedragen heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Verder is de boetebeschikking terecht maar naar een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.\n\nFeiten\n\n3. Gemachtigde is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende. Daarnaast is gemachtigde de enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en het adviseren en ondersteunen op het gebied van informatietechnologie.\n\n3.1. Gemachtigde dreef in het jaar 2018 een eenmanszaak onder de naam [belanghebbende] .\n\n3.2. Belanghebbende heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (per kwartaal) de volgende aangiften omzetbelasting ingediend:\n\nTijdvak\n\nOmzet prestaties hoog tarief\n\nOB hoog tarief\n\n(verschuldigd)\n\nVoorbelasting\n\nTe betalen OB\n\nQ1 2018\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nQ2 2018\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nnihil\n\nQ3 2018\n\n€ 39.500\n\n€ 8.295\n\n-\u002F- € 3.240\n\n€ 5.055\n\nQ4 2018\n\n€ 55.000\n\n€ 11.550\n\nnihil\n\n€ 11.550\n\n3.3. De inspecteur heeft bij brief van 30 november 2018 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van (onder meer) de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018. Gelijktijdig heeft hij belanghebbende verzocht om auditbestanden te overleggen. Over het onderzoek is gecorrespondeerd met (onder meer) de toenmalige [belastingadviseur] ( [belastingadviseur] ).\n\n3.4. Op 28 februari 2019 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd waaruit volgt dat de reikwijdte van het boekenonderzoek is uitgebreid en betrekking heeft op (onder meer) de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2018 tot en met\n\n31 december 2018.\n\n3.5. [belastingadviseur] heeft bij e-mailbericht van 6 september 2019 de auditbestanden aan de inspecteur toegezonden. Uit de auditbestanden volgt dat belanghebbende in 2018 een totale omzet heeft gerealiseerd van (afgerond) € 291.608, waarover (afgerond) € 89.094 aan omzetbelasting is verschuldigd.\n\n3.6. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van\n\n31 mei 2022. Het controlerapport vermeldt onder meer:\n\n“2.3 Administratie\n\n(…)\n\nDe heer [gemachtigde] verzorgt de dagelijkse administratie. Dit bestaat uit het factureren en het bewaren van de facturen en bankafschriften in de Cloud.\n\n(…)\n\n2.4 Adviseur\n\n(…)\n\nDe adviseur heeft eerst naar aanleiding van de vooraankondiging van het boekenonderzoek de beschikking gekregen over de bankmutaties van de heer [gemachtigde] . De adviseur heeft de bankmutaties verwerkt met het boekhoudpakket Profit. Hierbij is geen kennis genomen van de verzonden en ontvangen facturen. De adviseur geeft zelf ook aan dat hij te laat heeft beschikt over de financiële gegevens. Tevens is hij pas achteraf geïnformeerd door de heer [gemachtigde] over de oprichting van de BV.\n\n(…)\n\n3.2 Aansluiting financiële administratie \u002F aangiften\n\n(…)\n\nAuditfiles\n\n(…)\n\n2018\n\nHet verschil dient te worden nageheven.\n\nCorrectie 3\n\n(…)\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 40.871\n\n(…)\n\n3.6.1 Aftrekbaarheid van de voorbelasting\n\n(…)\n\nCorrectie 2\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2018 € 79\n\n(…)\n\n6.1 Vergrijpboete op grond van 67f Awr\n\nIk ben van mening dat het aan ( voorwaardelijke) opzet van belanghebbende is te wijten dat de\n\nomzetbelasting over de periode 7 april 2017 tot en met 31 december 2018, niet, gedeeltelijk niet\n\ndan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is voldaan.\n\n(…)”\n\n3.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de naheffingsaanslag, boete- en belastingrentebeschikking met dagtekening 25 juni 2022 vastgesteld (zie 1.1).\n\n3.8. [belastingadviseur] heeft de inspecteur bij e-mailbericht van 16 maart 2023 een Excel-bestand toegestuurd. Daarin staat dat belanghebbende in 2018 een totale omzet heeft gerealiseerd van (afgerond) € 187.626, waarover (afgerond) € 39.401 aan omzetbelasting is verschuldigd.\n\n3.9. Op 23 augustus 2023 heeft de inspecteur aan gemachtigde een e-mailbericht gestuurd waarin (onder meer) het volgende staat:\n\n“(…) Volgens uw gegevens was de omzet 2018 van [belanghebbende] BV € 187.626. Volgens de gegevens die tijdens het boekenonderzoek zijn geconstateerd was de omzet over 2018 € 291.608. Ik stuurt een excel-sheet van die omzetberekening als bijlage mee. Volgens het overzicht bestond de omzet 2018 uit:\n\n€ 187.441; gefactureerd door [belanghebbende] BV\n\n€ 101.902; Omzet [B.V. 2] via reversed billing\n\n€ 2.265: verschil met berekende totale omzet\n\nOpvallend is dat het totale bedrag van € 291.608 ook als omzet is aangegeven in de op 5 augustus 2022 door [adviseur] ingediende aangifte VPB 2018 van [belanghebbende] BV. Dus uw adviseur [adviseur] was het blijkbaar eens met die omzet van € 291.608.\n\nOnze discussie over de omzet lijkt vooral te gaan om die ca. € 102.000 omzet [B.V. 2] . (…)”\n\n3.10. Op 24 april 2024 heeft (digitaal) een hoorgesprek plaatsgevonden. Van het hoorgesprek is een verslag opgemaakt waarin – voor zover relevant – het volgende staat:\n\n“5. De standpunten van de betrokken partijen kunnen als volgt worden weergegeven:\n\n De heer [gemachtigde] geeft aan dat de omzet van € 187.626 ( exclusief btw) juist is en daarom ook niet in geschil is. Deze omzet volgt tevens een Excel-bestand aangeleverd door de heer [gemachtigde]\n\n( per e-mail met dagtekening 18 juli 2023).\n\n De omzet van [B.V. 2] van € 101.902,50 zou volgens de heer [gemachtigde] echter wellicht bij [B.V. 1] moeten worden aangegeven en niet verschuldigd zijn door [belanghebbende] B.V.. De heer [gemachtigde] gaat dit nader bekijken. Doordat alle verkoopfacturen gericht aan [B.V. 2] uitgereikt zijn door (of namens) [belanghebbende] B.V., is ons standpunt dat de btw die wordt vermeld op de factuur ook door [belanghebbende] B.V. verschuldigd is.\n\n(…)”\n\n3.11. De inspecteur heeft belanghebbende op 30 mei 2024 een toelichting gestuurd over de opbouw van de naheffingsaanslag. In de toelichting staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“Tussenconclusie: Uit het feit dat de inspecteur in het controlerapport voor de eenmanszaak uitgaat van een netto omzet van € 0 volgt al dat er geen sprake is van een dubbeltelling in de zin dat dezelfde omzet tegelijkertijd bij zowel de BV als bij de eenmanszaak in aanmerking wordt genomen.3. Auditfile\n\nUitgangspunt voor de beoordeling van de omzet is de auditfile. Aan de inspecteur is eerst een auditfile met een netto omzet van € 289.335 voor de BV voor het jaar 2018 verstrekt. Later is een tweede versie van de auditfile over 2018 verstrekt met een netto omzet van € 291.608,36 (zie bijlage). Dit laatste bedrag is ook als omzet aangegeven in de aangifte Vennootschapsbelasting 2018.\n\n(…)\n\n5. Verschil tussen eerste en tweede auditfile\n\nHet verschil tussen de eerste en tweede audit file bedraagt € 2.273. Dit verschil betreft een omzetboeking van € 2.272,68 op 31-12-2018 met omschrijving (…)\n\n6. Conclusie ten aanzien van verschuldigde btw\n\nUit de auditfiles en de verkoopfacturen volgt dat de omzet van € 291.608,36 (= € 289.335 + € 2.273) aansluit bij de administratie van [belanghebbende] BV. De verschuldigde btw die de inspecteur in aanmerking heeft genomen is 21% van € 291.608,36 = € 61.238.\n\n(…)”\n\n3.12.. De inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening 7 maart 2025 (deels) gegrond verklaard en de vergrijpboete verminderd tot € 20.435.\n\n3.13.. \n\nTot de gedingstukken behoort een projectovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). In de overeenkomst is opgenomen dat [B.V. 1] van\n\n1 april 2018 tot 30 september 2018 diensten zal verrichten ten behoeve van [B.V. 2] tegen een uurtarief van € 110, exclusief btw. De projectovereenkomst is enkel ondertekend door [B.V. 2] .\n\n3.14.. \n\n [B.V. 2] heeft de facturen via self-billing opgesteld. Daarop staat belanghebbende als leverancier vermeld. De facturen zijn gedateerd van 28 juni 2018 tot en met\n\n18 december 2018 en zien op werkzaamheden die voor [B.V. 2] zijn verricht in de periode van 4 juni 2018 tot en met 16 december 2018.\n\n3.15.. Bij het verweerschrift heeft de inspecteur een overzicht overgelegd waaruit volgt dat de vermelde omzet op de facturen van [B.V. 2] in totaal € 101.902 bedraagt en dat daarover in totaal € 21.399 aan omzetbelasting is verschuldigd.\n\n3.16.. Belanghebbende heeft over het jaar 2018 een aangifte vennootschapsbelasting ingediend en een netto omzet van € 291.608 aangegeven.\n\n3.17.. \n\nDe inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij [B.V. 1] naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over (onder meer) de periode van\n\n1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 31 mei 2022. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“3.7 Verschuivingen\n\n(…)\n\nHet verschil in 2018 dient te worden nageheven.\n\n(…)”\n\nOverwegingen\n\nIs de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd?\n\n4. Tussen partijen is niet in geschil dat de omzet van € 187.626 – zoals volgt uit de administratie van belanghebbende (zie 3.8) – juist is. Evenmin is in geschil dat [B.V. 2] in totaal € 101.902 (excl. btw) heeft betaald voor werkzaamheden verricht door de gemachtigde (zie 3.15). Partijen houdt uitsluitend verdeeld of belanghebbende de op deze facturen vermelde omzetbelasting van € 21.399 op aangifte had moeten voldoen.\n\n4.1.. \n\nDe inspecteur wijst erop dat belanghebbende in haar administratie een omzet van € 291.608 heeft opgenomen (zie 3.5). Dit bedrag heeft belanghebbende ook aangegeven in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2018. Nu de facturen van [B.V. 2] via\n\nself-billing op naam van belanghebbende zijn gesteld, moet zij de omzetbelasting op aangifte voldoen, aldus de inspecteur. Volgens de inspecteur wordt de omzetbelasting zodoende ook niet dubbel meegenomen. In de aangiften van [B.V. 1] ontbreekt de aansluiting voor de omzet van € 101.902 (zie 3.17) en de eenmanszaak [belanghebbende] heeft geen omzet behaald (zie 3.11).4.2.. Belanghebbende voert aan dat [B.V. 1] de omzetbelasting is verschuldigd die op de facturen van [B.V. 2] staat vermeld. Daarnaast voert zij aan dat de bedragen mogelijk dubbel zijn verwerkt bij de eenmanszaak [belanghebbende] of [B.V. 1] .