[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-child-custody-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":203},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},24,{"min":18,"max":19},"2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-05-28T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122035","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 15 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122036","Burgerlijk Wetboek","art. 1:257 lid 1",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122037","art. 1:257 lid 2",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122038","art. 1:255 lid 2",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"124296","art. 1:102",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"124297","art. 1:100",{"provisionId":43,"code":28,"article":44,"count":25},"124298","art. 6:10",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"121985","art. 265",{"provisionId":49,"code":28,"article":50,"count":25},"121986","art. 1:12 lid 1",{"provisionId":52,"code":28,"article":53,"count":25},"122170","art. 1:212",[55,66,73,80,87,94,101,108,115,122,129,136,143,150,157,166,173,180,189,196],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"459","ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","ecli-nl-rbdha-2026-17438","","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-1055\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F680135\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nGezag, vervangende toestemming, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatieregelingBeschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Schuerman te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua te [geboorteplaats 1] .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet aanvullend verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 14 februari 2025;\n\n-het F9-bericht met de brief d.d. 12 januari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 28 januari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 2 februari 2026 met bijlagen;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 3 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht met de brief d.d. 5 februari 2026 van de zijde van de moeder;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 6 februari 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de vader van 13 april 2026 met bijlage;\n\nhet F9-bericht van de zijde van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen.\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 2 februari 2026 in een gesprek met de rechter hun mening gegeven.\n\nOp 5 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde advocaat van de moeder;\n\n [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nOp de zitting heeft de advocaat van de moeder een wrakingsverzoek gedaan en ter onderbouwing daarvan een pleitnota overgelegd. Na het voordragen van de pleitnota door de advocaat van de moeder is de zitting gesloten.\n\nHet wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 2] namens de Raad.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2015 tot [datum 2] 2023.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] .\n\n- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 februari 2023, die is hersteld bij beschikking van 16 maart 2023, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – een co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de vader zijn en de andere week bij de moeder met een wisselmoment op maandag om 19.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg in het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken kunnen maken.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en zijn de ouders verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, met voorkeur voor het Wilmahuis en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader verzoekt:\n\nte bepalen dat hij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum indiening verzoekschrift;\n\nvervangende toestemming te verlenen voor de bijschrijving van de minderjarige kinderen op de zorgverzekering van de vader;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nDaarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:\n\nindien de verzoeken van de vader niet direct worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer;\n\nde Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;\n\nde minderjarigen (voorlopig) onder toezicht te stellen van een GI;\n\nde zorgregeling\u002Fomgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de 14 dagen een weekend van vrijdag tot zondag bij de moeder zijn en alle vakanties bij helfte worden verdeeld;\n\neen informatieregeling vast te stellen waarbij de vader de moeder eens per vier weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarige en dat de vader de moeder telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van de minderjarige, althans een informatieregeling te treffen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;\n\nBij wijze van voorlopige voorziening:\n\neen voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen en de moeder middels begeleide bezoeken naar de uitbreiding van een zorgregeling werken;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVoorlopige voorziening\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp dat in de voorlopige voorzieningenprocedure voorligt, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige zorgregeling\u002Fomgangsregeling afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nVerwijzing naar de meervoudige kamer\n\nJuridisch kader\n\nAls een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen (artikel 15 lid 2 Rv).\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt om een verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer, omdat het de zoveelste rechtszaak is tussen de ouders na een langlopende en ingewikkelde echtscheiding en de beslissing over het verzoek van de vader over het eenhoofdig gezag een zo vergaande beslissing is dat deze volgens haar meervoudig genomen moet worden.\n\nDe vader ziet geen reden om de zaak meervoudig te behandelen en is van mening dat de kinderrechter de zaak in een eindbeschikking kan afdoen op basis van de stukken en de zitting.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak geschikt voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarom wijst zij dit verzoek van de moeder af.\n\nOnderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming\n\nDe rechtbank acht zich op grond van de stukken en de zitting voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen en ziet ook verder geen redenen om een raadsonderzoek te gelasten. Daartoe overweegt de rechtbank dat er al veel hulpverlening betrokken is geweest bij partijen, waaronder een bijzondere curator. De kinderen hebben aangegeven rust te willen; ze hebben al heel veel gesprekken met hulpverleners gevoerd en ze hopen dat daar een einde aan komt. Zoals ook door de Raad op de zitting naar voren gebracht, is het de vraag of het in het belang van de kinderen is om ze aan nog een onderzoek bloot te stellen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een raadsonderzoek tot nieuwe inzichten zal leiden. Daarbij komt, zoals ook door de vader aangevoerd, dat de kinderen behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Een raadsonderzoek gaat lang duren en brengt ook weer onzekerheid met zich mee. Dit alles overwegende zal de rechtbank het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek afwijzen.\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nUitgangspunt is dat de ouders, ook na een scheiding, gezamenlijk het gezag over hun kinderen blijven uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen de moeder en de kinderen, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader verzoekt hem te belasten met het éénhoofdig gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Voor het nemen van gezagsbeslissingen moet een ouder voldoende betrokken zijn en ook weten hoe het staat met het welzijn en de behoefte van de kinderen. De moeder is al jaren niet betrokken bij het leven van de kinderen en heeft geen zicht op hun ontwikkeling. Met [de minderjarige 2] is er vanaf juni 2022 geen contact en met [de minderjarige 1] vanaf medio 2023. De kinderen verzetten zich tegen het contact met de moeder. De vader ervaart bovendien moeilijkheden in de communicatie met de moeder. De moeder werkt onvoldoende mee bij te nemen gezagsbeslissingen, zoals vakanties, het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen en de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dat geeft de vader en kinderen spanning en stress. Als de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dan sluit dat aan bij de feitelijke situatie. Ook geeft dat de kinderen rust, stabiliteit en duidelijkheid.\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat er niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om het gezamenlijke gezag te kunnen beëindigen. Het klopt dat er geen contact is tussen haar en de kinderen, zij wordt structureel buitengesloten door de vader. Desondanks blijft zij zoveel mogelijk actief betrokken bij de kinderen. De moeder is gestart met het documenteren van de ontwikkelingen van de kinderen. Op deze manier heeft zij zicht op het leven van de kinderen en is zij in staat samen met de vader gezagsbeslissingen te nemen. Hoewel er al geruime tijd geen constructief overleg tussen de ouders heeft plaatsgevonden is er geen sprake van een gezagsvacuüm, volgens de moeder. De vader heeft gezagsbeslissingen zelfstandig kunnen nemen. Zij heeft geen gezagsbeslissingen tegengewerkt. De moeder is bang dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het ouderlijk gezag is op dit moment het enige wat haar verbindt met de kinderen.\n\nDe rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen.\n\nDe rechtbank ziet zich in dit geval gesteld voor een keuze tussen twee kwaden. In stand houden van het gezamenlijk gezag betekent dat partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over de kinderen terwijl de verstandhouding tussen hen heel slecht is en de communicatie feitelijk niet bestaand. Dat maakt het samen nemen van beslissingen voor de kinderen heel lastig zo niet onmogelijk. Dit levert voor de kinderen veel onzekerheid en onrust op. Daar staat tegenover dat wanneer de moeder geen gezag meer heeft, het risico bestaat dat zij volledig uit het leven van de kinderen verdwijnt. Het gezag is op dit moment het laatste lijntje van de moeder met de kinderen. Beide situaties zijn niet goed voor de kinderen en de rechtbank moet daarin een belangafweging maken.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven niet aan gezagsbeslissingen in de weg te willen staan. Tegelijkertijd is het de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken gebleken dat het partijen vaker niet dan wel lukt om samen gezagsbeslissingen te nemen. Er is steeds tussenkomst van een derde nodig, zoals de bijzondere curator, de advocaten of de rechtbank zoals in deze procedure waar het gaat om de bijschrijving van de kinderen op de zorgverzekering van de vader. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat partijen niet in staat zijn samen beslissingen te nemen. Gelet op de al jaren ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit (in de nabije toekomst) zal veranderen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben hier last van, het levert voor hen steeds stress en onzekerheid op. Daarbij komt dat er bij de kinderen door gebeurtenissen uit het verleden grote weerstand is tegen contact met de moeder, waardoor het voor hen extra belastend is als gezagsbeslissingen niet kunnen worden genomen. De rechtbank weegt ook mee dat de moeder op dit moment geen rol speelt in het leven van de kinderen. Ook daar is niet de verwachting dat dit (op korte termijn) zal veranderen. Zij kan daarom niet een sparring partner voor de vader zijn waar het gaat om gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank ziet een moeder die van haar kinderen houdt en niets liever wil dan betrokken worden in het leven van haar kinderen, maar door alles wat er is gebeurd niet altijd in staat lijkt mee te werken in het belang van de kinderen.\n\nDit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] noodzakelijk is dat de vader alleen de beslissingen over hen kan nemen en dat hij met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Anders dan de vader verzoekt zal de rechtbank bepalen dat dit geldt vanaf de datum van deze beschikking.\n\nVervangende toestemming zorgverzekering\n\nNu de rechtbank de vader met het eenhoofdig gezag zal belasten, kan hij zelfstandig de kinderen bijschrijven op zijn zorgverzekering en heeft hij de toestemming van de moeder niet meer nodig. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen wegens een gebrek aan belang.\n\n(Voorlopige) ondertoezichtstelling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen. Op grond van het tweede lid is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.\n\nOp grond van artikel 1:257 lid 1 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:257 lid 2 BW is artikel 1:255 lid 2 BW overeenkomstig van toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank overweegt dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:255, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de Raad op de zitting heeft laten weten niet over te gaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat er gewerkt moet worden aan het negatieve en vertekende beeld dat de kinderen van haar hebben. Volgens de moeder is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en zijn de ouders tot op heden niet in staat gebleken om hulp te regelen die nodig is om deze zorgen weg te nemen.\n\nDe vader is het hier niet mee eens. De kinderen worden volgens hem helemaal niet in hun ontwikkeling en veiligheid bedreigd, zodat er niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.\n\nOp basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een (spoed) ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op een eerdere zitting is er ook al gesproken over een mogelijke ondertoezichtstelling. In de beschikking van 8 augustus 2024 is hierover het volgende opgenomen: “Op de zitting is nog gesproken over een mogelijk raadsonderzoek naar een eventuele kinderbeschermingsmaatregel, zodat een jeugdbeschermer met de ouders mee kan kijken. De Raad vindt dit echter niet in het belang van de kinderen is. Een jeugdbeschermer wordt dan verantwoordelijk gemaakt voor het probleem dat de ouders niet lijken te kunnen oplossen.”Dat is naar het oordeel van de rechtbank nog altijd de situatie. Daarbij komt dat de Raad op deze zitting wederom heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een ondertoezichtstelling.\n\nOmgang\n\nJuridisch kader\n\nNu de rechtbank de vader zal belasten met het eenhoofdig gezag, zal de rechtbank hierna daar waar van toepassing de term omgang gebruiken.\n\nOp grond van artikel 1:377e lid 1 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders, van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt, als de kinderen niet onder toezicht gesteld worden, om een regeling waarbij de kinderen, al dan niet met een opbouwregeling, om de veertien dagen één weekend van vrijdag tot zondag en de vakanties bij helfte bij haar verblijven. Op de zitting heeft de advocaat van de moeder aangegeven dat de moeder begrijpt dat dit verzoek niet volledig kan worden toegewezen. Zij zet echter hoog in, in de hoop dat er op deze manier contactherstel tussen de moeder en de kinderen tot stand komt. Het is aan de rechtbank om hierin een afweging te maken.\n\nDe vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij te allen tijde het contact van de kinderen met de moeder heeft aangemoedigd en gestimuleerd. Op enig moment hebben de kinderen aangegeven dat zij zich dusdanig gepusht voelden terwijl ze niet naar de moeder wilden, dat ze het vertrouwen in hem aan het verliezen waren. Daar heeft de vader de grens getrokken in het stimuleren. Als de kinderen contact willen met hun moeder dan zal de vader dat ondersteunen. De kinderen weten wie hun moeder is en ze hebben een leeftijd waarop ze hierin zelfstandig een keuze kunnen maken. Voor contactherstel en het opstarten van de zorgregeling is al veel hulpverlening ingezet, zonder resultaat. De kinderen verzetten zich steeds. Gelet op de leeftijd van de kinderen moet er rekening worden gehouden met hun mening.\n\nHet is de rechtbank duidelijk geworden dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er zijn meerdere procedures gevoerd en verschillende hulpverleningstrajecten opgestart. Het laatste traject, begeleide omgang via ’t Zorghuisje, is vastgelopen omdat de weerstand bij de kinderen te groot was. ‘t Zorghuisje heeft geconcludeerd dat herstel van het contact een beladen thema is en dat verdere stappen in het tempo van de kinderen moeten gebeuren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de kinderen consequent zijn in hun verhalen. Hun ervaringen zijn heftig. De rechtbank constateert dat dit voor de moeder moeilijk is om te horen. Zij herkent de door de kinderen aangehaalde ervaringen niet en kan dit ook niet begrijpen. Zoals ook eerder door de bijzondere curator opgemerkt, is voor een mogelijk contactherstel nodig dat de kinderen zich gezien en gehoord voelen. Zij hebben het nodig om serieus genomen te worden. Dit is voor de moeder (op dit moment) niet haalbaar. De rechtbank ziet, evenals in eerdere procedures, geen draagvlak bij de kinderen en partijen om een omgangsregeling te bepalen. Het verzoek van de moeder zal de rechtbank dan ook afwijzen.