[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-childcare-benefits-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":68,"limit":69},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},117,"childcare-benefits-compensation-nl","Childcare Benefits Compensation","NL","2026-07-08T16:57:11.266Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-06-28T00:00:00.000Z","2025-05-08T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51,60],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"641","ECLI:NL:RBDHA:2025:10533","ecli-nl-rbdha-2025-10533","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F7711\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2025 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] in Duitsland, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. drs. A. Divis-Stein).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoeken om overneming van een geldschuld en daarop gedane rentebetalingen.\n\n1.1.. Verweerder heeft de verzoeken met de besluiten van 3 april 2024 en 14 mei 2024 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 12 augustus 2024 en 15 augustus 2024 op de bezwaren van eiseres is verweerder daarbij gebleven (de bestreden besluiten).\n\n1.2.. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan namen eiseres en haar gemachtigde deel via een beeldverbinding. Op zitting was aanwezig de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.\n\nZij heeft verzocht om overneming van een leenschuld en compensatie van rentebetalingen aan KFW Studienkredit (KFW), een Duitse kredietinstelling die kredieten verstrekt aan studenten. Het gaat om een hoofdschuld van € 22.100 en daarover voldane rentebetalingen van in totaal € 319,72. Volgens verweerder voldoen de schuld en de rentebetalingen niet aan de voorwaarden voor overneming en compensatie op grond van de Wht.\n\nWat stelt eiseres in beroep?\n\n3. Verweerder gaat er ten onrechte van uit, dat KFW een privaatrechtelijke instelling is. De schuld aan KFW is een publiekrechtelijke geldschuld, die verweerder moet overnemen en waarvan hij de rentebetalingen moet compenseren. Verweerder heeft de feiten niet zorgvuldig onderzocht en de bestreden besluiten niet deugdelijk gemotiveerd.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHet kader\n\n4. Een gedupeerde kan worden gecompenseerd voor afgeloste bestuursrechtelijke geldschulden.Daarvoor komen geldschulden in aanmerking, die die door een overheidsorganisatie zouden zijn kwijtgescholden in het kader van de hersteloperatie, als die niet voor 1 januari 2021 zouden zijn afgelost.Dit gaat om belastingschulden, toeslagschulden en andere bestuursrechtelijke schulden die kunnen worden kwijtgescholden door de bestuursorganen die zijn genoemd in Hoofdstuk 3 van de Wht.\n\n5. Daarnaast kan een gedupeerde op grond van Hoofdstuk 4 van de Wht verzoeken om overneming van opeisbare geldschulden of compensatie van betaalde geldschulden. Dit is onder meer mogelijk voor bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komenen voor geldschulden aan een publiekrechtelijk orgaan van een buitenlandse rechtspersoon.Daarvoor is in elk geval vereist, dat de schuld na 31 december 2005 is ontstaan en voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.\n\nDe lening en rentebetalingen aan KFW\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht en op basis van zorgvuldig onderzoek geoordeeld, dat de schuld aan KFW niet voor overneming in aanmerking komt.\n\n6.1. De rechtbank stelt voorop, dat deze schuld niet kan worden gekwalificeerd als een bestuursrechtelijke geldschuld in de zin van Hoofdstuk 3 van de Wht. Het gaat niet om een toeslagschuld, belastingschuld of andere bestuursrechtelijke schuld die kan worden kwijtgescholden door bestuursorganen die in dat hoofdstuk zijn genoemd.\n\n6.2. Voor zover eiseres betoogt dat de schuld in aanmerking komt voor overneming op grond van Hoofdstuk 4 van de Wht, kan dit ook niet slagen. Uit de stukken komt naar voren dat eiseres een leenovereenkomst heeft gesloten met KFW, waarvan het saldo ten tijde van het verzoek om terugbetaling € 22.100.- bedroeg. De uitbetalingen hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2021 en de lening is pas op 1 oktober 2025 opeisbaar. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.\n\n6.2. Het bedrag van € 319,72 betreft rentebetalingen die zijn voldaan voor de rentemaanden november en december 2023. Dit betreft dus geen renteschuld die voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Hiermee voldoen deze betalingen niet aan de voorwaarden voor overnemingen en komen dus ook niet voor compensatie in aanmerking.\n\n6.3. Verweerder heeft op basis van een zorgvuldig onderzoek van de stukken die eiseres heeft aangeleverd vastgesteld en deugdelijk onderbouwd, dat de schuld en de rentebetalingen niet voldoen aan de voorwaarden voor overneming en compensatie. Daarmee kan de vraag naar de publiekrechtelijke status van KFW en de aard van de gesloten overeenkomst verder buiten beschouwing blijven.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), artikel 3.13.\n\n Wht, artikel 3.13, vierde lid.\n\n Wht, artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder f.\n\n Wht, artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder e.\n\n Artikel 4.1, tweede lid van de Wht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10533","2025-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.697Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"548","ECLI:NL:RBDHA:2024:19843","ecli-nl-rbdha-2024-19843","2024-12-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F3029\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M. Shaaban),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie van afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het compenseren van de afgeloste private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).\n\n3. Eiseres heeft haar private geldschuld bij R.G.W. Lieveld afgelost met het geld dat zij als compensatie heeft ontvangen. Eiseres heeft haar afgeloste schuld ingediend bij de SBN en verzocht om compensatie daarvan. De Dienst Toeslagen heeft in de primaire besluiten van 5 juli 2023 en 2 augustus 2023 bepaald dat de afgeloste schuld van eiseres niet voor compensatie in aanmerking komt, omdat dit een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte opgemaakt voor 1 juni 2021.