[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":214},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},28,{"min":18,"max":19},"1993-04-27T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121792","Wetboek van Strafrecht","",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122553","art. 6",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122554","art. 83",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"122600","Burgerlijk Wetboek","art. 6:108 lid 4",{"provisionId":37,"code":34,"article":38,"count":25},"122601","art. 6:108 lid 3",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"122750","art. 302",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"122751","art. 300",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"122752","art. 300 lid 4",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"123319","art. 31",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"123345","art. 247",[55,64,71,79,86,93,100,108,116,124,132,140,148,155,163,171,178,187,196,205],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":63},"300","ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","ecli-nl-ghdha-2026-2249","Rolnummer: 22-000722-24\n\nParketnummer: 09-238193-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 3 september 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, in ieder geval 271,3 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft zij, kort en zakelijk weergegeven gesteld dat het gezien het feit dat de verdachte op enig moment bij de bestelbus is geweest, enkele (sport)tassen in de bestelbus open waren en de (sport)tassen in de bestelbus naar hun uiterlijke verschijningsvorm hoeveelheden verdovende middelen bevatten, niet anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat er verdovende middelen in die tassen zaten.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nUit het dossier en de camerabeelden volgt dat de verdachte samen met twee medeverdachten meer dan twintig in plastic gewikkelde gesloten sporttassen, nadat deze uit een bestelbus waren geladen, in het appartementencomplex waar hij op dat moment woonachtig was, heeft binnengebracht en in en uit een lift heeft getild. De politieambtenaren die na een melding die nacht, kort daarna ter plaatse kwamen, troffen in die bestelbus een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aan, in hoeveelheden van ongeveer één kilogram verpakt in (deels) vergelijkbare sporttassen, zoals die ook op camerabeelden van de lift achteraf zijn waargenomen, en in bigshoppertassen. Anders dan de op de camerabeelden van de lift waargenomen sporttassen, waren de in de bestelbus aangetroffen sporttassen geopend waardoor de daarin verpakte pakketten van een materiaal bevattende cocaïne zichtbaar waren. In de woning van de verdachte zijn de volgende dag lege sporttassen aangetroffen die uiterlijke gelijkenissen vertonen met de sporttassen die de verdachten het appartementencomplex in hebben gebracht. De speurhond verdovende middelen gaf bij deze sporttassen een signaal af. De verdachte heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Op enig moment heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hem en zijn medeverdachten naar binnengebrachte en gesjouwde sporttassen elektronica\u002F iPhones bevatten. Hoewel die verklaring vragen oproept, en er sprake is van uitermate verdachte omstandigheden die het strafvorderlijk ingrijpen jegens de verdachte op zichzelf zeker rechtvaardigden, bevat het strafdossier naar het oordeel van het hof niettemin onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de (sport)tassen die in de bestelbus aan zijn getroffen, dan wel van de inhoud van de sporttassen die hij het appartementencomplex in heeft gebracht.\n\nIn dit verband is vooraleerst van belang dat de in het appartementencomplex gebrachte sporttassen niet zijn aangetroffen, zodat de inhoud daarvan niet onderzocht is en hoogstens op basis van de uit het dossier kenbare omstandigheden kan worden geoordeeld dat de inhoud van die tassen gelijk moet zijn geweest aan de inhoud van de in de bestelbus aangetroffen (sport)tassen. Daarvan in het hiernavolgende veronderstellenderwijs uitgaande oordeelt het hof als volgt.\n\nIn de laadruimte van de bestelbus zijn zwarte sporttassen en bigshoppertassen aangetroffen. Volgens de verbalisant die deze tassen aantrof en die met een zaklamp in de laadruimte scheen, waren diverse tassen open en waren daarin groene en grijze blokken van ongeveer 30x30 centimeter en ongeveer 10 centimeter dik te zien. Volgens verdere bevindingen is op camerabeelden, gericht op de bestelbus, zichtbaar dat de verdachte op enig moment een deurgreep van de bestelbus vast heeft gehouden en de deur van de bestelbus heeft geopend.\n\nHoewel de verdachte aldus op dat moment bij de bestelbus is te plaatsen, volgt uit deze bevindingen niet dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de verpakte hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne in de laadruimte van de bestelbus wel gezien moet hebben. Uit het overigens ter terechtzitting verhandelde volgt evenmin dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op andere gronden op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de (sport)tassen in de bestelbus verdovende middelen bevatten, althans dat de verdachte redelijkerwijs de aanmerkelijke kans dat dit het geval was heeft aanvaard. Het dossier bevat op dit punt ook geen voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachten of getuigen of telefoonverkeer.\n\nNu voldoende bewijs ontbreekt voor de wetenschap van de verdachte, ook in voorwaardelijke zin, dat het hier om een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zou gaan kan niet worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk, al dan niet in vereniging, heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.369Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":68,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":70},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","2026-07-13T00:28:23.180Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":75,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":62,"updatedAt":78},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.096Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":83,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":62,"updatedAt":85},"1207","ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","ecli-nl-rbdha-2026-18604","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F230926-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie\n\nmr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.A. Breetveld naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding en de op de terechtzitting van 23 juni 2026 toegelaten vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nKort samengevat is het verwijt dat de verdachte zich over een periode van meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan het heimelijk filmen en vervaardigen, bezitten en in sommige gevallen ook verspreiden van kinderpornografisch materiaal van achttien minderjarige meisjes op de basisschool waar hij als conciërge werkzaam was, het plegen van ontuchtige handelingen met vier van die meisjes en de aanranding van drie van die meisjes. Daarnaast is het verwijt dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid ander kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en heeft verspreid. Tot slot wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij meerdere kindersekspoppen in bezit heeft gehad en dat hij een hoeveelheid GHB aanwezig heeft gehad.\n\n3. De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1\n\n3.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig is, nu daarin niet per verweten handeling is gespecificeerd of deze onder de oude of de nieuwe wetgeving van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt. Het onderscheid tussen het begrip ‘ontuchtige handelingen’ in artikel 247 Sr (oud) en het begrip ‘seksuele handelingen’ in artikel 249 Sr (nieuw) is volgens de verdediging materieel relevant, zodat de keuze voor het toepasselijk recht niet als een louter technische kwestie kan worden afgedaan.\n\n3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat het verweer daarom moet worden verworpen.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de dagvaarding een opgave inhouden van de ten laste gelegde feiten, met vermelding van de tijd en plaats waar de feiten zijn begaan en de wettelijke voorschriften waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld. Die opgave mag niet innerlijk tegenstrijdig zijn en moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, in die zin dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken.\n\nIn de tenlastelegging is per verweten gedraging aangegeven of de bewuste gedraging onder het oude dan wel onder het nieuwe recht valt en op welk slachtoffer (zaaksdossier) de gedraging betrekking heeft. Het moet de verdachte daarmee duidelijk zijn geweest tegen welke beschuldigingen hij zich moest verdedigen. Ter zitting is ook niet gebleken dat de verdachte niet zou weten welke verwijten hem worden gemaakt.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv en dus geldig is. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Inleiding\n\nMedio 2025 is het strafrechtelijk onderzoek 15Mombas gestart naar aanleiding van op\n\n26 juni 2025 bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies binnengekomen informatie dat een gebruiker van de applicatie Teleguard diverse videobestanden had gedeeld waarop kinderpornografisch beeldmateriaal was te zien.\n\nOnderzoek naar onder meer het IP-adres van deze gebruiker leidde de politie naar de verdachte. De verdachte was sinds 2019 werkzaam als conciërge op basisschool [naam school] in [plaats] . Zijn woning is doorzocht en daar zijn onder meer gegevensdragers in beslag genomen, waar door de politie onderzoek naar is gedaan. Dat onderzoek leidde de politie onder meer tot de conclusie dat de verdachte beeldmateriaal had vervaardigd van meisjes op [naam school] , waar hij werkzaam was. In onderzoek 15Mombas zijn uiteindelijk zeventien meisjes geïdentificeerd, van één meisje is de identiteit niet bekend geworden.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\n4.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 en 5 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde met betrekking tot sommige onderdelen vrijspraak bepleit en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.4.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van feit 1 (ontucht en aanranding)\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bij de meisjes 1, 2, 5 en 6 ontuchtige handelingen in de zin van artikel 247 Sr (oud) heeft verricht en of de verdachte bij de meisjes 3, 8 en 9 seksuele handelingen in de zin van artikel 249 Sr (nieuw) heeft verricht.\n\nJuridisch kader\n\nOntuchtige handelingen en seksuele handelingen in de zin van de genoemde bepalingen zijn handelingen gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal ethische norm. Een precieze afbakening van wat wel en niet onder ontuchtige dan wel seksuele handelingen valt, kan niet worden gegeven. De beoordeling of een handeling als ontuchtig of seksueel heeft te gelden, hangt niet alleen af van de subjectieve beleving van het slachtoffer, maar onder meer ook van de aard van de handeling, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt, het betrokken lichaamsdeel en de omstandigheden van het geval. Ook de bedoeling van de dader en de verhouding tussen dader en het slachtoffer zijn daarbij relevante factoren.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zeven minderjarige meisjes heeft aangeraakt op (intieme) lichaamsdelen, waaronder hun bovenbenen, billen en vagina.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat deze aanrakingen hebben plaatsgevonden in het kader van zijn werkzaamheden, waarbij hij de meisjes onder andere hielp met het verschonen na een plasongelukje of het plakken van een pleister. De verdachte stelt daarbij niet verder te zijn gegaan dan noodzakelijk in het kader van die werkzaamheden. Hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar seksuele intenties had bij het filmen van de meisjes, maar dat de aanrakingen daar los van staan en onderdeel uitmaakten van de reguliere uitvoering van zijn werkzaamheden. Seksuele fantasieën hierover kwamen pas achteraf, aldus de verdachte.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. De door de verdachte heimelijk gemaakte filmopnames van de handelingen laten namelijk een evident ander beeld zien. De rechtbank heeft deze opnames bekeken en merkt op dat de wijze waarop de zedenrechercheurs de beelden hebben beschreven, overeenstemt met wat de rechtbank heeft gezien. Op de beelden is te zien dat de verdachte gericht op zoek gaat naar de meisjes. De verdachte benadert de meisjes, blijft met hen in gesprek, en in de gevallen waarin hij helpt bij omkleden of het plakken van een pleister, is te zien dat de verdachte veel tijd rekt en de meisjes bewust zodanig positioneert dat hij bepaalde lichaamsdelen – voornamelijk bovenbenen, billen en vagina – zo duidelijk en zo lang mogelijk in beeld kan brengen. Het is binnen deze context van tijd rekken en expliciete beelden maken, dat de verdachte ook zoekt naar gelegenheid om de meisjes op de genoemde plekken aan te raken. Hij merkt bijvoorbeeld op dat ergens nog een stukje wc-papier moet worden weggehaald of dat er nog een pleister op een andere plek moet worden geplakt. In een andere zaak plaatst hij meermaals de hand van een meisje zo ongemerkt mogelijk op of nabij zijn geslachtsdeel.\n\nGezien deze context van het bewust zoeken naar gelegenheid, het tijd rekken en het zo veel mogelijk in beeld brengen, ziet de rechtbank ook in de aanrakingen onmiskenbaar seksuele intenties. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers bevinden zich chatgesprekken waarin de verdachte zeer expliciet met anderen praat over zijn handelingen met de meisjes. Hieruit komen zijn seksuele bedoelingen, alsmede zijn welbewuste pogingen om ongemerkt zo veel mogelijk aanrakingen van de intieme delen van de meisjes te laten plaatsvinden, zonneklaar naar voren. Van een scheidslijn tussen het verrichten van werkzaamheden zonder enige bijbedoeling en het daarover achteraf fantaseren is geen enkele sprake en kan in een geval als dit ook geen sprake zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de verdachte meermaals is verzocht om het behulpzaam zijn bij het verschonen aan anderen over te laten. De verdachte heeft deze verzoeken welbewust naast zich neergelegd.\n\nDat, zoals de verdachte heeft verklaard, de meisjes hem vaak zelf opzochten, maakt het voorgaande op geen enkele wijze anders – in tegendeel. Uit het dossier is gebleken dat het de verdachte zelf is geweest die, in plaats van de vereiste professionele distantie in acht te nemen, deze situatie heeft gecreëerd, door de meisjes veel aandacht te geven, knuffels en aanrakingen aan te moedigen met lieve woordjes en in sommige gevallen snoepjes en cadeautjes aan de meisjes te geven. De rechtbank wenst hier met zo veel woorden op te merken dat wat er is gebeurd op geen enkele wijze, en dus ook niet indirect, aan de nog zeer jonge slachtoffertjes is te wijten.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop en de plaatsen waar de meisjes zijn aangeraakt, in onderlinge samenhang bezien met de overige omstandigheden, maken dat sprake is geweest van het plegen van ontuchtige handelingen (artikel 247 (oud) Sr) en seksuele handelingen (artikel 249 lid 2 (nieuw) Sr).\n\nDe rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de beschreven handelingen genoemd in gedachtestreepje 4 inzake meisje 1. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar heeft opgetild en een kus op de mond heeft gegeven. Van deze handeling zijn geen beelden aangetroffen. De verklaring van het meisje wordt slechts ondersteund door de verklaring van haar moeder, aan wie zij heeft verteld dat dit incident zich heeft voorgedaan. Deze verklaring is afgeleid van wat het meisje haar heeft verteld en vindt geen steun in ander onafhankelijk bewijsmateriaal. Nu de verklaring uit één bron afkomstig is, acht de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde – voor het overige – wettig en overtuigend bewezen.\n\nTen aanzien van feit 2 (vervaardigen, bezitten en verspreiden kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank is – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat de verdachte, ook wat betreft het materiaal waarop de meisjes gekleed zijn, kinderpornografisch materiaal heeft vervaardigd. De strafbaarheid van het materiaal dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en strekking van de opnames in samenhang met de wijze van vervaardiging daarvan. De beelden hebben onmiskenbaar een seksuele strekking. Zo wordt er ingezoomd op bepaalde lichaamsdelen, met name op de bovenbenen, billen en vagina. Waar het gaat om de wijze van vervaardiging neemt de rechtbank in aanmerking dat deze beelden heimelijk zijn gemaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte drie van deze kinderpornografische afbeeldingen ook heeft verspreid.\n\nDe rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 4 (kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de door de politie gehanteerde telling en de wijze waarop de afbeeldingen en video’s zijn geïnventariseerd.\n\nDe rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 5 (kindersekspoppen)\n\nHet onder 5 ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 253a Sr. Dit artikel omvat – kort gezegd – een verbod op seksattributen, zoals poppen, die een uiterlijke verschijningsvorm hebben van een kind.\n\nBij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn onder meer vijf poppen aangetroffen. De rechtbank moet beoordelen of dit poppen zijn met de uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en die bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten. Artikel 253a Sr is een (relatief) nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2025. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 253a Sr.\n\nBij de vraag of sprake is van een voorwerp met de uiterlijke verschijningsvormen van een kind jonger dan zestien jaren, geldt dat gekeken moet worden naar de uiterlijke kenmerken van het desbetreffende voorwerp. Er hoeft geen sprake te zijn van een anatomisch correcte replica of een volledige pop. Vereist is een realistische uiterlijke verschijningsvorm van een kind of een lichaamsdeel van een kind. In geval van kindersekspoppen kunnen bijvoorbeeld de lichaamsafmeting en -verhouding van belang zijn. Dat aan het voorwerp lichaamskenmerken zijn toegevoegd die passen bij een volwassene (bijvoorbeeld, (grote) borsten, billen of volle lippen), hoeft niet in de weg te staan aan de vaststelling dat sprake is van een uiterlijke verschijningsvorm van een kind (of een lichaamsdeel van een kind) jonger dan zestien jaren.\n\nBij de vraag of een voorwerp bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, gaat het om de aard van het voorwerp en niet om de intentie van degene die het in bezit heeft. Of het voorwerp bestemd is voor het verrichten van seksuele handelingen moet worden beoordeeld op basis van zijn uiterlijke kenmerken, zoals aanwezige lichaamsopeningen geschikt voor seksueel binnendringen of andere functies voor seksueel gebruik (bijvoorbeeld geslachtsorganen).\n\nVerder moet ten minste sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Dit betekent dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft. Het opzet van de verdachte hoeft zich niet uit te strekken tot de daadwerkelijke kinderleeftijd die aan het voorwerp op basis van zijn uiterlijke kenmerken kan worden toegekend. Voor een bewezenverklaring is enkel van belang dat de pop op basis van zijn uiterlijke kenmerken als kind is aan te merken en dat de verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet heeft gehad.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nIn de woning van de verdachte zijn in de slaapkamer twee poppen (pop 1 en 2) en in de voorraadkamer drie poppen (pop 3, 4 en 5) aangetroffen. Volgens de verdachte zijn geen van deze poppen kindersekspoppen, maar zijn pop 1, 2, en 3 normale sekspoppen en zijn pop 4 en 5 normale babypoppen.\n\nPop 1, 2 en 3\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten.\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van pop 2 en pop 3 dat hun uiterlijke verschijningsvorm die van een kind jonger dan zestien jaar is. De rechtbank neemt daarbij met name de afmetingen van de poppen en de platte borst in aanmerking. Deze kenmerken geven de poppen het uiterlijk van een minderjarige jonger dan zestien jaar. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor beide poppen geldt dat deze eerder geassocieerd worden met een kind jonger dan zestien jaren dan met een volwassene, zodat de gemiddelde kijker aanstonds meent dat de poppen het lichaam van een minderjarige beneden de zestien jaren moeten voorstellen.\n\nTen aanzien van pop 1 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Gelet op de omvang van de borstpartij, en het ontbreken van duidelijke uiterlijke kenmerken die passen bij een minderjarige, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze pop naar haar uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren voorstelt.\n\nUit de omstandigheden dat de poppen 2 en 3 aanstonds lijken op lichamen van kinderen jonger dan zestien jaren, iets waarvan de verdachte zich bewust had moeten zijn, leidt de rechtbank voorts af dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat de verdachte pop 2 en 3 vóór de inwerkingtreding van artikel 253a Sr op een reguliere website heeft aangeschaft, doet hieraan niets af.\n\nPop 4 en 5\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had naar hun uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren – namelijk een baby – betreffen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het niet gaat om normale speelgoed babypoppen, maar dat uit hun uiterlijke kenmerken blijkt dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de poppen zijn vervaardigd van siliconen, een materiaal dat niet gebruikelijk is voor een normale speelgoed babypop. Daarnaast beschikken de poppen over anatomische kenmerken, waaronder een opening bij de mond en weergegeven geslachtsdelen. Deze kenmerken maken dat de rechtbank van oordeel is dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Dat de opening van de mond slechts beperkt van omvang is, doet aan dat oordeel niet af. De seksuele handelingen hoeven immers niet beperkt te zijn tot (volledige) penetratie van de pop.\n\nDe verdachte had uit de uiterlijke kenmerken van de poppen kunnen afleiden dat de poppen een seksuele bestemming hadden. Dat geldt des te meer nu hij zelf heeft verklaard dat hij de poppen in huis had voor een seksdate met andere mensen, waarbij die poppen werden gebruikt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat pop 4 en 5 naar zeggen van de verdachte niet door hemzelf zijn aangeschaft, doet aan dat oordeel niets af.\n\nConclusie\n\nAlleen pop 1 is niet aan te merken als een kindersekspop als bedoeld in artikel 253a Sr. De overige vier poppen zijn dat wel. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde bezit van meerdere kindersekspoppen dus wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] meermalen, met meerdere kinderen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt en aan zijn zorg en waakzaamheid waren toevertrouwd, te weten:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\nbuiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- meermalen de trui van meisje 1 omhoog te schuiven en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 te gaan en (daarbij) haar rug aan te raken en\n\n- meisje 1 bij haar middel te pakken en tegen zich aan te trekken waarbij hij haar beide\n\nbenen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de verdachte\n\nkomt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje\n\n1. met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen en\n\n- meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel te leggen en te houden en\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de trui van meisje 2 omhoog te trekken en het onderbroekje van meisje 2 (deels) naar\n\nbeneden te trekken en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, te wrijven en meermalen over de onderbroek op haar billen te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- met zijn hand en\u002Fof vinger(s) over de onderbroek van meisje 5 te wrijven ter hoogte van\n\nhaar billen en aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar\n\nbillen, te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het voorraadhok te plaatsen en met wc-\n\npapier over de binnenzijde van haar been en over haar vagina te wrijven, waarbij de\n\nbuitenste schaamlip(pen) naar buiten werden geduwd en\n\n- de billen van meisje 6 vast te pakken en te spreiden, waardoor er zicht is op haar anus en\n\n- over de (ontblote) billen van meisje 6 te wrijven en\n\nmet meerdere kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\neen of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meisje 3 met beide armen (toestaan) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te laten houden en meermalen tegen meisje 3 te zeggen \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter\n\nhoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt en\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- het jurkje van meisje 8 omhoog te trekken en meermalen over de binnenzijde van het\n\n(ontblote) bovenbeen van meisje 8 te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- zijn, verdachtes, arm om meisje 9 heen te slaan en te zeggen: \"He kutje, hoe is het?\" en\n\nhierbij met zijn hand over haar rug te wrijven en meermalen op de billen van meisje 9 te\n\nslaan,\n\nen welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang:\n\n- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en\n\n- er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen de verdachte in zijn hoedanigheid als\n\nconciërge\u002Fmedewerker van de school en de meisjes in hun hoedanigheid als leerlingen;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n(in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024)\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen, te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons\n\nen SD-kaarten, bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te weten foto’s en video’s,\n\nvan (een) seksuele gedraging(en), waarbij:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 15]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\nzijnbetrokken of schijnbaarzijnbetrokken, heeft vervaardigdenin bezit gehad en\n\n(in de periode 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025)\n\nvisuele weergaven van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\nwaren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft vervaardigd enin bezit gehad,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- de bilspleet van meisje 1 (gericht) te filmen (zaaksdossier 1, #01 in toonmap) en\n\n- meermalen (gericht) de onderbroek en\u002Fof de ontblote billen en\u002Fof vagina van meisje 1 te\n\nfilmen (zaaksdossier 1, #02 en #03 in toonmap) en\n\n- onder het rokje van meisje 1 te filmen, waardoor haar onderbroek en billen in beeld\n\nkomen (zaaksdossier 1, #04 in toonmap) en\n\n- meerdere screenshots van een filmpje waarop (onder andere) de ontblote vagina van meisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, #05 in toonmap)\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen, de trui van meisje 1 omhoog schuift en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 gaat en (daarbij) haar rug aanraakt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 1 bij haar middel pakt en tegen zich aan trekt waarbij hij haar beide benen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de\n\nverdachte komt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje 1 met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel legt en houdt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de ontblote billen en vagina van meisje 2 (gericht) te filmen, waarbij hij, verdachte, de\n\nbenen van meisje 2 uit elkaar haalt (zaaksdossier 2, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de trui van meisje 2 omhoog trekt en het onderbroekje van\n\nmeisje 2 (deels) naar beneden trekt en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van\n\nhaar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, wrijft en meermalen over de onderbroek op haar billen wrijft (zaaksdossier 2, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meermalen meisje 3 te filmen in haar onderbroek en hemd, waarbij de nadruk ligt op haar onderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 3, #01 t\u002Fm #04 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 3 met beide armen (toestaat) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te houden en meermalen tegen meisje 3 zegt \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en\u002Fof “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter hoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt (zaaksdossier 3, #05 en #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- onder het rokje, de blote benen en de blote buik van meisje 4 te filmen (zaaksdossier 4,\n\n#03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat verdachte zich aftrekt en (waarbij hij) zijn penis\u002Feikel naast de foto van\n\nmeisje 4 houdt (zaaksdossier 4, #04 in toonmap) en\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- meermalen de ontblote bovenlijf, bilspleet, billen, borsten en onderbroek (gericht) te\n\nfilmen (zaaksdossier 5, #01 t\u002Fm #03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de onderbroek van meisje 5 wrijft ter hoogte van haar\n\nbillen en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de\n\nrand ter hoogte van haar billen, wrijft (zaaksdossier 5, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het\n\nvoorraadhok plaatst (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen het rokje van meisje 6 omhoog tilt\u002Fschuift en haar benen uit elkaar trekt en daarbij de ontblote billen en vagina van meisje 6 (gericht) filmt (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, met wc-papier over de binnenzijde van haar been en over\n\nhaar vagina wrijft, waarbij de buitenste schaamlippen naar buiten worden geduwd\n\n(zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de billen van meisje 6 vastpakt en spreidt, waardoor er zicht is\n\nop haar anus (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de (ontblote) billen van meisje 6 wrijft (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemde filmpjes van meisje 6, waarbij de nadruk ligt op\n\nhaar vagina en billen (zaaksdossier 6, #03 t\u002Fm #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 7:\n\n- een foto van het gezicht van meisje 7 meermalen te bewerken (onder andere) met stijve\n\npenissen op haar gezicht en een witte substantie gelijkend op sperma op haar gezicht en de tekst “Cum Slut” en\n\n“Daddy slut” op haar gezicht, in elk geval voornoemde bewerkte foto’s in bezit heeft gehad\n\n(zaaksdossier 7, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- een foto waarin een stijve penis bij de foto van meisje 7 wordt gehouden heeft gemaakt, in\n\nelk geval in bezit heeft gehad (zaaksdossier 7, #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- meermalen onder het rokje en jurkje van meisje 8 te filmen, waardoor zicht is op haar\n\nonderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 8, #01, #02, #03, #06 en #07 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het rokje en jurkje van meisje 8 omhoog schuift en gericht\n\nhaar onderbroek, vagina en billen filmt, waarbij wordt ingezoomd op de vagina en billen van meisje 8 (zaaksdossier 8 #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het jurkje van meisje 8 omhoog trekt en meermalen over de\n\nbinnenzijde van het (ontblote) bovenbeen van meisje 8 wrijft (zaaksdossier 8, #07 in\n\ntoonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03),\n\nwaarbij de nadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05\n\nin toonmap),\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- meermalen onder het rokje van meisje 9 te filmen, waardoor zicht is op haar billen en\n\nonderbroek (zaaksdossier 9, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, zijn arm om meisje 9 heen slaat en te zeggen: “He kutje, hoe is\n\nhet?” en hierbij met zijn hand over haar rug wrijft en meermalen op de billen van meisje 9\n\nslaat (zaaksdossier 9, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 10:\n\n- de onderbroek van meisje 10 (gericht) te filmen (zaaksdossier 10, #03 in toonmap),\n\n*Zaaksdossier 11:\n\n- onder het rokje van meisje 11 (gericht) te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek\n\n(zaaksdossier 11, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek van\n\nmeisje 11 (zaaksdossier 11, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 12:\n\n- meermalen onder het rokje en\u002Fof jurkje van meisje 12 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en\u002Fof vagina (zaaksdossier 12, #01 en #08 in toonmap) en\n\n- de (geklede) billen van meisje 12 (gericht) te filmen (zaaksdossier 12, #03 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en het\n\nonderlichaam van meisje 12 (zaaksdossier 12, #02 t\u002Fm 07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 13:\n\n- de (geklede) billen\u002Fonderlichaam van meisje 13 (gericht) te filmen (zaaksdossier 13, #01 in\n\ntoonmap),\n\n* Zaaksdossier 14:\n\n- meisje 14 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 14, #01 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 15:\n\n- onder het rokje van meisje 15 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en (de\n\ncontouren van) haar vagina en billen (zaaksdossier 15, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en (de contouren van) de vagina en\u002Fof billen van meisje 15 (zaaksdossier 15, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 16:\n\n- meisje 16 te filmen in haar onderbroek en hemd en (daarbij) gericht op haar billen\n\n(zaaksdossier 16, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en billen van meisje 16 (zaaksdossier 16, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 17:\n\n- meisje 17 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 17, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 18:\n\n- de (geklede) billen van meisje 18 (gericht) te filmen (zaaksdossier 18, #01 in toonmao) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en buik van meisje 18 (zaaksdossier 18, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\nen via social media heeft verspreid:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- een screenshot van een door verdachte vervaardigde video waarop de ontblote vagina van\n\nmeisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, vervolg zaak 1, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- ( een) screenshots van een filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03), waarbij de\n\nnadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05 in toonmap),\n\nwaarbij die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en strekte(n) tot seksuele prikkeling,\n\nvan welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;\n\n3.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van meerdere kinderen:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 9]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\naanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het schoolgebouw van\n\n [naam school] meerdere afbeeldingen heeft vervaardigd;\n\n4.\n\nhij in de periode van 28 april 2009 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen (ongeveer 199.105 afbeeldingen), te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons,\n\nSD-kaarten, desktops en USB-sticks bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te\n\nweten foto’s en video’s, van seksuele gedragingen en visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft:\n\n- verspreid via social media (waaronder via Telegram en Teleguard)\n\n- aangeboden,\n\n- verworven,\n\n- in bezit gehad en\n\n- zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang heeft verschaft,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, voorwerp en\u002Fof mond\u002Ftong oraal, vaginaal en\u002Fof anaal\n\npenetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet\n\nhad bereikt en\n\n- het met de penis, mond\u002Ftong en\u002Fof vinger\u002Fhand oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van\n\nhet lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar\n\nnog niet had bereikt en\n\n- het met de vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen\n\nlichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #01 t\u002Fm 08, #34, #35 en #37\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, tong betasten en\u002Fof aanraken van de geslachtsdelen, billen, borsten en\u002Fof andere lichaamsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand en\u002Fof mond\u002Ftong betasten en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de billen en\u002Fof borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #09 t\u002Fm #16\n\n- het door een dier likken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #17\n\n- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met een voorwerp en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling en\n\n* zie toonmap reguliere KP #18 t\u002Fm #27\n\n- het masturberen boven\u002Fbij en\u002Fof ejaculeren op het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon\n\ndie kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n- het houden van een (stijve) penis bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht\u002Flichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is\n\n* zie toonmap reguliere KP #28 t\u002Fm #33, #36 en #38\n\nwaarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;\n\n5.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] voorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind of van een lichaamsdeel van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, die bestemd warenom seksuele handelingen mee te verrichten, te weten meerdere kindersekspoppen, voorzien van een anus en\u002Fof vagina en\u002Fof een opening bij de mond, in bezit heeft gehad;\n\n6.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 680 milliliter GHB aanwezig heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De oplegging van straffen en maatregel\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ingevolge artikel 38z Sr wordt opgelegd.\n\nVerder heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met alle slachtoffers voor de duur van vijf jaren, en een locatieverbod voor twee postcodes in [plaats] voor de duur van tien jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot vordert de officier van justitie op te leggen dat de verdachte wordt ontzet uit het recht tot uitoefening van elk beroep waardoor de verdachte in aanraking met minderjarigen onder de twaalf jaar zou kunnen komen, voor de duur van tien jaren.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijfeneenhalf jaar schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen en aan het vervaardigen, bezitten en verspreiden van kindermisbruikmateriaal\u002Fkinderporno van jonge meisjes op een basisschool. In zijn hoedanigheid van conciërge heeft hij ernstig misbruik gemaakt van zijn positie door deze meisjes te filmen, onder meer wanneer zij naar het toilet gingen of geholpen moesten worden met verschonen na een plasongelukje. Daarbij lag de focus telkens op de intieme lichaamsdelen. In zeven gevallen heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en seksuele handelingen, door de slachtoffers op (intieme) lichaamsdelen aan te raken. Hiermee heeft hij hun lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig geschonden. De verdachte is planmatig en doelgericht te werk gegaan. Hij gaf de meisjes regelmatig snoepjes en knuffels en wist op die manier een vertrouwensband met hen op te bouwen. De verdachte heeft hen daarnaast bewust opgezocht, aangestuurd en zodanig gepositioneerd dat hij hen beter kon filmen.