\n\nInformatieregeling\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van artikel 1:377b, lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen. Over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt een informatieregeling, waarbij de vader de moeder eens per vier weken moet informeren over de kinderen. De vader kan zich hierin vinden, maar wil mede gelet op de leeftijd van de kinderen ééns per kwartaal de moeder informeren.\n\nDe rechtbank acht het gelet de leeftijd op de kinderen niet nodig dat de vader de moeder elke vier weken op de hoogte houdt. De rechtbank gaat mee in de voorgestelde frequentie door de vader en stelt vast dat de vader de moeder eens per kwartaal informeert over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de minderjarigen met toezending van een recente foto van de minderjarigen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nbepaalt een informatieregeling waarbij de vader de moeder eens per kwartaal moet informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden (waaronder sport, andere vrijetijdsbesteding en school) van de kinderen met toezending van een recente foto van de kinderen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17438","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:31.378Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":70,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":72},"465","ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","ecli-nl-rbdha-2026-17439","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-8765\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F694899\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 14 november 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een brief aan de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde vader;\n\nmevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2019.\n\n- Zij zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats];\n\n- Partijen zijn ook de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats],\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats],\n\n- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 13 maart 2019 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2020 zijn [jongmeerderjarige], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 11 november 2020 tot 11 november 2021. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2022 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 11 november 2023.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2022 is – voor zover van toepassing – het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afgewezen en is ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van de jeugdbeschermer.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd voor de periode van 11 november 2023 tot 11 november 2024. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 november 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 11 november 2025.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt te bepalen dat haar voortaan alleen het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige kinderen van partijen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vader heeft op de zitting heeft gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nWettelijk kader\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gezamenlijk gezag kan alleen worden beëindigd, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er al een tijd geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor [minderjarige 2] is dat het geval sinds begin 2024 en voor [minderjarige 1] is dat al langer het geval, waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat de minimale basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De communicatie tussen partijen is, ondanks de ondertoezichtstelling, onverminderd slecht en er is al geruime tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. Hierin valt volgens de moeder op korte termijn geen verbetering te verwachten. [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] hebben al jarenlang geen contact met de vader. Het is de jeugdbeschermer niet gelukt om contact tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand te brengen. [minderjarige 2] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven geen contact meer te willen met de vader. Volgens de moeder heeft de vader aan de jeugdbeschermer laten weten dat hij geen contact meer wenst met de moeder en de jeugdbeschermer en ook niet mee wil werken aan eventuele hulpverlening. Ook heeft hij aangegeven geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit brengt voor de moeder onherroepelijk problemen met zich mee voor te nemen gezagsbeslissingen, zoals een schoolkeuze of de aanvraag van reisdocumenten. Handhaving van het gezamenlijk gezag betekent hierdoor dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen. Daarom is wijziging van het gezag noodzakelijk, zodat de moeder gezagsbeslissingen voortaan alleen kan nemen.\n\nDe vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij heeft bevestigd dat hij heeft gezegd geen contact meer te willen met de hulpverlening en geen toestemmingsformulieren meer te zullen tekenen. Dit komt door hoe het de afgelopen jaren is gegaan. De moeder heeft de zorgregeling eenzijdig stopgezet. Er is hem niet eerder om toestemming voor gezagsbeslissingen gevraagd. De vader heeft van [minderjarige 1] begrepen dat voor organisaties verzwegen is dat hij de gezaghebbende vader is, waardoor hem niet om toestemming is gevraagd. Volgens de vader komen de kinderen klem te zitten als hij contact heeft met de moeder. Dat gaat altijd lelijk en daar heeft hij geen zin meer in en wil hij de kinderen niet aandoen. De vader wil het gezag wel uit blijven oefenen, maar contact hebben met de moeder gaat niet. In deze situatie acht de vader het beter als de moeder alles zelf gaat doen. De deur voor de kinderen blijft altijd open, maar voor de moeder is deze dicht.\n\nDe Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader mee heeft gewerkt aan het eerder uitgevoerde Raadsonderzoek voor [minderjarige 1]. De vader heeft overal toestemming voor gegeven en was betrokken. De Raad wilde dan ook graag de zitting afwachten om te horen hoe de vader denkt over het gezag. De Raad vindt het knap wat de vader zegt in het belang van de kinderen. De Raad acht het wel van belang dat de moeder de vader blijft informeren.\n\nDe rechtbank overweegt dat er veel is gebeurd tussen partijen. Er is geen communicatie tussen hen. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij moegestreden is. Hij wil op geen enkele manier contact met de moeder en heeft haar overal geblokkeerd. Hij wil niet betrokken worden in het leven van de kinderen, omdat hij dan contact moet hebben met de moeder en dat wil hij niet in het belang van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken de minimale basis voor gezamenlijk ouderlijk gezag ontbreekt. Het is daarom in het belang van de kinderen dat de moeder alleen met het gezag wordt belast, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal toewijzen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarigen:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats];\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats];\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17439","2026-07-13T00:28:31.749Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":77,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":79},"407","ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","ecli-nl-rbdha-2026-17449","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7613\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F692764\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.G. Nagel in Almere.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift.\n\nOp 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam 1] namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdbeschermer);\n\n [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .\n\nDe vader heeft [de minderjarige] erkend.\n\nDe ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 9 mei 2019.\n\n [de minderjarige] is in juli 2023 uit huis geplaatst. Tot zijn uithuisplaatsing verbleef hij bij de vader en ging hij om de week gedurende het weekend naar de moeder.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, bepaald:\n\ndat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt verlengd tot 13 juli 2026;\n\ndat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd tot 13 juli 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;\n\ndat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, gedurende de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 13 juli 2026, wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nBevoegdheid\n\nArtikel 265 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. De ouders van [de minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [de minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen, omdat hij uithuisgeplaatst is. Daarvoor verbleef hij feitelijk bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [de minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, die daarom bevoegd is.\n\nEenhoofdig gezag\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Ondanks de pogingen van de gecertificeerde instelling lukt het niet om de vader te bewegen tot onderhouden van contact met [de minderjarige] . Daarnaast komt de vader zijn verplichtingen niet na als gezaghebbende ouder, zodat er wordt voldaan aan het klem en verloren-criterium. De vader ondertekende de formulieren voor het onderwijs van [de minderjarige] niet, waardoor de gecertificeerde instelling genoodzaakt was om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verzoeken. Nu het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel goed is en er gekeken wordt of er toegewerkt kan worden naar thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, acht de moeder het van belang dat haar alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het is immers noodzakelijk dat alle benodigde hulpverlening kan worden aangevraagd indien dit nodig is vanwege problematiek van [de minderjarige] en voorts dat ook overschrijvingen naar bijvoorbeeld een andere school kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de minderjarige klem en verloren dreigt te raken, omdat de vader daartoe niet zijn benodigde medewerking verleent.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er sinds de uithuisplaatsing in 2023 geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] , ondanks meerdere pogingen tot contactherstel van de gecertificeerde instelling. De vader geeft dus geen invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat beeld wordt versterkt door het feit dat de vader in deze procedure geen verweer heeft gevoerd en dat hij niet op de zitting is verschenen. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] niet genomen kunnen worden vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat er eerder vervangende toestemming nodig is geweest voor inschrijving van [de minderjarige] op school en dat de vader al twee jaar lang weigert om de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen ondanks dat de gecertificeerde instelling dit heeft verzocht. Gelet op de onbereikbaarheid van de vader voorziet de rechtbank, net als de moeder en de gecertificeerde instelling, problemen als er in de toekomst gezagsbeslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden, met name met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het gelet op voorgaande in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.\n\nBrief aan [de minderjarige]\n\nDe rechter heeft in een aparte brief aan [de minderjarige] de beslissing uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [de minderjarige] heeft ontvangen.\n\nBeste [de minderjarige] ,\n\nIk ben de kinderrechter met wie je een tijdje terug gepraat hebt. Ik vond het erg knap van je dat je alleen naar binnen durfde. Je vond het namelijk best wel spannend, zei je.\n\nVoor jou is het allerbelangrijkste dat je bij mama mag wonen. Daar kan ik helaas niet over beslissen. Ik weet dat je dat erg jammer vindt. Je moeder vindt dat ook erg jammer.\n\nIk heb besloten dat je vader geen gezag meer over jou heeft. Dat betekent dat hij bijvoorbeeld niet mag meebeslissen als je naar de dokter toe moet.\n\nIk vond het erg leuk om met je te praten, [de minderjarige] . Je lijkt me een aardige jongen. En je kunt goed nadenken over wat je wil en dat vertellen. Ik wens je veel succes met alles!\n\nMet vriendelijke groet,\n\nErik Boot\n\nKinderrechter\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17449","2026-07-13T00:28:28.165Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":84,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":86},"408","ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","ecli-nl-rbdha-2026-17440","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 23-5949\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F652435\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag, zorg-\u002Fomgangsregeling, informatie en consultatieregeling\n\nBeschikking op het op 10 augustus 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 12 april 2024 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de zorg-\u002Fomgangsregeling en de informatieregeling aangehouden zodat de ouders op eigen aanmelding een hulpverleningstraject konden gaan starten om aan hun verstoorde communicatie te werken.\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet bericht van 7 oktober 2024 van de moeder;\n\nhet bericht van 8 oktober 2024 van de vader;\n\nde brief van 27 mei 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 juni 2025 van de vader;\n\nde brief van 30 september 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 oktober 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de moeder met bijlagen;\n\nde brief van 20 april 2026 van de moeder met bijlagen.\n\nDe kinderen hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.\n\nGezag\n\nVoor de vader is het belangrijkste dat er een goede omgangsregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld en hij gaat ervan uit dat een beslissing over het gezag door de rechtbank juist wordt genomen.\n\nVolgens de moeder is het niet in het belang van de kinderen dat de moeder samen met de vader het gezamenlijk gezag uitoefent gelet op het feit er geen enkel constructief overleg tussen hen mogelijk is.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de verhoudingen tussen de ouders nog steeds zodanig verstoord zijn dat de kinderen klem en verloren dreigen te raken wanneer de vader en de moeder het gezag gezamenlijk zouden uitvoeren. De ouders zijn anderhalf jaar verder en de inzet van verschillende hulptrajecten, zoals mediation en parallel solo ouderschap, bleek hen niet verder te brengen in het verbeteren van het contact. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen en wijst het verzoek van de vader daarom af.\n\nOmgangsregeling\n\nHet is de hulpverlening niet gelukt om de ouders met elkaar in contact te brengen. Er is door het UHA-traject een advies opgesteld om een omgangsregeling vast te stellen zodat er duidelijkheid voor de kinderen komt. Daarbij is het van belang dat hun wensen en behoeften leidend zijn in het contact met de vader.\n\nDe vader heeft op de zitting aangegeven zich neer te leggen bij de voorgestelde omgangsregeling uit het advies vanuit het UHA-traject. Het is voor de vader het belangrijkste dat het contact met de kinderen weer wordt opgestart, omdat hij ze graag weer zou willen zien.\n\nDe moeder wenst geen vastlegging van een omgangsregeling, omdat het contact tussen de vader en de kinderen al enige tijd stilligt en de vader zich daarnaast tegenover [minderjarige 1] negatief uitlaat over de moeder.\n\nUit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De kinderen ervaren de omgang met hun vader als beladen, niet onbelast en regelmatig oppervlakkig. Uit het UHA rapport blijkt daarnaast dat de kinderen het als lastig ervaren als de vader hen vragen stelt over een uitbreiding van de omgang. De kinderen vonden de eerder afgesproken regeling voldoende, maar de vader vond dit moeilijk te accepteren. Het is in het belang van de kinderen om tijdens contactmomenten een leuke dag te hebben met de vader waarbij de focus door de vader niet – alsmaar – verlegd wordt naar de mogelijkheden tot een uitbreiding van de omgangsregeling. Omdat het wel in het belang van de kinderen is om met beide ouders contact te hebben, zal de rechtbank de volgende omgangsregeling vastleggen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Een zondag per vier weken zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder. Voor [minderjarige 3] komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] acht de rechtbank hem zelfstandig genoeg om in onderling overleg met de vader afspraken te maken over contactmomenten. Het is des te meer ook aan de vader om zich voor dit contact met [minderjarige 3] in te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de vader moeite heeft om het strijdkader los te laten. Het lukt de vader niet om de wensen en behoeften van de kinderen los te zien van zijn boosheid richting de moeder. Het is echter in het belang van de kinderen dat de vader hier verandering in brengt en zijn aandacht meer gaat richten op zijn band met de kinderen en minder op hetgeen waar hij recht op meent te hebben met betrekking tot de kinderen. De vader zal oprechte belangstelling in de kinderen moeten tonen en zo met hen in gesprek kunnen gaan om erachter te komen wat zij willen en wat er in hen omgaat. In het kader van oprechte belangstelling kan het de vader helpen om, ondanks zijn financiële problemen, toch bij de voetbal van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te gaan kijken, mede omdat zij hebben aangegeven dit heel leuk te vinden. Het is in het belang van de kinderen om zich gezien en gehoord te voelen door hun vader. Hiervoor zal eerst het contact met de vader en de kinderen hersteld moeten worden en daarvoor acht de rechtbank de vader aan zet. Het zal een wat langere adem vragen om de relatie tussen de vader en de kinderen te herstellen en de rechtbank hoopt dat de vader zichzelf en vooral de kinderen deze tijd gunt.