\n\n4.3.. De rechtbank stelt vast dat [B.V. 1] een projectovereenkomst heeft gesloten met [B.V. 2] (zie 3.13). Op de door [B.V. 2] opgemaakte facturen staat belanghebbende echter vermeld als leverancier (zie 3.14). De bedragen die staan vermeld op de facturen van [B.V. 2] zijn ook opgenomen in de (tweede versie van de) auditbestanden (zie 3.5) en de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende (zie 3.16). Belanghebbende heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor de vermelding van haar naam op deze facturen en de verwerking in haar administratie, terwijl de diensten volgens haar door [B.V. 1] zijn verricht. De gemachtigde werkt voor beide vennootschappen, zodat hij de werkzaamheden namens elk van de vennootschappen kan hebben verricht.\n\n4.4.. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat mag worden uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit de facturen en financiële administratie (van belanghebbende). De enkele omstandigheid dat [B.V. 1] op de overeenkomst is vermeld, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat deze vennootschap de diensten heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de verschuldigde omzetbelasting op aangifte had moeten voldoen.\n\n4.5.. Ook indien [B.V. 1] als de feitelijke dienstverlener moet worden aangemerkt, blijft belanghebbende op grond van artikel 37 van de Wet OB de op de [B.V. 2] -facturen vermelde omzetbelasting verschuldigd. Voldoende is dat via self-billing op naam van belanghebbende facturen zijn uitgereikt waarop verschuldigde omzetbelasting is vermeld. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat van een dubbeltelling zoals belanghebbende heeft aangevoerd, geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur heeft toegelicht dat de eenmanszaak [belanghebbende] nihilaangiften omzetbelasting heeft ingediend. Daarnaast heeft [B.V. 1] de omzet ook niet in haar aangiften omzetbelasting verantwoord. Dit volgt tevens uit het controlerapport dat naar aanleiding van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] is opgesteld (zie 3.17).\n\n4.6.. Voorgaande betekent dat belanghebbende de op de [B.V. 2] -facturen vermelde omzetbelasting van € 21.399 is verschuldigd. De inspecteur heeft de omzetbelasting op de vergoedingen van [B.V. 2] dus terecht in de naheffingsaanslag opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op grond van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. De vraag of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast kan daarom in het midden blijven.\n\n4.7.. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het handelen van de inspecteur leidt niet tot de conclusie dat enig beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.\n\nIs de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?\n\n4.8.. De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 50% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan (zie 3.6). Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van grove schuld en een boete van 25% van de nageheven belasting zou zijn gerechtvaardigd.\n\n4.9.. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’.De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan het (voorwaardelijk) opzet dan wel grove schuld van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.\n\n4.10.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\n4.11.. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Daarom gaat de rechtbank bij de beoordeling van de vergrijpboete uit van de omzetcijfers en de daarover verschuldigde omzetbelasting, zoals vermeld in het controlerapport (zie 3.6).\n\nFacturen van [B.V. 2]\n\n4.12.. Zoals reeds overwogen onder 4.4 tot en met 4.6 is belanghebbende omzetbelasting verschuldigd over de bedragen die zijn vermeld op de facturen van [B.V. 2] . Belanghebbende heeft deze omzet (€ 101.902) niet in haar aangiften omzetbelasting vermeld.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet overtuigend aangetoond dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet met betrekking tot het niet vermelden van de bedragen op de facturen van [B.V. 2] in de aangiften omzetbelasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde – die de administratie van belanghebbende verzorgde – kennelijk niet op de hoogte was artikel 37 van de Wet OB en in de veronderstelling verkeerde dat deze facturen bij [B.V. 1] thuishoorden. In het dossier ontbreken aanknopingspunten waaruit volgt dat belanghebbende voor deze facturen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan.\n\n4.14.. Wel is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan. Belanghebbende heeft ten onrechte geen omzetbelasting afgedragen over de vermelde bedragen op de facturen van [B.V. 2] , terwijl deze facturen wel op haar naam zijn uitgereikt en de vergoedingen door haar zijn ontvangen. Belanghebbende heeft vergaand nalatig gehandeld door pas later haar administratie uit te besteden aan een deskundige, terwijl zij wist dat haar administratie niet op orde was en niet na te gaan of de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moest worden voldaan. Het handelen (en nalaten) van gemachtigde dient aan belanghebbende te worden toegerekend, nu gemachtigde enig aandeelhouder en bestuurder is van belanghebbende (zie 3).\n\n4.15.. Het voorgaande leidt ertoe dat de vergrijpboete, voor zover deze betrekking heeft op vermelde bedragen op de [B.V. 2] -facturen, dient te worden verminderd tot 25%. De boete is daarom terecht opgelegd voor zover deze ziet op de facturen van [B.V. 2] , maar is wel te hoog. De rechtbank zal hierna toelichten hoe dit (cijfermatig) uitwerkt.\n\nEerste en tweede kwartaal van 2018\n\n4.16.. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake voorwaardelijk opzet met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal van 2018. De rechtbank acht buiten redelijke twijfel dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. Belanghebbende heeft over deze kwartalen nihilaangiften ingediend, terwijl zij wist dat omzet was behaald en omzetbelasting was verschuldigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde de administratie voerde en facturen opstelde van de door belanghebbende verrichtte werkzaamheden. In zoverre is de boete daarom terecht.\n\n4.17.. \n\nDe rechtbank constateert dat de inspecteur een factuur van [B.V. 2] gedateerd\n\n28 juni 2018 in de boetegrondslag over het tweede kwartaal van 2018 heeft betrokken. Zoals hiervoor overwogen, is met betrekking tot de facturen van [B.V. 2] sprake van grove schuld. Dit betekent dat de boete over dat kwartaal dient te worden gematigd met € 208. Voor het overige blijft de boete voor zover de boetegrondslag ziet op het eerste en tweede kwartaal van 2018 in stand.\n\nDerde en vierde kwartaal van 2018\n\n4.18.. Vast staat dat belanghebbende aangiften omzetbelasting heeft ingediend naar bedragen van € 5.055 (Q3) en € 11.550 (Q4) (zie 3.2). Uit het controlerapport – en dus uit de financiële administratie van belanghebbende – volgen hogere bedragen aan omzetbelasting van € 13.013 (Q3) en € 35.081 (Q4) (zie 3.6) dan vermeld in de aangiften omzetbelasting.\n\n4.19.. Voor zover de bedragen uit het controlerapport betrekking hebben op de facturen van [B.V. 2] is sprake van grove schuld. De rechtbank overweegt dat voor de overige bedragen – die (ook) niet in de aangiften omzetbelasting zijn vermeld – ook sprake is van grove schuld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende wel aangiften omzetbelasting heeft gedaan naar te betalen bedragen en de verschillen tussen de aangiften en de administratie met name worden veroorzaakt door de facturen van [B.V. 2] . De rechtbank acht niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende willens en wetens bedragen niet op aangifte heeft voldaan. Wel is sprake van grove schuld, aangezien de bedragen rechtstreeks uit de (later) opgemaakte administratie volgen en het ernstig nalatig is van belanghebbende dat zij haar administratie niet op orde had. Dit betekent dat de vergrijpboete voor zover de boetegrondslag ziet op het derde en vierde kwartaal van 2018 dient te worden gematigd met € 7.872.4.20.. Het voorgaande betekent dat de boete met € 8.080wordt verminderd naar € 12.355. De rechtbank acht deze boete passend en geboden. Tot slot moet bij beoordeling van de boete rekening worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de toezending van het concept-controlerapport bij brief van 14 april 2021 en eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat afgerond vijf jaar en één maand zijn verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en één maand.De boete wordt daarom verder gematigd met 20% tot € 9.884.\n\nBelastingrente\n\n4.21.. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de vergrijpboete tot € 9.884. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand.\n\n5.1.. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de boetebeschikking;\n\nvermindert de vergrijpboete tot € 9.884;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. D. Damen, griffier, op 24 april 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n € 831,60 x 25%.\n\n € 7.958 (€ 13.013 - € 5.055) + € 23.531 (€ 35.081 - € 11.550) x 25%.\n\n € 208 + € 7.872.\n\n € 20.435 - € 8.080.\n\n Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Awr.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3321","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:45.487Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1347","ECLI:NL:RBZWB:2024:7023","ecli-nl-rbzwb-2024-7023","2024-10-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F4080 tot en met 23\u002F4090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV), inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en omzetbelasting (OB) opgelegd (de aanslagen):\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.113 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 1.402 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4080);\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2016 naar een bijdrage-inkomen van € 21.381. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 1.085 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4081);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.528. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.103 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4082);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.528. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.103 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 3.407 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4083).\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 30.722. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 254 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4084);\n\nEen navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.255. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 431 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 833 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4085);\n\nEen navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2018 naar een bijdrage-inkomen van € 7.318. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 49 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4086);\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2019 naar een inkomen uit werk en woning van € 20.100. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 112 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F4087);\n\nEen aanslag Zvw over het jaar 2019 naar een bijdrage-inkomen van € 14.009;\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (2017) naar een bedrag van € 8.516. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.428 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 2.129 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4088);\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (OB 2018) naar een bedrag van € 1.787. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 229 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 446 opgelegd (zaaknummer 23\u002F4089);\n\nEen naheffingsaanslag OB over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 december 2020 (2019-2020) naar een bedrag van € 20.720. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 1.416 belastingrente in rekening gebracht en een boete van € 5.180 opgelegd ((zaaknummer 23\u002F4090).\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. Hij heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. De overige bezwaren heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Hij inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Ook beoordeelt zij of de boetes terecht zijn opgelegd en zo ja, of de boetes passend en geboden zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag OB over het jaar 2017 te hoog. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018, de navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2018 en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2018 zijn ten onrechte opgelegd. De overige aanslagen zijn juist. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de grondslag van de boetes moet worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbende heeft onder de namen “ [rijschool 1] ” en “ [rijschool 2] ” een rijschool geëxploiteerd. [rijschool 2] werd op [datum 1] 2015 ingeschreven in het Handelsregister en per [datum 2] 2017 uitgeschreven. Van 1 juni 2017 tot 31 maart 2019 heeft belanghebbende in loondienst werkzaamheden verricht voor ANWB rijopleidingen. Vanaf april 2019 heeft belanghebbende als ondernemer rijlessen verzorgd voor cursisten van zijn broer, die een rijschool exploiteert onder de naam “ [rijschool 3] ”. Ook heeft belanghebbende een onderneming geëxploiteerd onder de naam “ [rijschool 4] ”, welke was ingeschreven in het Handelsregister van [datum 3] 2019 tot [datum 4] 2021.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 4 september 2017 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2016 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.017 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454. De aanslag is overeenkomstig de aangifte opgelegd. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende een tweede aangifte ingediend over het jaar 2016 naar een inkomen uit werk en woning van € 13.862 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 454.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft op 2 maart 2018 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 3.633. De aanslag is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende een tweede aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.141.\n\n4.3.. Belanghebbende heeft op 18 april 2019 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2018 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 22.170 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.657. De aanslag is opgelegd overeenkomstig de aangifte. Op 21 januari 2021 heeft belanghebbende een nieuwe aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.102 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 698.\n\n4.4.. Belanghebbende heeft op 14 mei 2020 aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2019 gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 6.091. De aanslag is in afwijking van de aangifte met dagtekening 8 juli 2022 opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van € 20.100.\n\n4.5.. Bij brief van 17 maart 2021 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020. Op 31 maart 2021 heeft een inleidend gesprek plaatsgevonden. Belanghebbende werd tijdens het gesprek bijgestaan door zijn adviseur [naam 3] (de adviseur). Van het gesprek is een verslag opgemaakt. Het verslag vermeldt onder meer:\n\n“(…)\n\nAangiften BTW\n\nDesgevraagd geeft de adviseur aan dat hij voor het doen van de aangiften BTW alleen de facturen van [rijschool 4] en [bedrijf 1] ontvangt. Hij krijgt geen bankafschriften. Hij ging er vanuit dat de heer [belanghebbende] geen privérekening had. De heer [belanghebbende] houdt geen kasboek bij, maar geeft de contante ontvangsten en uitgaven door aan de adviseur.\n\nHij geeft aan op goed vertrouwen gehandeld te hebben.\n\nDe heer [naam 4] merkt op dat in de oorspronkelijke aangifte over het derde kwartaal 2020 en later in het bezwaarschrift over het derde kwartaal de omzet van de zonnepanelen niet is meegenomen. Nadat de heer [naam 4] de cautie heeft gesteld, antwoord de heer [belanghebbende] dat hij die factuur eind 2020, begin 2021 heeft ingeleverd bij de adviseur, nadat hij er achter kwam dat hij die factuur niet\n\nhad afgegeven bij de adviseur. De achterliggende gedachte was, dat het project een jaar duurde en dat dan pas de factuur aangegeven moest worden. Aan de adviseur wordt vervolgens gevraagd waarom die factuur dan niet in de suppletie en bezwaarschrift is opgenomen. De adviseur antwoord dat hij pas na 17 maart 2021 op de hoogte was van deze factuur middels vraagstelling van de heer [naam 4]. De heer [belanghebbende] bevestigt dit. De adviseur vindt dat alles gecompliceerd is geworden.\n\nDe adviseur heeft de suppletieaangiften naar de heer [belanghebbende] gestuurd. Hij had de facturen gezien. Hij wist niet dat hij wat miste. De heer [belanghebbende] geeft vervolgens aan dat boekhouden niet zijn sterkste kant is en dat hij alle vertrouwen in de adviseur heeft. De adviseur geeft desgevraagd aan, dat hij de aangifte BTW doet met de inloggegevens van de heer [belanghebbende] , omdat hij dan geen risico loopt als de administratie niet correct is. De heer [naam 4] geeft aan, dat het dan lijkt of de heer [belanghebbende] zelf aangifte doet.\n\n(…)\n\nPer 1 juli 2019 is eren arbeidsovereenkomst met de partner van de heer [belanghebbende] . Op de vraag waarom alleen juli 2019 is aangegeven voor de loonheffing, geeft de heer [belanghebbende] als antwoord dat hij dacht dat het doorgelopen was, maar dat hij er onlangs achter gekomen was dat dat niet het geval was. Vandaar dat hij de adviseur gevraagd heeft om de andere aangiften van dat jaar te doen. De heer [naam 4] geeft aan dat de adviseur, de dag voor dit gesprek, dacht, dat het om een uitkering ging.\n\n (…)\n\nEr is geen sprake van een geregistreerd partnerschap. Salarisbetalingen vinden via de bank plaats. De heer [belanghebbende] geeft aan dat de partner van 9.00 tot 17.00 actief is. De boodschappen kan zij in de pauze doen.\n\nDe werkzaamheden van mevrouw [naam 1] bestaan volgens de heer [belanghebbende] uit het opmaken van facturen, kopiëren en administratie. De werkzaamheden zouden thuis worden verricht. Volgens de heer [belanghebbende] maakt het niet uit dat het zijn partner is. Er is volgens hem sprake van een gezagsverhouding. Wanneer hij haar nodig heeft is zij er voor hem. Zij heeft ook werk verricht voor [rijschool 4] .\n\nHet uurloon is de heer [belanghebbende] niet bekend. Er is een maandloon afgesproken. De adviseur zou niet bij het opmaken van de arbeidsovereenkomst betrokken zijn geweest.\n\n(…)\n\nDesgevraagd geeft hij aan dat het zijn eigen cursisten zijn. Maar de genoemde bedragen zijn niet helemaal omzet van de rijschool. Er wordt ook wel eens geld geleend. Hij weet het zo niet, dat moet hij uitzoeken. De heer [naam 2] geeft aan, dat hij mist dat de heer [belanghebbende] bekent dat hij inderdaad privélessen heeft gegeven voor het genoemde bedrag. De heer [naam 4] geeft aan dat wat geleend wordt ook terugbetaald moet worden, anders is het immers geen lening. De lessen van zijn eigen cursisten worden gereden met de auto van zijn broer, waarvoor hij toestemming heeft. De heer [naam 4] vraagt zich hardop af, hoe het dan zit met de kosten van de betreffende auto’s. Betaald de broer de kosten van zijn privélessen. Hierover geeft de heer [belanghebbende] geen verklaring.\n\n(…)”\n\n4.6.. Bij brief met dagtekening 2 april 2021 heeft de inspecteur aangekondigd de controle uit te breiden. De brief vermeldt dat de controle nu ook zal zien op de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019, de aangiften loonbelasting over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2019.\n\n4.7.. Belanghebbende en de adviseur zijn op 30 maart 2022 gehoord in het kader van een verhoor bestuurlijke boete. Van het verhoor is een verslag opgemaakt. Het verslag is ondertekend door belanghebbende en de adviseur. Uit het verslag volgt dat belanghebbende niet alle gegevens aan de adviseur heeft verstrekt die van belang waren voor het doen van aangiften, waaronder op de privérekening van belanghebbende ontvangen omzet. Ook volgt uit het verslag dat de adviseur de aangiften pas indiende nadat belanghebbende deze had geaccordeerd.\n\n4.8.. De inspecteur heeft van zijn bevindingen op 14 juni 2022 een controlerapport opgemaakt. Vanwege een omissie heeft hij het rapport op 17 augustus 2022 gecorrigeerd. Het gecorrigeerde controlerapport vermeldt onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\n2.3.2. Aansluiting financiële administratie en aangiften omzetbelasting\n\n2016. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 2.606\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 2.606\n\nVoorbelasting volgens administratie € 247\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 1.209\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 1\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2016 € 962\n\n2017. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 811\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 432\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 2\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2017 € 379\n\nVoorbelasting volgens administratie € 392\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 5.686\n\nHet verschil wordt deels verklaard, door het niet boeken van de voorbelasting ad € 5.250, die betrekking heeft op de Audi A5. Achteraf is deze auto ook als privévermogen geëtiketteerd.\n\nCorrectie omzetbelasting 3\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2017 € 44\n\nDe teruggaaf ad € 5.250 heeft de heer [belanghebbende] niet bereikt, wegens de opheffing van de, bij de Belastingdienst, bekende bankrekening. Het bedrag is gestorneerd en vastgehouden door de Belastingdienst. Omdat dit bedrag ten onrechte is geclaimd, hebben wij ter zake een naheffingsaanslag opgelegd zonder belastingrente en boete. De aanslag met [aanslagnummer] is gedagtekend 26 maart 2022.\n\nCorrectie omzetbelasting 4\n\nMinder voorbelasting 2017 € 5.250\n\n2018. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 0\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 0\n\nVoorbelasting volgens administratie € 4.339\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 4.339\n\nWegens het niet reageren op verzonden vragenbrieven van 24 april 2018 en 22 mei 2018 is de in aftrek gebrachte voorbelasting op € 0 gezet. Ook deze voorbelasting heeft betrekking op de Audi A5.\n\n2019. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 1.909\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 1.909\n\nVoorbelasting volgens administratie € 52\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 1.624\n\nDe verschillen zijn niet verklaard door de adviseur.\n\nCorrectie omzetbelasting 5\n\nMinder voorbelasting 2019 € 1.572\n\n2020. \n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens administratie € 1.788\n\nVerschuldigde omzetbelasting volgens aangiften € 2.018\n\nDe adviseur geeft als verklaring, dat de administratie nog niet af is.\n\nCorrectie omzetbelasting 6\n\nMinder verschuldigde omzetbelasting 2020 € 230\n\nVoorbelasting volgens administratie € 181\n\nIn aftrek gebrachte voorbelasting € 13.707\n\nDe adviseur geeft als verklaring, dat de administratie nog niet af is. De betreffende suppletieaangifte en bezwaarschrift zijn na het inleidend gesprek ingetrokken.\n\nCorrectie omzetbelasting 7\n\nMinder voorbelasting omzetbelasting 2020 € 13.526\n\n(…)\n\n2020\n\n2019\n\n2018\n\n2017\n\n2016\n\nAangegeven omzet = contante ontvangsten\n\n€ 9.091\n\n€ 3.863\n\n€ 12.411\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 1]\n\n€ 15.006\n\n€ 3.182\n\n€ 1.068\n\n€ 5.930\n\n€ 14.463\n\nnetto\n\ncontante stortingen op [rekeningnummer 1]\n\n€ 11.818\n\n€ 16.570\n\n€ 7.442\n\n€ 24.558\n\n€ 2.066\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 2]\n\n€ 5.082\n\n€ 2.296\n\nnetto\n\ncontante stortingen op [rekeningnummer 2]\n\n€ 620\n\n€ 1.033\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 3]\n\n€ 5.536\n\nnetto\n\noverboekingen op [rekeningnummer 4]\n\n€ 72.525\n\nnetto\n\nGecorrigeerde omzet exclusief omzetbelasting\n\n€ 99.349\n\n€ 28.843\n\n€ 8.510\n\n€ 40.053\n\n€ 32.269\n\nAangegeven omzet voor de inkomstenbelasting\n\n€ 9.091\n\n€ -\n\n€ 3.863\n\n€ 6.768\n\nwinstcorrectie\n\n€ 19.752\n\n€ 8.510\n\n€ 36.190\n\n€ 25.501\n\n(…)Winstcorrectie 1\n\nMeer winst 2016 € 25.501\n\nMeer winst 2017 € 36.190\n\nMeer winst 2018 € 8.510\n\nMeer winst 2019 € 19.752\n\n(…)\n\n5 Omzetbelasting\n\n(…)\n\n5.2.2 Verzwegen omzet\n\nRijschool (2016\u002F2020)\n\nNiet de gehele omzet is aangegeven. Naast de geboekte contante ontvangsten, is in de jaren 2016 tot en met 2020 sprake van rijles gerelateerde overboekingen, onverklaarde contante stortingen en overgeboekte Tikkies (2020) op meerdere bankrekeningen.\n\n(…)\n\nDaarnaast zijn er nog contante stortingen voor een totaalbedrag van 11.818 (netto).\n\nDit leidt tot meer verschuldigde omzetbelasting ad € 5.018 ((15.006 – 2930 + 11.818)*21%).\n\nCorrectie omzetbelasting 8\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2016 € 5.355\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2017 € 7.600\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2018 € 1.787\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2019 € 4.148\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2020 € 5.018\n\nZonnepanelen (2020)\n\nOp 29 juni 2020 heeft de heer [belanghebbende] € 87.755 inclusief omzetbelasting (€ 15.230) gefactureerd aan [bedrijf 2] in [plaats 2] met [factuurnummer] . Het betrof de levering van 274 zonnepanelen en toebehoren. Het gefactureerde bedrag wordt op 8 juli 2020 per bank ( [rekeningnummer 4] ) ontvangen. Deze omzet was ten tijde van het onderzoek nog niet aangegeven. In het inleidend gesprek heeft de heer [belanghebbende] aangegeven de heer [naam 3] in kennis gesteld te hebben van deze factuur in januari 2021. De heer [naam 3] geeft desgevraagd aan pas in maart 2021 kennis genomen te hebben van de factuur. Dat is het moment dat de Belastingdienst vragen stelde over de aangiften omzetbelasting van het tweede en derde kwartaal 2020.\n\nCorrectie omzetbelasting 7\n\nMeer verschuldigde omzetbelasting 2020 € 15.230\n\n(…)\"\n\nGeschil\n\n5. In geschil is of de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht contante stortingen, ontvangen “tikkies” en diverse overboekingen op de privérekeningen van belanghebbende heeft aangemerkt als omzet. Vervolgens is in geschil of de opgelegde boetes passend en geboden zijn.Motivering\n\nVooraf\n\n6. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2018 nietontvankelijk verklaard en behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. Uit de stukken blijkt dat het bezwaar te laat is ingediend. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de temrijnoverschrijding verschoonbaar is. Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vat het beroep in de zaak met nummer 23\u002F4085 daarom op als gericht tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Daar moet eerst bezwaar tegen worden gemaakt. Omdat ter zitting is gebleken dat partijen de zaak inhoudelijk wilden behandelen is de rechtbank ervanuit gegaan dat dat partijen er mee hebben ingestemd de bezwaarfase over te slaan (prorogatie).\n\nZijn de aanslagen terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?\n\nBewijslastverdeling\n\n7. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft ingediend. Belanghebbende heeft rijles-gerelateerde omzet die werd ontvangen op zijn zakelijke en privérekening niet aangegeven. Het betreft zowel contante stortingen als bankoverschrijvingen en ontvangen tikkies, aldus de inspecteur.\n\n7.1.. Belanghebbende betwist dat de contante stortingen en ontvangen tikkies omzet zijn. Hij heeft in 2012 een bedrag van € 38.000 van zijn bankrekening contant opgenomen en dat gedurende de jaren teruggestort op zijn bankrekening. Daarnaast heeft hij terugbetalingen op de door hem verstrekte lening contant ontvangen en gestort op zijn bankrekening. Ten slotte zien een aantal tikkies op privétransacties, aldus belanghebbende.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft gegeven. Op grond van artikel 25, lid 3, AWR is verzwaring van de bewijslast dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Deze toets moet voor ieder heffingstijdvak afzonderlijk worden aangelegd. Daarbij geldt dat het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder tijdvak afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk moet zijn en dat belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn geweest.\n\n7.1.. Voor de aanslagen over de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 acht de rechtbank de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Uit de door de inspecteur overgelegde overzichten van door belanghebbende ontvangen bedragen leidt de rechtbank af dat omzet niet is aangegeven.\n\n7.2.. Voor het jaar 2016 heeft belanghebbende ten minste € 19.000 aan betalingen ontvangen waarbij hetzij door de betaler is vermeld dat die betaling betrekking heeft op rijles of rijexamens, hetzij de betaling is gedaan door iemand die bij een eerdere betaling heeft vermeld dat die betaling betrekking had op rijles of rijexamens. Voor 2017 gaat het om ten minste € 14.000. Voor 2019 om ten minste € 10.000. Dat blijkt uit het controlerapport en de juistheid daarvan wordt ondersteund door de stukken die de inspecteur heeft overgelegd. Voor het jaar 2020 gaat het volgens het controlerapport om ruim € 15.000 rijlesgerelateerde omzet. De inspecteur heeft daarvan weliswaar geen overzichten overgelegd maar de rechtbank heeft – mede gezien de juistheid van de bevindingen van eerdere jaren - geen reden om aan de juistheid van dat bedrag te twijfelen. Al deze ontvangsten heeft belanghebbende niet aangegeven en de rechtbank acht aannemelijk dat daardoor aanmerkelijk te weinig IB\u002FPVV, Zvw en OB is geheven en dat dat verschil zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende dat bewust zo heeft gedaan. Belanghebbende had een autorijschool en moet hebben beseft dat hij de inkomsten daaruit moest opgeven voor zowel de IB\u002FPVV, Zvw als de OB en dat hij dat ook moest doen in de jaren dat hij daarnaast in dienstbetrekking werkte. Hij heeft bovendien – naar de rechtbank aannemelijk acht, bewust – de gegevens van de bankrekeningen waarop deze betalingen binnenkwamen niet aan zijn accountant laten zien. Voor de OB voor het tijdvak 2019\u002F2020 komt daar nog bij de correctie wegens levering zonnepanelen van € 15.230. Gezien de hoogte van de correcties wegens rijlesgerelateerde ontvangen bedragen en de zonnepanelen ten opzichte van de hoogte van de op aangiften voldane OB kan de rechtbank niet anders concluderen dat ook voor de OB niet de vereiste aangiften zijn gedaan. Dit alles leidt tot de conclusie dat de bewijslast over de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 moet worden omgekeerd en verzwaard, zowel voor de IB\u002FPVV en Zvw als voor de OB.\n\n7.3.. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Het verschil tussen de eerste aangifte IB\u002FPVV over 2018 en de tweede aangifte IB\u002FPVV over 2018 leidt niet tot een zodanig verschil dat gezegd kan worden dat absoluut bezien een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven. Uit de omschrijving van de bankoverschrijvingen en tikkies is niet af te leiden dat het gaat om zakelijke betalingen. Het kan net zo goed om privébetalingen gaan, zoals belanghebbende heeft betoogd. Daarom is voor de IB\u002FPVV, Zvw en voor de OB niet aannemelijk geworden dat onjuiste aangiften zijn gedaan. Het voorgaande betekent dat de bewijslast voor de aanslagen over het jaar 2018 niet wordt omgekeerd en verzwaard.