\n\nDe rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten hebben en van het overwicht dat hij als volwassene had op de nog zeer jonge slachtoffertjes. Te meer wordt dit de verdachte aangerekend nu hij reeds in behandeling was voor zijn pedofiele stoornis, maar er desondanks en tegen het dringende advies van zijn behandelaar in, toch voor heeft gekozen een baan aan te nemen op een basisschool waar hij in contact zou komen met veel minderjarige meisjes. Dat de verdachte, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht, geen andere keuze had dan de baan als conciërge te accepteren omdat hij anders zijn uitkering zou verliezen, is niet geloofwaardig en miskent zijn eigen verantwoordelijkheid in de gang van zaken. Zou de verdachte immers open kaart hebben gespeeld over zijn stoornis, dan had geen enkele uitkeringsinstantie hem naar nota bene een basisschool gestuurd. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen op school in een veilige omgeving verblijven en dat hen daar niets overkomt. Door het handelen van de verdachte is dat vertrouwen ernstig geschonden. Zijn handelen heeft diepe sporen nagelaten in de betrokken gezinnen. Wat de precieze gevolgen voor de meisjes zullen zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. De gevolgen voor de ouders en naasten van de betrokken kinderen, zijn naar voren gekomen uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Uit de verklaringen van de ouders komt naar voren dat het handelen van de verdachte ook hen veel pijn en verdriet heeft toegebracht. De ouders hebben toegelicht dat zij kampen met schuldgevoelens en onzekerheid met betrekking tot de vraag of en in welke mate dit gevolgen zal hebben op de verdere ontwikkeling van hun kinderen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte gedurende een periode van meer dan zestien jaar een gewoonte gemaakt van het bezitten en verspreiden van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Op de aangetroffen afbeeldingen en video’s zijn verregaande seksuele handelingen met (jonge) kinderen te zien. Bij de vervaardiging van dergelijk materiaal worden kinderen seksueel misbruikt en uitgebuit, met alle emotionele en lichamelijke schadelijke gevolgen voor hen van dien. Zij kunnen nog lange tijd achtervolgd worden door de gevolgen van de verspreiding van de beelden, doordat het vrijwel onmogelijk is om een afbeelding of video die op het internet is gezet, daarvan af te halen. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de vraag naar dergelijk kindermisbruikmateriaal en daarmee aan de instandhouding van dat misbruik en de uitbuiting van minderjarigen. Met de gevolgen voor de kinderen heeft hij geen rekening gehouden.\n\nDe verdachte heeft verder meerdere kindersekspoppen in bezit gehad. Het bezit van dergelijke seksattributen draagt bij aan het in stand houden van een markt voor voorwerpen die seksualisering van kinderen in de hand werken en het creëren van een subcultuur die seks met kinderen als normaal gedrag afspiegelt. Tot slot heeft de verdachte een hoeveelheid GHB aanwezig gehad.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgesteld door psychiater dr. [psychiater] en van de Pro Justitia-rapportage van 8 april 2026, opgesteld door klinisch psycholoog drs. [klinisch psycholoog] .\n\nDe psychiater komt tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. In het verleden is een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis vastgesteld en de verdachte gebruikt medicatie die verschijnselen van deze stoornis onderdrukt. De pedofiele stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het uit de pedofiele stoornis voortkomende sterke verlangen naar seksueel contact met prepuberale meisjes, in combinatie met de cognitieve vertekeningen, zorgde ervoor dat de verdachte doorging met het verzamelen van kinderporno, het filmen en ontuchtig aanraken van de kinderen op de school. De psychiater adviseert de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Om het door de psychiater op matig ingeschatte risico op recidive te verlagen wordt geadviseerd een behandeling op te leggen en deze klinisch te laten beginnen. Daarna zullen toezicht en begeleiding een grote rol moeten spelen. De psychiater adviseert deze behandeling, indien de strafmaat dit toelaat, op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel zal onvoldoende bescherming bieden tegen recidive. Het opleggen van tbs met dwangverpleging wordt niet geadviseerd.\n\nDe psycholoog concludeert, net als de psychiater, dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, schizoïde, vermijdende, dwangmatige en antisociale trekken. Er is sprake van een doorwerking van deze stoornissen in aanloop tot en ten tijde van het plegen van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Om deze reden adviseert de psycholoog het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het risico op een nieuw hands-ondelict wordt ingeschat als matig, maar dit risico stijgt indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. Om het risico op recidive terug te dringen is het wenselijk dat de verdachte behandeld wordt voor zijn pedofiele stoornis. Dit kan middels cognitieve gedragstherapie of andere vormen van psychotherapie. De psycholoog adviseert om deze behandeling klinisch te laten starten. Een behandeling als onderdeel van een voorwaardelijke straf is hiervoor onvoldoende; wanneer de verdachte niet zou meewerken, resteert de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Dat is volgens de psycholoog zorgelijk, zeker omdat het recidiverisico matig is. Er is langdurige zorg en toezicht nodig, maar er is geen hoog beveiligingsniveau nodig. Om die reden lijkt volgens de psycholoog, indien de strafmaat dit toelaat, tbs met voorwaarden meer passend dan tbs met dwangverpleging. Daarnaast wordt geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog, dat het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent het bewezen verklaarde dus in zoverre in verminderde mate aan de verdachte toe, maar houdt daarbij ook rekening met het feit dat de verdachte geraffineerd te werk ging door telkens heimelijk opnames te maken met speciale software om niet te worden betrapt. De verdachte was er dus van doordrongen dat wat hij deed onacceptabel was.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026. Uit de rapportage volgt dat de reclassering zich in grote lijnen aansluit bij hetgeen door de psychiater en psycholoog is geconcludeerd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering heeft bij een veroordeling positief geadviseerd over tbs met voorwaarden. Ondanks de ambivalente houding van de verdachte ten aanzien van een klinische opname, is de reclassering van mening dat alleen een langdurig traject met een stevige stok achter de deur de verdachte kan helpen om niet opnieuw de fout in te gaan. De reclassering adviseert deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen, vanwege de problematiek bij de verdachte die langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen na de tbs-maatregel.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De oriëntatiepunten gaan voor het maken van een gewoonte van het vervaardigen van kinderporno uit van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voor het maken van een gewoonte van het verspreiden van kinderporno geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Voor ontucht en seksuele handelingen met minderjarigen zoals in deze zaak aan de orde zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Ook is er geen oriëntatiepunt voor het bezit van de kindersekspoppen. Tot slot staat op het bezit van 680 milliliter GHB volgens de oriëntatiepunten een taakstraf.\n\nNaast de oriëntatiepunten neemt de rechtbank de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd – zoals hiervoor al besproken – in aanmerking. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte, terwijl hij wist dat hij leed aan een pedofiele stoornis en daarvoor in behandeling was, voor een basisschool is gaan werken. Hij heeft een basisschool, wat een veilige plek voor jonge kinderen moet zijn, gebruikt om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in een basisschool als een veilige plaats voor kinderen, is beschaamd. De zaak heeft mede daarom tot veel maatschappelijke beroering en onbegrip geleid.\n\nGelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de lange periode waarover de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en het grote aantal slachtoffers, concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nDe eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaren.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nAan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van de aard van de feiten, de inhoud van de Pro Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het gemiddelde recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte tbs wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank onderkent dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages en de reclassering tbs met voorwaarden (en niet tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. Dit lijkt dan ook het meest passende kader voor de verdachte te zijn. De oplegging van een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren staat echter aan het opleggen van tbs met voorwaarden in de weg. Doordat een gevangenisstraf van zeven jaar aan de verdachte wordt opgelegd, is het op grond van de wet niet mogelijk om tbs met voorwaarden op te leggen. De rechtbank is daarmee beperkt in haar mogelijkheden. Aangezien geen lichter of ander kader resteert om de noodzakelijke behandeling dwingend vorm te geven en het risico op recidive te beperken, eist de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging.\n\nDe maatregel wordt (mede) opgelegd voor zedenfeiten, en derhalve voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd en kan daarom langer duren dan vier jaren.\n\nDe 38v- en 38z-maatregel\n\nNu de verdachte eerst het resterende deel van de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan\n\nen daarna zal worden behandeld in het kader van de tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- en locatieverbod op te leggen. Hetzelfde geldt voor de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeroepsverbod\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten in de uitoefening van zijn beroep begaan. Om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten, legt de rechtbank een verbod op aan de verdachte tot het uitoefenen van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen. De rechtbank acht een duur van tien jaren passend en geboden.\n\n8. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nIn totaal hebben negentien benadeelde partijen zich gevoegd in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nIn de tabel hieronder wordt het door hen gevorderde weergegeven.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 8.612,15\n\n€ 135.712,50\n\n€ 144.324,65\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n€ 5.564,06\n\n€ 20.000,-\n\n€ 25.564,06\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n€ 8.100,-\n\n€ 16.000,-\n\n€ 24.100,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n€ 6.526,90\n\n€ 16.125,-\n\n€ 22.651,90\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n€ 5.000,-\n\n€ 5.000,-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n€ 12.946,04\n\n€ 10.000,-\n\n€ 22.946,04\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n€ 5.112,05\n\n€ 13.750,-\n\n€ 18.862,05\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n€ 13,86\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.013,86\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n€ 206,80\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.206,80\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n€ 6.553,39\n\n€ 11.250,-\n\n€ 17.803,39\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 6.000,-\n\n€ 6.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n€ 15,04\n\n€ 3.125,-\n\n€ 3.140,04\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n€ 12.038,72\n\n€ 3.125,-\n\n€ 18.288,72\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n€ 3.125,-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n€ 5.274,97\n\n€ 3.125,-\n\n€ 8.399,97\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n€ 5.327,-\n\n€ 1.875,-\n\n€ 7.202,-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n€ 4.000,-\n\n€ 4.000,-\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade in de zaken 2 en 11 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.827,20 voor het slachtoffer en € 24,51 voor haar moeder, in zaak 3 tot € 1.526,90, in zaak 5 tot € 154,06, in zaak 7 tot € 1.553,39 en in zaak 17 tot € 327,-. Voor het overige dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat deze in de zaken 2, 4, 5, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 28.000,- voor het slachtoffer en € 3.000,- voor haar moeder, in zaak 3 tot € 7.500,- en in zaak 6 tot € 10.000,-. De ouders van slachtoffer 6 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, nu geen sprake lijkt te zijn van shockschade.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de vorderingen in de zaken 1, 3 en 7 zich primair op het standpunt gesteld dat deze te complex zijn voor behandeling en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, en subsidiair dat deze dienen te worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde reis- en parkeerkosten in de zaken 5, 6, 11, 12, 13, 15 en 17 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade in de zaken 2, 5, 6, 12, 13 en 17 dienen de benadeelde partijen (voor het overige) niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nTer onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde onvoorziene kosten (zaken 1, 3, 4, 6, 7, 12, 13, 15 en 17) niet zijn onderbouwd, onvoldoende blijkt dat de uitjes (zaak 1) noodzakelijk waren, er onvoldoende verband is tussen de studievertraging (zaak 2) en de ten laste gelegde feiten, en dat de kosten van het opnemen van verlof (zaak 5) geen direct gevolg zijn van het handelen van de verdachte.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding in het algemeen opgemerkt dat de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. De raadsman heeft dit vervolgens nader geconcretiseerd en bepleit dat de volgende bedragen aan immateriële schade passend zijn:\n\n- een bedrag van € 2.500,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 2, 4, 7, 12 en 13;\n\n- een bedrag van € 2.000,00 voor de benadeelde partij in zaak 6;\n\n- een bedrag van € 1.500,00 voor de benadeelde partij in zaak 1;\n\n- een bedrag van € 1.000,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 3, 5, 8, 11, 14, 15, 16 en 17;\n\n- een bedrag van € 500,00 voor de benadeelde partij in zaak 18.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van de vorderingen van de ouders in de zaken 1 en 6 verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Daartoe heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat geen sprake kan zijn van shockschade, nu geen sprake was van een directe confrontatie met de seksuele handelingen tussen de verdachte en hun dochter.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe ouders van de slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben namens hen materiële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben daarnaast zelf ook materiële schade gevorderd.\n\nVerplaatste schade: wettelijk kader\n\nHet wettelijk kader voor een vergoeding van de verplaatste schade is artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om kosten die een derde ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en die het slachtoffer zelf had kunnen claimen als het slachtoffer de kosten zelf zou hebben gemaakt. Om deze schade te kunnen verhalen op de verdachte, moet er een direct oorzakelijk verband bestaan tussen het strafbare feit en de schade.\n\nReis- en parkeerkosten\n\nDe benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben materiële schade gevorderd voor reis- en parkeerkosten.\n\nTen aanzien van de reiskosten in het kader van een medische behandeling overweegt de rechtbank dat dit schade is die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze in redelijkheid zijn gemaakt. De verdediging heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van zaak 1 dan ook toewijzen. Uit het bij de vordering gevoegde overzicht blijkt dat de benadeelde partij 24 keer reiskosten heeft gemaakt voor een medische behandeling, waarbij per bezoek een afstand van 2,6 kilometer is afgelegd. De rechtbank hanteert een kilometervergoeding van € 0,33. De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen derhalve 24 x 2,6 x € 0,33, in totaal € 20,59.\n\nDe overige reis- en parkeerkosten zien op het bijwonen van zittingen, bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte en bezoeken aan een advocaat, slachtofferhulp of de school. Al deze overige opgevoerde reiskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Uit vaste rechtspraak blijkt verder dat reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van een zitting op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover door de benadeelde partij zonder gemachtigde (advocaat) wordt geprocedeerd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen met een gemachtigde (advocaat) procederen. Het wettelijk stelsel biedt in dat geval geen ruimte voor vergoeding van de hier gevorderde reiskosten. De overige kosten zijn in het geheel niet toewijsbaar als proceskosten, omdat zij niet worden genoemd in de civiele proceskostenregeling (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540 en Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). In zoverre worden de vorderingen dan ook afgewezen.\n\nOnvoorziene kosten\n\nDe vorderingen zijn met betrekking tot de post ‘onvoorziene kosten’ van € 5.000,- niet (voldoende) onderbouwd. Vanwege dit gebrek aan onderbouwing zal de rechtbank de benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 12, 13, 15 en 17 in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen de gelegenheid geven de vorderingen nader te onderbouwen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nKosten opstellen rapportage\n\nIn de zaken 1, 3 en 7 zijn kosten gevorderd die verband houden met het opstellen van een rapportage door een deskundige inzake de sociaal emotionele ontwikkelingsrisico’s van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat een dergelijk rapport in voorkomende gevallen inzicht kan geven in de mogelijke gevolgen van het handelen van de verdachte voor de ontwikkeling van de slachtoffers op langere termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat in de overgelegde rapporten op verschillende punten wordt uitgegaan van aannames waarvan de juistheid in deze procedure niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal deze rapporten daarom niet aan haar beoordeling ten grondslag leggen en daarmee komen de kosten voor deze rapporten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nIn zaak 7 was het deskundigenrapport ten tijde van de behandeling van de vordering nog niet opgesteld. Reeds daarom kan de rechtbank dit rapport niet betrekken bij haar beoordeling en kunnen de daarvoor gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.\n\nStudievertraging\n\nDoor de ouders in zaak 2 is een vergoeding voor studievertraging gevorderd, omdat hun kind een schooljaar is blijven zitten. De rechtbank is van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de bewezen verklaarde feiten de studievertraging tot gevolg hebben gehad. De vaststelling of de bewezen verklaarde feiten studievertraging hebben opgeleverd voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.\n\nOverige gevorderde materiële schade\n\nIn zaak 1 zijn kosten voor door de moeder met het slachtoffer ondernomen uitjes opgevoerd. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde feiten om te kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Nu het rechtstreekse verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gestelde schade niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering tot schadevergoeding\n\nIn zaak 5 is een vergoeding voor verlofopname van de ouders gevorderd, omdat zij niet hebben kunnen werken vanwege de afhandeling van de zaak en hun dochter hebben moeten ondersteunen. Deze gevorderde kosten betreffen geen schade die door hun dochter zelf is geleden en vervolgens naar de ouders is verplaatst. Er is dus geen sprake van verplaatste schade als bedoeld in 6:107, eerste lid, onder a, BW. Ook de gevorderde schade wegens gederfde inkomsten van de ouders in de zaken 12, 13 en 17, die verband houdt met de tijd die zij hebben besteed aan het doen van aangifte en het bijwonen van de zitting, betreft geen schade die door hun kinderen zelf is geleden. Ten aanzien van deze schade zullen de benadeelde partijen daarom in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nGevorderde materiële schade door ouders\n\nDoor de moeder van slachtoffer 1 en de ouders van slachtoffer 6 is vergoeding van (eigen) materiële schade gevorderd. Ten aanzien van de kosten voor het raadplegen van de huisarts of een specialist in verband met klachten die zouden zijn ontstaan na de bewezen verklaarde feiten, alsmede de daarmee samenhangende reiskosten, overweegt de rechtbank dat onvoldoende uit de onderbouwing is gebleken dat deze schadeposten in een rechtstreeks verband staan met de bewezen verklaarde feiten. Hetzelfde geldt voor de gevorderde schoonmaakwerkzaamheden in de woning, reiskosten voor het volgen van therapie en parkeerkosten vanwege een spoedopname in het ziekenhuis. Deze kosten kunnen dan ook niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nImmateriële schade\n\nDe slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 hebben immateriële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben schadevergoeding verzocht vanwege het bestaan van shockschade.\n\nWettelijk kader\n\nVoor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.\n\nVan de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).\n\nOntucht en aanranding\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze gevallen meebrengen dat de in dit verband door de benadeelden ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen in de zaken 1, 2, 3, 5, 6 en 8 rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welk bedrag passend is om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden schade. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het ontucht aansluiting gezocht bij categorie 15.3 ‘aanranding’. Daarin is een bandbreedte van € 1.000,- tot € 6.500,- opgenomen. De rechtbank neemt verder de jonge leeftijd van de slachtoffers in aanmerking en de omstandigheden dat sprake is geweest van meerdere ontuchtige en seksuele handelingen. De rechtbank acht een bedrag van € 2.000,- per benadeelde partij billijk. De benadeelde partijen worden voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.\n\nHeimelijk filmen en vervaardigen kinderpornografisch materiaal\n\nAnders dan het geval is voor de hiervoor besproken ontuchtige handelingen en aanranding, is de rechtbank van oordeel dat wat betreft het heimelijk filmen een onderbouwing van de vordering nodig is op basis waarvan een aantasting in de persoon en daarbij behorende schade kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het filmen heimelijk is gebeurd, onduidelijk is hoeveel de slachtoffers van het maken van de opnames hebben gemerkt en wat de gevolgen daarvan voor hen zijn of zullen zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onderbouwing in de zaken 4, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 ontbreekt. De rechtbank kan op basis van de gegeven onderbouwing niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon en schade als gevolg daarvan. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partijen zullen daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nBeoordelingskader shockschade\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde shockschade mogelijk. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.\n\nBeoordeling van de vorderingen van de ouders\n\nDe moeder van slachtoffer 1 heeft gesteld dat zij als gevolg van de handelingen die de verdachte jegens haar dochter heeft begaan, psychische klachten heeft ontwikkeld en haar werkzaamheden in omvang heeft moeten verminderen.\n\nDe ouders van slachtoffer 6 hebben gesteld dat zij psychische klachten hebben ontwikkeld nadat zij door de politie werden geconfronteerd met het handelen van de verdachte jegens hun dochter. De vader is als gevolg daarvan uitgevallen op werk en de moeder stelt verlies van arbeidsvermogen te hebben geleden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank komt de ouders van de slachtoffers geen vergoeding van shockschade toe. De rechtbank stelt vast dat in meerdere opzichten geen sprake is van een situatie als door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie beschreven, hoe zeer overigens ook invoelbaar is dat de bewezen verklaarde feiten voor de ouders in emotioneel opzicht zeer belastend zijn.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen derhalve ter zake van de gevorderde immateriële niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.\n\nConclusie\n\nAl het voorgaande betekent dat de rechtbank de volgende bedragen zal toewijzen.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 20,59\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.020,59\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de wettelijke rente voor iedere benadeelde partij toewijzen vanaf de datum waarop de (eerste) video-opname met de ten aanzien van die benadeelde partij onder feit 1 bewezen verklaarde handelingen is vervaardigd, aangezien de schade geacht wordt op dat moment te zijn ontstaan.\n\nProceskosten\n\nTen aanzien van de vorderingen van de slachtoffers die gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nMet betrekking tot de overige vorderingen moeten de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht. De rechtbank zal de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel steeds opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze betalingsverplichting worden aangevuld met het aantal dagen gijzeling dat blijkt uit het dictum van dit vonnis, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\nBEM-clausule\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak door de verdachte te betalen schadevergoeding en rente daarover zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de benadeelde partijen nu zij allen nog minderjarig zijn. De benadeelde partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop de benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 28, 31, 36 f, 37a, 37b, 57, 139f, 240b (oud), 247 (oud), 248 (oud), 249, 252, 253a en 254 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\ngekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind in een situatie van afhankelijkheid, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 3:\n\ngebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nin de periode van 28 april 2009 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en aanbieden en verwerven en in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nvoorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dat bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, in bezit hebben;\n\nten aanzien van feit 6:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van7 (ZEVEN) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstellingvan de verdachte;\n\nbeveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nontzetde verdachte van het recht tot uitoefening van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen, voor de duur van10 (TIEN) JAREN;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade (reiskosten in het kader van een medische behandeling) en € 2.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten, niet betrekking hebbende op reiskosten in het kader van een medische behandeling, af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] (geboren op [geboortedatum 4] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 7] (geboren op [geboortedatum 5] 2018) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025\n\ntot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 11] (geboren op [geboortedatum 7] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vorderingen van de overige benadeelde partijen\n\nbepaalt dat de benadeelde partijen:\n\n- [benadeelde 2] ;\n\n- [benadeelde 5] ;\n\n- [benadeelde 8] ;\n\n- [benadeelde 9] ;\n\n- [benadeelde 10] ;\n\n- [benadeelde 12] ;\n\n- [benadeelde 13] ;\n\n- [benadeelde 14] ;\n\n- [benadeelde 15] ;\n\n- [benadeelde 16] ;\n\n- [benadeelde 17] ;\n\n- [benadeelde 18] ;\n\n- [benadeelde 19] ;\n\nniet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;\n\nde inbeslaggenomen goederen\n\nverstaat dat van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen afstand is gedaan door de verdachte en dat er geen beslag meer open staat.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. van de Griend, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. C.A.W. Zijlstra, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.7.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.10-11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.13.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","2026-07-13T00:29:09.991Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":90,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":92},"839","ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","ecli-nl-ghdha-2026-2247","Rolnummer: 22-003495-25\n\nParketnummer: 10-134474-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 alsmede het herstelvonnis van 12 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is aan de verdachte opgelegd gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikelen 38z van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging,\n\n- tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen,\n\n- die [slachtoffer] tegen een hek heeft geduwd en\u002Fof vastgehouden,\n\n- die [slachtoffer] op haar armen gekrabd heeft,\n\n- heeft geprobeerd de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek heeft uitgetrokken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald, en\u002Fof\n\n- zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het\n\n- slaan met zijn hand tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] , en\u002Fof\n\n- duwen met zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en\u002Fof gevolgd door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging, door - die [slachtoffer] tegen een hek te duwen,\n\n- te proberen de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek uit te trekken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] op haar armen te krabben.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de beslissing met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan.\n\nIn dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en het herstelvonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.\n\nVerzoek tot het horen van de reclasseringsambtenaar\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de reclasseringsambtenaar als deskundige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg een andere houding heeft aangenomen en thans bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het daarom van belang de reclasseringsambtenaar te bevragen over de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ondanks het eerder door de reclassering uitgebrachte negatieve advies.\n\nHet hof wijst dit verzoek af. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.\n\nUit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia-rapportages, alsmede uit hetgeen de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat bij hem geen sprake is van een intrinsieke bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft meermalen te kennen gegeven geen behandeling te willen ondergaan, omdat hij niet inziet dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan ziekte- en probleeminzicht. Dat de verdachte thans, anders dan in eerste aanleg, heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, maakt dit oordeel niet anders. Het hof begrijpt deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, aldus dat deze bereidheid voortkomt uit zijn wens om in vrijheid te worden gesteld en niet uit een daadwerkelijke behandelmotivatie. Zo heeft de verdachte over een klinische opname, hetgeen volgens de rapportage van de reclassering een van de voorwaarden bij een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden zou zijn, verklaard dat er zo geen verschil is met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, dat niemand kan zeggen dat er een probleem is en heeft hij de vraag gesteld wat er dan onderzocht moet worden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zich wil richten op de toekomst, “dit” allemaal achter zich wil laten en dat hij geen zin heeft in een gesprek met de reclassering hierover.\n\nHier komt bij dat de verdachte blijkens het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025 meermalen heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport, ondanks het feit dat de reclassering aan de verdachte het belang van zijn medewerking heeft uitgelegd en de verdachte eerder ter terechtzitting van 8 augustus 2025 had aangegeven mee te zullen werken aan de reclasseringsrapportage. Verder heeft de verdachte in het kader van de onderzoeken naar zijn persoonlijkheid op de vraag van de psychiater of hij bereid is zich aan voorwaarden te houden geantwoord \"off the record, nee, on the record ja\".\n\nOnder deze omstandigheden tezamen beschouwd ziet het hof geen noodzaak tot het horen van de reclasseringsambtenaar inzake de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof vult bewijsmiddel 1 aan door de datum van de terechtzitting toe te voegen, te weten 28 oktober 2025.\n\nVoorts wordt als bewijsmiddel toegevoegd:\n\n7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2025 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. [nummer proces-verbaal] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 14 t\u002Fm 16):\n\nhet relaas van één van de verbalisanten:\n\nIk hoorde dat [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) mij het volgende vertelde:\n\n“Toen de man voor mij stond zag ik dat hij zijn arm in de richting van de binnenkant van mijn dijbeen deed. Ik voelde dat hij mij raakte aan de binnenkant van mijn dijbeen ter hoogte van mijn schaamstreek. (…) Ik stond tussen de man en het hek in. Ik zag dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. Ik voelde dat hij zijn geslachtsdeel tegen mijn billen aan duwde.”\n\nHet hof zal vonnis waarvan beroep - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.\n\nVordering tot schadevergoeding [slachtoffer]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.820,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering deels gehandhaafd in die zin dat het opgevoerde nader te onderbouwen bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade komt te vervallen.\n\nIn hoger beroep is deze vordering derhalve aan de orde tot een bedrag van € 4.320,-, zijnde een bedrag van € 320,- voor materiële schade en een bedrag van € 4.000,- voor immateriële schade.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gelede immateriële schade is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.\n\nDe benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 320,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit informatie van de huisarts volgt dat zij slaapproblemen en stemmingsklachten ervoer. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog steeds behandelingen ondergaat. Het hof is los daarvan van oordeel dat de aard en ernst van de normschending – de bewezen verklaarde poging tot opzetverkrachting van de benadeelde partij als hardloopster, gepleegd in de late avond - meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nGelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal het hof het gevorderde bedrag voor de gelede immateriële schade geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het toewijzen van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft nu sprake is van een poging tot opzetverkrachting als richtsnoer genomen de bedragen die zijn genoemd in de categorie “ernstig” bij “aanranding” , te weten € 1.000,- tot € 5.000,-. De feiten in het onderhavige geval passen naar het oordeel van het hof bij de bovenste laag van deze categorie.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.320,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 april 2025.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep inclusief het herstelvonnis voor het overige, met inachtneming van de in dit arrest overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","2026-07-13T00:28:50.534Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":97,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":99},"892","ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","ecli-nl-ghdha-2026-2246","Rolnummer: 22-002927-23\n\nParketnummer: 09-159505-22\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd inhoudende, kortgezegd, een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De rechtbank heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Het bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en\u002Fof een gebroken oogkas\u002Fneus, althans één of meerdere fracturen en\u002Fof een septumdeviatie (scheefstaande neus) heeft toegebracht, door die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd te schoppen\u002Ftrappen, terwijl zij op de grond lag;\n\nmeer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 2] op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht heeft gestompt\u002Fgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kind, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\n die [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van acht jaren, met aftrek van de reeds ten uitvoer gelegde periode. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat de geweldshandelingen van de verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond op letsel waardoor [slachtoffer (minderjarige) 1] zou komen te overlijden, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van één schop of trap met ongeschoeide voet. Van een aanmerkelijke kans op de dood was, mede gezien de rapportage van het NFI, geen sprake. Nu uit de beschreven letsels en de geschatte herstelduur niet volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nAantal schoppen\n\nUit het dossier volgt dat [slachtoffer (minderjarige) 1] op 27 juni 2022 om 02.00 uur ’s nachts aangifte heeft gedaan van zware mishandeling op 26 juni 2022. Ze heeft verklaard dat ze een harde ruk voelde aan haar haar, achterover ten val kwam en dat haar vader, de verdachte, haar toen begon te schoppen terwijl ze op de grond lag. Ze weet niet meer hoe vaak, maar hij heeft meerdere keren op de linkerkant van haar gezicht getrapt met de zijkant van zijn voet. Hij trapte heel hard en ze voelde heel veel pijn aan de linkerkant van haar hoofd. Tijdens haar verhoor in augustus 2022 heeft zij verklaard dat het meer dan vijf schoppen waren, het waren er heel veel, ze zag dat hij meerdere keren schopte. De verdachte heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard één trap te hebben gegeven. Het NFI heeft, desgevraagd, niet kunnen beoordelen of het vastgestelde letsel waarschijnlijker was bij één trap of vijf trappen in het gezicht.\n\nHet hof heeft evenwel geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer (minderjarige) 1] , die haar eerste verklaring heeft afgelegd vlak na het incident en consequent heeft verklaard dat het om meerdere schoppen ging. Het hof acht het wettig en overtuigend bewijs voor meerdere schoppen aanwezig en zal daarvan bij de verdere beoordeling van de tenlastelegging uitgaan.\n\nPrimair tenlastegelegde - poging tot doodslag\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer (minderjarige) 1] op 26 juni 2022, terwijl zij op de grond lag, meermalen met zijn blote voet tegen het gezicht heeft geschopt. Dit betreft een ernstig en gewelddadig handelen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid met welke kracht dit is gebeurd en op welke plaats van het gezicht de schoppen precies terecht zijn gekomen. Het enkele schoppen tegen het hoofd brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. Het hoofd is weliswaar een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale functies, maar de schedel biedt een wezenlijke bescherming tegen van buitenaf inwerkend geweld. Daarnaast leidt een eventuele beschadiging van de hersenen niet steeds tot de dood. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden. Reeds daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nHet hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.\n\nSubsidiair tenlastegelegde - zware mishandeling\n\nVoor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nHet hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.