\n\nInformatie-\u002Fconsultatieregeling\n\nDe vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de moeder de vader bij voorkeur één keer per maand per mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen. Voorts verzoekt de vader dat de moeder haar medewerking verleent dat de school van de kinderen informatie verstrekt aan de vader over de ontwikkeling van de kinderen op school.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de vader niet altijd geheel op de hoogte is van de ontwikkelingen omtrent de kinderen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. Hiermee hoopt de rechtbank de vader handvatten te bieden voor gesprekken met de kinderen zodat hij belangstelling voor hen kan tonen. De moeder zal daarom de vader eens per maand per mail informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de de kinderen. Daarbij valt te denken aan hun gezondheid, hoe zij het op school doen, hun sport en wat er in hun leven verder speelt. Deze verplichting ziet uitdrukkelijk slechts op informatie-uitwisseling en het is niet de bedoeling dat de vader enige reactie op het bericht van de moeder zal geven. Mocht dat wel voorkomen, is het aan de moeder om deze reactie naast zich neer te leggen. Door het toewijzen van het verzoek van de vader en het vastleggen van de informatieregeling, zal de vader zich kunnen inzetten om meer interesse te tonen in de kinderen. Mede gelet op het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat de moeder haar medewerking verleent aan de vader zodat de school van de kinderen informatie over hen aan de vader verstrekt. De voorgaande informatieregeling houdt voor de moeder ook in om de vader te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op school.\n\nKindbrief\n\nTot slot heeft de rechtbank besloten om in een aparte brief aan [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit te leggen wat de uitkomst van de procedure is. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap zij hebben ontvangen.\n\n“Beste [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1],\n\nOp 29 april 2026 hebben wij elkaar gesproken. Jullie hebben mij veel verteld over het contact met jullie vader. De dag erna heb ik met jullie ouders gesproken. Zij vinden het allebei belangrijk dat jullie contact houden met jullie vader, maar komen er niet goed uit hoe dat dan moet. Ik heb goed naar jullie en naar jullie ouders geluisterd en heb een beslissing genomen. Die leg ik jullie hier uit.\n\nJullie moeder is degene die de belangrijke beslissingen over jullie blijft nemen en dus het gezag over jullie houdt. Jullie vader krijgt niet het gezag. Jullie ouders willen allebei het allerbeste voor jullie, maar het lukt hen niet goed genoeg om samen met elkaar te beslissen. Dat ligt niet aan jullie, zo loopt het soms nou eenmaal tussen gescheiden ouders. Omdat ik me zorgen maak of er nog wel beslissingen genomen kunnen worden als jullie ouders allebei het gezag hebben, lijkt het me beter dat jullie moeder alleen beslist.\n\nDaarbij zal jullie moeder dan wel elke maand informatie over jullie aan jullie vader geven. Dat gaat dan over school, over sport, over jullie gezondheid, en wat er verder nog aan de hand is. Zo blijft jullie vader op de hoogte van wat er speelt in jullie leven. Dat geeft hem ook de kans om gericht met jullie te praten over wat er belangrijk is voor jullie, zoals een operatie of een voetbalwedstrijd.\n\nVoor de omgang heb ik beslist dat jij, [minderjarige 3], zelf moet bekijken wat handig is. Je hebt je vrienden, je werk, school en wat er verder allemaal belangrijk voor je is. Ik heb gezien dat jij prima in staat bent om zelf met je vader afspraken te maken over wanneer je hem spreekt of ziet. Die ruimte geef ik jou dan ook.\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1], jullie gaan één keer per maand op zondag van 11:00u tot 19:00u naar jullie vader. Samen. Als de ene niet kan, gaat de ander ook niet. Dan kunnen jullie misschien de zondag erna samen gaan om de dag in te halen. Ik schrijf ook een brief (dat heet dan een beschikking) aan jullie ouders. Daarin vraag ik jullie vader om zich op die zondag vooral te richten op jullie. Het is de bedoeling dat hij er met jullie een leuke dag van maakt en wat minder focust op meer contact of op overnachtingen. Hij heeft verteld dat hij het leuk vindt om met jullie milkshakes te maken en het park in te gaan. Dat is een goed begin. Ik heb hem ook laten weten dat het voor jullie belangrijk is dat hij de moeite neemt om bijvoorbeeld eens bij jullie voetbal te gaan kijken. Ik hoop dat hij dat doet, maar dat is aan jullie vader om te regelen.\n\nIk beslis niets over vakanties of feestdagen voor jullie alle drie. Wat hiervoor over de omgang staat, blijft dan gewoon gelden. Ik beslis ook niks over uitbreiding van deze regeling. Ik vind het belangrijk dat jullie elkaar weer vinden in een gezellige en fijne omgang, zonder dat er druk op ligt van uitbreiding of extra dagen in een vakantie.\n\nIk hoop dat jullie je hier een beetje in kunnen vinden. Ik hoop ook dat jullie vader er een gezellige boel van gaat maken en dat jullie je weer fijn bij hem gaan voelen. Daar wens ik jullie het allerbeste, en ook veel plezier bij!\n\nHartelijke groetjes,\n\nde kinderrechter”\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 –:\n\nwijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af;\n\nstelt de volgende omgangsregeling vast:\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen een zondag per vier weken naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder;\n\n [minderjarige 3] regelt in onderling overleg met de vader wanneer zij elkaar zien;\n\nbepaalt dat de moeder eens per maand de vader per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen;\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\nen verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","2026-07-13T00:28:28.207Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":91,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":93},"411","ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","ecli-nl-rbdha-2026-17451","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3395\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684783\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 6 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. drs. M. Erkens te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het op 6 mei 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;\n\n- de brief van 7 juli 2025, inhoudende een wijziging van het petitum, namens de\n\n vrouw;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 31 juli 2025 namens de\n\n man;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 september 2025 namens de vrouw;\n\n- de brief van 27 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw;\n\n- het bericht van 28 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en H.C. de Man, tolk in de Franse taal;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de man en de vrouw in de echtelijke woning.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De man heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Guinese nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat de kinderen bij de man verblijven -zodra hij passende huisvesting heeft gevonden om de kinderen te ontvangen en te laten overnachten-:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen het verzochte huurrecht, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.\n\nOp de zitting is de rechtbank gebleken dat de ouders een ouderschapsplan zijn overeengekomen, maar dat dit ouderschapsplan niet bij de rechtbank is overgelegd. Gelet hierop en omdat aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats en Zorgregeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft hiertegen geen bezwaar. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nDe vrouw verzoekt een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen. De man kan zich vinden in de verzochte zorgregeling, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen, mede ook omdat het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw verzoekt met ingang van 6 mei 2025, de datum van indiening van het verzoekschrift, een kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind. De man is het hiermee eens, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe man en de vrouw verzoeken beiden het huurrecht aan hen toe te kennen.\n\nDe vrouw stelt dat zij er belang bij heeft om samen met de kinderen in de echtelijke woning te blijven wonen. Zij is de hoofdverzorger van de kinderen en het is in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Zij zijn immers hier geworteld en gaan ook dichtbij de woning naar school. Volgens de vrouw heeft de man, gelet op zijn inkomen, meer mogelijkheden om andere geschikte woonruimte te vinden.\n\nDe man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het huurrecht aan hem toe te kennen. De man stelt dat hij al meer dan 20 jaar huurder van de woning is en lange tijd alleen in de woning heeft gewoond, voordat de vrouw naar Nederland is gekomen. Volgens de man is de woning niet geschikt voor een gezin. Het betreft een twee-kamer-woning van slechts 64 m2 met een woonkamer en één slaapkamer.\n\nKort voor de zitting is gebleken dat partijen in mediation een overeenkomst hebben gesloten waarbij partijen ten aanzien van het huurrecht hebben afgesproken dat zij tijdelijk samen in de woning zullen blijven wonen totdat de vrouw een andere woning heeft gevonden. Tevens hebben partijen afgesproken dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken.\n\nDe vrouw stelt dat er nu een tegenstrijdigheid is ontstaan over het huurrecht, omdat zij in deze procedure verzoekt het huurrecht aan haar toe te kennen, terwijl in de mediationovereenkomst is opgenomen dat de vrouw afstand doet van het huurrecht. De (advocaat van de) vrouw heeft daarom per e-mailbrief van 4 februari 2026 aan (de advocaat van) de man een beroep gedaan op vernietigbaarheid van dit deel van de overeenkomst, omdat afstand van het huurrecht niet in het belang van de vrouw is. De vrouw stelt de overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gesloten. Zo stelt zij te hebben gedwaald over haar juridische positie, onvoldoende te zijn geïnformeerd en geen rekening te hebben kunnen houden met daarna gebleken omstandigheden.\n\nOp de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat zij niet begrepen heeft wat zij met de mediationovereenkomst heeft ondertekend. Zij stelt de consequenties hiervan niet goed te hebben doorzien. Immers voor de vrouw was het niet duidelijk dat het nu wellicht nog vijf jaar kan duren voordat partijen daadwerkelijk uit elkaar gaan. De vrouw meende dat ze onmiddellijk een urgentieverklaring zou krijgen en dat ze ook geholpen zou worden bij het vinden van een andere woning. De vrouw geeft aan zo spoedig mogelijk met de kinderen een andere woning te willen betrekken. Hiervoor is volgens de vrouw nu nodig dat het huurrecht aan haar wordt toegekend. Zij handhaaft daarom het verzoek.\n\nDe man verzet zich hiertegen en voert aan dat partijen via mediation een geldige overeenkomst hebben ondertekend. Deze overeenkomst is onder begeleiding van een professional tot stand gekomen. De vrouw is volgens de man dan ook goed geïnformeerd over wat zij heeft ondertekend. Daarnaast heeft de vrouw ook nagelaten haar advocaat hierover te raadplegen, wat voor haar eigen rekening en risico komt, aldus de man. Voor zover de vrouw zich beroept op vernietiging van de overeenkomst, stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw hiervoor een dagvaardingsprocedure moet beginnen. Verder geeft de man aan dat de vrouw in de woning kan blijven totdat zij een andere woning heeft gevonden, maar dat hij wel het huurrecht toegekend wenst te krijgen.\n\nDe rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning, omdat beide partijen mogelijk niet op korte termijn over zelfstandige andere woonruimte kunnen beschikken waar ze met beide kinderen kunnen wonen. De rechtbank moet daarom beoordelen van wie de belangen zwaarder wegen.\n\nDe rechtbank zal het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning aan de man toekennen, maar daarbij wel bepalen – zoals in de mediationovereenkomst is vastgelegd – dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden. De rechtbank heeft bij deze beslissing het volgende in aanmerking genomen.\n\nGebleken is dat de vrouw, anders dan de man, in beginsel niet met de kinderen in de echtelijke woning wenst te blijven. De woning is te klein om er met de kinderen te verblijven. De vrouw is op zoek naar andere woonruimte. Zij is met behulp van haar advocaat bezig met het verkrijgen van een urgentieverklaring. Daarbij speelt mee dat de zoon van partijen, die zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft, bekend is met de Sikkelcelziekte en regelmatig ernstige acute pijnaanvallen heeft, wat hopelijk helpend zal kunnen zijn bij het verkrijgen van een urgentieverklaring. Verder is gebleken dat de vrouw in juni 2026 weer een afspraak bij de mediator heeft om over huisvesting te praten. De rechtbank neemt bij de afweging van de belangen verder in overweging dat partijen op 15 januari 2026 een mediationovereenkomst hebben afgesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken. Ondanks dat naar voren is gekomen dat de vrouw mogelijk andere ideeën en verwachtingen had bij het ondertekenen van de mediationovereenkomst, wat overigens door de man wordt betwist, stelt de rechtbank vast dat deze overeenkomst door beide partijen is ondertekend en dus geldig is. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in deze procedure onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit anders zou zijn.\n\nConcluderend betekent dit dat de huidige situatie zal worden gecontinueerd, waarbij partijen voorlopig nog samen met de kinderen in de woning zullen verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat partijen niet meer samen met de kinderen in de woning zouden kunnen verblijven. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij een groot gedeelte van de dag vanwege werk niet thuis is en voor zover hij niet werkt, dat hij zoveel mogelijk in het berghok verblijft. Het neemt niet weg dat het voor beide partijen en vooral de kinderen geen prettige situatie is en dat deze situatie niet al te lang moet duren. De partnerbreuk brengt spanningen met zich en de kinderen worden hiermee geconfronteerd. De rechtbank gaat er echter van uit dat de vrouw, zoals op de zitting ook is gebleken, samen met haar advocaat haar uiterste best gaat doen om zo spoedig mogelijk een andere woning te vinden en dat zodra zij deze heeft gevonden daarnaartoe zal vertrekken. Daarbij merkt de rechtbank tot slot op dat beide ouders samen verantwoordelijk zijn voor de kinderen en rust zullen moeten brengen in deze situatie. De ouders zullen samen hiervoor eventueel met behulp van hun advocaten of hulpverleners nadere afspraken moeten maken, voor zover dit nog niet is gedaan.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen verblijven:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 6 mei 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 125,- per maand, per kind zal betalen, telkens vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nbepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] , [plaats 2]\n\n (gemeente [gemeente] ), met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en onder de voorwaarde dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking –met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van\n\n28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","2026-07-13T00:28:28.549Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":98,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":100},"415","ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","ecli-nl-rbdha-2026-17448","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2689\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701622\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en informatieregelingBeschikking op het op 17 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.L.J. Kapteijn in Alphen aan den Rijn.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. H.H.R. Bruggeman in Leiderdorp.