\n\n4. Verweerder heeft op 6 november 2023 een bezwaarschrift ontvangen van eiseres. Dat is buiten de bezwaartermijn. Met het bestreden besluit van 5 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres stelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Haar voormalige gemachtigde (mr. M.S. Nizamoeddin) heeft namelijk op 7 juli 2023 per gewone post een pro forma bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift heeft zij per abuis gericht aan het adres van de gemeentelijke Kredietbank te Amsterdam (Kredietbank). Omdat een reactie op het bezwaarschrift uitbleef, heeft de voormalige gemachtigde op 2 november 2023 telefonisch contact gezocht met de SBN en zij begreep toen pas dat het bezwaarschrift niet was aangekomen. Dit terwijl de Kredietbank een doorzendplicht heeft en het bezwaarschrift als een verkeerd geadresseerd bezwaarschrift had moeten doorzenden. Op\n\n2 november 2023 heeft de voormalige gemachtigde een tweede pro forma bezwaarschrift verzonden, ditmaal naar het juiste bezwaaradres. De huidige gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en gewezen op de aard van de zaak, de omstandigheid dat eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire en het feit dat in het kader van de zogeheten lichte toets en de integrale beoordeling coulanter wordt omgegaan met een overschrijding van de bezwaartermijn.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n6. Uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. In dat kader moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het bezwaar aan de indiener kan worden toegerekend. Voor het oordeel dat een termijnoverschrijding niet kan worden toegerekend aan de indiener kan grond bestaan als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, de termijnoverschrijding te wijten is aan het handelen of nalaten van het bestuursorgaan, of als er sprake is van andere bijzondere omstandigheden. Als dit het geval is, moet worden beoordeeld of het bezwaarschrift alsnog zo snel mogelijk is ingediend als dit redelijkerwijs kan worden verlangd. Bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb moet voor ogen gehouden worden dat het om een gebonden bevoegdheid gaat. In dat geval is een belangenafweging niet mogelijk. Dat betekent onder andere dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n7. Eiseres heeft de stelling dat reeds op 7 juli 2023 een pro forma bezwaarschrift zou zijn ingediend bij de Kredietbank niet met enig bewijsstuk (zoals bijvoorbeeld een verzendbewijs) onderbouwd en ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt. Wat zij daarover heeft gesteld, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat de voormalige gemachtigde geen kopie van het betreffende bezwaarschrift heeft overgelegd en niet is gebleken dat het bezwaarschrift verweerder via doorzending heeft bereikt. In de primaire besluiten staat bovendien duidelijk vermeld naar welk adres het bezwaarschrift verstuurd had moeten worden, zodat het juiste bezwaaradres duidelijk had moeten zijn voor de voormalige gemachtigde. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres de daadwerkelijke verzending van het bezwaarschrift van 7 juli 2023 niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat pas op\n\n6 november 2023 -en dus te laat- bezwaar is gemaakt.\n\n8. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet aan haar is toe te rekenen. De voormalige gemachtigde is immers een professionele rechtsbijstandverlener die wordt geacht te weten dat overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule bezwaar dient te worden gemaakt. Dat in een andere zaak van de voormalige gemachtigde een eveneens aan de Kredietbank geadresseerd bezwaarschrift wel is doorgezonden naar het juiste bezwaaradres van verweerder, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het niet tijdig indienen van het bezwaar niet aan eiseres kan worden toegerekend. De rechtbank leidt daar bovendien uit af dat de voormalige gemachtigde op de hoogte was van het feit dat zij een onjuist bezwaaradres hanteerde. Het hanteren van een onjuist bezwaaradres is dus niet een eenmalige vergissing geweest. Dat de voormalige gemachtigde op 11 december 2023 opnieuw een verzoek om compensatie van de afgeloste private schuld heeft ingediend bij de SBN, maakt het voorgaande niet anders omdat de bezwaartermijn toen al was verstreken. Het komt dan ook voor risico van eiseres dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Ook in de enigszins aangepaste lijn in de rechtspraakmet betrekking tot de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de termijnoverschrijding niet aan eiseres is toe te rekenen nu ook uit die jurisprudentie volgt dat het handelen van een professionele rechtsbijstandverlener voor risico van de indiener van het bezwaarschrift komt. De aard van deze zaak en het feit dat eiseres een gedupeerde is ten gevolge van de toeslagenaffaire, is geen reden om van een niet toerekenbare termijnoverschrijding te spreken. De omstandigheid dat de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen coulanter omgaat met overschrijding van bezwaartermijnen, maakt niet dat ook verweerder daar coulanter mee om dient te gaan. Dit betekent dat verweerder het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een beoordeling van de evenredigheid en een belangenafweging kan gelet hierop niet worden toegekomen.\n\n9. De rechtbank begrijpt dat dit niet de uitkomst is waar eiseres op had gehoopt. De rechtbank merkt wel nog op dat verweerder het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk heeft beoordeeld. Tegen deze beoordeling staat alleen geen beroep open. De rechtbank heeft ter zitting de gemachtigde van verweerder meegegeven dat zij intern zou kunnen bekijken of in dit concrete geval wellicht nog alternatieve mogelijkheden zijn.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n3 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:845.\n\n Zie de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19843","2024-11-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.188Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"1835","ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","ecli-nl-rbdha-2024-17372","2024-11-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F8627\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. C.L. Mens),\n\nen\n\nde Dienst Toeslagen, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. I. Kayhan en mr. W.E. Louwerse).