\n\nUit de stukken volgt dat bij [slachtoffer (minderjarige) 1] een onderhuidse bloeduitstorting rondom het linkeroog en op de linkerwang, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog, een vermoedelijke kneuzing van het kaakgewricht, een mogelijke milde kneuzing van de linkeroogbol en kleine nasale fracturen zijn vastgesteld. Hoewel het hof dit letsel als niet gering en niet te veronachtzamen aanmerkt, kan niet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Hoewel dit letsel mogelijk als zwaar zal worden ervaren, ligt de lat om dat in juridisch strafrechtelijke zin te kunnen vaststellen op grond van wet en jurisprudentie hoog. Het hof overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat de persisterende klachten van [slachtoffer (minderjarige) 1] verband houdende met een verminderde doorgankelijkheid van de neus, wat een gevolg kan zijn van een scheef neustussenschot en\u002Fof vergrote onderste neusschelpen, zijn te relateren aan doorgemaakt trauma op 26 juni 2022. Bovendien is tot op heden medisch ingrijpen in de vorm van een operatie niet noodzakelijk geweest.\n\nDe verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.\n\nTen aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nHet hof is van oordeel dat het meermaals schoppen tegen het gezicht van een op de grond liggend persoon naar zijn aard een gedraging is die een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel of ernstig letsel aan een oog, in het leven roept. Door aldus te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans voor ogen heeft gezien en hij heeft deze kans door zijn handelen ook aanvaard.\n\nHet hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe advocaat-generaal acht de verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer (minderjarige) 2] . Door met de vuist een stomp in het gezicht van [slachtoffer (minderjarige) 2] te geven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.\n\nHet hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] op 19 november 2021 éénmaal op de neus heeft gestompt of geslagen. [slachtoffer (minderjarige) 2] heeft daarbij letsel in de vorm van een kneuzing van de neus opgelopen. Het hof acht geen bewijs aanwezig voor een poging zware mishandeling. Uit het eenmaal stompen of slaan op de neus volgt niet dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.\n\nWel komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de kinderen en de moeder niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat in de periode waarin en nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden veelvuldig over de situatie is gesproken, waardoor betrokkenen elkaar in hun beleving van de gebeurtenissen zouden hebben beïnvloed en versterkt. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde fysieke vormen van mishandeling van zijn kinderen. Voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de zogenaamde psychische mishandeling heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat – kort gezegd – zonder enige fysieke component geen sprake kan zijn van mishandeling.\n\nHet hof overweegt als volgt en stelt voorop dat verklaringen van getuigen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, indien deze betrouwbaar worden geacht en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nNaar het punt van de mogelijkheid van zogenaamde ‘collaborative storytelling’is in deze zaak op verzoek van de verdediging onderzoek verricht. Dr. G. Wolters, voorheen universitair hoofddocent, thans gastdocent aan de universiteit Leiden bij het departement psychologie en gespecialiseerd in het menselijk geheugen, heeft op 30 september 2025 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de essentie van de verklaringen van alle gezinsleden in 2022 en 2023 met elkaar overeenkomt en dat er geen patroon is dat de aard van de beschuldigingen in de loop van de tijd ‘groter’ (ernstiger) wordt door een proces van onderlinge beïnvloeding en ‘collaborative storytelling’.Hierdoor is volgens de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de individuele verklaringen.\n\nHet hof sluit zich bij deze bevindingen aan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen onderling en met die van de moeder op essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in elkaar. Dat op onderdelen sprake is van beperkte strijdigheden, is niet ongebruikelijk en niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis toekomt.\n\nHet verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.\n\nHet hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn kinderen gedurende een langere periode meermalen heeft geslagen. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan over een periode van meerdere jaren en hadden (aldus) een stelselmatig karakter. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, nu sprake is van opzettelijk toepassen van lichamelijk geweld tegen zijn kinderen waardoor pijn en\u002Fof letsel is veroorzaakt. Van een aantal tenlastegelegde feitelijke fysieke handelingen wordt de verdachte vrijgesproken nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is.\n\nVoor de overige tenlastegelegde niet-fysieke gedragingen, te weten het schelden, kleineren en\u002Fof denigrerend toespreken van de kinderen, is het hof van oordeel dat deze geen mishandeling opleveren in de zin van art. 300 Sr. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2026:1005 waaruit volgt dat gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallen. Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ zoals bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Van dit deel van de tenlastelegging zal het hof de verdachte daarom vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. meer subsidiairhij opof omstreeks26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaaltegen het gezicht\u002Fhoofdheeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiairhij opof omstreeks19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neusen\u002Fof het gezichtvan die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kinderen, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4]meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind,meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 1] , destijds 14 jaar, door haar hard aan haar haar naar de grond te trekken en vervolgens meerdere malen hard tegen haar gezicht te trappen\u002Fschoppen. Zij heeft hier bloeduitstortingen, kneuzingen en kleine fracturen van de neus aan overgehouden. Ook heeft de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] , destijds 15 jaar, mishandeld door haar met zijn vuist op haar neus te slaan. Hierbij heeft [slachtoffer (minderjarige) 2] een kneuzing van haar neus opgelopen. Deze mishandelingen stonden niet op zichzelf, nu de verdachte zich verder jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het stelselmatig slaan van niet alleen [slachtoffer (minderjarige) 1] en [slachtoffer (minderjarige) 2] , maar ook van zijn andere drie minderjarige en jonge kinderen: [slachtoffer (minderjarige) 3] , zijn oudste kind en [slachtoffer (minderjarige) 4] en [slachtoffer (minderjarige) 5] , zijn jongste kinderen. Het ging hierbij om flinke tikken\u002Fklappen.\n\nDoor de kinderen veelvuldig te slaan heeft de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden, zoals ook volgt uit de door de dochters voorgelezen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in hoger beroep. Het veelvuldig slaan van zijn kinderen heeft verder aanzienlijke afbreuk gedaan aan de veiligheid die de kinderen van de verdachte hadden mogen verwachten. Bekend is dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.\n\nDe verdachte heeft nagenoeg geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Voor zover hij überhaupt erkent dat er gewelddadige conflictsituaties hebben plaatsgevonden, lijkt hij die voornamelijk af te schuiven op het gedrag van zijn kinderen en hij lijkt de ernst van zijn gedrag niet in te zien.\n\nHet hof heeft gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.\n\nDeze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van de feiten te onderstrepen en de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal geen bijzondere voorwaarden in de vorm van begeleiding en behandeling aan dit voorwaardelijk deel verbinden, nu de verdachte op de terechtzitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard hier niet voor open te staan. Het hof acht het aangewezen om een proeftijd van drie jaren aan het voorwaardelijk deel te verbinden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nVoorts acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contact- en locatieverbod. De verdachte wil contact met zijn kinderen, maar uit de slachtofferverklaringen en de toelichting van de advocaat van de slachtoffers blijkt dat de kinderen nog steeds angst hebben voor de verdachte en dat zij in het geheel geen contact met hem willen. Omdat in ieder geval (een deel van) de kinderen nog minderjarig en woonachtig zijn bij hun moeder, de ex-vrouw van de verdachte, zal het contactverbod zich ook ten aanzien van haar uitstrekken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen zijn kinderen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bevelen. Het hof zal de periode gedurende welke het contact- en locatieverbod van kracht is bepalen op in totaal vijf jaar, met aftrek van de periode waarin deze verboden vanwege de door de in eerste aanleg genomen beslissing reeds hebben gegolden.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben de aangevers zich als benadeelde partijen gevoegd en elk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde:\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 14.500,- ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 12.500,- ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] hebben elk een vordering ingediend tot een bedrag van € 10.000,- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.\n\nIn hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.\n\nHet hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling gedurende vele jaren en heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden en hun geestelijke gezondheid benadeeld. Alle kinderen hebben in hun vordering toegelicht dat zij nog last hebben van de onveilige en onzekere omgeving die de verdachte voor hen heeft gecreëerd. Bij alle kinderen is er als gevolg van de mishandelingen PTSS geconstateerd en vindt er traumabehandeling plaats of is er een advies tot een dergelijke behandeling.\n\nHet hof heeft bij vaststelling van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen door [slachtoffer (minderjarige) 1] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen dat door [slachtoffer (minderjarige) 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 4.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 2] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat de vorderingen zich lenen - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot elk een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte driemaal tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van elk van de slachtoffers [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] .\n\nKosten in verband met alle vorderingen\n\nNu de vorderingen deels worden toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van450 (vierhonderdvijftig) dagen.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde\n\n- voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen [slachtoffer (minderjarige) 3] , [slachtoffer (minderjarige) 2] , [slachtoffer (minderjarige) 1] , [slachtoffer (minderjarige) 5] en [slachtoffer (minderjarige) 4] en met hun moeder, [naam moeder] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betekent ook geen contact bij de school of bij de sportverenigingen waar de kinderen lid van zijn;\n\n- zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in Naaldwijk, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris.\n\nHeft op het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 5] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 4] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","2026-07-13T00:28:53.233Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":107},"591","ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","ecli-nl-ghdha-2026-2261","2026-07-06T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001916-23\n\nParketnummer: 10-010101-22\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de borst\u002Fbuik en\u002Fof in de rug en\u002Fof in de lies, althans in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat de overwegingen van het hof ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren deels anders komen te luiden dan die van de rechtbank en het hof bovendien tot een andere strafoplegging komt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op of omstreeks12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen,althans eenmaal,met een mes,althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp,in de borst\u002Fbuik en\u002Fofin de rug en\u002Fofin de lies, althans in het lichaam,van voornoemde [slachtoffer] te steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nDe strafbaarheid van het tenlastegelegde feit\n\nTer terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - gesteld dat de verdachte zich in de Zoutziedersstraat te Rotterdam geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke,\n\nwederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] (hierna ook:\n\n [slachtoffer] ), waartegen de verdachte zich moest verdedigen. [slachtoffer] zou de verdachte namelijk hebben willen beroven en daartoe de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht. Hierbij heeft hij de verdachte bij zijn nek beetgepakt, hem verwurgd door aan zijn kettingen te trekken en herhaaldelijk gezegd dat hij de verdachte zou doden. De verdachte voelde zich hierdoor volgens de raadsvrouw ernstig bedreigd. Hij kreeg geen adem meer en voelde iets scherps tegen de zijkant van zijn nek drukken. Er was sprake van paniek bij de verdachte.\n\nHij kon zich niet onttrekken aan de verwurging en kon zich niet anders verdedigen dan\n\nmet het zakmes dat hij (toevallig) bij zich had.\n\nDe verdachte heeft meerdere malen gestoken omdat [slachtoffer] , ook nadat hij hem voor het eerst gestoken had, niet losliet en zijn keel bleef dichtdrukken. Daarbij haalde [slachtoffer] met zijn vrije arm naar hem uit en bleef hij roepen dat hij hem zou doodmaken.\n\nOnder die omstandigheden kan hem volgens de raadsvrouw niet worden verweten dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.\n\nHet hof overweegt hieromtrent als volgt.\n\nIngevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer\n\nalleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van\n\neigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke\n\naanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend\n\ngevaar voor zo'n aanranding.\n\nHet hof gaat op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting ten aanzien van\n\nhet ten laste gelegde feit uit van de volgende vaststaande feiten.\n\nOp 12 januari 2022 rond 19.00 uur is [slachtoffer] op het trottoir van de\n\nZoutziederstraat ter hoogte van huisnummer [nummer] in Rotterdam door messteken om het leven\n\ngekomen. De verdachte is degene geweest, zoals ook door hem is bekend, die [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken.\n\nHet Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft het lichaam van [slachtoffer]\n\nonderzocht.\n\nVastgesteld is dat er aan diens lichaam vijf steekverwondingen zijn toegebracht,\n\nwaarvan er twee zo waren toegebracht dat zij ook afzonderlijk van elkaar het overlijden van\n\n [slachtoffer] hebben veroorzaakt.\n\nVerder staat vast dat noch op het lichaam van [slachtoffer] , noch in zijn kleding enig wapen,\n\nmes of ander voor afdreiging geschikt voorwerp is aangetroffen.\n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft zich bij de politie op 26 januari 2022 beroepen op zijn zwijgrecht.\n\nBij de politie heeft de verdachte vervolgens op 1 februari 2022 verklaard dat hij na een bezoek aan de juwelier naar zijn auto liep. Hij zag een jongen op hem afkomen. Die jongen zei tegen hem: 'heb je een vuurtje voor me?'. Hierop zei verdachte dat hij geen vuurtje had. Die jongen bleef naar hem toelopen en voordat de verdachte het wist greep hij naar zijn nek en naar zijn kettingen. De verdachte probeerde zichzelf los te rukken. Hij zei tegen hem: 'Geef alles, want ik maak je dood. Ik maak je dood nu meteen'.\n\nHij kreeg zichzelf niet los. Hij was helemaal in paniek en dacht dat de jongen hem dood ging maken. Hij kreeg geen lucht meer. Hij meende op dat moment dat hij zichzelf moest verdedigen.\n\nHij had een mes in zijn jaszak en heeft dat gepakt. Hij heeft naar hem gestoken, maar\n\nkwam nog steeds niet los. Die jongen zei: 'Ik ga je doodmaken, ik ga je doodmaken, kankerlijer'. Hij was zo in paniek en heeft daarna nog een keer gestoken.\n\nOp een gegeven moment raakte die jongen los van de verdachte en hij zag dat hij op de grond lag. Hij is toen weggerend naar zijn auto.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2023 verklaard dat hij vanuit de juwelierszaak [naam juwelier] gelegen aan de Grote Visserijstraat is overgestoken\n\nnaar zijn auto (Seat), die op de Zoutziedersstraat stond geparkeerd. Hij heeft het portier van zijn auto geopend en is schuin op de bestuurdersstoel gaan zitten, waarbij zijn voeten nog op straat stonden. Nadat hij zich met zijn zojuist gekochte kettingen in de autospiegel had bekeken en zijn vest weer dicht had gedaan werd hij, terwijl het portier nog open stond, aangesproken door een man, het later slachtoffer, die hem om een vuurtje vroeg. De verdachte zei dat hij geen vuurtje had. Het slachtoffer was voorbij het openstaande portier gelopen en greep naar de kettingen van de verdachte en zijn keel. Hij zette zijn andere hand in de nek van de verdachte. Hij zei dat de verdachte alles moest geven, anders zou hij hem dood maken. De verdachte voelde ook iets scherps in zijn nek.\n\nHij heeft toen een uitklapmes uit zijn rechterzak gehaald, heeft het open geklikt en heeft het slachtoffer gestoken. [slachtoffer] bleef hem wurgen en sloeg op zijn arm. Daarna heeft de verdachte hem nog meermalen gestoken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard als in eerste aanleg.\n\nCamerabeelden\n\nOp camerabeelden van de bewakingscamera's van de juwelierszaak [naam juwelier] is te zien\n\ndat de verdachte om 18:52:23 uur de winkel verlaat en de Grote Visserijstraat oversteekt in\n\nde richting van de Zoutziederstraat . Op dat moment heeft de verdachte zijn jas tot boven toe\n\ndichtgeritst en bevinden de drie halskettingen van de verdachte zich uit het zicht, onder zijn kleding.\n\nOm 18:52:50 loopt de verdachte de Zoutziederstraat in.\n\nZeventig seconden later, om 18:54:00 uur, komt de verdachte uit de Zoutziederstraat gerend,\n\nkeert om en rent terug de Zoutziederstraat in.\n\nDe Seat van verdachte rijdt vervolgens om 18:54:24 uur weg in de richting van de Mathenesserdijk.\n\nHet hof constateert op grond van de tijdstippen van die camerabeelden dat het gehele incident in de Zoutziedersstraat hooguit anderhalve minuut heeft geduurd.\n\nVerklaringen getuigen\n\nGetuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij nog in zijn reisbureau aan de [adres] aan het werk was, toen hij stemverheffingen op straat hoorde. Hierna hoorde hij mensen tegen elkaar schreeuwen. Hij had geen zicht op wat zich buiten afspeelde.\n\nGetuige [getuige 2] heeft meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij door een\n\nvriend met zijn auto in de Zoutziederstraat werd afgezet en bij aankomst verderop in de\n\nstraat twee mannen elkaar zag duwen en trekken. Hij zag beiden druk met hun armen\n\nbewegen. Eén van die mannen stond op enig moment tegen een muur geleund en deed niets, terwijl de andere man korte bewegingen naar de leunende man maakte. Kort daarna zag hij de leunende man op de grond vallen. De andere man rende in eerste instantie weg, maar kwam daarna terug, stapte in een auto en reed weg.\n\nGetuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij in de Zoutziederstraat op een vriendin stond te wachten toen zij geschreeuw hoorde. Ze zag toen verderop in de straat twee jongens, waarvan één een aantal keer in de lucht sprong. Deze jongen viel daarna op de grond.\n\nDe andere jongen vluchtte daarop weg.