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 19 maart 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 29 april 2026 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;\n\nhet bericht van 6 mei 2026 met bijlagen van de vader;\n\nhet bericht van 8 mei 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 11 mei 2026 van de vader.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde advocaat van de vader;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n [minderjarige] staat blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte bepalen dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;\n\nte bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] onder toezicht bij de vader zal zijn:\n\nom de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\ngedurende één kerstdag en Sinterklaas;\n\nmet Oud en Nieuw in de oneven jaren, in de even jaren zal [minderjarige] bij de moeder zijn.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:\n\n- te bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:\n\niedere dinsdag- en donderdagmiddag tot na het avondeten;\n\néén weekend in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur, welk weekend samenvalt met het weekend dat de andere kinderen van de vader bij hem zijn;\n\n- de volgende vakantieregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader is:\n\nin de even jaren: de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie;\n\nin de oneven jaren: de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, de herfstvakantie en de eerste week van de kerstvakantie,\n\nwaarbij de overdracht op vrijdag om 16.00 uur is;\n\n- de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBlijkens het bericht van de vader van 11 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader niet in staat was om op de zitting te verschijnen, omdat hij in detentie zit. De rechtbank acht het van belang dat de vader in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt ten aanzien van de zorgregeling naar voren te kunnen brengen. De rechtbank zal gelet op deze bijzondere omstandigheden de inhoudelijke behandeling van de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.\n\nIn afwachting van de inhoudelijke behandeling van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen. De rechtbank acht het namelijk van belang dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] . Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder dat zich grote zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De moeder stelt daarnaast dat er een aantal incidenten hebben plaatsgevonden en dat de vader door middelengebruik gedurende een langere periode [minderjarige] niet heeft gezien. Mede gelet op de verschillende meldingen die bij Veilig Thuis binnen zijn gekomen, zoals volgt uit het rapport van Cardea, acht de rechtbank deze zorgen niet zonder meer ongegrond. In afwachting tot de inhoudelijke behandeling ten aanzien van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank daarom bepalen dat contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder begeleiding van de moeder, vader of zus vaderszijde, conform het verzoek van de moeder.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nWettelijk kader\n\nIn het eerste lid van artikel 1:253a BW is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat zij sinds het uit elkaar gaan van de ouders, de hoofdzorg draagt over [minderjarige] en dat het dan ook belangrijk is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De vader gaat akkoord met het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nInformatieregeling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a BW, sub c van het tweede lid kan de rechtbank een regeling vaststellen inzake de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader stelt dat het wenselijk is een duidelijk omschreven informatieregeling vast\n\nte leggen. Op de zitting is gebleken dat de moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader om hem minimaal één keer per maand per email te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat [minderjarige] voorlopigbij de vader zal zijn: om de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;\n\n*\n\nbepaalt dat de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan toteen nader te bepalen zittingsdatum.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","2026-07-13T00:28:28.773Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":105,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":107},"416","ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","ecli-nl-rbdha-2026-17450","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3878\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F685736\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.W. Stok te Delft.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\n- het bericht van 24 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk in de Arabische taal J. Labban;\n\n [naam] namens Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan naar Islamitisch recht.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De vrouw en de man hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 17 april 2026. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is deze ondertoezichtstelling verlengd tot 17 april 2027.\n\n- Deze rechtbank heeft op 22 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\ndat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;\n\ndat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\ndat een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij de kinderen vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning bij de man zijn elke zaterdag gedurende twee uur, in onderling overleg (met de jeugdbeschermer) af te spreken, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt, en waarbij de kinderen vanaf het moment dat de man eigen woonruimte heeft, bij de man zijn om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt;\n\ndat deze voorlopige zorgregeling doorloopt in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil en verder dat de voorlopige zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast;\n\ndat de man aan de vrouw, met ingang van 2 september 2025 of zoveel eerder als de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig een kinderalimentatie van € 150,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen eens per veertien dagen bij de man zijn van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 voor het avondeten, waarbij de man de kinderen haalt en brengt als er gewisseld moet worden en de reguliere zorgregeling in de vakanties zal doorlopen, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, in welk geval voorafgaand overleg tussen de ouders plaatsvindt;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 150,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 22 mei 2025 (de datum van de indiening van het verzoekschrift);\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken, toe te wijzen, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\n- toewijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal worden bepaald, met de toevoeging “op voorwaarde dat de man zelfstandige woonruimte heeft”.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om voorafgaand aan de zitting op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding, zonder ouderschapsplan.\n\nAan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt om de echtscheiding uit te spreken. De man kan zich hiermee verenigen. Gelet hierop staat de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk in rechte vast, zodat de rechtbank het daarop steunende verzoek tot echtscheiding als niet weersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nTer zitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Gelet op deze overeenstemming, het gegeven dat de kinderen nu al langere tijd bij de vrouw verblijven en het feit dat de man momenteel bij een daklozenopvang verblijft, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw bepalen.\n\nVerdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling)\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de zorgregeling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nUit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de man de voorlopige zorgregeling niet (volledig) nakomt. Dat komt enerzijds door de gezondheidsproblemen die de man ervaart en de ziekenhuisafspraken die daarmee verband houden, en anderzijds vanwege het feit dat de man geen eigen woonruimte heeft en in een daklozenopvang verblijft. Ook de gecertificeerde instelling geeft aan dat de zorgregeling niet goed loopt, maar dat het voor de kinderen wel belangrijk is om contact te hebben met hun vader. Daarbij wijst de gecertificeerde instelling erop dat het contactmoment door de voorzieningenrechter in het kader van de voorlopige zorgregeling op zaterdag is bepaald, maar dat het lastig is om op zaterdagen hulpverlening rondom de contactmomenten te organiseren in verband met de werkuren van de hulpverlening.\n\nNaar aanleiding van het voorgaande heeft de rechtbank ter zitting met partijen en de gecertificeerde instelling gesproken over het organiseren van een contactmoment op een andere dag. De ouders zijn het erover eens geworden dat de kinderen voortaan niet op zaterdag, maar op donderdag gedurende twee uur contact zullen hebben met de man. De ouders dienen in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners af te spreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de overige voorwaarden van de voorlopige zorgregeling blijven gelden, in die zin dat de zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, en dat de zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de ouders vanuit deze regeling (en al dan niet onder begeleiding van de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners) dienen toe te werken naar het uitbreiden van de zorgregeling conform het verzoek van de vrouw op het moment dat de man over huisvesting beschikt en zijn gezondheid een uitgebreidere regeling toelaat.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt over de toebedeling van het huurrecht, in die zin dat de man tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij zich – mede gelet op zijn standpunt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen – erbij kan neerleggen dat het huurrecht onder de huidige omstandigheden aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie, in die zin dat de ouders het erover eens zijn geworden dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal voldoen van € 25,- per kind per maand. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nDaarbij zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat er in de voorlopige voorzieningenprocedure al een voorlopige bijdrage is bepaald.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 juli 2025 – :\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] elke donderdag gedurende twee uur bij de man zullen zijn, waarbij de ouders in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof betrokken hulpverleners afspreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt en dat toegewerkt kan worden naar een mogelijke uitbreiding van deze zorgregeling zoals in het lichaam van deze beschikking is weergegeven;\n\nbepaalt dat deze zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een van de ouders met de kinderen op vakantie wil;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woning aan de [adres] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de man, met ingang van de dag van de datum van deze beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en het toekennen van het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","2026-07-13T00:28:28.820Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":112,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":114},"527","ECLI:NL:RBDHA:2026:17447","ecli-nl-rbdha-2026-17447","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-9480\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F696148\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBeschikking op het op 15 december 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. B.S. van Haeften in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: voorheen mr. M.E.R. van Herpen in ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 16 december 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 16 december 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 18 december 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 18 december 2025 met bijlage van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 17 februari 2026 van de moeder;\n\nhet bericht van 5 mei 2026 van de moeder.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad\n\nZij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ;\n\n [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] .\n\nDe ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt, na wijziging en aanvulling, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, al dan niet tijdelijk, te wijzigen, waarbij:\n\n- de vader iedere zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 12.00 uur contact heeft met de kinderen onder begeleiding van zijn ouders, zussen of vooraf afgestemde andere persoon en de kinderen onder deze begeleiding bij de moeder ophaalt en terugbrengt,\n\nalthans een regeling wordt vastgesteld zoals deze rechtbank juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een beslissing over de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen en de opvoedcapaciteiten van de vader. Zo laat de vader [de minderjarige 1] met regelmaat alleen thuis, kleedt hij de kinderen niet op een verantwoordelijke manier aan en brengt hij [de minderjarige 1] vaak te laat naar school. De kinderen worden vaak moe naar de moeder gebracht. [de minderjarige 2] slaapt niet in een geschikt bed bij de vader en de kinderen hebben van augustus tot en met november onder enkel een laken geslapen. Voor [de minderjarige 1] is het extra belangrijk dat er rust, reinheid en regelmaat is. De vader kan dit niet bieden, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige 1] zijn ontwikkeling is. De vader is eind juni 2025 verhuisd. Hij heeft de kinderen langere tijd laten wonen in een woning die niet af is en niet veilig is voor de kinderen. Ook houdt de vader zich niet aan de afspraak dat hij niet zou drinken, waardoor hij een keer [de minderjarige 1] niet kon terugbrengen naar de moeder, omdat hij teveel had gedronken. De vader stelt daarentegen dat de veiligheid van de kinderen niet meer in het geding is nu de vader de verbouwing van de woning heeft afgerond. De vader is daarnaast ook bezig met hulp zoeken voor zijn alcoholproblemen.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder de vader ziet als een goede en lieve vader voor de kinderen, maar ze zich zorgen maakt over de veiligheid van de kinderen bij de vader. In verband met deze zorgen heeft de vrouw eerder een Veilig Thuis melding gemaakt. Het is de rechtbank op de zitting gebleken dat de vader moeite heeft met het reguleren van zijn boosheid richting de moeder en dat er zorgen zijn over zijn alcoholgebruik. De vader erkent deze problemen en dat hij aan zichzelf moet werken. De rechtbank acht het van belang dat de vader aan deze problematiek werkt en daarvoor de tijd en ruimte krijgt. De kinderen hebben twee beschikbare ouders nodig en daarvoor is vereist dat de vader aan zichzelf werkt, mede om de veiligheid van de kinderen te kunnen garanderen. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel, net als de moeder, dat er ondertussen wel contact tussen de vader en de kinderen zal zijn. Daarom zal de rechtbank een begeleide zorgregeling tussen de kinderen en de vader vaststellen, zodat het contact tussen de vader en de kinderen op een verantwoorde en veilige manier plaatsvindt. Het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden conform het verzoek van de moeder, te weten iedere zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding van vader zijn ouders of een van zijn zussen, of vooraf afgestemde andere persoon. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de vader deze begeleiding zal regelen, zodat hij ook daadwerkelijk contact kan hebben met de kinderen, temeer de moeder aangeeft dat de kinderen de vader ook missen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats] ;\n\n [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nbij de vader zullen zijn iedere zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 12.00 uur onder begeleiding van zijn ouders, zussen of vooraf afgestemde andere persoon en de kinderen onder deze begeleiding bij de moeder ophaalt en terugbrengt;\n\n*\n\nverklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17447","2026-07-13T00:28:34.881Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":119,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":121},"544","ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","ecli-nl-rbdha-2026-17453","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-9531\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F696236\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Vervangende toestemming erkenning en gezag\n\nBeschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.D. Radenovska te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande de vervangende toestemming tot erkenning wordt aangemerkt:\n\n [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,\n\nde minderjarige,\n\nin rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs,\n\nadvocaat te ’s-Gravenhage,\n\nin de hoedanigheid van bijzondere curator.