[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":65,"limit":66},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,50,57],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1174","ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","ecli-nl-rbdha-2026-18651","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20086\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20085.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.085Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"1862","ECLI:NL:RBDHA:2026:18027","ecli-nl-rbdha-2026-18027","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL23.26719, NL24.9160 en NL24.9462.\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn)en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het met deze besluiten niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per 11 augustus 2025 2025 een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De minister heeft eiser bij besluit van 31 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (NL23.26719). Eiser heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.26720). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 31 augustus 2023 ingetrokken. De rechtbank heeft aan eiser op 1 februari 2024 gevraagd of hij het beroep wenst te handhaven. Eiser heeft op dit bericht niet gereageerd.\n\n2.1.. Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Tegen dit terugkeerbesluit is namens eiser beroep ingesteld door twee verschillende gemachtigden. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462. Daarnaast hebben beide gemachtigden de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.9161 en NL24.9463.\n\n2.2.. Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de verzoeken met zaaknummers NL23.26720 en NL24.9161 toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. Eiser heeft het verzoek om het treffen voor een voorlopige voorziening met nummer NL24.9463 naar aanleiding van deze uitspraak ingetrokken.\n\n2.3.. Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en tegen eiser een vervangend terugkeerbesluit uitgevaardigd.\n\n2.4.. De minister heeft bij bericht van 8 april 2026 verweer gevoerd.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten en inleidende opmerkingen\n\n3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 31 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.\n\n4. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 31 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.\n\n5. De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eisers met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser ook beroep ingesteld.\n\n6. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024en 25 april 2024prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna).Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.\n\n7. De Afdeling heeft in uitspraken van 23 april 2025uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen.Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.\n\nBeroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming\u002Fterugkeerbesluit per 4 september 2023\n\n8. De minister heeft het besluit van 31 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk.\n\nHet beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024\n\n9. Het tegen het besluit van 31 augustus 2023 gehandhaafde beroep (NL23.26719) is naar het oordeel van de rechtbank ook gericht tegen het alsnog op 7 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 7 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke omstandigheden als het eerdere besluit van 31 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 7 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 31 augustus 2023 wijzigt. De datum waarop het rechtmatig verblijf van eiser eindigt en het moment waarop een vertrekplicht ontstaat wijzigen. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking van het eerdere terugkeerbesluit (31 januari 2024) en het vervangende terugkeerbesluit van 7 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 7 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtszoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus ook geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen.\n\n9.1.. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit prematuur genomen besluit, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ingetrokken en aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij het tegen het besluit van 7 februari 2024 gerichte beroep. Het enkel handhaven van een beroep zodat eiser, gelet op de bevriezingsmaatregel, de rechten horende bij tijdelijke bescherming kan blijven genieten, is daartoe onvoldoende. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nDe beroepen met zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462\n\n10. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL23.26719 tegen het besluit van 31 augustus 2023 ook betrekking heeft op het nadien genomen besluit van 7 februari 2024 (in zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462). Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 21 februari 2024 nog afzonderlijk beroep in te stellen. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op deze beroepen.\n\nBeroep tegen het besluit van 11 augustus 2025\n\nKwalificatie van het besluit van 11 augustus 2025\n\n11. In het besluit van 11 augustus 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.\n\nHad de minister een apart beëindigingsbesluit moeten nemen?