\n\nRedelijke schatting (2016, 2017, 2019 en 2020)\n\n7.4.. Hetgeen in 7.2 is overwogen laat onverlet dat de navorderings- en naheffingsaanslagen niet naar willekeur vastgesteld mogen worden, maar moeten berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover hij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n7.5.. De inspecteur heeft zijn schatting gebaseerd op rijlesgerelateerde bijschrijvingen op de bankrekeningen van belanghebbende en op gestorte contanten en tikkies op de bankrekeningen van belanghebbende. De rechtbank acht het niet onredelijk dat de inspecteur ervanuit gaat dat zowel de betalingen waarin uitdrukkelijk is verwezen naar rijlessen of examens maar ook de contante stortingen en tikkies betalingen zijn voor rijlessen. Zij is daarom van oordeel dat de inspecteur is uitgegaan van een redelijke schatting.\n\n7.6.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV, ZVW en OB voor de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 onjuist zijn.\n\nVermindering naheffingsaanslag OB over het jaar 2017\n\n7.7.. De inspecteur heeft gesteld dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 door een overnamefout te hoog is vastgesteld. Het belastingbedrag had € 8.023 moeten zijn, zodat de naheffingsaanslag met € 493 verminderd dient te worden. De opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente moeten overeenkomstig worden verminderd, aldus de inspecteur. De rechtbank zal de inspecteur in zijn standpunt volgen en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2017 dienovereenkomstig verminderen.\n\nDe aanslagen IB\u002FPVV, Zvw en de naheffingsaanslag OB over het jaar 2018\n\n7.8.. De rechtbank heeft hiervoor in 7.3. geoordeeld dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan en dat daarom de bewijslast niet wordt omgekeerd en verzwaard.\n\n7.9.. Omdat belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw over het jaar 2018 rust op hem de last om aannemelijk te maken dat die aanslagen te hoog zijn.\n\n7.10.. Belanghebbende heeft gesteld dat de contante stortingen op rekening .956 van € 9.005 afkomstig zijn uit terugbetalingen op een door belanghebbende verstrekte lening en hij heeft een kopie van de leningovereenkomst overgelegd. De rechtbank heeft geen reden aan het bestaan van die lening te twijfelen. De rechtbank acht mede van belang dat belanghebbende geheel 2018 voltijd in loondienst werkzaam was, zodat er voor hem niet veel tijd overbleef voor het geven van rijlessen. Ter zitting is bovendien komen vaststaan dat de in 2018 op rekening .956 ontvangen “tikkies” en overschrijvingen van in totaal € 1.292 afkomstig zijn van een vriend van belanghebbende en dus geen rijlesgerelateerde omzet zijn. Omdat er ook verder geen duidelijke rijlesgerelateerde omzet is, leidt dit een en ander, in onderling verband bezien, ertoe dat de rechtbank aannemelijk acht dat bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw over het jaar 2018 ten onrechte een bedrag € 7.318als winst uit onderneming in het inkomen uit werk en woning respectievelijk het bijdrage-inkomen is betrokken. Omdat dat de enige correctie was, moeten de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor 2018 worden verminderd tot nihil.\n\n7.11.. Gelet op hier hiervoor overwogene (zie 7.3) heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende over de tijdvakken tussen 1 januari 2018 en 31 december 2018 te weinig OB op aangifte heeft voldaan. Dat betekent dat de naheffingsaanslag over het jaar 2018 moet worden vernietigd. Dat belanghebbende in de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2018 voorbelasting heeft teruggevraagd in verband met de aankoop van een auto maakt dat niet anders, nu het teruggaafverzoek niet heeft geleid tot een (onterechte) teruggaaf en daarvoor geen bedrag in de naheffingsaanslag is begrepen.\n\nDe boetes\n\n8. Omdat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, Zvw en de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2018 worden verminderd tot nihil, moeten de daarbij opgelegde boetes vervallen.\n\n8.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd omdat het volgens de inspecteur aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet is betaald (OB) en dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslagen IB\u002FPVV tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft erkend dat hij slordig en onzorgvuldig heeft gehandeld door geen rekeningafschriften van zijn privérekeningen aan zijn adviseur ter beschikking te stellen.\n\n8.2.. De inspecteur kan een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen ten onrechte niet, gedeeltelijk niet, of te laat is betaald.Ook kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige is te wijten dat aangifte voor de belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven onjuist of onvolledig is gedaan.\n\n8.3.. Grove schuld doet zich voor als aan belastingplichtige een laakbare slordigheid dan wel aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. De inspecteur moet dit doen blijken.\n\n2016, 2017, 2019 en 2020\n\n8.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten aanzien van de jaren 2016, 2017, 2019 en 2020 doen blijken dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting op aangifte is voldaan (OB) en dat aanslagen naar een te laag bedrag zijn vastgesteld (IB\u002FPVV). De rechtbank is er van overtuigd dat belanghebbende heeft beseft dat de adviseur geen juiste aangiften kon doen als belanghebbende hem niet alle stukken verschafte, en dat hij ook wist dat hij inkomsten uit rijlessen moest aangeven. Hij heeft naar de rechtbank bewezen acht bewust de door de adviseur opgestelde aangiften geaccordeerd en laten indienen terwijl hij moet hebben beseft dat ze onvolledig waren. Dat is ten minste aan opzet grenzende onachtzaamheid.\n\n8.5.. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de boetes te matigen omdat deze zijn vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, en voor 2017 tevens omdat de naheffingsaanslag door een rekenfout te hoog is (zie 7.4). De rechtbank acht boetes van € 1.000 (IB\u002FPVV 2016), € 800 (IB\u002FPVV 2017), € 700 (OB 2017) en € 3.600 (OB 2019-2020) passend en geboden.\n\nUndue delay\n\n8.6.. Ambtshalve ziet de rechtbank in de duur van de procedure aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank stelt vast dat 14 juni 2022 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat in het controlerapport op dat moment de boetes zijn aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 16 oktober 2024. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan ruim 29 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar daarmee is overschreden met 5 maanden. De rechtbank ziet aanleiding om de boetes bij de naheffingsaanslag omzetbelasting 2019-2020 verder te matigen met 5% tot € 3.420.Ten aanzien van de overige boetes volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden omdat de boetes – na matiging – niet meer bedragen dan € 1.000.\n\nBelastingrente\n\n9. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 wordt verminderd, zal de rechtbank de daarmee samenhangende belastingrentebeschikking overeenkomstig verminderen.\n\n9.1.. Nu de met de belastingrentebeschikkingen over het jaar 2018 samenhangende aanslagen worden vernietigd, zal de rechtbank de belastingrentebeschikkingen over het jaar 2018 ook vernietigen.\n\n9.2.. Voor het overige blijven de belastingrentebeschikkingen in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De beroepen in de zaken met nummers 23\u002F4080, 23\u002F4082, 23\u002F4084, 23\u002F4085, 23\u002F4088 en 23\u002F4089 en 23\u002F4090 zijn gegrond. De overige beroepen zijn ongegrond.\n\n10.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n Van belanghebbende is in de zaak met nummer 23\u002F4080 € 50 griffierecht geheven en in de zaak met nummer 23\u002F4088 € 184, zodat het totaal te vergoeden griffierecht € 234 bedraagt.\n\n De proceskostenvergoeding bedraagt € 32,98 aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting. Dit is het berekende bedrag aan kosten voor een retourreis met het openbaar vervoer (tweede klasse) van het woonadres van belanghebbende met het openbaar vervoer naar de rechtbank. De rechtbank zal de vergoeding toekennen in de zaak met nummer 23\u002F4080.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4080\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de boete naar € 1.000;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\nveroordeelt de inspecteur tot betaling van € 32,98 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4081\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4082\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de vergrijpboete naar € 800;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\nIn de zaken met nummers 23\u002F4083 en 23\u002F4084\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4085\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering;\n\nvermindert de navorderingsaanslag tot nihil;\n\nvernietigt de belastingrentebeschikking;\n\nvernietigt de vergrijpboete;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4086\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag tot nihil;\n\nvernietigt de belastingrentebeschikking;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4087\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4088\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvermindert de naheffingsaanslag naar € 8.023;\n\nvermindert de belastingrentebeschikking overeenkomstig;\n\nvermindert de boete naar € 800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4089\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nvernietigt de naheffingsaanslag;\n\nvernietigt de boete;\n\nvernietigt belastingrentebeschikking;\n\nIn de zaak met nummer 23\u002F4090\n\nverklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boete;\n\nvermindert de vergrijpboete naar € 3.420;\n\nverklaart het beroep voor het overige ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.J.M. Wouters, griffier, op 16 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.\n\n € 9.005 + € 1.292 -\u002F- € 1.787 omzetbelasting -\u002F- € 1.192 MKB-winstvrijstelling.\n\n Artikel 67f van de AWR.\n\n Artikel 67d van de AWR.\n\n Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97, r.o. 4.2.1.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713.