\n\nAls belanghebbende ten aanzien van het verzoek aangaande het gezag wordt aangemerkt:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden,\n\nde voorlopige voogdes,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van:\n\n- het verzoekschrift, ingekomen op 10 december 2025;\n\n- het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 4 maart 2026;\n\n- het bericht van 11 maart 2026 van de zijde van de man;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de bijzondere curator;\n\n- het bericht van 12 maart 2026 van de zijde van de man.\n\nFeiten\n\n-Uit de affectieve relatie tussen de man en [de moeder] (hierna: de moeder) is [de minderjarige] op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] geboren.\n\n-[de minderjarige] is niet erkend.\n\n-De moeder is op [datum] 2025 overleden.\n\n-De moeder was van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.\n\n-[de minderjarige] verblijft sinds het overlijden van de moeder bij de man en diens moeder.\n\n-Bij beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] tot 20 januari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 18 december 2025 verzocht om de man te belasten met de voogdij over [de minderjarige] . Op dit verzoek is nog geen beslissing genomen, zodat de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling na 20 januari 2026 is blijven doorlopen.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 6 januari 2026 is mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [de minderjarige] ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe:\n\n- primair: de man vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [de minderjarige] kan erkennen;\n\nsubsidiair: het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen;\n\n- de man met het gezag over [de minderjarige] te belasten,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe bijzondere curator verzoekt zelfstandig het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nVervangende toestemming erkenning\n\nDe man heeft primair verzocht hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Subsidiair heeft de man verzocht om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.\n\nVoor de bijzondere curator staat vast dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat het vaderschap van de man komt vast te staan. De bijzondere curator heeft op zich geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen. Haar voorkeur gaat echter uit naar gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man omdat dit terugwerkt tot de geboorte van [de minderjarige] .\n\nNadat de man kennis heeft genomen van het verslag van de bijzondere curator, heeft hij gepersisteerd bij zijn primaire verzoek.\n\nDe rechtbank ziet in erkenning geen nadeel voor [de minderjarige] en nu dit de uitdrukkelijke wens van de vader is, zal de rechtbank het primaire verzoek van de man beoordelen.\n\nArtikel 1:204, derde lid, BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.\n\nDe moeder kan door haar overlijden geen toestemming meer geven voor de erkenning door de man. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 1:204 BW dient onder het ontbreken van toestemming ook te worden begrepen het geval dat de moeder geen toestemming meer kan geven omdat zij is overleden.\n\nNu voldoende is komen vast te staan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , alle betrokkenen het eens zijn met het verzoek en de rechtbank niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang kan komen, zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen, zal worden afgewezen.\n\nUit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.\n\nGezag\n\nDe rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de man om hem met het gezag over [de minderjarige] te belasten aanhouden. Op dit verzoek kan pas worden beslist nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na de datum van deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. Het verzoek van de man aangaande het gezag zal samen met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorziening in de voogdij (zaaknummer C\u002F09\u002F696516) worden behandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 1] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1983 te [geboorteplaats 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;\n\nwijst af het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator;\n\nbeschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;\n\nbepaalt dat de beslissing ten aanzien van het gezagpro forma wordt aangehouden tot1 november 2026;\n\nbepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door\n\nmr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17453","2026-07-13T00:28:36.001Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":126,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":128},"546","ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","ecli-nl-rbdha-2026-17481","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-6256\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F690293\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nBeschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 10 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 11 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 12 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1].\n\n- Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 in [geboorteplaats 2].\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nDe moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\neen raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken hoe [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben;\n\neen dwangsom van €500,00 aan de moeder op te leggen voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van €15.000,00.\n\nBeoordeling\n\nGezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nDe moeder stelt dat de ouders nauwelijks contact hebben en als zij contact hebben, dit in discussies vervalt. De houding van de vader heeft er in het verleden voor gezorgd dat de moeder niet makkelijk met de kinderen op vakantie kon. De moeder moet elke keer weer een procedure voeren of dreigen met een procedure om toestemming te krijgen. De vader maakt volgens de moeder misbruik van het gezag, waardoor zij steeds weer extra onnodige kosten moet maken om de kinderen een vakantie in het buitenland te kunnen geven. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader meermaals aan haar heeft laten weten dat hij akkoord zal gaan met beëindiging van het gezag.\n\nDe vader stelt dat de moeder op allerlei manieren het contact tussen hem en de kinderen heeft gefrustreerd. De vader heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] hoewel er in de echtscheidingsbeschikking een zorgregeling is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige], welke door het Hof is bekrachtigd. De moeder blokkeert echter het contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist het inzetten van procedures om toestemming te krijgen voor vakanties, omdat hij al eerder toestemming had gegeven. Daarnaast legt de moeder geen bewijs over van haar andere stellingen. De vader stelt dat de moeder hem van een aantal zaken beschuldigt, wat de communicatie moeilijk maakt. De vader staat open voor hulpverlening of mediation om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Gezien de weigerachtigheid van de moeder om mee te werken met hulpverlening om de omgang weer op gang te krijgen, is de vader van mening dat een verwijzing naar Cardea niet meer voldoende is.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de ouders elkaar over en weer van verschillende zaken beschuldigen. De moeder stelt dat er bij Veilig Thuis een melding is gemaakt over seksueel misbruik en de vader heeft daartegenover gesteld dat Veilig Thuis telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een misverstand. Hier zijn echter door beide ouders geen stukken van overgelegd. Voorts is gebleken dat de ouders bij Cardea een hulpverleningstraject zijn gestart, maar deze is beëindigd waarvan wederom geen stukken zijn overgelegd. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat zij meerdere malen een kort geding is gestart om vervangende toestemming te vragen voor vakanties, terwijl de vader daartegenin brengt dat hij deze toestemming telkens wel heeft gegeven. Ook hiervan ontbreken de stukken waaruit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid. De rechtbank constateert dat er sprake is van spanningen tussen de ouders, maar dat de beschikbare informatie ontoereikend is om de feitelijke situatie en de belangen van [minderjarige] te kunnen beoordelen.\n\nOp dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:\n\nIs gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag?\n\nZo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]?\n\nIs hulpverlening voor [minderjarige] en\u002Fof de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nverzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;\n\nbepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;\n\nbepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;\n\nbeveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en de dwangsomaan tot1 februari 2027 pro forma;\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","2026-07-13T00:28:36.117Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":133,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":135},"579","ECLI:NL:RBDHA:2026:17446","ecli-nl-rbdha-2026-17446","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2553\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701353\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Voogdij\n\nBeschikking op het op 4 februari 2026 ingekomen verzoekschrift van:\n\n [de verzoekster] ,\n\nde verzoekster,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.J. Zeilstra in Amsterdam,\n\nen\n\n [de verzoeker] ,\n\nde verzoeker,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.J. Zeilstra in Amsterdam.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de biologische moeder] ,\n\nde biologische moeder,\n\nverblijvende in Mongolië,\n\nen\n\n [de biologische vader] ,\n\nde biologische vader,\n\nverblijvende in Mongolië.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 12 maart 2026 van de verzoekers;\n\nhet bericht van 25 maart 2026 van de verzoekers;\n\nhet bericht van 26 maart 2026 met bijlage van de verzoekers;\n\nhet bericht van 16 april 2026 met bijlagen van de verzoekers.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde verzoekers bijgestaan door hun advocaat en een tolk in de Mongoolse taal, S. Surenjav;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n- Uit het huwelijk van de biologische ouders is het volgende nog minderjarige kind geboren:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Mongolië; dit is de naam zoals opgenomen in de eerste in Mongolië opgemaakte geboorteakte.\n\nDe verzoeker is de broer van de biologische moeder.\n\nDe verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. [de minderjarige] , de verzoeker en de biologische ouders hebben de nationaliteit van Mongolië.\n\nOp 24 augustus 2021 heeft de Ordenance of the Governor van het Metropolitan Khan-Uul District van Ulaanbaataar City toestemming gegeven voor de adoptie van [de minderjarige] door de verzoekers. Hierna is een nieuwe geboorteakte opgemaakt in Mongolië. [de minderjarige] woonde in Mongolië ten tijde van deze beslissing.\n\nOp de eerst opgemaakte geboorteakte van [de minderjarige] zijn de biologische ouders als ouders vermeld. Op de huidige in Mongolië afgegeven geboorteakte van [de minderjarige] , opgemaakt op 31 augustus 2021 en voorzien van een apostille, staan de verzoekers als de ouders van [de minderjarige] vermeld.\n\nDe verzoekers zijn sinds 2018 woonachtig in [plaats 1] . De verzoekers zijn gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 2] , Mongolië.\n\nOp 14 juli 2025 zijn de verzoekers samen met [de minderjarige] naar Nederland afgereisd. Sindsdien verblijft [de minderjarige] in Nederland bij de verzoekers.\n\n [de minderjarige] beschikt niet over een verblijfsvergunning. Hij is niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).\n\nOp 4 februari 2026 is een door de verzoekers ingediend adoptieverzoek bij deze rechtbank binnengekomen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer 699887 FA RK 26-1671.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt ertoe de verzoekers in het kader van een voorlopige voorziening ex 223 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) voor de duur van de procedure in de hiervoor genoemde adoptiezaak (699887 FA RK 26-61) op grond van artikel 1:299 Burgerlijk Wetboek (BW) (voorlopig) te belasten met de voogdij over de minderjarige [de minderjarige] .\n\nDe biologische ouders hebben geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n [de minderjarige] , de verzoeker en de biologische ouders hebben de nationaliteit van Mongolïe, waardoor deze zaak een internationaal karakter heeft. Dit vereist een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.\n\nHet verzoek betreft een geschil over de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 2019\u002F1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel-II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind ten tijde van het verzoek maatschappelijk de nauwste binding heeft. De rechtbank gaat er bij de beoordeling van dit verzoek van uit dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] Nederland is, nu is gebleken dat [de minderjarige] sinds 2025 bij de verzoekers in Nederland feitelijk verblijft en hier ook al enige tijd naar school gaat. Aangezien [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats bij de verzoekers in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\nNu de rechtsmacht gebaseerd is op Brussel II-ter dienen voor het toepasselijk recht de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV ’96 ) te worden toegepast. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is Nederlands recht van toepassing.\n\nVoogdij\n\nWettelijk kader\n\nUit artikel 1:295 BW volgt dat de rechtbank een voogd benoemt over een minderjarige, als die niet onder ouderlijk gezag staat en in de voogdij over de minderjarige niet op wettige wijze is voorzien. Op grond van artikel 1:299 BW kan de rechtbank een voogd ambtshalve en op verzoek benoemen. De te treffen voorziening moet het meest in het belang van de minderjarige worden geacht.\n\nStandpunt verzoekers\n\nDe verzoekers, woonachtig in Nederland, hadden al geruime tijd een grote kinderwens en konden zelf wegens medische redenen geen kinderen krijgen. In 2020 raakte de (schoon)zus van de verzoekers, woonachtig in Mongolië, ongewenst zwanger en er ontstond de mogelijkheid tot adoptie. Dit heeft geleid tot de adoptie van [de minderjarige] door de verzoekers in Mongolië. Toen de biologische moeder van [de minderjarige] zwanger raakte, hebben de verzoekers een adoptieverzoek gedaan bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid in Nederland. Dit verzoek werd in februari 2021 afgewezen gelet op de schorsing van het Nederlandse adoptiebeleid. Aanvankelijk werd [de minderjarige] in Mongolië door een familielid verzorgd vanwege het feit dat de verzoekers hem niet konden meekrijgen naar Nederland. Ondertussen gingen verzoekers zoveel mogelijk naar Mongolië, maar zij konden door visum restricties niet langer dan 90 dagen blijven. Als zij niet naar Mongolië konden, videobelden zij [de minderjarige] elke dag en ook op afstand bleven zij zorg voor hem dragen. Het familielid dat [de minderjarige] feitelijk opvoedde, deed dit alleen in lijn met de opvoeding van verzoekers. Op 14 juli 2025 zijn verzoekers met [de minderjarige] afgereisd naar Nederland op een Duits Schengenvisum. Sindsdien woont hij bij de verzoekers in Nederland en gaat hij sinds oktober 2025 naar school. Het is voor de verzoekers van groot belang dat [de minderjarige] zonder belemmeringen kan opgroeien en zekerheid verkrijgt over zijn positie in Nederland.\n\nDe Raad\n\nTer zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad - kort weergegeven - aangegeven dat het maar de vraag is of er voldoende spoedeisendheid is bij een nu al, zonder nader onderzoek, te nemen – al dan niet tijdelijke - voogdijmaatregel. Zij heeft erop gewezen dat een tijdelijke voogdijregel mogelijk consequenties zal hebben, al dan niet verblijfsrechtelijk, die op dit moment niet te overzien zijn. Zij heeft aangegeven dat de Raad een onderzoek gaat doen maar dat nog niet te zeggen is wanneer dat onderzoek gereed zal zijn.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in deze procedure niet voorligt de vraag of de adoptiebeslissing uit Mongolië in Nederland kan worden erkend. Ook ligt niet voor de vraag of [de minderjarige] in aanmerking zou komen voor adoptie naar Nederlands recht. Deze verzoeken worden behandeld in de zaak met zaaknummer 699887 FA RK 26-1671.\n\nDe rechtbank richt zich bij de beoordeling van dit verzoek uitsluitend op de vraag of er sprake is van openstaand gezag en zo ja, of en hoe daarin moet worden voorzien.