\n\n12. Eiser betoogt dat de minister een beslissing tot het eindigen van eisers rechtmatige verblijf had moeten nemen, alvorens aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Daarmee is het terugkeerbesluit volgens eiser prematuur. Eiser wijst op het arrest Kaduna.Daardoor is eiser naar eigen zeggen ten onrechte niet in staat geweest om tegen het beëindigen een zienswijze in te dienen.\n\n12.1.. Het betoog slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024 en dat de betreffende vreemdelingen daarover zijn geïnformeerd. De rechtbank ziet, anders dan eiser in de bewoordingen van punt 135 van het arrest Kaduna geen aanleiding voor het oordeel dat het rechtmatig verblijf op grond van de richtlijn bij beschikking individueel had moeten worden beëindigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt dat de tijdelijke beschermingvan rechtswegeafloopt op 4 maart 2024.Dat heeft als gevolg dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen over het eindigen van de tijdelijke bescherming.\n\nHad eiser nog rechtmatig verblijf ten tijde van de bevriezingsmaatregel?\n\n13. Eiser betoogt dat de minister heeft miskend dat eiser ten tijde van de bevriezingsmaatregel en de toegekende voorlopige voorziening en de zaken NL23.26720 en NL24.9161 rechtmatig verblijf had tot 5 september 2025 en dat het onderhavige terugkeerbesluit daarom prematuur is genomen.\n\n13.1.. Het betoog slaagt niet. In de uitspraken van 23 april 2025heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiser nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die zij vanwege de tijdelijke bescherming had. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen.Ook de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 4 april 2024 toegewezen verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening maken niet dat eiser rechtmatig verblijf heeft totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft immers slechts bepaald dat de betreffende verzoekers (waaronder eiser) worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op de beroepen. Zoals de minister terecht overweegt, staan de lopende beroepsprocedure en\u002Fof de toegewezen voorlopige voorzieningen niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft procedureel rechtmatig verblijf om de uitkomst van zijn beroepsprocedure te kunnen afwachten.Het terugkeerbesluit is tijdelijk opgeschort. Dit doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en dus de bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.\n\nHeeft de minister voldoende rekening gehouden met de beginselen van het Unierecht en met artikel 8 van het EVRM?\n\n14. Eiser betoogt dat het beëindigen van eisers verblijfsrecht op grond van de Richtlijn in strijd is met het discriminatieverbod en dat het strijdig is met het nuttig effect van de richtlijn nu asielachterstanden juist toenemen. In de beschikking is volgens eiser geen overweging opgenomen over de invloed van het beëindigen van de bescherming van Oekraïense derdelanders voor het nuttig effect van de richtlijn. Volgens eiser kan de minister zich voor het beëindigen van de bescherming niet beroepen op rechtspraak van de Afdeling, maar had hij moeten ingaan op de argumenten van eiser in de zienswijze. Verder heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n14.1.. Het betoog slaagt niet. De rechtbank wijst met betrekking tot het betoog dat eiser niet heeft kunnen reageren middels een zienswijze allereerst op het onder 12.1 overwogene.\n\n14.1.1.. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit het arrest Kadunavolgt dat de intrekking van de facultatieve tijdelijke bescherming geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttig effect van de Richtlijn en daarbij moeten de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het anti-discriminatiebeginsel, in acht worden genomen. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024en de uitspraak van deze zittingsplaats van 28 maart 2024.Eiser heeft overigens niet geconcretiseerd waarom sprake zou zijn van schending van het anti-discriminatiebeginsel.\n\n14.1.2.. Het betoog van eiser dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM slaagt eveneens niet. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven en het familie- en gezinsleven van de betrokken vreemdeling. Uit die rechtspraak volgt verder dat de minister, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd.In dit geval heeft de minister eiser de gelegenheid gegeven om in zijn zienswijze op het voornemen van 4 juni 2025 dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft echter in de zienswijze, noch in beroep concrete omstandigheden benoemd op grond waarvan hij meent privéleven of familie- of gezinsleven te hebben in Nederland, zodat het betoog alleen om die reden al niet slaagt.\n\nIs de SIS-registratie van eiser onevenredig bezwarend?\n\n15. Eiser betoogt dat er een stigma kleeft aan de SIS-signalering en dat de SIS-signalering had moeten worden opgeschort tot op het moment van uitspraak op het beroep. Verder betoogt eiser dat de minister had moeten ingaan op zijn verzoek tot verwijderen en dat eiser recht heeft op vergoeding van de geleden schade.