\n\n Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:7023","2024-10-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.109Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1112","ECLI:NL:RBZWB:2024:5981","ecli-nl-rbzwb-2024-5981","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 19\u002F4718\n uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. A.H.G.M. Blomen),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 augustus 2019.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 (2012 tot en met 2015) van € 57.116. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht van € 6.207 (de belastingrentebeschikking).\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2024, samen met de zaken van [naam 1] (zaaknummer 19\u002F4939) en [naam 2] (zaaknummer 19\u002F4930), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] , de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] , vergezeld van mr. [naam 3] en [naam 4] . Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. [naam 1] en [naam 2] , voormalig echtgenoten, exploiteren sinds 16 juni 2003 een restaurant in de vorm van een vennootschap onder firma onder de handelsnaam [VOF] .\n\n3.1.. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) heeft, onder leiding van het Openbaar Ministerie, een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘ [naam onderzoek] ’ ingesteld naar [naam 1] . Het onderzoek richt zich op uitkeringsfraude en valsheid in geschrifte. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ zijn (onder meer) verschillende (vermoedelijke) werknemers van de vof gehoord. Daarnaast is er op 9 juli 2015 een doorzoeking gedaan in het restaurant, in de woning boven het restaurant en in de woning van [naam 1] en [naam 2] . Ook heeft de ISZW door middel van een cameraobservatie in de periode 11 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 een overzicht gemaakt van de aan- en afwezigheid van werkzame personen in het restaurant. Van het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ is een analyserapportage opgesteld met dagtekening 5 augustus 2015.\n\n3.2.. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft [naam 1] bij arrest van 30 januari 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren voor het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het arrest is inmiddels onherroepelijk geworden. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft [belanghebbende] bij arrest van 30 januari 2024 veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 25.000 wegens het meermalen plegen van valsheid in geschrift. In beide gevallen is bewezenverklaard dat in de periode 1 januari 2013 tot en met 9 juli 2015 aangiften loonbelasting, bijbehorende e-mails aan het administratiekantoor en loonstroken in de bedrijfsadministratie van de vof waren opgenomen met het oogmerk om die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken, terwijl die stukken niet in overeenstemming zijn met de in werkelijkheid door de werknemers gewerkte uren.\n\nIn het arrest ten aanzien van belanghebbende heeft het Gerechtshof – voor zover hier van belang – verder het volgende overwogen:\n\n“Het hof zal de [belanghebbende] voorts vrijspreken van het valselijk doen opmaken van de\n\njaarstukken over 2012 en 2013. Voor het hof is op basis van de stukken in het dossier\n\nonvoldoende komen vast te staan dat de omzet van [belanghebbende] van een tweede kassa\n\nbewust buiten de boeken is gehouden.”\n\n3.3.. Naar aanleiding van een signaal van de ISZW heeft de inspecteur bij de vof een onderzoek gedaan naar (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2015. De inspecteur is via een verzoek op basis van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het bezit gekomen van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’. De inspecteur heeft deze gegevens gebruikt bij zijn onderzoek. Van het fiscale onderzoek is een controlerapport opgemaakt. Het controlerapport is op 1 november 2016 aan belanghebbende toegezonden.\n\n3.4.. \n\nIn het controlerapport is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:\n\n“3.1.1. Kassa’s\u002FZ-afslagen\n\nIn de onderneming zijn twee kassa's in gebruik. Ten tijde van de doorzoeking door de inspectie SZW betroffen dit een Eijsink Vectron POS Color Touch en een Sharp XE-A213. De kassa Eijsink Vectron POS Color Touch wordt aangemerkt als kassa 1, de kassa Sharp XE-A213 wordt aangemerkt als kassa 2. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de kassa van Eijsink op 11 juni 2013 nieuw in gebruik is genomen. Deze kassa heeft een oude kassa, mogelijk ook een Sharp, vervangen. Deze voorganger van de kassa van Eijsink werd voorheen aangemerkt als kassa 1. In de door de inspectie SZW in beslag genomen administratie zijn diverse hoeveelheden Z-afslagen aangetroffen. De meeste aangetroffen Z-afslagen zijn afkomstig van kassa 1. Een klein deel is afkomstig van kassa 2. Van beide kassa's zijn Z1 en Z2 afslagen aangetroffen. De Z1 afslagen zijn dag afslagen, de Z2 afslagen zijn weekafslagen.\n\n3. 1.1.1 Bevindingen Z-afslagenBij de beoordeling van bovengenoemde Z-afslagen is het volgende gebleken:\n\n- Er is geen Grand Total op de Z-afslagen afgedrukt.\n\n- Meestal zijn er twee Z-afslagen per dag gemaakt. Eén Z-afslag in de loop van de dag en één Z-afslag aan het einde van de dag.\n\n- Van Z-afslagen over aaneengesloten perioden ontbreken regelmatig Z-afslagen.\n\n- Het laatste nummer van de Z1 of Z2 afslag van een aaneengesloten periode sluit niet aan op een afslag van een latere datum. Dit betekent dat in die tussenliggende periode ook afslagen zijn gemaakt.\n\n- Regelmatig is het totaalbedrag van de Z-afslag met pen gecorrigeerd. In sommige van deze gevallen sluit het gecorrigeerde bedrag aan bij de bijgevoegde foutbon. In die gevallen is er dan vanuit gegaan dat de correctie juist is. In andere gevallen is er geen foutbon aanwezig. In die gevallen is gekeken naar de gemiddelde besteding per klant. Als de gemiddelde besteding per klant als gevolg van de correctie aanmerkelijk lager is dan gebruikelijk, zijn we er van uit gegaan dat de correctie niet juist kan zijn.\n\n- De omzet is op de Z-afslag uitgesplitst over het algemene en het verlaagde tarief voor de omzetbelasting.\n\n- Dat zowel de contante betalingen als de pinbetalingen worden op de kassa's aangeslagen als contante betalingen.\n\n3. 1.1.2 Kassa 1Van kassa 1 zijn over de jaren 2012 tot en met 2015 de volgende Z-afslagen aangetroffen.\n\n2012\n\nZ1 afslagen over het tijdvak januari tot en met september 2012 nummers 999 t\u002Fm 1.459.\n\nZ2 afslagen over het tijdvak januari tot en met oktober 2012 nummers 379 t\u002Fm 421\n\n2013.\n\nZ1 afslagen over het tijdvak januari tot en met maart 2013 nummers 1.556 t\u002Fm 1.697.\n\n2014\n\nZ1 en Z2 afslag van 21 juli 2014 Z1 nummers 665 + 666 en Z2 nummer 55\n\n2015.\n\nZ1 en Z2 afslagen over 26 januari t\u002Fm 9 juli Z1 986 t\u002Fm 1.268) (Z2 80 t\u002Fm 105).\n\nDe omzet van de Z1-afslagen is in het kasboek geboekt. Uit de nummering van de afslagen kan worden geconcludeerd, dan wel is het zeer aannemelijk, dat kassa 1 gedurende het gehele controletijdvak in gebruik is geweest.\n\n3. 1.1.3 Kassa 2\n\nVan kassa 2 zijn over de jaren 2012 tot en met 2015 de volgende Z-afslagen aangetroffen.\n\n2012\n\nZ2 afslagen over het tijdvak januari tot en met oktober 2012 nummers 400 t\u002Fm 442.\n\n2014\n\nZ1 en Z2 afslag van 21 juli 2014 (nummer Z1 2.508, nummer Z2 525)\n\n2015\n\nZ1 en Z2 afslagen over de periode 15 juni t\u002Fm 9 juli (nummer Z1 556 t\u002Fm 600, Z2 51 t\u002Fm 54)”\n\nEn:\n\n“3.1.2 KasboekDoor de inspectie SZW is een verklaring afgenomen van de adviseur. Volgens deze verklaring wordt het papieren kasboek ingevuld door mevrouw [naam 2] . De gegevens uit dit papieren kasboek worden door de adviseur in de financiële administratie geboekt.\n\nBij de beoordeling van het kasboek is het volgende gebleken:\n\nDe geboekte ontvangsten betreffen kasontvangsten inclusief pinbetalingen.\n\nDe geboekte ontvangsten betreffen uitsluitend de ontvangsten van kassa 1. De ontvangsten van kassa 2 worden dus niet in het kasboek geboekt.\n\nEr wordt geen kassaldo genoteerd.\n\nDe bedragen in het kasboek worden niet altijd chronologisch geboekt.\n\nIncidenteel wordt de omzet van twee dagen als één bedrag geboekt.\n\nIncidenteel staat er wel een omschrijving vermeld, maar wordt er geen bedrag vermeld.\n\nDe loonbetalingen, welke in de loop van de maand plaatsvinden, worden soms op de laatste dag van de maand geboekt, of ze worden soms helemaal niet geboekt.Tijdens het onderzoek zijn er verschillen aangetroffen tussen de bedragen volgens de Z-afslagen en de geboekte bedragen in het kasboek. Het is niet volledig duidelijk waardoor deze verschillen ontstaan, maar grotendeels kunnen ze verklaard worden doordat:\n\n- er altijd op hele euro's naar beneden wordt afgerond.\n\n- de totaalbedragen van de Z-afslagen met pen met bedragen worden gecorrigeerd die niet juist kunnen zijn (zie punt 3.1.1.3).\n\nEr wordt door de ondernemer in het kasboek geen kassaldo genoteerd. We hebben\n\nde kassaldi als volgt berekend:\n\n De ontvangsten welke via pinbetaling zijn ontvangen hebben wij uit het bankboek geëxporteerd en als uitgaven ingevoegd in het kasboek. Vervolgens hebben wij saldi toegevoegd.Bij de beoordeling van de saldi is gebleken dat er regelmatig negatieve kassaldo voorkomen. De hoogste, laagste en gemiddelde kassaldi bedragen:\n\nJaar\n\nHoogste\n\nLaagste\n\nGemiddelde\n\n2012\n\n9.555,51\n\n-\u002F- 21.280,22\n\n-\u002F- 7.404,97\n\n2013\n\n4.235,47\n\n-\u002F- 38.160,27\n\n-\u002F- 19.897,72\n\n2014\n\n54.817,79\n\n1.822,11\n\n27.570,18\n\n2015\n\n21.817,38\n\n-\u002F- 15.778,54\n\n138,87\n\nOp grond van bovenstaande bevindingen hebben wij geconcludeerd dat het kasboek niet overeenstemt met de werkelijkheid. Met name de ontvangsten van kassa 2 zijn niet geboekt.\n\n3.2. \n\nPrivé vermogensvergelijking\n\nTijdens de voorbereiding van het onderzoek door de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vastgesteld dat er regelmatig geld werd gestort en overgemaakt naar een bankrekening van een mevrouw [naam 5] . Deze mevrouw [naam 5] woont in Marokko. Zij is in 2011 geëmigreerd uit Nederland.\n\nDoor de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn de bankgegevens van de betreffende bankrekening opgevraagd.\n\nUit deze gegevens is het volgende gebleken:\n\nEr wordt regelmatig contant geld gestort op de rekening van mevrouw [naam 5] . Vanaf 2012 tot heden was dit in totaal € 108.600.\n\nEr wordt regelmatig geld overgemaakt van de bankrekening van mevrouw [naam 2] naar de rekening van mevrouw [naam 5] . Vanaf 2012 tot heden was dit in totaal € 101.000.