\n\nConclusie hof\n\nUit bovengenoemde getuigenverklaringen leidt het hof af dat op dat moment geen andere personen bij de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] betrokken zijn geweest en dat beiden hoorbaar en met stemverheffing ruzie met elkaar aan het maken waren. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem vanaf het eerste moment met zijn hand zou hebben gewurgd, waardoor hij geen adem kon krijgen, verdraagt zich hiermee niet.\n\nGéén van de getuigen verklaart dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het openstaande\n\nportier en de auto van de verdachte, zou hebben gestaan; zij spreken allen over een\n\nconfrontatie op de stoep, zelfs bij of tegen de muur.\n\nDaarnaast is uit onderzoek gebleken dat op de kettingen van de verdachte, waarop [slachtoffer] het volgens de verdachte had gemunt, in het geheel geen DNA van [slachtoffer] is aangetroffen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft hij die kettingen nadien niet meer schoongemaakt (dat was immers al bij de juwelier gebeurd). [slachtoffer] zou het op die kettingen voorzien hebben en de verdachte werd door [slachtoffer] naar zijn zeggen zo stevig in de hals gegrepen dat daardoor zelfs twee van de kettingen in de verwurging zouden zijn gebroken. In die situatie was de aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] , die geen handschoenen droeg, op die kettingen te verwachten geweest. In zoverre wordt de verklaring van de verdachte dus niet ondersteund.\n\nDe verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen, hem probeerde te\n\nwurgen en te beroven, acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.\n\nNoch in het dossier, noch in het verhandelde ter zitting vindt het hof enig aanknopingspunt\n\nvoor het door de verdachte geschetste scenario.\n\nDat geldt evenzeer voor de stelling van de verdachte dat hij mogelijk het slachtoffer zou zijn\n\ngeworden van een complot, een vooropgezet plan van [slachtoffer] en zijn vrienden waarbij hij in de juwelierszaak is geobserveerd en daarna van zijn kettingen zou worden beroofd.\n\nVoorts overweegt het hof dat de gedragingen van de verdachte na het neersteken van [slachtoffer] - waaronder het niet inschakelen van hulp of van de politie, het achterlaten van het\n\nzwaargewonde slachtoffer, het vluchten van de plaats delict en vervolgens het vertrekken naar het buitenland - het door de verdachte geschetste verhaal in belangrijke mate ondergraven.\n\nGelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.\n\nHet noodweerverweer wordt verworpen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nIndien het hof het beroep op noodweer niet zal honoreren, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, nu hij door de aanval van [slachtoffer] helemaal in paniek is geraakt en hij dacht, toen [slachtoffer] zijn keel dichtkneep en hij iets scherps in zijn nek voelde, dat hij dood gemaakt zou worden. Derhalve is er bij de verdachte sprake geweest van een hevige gemoedsopwelling die het gevolg was van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .\n\nNu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijke dreiging daarvoor van de kant van het slachtoffer toen de verdachte [slachtoffer] meermalen met een mes stak is het hof van oordeel dat het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.\n\nDit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.\n\nEr is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op het toentertijd 22-jarige slachtoffer [slachtoffer] , door hem op zeer gewelddadige wijze te steken in diens borst\u002Fbuik, rug en lies. Ten gevolge van het door de verdachte toegepaste geweld is [slachtoffer] enkele minuten later op het trottoir overleden. De verdachte heeft daarmee een hem onbekende jongeman van het ene op het andere moment het leven ontnomen.\n\nEen motief van de verdachte is niet duidelijk geworden.\n\nHet hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij het slachtoffer, nadat hij hem meermalen had gestoken en op straat was gevallen, volledig aan zijn lot heeft overgelaten en zelfs geen poging heeft ondernomen om (medische) hulp voor hem in te schakelen. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte vastgehouden aan een uit de lucht gegrepen complotscenario en heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.\n\nDe verdachte heeft de nabestaanden hiermee onbeschrijflijk veel leed bezorgd. Zij moeten leven in de wetenschap dat hun (klein)zoon, broer, neef en vriend, in de bloei van zijn leven, op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Aan hen is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dat blijkt ook uit de voorgelezen slachtofferverklaringen van de zus en moeder van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep.\n\nVerder is het feit middenin een woonwijk gepleegd en zijn voorbijgangers getuige geweest van het enorm gewelddadige feit. Dat is voor de getuigen erg beangstigend geweest.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, zij het lang geleden,\n\nte weten in 2006, onherroepelijk is veroordeeld voor een poging doodslag in vergelijkbare omstandigheden.\n\nRapportages\n\nOmtrent de persoon van de verdachte zijn rapporten opgemaakt.\n\nUit de Pro Justitia rapportage van 18 november 2022, opgemaakt en ondertekend door J. Vreugdenhil, psychiater, en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan dit rapport heeft geweigerd.\n\nBij de verdachte kon als gevolg van zijn weigering geen psychische stoornis worden vastgesteld, doch deze kon ook niet worden uitgesloten.\n\nEr zijn wel een aantal opvallende observaties gedaan. Onderzoekers hadden graag nader\n\nwillen onderzoeken in hoeverre deze verklaard kunnen worden door een psychische\n\nstoornis, en zo ja welke.\n\nAls de verdachte had meegewerkt aan het onderzoek had bepaald kunnen worden hoe het gesteld is met zijn intellectuele vermogens, of er sprake is van een\n\nontwikkelingsstoornis, persoonlijkheidsproblematiek en\u002Fof psychiatrische problematiek.\n\nOok hadden onderzoekers meer zicht hebben willen krijgen op de ernst van het\n\nalcoholgebruik van de verdachte en in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van een stoornis in alcoholgebruik.\n\nOmdat de verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, kunnen geen uitspraken\n\nworden gedaan over het risico op recidive vanuit een eventuele psychische stoornis.\n\nOp verzoek van de verdediging is de verdachte vervolgens onderzocht door een psycholoog\n\nen een psychiater. De verdachte heeft hieraan wel zijn medewerking verleend.\n\nPsychiater C.J.F. Kemperman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd\n\n21 december 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nBij de verdachte kan op basis van de anamnese en het onderzoek alsmede bestudering van de stukken geen psychiatrische diagnose worden vastgesteld.\n\nGelet op het niet constateerbaar zijn geweest van een psychiatrische ziekte of gebrek, een\n\npsychiatrische stoornis, kan men niet opmerken dat de wilsbepaling van de verdachte hierdoor verminderd zou zijn geweest. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de dossiergegevens aanwijzingen bevatten dat er wel alcohol- en agressieproblematiek bestaat.\n\nTen aanzien van het risico van herhaling van gewelddadig gedrag overweegt de psychiater dat hij tot een matig risico komt, nu er enige zorg bestaat over het misbruik van middelen (alcohol). Dit naar aanleiding van de aanhouding voor het rijden onder invloed in 2019 en informatie van referenten. Om het recidiverisico te verkleinen zou volgens de psychiater gefocust kunnen worden op het omgaan met agressie en het gebruik van alcohol. Dit zou kunnen binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: ook GVM) ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nPsycholoog mr. drs. R.A. Sterk heeft een rapport over de verdachte opgemaakt,\n\ngedateerd 26 januari 2023. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nEr is bij de verdachte, met inachtneming van de beperkingen van het onderzoek, geen\n\npsychische problematiek in engere zin geconstateerd en evenmin is er sprake van een\n\npersoonlijkheidsstoornis. Ook ten tijde van het tenlastegelegde lijkt er geen sprake geweest\n\nte zijn van psychische problematiek.\n\nDe verdachte valt statistisch gezien binnen de groep met een lage kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Deze risicotaxatie dient wel met de nodige terughoudendheid worden gebruikt in verband met de beperkingen van het onderzoek. Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, adviseert de psycholoog om een GVM te overwegen zodat verdachte na detentie behandeling dan wel begeleiding kan ontvangen indien daartoe behoefte bestaat.\n\nIn het reclasseringsrapport van 24 maart 2023 wordt geadviseerd om bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden indien hij schuldig wordt bevonden. Met name het gedeeltelijk ontkennen van het delict waarbij een jong persoon is overleden is risicovol vanwege het mogelijke forse alcoholgebruik en de proceshouding waarin de verdachte geen medewerking verleent aan onderzoek. De kans op recidive kan zo worden beperkt waardoor de veiligheid in de samenleving kan worden gewaarborgd.\n\nUit het reclasseringsrapport van 30 augustus 2024 blijkt dat het, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, niet mogelijk is om vanuit reclasseringsperspectief een goed gefundeerd advies te geven.\n\nDe strafoplegging\n\nHet hof acht de verdachte op grond van de conclusies in bovengenoemde rapporten volledig toerekeningsvatbaar.\n\nGelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nHet hof heeft verder gekeken naar de straffen zoals die doorgaans voor feiten als het onderhavige worden opgelegd.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals in eerste aanleg door de officier van justitie is geëist, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.\n\nHet hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1\n\nvan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele\n\nvrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een voorlopig\n\ngehechte verdachte in beginsel binnen 16 maanden te worden afgerond.\n\nHet hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep is ingesteld op 27 juni 2023 en eindarrest wordt gewezen op 6 juli 2026. Derhalve is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met 20 maanden.\n\nBij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, zoals in de\n\nonderhavige zaak het geval is, wordt als uitgangspunt de op te leggen straf verminderd met 10 %, maar met niet meer dan 6 maanden.\n\nDe vertragingen in deze procedures kunnen de verdachte niet worden aangerekend.\n\nDit betekent dat de aan de verdachte op te leggen straf naar het oordeel van het hof dient\n\nte worden verminderd met 6 maanden.\n\nRekening houdend met bovengenoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het\n\nhof daarom een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 6 maandenopleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nMaatregel artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht\n\nHet hof heeft gelet op genoemde conclusies van de deskundigen Kemperman en Sterk, alsmede het reclasseringsrapport van 24 maart 2023.\n\nDeskundige Kemperman heeft gesteld dat het recidiverisico kan worden verkleind binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr. Deskundige Sterk heeft geadviseerd om een GVM te overwegen, zodat de verdachte na zijn detentie begeleiding en behandeling kan krijgen. De reclassering heeft in het meest recente rapport ook geadviseerd een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden.\n\nDaarnaast heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer] heeft doodgestoken, alsmede het feit dat het niet de eerste keer is dat de verdachte iemand met een mes heeft neergestoken en hij in de onderhavige zaak ook een mes op zak had en heeft laten zien dit ook daadwerkelijk te gebruiken.\n\nHet hof zal derhalve - anders dan de rechtbank - in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Naar het oordeel van het hof dient de maatschappij te worden beschermd tegen de verdachte, aangezien er een groot risico is op herhaling van geweldsfeiten en de kans aanwezig is dat het recidiverisico na ommekomst van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.\n\nAan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een GVM is voldaan.\n\nDe verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] (vader van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde, geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde en niet betwiste immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding overeenkomt met genoemd Besluit leent de geleden immateriële schade zich voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] (moeder van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 32.500,00, bestaande uit een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan shockschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 27.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist ten aanzien\n\nvan de affectieschade en ten aanzien van de shockschade niet betwist tot een bedrag van\n\n€ 5.000,00.\n\nAffectieschade\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding bovendien overeenkomt met genoemd Besluit en de vordering in zoverre niet wordt betwist, zal de vordering ter zake van de affectieschade geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nShockschade\n\nMr. Backer heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitaantekeningen ten aanzien van de gevorderde shockschade gesteld dat aan het confrontatievereiste is voldaan.\n\nNa de sectie is de moeder van het slachtoffer geconfronteerd met het gehavende, levenloze lichaam van haar zoon en heeft zij de steekverwondingen waargenomen waaraan hij is overleden. Het uit die confrontatie voortgekomen geestelijk letsel is door een psycholoog vastgesteld. De benadeelde partij heeft nog steeds consulten ter verwerking van het psychisch trauma dat zij heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Voorts blijkt dat zij medicatie gebruikt.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de\n\njurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.\n\nVoor een zeer beperkte kring van personen bestaat onder zeer bijzondere omstandigheden\n\nde mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële\n\nshockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het\n\nBurgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op “aantasting in de persoon”.\n\nBij de toepassing van voormelde bepaling van het BW ook in zaken als de onderhavige,\n\nwaarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen heeft de Hoge\n\nRaad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende gezichtspunten.\n\nBij de benadeelde partij moet door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de\n\ndoodslag op het slachtoffer geestelijk letsel zijn ontstaan.\n\nHet hof leidt uit de toelichting op de gestelde shockschade en de overgelegde stukken af dat bij de benadeelde partij serieuze psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast.\n\nNaar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat de benadeelde partij shockschade heeft opgelopen en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof mede gelet heeft op het toegewezen bedrag ter zake van affectieschade - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 22.500,00 aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] (oom van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als\n\ngevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00 aan begrafeniskosten.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.\n\nNu de gevorderde kosten door de benadeelde partij niet zijn onderbouwd zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nGelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt aan de verdachte voorts op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 133 (honderddrieëndertig) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op\n\n12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.E. Harteveld, als voorzitter, en mr. A. de Lange en\n\nmr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nMr. M. Pheijffer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","2026-07-13T00:28:38.361Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":112,"fullText":113,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":112,"parsedAt":62,"updatedAt":115},"1416","ECLI:NL:GHDHA:2026:2122","ecli-nl-ghdha-2026-2122","2026-07-01T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001626-20\n\nParketnummer: 10-996667-16\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1973,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2015\n\nte Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) opzettelijk\n\ngebruik heeft gemaakt van (een) valse en\u002Fof vervalste factu(u)r(en) gericht aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna RST ), te weten:\n\nTOS\n\n1. factuur [factuurnummer 1] van [naam bedrijf 1] gedateerd 11-08-2014 [DOC-025];\n\n2. factuur [factuurnummer 2] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 26-01-2015 [DOC-026 p.4\u002F9]; en\u002Fof\n\nTechniek\n\n3. factuur [factuurnummer 3] van [naam bedrijf 1] gedateerd 17-11-2014 [DOC-196, p.5];\n\n4. factuur [factuurnummer 4] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-196, p.44]; en\u002Fof\n\nADO\n\n5. factuur [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-219, p.17];\n\n6. factuur [factuurnummer 6] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 12-10-2015 [DOC-219, p.16]; en\u002Fof\n\nHospitality\n\n7. factuur [factuurnummer 7] van [naam bedrijf 1] gedateerd 12-11-2014 [DOC-180, p.1]; en\u002Fof\n\nFiscaal Advies\n\n8. factuur [factuurnummer 8] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-108];\n\n9. factuur [factuurnummer 9] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-118]; en\u002Fof\n\n [naam winkel]\n\n10. factuur [factuurnummer 10] van [naam bedrijf 1] gedateerd 29-10-2014 [DOC-085];\n\n11. factuur [factuurnummer 11] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-091]; en\u002Fof\n\nSponsoring\n\n12. factuur [factuurnummer 12] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-184, p.3];\n\n13. factuur [factuurnummer 13] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 08-04-2015 [DOC-184, p.6];\n\n- ( elk) zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen –\n\nals ware(n) het\u002Fdeze echt en onvervalst, dan wel dit\u002Fdeze geschrift(en) heeft afgeleverd en\u002Fof voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit\u002Fdeze geschrift(en) bestemd was\u002Fwaren voor gebruik als ware(n) die\u002Fdeze echt en onvervalst,\n\nbestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in\u002Fop dat\u002Fdie geschrift(en) de levering aan RST van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen of diensten was vermeld tegen de op die factu(u)r(en) vermelde bedrag(en)\u002Fprijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen en\u002Fof minder levering(en) aan RST heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof, geen en\u002Fof minder diensten waren verricht door de\u002Fhet op die factu(u)r(en) vermelde bedrijven\u002Fbedrijf en\u002Fof tegen de op die factu(u)r(en) vermelde bedrag(en)\u002Fprijs,\n\nen\n\nbestaande dat gebruikmaken en\u002Fof afleveren (telkens) hierin dat hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) die factu(u)r(en) aan ((een) medewerker(s) van de Financiële Administratie van) RST en\u002Fof [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam medeverdachte 2] heeft\u002Fhebben toegezonden en\u002Fof ter hand gesteld, en\u002Falthans doen toekomen en\u002Fof doen ter hand stellen;\n\n2.