\n\nDe rechtbank komt op basis van de stukken en stellingen van verzoekers tot de conclusie dat er sprake is van openstaand gezag ten aanzien van [de minderjarige] . De rechtbank komt daartoe op grond van het volgende. De biologische ouders hebben naar Mongools recht bij de geboorte van [de minderjarige] het gezag over hem verkregen. Er is vervolgens een uitspraak in Mongolië geweest waarbij naar Mongools recht de adoptie door verzoekers van [de minderjarige] is uitgesproken. De vorm van gezag die verzoekers ingevolge deze in Mongolië uitgesproken adoptiebeschikking naar Mongools recht hebben verkregen, komt weliswaar overeen met het gezag over minderjarigen zoals het Nederlands recht dat kent, echter slechts in het geval dat de adoptie (- en daarmee de gezags)beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, kan de rechtbank aannemen dat verzoekers met het gezag zijn belast. Het komt de rechtbank voorlopig voor dat dit niet het geval is en de rechtbank overweegt daartoe als volgt. Mongolië is sinds 2000 aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag 1993 (hierna: HAV) en was dit dus ook ten tijde van de adoptiebeslissing uit 2021. Dit betekent dat het HAV in deze zaak van toepassing was en is. Een adoptiebeslissing wordt op grond van het verdrag in andere verdragslanden van rechtswege erkend, wanneer de staat van herkomst schriftelijk heeft verklaard (artikel 23 HAV) dat de adoptie in overeenstemming met het verdrag tot stand is gekomen. Een dergelijke verklaring is er niet. Namens verzoekers is ter zitting verklaard dat een dergelijke verklaring niet is afgegeven en ook niet zal worden afgegeven. Er is door verzoekers ook geen beginseltoestemming verkregen. Het ontbreken van deze verklaring en de beginseltoestemming heeft tot gevolg dat de rechtbank het er in deze procedure voor moet houden dat de in Mongolië uitgesproken adoptie niet van rechtswege in Nederland wordt erkend. Dit betekent dat de rechtbank het er voor houdt dat verzoekers niet door de adoptiebeslissing van rechtswege het gezag over [de minderjarige] hebben verkregen.\n\nNu de rechtbank niet kan vaststellen dat verzoekers bekleed zijn met het gezag over [de minderjarige] , terwijl zijn biologische ouders in Mongolië verblijven (en daar naar Mongools recht ook niet meer met het gezag zijn bekleed) is de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van openstaand gezag ten aanzien van [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat daarin in het belang van [de minderjarige] moet worden voorzien. Er is op dit moment niemand die beslissingen over [de minderjarige] kan nemen. Dat is wel nodig. De verzoekers hebben op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] van school moet wisselen en dat [de minderjarige] ingeënt moet worden volgens het Rijksvaccinatieprogramma. Zij lopen bij dit soort in het belang van [de minderjarige] te nemen beslissingen ertegen aan dat zij niet beslisbevoegd zijn. Voorts is gebleken dat het raadsonderzoek en de behandeling van de overige verzoeken in deze zaak nog enige tijd op zich zullen laten wachten. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat er in afwachting van het raadsonderzoek en de bodemprocedure gezagsbeslissingen inzake [de minderjarige] genomen zullen moeten worden. De rechtbank volgt de Raad dus niet, dat er geen belang is bij een nu al te geven voorziening in het gezag. De rechtbank acht een voorziening in het gezag in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.\n\nBeoordeeld moet worden op welke wijze in het gezag moet worden voorzien. De rechtbank kan de Raad volgen, dat een raadsonderzoek nodig is om meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [de minderjarige] , voordat een definitieve beslissing over de adoptie kan worden genomen. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige] dat verzoekers voor nu, totdat een eventueel andere gezagsbeslissing wordt genomen, met de voogdij worden belast. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\nUit de stukken en uit wat op de zitting naar voren is gebracht, is het de rechtbank gebleken dat de verzoekers de verzorging en opvoeding sinds juli 2025 in Nederland op zich nemen en dat zij ook daarvóór zeer betrokken waren bij zijn verzorging en opvoeding. De rechtbank ziet voldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat de verzoekers het belang van [de minderjarige] daarbij centraal stellen. De rechtbank baseert zich daarbij mede op de verklaringen van de verzoekers op de zitting waaruit blijkt dat ze de hulpverlening van Centrum Jeugd en Gezin hebben ingeschakeld en meerdere gesprekken met de school van [de minderjarige] hebben gehad.\n\nDe rechtbank heeft in overweging genomen en ter zitting aan de Raad voorgehouden of Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden met de voogdij over [de minderjarige] zou moeten worden belast. De Raad heeft echter op de zitting aangegeven dat dit niet in de rede ligt omdat er geen sprake is van een acute situatie die een voorlopige voogdij maatregel (1:241 BW) in deze zaak noodzakelijk maakt.\n\nGelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de verzoekers [de minderjarige] al geruime tijd verzorgen en opvoeden, ziet de rechtbank aanleiding om de verzoekers met de voogdij over [de minderjarige] te belasten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbenoemt de verzoekers tot voogden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , Mongolië;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17446","2026-07-13T00:28:37.822Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":140,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":142},"595","ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","ecli-nl-rbdha-2026-17452","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 24-9227\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F677799\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:\n\n [de vader] ,\n\nde man, hierna: de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W. den Hoek in Leiden.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano in Katwijk.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen en is iedere verdere beslissing over het gezag en de proceskosten pro forma aangehouden.\n\nDe rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van het bericht van 12 mei 2026 van de vader, met bijlage.\n\nBeoordeling\n\nZoals is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026 kan de rechtbank pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning van [de minderjarige] door de vader tot stand is gebracht. Uit de op 12 mei 2026 door de vader overgelegde akte van erkenning blijkt dat de vader [de minderjarige] heeft erkend op 31 maart 2026. Dit betekent dat de rechtbank nu definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag kan beslissen, in die zin dat het verzoek van de vader om te bepalen dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen uitoefenen zal worden toegewezen, conform dat wat hierover reeds is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026.\n\nOmdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 1] 1982 in [geboorteplaats 1] , mede het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van\n\nmr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","2026-07-13T00:28:38.560Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":147,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":149},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":154,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":155,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":156},"387","ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","ecli-nl-rbdha-2026-17436","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-7121\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F691898\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 29 september 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nFeiten\n\n De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.\n\n Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .\n\n De vader heeft [de minderjarige] met toestemming van de moeder op 23 juni 2023 erkend.\n\n De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden sinds oktober 2024 zijn gewijzigd.\n\nBeoordeling\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over het kind blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien\n\nb) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nDe moeder stelt dat de vader niet goed voor [de minderjarige] zorgt wanneer zij bij hem is. Zij heeft autisme en is op extra hulp aangewezen. Volgens de moeder is het te druk bij de vader thuis voor [de minderjarige] , gelet op de aanwezigheid van de andere kinderen van de vader. De moeder heeft in oktober 2024 de omgangsregeling stopgezet, omdat zij aan [de minderjarige] merkte dat deze vorm van contact haar geen goed deed. Daarnaast geeft zij aan geen contact te hebben met de vader en als er wel contact is, dat dit slecht verloopt. De moeder stelt dat de vader een eigen leven heeft met een nieuw gezin en dat [de minderjarige] daar niet tussen past. Momenteel ondervindt de moeder geen problemen met de gezamenlijke gezagsuitoefening, maar zij geeft aan graag problemen in de toekomst voor te blijven.\n\nOp de zitting heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige] sinds oktober 2024 niet meer gezien heeft. Wel hebben de vader en [de minderjarige] wekelijks contact waarbij zij elkaar berichten sturen via de telefoon. De vader heeft aangegeven dat hij niet uit het gedrag van [de minderjarige] heeft kunnen afleiden dat het haar te druk was bij hem thuis, hij dacht dat zij het juist leuk bij hem had. De vader heeft zich neergelegd bij het verbreken van het contact, omdat hij ervan uitgaat dat de moeder het beste weet wat goed is voor [de minderjarige] . Nooit heeft de vader de gezamenlijke gezagsuitoefening dwars willen zitten en hij heeft daarom dan ook altijd de benodigde documenten ondertekend. Op die manier bleef hij ook op de hoogte omtrent huidige ontwikkelingen van [de minderjarige] .\n\nOp de zitting is gebleken dat de vader [de minderjarige] graag zou willen zien en beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om zich hiervoor in te gaan zetten. Op aanraden van de Raad zal de moeder zal hiervoor een aanmelding doen bij het wijkteam of Family Supporters. Het doel hiervan is dat de vader handvatten krijgt zodat hij kan leren om te gaan met het autisme van [de minderjarige] en er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting daarnaast gebleken dat er een aantal misverstanden tussen de ouders zijn geweest waardoor er nu een gebrek aan contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Om het gezamenlijk gezag te beëindigen moet de rechtbank toetsen of [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. De rechtbank concludeert dat hier geen sprake van is, nu de vader vooralsnog altijd de benodigde documenten heeft ondertekend binnen een redelijke termijn. Ook is niet gebleken dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is dat de moede het eenhoofdig gezag verkrijgt. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag daarom afwijzen.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nwijst het verzoek van de moeder af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17436","2026-07-13T00:28:27.211Z",{"id":158,"ecli":159,"slug":160,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":161,"fullText":162,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":164,"parsedAt":64,"updatedAt":165},"286","ECLI:NL:RBDHA:2026:17386","ecli-nl-rbdha-2026-17386","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2124\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700644\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBeschikking op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Rastegar in Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 27 maart 2026 met bijlage van de vader.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat.\n\nDe moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat de vader verzoekt een regeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om de week een heel weekend bij de vader is, van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij ouders gelijkelijk verantwoordelijk zijn voor het halen en brengen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe moeder heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het voor de (identiteits-)ontwikkeling van een kind in algemene zin van belang is om contact te hebben met beide ouders. Een kind heeft ook het recht om contact te hebben met beide ouders, tenzij dit niet in het belang is van het kind. Een ouder heeft – tenzij er sprake is van ernstige, wettelijk vastgelegde, contra-indicaties – ook recht op contact met zijn kind. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat contact met de vader niet in het belang van [de minderjarige] zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vader onweersproken heeft gesteld dat er een informele zorgregeling heeft bestaan, waarbij [de minderjarige] om de week een weekend bij de vader was. Van contra-indicaties, waaruit zou volgen dat contact niet (langer) in het belang is van [de minderjarige] , is niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader om vaststelling van een zorgregeling zal toewijzen. Omdat [de minderjarige] nog heel jong is en hij zijn vader al geruime tijd niet meer heeft gezien, zal de rechtbank bepalen dat de contacten moeten worden opgebouwd, zodat [de minderjarige] weer rustig aan het contact met zijn vader kan wennen.\n\nDe rechtbank zal ook het verzoek van de vader om te bepalen dat beide ouders een gelijk aandeel hebben in het halen en brengen van [de minderjarige] toewijzen, nu dit verzoek de rechtbank redelijk voorkomt. Om te voorkomen dat de verdeling van deze taken tot verdere discussies leidt, zal de rechtbank een concrete regeling vaststellen.\n\nVolledigheidshalve merkt de rechtbank het volgende op. De enige reactie van de zijde van de moeder op het verzoek om het contact te herstellen, komt erop neer dat zij vindt dat de vader [de minderjarige] pas weer mag zien als hij kinderalimentatie voor hem betaalt. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de vader niet bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geen reden is om hen het recht op contact met elkaar te ontzeggen. De rechtbank stelt ook vast dat de vader tijdens zitting heeft gezegd dat hij bereid is om kinderalimentatie te betalen. Partijen hebben echter nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de opvoeding. Het ligt op de weg van de ouders om daarover met elkaar te overleggen, elkaar inzicht te geven in hun financiële situatie en concrete voorstellen te doen, omdat duidelijk is dat dit onderwerp tot discussies en spanningen tussen hen leidt. Die discussies en spanningen zijn niet in het belang van [de minderjarige] .\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt, ter vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal zijn:\n\nin juni 2026: om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;\n\nin juli 2026: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\nvanaf augustus 2026: om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\nwaarbij de moeder de minderjarige naar de vader brengt en de vader de minderjarige bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nen verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17386","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.744Z",{"id":167,"ecli":168,"slug":169,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":161,"fullText":170,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":164,"parsedAt":64,"updatedAt":172},"283","ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","ecli-nl-rbdha-2026-17394","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1934\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700299\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] , de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift, van 25 februari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de man;\n\n- het F9-formulier van 13 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 14 mei 2026, van de man.\n\n [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.\n\nBlijkens de F9-formulieren van 12 mei 2026 en het F9-formulier van 13 mei 2026 hebben partijen overeenstemming bereikt. De rechtbank is verzocht de bereikte overeenstemming vast te leggen in een beschikking. De overige verzoeken zijn ingetrokken. Gelet hierop is afgezien van een behandeling op zitting.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 te [plaats 1] ( [land] ).\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Partijen bezitten de Poolse nationaliteit.\n\n-De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend; dat verzoek is onder zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F699940 FA RK 26-1708 in behandeling.Beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt en zij hebben verzocht deze overeenstemming op te nemen in een beschikking, onder intrekking van hun andersluidende verzoeken.