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende compensatie voor het jaar 2007 en de weigering van verweerder om compensatie toe te kennen voor de jaren 2010 en 2015.\n\n1.1.. \n\nVerweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 het verzoek om compensatie toegewezen voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 en afgewezen voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015. In het besluit van\n\n29 september 2022 is het compensatiebedrag herzien en in het bestreden besluit van\n\n22 november 2023 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres ten aanzien van de jaren 2007 en 2011.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft zich op 6 januari 2021 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 tot en met 2017. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid naar de jaren 2006 tot en met 2017.\n\n3. Verweerder heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie en geconcludeerd dat eiseres recht heeft op compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017. Voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 komt eiseres niet in aanmerking voor toepassing van de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.\n\n4. Verweerder heeft advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 18 juli 2022 bevestigd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015.\n\n5. Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft verweerder de compensatie voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 definitief vastgesteld op een bedrag van\n\n€ 141.397.\n\n6. Bij afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2022 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de CvW, het verzoek van eiseres om compensatie voor de jaren 2006, 2008 tot en met 2011 en 2015 afgewezen.\n\n7. Bij besluit van 29 september 2022 heeft verweerder het compensatiebedrag voor de jaren 2007, 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017 herzien en verhoogd tot een bedrag van € 162.949. Het herziene compensatiebedrag bestaat uit € 32.152 aan door eiseres terugbetaalde kinderopvangtoeslag, € 41.933 aan materiële schade, € 4.481 aan door eiseres betaalde rente en kosten, € 13.662 voor de juridische kosten, € 15.500 aan immateriële schade en € 53.607 aan rente over de gemiste kinderopvangtoeslag. Ook heeft eiseres een aanvullende vergoeding van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 1.614.\n\n8. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), gegrond verklaard voor wat betreft\n\nde jaren 2007 en 2011 en voor het overige zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het compensatiebedrag is daarbij verhoogd tot een bedrag van € 176.027 en eiseres heeft een nabetaling ontvangen van € 13.078.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n9. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de rentevergoeding voor het jaar 2007 en vindt dat zij ook voor de jaren 2010 en 2015 in aanmerking dient te komen voor compensatie. Met betrekking tot het jaar 2010 voert eiseres primair aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat zij destijds onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat zij voor het hele jaar recht had op kinderopvangtoeslag. Subsidiair voert eiseres aan dat de hardheidsregeling van toepassing is, omdat de neerwaartse correctie gebaseerd is op een formele tekortkoming die vanwege het verstrijken van de herzieningstermijn niet meer kan worden hersteld. Met betrekking tot het jaar 2015 voert eiseres aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld, omdat het voorschot kinderopvangtoeslag te laat is vastgesteld. Eiseres stelt daarnaast dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding voor het jaar 2007 juist is berekend. Eiseres heeft geen recht op compensatie voor de jaren 2010 en 2015, omdat niet is gebleken dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld dan wel dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n11. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór\n\n23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.\n\n12. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Whtworden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken;\n\n(5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.\n\n13. Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:\n\n- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;\n\n- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of\n\n- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van verweerder de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.\n\nEr is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:\n\n- de belanghebbende te kwader trouw is;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;\n\n- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.\n\nVerder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.\n\nHet advies van de CvW\n\n14. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 gebaseerd op het advies van de CvW. Het advies van de CvW is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechtermag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.\n\n15. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om het advies van de CvW onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd, geen concrete aanknopingspunten die twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, rechtvaardigen. Verweerder heeft het oordeel van de CvW dan ook bij zijn besluitvorming mogen betrekken.\n\nHet jaar 2007\n\n16. Uit de herziene berekening van het compensatiebedrag volgt dat component B in het voordeel van eiseres is gewijzigd van € 362 naar € 155. Het gevolg van die wijziging is een verschil van € 207 ten opzichte van het eerder vastgestelde bedrag van € 5.254 onder component E. Eiseres heeft daarom een nabetaling van verweerder ontvangen van € 207. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat verweerder de rentevergoeding over de nabetaling van € 207 heeft berekend tot aan de datum van het bestreden besluit, met als gevolg dat de eerder aan eiseres toegekende rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag is verhoogd van € 3.024 naar € 3.142. Eiseres heeft daarom een nadere rentevergoeding ontvangen van € 118. Eiseres stelt echter dat verweerder de nadere rentevergoeding had moeten berekenen over het nieuw vastgestelde bedrag van € 5.461 als vermeld onder component E en dus niet over de nabetaling van € 207. Verweerder is het daar niet mee eens, omdat eiseres over het eerdere bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024.