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016\n\nte Rotterdam, Den Haag, Almere en\u002Fof Oostvoorne, althans (elders) in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof een valse hoedanigheid en\u002Fof door één of meer listige kunstgre(e)p(en) en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\nRotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en\u002Fof het teniet doen van een inschuld, te weten een totaalbedrag van (circa) afgerond EUR 2.625.000,-, althans enig(e) geldbedrag(en),\n\nhebbende hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en\u002Fof in strijd met de waarheid (telkens)\n\n- één of meer factu(u)r(en) ten name van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en\u002Fof [naam bedrijf 2] . opgemaakt en\u002Falthans laten opmaken in het kader van:\n\nTOSvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 284.079,- (als opgenomen in AMB-030, dossierpagina's 000317-000318);\n\nTechniekvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 1.389.238,- (als opgenomen in AMB-028 en DOC-196, dossierpagina 000258 resp. 002587);\n\nADO skyboxvoor een totaalbedrag van (circa) EUR419.392,-\n\nHospitalityvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.800,- (als opgenomen in AMB-026, dossierpagina 000239);\n\nFiscaal adviesvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 149.423,- (als opgenomen in AMB-022, dossierpagina 000204);\n\n [naam winkel] Incentivevoor een totaalbedrag van (circa) EUR 181.197,50 (als opgenomen in AMB-019, dossierpagina 000186);\n\nSponsoringvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.297,- (als opgenomen in AMB-027, dossierpagina 000247);\n\nen\u002Fof\n\n- op die factu(u)r(en) (al dan niet gedeeltelijk) fictieve leveringen van goederen en\u002Fof diensten, en daarop gebaseerde factuurbedragen vermeld en\u002Falthans laten vermelden;\n\n- die factu(u)r(en) aan RST ter attentie van [naam medeverdachte 1] toegezonden en\u002Fof doen toekomen, en\u002Falthans aan [naam medeverdachte 2] overhandigd;\n\n- die factu(u)r(en) voor betaling gecontroleerd en\u002Fof goedgekeurd, en vervolgens aan de afdeling Financiële Administratie van RST doorgestuurd;\n\nwaardoor die RST (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);\n\nsubsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij\n\nop één of meer tijstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016\n\nte Rotterdam, Den Haag, Almere en\u002Fof Oostvoorne, althans (elders) in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n (telkens) opzettelijk één of meer goed(eren), te weten een of meer gedbedrag(en) tot een totaal van circa (afgerond) EUR 2.625.000,-,\n\ndat\u002Fdie geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) uit hoofde van zijn\u002Fhun persoonlijke dienstbetrekking en\u002Fof beroep van\u002Fals operationeel directeur en\u002Fof manager Finance & Control en\u002Fof interim projectmanager Terminal Operating System (TOS) van RST , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;\n\n3.\n\nhij\n\nop een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 6 oktober 2016\n\nte Oostvoorne, gemeente Westvoorne, en\u002Fof Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\na. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans enig(e) geldbedrag(en),\n\nheeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen en\u002Fof omgezet, en\u002Fof van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt,\n\nen\u002Fof\n\nb. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans van enig(e) geldbedrag(en),\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was\u002Fwaren, en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt.\n\nOntvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging\n\nNamens de verdachte is bepleit dat het OM niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, nu niet kan worden gesteld dat het OM het gezag heeft gevoerd over het opsporingsonderzoek en omdat geen sprake is geweest van een onafhankelijk onderzoek door het OM.\n\nHet hof stelt voorop dat, volgens vaste jurisprudentie, de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als dominus litis, een in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Het moet dan gaan om een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.\n\nOfschoon geen van de aan het niet-ontvankelijkheidsverweer ten grondslag liggende argumenten voldoende en concreet zijn onderbouwd, overweegt het hof het volgende. Duidelijk is dat de Fiod, onder gezag van de officier van justitie, naar aanleiding van de aangifte mede op basis van het onderzoek van [naam advocatenkantoor] en [naam zakelijke dienstverlener] (zie hierna onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden’), een eigen en zelfstandig onderzoek heeft gevoerd waarbij (digitale) stukken zijn in beslag genomen, welke stukken aan, onder andere, de verdachten zijn voorgehouden, een fors aantal getuigen is gehoord en ook verdachte is verhoord. Er is derhalve sprake van een zelfstandig en onafhankelijk onderzoek onder leiding van de officier van justitie, waarbij de officier van justitie als gebruikelijk de omvang van dat onderzoek heeft bepaald. Noch uit het dossier noch uit hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht zijn aanwijzingen af te leiden dat sprake is geweest van een inbreuk, laat staan een ernstige en onherstelbare, op het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het voegen van het [naam zakelijke dienstverlener] -rapport aan het strafdossier kan niet als zodanige aanwijzing worden aangemerkt, ook niet als dat rapport het resultaat is van een beperkte onderzoeksopdracht. Ook de beslissing van de officier van justitie om de tegen de verdachte ingestelde ontnemingsvordering in te trekken nadat hem was gebleken dat RST tegen de verdachten een civiele procedure was gestart ter verhaal van de geleden schade, is niet zo’n aanwijzing, onder meer nu aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering kunnen worden gebracht op het in een ontnemingsprocedure vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel (vgl art. 36e lid 9 Sr).\n\nHet hof concludeert uit het voorgaande dat geen sprake is van enig vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van artikel 359a lid 1 Sv waaraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Het OM is ontvankelijk in zijn vervolging.\n\nHet hof verwerpt het ter zitting gedane voorwaardelijke verzoek om de behandelend officier van justitie te horen nu de noodzaak daartoe ontbreekt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nGebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs\n\nNamens de verdachte is – op gronden zoals vermeld in pleitnota van de raadsman – bepleit dat de verklaringen van aangever RST en alle medewerkers van RST mede gelet op de destijds aanwezige bedrijfscultuur, naar de mening van de verdachte veroorzaakt en in stand gehouden door algemeen directeur [naam algemeen directeur] , onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.\n\nHet hof overweegt te dien aanzien dat er geen enkele aanleiding bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de genoemde getuigen. Niet vanwege de bedrijfscultuur en evenmin om andere redenen. Zie nader hierna bij de overwegingen van het hof naar aanleiding van het tweede feit (de oplichting).\n\nWaardering van het bewijs en bespreking van de verweren\n\nFeiten en omstandigheden\n\n [naam verdachte] werd vanaf 1 september 2013 door RST ingehuurd voor het begeleiden van de implementatie van nieuwe Terminal Operating Software (hierna:TOS). In eerste instantie werd hij ingehuurd via zijn eenmanszaak [naam bedrijf 1] , later via zijn vennootschap [naam bedrijf 2] . i\u002Fo. en [naam bedrijf 2] . (hierna beiden: [naam bedrijf 2] ). [naam 1] (een nichtje van [naam verdachte] ) is oprichter en bestuurder van [naam holding] Op de facturen van [naam bedrijf 1] staat vermeld dat betaald dient te worden op een bankrekening ten name van [naam 1] [naam 2] (de zus van [naam verdachte] ).\n\nIn de jaren 2013 tot en met 2016 ontvangt RST in totaal 315 facturen van deze ondernemingen. Verder is nog van belang dat op het TOS-projectdoor drie verschillende bedrijven werd ingeschreven. Eén daarvan was [naam bedrijf 3] . De onderneming [naam bedrijf 4] , waarvan [naam directeur bedrijf 4] directeur was, was aandeelhouder van [naam bedrijf 3] . Verschillende verklaringen in het dossier wekken de suggestie dat [naam bedrijf 3] de TOS-opdracht heeft verworven nadat [naam bedrijf 4] had beloofd aan acht managers van RST een bedrag van € 75.000,00 te geven dan wel bij die acht managers verbouwingen ter waarde van € 75.000,00 uit te voeren waarvoor niet betaald hoefde te worden.\n\nEind februari 2016 heeft de accountant van Rotterdam Short Sea Terminals (hierna:\n\nRST ) de kasadministratie gecontroleerd en geconstateerd dat onregelmatige facturen zijn ingediend op naam van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Vervolgens is in opdracht van [naam bedrijf 5] (hierna: [naam bedrijf 5] ), de moedermaatschappij van RST , een nader onderzoek ingesteld naar de betalingen op facturen aan [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Dit onderzoek werd uitgevoerd door [naam advocatenkantoor] , die daarbij [naam zakelijke dienstverlener]\n\n (hierna: [naam zakelijke dienstverlener] ) heeft ingeschakeld. Naar aanleiding van de bevindingen is namens RST aangifte gedaan op 2 juni 2016 en hierbij is het concept rapport van [naam zakelijke dienstverlener] overgelegd. In de periode van 2013 tot en met begin 2016 zouden vanuit [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] voor miljoenen euro's facturen zijn verstuurd voor niet-geleverde diensten. Op basis van de aangifte is door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dit onderzoek heeft de FIOD onder andere [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) en verdachte als verdachten aangemerkt en gehoord.\n\nNa het indienen van de aangifte is RST reeds op 16 juni 2016 een civiele procedure gestart tegen acht partijen waar onder de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Bij vonnis van 15 december 2021 is in de civiele procedure uitspraak gedaan. Naar aanleiding van deze civiele uitspraak heeft het openbaar ministerie de aanvankelijk tegen [naam medeverdachte 1] ingestelde ontnemingsvordering ingetrokken. [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zijn ook in de civiele zaak tegen de uitspraak van de rechtbank in beroep gegaan, op welk hoger beroep ten tijde van dit arrest nog niet is beslist. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren in de ten laste gelegde periode in dienstbetrekking werkzaam bij RST . Zij maakten deel uit van het managementteam van RST ; [naam medeverdachte 1] als operationeel directeur en [naam medeverdachte 2] als manager Finance & Control.\n\nOp 18 maart 2016 wordt naar aanleiding van de bevindingen van KPMG aan [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] de toegang tot het RST -kantoor ontzegd. Op 19 maart 2016 vindt op Zestienhoven een overleg plaats waarbij ondermeer [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] aanwezig waren. Eveneens op 19 maart 2016 had [naam medeverdachte 1] een persoonlijk gesprek bij en met algemeen directeur [naam algemeen directeur] , in aanwezigheid van de advocaat van RST . In dit gesprek erkent hij dat hij, aldus de op 21 maart aan [naam medeverdachte 1] verzonden ontslagbrief, samen met [naam verdachte] facturen heeft opgesteld voor niet geleverde diensten, zaken, verschotten, en die facturen samen met een ander heeft geaccordeerd waarna de betalingen vervolgens door RST zijn verricht. Op 20 maart 2016 zendt [naam medeverdachte 1] een e-mail aan [naam algemeen directeur] waarin hij aanbiedt 200.000 terug te betalen en de rest in termijnen en verzoekt de kwestie intern te regelen. Op 21 maart 2016 worden [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op staande voet ontslagen en wordt de interim overeenkomst met [naam bedrijf 2] opgezegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Tegenover elke door [naam verdachte] aan RST verzonden factuur stond steeds een prestatie. RST wist hiervan en wist eveneens dat de facturen vals waren en kon daardoor dus niet misleid worden. RST , althans haar aandeelhouder, beschikte over een fraudeverzekering. Deze verzekering bevat een uitsluitingsclausule voor het geval de directeur bij de fraude is betrokken. Om deze reden is door RST \u002F [naam zakelijke dienstverlener] onvoldoende onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van de algemeen directeur bij de fraude. Daardoor is niet alleen het [naam zakelijke dienstverlener] onderzoek (te) eenzijdig, maar ook het daarop gebaseerde strafrechtelijk onderzoek.\n\nDe aangifte van RST en de verklaringen van de RST -getuigen zijn daarom onbetrouwbaar.\n\nRST heeft geprobeerd verschillende RST getuigen te beïnvloeden, hetgeen er eveneens toe heeft geleid dat de RST getuigen onbetrouwbaar zijn. Daarom het voorwaardelijk verzoek [naam 3] (destijds hoofd HR) en mr [naam 4] (destijds advocaat van RST ) als getuige te horen.\n\nTen onrechte zijn de RST pijlen alleen gericht op [naam verdachte] als toeleverancier van producten en diensten. RST heeft de (inmiddels overleden) heer [naam 5] , een andere toeleverancier, ‘gevrijwaard’ van aansprakelijkheid. Mogelijk kan de zoon van de heer [naam 5] meer vertellen over deze vrijwaring en daarom wordt (voorwaardelijk) verzocht ook hem als getuige te horen.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nDe ten laste gelegde facturen betreffen facturen van [naam bedrijf 1] dan wel van [naam bedrijf 2] . Sommige [naam bedrijf 1] facturen vermelden onderin een bankrekening ten name van “ [naam 1] ” (facturen 1 en 7 genoemd in de tenlastelegging). Dit is een nichtje van [naam verdachte] . Andere [naam bedrijf 1] facturen vermelden onderin een bankrekeningnummer ten name van [naam 2] (facturen 3, 8, 10 en 12). Dit betreft de zus van [naam verdachte] . De overige in de tenlastelegging genoemde facturen betreffen facturen van [naam bedrijf 2] (facturen 2, 4, 5, 6, 9, 11 en 13) en noemen twee verschillende rekeningen op naam van [naam bedrijf 2] (eindigend op respectievelijk [eindcijfers 1] en [eindcijfers 2] ). Aldus liet [naam verdachte] de door of namens hem aan RST gezonden facturen uitbetalen op vier verschillende rekeningen.\n\nDe FIOD heeft op basis van de verklaring van onder andere [naam administratief medewerker] (administratief medewerkster RST ) beschreven hoe de werkwijze was bij RST met betrekking tot de facturering en betaalbaarstelling. [naam administratief medewerker] heeft onder andere verklaard dat de facturen over de periode tot 2015 binnen kwamen via de secretaresse bij de boekhouding. Daar werden de facturen vervolgens ingeboekt.De facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] kwamen volgens [naam administratief medewerker] echter niet per post (via de secretaresse) binnen, maar via [naam medeverdachte 2] . Hij kreeg de facturen van [naam verdachte] . Vanaf de invoering van het administratiesysteem Basware (1 januari 2015) werden de digitaal ontvangen facturen eerst op de desbetreffende afdelingen geaccordeerd door [naam getuige 2] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam algemeen directeur] . Vervolgens werden ze door [naam administratief medewerker] in de administratie verwerkt. Toen [naam administratief medewerker] navraag deed bij [naam medeverdachte 2] over de verschillende werkzaamheden waarvoor gefactureerd werd door [naam verdachte] namens [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] , verklaarde [naam medeverdachte 2] dat [naam verdachte] verschillende bedrijven had die werkzaam waren bij RST. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren vervolgens degenen die veruit de meeste facturen vervolgens controleerden en accordeerden. [naam zakelijke dienstverlener] heeft vastgesteld dat van de 2015-facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] 100% van de facturen van [naam bedrijf 1] en 78% van de facturen van [naam bedrijf 2] werden gecontroleerd en goedgekeurd door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .Voor [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] geldt dat zij bijna alle facturen tekenden.\n\nVoorts heeft [naam zakelijke dienstverlener] vastgesteld dat tussen het moment van goedkeuren van de facturen door [naam medeverdachte 1] en het moment waarop [naam medeverdachte 2] de facturen controleerde veelal slechts enkele seconden zaten. Op 11 maart 2015 heeft [naam medeverdachte 1] op verzoek van [naam verdachte] zelfs zijn inloggegevens aan [naam medeverdachte 2] gegeven.\n\nFeit 1: valsheid in geschrift\n\nIn de strafprocedure heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om 13 facturen op te\n\nnemen in de tenlastelegging als dwarsdoorsnede van het totaal aantal facturen dat is\n\ningediend door [naam bedrijf 1] dan wel [naam bedrijf 2] bij RST en die ook door RST zijn\n\nuitbetaald. Deze 13 facturen zijn in feit 1 onderverdeeld in 7 categorieën en zullen hieronder\n\nnader worden besproken in dezelfde volgorde als in de tenlastelegging.\n\nTOS project\n\nDe eerste factuur op de tenlastelegging is van [naam bedrijf 1] , gedateerd 11 augustus 2014 en met\n\nnummer [factuurnummer 1] . De factuur heeft als omschrijving 'bezoek terminal buitenland voor\n\nTOS project week 30, 31 en 32' en betreft een bedrag van € 13.019,68.Aan de factuur zijn de volgende bijlagen gevoegd:\n\n- een schrijven van [naam reisbureau] gericht aan [naam verdachte] met de tekst:\n\n“Van 19 juli tot 11 aug 2014 – TOS PROJECT\n\nTotaal bedrag ticket plus hotel Curaçao € 7.393,90\n\nTotaal bedrag ticket plus hotel Paramaribo van € 5.626,38”en\n\n- een voucher op naam van [naam verdachte] voor een verblijf van 3 tot en met 9 augustus 2014 het hotel [naam hotel 1] in Curaçao.\n\nUit de e-mails van [naam reisbureau] van 2 en 13 juni 2024 volgt dat voor het\n\ngezin van [naam verdachte] vliegtickets zijn geboekt voor het traject Amsterdam-Paramaribo-Curaçao in de periode van 28 juli tot en met 9 augustus 2024. Uit de e-mail van 2 juni 2014 volgt dat de totale kosten € 3.968,70 bedroegen.\n\nPer e-mail van 9 augustus 2024 verzoekt [naam verdachte] aan het reisbureau [naam reisbureau] om een nieuwe factuur te maken en de omschrijving en het bedrag van de factuur aan te passen naar de tekst zoals in de hiervoor genoemde bijlage is vermeld.Het totaalbedrag van de reizen is door [naam verdachte] aanzienlijk verhoogd ten opzichte van de in de -mails vermelde kosten. Hierop antwoordt [naam reisbureau] diezelfde dag:Ik begrijp wat je vraagt en ik wil je uiteraard graag van dienst zijn, maar ik kan niet zomaar nieuwe facturen maken naast de bestaande.”Hierna stuurt [naam reisbureau] op 10 augustus 2014 de hiervoor genoemde bijlage met vermelding van de kosten van de reizen naar Curaçao en Suriname.\n\nIn een WhatsApp-gesprek op 9 en 10 augustus 2014 tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] schrijft [naam verdachte] : \" [naam medeverdachte 2] ik krijg een factuur voor min vak maar die wordt opgesteld onder het TOS-project \"; [naam verdachte] vraagt aan [naam medeverdachte 2] de factuur te tekenen en\n\ndeze verklaart zich hiertoe bereid, waarop [naam verdachte] als verdeling appt: \"13k dan geef ik jou\n\n5k. Kan je wat leuks halen voor je vrouwtje \". Met de woorden\"haha deal\"accepteert\n\n [naam medeverdachte 2] het aanbod.\n\nDe bij RST ingediende en door RST betaalde factuur doet het derhalve voorkomen alsof de reiskosten zijn gemaakt in het kader van het TOS-project, terwijl de reis in werkelijkheid een vakantiereis van het gezin [naam verdachte] betrof en een deel van het bedrag aan [naam medeverdachte 2] werd geschonken. De factuur is vals.\n\nDe tweede tenlastegelegde factuur, genummerd [factuurnummer 2] en met als datum 22 oktober\n\n2015, is van [naam bedrijf 2] heeft referentie “Tos terminal visit Dec” en als omschrijving'Aantal 4 Tos team business trip terminal bezoek Singapore ivm demo tos systeem en verbluf [naam hotel 2] in Dec 2015'.Als totaalbedrag staat vermeld € 20.998,34. Uit e-mail wisseling tussen [naam verdachte] en [naam reisbureau] over deze reis volgt dat het gaat om een privé vakantie reis. [naam verdachte] noemt in de e-mail 24 augustus 2015 de namen van zijn gezinsleden en [naam reisbureau] geeft een prijsgave voor een double room waar je met vier personen in mag.\n\nMeerdere personen hebben verklaard dat [naam verdachte] met zijn gezin op vakantie naar\n\nSingapore is geweest en dat [naam verdachte] voor het TOS-project niets in Singapore te zoeken\n\nhad.Voor [naam verdachte] geldt bovendien dat hij ter zitting heeft bekend dat de omschrijving\n\nvan deze factuur niet klopt. Hij is in die periode met zijn gezin op vakantie geweest in\n\nSingapore en heeft dat met een andere omschrijving gefactureerd aan RST .