\n\n15.1.. Het betoog slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018\u002F1860 dwingend voorschrijft dat hij een signalering in het SIS invoert wanneer hij een terugkeerbesluit uitvaardigt.Daarmee bestaat, mede gezien het onder 13.1 overwogene geen grond voor het oordeel dat de minister de SIS-signalering van eiser gedurende de behandeling van het beroep had moeten opschorten op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2024. Wat er verder ook zij van het betoog van eiser dat de minister desondanks ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevolgen van een SIS-signalering voor hem niet onevenredig zijn, constateert de rechtbank dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de SIS-signalering in zijn geval onevenredige gevolgen heeft (gehad). Eiser heeft niet concreet gemaakt dat hij daadwerkelijk naar een andere lidstaat wilde afreizen en van plan was zich daar te vestigen. Dat eiser op een andere wijze door de SIS-registratie zou zijn benadeeld, heeft hij eveneens niet onderbouwd. Van enige (reputatie) schade is dan ook niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de terugkeerbesluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024. Voor zover het beroep zich richt tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 is het ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft.\n\n16.1.. Omdat de minister de terugkeerbesluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024 heeft ingetrokken heeft eiser wel recht op een proceskostenvergoeding.De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868 bestaande uit een punt voor het beroep tegen de ingetrokken besluiten van 7 februari 2024 en 31 augustus 2023 en1 punt voor de aanvullende gronden tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 1868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlĳn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tĳdelĳke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n ABRvS, 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.\n\n ABRvS, 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.\n\n HvJEU 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).\n\n ABRvS, 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.\n\nKamerstukken II2024\u002F25, 19637, nr. 3434.\n\n Rb. Den Haag, zp Amsterdam 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.\n\n ECLI:EU:C:2024:1038, punt 135.\n\n Eiser wijst op artikel 79, eerste lid, aanheft en onder d van de Vw 2000.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:32.\n\n De rechtbank wijst op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4375.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5214.\n\n Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.\n\n Zie HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465 (Gnandi), rechtsoverweging (r.o.) 44 e.v. en ABRvS, 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, r.o. 8 en 9.\n\n ECLI:EU:C:2024:1038.\n\n Onder 10.3\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:4375, onder 15.\n\n Dit volgt uit het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92.\n\n Zie ook ABRvS, 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075 r.o. 6 e.v.\n\n Dit volgt uit artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18027","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.604Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":49},"666","ECLI:NL:RBDHA:2026:17225","ecli-nl-rbdha-2026-17225","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.12332\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 31 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft Syrië in 2017 verlaten, toen een aantal jaar in Turkije gewoond en is in 2023 naar Nederland gekomen. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is onder het vorige regime gedeserteerd. Daarnaast heeft hij problemen gekregen met Al Nusra, omdat zij auto’s van eisers familie wilden stelen. Al Nusra heeft eiser tweeënhalf jaar gevangen genomen. Eiser verwacht daar nog steeds problemen van, omdat Al Nusra nu is opgegaan in Hayat Tahrir Al Sham (HTS), dat de macht heeft in eisers herkomstgebied.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\neisers problemen met HTS.\n\n4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met HTS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder wijst erop dat eiser deze problemen niet met documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft daarnaast ongerijmd verklaard over deze problemen en de aanleiding voor zijn vertrek. Zijn verklaringen in het nader gehoor verschillen van zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht allereerst eisers problemen met HTS niet ongeloofwaardig achten. Op basis van zijn verklaringen moet hem het voordeel van de twijfel worden gegeven. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen risico loopt vanwege het willekeurige geweld in Syrië. Omdat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, moest verweerder beoordelen of voor eiser individuele omstandigheden gelden die het risico verhogen dat hij slachtoffer wordt van dat geweld. Voor eiser zijn die omstandigheden dat hij met het voormalige regime wordt geassocieerd en dat hij geen bescherming kan krijgen van de huidige autoriteiten. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM in het licht van het arrest Sufi en Elmi.