\n\n17. Uit artikel 2.2, onderdeel g, in samenhang met artikel 2.3, zevende lid, van de Wht, volgt dat een rentevergoeding alleen verschuldigd is over uit te betalen bedragen. De rentevergoeding is namelijk bedoeld om de schade van een te late betaling van misgelopen kinderopvangtoeslag te vergoeden. Vaststaat dat eiseres over het bedrag van € 5.254 al een rentevergoeding heeft ontvangen van € 3.024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de nadere rentevergoeding van € 118 dan ook terecht berekend over de nabetaling van € 207. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat verweerder de rentevergoeding op onjuiste wijze heeft berekend.\n\n18. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht waarom hij in zoverre is afgeweken van het advies van de BAC. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in zoverre dan ook voldoende gemotiveerd.\n\nHet jaar 2010\n\n19. Met dagtekening 5 december 2009 is aan eiseres voor het jaar 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 21.798. Hierop wordt het voorschot twee keer herzien, laatstelijk met dagtekening 2 juni 2010 tot € 6.513. Om te kunnen vaststellen op welk bedrag eiseres daadwerkelijk recht had, heeft verweerder eiseres na afloop van het jaar 2010 een antwoordformulier gestuurd en verzocht om een overzicht te verstrekken van de daadwerkelijk afgenomen opvanguren en gemaakte kinderopvangkosten over het jaar 2010.\n\nVerweerder heeft met dagtekening 30 november 2011 van eiseres het antwoordformulier en een jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] ontvangen. Uit die jaaropgave volgt dat de beide kinderen van eiseres in de periode tot en met 29 september 2010 naar de opvang zijn geweest. Bij brief van 4 maart 2013 heeft verweerder eiseres om aanvullende informatie gevraagd en op 12 juni 2013 heeft verweerder een herinnering verstuurd. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres op die brieven heeft gereageerd. De kinderopvangtoeslag is vervolgens, conform de ingestuurde jaaropgave, op 13 november 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 3.936, waardoor eiseres een bedrag van € 2.577 moest terugbetalen. Eiseres is daartegen niet tijdig in bezwaar gegaan, met als gevolg dat het bezwaar op\n\n21 januari 2014 niet-ontvankelijk is verklaard. In die bezwaarprocedure heeft eiseres overigens geen nieuwe stukken ingediend. Wel heeft zij opnieuw de eerder ingestuurde jaaropgave van kinderopvang [bedrijf] overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze gang van zaken niet dat voor het jaar 2010 is voldaan aan (één van) de in overweging 12 genoemde kenmerken die duiden op institutioneel vooringenomen handelen door verweerder. Uit het voorgaande volgt bovendien dat verweerder wel degelijk nadere informatie heeft uitgevraagd bij eiseres en dat eiseres ten minste tweemaal in de gelegenheid is gesteld om haar recht op kinderopvangtoeslag aan te tonen. Onder die omstandigheden ligt het in de rede dat verweerder uitgaat van de juistheid van de jaaropgave die hem is verstrekt. Dat het voor eiseres niet duidelijk was welke informatie zij nog diende te overleggen, is geen omstandigheid die duidt op vooringenomen handelen van verweerder als bedoeld in overweging 12. Daar komt bij dat eiseres in het bezwaarschrift van\n\n17 december 2013 heeft aangegeven niet over andere gegevens te beschikken, zodat verweerder ook toen geen reden had om aan de volledigheid van de aangeleverde informatie te twijfelen.\n\n20. Voor zover eiseres stelt dat uit de door haar in bezwaar overgelegde stukkenvolgt dat haar kinderen wel degelijk gedurende het hele jaar naar de opvang zijn geweest en dat de definitieve vaststelling van 13 november 2013 dus niet juist is, leidt dat niet tot een ander oordeel. Verweerder is immers pas in de huidige bezwaarprocedure bekend geraakt met die stukken, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat verweerder ten aanzien van eiseres in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag vooringenomen heeft gehandeld. Daar komt bij dat eiseres in deze procedure de rechtmatigheid van het besluit van 13 november 2013 niet aan de bestuursrechter kan voorleggen, omdat die beschikking in rechte vaststaat en formele rechtskracht heeft gekregen. Tegen die beschikking heeft immers een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang opengestaan.\n\n21. Subsidiair voert eiseres aan dat sprake is geweest van hardheid van het wettelijk stelsel. Volgens eiseres is de neerwaartse correctie van € 2.577 het gevolg van een formele tekortkoming die niet meer kan worden hersteld, omdat de herzieningstermijn is verstreken. Zoals volgt uit overweging 19, is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 op basis van de door eiseres ingestuurde jaaropgave verlaagd tot een bedrag van € 2.577. De kinderopvangtoeslag is dus niet op nihil gesteld of in zijn geheel teruggevorderd. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van hardheid van het wettelijk stelsel als vermeld in overweging 13.\n\nHet jaar 2015\n\n22. Volgens eiseres heeft verweerder ook voor het jaar 2015 vooringenomen gehandeld. Eiseres wijst in dit verband op de onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014die volgens haar een causaal verband heeft met de te late toekenning van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015. De onterechte stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014 heeft namelijk geleid tot het niet automatisch toekennen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015, met als gevolg dat eiseres op 4 januari 2015 een aanvraag kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 heeft moeten indienen. Op die aanvraag is pas op 21 april 2015 beslist, waardoor er betaalachterstanden zijn ontstaan bij de kinderopvang.\n\n23. De rechtbank stelt vast dat voor dit jaar geen nihil-stellingen, stopzettingen of onterechte terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding af dat verweerder aanvullende informatie nodig had om de aanvraag kinderopvangtoeslag van eiseres te kunnen beoordelen. Om die reden is eiseres bij brief van 25 februari 2015 om aanvullende stukken gevraagd. Eiseres heeft die stukken overgelegd, waarna verweerder op 21 april 2015 het voorschot kinderopvangtoeslag heeft vastgesteld op een bedrag van € 30.359. Weliswaar volgt uit artikel 16 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen dat verweerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, maar dat maakt niet dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld als bedoeld in overweging 12. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag verband houdt met een vooringenomen handeling van verweerder in de periode vóór 23 oktober 2019. Verder ziet de rechtbank in het dossier geen aanwijzing dat het door verweerder uitgeoefende toezicht over dit jaar verder ging dan regulier toezicht. Als eiseres door de te late toekenning van het voorschot kinderopvangtoeslag schade heeft geleden, kan zij zich wenden tot de Commissie Werkelijke Schade met een verzoek om vergoeding van de werkelijk geleden schade.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur\n\n24. Eiseres heeft op de zitting nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Zoals volgt uit het voorgaande, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder over de jaren 2010 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld en evenmin voor het oordeel dat het handelen van verweerder een gevolg is van de hardheid van het wettelijk stelsel. Verweerder heeft het verzoek om compensatie voor de jaren 2010 en 2015 dan ook terecht afgewezen. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet toekennen van de compensatie in het voorliggende geval onredelijk bezwarend is. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. Evenmin is gebleken van schending van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in navolging van het advies van de CvW, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de compensatie voor het jaar 2007 juist is vastgesteld en dat eiseres voor de jaren 2010 en 2015 niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus geen recht heeft op compensatie. Het beroep is daarom ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op\n\n1 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 70 en 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, nr. 3 blz 71.\n\n Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3 blz. 72.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3760.\n\n Eiseres heeft een ongedateerd stuk van kinderopvang Klavertje Vier en een verklaring van\n\n kinderopvang Het Tuinhuis van 19 september 2022 overgelegd. Zie de producties 5 en 8 bij het\n\n bezwaarschrift van 29 september 2022.\n\n Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2014 is gecompenseerd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17372","2024-10-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.143Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":31,"updatedAt":59},"547","ECLI:NL:RBDHA:2024:23518","ecli-nl-rbdha-2024-23518","2024-10-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F7904\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten),\n\nen\n\nde minister van Financiën verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Akkas).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een private schuld bij ABN AMRO over te nemen.\n\n1.1.. Met het primaire besluit van 1 maart 2023 heeft verweerder geweigerd deze schuld van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder hierbij gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie van afgeloste private schulden en betaling van hun private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het compenseren dan wel betalen van de (afgeloste) private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).\n\n2.1.. Eiseres heeft verzocht om betaling van een private schuld van € 4.906,59 bij ABN AMRO, die zij heeft afbetaald met het ontvangen bedrag van € 30.000,- in verband met de Catshuisregeling (hierna: het compensatiebedrag).De SBN heeft bepaald dat deze schuld niet kan worden betaald en hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is geweest van opeisbare betalingsachterstanden of een opeising van de volledige vordering zodat niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b jo. artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n3. Eiseres stelt dat haar schuld bij ABN AMRO ten onrechte niet door verweerder is betaald. Volgens eiseres is deze schuld namelijk wel degelijk voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Zij stelt daartoe in de eerste plaats dat ABN AMRO haar bij brief van 8 april 2021 heeft medegedeeld dat haar krediet zou worden afgebouwd. Eiseres kon op dat moment dus geen krediet meer opnemen. Vervolgens heeft ABN AMRO de schuld ambtshalve verrekend met het door haar ontvangen compensatiebedrag. Ook dit betreft een opeisingshandeling, omdat het voor eiseres toen niet meer mogelijk was om deze schuld in maandelijkse termijnen af te betalen. Verder wijst eiseres erop dat met de regeling wordt beoogt om gedupeerden van de toeslagenaffaire een nieuwe start te laten maken. Het ambtshalve laten verrekenen van de schuld bij ABN AMRO met het compensatiebedrag is niet in lijn met deze doelstelling, omdat zij hierdoor niet meer ten volle over dat geld kon beschikken. Dit betreft ook geen situatie die door de wetgever is voorzien. Verder geeft eiseres aan dat de toeslagenaffaire een blijvende impact heeft gehad op haar leven. Ze heeft hierdoor moeten stoppen met haar opleiding en leeft momenteel van een WIA-uitkering. In deze procedure speelt voor haar naast het financiële belang dus ook het principiële belang van herstel. Het voorgaande maakt dat de toepassing van de wet in haar geval tot een onredelijke uitkomst leidt. Zij doet dan ook een beroep op de hardheidsclausule. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres nog een drietal rechtbankuitspraken aangehaald.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:\n\n- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);\n\n- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en\n\n- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).\n\nSchulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.\n\n5. Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent verweerder aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de schuld van eiseres bij ABN AMRO vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.\n\n6.1.. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan uit de brief van ABN AMRO van 8 april 2021 met daarin de mededeling dat het krediet van eiseres stapsgewijs wordt afgebouwd niet worden afgeleid dat in de periode voor 1 juni 2021 opeisbare betalingsachterstanden zijn ontstaan of dat de hoofdsom van de schuld op enig moment in de periode voor 1 juni 2021 geheel opeisbaar is geworden. Uit de voorwaarden van de kredietovereenkomst tussen eiseres en ABN AMRO blijkt namelijk dat de vordering alleen opeisbaar wordt in het geval er twee termijnbedragen niet door eiseres zijn betaald en een betaling ook na het versturen van een schriftelijke ingebrekestelling uitblijft. Daarvan is de rechtbank in dit geval echter niet gebleken.\n\n6.2.. Eiseres wordt evenmin gevolgd in haar betoog dat de schuld opeisbaar is geworden op het moment dat ABN AMRO deze ambtshalve heeft verrekend met het door eiseres ontvangen compensatiebedrag. Uit artikel 4.3, vijfde lid, van de Wht volgt immers dat de hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld gelijk is aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie heeft afgelost aan opeisbare schulden. Daaruit kan worden afgeleid dat alleen die schulden worden gecompenseerd die op het moment van betalen al opeisbaar waren. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat aan dit vereiste in dit geval niet wordt voldaan.\n\n6.3.. Het voorgaande betekent dat de schuld van eiseres aan de ABN AMRO niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b jo. artikel 4.3, eerste lid, van de Wht. Gelet daarop mocht verweerder besluiten om de schuld van eiseres bij ABN AMRO in zijn geheel niet over te nemen.\n\n7. Eiseres heeft verder betoogd dat de toepassing van de wet in haar geval leidt tot een onredelijke uitkomst en daarmee een beroep gedaan op de hardheidsclausule.\n\n7.1.. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 en 4.3 kan worden afgeweken voor zover toepassing ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat zich hier geen bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt dat het doel van de regeling is gericht op het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaaldegevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Hoewel gekozen is voor het bieden van een nieuwe start, zijn er dus schulden die zijn uitgesloten van herstel. De regeling voor het betalen van private schulden heeft niet tot doel gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.Alleen opeisbare schulden of achterstanden zijn onder de regeling gebracht. De uiterlijke datum van de opeisbaarheid is op 1 juni 2021 bepaald. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort daarmee tot de kern van de regeling en is een in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling steeds terugkerend uitgangspunt. Onder rechtsoverweging 6.2 is al vastgesteld dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO door het ambtshalve verrekenen hiervan met het compensatiebedrag niet opeisbaar is geworden. Dat eiseres niet ten volle over het compensatiebedrag heeft kunnen beschikken is daarom niet zonder meer in strijd met de bedoeling van de wetgever. Verder is door de wetgever expliciet gesteld dat bij de schuldenaanpak niet wordt gekeken naar causaliteit en het dus niet uitmaakt of het ontstaan of verergeren van schulden te herleiden is tot de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.Hoewel de rechtbank erkent dat eiseres nog steeds negatieve gevolgen van de toeslagenaffaire ondervindt en het spijtig vindt dat zij hierdoor haar opleiding heeft moeten staken, had verweerder hierin om die reden geen aanleiding hoeven zien om te bepalen dat de schuld van eiseres bij ABN AMRO in afwijking van de in artikel 4.1 en 4.3 van de Wht neergelegde vereisten voor overname in aanmerking komt. Eiseres heeft verder aangegeven momenteel te leven van een WIA-uitkering. Zij heeft echter niet met stukken onderbouwd dat haar financiële situatie zodanig is dat sprake zal zijn van een onbillijkheid van overwegende aard als de schuld niet wordt overgenomen.\n\n7.3.. \n\nDe door eiseres aangehaalde rechtbankuitspraken maken de beoordeling van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule niet anders. Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024 heeft eiseres erop gewezen dat de betreffende rechter zich middels een persoonlijke noot tot de wetgever richt en zich afvraagt of de uitvoeringspraktijk wel in overeenstemming is met de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht. De rechtbank overweegt echter dat aan een dergelijke persoonlijke noot geen rechten kunnen worden ontleend. Het is namelijk aan de wetgever om zo nodig bij te sturen als hij de gevolgen van de welbewust gemaakte keuzes in deze wet ten aanzien van de vereisten van opeisbaarheid bij nader inzien onwenselijk zou vinden. Tot op heden is daarvan echter niet gebleken. Daar komt bij dat ook de hoogste bestuursrechter blijkens de uitspraak van 15 mei 2024 vooralsnog geen aanleiding heeft gezien om de wetgever op dit onderdeel te corrigeren.\n\nVerder heeft eiseres erop gewezen dat de rechtbank Noord-Nederland in de uitspraak van 20 augustus 2024 is afgeweken van de strenge lijn van de Afdeling en onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep op het onderdeel van de ‘dwingende reden’ bij terugvorderingsbesluiten het toepassingsbereik van de hardheidsclausule in de Wht heeft opgerekt. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat verweerder ook in haar zaak met deze ruimere blik had moeten bezien of de overname van haar schuld bij ABN AMRO alsnog voor overname in aanmerking had kunnen komen. Ook hierover overweegt de rechtbank echter dat noch de wetgever noch de Afdeling signalen heeft afgegeven dat de huidige strikte toepassing van de hardheidsclausule onwenselijk is. Bovendien ging het in de door eiseres aangehaalde uitspraak om de vraag of in dat specifieke geval het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het ontstaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken wel te rechtvaardigen was. Dat laat zich op zichzelf al moeilijk vergelijken met onderhavige zaak, waarbij het hoofdzakelijk gaat om het vereiste van de opeisbaarheid.\n\nTot slot heeft de rechtbank Rotterdam in de uitspraak van 15 juli 2024 overwogen dat de betrokkene in die zaak aannemelijk had gemaakt dat de schuld aan ABN AMRO problematisch is en haar kans op een nieuwe start in gevaar brengt. Het vasthouden aan de wettelijke bepalingen zou in dat geval daarom leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 7.2 al heeft overwogen, heeft eiseres in onderhavige zaak niet onderbouwd dat haar financiële problemen zodanig zijn dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is als de schuld niet wordt overgenomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder mocht besluiten dat de door eiseres opgegeven schuld in zijn geheel niet voor overname door SBN in aanmerking komt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5311, de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 augustus 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3247 en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6825.