\n\nEr wordt regelmatig geld overgemaakt van de bankrekening van mevrouw [naam 5] naar een rekening van mevrouw [naam 2] in Marokko. Vanaf 2012 tot heden was dit in totaal € 199.200.\n\nEr is dus via meerdere wegen geld overgemaakt naar een buitenlandse bankrekening van mevrouw [naam 2] . Het overgemaakte bedrag is groter dan de totale winst over de betreffende periode.”\n\nEn:\n\n“3.3.1 2012\n\nKassa 1\n\nTijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012.\n\nOver dit tijdvak zijn de Z1 afslagen (dag afslagen) vergeleken met de Z2 afslagen (weekafslagen). De Z1 afslagen over dit tijdvak zijn niet volledig aanwezig. Het totaalbedrag van de Z1 afslagen is dus onvolledig. Het totaalbedrag van de aangetroffen Z1 afslagen bedraagt: € 294.669. Van de Z2 afslagen ontbreekt over dit tijdvak één Z-afslag (Nr 404, 17 juni 2012). Deze ontbrekende Z2 afslag kan met behulp van de aanwezige Z1 afslagen worden gereconstrueerd.\n\nHet totaalbedrag van deze Z2 afslagen bedraagt: € 359.862. Op een aantal van de Z1 afslagen is met pen het totaalbedrag gecorrigeerd. Wij hebben vastgesteld dat deze correcties niet in alle gevallen juist kunnen zijn (zie punt 3.1.1.3). De overige gevallen hebben wij voor juist aangenomen. De correcties welke voor juist zijn aangenomen hebben wij verwerkt in de Z2 afslagen. Door bovenstaande handelingen hebben wij aan de hand van de Z2 afslagen de vermoedelijke omzet over bovengenoemd tijdvak kunnen vaststellen. Het totaalbedrag van de gecorrigeerde Z2 afslagen bedraagt: € 318.744.\n\nDe omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012 wordt dus vastgesteld op € 318.744.\n\nOmdat het niet zeker is dat de omzet gelijk over de maanden van het jaar zijn verdeeld hebben wij gekeken hoe de verdeling van de omzet over de maanden is volgens het kasboek.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het hele jaar 2012 bedraagt € 367.236.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 bedraagt € 277.940.\n\nDe geboekte omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012 is dus 76% van de volledige geboekte omzet over 2012.\n\nDe door ons vastgestelde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012 bedraagt € 318.744. Dit bedrag is dus 76% van de volledige omzet. De omzet over het gehele kalenderjaar bedraagt dan: 100\u002F76 * € 318.744 = € 419.400. De omzet over het gehele jaar 2012 van kassa 1 wordt daarom door ons vastgesteld op € 419.400.\n\nKassa 2\n\nVan deze kassa zijn de Z2 afslagen aanwezig van het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012. Het totaalbedrag van deze Z-afslagen bedraagt € 239.057. Omdat de Z2 afslagen van kassa 1 moesten worden gecorrigeerd vanwege handmatige correcties in de Z1 afslagen hebben wij een gelijk percentage gecorrigeerd voor de Z2 afslagen van kassa 2.\n\nOorspronkelijke Z2 afslagen van kassa 1 € 359.862 100%\n\nGecorrigeerde Z2 afslagen van kassa 1 € 318.744 89%\n\nDe omzet van kassa 2 over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012 wordt vastgesteld op: € 239.057 * 89% = € 212.761\n\nOmdat het niet zeker is dat de omzet gelijk over de maanden van het jaar zijn verdeeld hebben wij gekeken hoe de verdeling van de omzet over de maanden is volgens het kasboek.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het hele jaar 2012 bedraagt € 367.236.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2012 bedraagt € 305.322\n\nDe omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012 is dus 83% van de volledige omzet over 2012.\n\nDe vastgestelde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012 bedraagt € 212.761. Dit bedrag is dus 83% van de volledige omzet. De omzet over het gehele kalenderjaar bedraagt dan: 100\u002F83 * € 212.761= € 256.338. De omzet over het gehele jaar 2012 van kassa 2 wordt door ons vastgesteld op € 256.338.\n\nKassa 1 + kassa 2\n\nDe totale omzet over 2012 wordt door ons als volgt vastgesteld:\n\nOmzet kassa 1 € 419.400\n\nOmzet kassa 2€ 256.338\n\nTotale omzet 2012 € 675.738\n\n100%\n\nOmzet volgens de administratie € 367.236 54%\n\nDe omzetcorrectie bedraagt € 315.269 46%\n\n3.3.2 2013 t\u002Fm 2015 (januari tot en met mei)\n\nOmdat er over de jaren 2013, 2014 en de eerste vijf maanden van 2015 veel minder Z-afslagen aanwezig zijn kan de omzet niet worden berekend zoals dat over het jaar 2012 is gedaan. Wij hebben daarom de resultaten geëxtrapoleerd naar de jaren 2013 t\u002Fm 2015. Wij gaan hierbij uit van de verhouding totale omzet ten opzichte van aangegeven omzet zoals die in 2012 is vastgesteld. Vastgesteld is dat 54% van de totale omzet is aangegeven en 46% niet was aangegeven.\n\n2013\n\n2014\n\n2015 (jan t\u002Fm mei)\n\nAangegeven omzet\n\n351.325\n\n54%\n\n369.125\n\n54%\n\n143.980\n\n54%\n\nOmzetcorrectie\n\n299.277\n\n46%\n\n314.440\n\n46%\n\n122.650\n\n46%\n\nVastgestelde omzet\n\n650.602\n\n100%\n\n683.565\n\n100%\n\n266.630\n\n100%\n\n3.3.3 Omzet exclusief omzetbelasting\n\nDe bovengenoemde omzetbedragen zijn bedragen inclusief omzetbelasting. De adviseur heeft de omzet met behulp van de forfaitaire berekeningsmethode uitgesplitst over het algemene en het verlaagde tarief (zie punt 6.1 en punt 6.2 van dit rapport). Voor de verdeling van de omzet over het algemene tarief en het verlaagde tarief wordt uitgegaan van de verhouding zoals die in de aangiften omzetbelasting is toegepast. De omzet waarover het algemene tarief is verschuldigd, is over de jaren 2012 tot en met 2015 respectievelijk 1,19%, 1,44%, 1,54% en 1,31% van de volledige omzet van de verkopen. De omzetten exclusief omzetbelasting worden als volgt vastgesteld.”\n\nEn:\n\n“3.3.4 TotaalDe totale omzetcorrectie over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2015 bedraagt dan:\n\nJaar\n\nOmzet volgens administratie\n\nVastgestelde omzet\n\nOmzetcorrectie\n\n2012\n\n€ 360.469\n\n€ 636.633\n\n€ 276.164\n\n2013\n\n€ 350.144\n\n€ 612.680\n\n€ 262.536\n\n2014\n\n€ 349.538\n\n€ 643.642\n\n€ 294.104\n\n2015(jan t\u002Fm mei)\n\n€ 136.020\n\n€ 251.129\n\n€ 115.109\n\nTotaal\n\n€ 947.913”\n\nEn:\n\n“6.3 Te vorderen omzetbelasting\n\nDe verrekende voorbelasting volgens de aangiften omzetbelasting is steekproefsgewijs gecontroleerd. Hierbij zijn geen onjuistheden aangetroffen. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verrekende voorbelasting volgens de aangiften omzetbelasting.\n\nEr is geconcludeerd dat er over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2015 ongeveer € 290.000 meer inkopen moeten zijn geweest (zie punt 3.3.5 van dit rapport). Omdat ervan deze inkopen geen facturen in de administratie aanwezig zijn mag de voorbelasting over deze inkopen niet worden verrekend. De te vorderen omzetbelasting wordt conform de ingediende aangiften\n\nomzetbelasting vastgesteld (…)”\n\nEn:\n\n“6.4 Af te dragen omzetbelasting\n\nOp basis van de hiervoor vermelde berekeningen komen wij tot de volgende nog af\n\nte dragen bedragen:\n\nJaar\n\nVerschuldigd\n\nVoorbelasting\n\nAf te dragen\n\nReeds afgedragen\n\nNog af te dragen\n\n2012\n\n€ 41.322\n\n€ 31.827\n\n€ 9.495\n\n€ - 8.360\n\n€ 17.855\n\n2013\n\n€ 38.887\n\n€ 35.330\n\n€ 3.557\n\n€ - 12.251\n\n€ 15.808\n\n2014\n\n€ 40.888\n\n€ 35.269\n\n€ 5.619\n\n€ - 12.770\n\n€ 18.389\n\n2015\n\n€ 16.008\n\n€ 21.537\n\n€ - 5.529\n\n€ - 10.593\n\n€ 5.064”\n\n3.5.. Belanghebbende is in juli 2013 overgegaan van kwartaalaangiften omzetbelasting op maandaangiften omzetbelasting.\n\n3.6.. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikkingen conform zijn bevindingen in het controlerapport vastgesteld (zie 1.1.).\n\nMotivering\n\nVereiste aangifte\n\n4. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan omdat belanghebbende volgens hem de omzet van kassa 2 niet in haar aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 heeft aangegeven. Er is daarom te weinig belasting geheven zodat, aldus de inspecteur, op grond van artikel 27e van de AWR de bewijslast moet worden verzwaard.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft deze stelling van de inspecteur betwist. Belanghebbende heeft – in de kern weergegeven – aangevoerd dat kassa 2 nauwelijks wordt gebruikt en dat alle omzet van kassa 2 periodiek is bijgeboekt op kassa 1. Alle omzet van kassa 1 is volgens belanghebbende in de aangiften omzetbelasting aangegeven. De aangiften omzetbelasting zijn in de visie van belanghebbende dus naar de juiste bedragen ingediend en omkering en verzwaring van de bewijslast is daarom niet aan de orde.\n\n4.2.. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft genomen. Verzwaring van de bewijslast is dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, omdat te weinig belasting is aangegeven. Deze toets moet voor ieder tijdvak afzonderlijk worden aangelegd. Beoordeeld moet worden of het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder tijdvak afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk is en of belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn.\n\n4.3.. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan zal de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen. Onderdeel van zulke feiten en omstandigheden kan zijn dat de administratie zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekeningen zo ook niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde omzetbelasting.\n\n4.4.. In dat kader stelt de inspecteur zich, onder verwijzing naar de bevindingen uit het boekenonderzoek (zie 3.3. en 3.4.), op het standpunt dat de omzet van kassa 2 niet is bijgeboekt op kassa 1, dat belanghebbende de omzet van kassa 2 niet in het kasboek heeft geboekt en dat belanghebbende de Z-afslagen van kassa 2 grotendeels niet heeft bewaard. De administratie van belanghebbende vertoont daarom ernstige gebreken, aldus de inspecteur.\n\n4.5.. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de gevoerde administratie gebreken vertoont. De inspecteur heeft aan de hand van de opeenvolgende nummering van aangetroffen Z-afslagen geconcludeerd dat er Z-afslagen moeten ontbreken in de administratie van belanghebbende. Deze conclusie van de inspecteur kan de rechtbank volgen. Daarbij komt dat er voor de jaren 2013, 2014 en 2015 bijzonder weinig Z1-afslagen (dagafslagen) en Z2-afslagen (weekafslagen) zijn aangetroffen. Dat ondersteunt de conclusie van de inspecteur dat er Z-afslagen in de administratie van belanghebbende ontbreken. De bedragen die staan vermeld op de wel aanwezige Z-afslagen komen niet steeds overeen met boekingen in de administratie. Verder blijkt uit de beoordeling van het kasboek dat er bedragen onjuist of onvolledig worden geboekt, dat de kasontvangsten inclusief pinbetalingen worden geboekt, dat de omzet van kassa 2 volledig ontbreekt en dat er in het kasboek geen kassaldo wordt genoteerd (zie onderdeel 3.1.2. van het controlerapport). Gelet op de omvang van de omzetten die volgen uit de wel aanwezige Z-afslagen van kassa 2, kan de verklaring van belanghebbende dat kassa 2 nauwelijks werd gebruikt en alle omzetten van kassa 2 op kassa 1 werden ‘bijgeboekt’ niet kloppen (zie ook hierna onder 4.10.1 en 4.10.2). Verder kan wanneer de ontvangsten via pinbetaling als uitgaven worden ingevoegd in het kasboek en kassaldi aan het kasboek worden toegevoegd, worden geconcludeerd dat er regelmatig gedurende 2012 tot en met 2015 grote negatieve kassaldi voorkomen. Dat betekent dat er meer geld uit de kas is gehaald dan er naar eigen gegevens voorhanden was. Ook dat alles laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat de administratie van belanghebbende grote gebreken bevat. Verder constateert de rechtbank op basis van de aanwezige stukken en onder verwijzing naar de arresten van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2024 dat ook de loonadministratie van belanghebbende evenmin op orde was.\n\n4.6.. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat aan belanghebbendes administratie gebreken kleven. De inspecteur is op basis van de door hem overgelegde stukken ook in zijn bewijslast geslaagd aannemelijk te maken dat die conclusie geldt voor ieder van de naheffingstijdvakken.\n\n4.7.. De rechtbank acht de gebreken en tekortkomingen verder van zodanige aard en omvang dat zij tot de conclusie leiden dat de gevoerde administratie niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening. Bij dit oordeel brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast in eerste instantie kan volstaan met een gemotiveerde schatting van de hoogte van de omzet en daarmee de daaruit voortvloeiende verschuldigde omzetbelasting, waarna belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en waarom de omzet en dus de verschuldigde omzetbelasting lager is geweest.\n\n4.8.. De inspecteur heeft voor zijn schatting een berekening gemaakt van de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting. Daartoe heeft de inspecteur eerst aan de hand van een vergelijking tussen de aanwezige dagafslagen en weekafslagen over 2012 de volgens hem behaalde omzet met kassa 1 en kassa 2 berekend. Deze berekening heeft voor kassa 1 betrekking op de periode 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 en voor kassa 2 op de periode 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2012. De berekening heeft geen betrekking op het volledige kalenderjaar omdat over latere perioden geen dan wel te weinig Z-afslagen zijn aangetroffen waarmee de omzet kan worden gereconstrueerd. Om tot jaartotalen te komen heeft de inspecteur de door hem berekende omzet op basis van de dag- en weekafslagen herrekend aan de hand van de percentuele verdeling van de behaalde omzet in de berekeningsperiodes zoals die volgt uit het kasboek van belanghebbende. Aan de hand van deze jaartotalen over 2012 heeft de inspecteur geconstateerd dat in de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken in 2012 54% van de totale omzet is aangegeven en 46% van de totale omzet niet is aangegeven. Omdat over 2013 tot en met 2015 – in vergelijking met het jaar 2012 – veel minder Z-afslagen zijn aangetroffen en geen andere gegevens voorhanden zijn op basis waarvan de werkelijke omzet kan worden vastgesteld, heeft de inspecteur de verhouding 54% \u002F 46% ook toegepast voor de tijdvakken gelegen in 2013 tot en met 2015.\n\n4.9.. De inspecteur heeft vervolgens de volgens hem behaalde omzet zonder omzetbelasting berekend. Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de verhouding tussen het algemene tarief en het verlaagde tarief, zoals deze blijkt uit de ingediende aangiften omzetbelasting. Verder heeft de inspecteur de berekende omzet verhoogd met de privéonttrekkingen, zoals deze volgen uit de aangiften omzetbelasting. De inspecteur heeft de in aftrek te brengen belasting berekend conform de ingediende aangiften omdat er geen facturen in de administratie aanwezig zijn die erop duiden dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek van belasting dan wat volgt uit de aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met deze werkwijze zijn schatting van de hoogte van de omzet en de daarover verschuldigde omzetbelasting voldoende gemotiveerd.\n\n4.10.. Met hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat en waarom de omzet en de verschuldigde omzetbelasting lager is dan door de inspecteur berekend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n4.10.1.. De stelling van belanghebbende dat kassa 2 nauwelijks werd gebruikt, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Uit de aanwezige Z2-afslagen over de periode 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2012 blijkt juist dat met kassa 2 een omzet is behaald van € 239.057. Dat is – zeker ten opzichte van de omzet van kassa 1 van € 359.862 over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 – niet gering. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende kassa 2 ook in de latere tijdvakken actief in gebruik had. Immers de kassa heeft ook al die tijd in het restaurant gestaan, gelet op de omzet op de Z-afslagen van kassa 2 van 21 juli 2014 en in de periode 15 juni 2015 tot en met 9 juli 2015 werden daarop ook bestellingen geplaatst en gelet op de nummering van de aanwezige Z-afslagen zijn er ook in de tussenliggende periode een groot aantal Z-afslagen gemaakt. Belanghebbende heeft hiertegenover onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat kassa 2 nadat de nieuwe kassa 1 was geïnstalleerd, desalniettemin nauwelijks is gebruikt.\n\n4.10.2.. De rechtbank acht de stelling van belanghebbende dat alle omzet van kassa 2 periodiek op kassa 1 is bijgeboekt niet aangetoond. Uit de aanwezige Z-afslagen blijkt dat in sommige weken de omzet die behaald is met kassa 2 hoger is dan de omzet die is behaald met kassa 1. In die weken stemt de in de administratie geboekte omzet nagenoeg overeen met uitsluitend de omzet die is behaald met kassa 1. Het is dan eerder aannemelijk dat de omzet die in die weken is behaald met kassa 2 dus (gedeeltelijk) buiten de boeken is gebleven. Ter zitting is nog namens belanghebbende aangevoerd dat de mogelijkheid bestaat dat de omzet die is behaald met kassa 2 op een later moment op kassa 1 is bijgeboekt. Echter, niet gesteld of gebleken is waaruit dat zou blijken. De rechtbank verwerpt daarom deze stelling. Gelet op de handelwijze die blijkt uit de aanwezige gegevens en bescheiden en het gebrek aan bewijs dat op het tegendeel wijst, acht de rechtbank aannemelijk dat ook in de tijdvakken waarover (nagenoeg) geen gegevens en bescheiden aanwezig zijn de omzet die is behaald met kassa 2 niet op kassa 1 is bijgeboekt.\n\n4.10.3.. Het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2024 – in het bijzonder vrijspraak van het valselijk doen opmaken van de jaarstukken 2012 en 2013 (zie onder 3.2.) – doet niet af aan voorgaande oordelen. Een vrijspraak door de strafrechter hoeft immers niet eraan in de weg te staan dat de gedragingen waarvan belanghebbende door de strafrechter is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs door de belastingrechter bewezen worden verklaard.Dat is hier aan de orde. Immers heeft het Gerechtshof op basis van de bewijsregels die voor het strafrecht gelden geoordeeld dat onvoldoende is vast komen te staan dat er bewust omzet buiten de boeken is gehouden. Anders dan belanghebbende meent kan daaruit niet worden afgeleid dat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat er geen omzet buiten de boeken is gehouden.\n\n4.11.. Gelet op voorgaande volgt de rechtbank de schatting van de inspecteur van de omzet en de daarover verschuldigde omzetbelasting.\n\n4.12.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de niet aangegeven omzetbelasting in verhouding tot de verschuldigde omzetbelasting voor elk tijdvak afzonderlijk zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. Belanghebbende moet zich daar bovendien ten tijde van het doen van de aangiften bewust van zijn geweest. De rechtbank overweegt in dat verband dat de bewustheid van [naam 1] en [naam 2] , als vennoten van belanghebbende, in dit geval aan belanghebbende moet worden toegerekend. [naam 1] exploiteerde het restaurant en [naam 2] verzorgde de administratie. De rechtbank acht aannemelijk dat zij zich gezien hun feitelijke betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de activiteiten van belanghebbende samen dan wel ieder afzonderlijk bewust waren, dan wel moesten zijn, dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden aangegeven en voldaan als de aangiften omzetbelasting op de administratie werden gebaseerd.\n\n4.13.. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat de bewijsregel van artikel 27e van de AWR moet worden toegepast. Dat betekent dat op belanghebbende, voor alle in de naheffingsaanslag betrokken tijdvakken, de last komt te rusten om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre de opgelegde naheffingsaanslag onjuist is.\n\nRedelijke schatting\n\n5. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de naheffingsaanslag niet naar willekeur vastgesteld mag worden, maar moet berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover zij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n5.1.. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.8 tot en met 4.10.3 is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag omzetbelasting berust op een redelijke schatting. Met hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, heeft zij niet overtuigend aangetoond dat de naheffingsaanslag omzetbelasting te hoog is vastgesteld.\n\nWat betekent dit voor de belastingrentebeschikking?\n\n6. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Aangezien de naheffingsaanslag in stand blijft, ziet de rechtbank geen aanleiding om de belastingrentebeschikking te verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. S.A.J Bastiaansen en mr. A. Laghmouchi, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\nHoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.1.3.\n\nVgl. Hoge Raad van 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.2.2.\n\nHoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.\n\nHoge Raad van 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\nHoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5981","2026-07-13T00:29:04.753Z",1,20]