\n\nDe rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n* bepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\naan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n * bepaalt dat voornoemde minderjarigen, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig bij de man zijn:\n\n- de ene week van zaterdag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n- de andere week van zondag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n* bepaalt dat de vrouw per 26 juni 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] te [plaats 2] ;\n\n * bepaalt dat de man uiterlijk op 26 juni 2026 de echtelijke woning dient te verlaten, waarbij de man voor de maand mei 2026 en juni 2026 meebetaalt aan de helft van de kosten van de huur (van € 1.050,- in totaal, dus € 525,-) en aan Essent (van € 300,- in totaal, dus € 150,-), en dat de man de kosten voor de maand mei uiterlijk op 15 mei 2026 aan de vrouw voldoet en de kosten voor de maand juni op 29 mei 2026; indien de man de kosten niet op de afgesproken data voldoet, moet hij de echtelijke woning per direct verlaten;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, dan wel met ingang van 26 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van in totaal € 532,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n* verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n* wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","2026-07-13T00:28:22.549Z",{"id":174,"ecli":175,"slug":176,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":161,"fullText":177,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":178,"sourceTimestamp":164,"parsedAt":64,"updatedAt":179},"585","ECLI:NL:RBDHA:2026:17380","ecli-nl-rbdha-2026-17380","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-5483\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F688775\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026\n\nGezag, omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gezagsuitoefeningBeschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai in ‘s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. H. Devkinandan in Zoetermeer, voorheen: mr. S. Bouddount in Weesp.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 23 juli 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 2 september 2025 van de vader;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;\n\nhet bericht van 24 april 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 28 april 2026 met bijlage van de vader;\n\nhet bericht van 28 april 2026 met bijlagen van de moeder.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich uitgelaten over de verzoeken.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2003 tot [datum 2] 2012.\n\nZij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2017 [geboorteplaats] .\n\n- Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige ] , geboren op [geboortedag 4] 2004 in [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belast.\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nBij beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025, voor zover hier aan de orde:\n\nis bepaald dat de kinderen gedurende de duur van de procedure bij de vader zullen zijn in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij flexibel met de regeling omgegaan wordt ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gezien hun leeftijd;\n\nhebben de ouders aangegeven zich te zullen wenden tot Jeugdformaat.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe vader verzoekt, na wijziging:\n\nde vader mede te belasten met het gezag over [minderjarige 4] en [minderjarige 3] , zodat de ouders het gezamenlijk gezag hebben.\n\neen zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen, waarbij de kinderen:\n\n- primair:\n\nin de even weken van maandag tot en met woensdag bij de moeder verblijven, van woensdag na school tot vrijdag bij de vader verblijven en vervolgens vrijdag na school tot en met maandag bij de moeder verblijven.\n\nin de oneven weken maandag tot en met woensdag bij de vader verblijven, van woensdag na school tot vrijdag bij de moeder verblijven en vervolgens vrijdag na school tot maandag bij de vader verblijven.\n\n- subsidiair:\n\ndoor de vader bij de moeder worden opgehaald op zaterdagochtend om 10:00 uur en door hem worden teruggebracht naar de moeder op zondagmiddag om 19:00 uur en de vader de kinderen altijd naar voetbaltraining kan brengen;\n\ngedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waaronder Vaderdag en de verjaardagen van de vader en zijn ouders, bij de vader zijn.\n\nDe moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder, bij wijze van zelfstandig verzoek:\n\nte bepalen dat de moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen;\n\nte bepalen dat [minderjarige 4] en [minderjarige 3] bij de vader zullen zijn:\n\nprimair:wekelijks op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur;\n\nsubsidiair:wekelijks van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur;\n\nmeer subsidiair:om de week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;\n\nonder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per keer of per dag dat de vader deze regeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-.:\n\nte bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zullen zijn naar hun eigen behoefte. Gelet op hun leeftijd, zullen zij dit in onderling overleg met de vader bespreken;\n\nte bepalen dat de Raad onderzoek zal doen naar onder andere een voor de kinderen, met name [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , passende vakantieregeling;\n\ntoestemming aan de moeder te verlenen, welke die van de vader vervangt, om met de minderjarige kinderen naar Turkije te gaan in de zomervakantie van 2026, te weten van 15 juli 2026 tot 25 juli 2026;\n\nvoor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nGezag en omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nDe rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende informatie om te kunnen beslissen op de verzoeken ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank stelt vast dat bij de moeder grote zorgen leven over de ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , die gedeeltelijk worden bevestigd in de overgelegde stukken. De rechtbank stelt ook vast dat die zorgen door de vader niet (volledig) gedeeld worden. Zo stelt de moeder dat [minderjarige 4] gediagnosticeerd is met autisme, maar vader is niet bekend met deze diagnose en ziet in het gedrag van [minderjarige 4] geen aanwijzingen voor autisme. Dat de diagnose autisme is gesteld, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Wel blijkt uit de overgelegde stukken dat [minderjarige 4] op het speciaal basisonderwijs zit en dat hij veel voorspelbaarheid, structuur en begeleiding nodig heeft. De rechtbank heeft daarnaast weinig zicht op de ontwikkeling van [minderjarige 3] , met name met betrekking tot de oorzaak van haar zindelijkheidsproblematiek. Voor de rechtbank is op dit moment onvoldoende duidelijk wat de aard is van die problematiek, of de problematiek gevolgen heeft voor de wijze waarop de zorg voor de kinderen over de ouders kan worden verdeeld en of in verband met de problematiek voorzienbaar is dat in de toekomst hulpverlening moet worden ingezet, waarvoor toestemming van beide ouders vereist zal zijn. Daarnaast is op de zitting naar voren gekomen dat er veel wantrouwen tussen de ouders bestaat en dat zij op dit moment niet in staat zijn om constructief met elkaar te communiceren. De slechte communicatie heeft er tot op heden niet toe geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem en verloren zijn geraakt tussen de ouders, maar de rechtbank ziet wel enig risico dat dat in de toekomst alsnog kan gebeuren. De rechtbank acht het daarom van belang dat de Raad ook onderzoekt of er mogelijkheden en\u002Fof belemmeringen bestaan bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nOp dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling c.q. omgangsregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:\n\nZiet de Raad mogelijkheden en\u002Fof belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?\n\nIs er sprake van kindeigen problematiek bij [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en zo ja, welke problematiek, welke hulpverlening is daar (waarschijnlijk) voor nodig en heeft de problematiek invloed op de wijze waarop de zorg voor hen kan worden verdeeld door de ouders?\n\nWelke zorg c.q. omgangsregeling is in het belang van de kinderen?\n\nIs (nadere) hulpverlening voor de kinderen en\u002Fof de ouders noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?\n\nZijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?\n\nIn afwachting van het raadsrapport zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot het gezag en de definitieve zorgregeling pro forma aanhouden tot na te melden datum. De aanhouding betekent in beginsel dat de bij voorlopige voorzieningen vastgelegde zorgregeling doorloopt. De rechtbank ziet echter aanleiding om de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen. Uit het gesprek van [minderjarige 2] met de rechtbank is naar voren gekomen dat [minderjarige 2] het bij beide ouders fijn vindt en dat hij bij beide ouders evenveel tijd wil doorbrengen. Hoewel de moeder op de zitting heeft aangegeven dat zij het [minderjarige 2] gunt om bij de vader te zijn, heeft de rechtbank ook kunnen vaststellen dat er veel wantrouwen leeft bij de moeder en zij niet gelooft dat deze wens vanuit [minderjarige 2] zelf komt. De in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde regeling waarbij [minderjarige 2] zelf moet aangeven dat hij naar de vader wil en geconfronteerd wordt met het wantrouwen van de moeder, acht de rechtbank niet in zijn belang. De rechtbank zal de voorlopige regeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025 ten aanzien van [minderjarige 2] dan ook wijzigen.\n\nDwangsom\n\nDe moeder heeft op de zitting haar verzoek tot oplegging van een dwangsom ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom niet meer op dit verzoek te beslissen.\n\nVervangende toestemming vakantie Turkije\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 1:253a, eerste lid BW bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt hierom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder heeft verzocht om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen van 15 juli 2026 tot 25 juli 2026 naar Turkije te gaan. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij geen bezwaar heeft als de moeder naar Turkije gaat met de kinderen. De vader heeft echter nagelaten de benodigde toestemmingsformulieren te ondertekenen. Gelet op de zeer gespannen verhouding tussen partijen, zoals ter zitting afdoende gebleken, en het wantrouwen over en weer zal de rechtbank – ondanks dat de vader zijn toestemming heeft toegezegd – zekerheidshalve in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vervangende toestemming verlenen aan de moeder voor de reis naar Turkije. Nu de moeder van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige 4] en [minderjarige 3] uitoefent, heeft zij geen (vervangende) toestemming nodig om met hen naar het buitenland te reizen. De rechtbank zal het verzoek in zoverre dan ook afwijzen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nverleent de moeder toestemming, welke die van de vader vervangt, om met de minderjarigen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ;\n\nvan 15 juli 2026 tot 25 juli 2026 naar Turkije te gaan en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst het verzoek om vervangende toestemming voor het overige af;\n\n*\n\nbepaalt – met wijziging in zoverre van de bij beschikking van 8 oktober 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] – dat [minderjarige 2] voorlopigbij de vader zal zijn:\n\nin de even weken van woensdag na school tot vrijdag naar school;\n\nin de oneven weken van maandag tot en met woensdag en van vrijdag na school tot maandag naar school;\n\n*\n\nverzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;\n\nbepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;\n\nhoudt de behandeling aan tot 1 november 2026 pro forma, uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;\n\nbepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregelingaan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17380","2026-07-13T00:28:38.112Z",{"id":181,"ecli":182,"slug":183,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":184,"fullText":185,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":187,"parsedAt":64,"updatedAt":188},"1674","ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","ecli-nl-rbdha-2026-17241","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-4591 (bodem), FA RK 26-386 (223 Rv)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F687116 (bodem), C\u002F09\u002F697735 (223 Rv)\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nGezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, dwangsom en kinderalimentatie\n\nBeschikkingop de op 16 juni 2025 en op 12 januari 2026 ingekomen verzoeken van:\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nStichting Samen Veilig Midden-Nederland,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591 te rapporteren en te adviseren.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\nhet verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nde F9-formulieren van de moeder van 27 januari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 29 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 3 februari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026;\n\nhet rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) d.d. 26 maart 2026, kenmerk KZ-1-67GSR8L;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 17 april 2026, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van de F9-formulieren van partijen van 23 april 2026, aangezien deze te laat zijn ingediend.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure met (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van het F9-formulier van de moeder van 23 april 2026, aangezien deze te laat is ingediend.\n\nOp 24 april 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het verzoek in de bodemprocedure als het verzoek tot voorlopige voorzieningen. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVan de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.\n\nVerzoek en verweer\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe moeder verzoekt, na aanvulling en wijziging:\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;\n\neen zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:\n\n- [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en dat de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , dan wel dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere donderdag van 09.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de [instantie] kantoorlocatie [plaats 2] , en;\n\n- naar verloop van deze regeling deze eventueel uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] in de even weken bij haar moeder zal verblijven en in de oneven weken bij haar vader, waarbij als wisselmoment zal gelden de zondagmiddag om 18.00 uur in de McDonalds te [plaats 1] ;\n\n onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,- per keer\u002Fper overtreding;\n\n- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans indien uit de berekening een lager bedrag volgt dit lagere bedrag met ingang van de datum van de beschikking, althans op zodanig bedrag en met zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:\n\nde vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nmet ingang van [geboortedatum] 2025 de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:\n\neen voorlopige zorgregeling zal gelden inhoudende dat [minderjarige] bij haar moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;\n\n [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en dat haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn;\n\nde vader gehouden is zijn volledige medewerking hierin te verlenen, onder bepaling dat bij niet-nakoming een dwangsom wordt opgelegd van € 2.000,- per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft;\n\nde vader wordt veroordeeld in de kosten van het incident;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is [minderjarige] aan de vader toe vertrouwd.\n\nBij beschikking van 31 december 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2025 tot 14 januari 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.\n\n- Bij beschikking van 13 januari 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 13 januari 2026 tot 31 maart 2026 en is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de regie over de zorgregeling voortaan toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen:\n\n- de frequentie van de omgang;\n\n- de locatie van de omgang en de overdracht;\n\n- de wijze van begeleiding en overdracht.\n\n- Bij beschikking van 30 maart 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 maart 2027.\n\nBeoordeling\n\nRelatieve bevoegdheid\n\nOp grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\n\nDe rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft op dit moment feitelijk bij de vader in de [gemeente], zodat dat haar woonplaats is. Gelet hierop is de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.\n\nOp grond van artikel 270 lid 1 Rv verwijst de rechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de bevoegde rechter. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.\n\nTijdens de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, aangezien de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bij beschikking van 13 januari 2026 al heeft beslist over de voorlopige zorgregeling.