\n\n Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, blz. 162.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, blz. 38.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, blz. 41.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2045.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23518","2025-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.153Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":31,"updatedAt":67},"537","ECLI:NL:RBDHA:2024:9955","ecli-nl-rbdha-2024-9955","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F5289\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2024 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de zakelijke private schulden van eiseres bij Jobritess Holding B.V. (Jobritess) en de achterstallige rente, over te nemen.\n\n1.1. Met het primaire besluit van 2 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagengeweigerd de schulden van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 6 juli 2023 is verweerder bij die weigering gebleven.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBevoegdheid rechtbank\n\n2. Ambtshalve overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank Amsterdam bevoegd op het onderhavige beroep te beslissen. Partijen hebben ter zitting echter verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank Den Haag uitspraak doet in de onderhavige beroepszaak. Gelet hierop en op de mogelijkheid dat aan de onbevoegdheid van de rechtbank in hoger beroep wordt voorbijgegaan, laat de rechtbank een onbevoegdverklaring achterwege.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun zakelijke private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen van de zakelijke private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland.\n\n4. Eiseres heeft verzocht om overname van haar schulden bij Jobritess van in totaal\n\n€ 252.033,37, bestaande uit een lening van € 200.000 (leningdeel I), een lening van € 40.000 (leningdeel II) en achterstallige rente van in totaal € 12.033,37. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden en de achterstallige rente niet worden afbetaald, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n5. Eiseres stelt dat haar schulden bij Jobritess en de achterstallige rente ten onrechte niet door verweerder zijn overgenomen, omdat de schulden volgens haar wel degelijk voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Leningdeel I betreft namelijk een opeisbare betalingsachterstand en uit de overeenkomst van geldlening van 24 april 2017 volgt dat de gehele hoofdsom per 30 april 2020 opeisbaar is geworden. Leningdeel II is geen informele schuld, zodat alleen de eis van de opeisbaarheid geldt. Uit artikel 6 van de overeenkomst van geldlening van 1 juni 2018 volgt dat de gehele hoofdsom van dit leningdeel voor\n\n1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ook de achterstallige rente is voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden en dient op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht in aanmerking te komen voor overname. Eiseres doet daarnaast een beroep op de hardheidsclausule.\n\nWat vindt verweerder in beroep?\n\n6. Verweerder stelt dat hij leningdeel I niet kan overnemen, omdat primair sprake is van een hypothecaire lening en subsidiair omdat niet is gebleken dat dit leningdeel voor\n\n1 juni 2021 opeisbaar is geworden vanwege betalingsachterstanden. Leningdeel II kan verweerder niet overnemen, omdat primair sprake is van een informele schuld die niet in een notariële akte van voor 1 juni 2021 of een rechterlijke uitspraak is vastgelegd en subsidiair omdat niet is gebleken dat deze schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Omdat deze schulden niet overgenomen kunnen worden op grond van de Wht, kunnen ook de opgelopen renteachterstanden niet worden overgenomen. Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n7. Toen het primaire besluit genomen werd op 2 januari 2023, gold als grondslag voor de besluitvorming de Wht. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht.\n\n8. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:\n\n- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);\n\n- vóór 1 juni 2021opeisbaar is geworden (sub b); en\n\n- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).\n\nVerder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele\u002Fprivate schulden), alleen worden overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen\n\n1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.\n\nSchulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.\n\n9. Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht, bepaalt dat de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, niet wordt overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op het verhypothekeerde goed.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nLeningdeel I\n\n10. Eiseres is deze lening initieel aangegaan met Werkenwonen Projectontwikkeling B.V. (Werkenwonen). De overeenkomst is ondertekend op 24 april 2017, is ingegaan op\n\n1 mei 2017 en liep af op 30 april 2020. Per die datum diende de hoofdsom van € 200.000 en de rente volledig te zijn afgelost. Aan Werkenwonen is tot zekerheid van de nakoming van de overeenkomst het recht van tweede hypotheek verleend, met als onderpand de onroerende zaak van eiseres aan de Imstenrade 49 te Amsterdam. Het onderpand is vastgelegd in een notariële akte van 26 juli 2017. De schuld is op 10 februari 2021 door Werkenwonen overgedragen aan Jobritess.\n\n10.1. Niet in geschil is dat dit leningdeel een hypothecaire lening is. In artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a van de Wht, is bepaald dat de hoofdsom van een hypothecaire lening niet wordt overgenomen, ook niet als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. Dat, zoals eiseres stelt, de gehele hoofdsom per 30 april 2020 opeisbaar zou zijn geworden, maakt dus niet dat leningdeel I alsnog voor overname in aanmerking komt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de gedupeerde ouder schuldenaar blijft van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening en de hypotheek zelf dient af te lossen.Hierop wordt een uitzondering gemaakt als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat daarvan sprake is. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Hetgeen eiseres ter zitting in dit verband naar voren heeft gebracht, behoeft daarom geen bespreking.\n\nLeningdeel II\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank moet dit leningdeel als een privéschuld\u002Finformele schuld worden aangemerkt, omdat deze in de privésfeer is ontstaan en niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser. Uit de leningsovereenkomst van 1 juni 2018 blijkt dat Jobritess geld aan eiseres heeft geleend voor het starten van een onderneming. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de bedrijfsactiviteiten van Jobritess gelet op de in het handelsregister opgenomen branchecodesniet hoofdzakelijk bestaan uit het verstrekken van financiële leningen aan derden en dat eiseres de geldleningsovereenkomst als privépersoon is aangegaan. Dit betekent dat de schuld valt onder de reikwijdte van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.11.1. Om voor overname van een informele schuld in aanmerking te komen moet deze op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht in een notariële akte of een rechterlijke uitspraak zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat de schuld niet in een notariële akte is vastgelegd en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Eiseres heeft weliswaar de geldleningsovereenkomst overgelegd, maar naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een met een notariële akte vergelijkbare vastlegging van de lening. De schuld van eiseres voldoet daarmee niet aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef onder b, van de Wht. Nu eiseres niet aan de eis inzake de notariële akte heeft voldaan, komt de rechtbank ook voor dit leningdeel niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Ook in zoverre behoeft hetgeen eiseres over de opeisbaarheid heeft aangevoerd geen bespreking.\n\nAchterstallige rente\n\n12. Nu verweerder terecht heeft bepaald dat de leningdelen I en II niet in aanmerking komen voor overname, volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder d, van de Wht, dat ook de achterstallige rente niet voor overname in aanmerking komt.\n\n13. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden overgenomen, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.Artikel 4.1 van de Wht is bovendien dwingend geformuleerd. Of er een causaal verband bestaat tussen de schulden van eiseres en de toeslagenaffaire speelt geen rol bij de vraag of een schuld overgenomen moet worden. Dit geldt ook voor het argument dat eiseres zich nu gestraft voelt voor haar proactieve houding en goede relatie met de schuldeiser.\n\n14. Het vereiste dat een private schuld moet blijken uit een notariële akte of rechterlijke uitspraak, vloeit voort uit de wet. Dat eiseres het niet eens is met dit vereiste, maakt het voorgaande niet anders. Het vereiste van een notariële akte is immers vastgelegd in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank dit vereiste in de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. In artikel 120 van de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen en in de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit deze rechtspraak volgt verder dat er desalniettemin aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in dit geval niet voordoen. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 15 mei 2024, heeft de wetgever bewust gekozen voor het stellen van voornoemde eis in de Wht. Dit betekent dat er geen sprake is van een omstandigheid die niet of niet ten volle is meegenomen in de afweging van de wetgever.\n\n15. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden.In wat eiseres heeft aangevoerd, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. De wetgever heeft er immers bewust voor gekozen om de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening niet over te nemen. Ook heeft de wetgever bewust gekozen voor de eis dat een private schuld moet blijken uit een notariële akte of rechterlijke uitspraak. Het uitgangspunt van de Wht is bovendien niet het herstellen van de in het verleden geleden schade, maar toeslagenouders zoveel als mogelijk de kans te bieden om een nieuwe start te maken. Dat daarmee niet alle door de toeslagenaffaire veroorzaakte (financiële) problemen van toeslagenouders zijn opgelost, is door de wetgever dan ook onder ogen gezien. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat haar woning executoriaal verkocht zal worden waardoor zij de woning gedwongen zal moeten verlaten, maar er bevinden zich bij de gedingstukken geen gegevens die haar stelling onderbouwen. Er zijn bij deze stand van zaken dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie zodanig bijzonder of schrijnend is om tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding te kunnen geven.\n\n16. Eiseres heeft verder verzocht haar bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder heeft in het bestreden besluit op het bezwaarschrift gereageerd. Voor zover eiseres in beroep niet heeft aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, kan deze beroepsgrond al hierom niet slagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de Belastingdienst\u002FToeslagen.\n\n Artikel 8:117 van de Awb.\n\n De datum van 1 juni 2021 sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor privaatrechtelijke\n\n schulden en voorkomt dat met de wetenschap van het bestaan van die regeling nieuwe schulden\n\n worden aangegaan. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 130.\n\n Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en\n\n onder b, van de Wht.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, blz. 45.\n\n 69204 – belastingconsulenten, 82204 – verhuur van onroerend goed (niet van woonruimte), en 6810 – handel in eigen onroerend goed.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 38.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van\n\n 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3, blz. 162.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9955","2024-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.637Z",1,20]