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nEisers problemen met HTS\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers problemen met HTS ongeloofwaardig vinden. De rechtbank vindt hiertoe van belang dat eiser in het gehoor bij de AVIM en tijdens zijn aanmeldgehoor bij de IND – beide in 2023 – niets heeft gezegd over deze problemen. Eiser heeft toen juist verklaard dat hij problemen had met het toenmalige regime. Toen hem tijdens het aanmeldgehoor werd gevraagd waarom hij Syrië heeft verlaten, heeft eiser alleen aangegeven dat hij gevaar loopt vanwege zijn desertie. Eiser heeft vervolgens tijdens het nader gehoor in februari 2026 naar voren gebracht dat hij tweeënhalf jaar is vastgehouden door Al Nusra. Dit is een dusdanig belangrijke gebeurtenis in eisers asielrelaas, dat verwacht mocht worden dat hij hier vanaf het begin over verklaarde. Eisers betoog dat het aanmeldgehoor kort was en dat eiser dacht dat hij dacht dat hij dit aspect pas in het nader gehoor naar voren moest brengen, doet hier niet aan af. Tijdens het aanmeldgehoor is namelijk de open vraag aan eiser gesteld wat de redenen waren voor zijn vertrek. Dat eiser een gebeurtenis die zo sterk in de kern van zijn asielrelaas ligt, op dat moment niet zou benoemen, is niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser ook in het aanmeldgehoor is bevraagd over de machthebbers in zijn woonomgeving en of hun aanwezigheid effect had op eisers dagelijks leven. Ook hier had eiser gelegenheid gehad om te verklaren over zijn problemen met Al Nusra.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n8. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verduidelijkt dat hij niet betwist dat in Rif-Damascus\u002FDouma sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.De vraag die bij de rechtbank voorligt, is daarom of verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van het willekeurige geweld.\n\n8.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat voor eiser dergelijke individuele risicoverhogende omstandigheden gelden. Eiser heeft in dit kader opnieuw gewezen op zijn problemen met HTS. Hij stelt dat hij vanwege die problemen wordt gezien als aanhanger van het vorige regime en dat hij geen bescherming kan inroepen van de huidige autoriteiten. Eisers problemen met HTS zien echter op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Uit de aangevoerde landeninformatie volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat HTS iedereen die zich niet bij hen heeft aangesloten, als aanhanger van het vorige regime ziet. Ook in die informatie bestaat dus geen aanleiding voor de conclusie dat HTS naar eiser op zoek zou zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n9.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.\n\n9.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft op basis van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025 gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’\n\n9.4.. Ondanks dat het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 al beschikbaar was toen het besluit en het voornemen werden uitgebracht, heeft verweerder het nieuwe Ambtsbericht op beide momenten niet meegenomen. De rechtbank ziet ook hierin een motiveringsgebrek, omdat verweerder de meest actuele informatie bij zijn beoordeling moet betrekken. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn betoog ter zitting dat uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht geen wezenlijk ander beeld blijkt wat betreft de humanitaire situatie, die de beoordeling voor eiser anders zou maken.\n\n9.5.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie heeft wonen in zijn herkomstgebied. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken. Voor zover eiser in dit kader op zijn problemen met HTS heeft gewezen, geldt ook hier dat die niet geloofwaardig zijn en dus niet maken dat eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer.\n\n9.6.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 9.3 t\u002Fm 9.6 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n10.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2026;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17225","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.021Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":56},"1468","ECLI:NL:RBDHA:2026:17227","ecli-nl-rbdha-2026-17227","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.12423\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 29 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Makadan als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij komt uit [plaats]. Tussen 2007 en 2010 heeft hij in Saoedi-Arabië gewoond en gewerkt. Daarna is hij teruggekeerd naar Syrië en in 2015 is hij vertrokken naar Turkije. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Maliki rechtsschool. Daarnaast is hij tien dagen vastgehouden door IS toen hij Syrië wilde verlaten. Zij hebben hem de keuze gegeven om ofwel voor 45 dagen een religieuze heropvoedingscursus te volgen, ofwel veroordeeld te worden. Eiser heeft gezegd dat hij de cursus zou volgen, maar is vervolgens gevlucht.\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en\n\ndat eiser de Maliki rechtsschool volgt; en\n\neisers problemen met [naam] en een rechter vanwege zijn aanhouding door IS.\n\n4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, net als dat hij de Maliki rechtsschool volgt. Eisers problemen vanwege zijn aanhouding door IS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd dat de personen met wie hij problemen heeft, onderdeel zijn van IS of nu deel uitmaken van het huidige regime. Eisers verklaringen zijn daarnaast gebaseerd op vermoedens en komen niet overeen met openbare informatie over IS en landeninformatie over Syrië. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn religie geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is niet gebleken dat eiser problemen heeft gehad of heeft te verwachten vanwege zijn religie. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht allereerst eisers problemen met IS niet ongeloofwaardig achten. Verweerder heeft eisers relaas teruggebracht tot problemen met enkele personen, terwijl het erom gaat dat hij problemen heeft met IS als geheel. Eisers verklaringen zijn ook, anders dan verweerder stelt, voldoende concreet en wel in lijn met beschikbare landeninformatie. Vanwege zijn problemen met IS, loopt eiser het risico bij terugkeer herkend en vervolgd te worden. Verweerder heeft daarnaast het landenbeleid over Syrië ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de situatie van willekeurig geweld. Er is sprake van een instabiele situatie en zeer slechte humanitaire omstandigheden. Dat blijkt onder andere uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer, gelet op de humanitaire omstandigheden, terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit twee motiveringsgebreken bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.\n\nEisers problemen met IS\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat eiser zijn problemen met IS niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder mocht erop wijzen dat de problemen die eiser verwacht, gebaseerd zijn op vermoedens. Zo zijn er geen indicaties waaruit volgt dat eiser op dit moment gezocht wordt door IS. Eisers stelling dat er een video van hem is gemaakt, heeft hij niet onderbouwd. Sinds 2013 is er ook veel gewijzigd in de situatie in Syrië en rondom IS. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gebeurtenissen van destijds nu nog tot problemen leiden. Hoewel de rechtbank eiser erin kan volgen dat zijn gestelde problemen zien op IS als geheel, en niet alleen op de mannen met wie hij eerder problemen heeft gehad, maakt dit niet dat aannemelijk is dat hij nu gezocht wordt. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eisers verklaringen niet overeenkomen met recente landeninformatie over de verhoudingen tussen IS en de overgangsregering. Eisers verwijzing naar het UNHCR-rapport van mei 2026maakt deze beoordeling niet anders. Uit dat rapport volgt dat IS (aangeduid als Da’esh) soms aanvallen richt op burgers, waaronder mensen die weigeren islamitische belasting te betalen, clanleiders en medewerkers van de overheid die in verband worden gebracht met de SDF. Er is echter niet gebleken dat dit geldt voor eiser.\n\nReëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld\n\n8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en\u002Fof in stand worden gehouden door het handelen en\u002Fof nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.\n\n8.1.. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte is ingegaan op de 15c-situatie in Aleppo, in plaats van in [plaats]. Uit het dossier blijkt dat alleen [plaats] aangemerkt kan worden als relevant terugkeergebied voor eiser en ook ter zitting heeft verweerder niet aan kunnen geven waarom is ingegaan op de situatie in Aleppo. De rechtbank constateert in die zin een gebrek in het bestreden besluit. Verweerder heeft in het voornemen en in het verweerschrift wel een beoordeling gemaakt op basis van de actuele situatie in [plaats]. Daarom blijft de afwijzing van de asielaanvraag staan ondanks het geconstateerde gebrek. De rechtbank legt dat hieronder verder uit.\n\n8.2.. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van mijnen. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats], het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 64 (december 2025) en 103 (augustus 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats]. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats].\n\n8.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in [plaats] in het bijzonder veroorzaken en\u002Fof in stand houden.\n\n8.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats].\n\n8.5.. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Niet is onderbouwd dat er problemen volgen uit eisers geloof in de Maliki rechtsschool. Eisers problemen met IS zien op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\nTerugkeerbesluit\n\n9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.\n\n9.1.. \n\nDaarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.\n\n- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.\n\n9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.\n\n9.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’\n\n9.4.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie – namelijk een broer en drie zussen – heeft wonen in zijn herkomstgebied. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eiser eerder heeft gewerkt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet opnieuw een bestaan zal kunnen opbouwen. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken.\n\n9.5.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 8.2 t\u002Fm 8.5 en 9.3 t\u002Fm 9.5 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.\n\n10.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2026;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n UNHCR International Protection Considerations with Regard to Asylum-Seekers from the Syrian Arab Republic, mei 2026, pagina 72.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).\n\n Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.\n\n EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.\n\n Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.\n\n Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.\n\n 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17227","2026-07-13T00:29:22.489Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":30,"updatedAt":64},"1717","ECLI:NL:RBDHA:2026:18559","ecli-nl-rbdha-2026-18559","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4991\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18559","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.531Z",1,20]