\n\nDe rechtbank overweegt dat het feit dat door een andere rechtbank al een beslissing is genomen over de voorlopige zorgregeling niet maakt dat daarvan geen wijziging kan worden verzocht in de onderhavige procedure. De rechtbank zal de moeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nOmdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nGezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en dwangsom\n\nStandpunt moeder\n\nDe moeder wil dat de voorlopige zorgregeling wordt uitgebreid, zodat [minderjarige] iedere dinsdag tot zaterdag, dan wel iedere donderdag tot dinsdag bij haar verblijft. Na verloop van tijd zou deze regeling kunnen worden uitgebreid naar een week-op-week-af-regeling. Volgens de moeder bestaan er geen contra-indicaties voor het vaststellen van deze zorgregeling. De afgelopen periode is weliswaar onrustig geweest, maar de moeder wil geen strijd meer voeren met de vader en wil kijken naar de toekomst. Er moet worden ingezet op parallel solo ouderschap. Dat maakt ook dat eenhoofdig gezag niet nodig is. Het opleggen van een dwangsom kan helpend zijn als stok achter de deur voor maximale inzet van beide ouders bij het uitvoeren van de zorgregeling. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, zolang er geen definitieve beslissing over de zorgregeling is genomen.\n\nOp de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich in afwachting van het NIKA-traject kan neerleggen bij de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] twee keer per week gedurende acht uur bij haar verblijft. Zij zou echter graag zien dat hierin een overnachting wordt bepaald. Zij haalt [minderjarige] op dit moment om 09.00 uur op bij het kantoor van de gecertificeerde instelling en brengt haar rond 16.30 uur terug. Vanwege de reistijd is de moeder hierdoor maar een paar uur met [minderjarige] bij haar thuis. Dit is belastend voor [minderjarige] .\n\nEr zijn volgens de moeder geen contra-indicaties voor een overnachting bij haar. De eerdere emotionele uitbarstingen van de moeder moeten in het licht worden gezien van de plotselinge contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] . Bovendien werd de moeder niet goed geïnformeerd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Inmiddels is er meer duidelijkheid en daarmee ook meer rust voor de moeder gekomen. Daarnaast heeft zij aan zichzelf gewerkt door gesprekken met de praktijkondersteuner van haar huisarts en een psycholoog.\n\nStandpunt vader\n\nDe vader vindt het van belang dat de huidige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling doorloopt in afwachting van het NIKA-traject. De lange wachttijd voor dit traject is niet wenselijk, omdat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar. Voor nu is het echter nodig dat de voorspelbaarheid en veiligheid voor [minderjarige] geborgd blijft. Wat de vader betreft is het daarom nog te vroeg voor een overnachting van [minderjarige] bij de moeder. Hij ziet dat de moeder momenteel stabieler blijkt, maar heeft ervaren dat zij veel moeite heeft om haar emoties te beheersen. Ook heeft de vader zorgen over het drugsgebruik van de moeder. De door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames illustreren dit. Onder deze omstandigheden is een overnachting van [minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde. De vader ziet ook niet dat [minderjarige] vermoeid is door de lange reistijd als zij bij haar moeder is geweest. Verder herkent hij zich niet in het feit dat de Raad en de gecertificeerde instelling onvoldoende met de ouders hebben gecommuniceerd. De vader ervaart de samenwerking met de betrokken instanties als prettig. Hij is bereid volledig mee te werken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. Er is dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.\n\nDe vader is het daarnaast eens met het advies van de Raad dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Zij groeit sinds haar geboorte op bij de vader en er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie. Ook verzoekt de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat hij in staat is om de voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen.\n\nHet advies van de Raad\n\nDe Raad adviseert om de beslissing omtrent de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad is van mening dat de gecertificeerde instelling binnen de ondertoezichtstelling kan onderzoeken welke mogelijkheden er bij de ouders zijn, om (eventueel met hulpverlening) te komen tot uitbreiding van de zorgregeling en een veilige overdracht van [minderjarige] . Het inzetten van een NIKA-traject kan helpend zijn om meer zicht te krijgen op de interactie tussen [minderjarige] en haar ouders en de leerbaarheid van ouders.\n\nDe gecertificeerde instelling heeft de Raad in het kader van het raadsonderzoek verzocht om\n\nonderzoek te doen naar de inzet van de MASIC, maar de Raad twijfelt of er voldoende emotionele draagkracht bij moeder is om een intensief MASIC-gesprek aan te kunnen en of dit bijdraagt aan verbetering van de situatie van [minderjarige] .\n\nVerder adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte in de woning van de vader en ervaart dit als een vertrouwde en veilige plek. Er zijn geen zorgen geconstateerd die maken dat wijziging van de hoofdverblijfplaats in haar belang is.\n\nInformatie vanuit de gecertificeerde instelling\n\nSinds begin maart 2026 verblijft [minderjarige] twee dagen, van 09.00 uur tot 16.30 uur, bij de moeder. De overdracht vindt plaats op het kantoor van de gecertificeerde instelling, waarbij de jeugdbeschermer [minderjarige] van de ene naar de andere ouder brengt. De gecertificeerde instelling heeft de ouders aangemeld voor een NIKA-traject om meer zicht te krijgen op de hechting tussen [minderjarige] en de ouders. Daarbij is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie verzocht om beslisdiagnostiek uit te voeren en een standpunt in te nemen over de (uitbreiding van de) zorgregeling en eventueel noodzakelijke hulpverlening. De verwachte wachttijd bedraagt acht maanden. Daarom is de gecertificeerde instelling ook nog op zoek naar andere aanbieders van dit traject. Verder is met beide ouders gesproken over de inzet van de MASIC om een advies te krijgen over de vraag of de ouders in de toekomst (door middel van interventies) toch weer in staat zouden kunnen zijn om het ouderschap gezamenlijk uit te voeren.\n\n [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Daarom moet er zorgvuldig worden omgegaan met de uitbreiding van de zorgregeling. Gelet hierop is de gecertificeerde instelling is van mening dat er op dit moment geen ruimte is voor uitbreiding van de zorgregeling, waaronder een overnachting, vooruitlopend op het NIKA-traject. Als in de tussentijd toch blijkt dat die ruimte er wel is, zal de gecertificeerde instelling overgaan tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast het liefst dat de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor de duur van een jaar, zodat de focus komt te liggen op behandeling en interventie in plaats van een naderende zitting.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat er uit de stukken en op de zitting geen zorgen naar voren zijn gekomen over de (thuis)situatie bij de vader. Uit het rapport van de Raad en hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting heeft verteld, komen wel meerdere zorgen over de situatie bij de moeder naar voren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames ook de nodige zorgen oproepen. Hieruit komt een beeld naar voren van een moeder die op momenten geen controle heeft over haar emoties. Hierdoor zijn er hoogoplopende conflicten ontstaan tussen de ouders tijdens de overdracht van [minderjarige] bij de McDonalds in [plaats 1] , waar de politie op een melding van de moeder over wapenbezit bij de vader is afgekomen, terwijl dit loos alarm bleek. In een andere geluidsopname van een gesprek van de moeder met de zus van de vader is een lange monoloog van de moeder te horen waarbij het gedrag van de moeder volledig ontspoort. Daarnaast heeft de vader zorgen geuit over het blowen van de moeder in het bijzijn van [minderjarige] , maar ook in het bijzijn van haar oudste dochter. De door de vader overgelegde geluidsopnames lijken die zorgen te bevestigen.\n\n Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld in de vorm van een praktijkondersteuner van de huisarts en een psycholoog teneinde haar emoties beter in beeld te krijgen en tips te krijgen hoe om te gaan met de situatie. Zij lijkt nu meer controle te hebben over haar emoties en daarmee lijkt een positieve lijn te zijn ingezet.\n\nTegelijkertijd zijn de genoemde zorgen op dit moment nog niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van een overnachting van [minderjarige] bij de moeder op zichzelf begrijpt en ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank nu nog te vroeg voor een overnachting. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling. Daarbij zal [minderjarige] gedurende twee dagen in de week bij de moeder verblijven en de overdracht zal plaatsvinden op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Op het moment dat de gecertificeerde instelling voldoende vertrouwen heeft dat deze positieve ontwikkeling zich doorzet en dat een overnachting op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is, vertrouwt de rechtbank erop dat de gecertificeerde instelling hierop zal inzetten.\n\nDe rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat de regie bij de gecertificeerde instelling ligt en een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden, in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en het NIKA-traject. Het is van belang dat er voldoende tijd en rust is om aan verdere verbetering van de situatie te werken, maar de rechtbank wil ook een vinger aan de pols houden om te waarborgen dat geen onnodige vertraging plaatsvindt. Het is dan ook van belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag gaat en overgaat tot uitbreiding van de zorgregeling, zodra dat in haar visie veilig en verantwoord is. Het belang van [minderjarige] dient hierbij te allen tijde voorop te staan. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling daarom aanhouden tot 15 december 2026 pro forma.\n\nDe rechtbank zal daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopigbij de vader bepalen en de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats ook aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden nog te vroeg om een beslissing over het gezag te nemen, zodat ook deze beslissing wordt aangehouden tot bovengenoemde pro formadatum.\n\nDe rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, aangezien beide ouders hebben aangegeven dat zij willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nDe vader en de moeder hebben geen van beiden een standpunt ingenomen over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook hebben zij geen van beiden financiële gegevens overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee allebei niet voldaan aan de stelplicht, zodat de verzoeken tot alimentatie over en weer zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\nAangezien de rechtbank een definitieve beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-\u002Fomgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nbepaalt dat de minderjarige:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [plaats 2] ;\n\nvoorlopigde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;\n\nbepaalt dat de regie over de voorlopigezorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]\n\ntoekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen de frequentie van het contact, de locatie van het contact en de overdracht, en de wijze van begeleiding en overdracht. Daarbij geldt als minimale regeling de huidige regeling waarbij [minderjarige] op twee dagen in de week van 9.00 tot 16.30 uur bij de moeder verblijft (zonder overnachting). Alleen bij zwaarwegende contra-indicaties kunnen deze frequentie en duur worden ingeperkt;\n\nverklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het verzoek van de moeder tot het opleggen van een dwangsom;\n\nwijst af de verzoeken van de vader en de moeder om een kinderalimentatie te bepalen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot1 december 2026 pro forma;\n\nin de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nwijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.864Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":184,"fullText":193,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":194,"sourceTimestamp":187,"parsedAt":64,"updatedAt":195},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-07-13T00:29:29.133Z",{"id":197,"ecli":198,"slug":199,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":184,"fullText":200,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":201,"sourceTimestamp":187,"parsedAt":64,"updatedAt":202},"1716","ECLI:NL:RBDHA:2026:17277","ecli-nl-rbdha-2026-17277","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F704991 \u002F KG ZA 26-498\n\nVonnis in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de moeder]te [woonplaats 1],\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bruin te Amsterdam,\n\ntegen:\n\n [de vader]te [woonplaats 2],\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’ en samen als ‘de ouders’.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties namens de moeder.\n\n1.2. De vader is niet verschenen op de zitting. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het dagvaardingsexploot op de door de wet voorgeschreven wijze aan hem is uitgebracht. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de vader verstek wordt verleend.\n\n1.3. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 26 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1. De moeder en de vader zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].\n\n2.2. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].\n\n3. Het geschil\n\n3.1. De moeder vordert – zakelijk weergegeven – om haar bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om met de minderjarige op vakantie te gaan naar [land 1] van 30 mei 2026 tot en met 12 juni 2026, en voor de vakantie van [minderjarige] in de periode van 3 augustus tot en met 24 augustus 2026 naar [land 2], en de vader te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.\n\n3.2. Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Het verzoek van de moeder betreft een vakantie van de moeder en [minderjarige] naar [land 1] waarbij zij bij de oma moederszijde zullen verblijven en een vakantie van [minderjarige] met vrienden en de ouders van deze vrienden naar [land 2]. De moeder vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij op vakantie kan gaan. [minderjarige] is bijna klaar met haar eindexamens. De vakanties bieden rust, ontspanning en zien onder andere op een familiebezoek in [land 1]. De moeder heeft de vader om toestemming gevraagd. De vader weigert zijn toestemming te verlenen, zonder dat hij hier een reden voor geeft. De moeder is bekend met dit patroon waarbij de vader toestemming weigert te geven. De moeder stelt dan ook dat de vader misbruikt maakt van zijn gezag en vraagt de vader te veroordelen in de proceskosten, mede ter voorkoming van herhaling.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nVervangende toestemming4.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder, gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd en nu de vader niet ter zitting is verschenen, belang heeft bij toewijzing van de vordering. De vordering komt de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor en zal daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – worden toegewezen.\n\nProceskosten4.2. Hoewel het in familierechtelijke zaken als deze gebruikelijk is om de proceskosten te compenseren, zal de voorzieningenrechter de vader in de proceskosten veroordelen. De voorzieningenrechter vindt dat de vader zijn positie als gezaghebbende ouder niet juist heeft gebruikt. Hij heeft zijn toestemming onthouden zonder kenbare (geldige) reden aan de vrouw kenbaar te maken. Daarom is de vrouw genoodzaakt geweest dit kort geding te starten. Gelet op zijn afwezigheid ter zitting, gaat de voorzieningenrechter er van uit dat de man geen geldige reden heeft om de vakantie tegen te houden. Daarbij komt dat dit de tweede keer is dat de vrouw vervangende toestemming moet vragen voor een vakantie.\n\n4.3. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vader veroordelen in de kosten van de deurwaarder (€ 153,77), de kosten van het griffierecht (€ 341,-), en het salaris van de advocaat conform het liquidatietarief (€ 760,-). Onder proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (€ 178,-).\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1. verleent verstek tegen de vader;\n\n5.2. verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming van de vader vervangt - om met het minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], op vakantie te gaan naar [land 1] van 30 mei 2026 tot en met 12 juni 2026, en voor de vakantie van [minderjarige] in de periode van 3 augustus tot en met 24 augustus 2026 naar [land 2],\n\n5.3. veroordeelt de vader in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de moeder begroot op € 1.254,77 , waarvan € 760,- aan salaris advocaat, € 341,- aan griffierecht, € 151,94 aan dagvaardingskosten en € 1,83 aan verschotten, te vermeerderen met nakosten zoals vermeld in 4.3.;\n\n5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\nCAEdK","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17277","2026-07-13T00:29:35.490Z",20]