\n\nDaarnaast heeft [naam medeverdachte 1] bij [naam reisbureau] een prijsopgave gevraagd voor een wintersportvakantie. Op 20 oktober 2015 schrijft [naam reisbureau] in een e-mail aan [naam medeverdachte 1] dat zij het hotel [naam hotel 3] voor hem kan boeken. [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Super. Gaarne de superior suite de luxe + de comfort tweepersoonskamer. Nota richten aan [naam bedrijf 2] [naam verdachte] , met omschrijving businesstrip ivm TOS Singapore. (Gegevens heb je van hem gaf hij me zojuist aan) Zie de boekingsbevestiging tegemoet.”\n\nDe bij RST ingediende en door RST betaalde factuur doet het derhalve voorkomen alsof de kosten zijn gemaakt in het kader van het TOS-project, terwijl de reis\u002Freizen in werkelijkheid een vakantie betrof(fen). De factuur is vals.\n\nTechniek\n\nDe derde factuur op de tenlastelegging is een factuur van [naam bedrijf 1] met nummer\n\n [factuurnummer 3] , gedateerd 17 november 2014 en met als factuurbedrag € 36.096,72.De factuur vermeldt “Betreft Doorbelasting [omschrijving] div kraanlassen sep, okt en nov” en heeft als omschrijving'doorbelasting lassen div kranen'.\n\nAls vierde factuur op de tenlastelegging staat een factuur van [naam bedrijf 2] met nummer [factuurnummer 4] , gedateerd 26 januari 2015. De referentie luidt “Boot opdr kraan 302” en de omschrijving luidt 'analyse plus noodlas krn 302'.Het betreft een bedrag van € 9.064,55.\n\nOp de telefoon van [naam medeverdachte 2] zijn WhatsApp-gesprekken tussen hem en [naam verdachte]\n\naangetroffen die over deze facturen gaan. Zo wordt er op 26 januari 2015 een foto gestuurd\n\nvan een handgeschreven briefje met diverse omschrijvingen zoals 'analyse kr. 302 +las'\n\nmet een getal van 7.500.[naam medeverdachte 2] geeft in het gesprek aan dat deze omschrijving gelezen\n\nmoet worden als 'Boot opdr kraan 302 analyse en noodlas'. Deze omschrijving komt\n\novereen met de referentie en de beschrijving die op de factuur met nummer [factuurnummer 14] is vermeld. Voor [naam verdachte] geldt dat hij bovendien ter zitting heeft bekend dat de omschrijvingen van de techniek-facturen niet kloppen.\n\nGetuige [naam getuige 1] (hoofd technische dienst RST ) heeft verklaard dat RST altijd vaste partijen heeft voor de op de factuur genoemde werkzaamheden en dat [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] niet tot de vaste partijen behoren.Kraan 302 is dan ook rond 26 januari 2015 daadwerkelijk gerepareerd door een bedrijf genaamd [bedrijf 1] en [naam getuige 1] heeft daarvan een factuur overgelegd aan de FIOD.De omschrijvingen doen het voorkomen alsof sprake is van een reparatie van kranen, terwijl met deze facturen in werkelijkheid privéreizen van [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam verdachte] zijn betaald. Beide tenlastegelegde facturen zijn vals.\n\nADO\n\nDe factuur met nummer [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] , gedateerd 26 januari 2015, is als\n\nvijfde factuur opgenomen in de tenlastelegging. De factuur heeft als referentie 'hospitality'\n\nen als nadere omschrijving ‘Hospitality Ado Jan’. Het bedrag is € 9.068,10 (inclusief BTW).In een WhatsApp-gesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] wordt de totstandkoming van deze factuur besproken. [naam verdachte] stuurt op 26 januari 2015 een foto van een rekenschermpje met het getal 3.494,3 en vraagt:\"Dit zijn de kosten voor hospitality\", \"Wat moet ik er dan van maken?\".[naam medeverdachte 2] vindt hetvervolgens\"ok\"dat [naam verdachte] er 3.000 bovenop gooit. [naam medeverdachte 2] geeft daarnaast, aan de hand van een foto met nadere toelichting, een omschrijving\"hosp box\"en een bedrag van € 4.000,00 door aan [naam verdachte] .De bedragen € 3.494,30 en € 4.000,00 —exclusief BTW — bij elkaar opgeteld maken samen – nagenoeg - het factuurbedrag van € 7.494,00 exclusief BTW. De omschrijving suggereert dat het hele bedrag is gespendeerd aan hospitality met betrekking tot de ADO skybox, terwijl in werkelijkheid € 4.000 van het bedrag is geschonken aan [naam medeverdachte 2] . De factuur is vals.\n\nDe zesde factuur is ook van [naam bedrijf 2] en heeft nummer [factuurnummer 6] . De factuur\n\nbedraagt € 19.965,00 en is gedateerd 12 oktober 2015.Deze factuur heeft als referentie ‘Verhuur box’ en als omschrijving omschrijving'Verhuur skybox ivm vergaderingen incl eten & drinken juli\u002Faug\u002Fsept '. Volgens verschillende getuigen hebben nooit vergaderingen plaatsgevonden in de ADO-box.\n\nHospitality\n\nDe zevende factuur met nummer [factuurnummer 7] , gedateerd 12 november 2014, ziet op de\n\nfamiliedag bij RST . De factuur vermeldt ‘Betreft voorschotnota Familiedag RST 2015’ en als nadere omschrijving 'Familiedag RST 2015’'en bedraagt € 96.800,00.Getuige [naam getuige 2] , destijds hoofd P&O bij RST , heeft verklaard dat in het kader van de Roparun een familiedag in 2015 was gepland, maar dat zij deze heeft afgelast. Het volledige op deze factuur genoemde bedrag is echter aan [naam bedrijf 1] betaald zonder enige aanwijzing van (gedeeltelijke) terugbetaling. Integendeel, uit een WhatsApp-gesprek van 13 november 2014, waarin [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] het bedrag dat is meegenomen\"in die grote nota \"bespreken volgt dat een groot deel van de netto 80.000 euro tussen – in ieder geval – [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] werd verdeeld:\"De nota was 80K minus 3x10 is 50k \",zodat eenieder\"hetzelfde\"krijgt.Dat met deze factuur de reeds gemaakte kosten werden gedekt volgt niet uit het dossier. Er is in dit kader slechts gebleken van facturen van € 5.309\n\naan ' [bedrijf 2] 'en € 5.218 van` [bedrijf 3] 'Nu in ieder geval een groot deel van dit bij RST gefactureerde en door RST aan [naam bedrijf 1] betaalde bedrag geen betrekking heeft op de kosten van een familiedag is deze factuur vals.\n\nFiscaal advies\n\nDe achtste en negende factuur op de tenlastelegging zien op de facturen met nummer\n\n [factuurnummer 8]\n van [naam bedrijf 1] , gedateerd 27 oktober 2014, en [factuurnummer 9]van [naam bedrijf 2]\n\nFacts, gedateerd 30 juni 2015. De omschrijvingen hebben betrekking op fiscale adviezen die gegeven zouden zijn in ‘Q2 en Q3’ van 2014 respectievelijk ‘jan tot jun’ 2015.Uit het dossier blijkt dat [naam verdachte] geen fiscale adviezen gaf en geen derden inhuurde voor fiscale adviezen aan RST .De facturen zijn derhalve vals. Voor [naam verdachte] geldt dat hij\n\nter zitting heeft bekend dat deze facturen valselijk zijn opgemaakt.\n\n [naam winkel]\n\nOp de tenlastelegging staan onder de nummers 10 en 11 twee facturen voor leveringen door\n\nde kledingwinkel [naam winkel] . Dit betreffen de facturen met nummer [factuurnummer 10]van [naam bedrijf 1]\n\ngedateerd 29 oktober 2014 - en nummer [factuurnummer 11]van [naam bedrijf 2] - gedateerd\n\n30 juni 2015. Zij hebben als referentie ‘Betreft doorbelasting incenticve’ respectievelijk ‘ [naam winkel] incentive’ en als omschrijving ‘Incentive Q2’rechtepctievelijk ‘Doorbelasting [naam winkel] incentive Q2’. Uit het dossier volgt echter dat [naam winkel] rechtstreeks aan RST factureerde\n\nen niet via [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] .Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft bekend dat deze facturen vals zijn.Beide facturen zijn vals.\n\nSponsoring\n\nDe twaalfde factuur is van [naam bedrijf 1] en heeft als nummer [factuurnummer 12] . De factuur heeft als\n\ndatum 27 oktober 2014 en bedraagt € 25.803,25. De factuur vermeldt ‘Betreft kleding wielerploeg RST \u002FUMT’ en als omschrijving '55 x Kleding (jas, shirt, en broek) wielerploeg ( [naam 5] ) diverse materialen en onderhoud .\"\n\nDe dertiende factuur is van [naam bedrijf 2] en heeft als nummer [factuurnummer 13] . Deze factuur\n\nbedraagt € 18.107,65 en heeft als datum 8 april 2015. De factuur vermeldt als referentie ‘Kleding + materiaal Amstelgoldrace’ en als omschrijving 'aanschaf 28 set kleding plus materiaal voor wielerploeg amstelgold op 18-4-2015'.Getuigen hebben verklaard dat sponsoractiviteiten altijd direct aan RST werden gefactureerd, zonder tussenkomst van [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] .. Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij de sponsoring deed van voetbalteams, maar niet van fietsen\u002Fwielerploegen. In de administratie van [naam verdachte] zijn geen uitgaven of kosten aangetroffen die samenhangen met sponsoractiviteiten in opdracht van RST.\n\n [naam verdachte] heeft verklaard dat de tenlastegelegde facturen inderdaad vals zijn nu de omschrijvingen daarvan niet kloppen met de werkelijkheid. Hij wijst er echter op dat [naam algemeen directeur] aan hem doorgaf welke omschrijvingen hij moest gebruiken en dat het verwerken van valse facturen en vervolgens het onderling verdelen van de gefactureerde bedragen ter besteding aan reizen, luxe producten en dergelijke binnen de bedrijfscultuur de normaalste zaak van de wereld was en hij zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\n [naam verdachte] heeft aan [naam medeverdachte 1] als ‘lening’ € 120.000,00 betaald. Hiermee betaalde hij aan [naam medeverdachte 1] maandelijks een bedrag als gevolg van afspraken gemaakt rondom het gunnen van de TOS-opdracht. Dit bedrag werd tevens gebruikt om een overstand (het bedrag waarmee de door RST toegestane debetstand werd overschreden) van € 80.000,00, die [naam medeverdachte 1] had op zijn zakelijke credit card, te betalen. De betaling van deze overstand is vervolgens (in ieder geval deels) opnieuw door valse facturen aan RST doorberekend, zodat RST in feite de overstand (deels) nogmaals heeft betaald. Ook de rest van de ‘lening’ is afkomstig uit de opbrengst van aan RST gefactureerde valse facturen. Beide sponsoring facturen zijn vals.\n\nHet hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat de in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde facturen vals zijn. Het hof acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.\n\nFeit 2: Oplichting\n\nIs RST door het inbrengen van de valse facturen in het betalingssysteem van RST opgelicht?\n\nHet hof dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of RST met het in het betalingssysteem van de valse facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]\n\nwerd bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen en of daarbij een oplichtingsmiddel werd gebruikt.\n\nDe valse facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] - waaronder de facturen onder feit 1 genoemd - zijn ook daadwerkelijk uitbetaald door RST op rekeningen waarover [naam verdachte] feitelijk de beschikking had, zoals de rekeningen op naam van zijn zus, zijn nichtje en op naam van [naam bedrijf 2] .Deze facturen bevatten steeds een onjuiste omschrijving die het deed voorkomen alsof de geleverde goederen of diensten een zakelijk karakter hadden. RST is daardoor tot betaling bewogen.\n\nDoor omschrijvingen te gebruiken die wezen op een zakelijk karakter van de gefactureerde diensten en door de facturen via andere partijen bij RST in te dienen en door vervolgens die facturen (blind) goed te (laten) keuren heeft [naam verdachte] , met zijn medeverdachten, op listige wijze verhuld dat het in werkelijkheid ging om het verlenen van privé-diensten en\u002Fof het doen van schenkingen. RST is daardoor om de tuin geleid.\n\nUit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat er sprake is van oplichting van RST , omdat aan RST , in strijd met de waarheid, is voorgespiegeld dat er prestaties voor RST zijn verricht die een zakelijk karakter hadden. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] maakten deel uit van het reguliere controle- en goedkeuringssysteem en hebben ook daadwerkelijk in het overgrote merendeel van de gevallen de facturen goedgekeurd. Vervolgens zijn de valse facturen doorgezet naar de administratie van RST en uitbetaald. Daardoor is op een listige manier gebruik gemaakt van de controle- en uitbetalingsprocedures binnen RST en is er aldus voor gezorgd dat de facturen werden uitbetaald. Door de valse facturen op deze manier in het betaalsysteem van RST te brengen, is RST bewogen tot afgifte van de geldbedragen.\n\nDoor de verdediging is aangevoerd dat in ieder geval van een aantal facturen niet\n\nbewezen kan worden dat zij onderdeel waren van oplichting en\u002Fof verduistering. Ten eerste\n\nzou het bewijs van de onjuistheid van de urenfacturen volgens de verdediging niet geleverd\n\nzijn. Het hof overweegt dat aangenomen moet worden dat een gedeelte van de uren die door [naam verdachte] zijn gemaakt wel rechtmatig gefactureerd zijn. Het hof stelt echter vast dat deze facturen blijkens het in de tenlastelegging genoemde bedrag onder `TOS' en gelet op AMB-030 (p. 300 en 301 e.v.), niet zijn meegenomen bij de verdenking van oplichting. Zij zitten ook niet bij de facturen die zijn opgenomen in de tenlastelegging onder feit 1. Van de wel in de tenlastelegging begrepen facturen is in het onderzoek genoegzaam komen vast te staan dat deze vals zijn en dat die facturen dus ten onrechte door RST zijn uitbetaald zodat RST hierdoor is opgelicht.\n\nTen tweede stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen bewijs is geleverd van de\n\noplichting en\u002Fof verduistering ten aanzien van de ADO-facturen. Het hof overweegt\n\nhierover het volgende. Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft bekend dat hij valse\n\nomschrijvingen heeft gebruikt op facturen om zijn geld te krijgen, waaronder de\n\nverwijzingen naar de ADO-skybox. Hij heeft voor verschillende werknemers van RST dure\n\nluxe goederen aangeschaft, zoals horloges en wijnen, en bracht dit bij RST in rekening door\n\nhet sturen van facturen met valse omschrijvingen.\n\nVan de twee ADO-facturen die onder feit 1 zijn ten laste gelegd is reeds vastgesteld dat deze vals zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de wijze van goedkeuring en betaalbaarstelling, is in elk geval in zoverre sprake van oplichting.\n\nIn het dossier bevinden zich nog meer ADO-facturen. In eerste aanleg is een Excelbestand aangeleverd ter onderbouwing van zijn op de zitting naar voren gebrachte\n\nstelling dat deze facturen niet (allemaal) vals zijn. In het Excelbestand wordt bij een deel\n\nvan de bedragen verwezen naar facturen en bij een deel van de facturen niet. Het\n\nsubstantiële deel waarbij niet wordt verwezen naar facturen zouden \"zwarte\" betalingen\n\nzijn, hetgeen zou betekenen dat [naam verdachte] contante betalingen heeft gedaan aan zangers, dj's\n\nen andere entertainers om feestjes in de skybox bij ADO te organiseren. Dit Excelbestand\n\nvindt het hof echter onvoldoende om een bedrag van € 840.460 - het totaalbedrag dat\n\nvoor de ADO-box in rekening is gebracht aan RST- te rechtvaardigen en\u002Fof te\n\nonderbouwen. De aannemelijkheid van in elk geval een substantieel deel van de kosten\n\nis niet en\u002Fof niet voldoende onderbouwd. Ook in zoverre is sprake van oplichting.\n\nDat bij elke factuur van [naam verdachte] sprake was van het leveren van bepaalde goederen of diensten neemt niet weg dat de omschrijving van die goederen vals was en RST door die valse omschrijving en de “blinde” goedkeuring van de facturen is bewogen tot betaling van de facturen.\n\nUit de aangifte van RST en het daarbij gevoegde [naam zakelijke dienstverlener] rapport blijkt zonneklaar dat RST niet instemde met de gepleegde malversaties. Het enkele feit dat medewerkers binnen RST van de malversaties af wisten brengt nog niet mee dat RST daarvan afwist en niet misleid kon worden.\n\nNoch het dossier noch hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht levert een aanwijzing op dat RST getuigen niet betrouwbaar zouden zijn. Het enkele feit dat RST medewerkers, die niet zijn vervolgd, mogelijk betrokken zijn geweest bij de malversaties betekent niet dat RST getuigen onbetrouwbaar zijn. Datzelfde geldt voor een eventuele betrokkenheid van de algemeen directeur en voor een (eventueel) gegeven vrijwaring, wat daarvan ook zij. Van enige beïnvloeding van getuigen waardoor deze in hun verklaringsvrijheid zijn beperkt is het hof evenmin gebleken.\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat verklaringen van RST medewerkers voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat geen noodzaak bestaat voor het horen van de getuigen [naam 3] , [naam 4] en (de zoon van) [naam 5] .\n\nEn tenslotte brengt ook de suggestie dat de aandeelhouder van RST op de hoogte zou zijn geweest van de malversaties en van de “bedrijfscultuur” binnen RST , wat daarvan ook zij, niet mee dat het handelen van de verdachte niet strafbaar is.\n\nFeit 3: Witwassen\n\nAls derde feit is (gewoonte) witwassen ten laste gelegd. De vraag die het hof moet\n\nbeantwoorden is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van\n\ngewoontewitwassen. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het enkele onmiddellijk verkrijgen en\u002Fof voorhanden hebben van gelden of goederen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, in beginsel niet strafbaar als witwassen, indien het gaat om gedragingen die zich hebben voorgedaan voor de wetswijziging van 1 januari 2017. Voor strafbaarheid is in dergelijke gevallen vereist dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (zie o.a. HR 26 oktober 2010, ECLINL:HR:2010:BM4440).\n\nBij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen gaat het hof uit van de\n\nbedragen die zijn vermeld in een digitaal overzicht\u002Fbestand genaamd 'ing uitdraai ]jan\n\n2013 tm 29 jan 2016 '.Dit bestand betreft een draaitabel met geldstromen van alle\n\nbetalingen en ontvangsten in de periode januari 2013 tot en met eind januari 2016 op de\n\nbankrekeningen van [naam bedrijf 2] , [naam 1] en [naam 2] . [naam verdachte] had de feitelijke\n\nbeschikking over deze rekeningen.Dit wordt nog eens onderschreven door het feit dat de\n\nbankpassen van deze rekeningen zijn aangetroffen tijdens een doorzoeking in woning van\n\n [naam verdachte] .\n\nVia de bank is er door [naam bedrijf 1] \u002F [naam bedrijf 2] in totaal € 5.065.173,27 ontvangen van\n\nRST .Een deel van dit bedrag is verkregen door middel van oplichting met valse facturen.\n\nUit het digitaal overzicht\u002Fbestand genaamd 'ing uitdraai ]jan 2013 tm 29 jan 2016'blijkt\n\ndat [naam verdachte] een deel van deze ontvangsten heeft overgeboekt naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] .\n\nHij heeft onder de omschrijving van 'lening'in totaal € 506.391,00 overgemaakt naar\n\n [naam medeverdachte 2] en in totaal € 128.200,00 (in meerdere stortingen) naar [naam medeverdachte 1] .Voor het\n\noverige geven de bankrekeningen een beeld weer dat [naam verdachte] in luxe heeft geleefd. Zo\n\nheeft hij blijkens het overzicht onder andere voor een bedrag van € 284.650,00 aan contante\n\nopnamen gedaan. Daarnaast heeft hij onder andere voor luxe merkartikelen van Louis\n\nVuitton, Prada en Bang & Olufsen creditcarduitgaven gedaan van € 200.336,00.50.Ook heeft [naam verdachte] voor een bedrag van afgerond € 895.000,00 besteed aan horloges bij [naam juwelier] .\n\nEr zijn in het strafrechtelijk onderzoek geen bescheiden naar voren gekomen waaruit opgemaakt kan worden dat [naam medeverdachte 1] leningen met [naam verdachte] is aangegaan, zoals bijvoorbeeld een geldleningsovereenkomst of e-mails waarin de afspraken hierover worden bevestigd.\n\n [naam medeverdachte 2] heeft ter zitting aangevoerd dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst.\n\nGezien de hoogte van het bedrag acht het hof dit onaannemelijk.Dat er geen sprake\n\nwas een lening blijkt bovendien uit het WhatsApp-gesprek tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] op\n\n30 oktober 2014. Daarin stuurt [naam medeverdachte 2] onder andere \"Hoe dan oplossen? Lening kan niet\n\nzei hij \" en \"Nee, die 100k die jij naar mij gestort hebt, die moet via schenking\".Hierop\n\nantwoordt [naam verdachte] met \"Dus als het ter sprake komt voor de belasting dan geven een\n\nlening. Kunnen ze niks over zeggen \".\n\nNamens [naam verdachte] is nog betoogd dat hij de geleverde goederen en diensten vooraf heeft betaald. Dit “voorschieten” neemt niet weg dat de omschrijvingen op de facturen vals zijn, dat RST door indiening van die facturen werd bewogen tot betaling aan [naam verdachte] en dat [naam verdachte] de aldus uit misdrijf verkregen geldbedragen heeft gebruikt en heeft omgezet in luxe goederen en diensten dan wel heeft doorgesluisd naar RST medewerkers zoals [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .\n\nGezien dit alles acht het hof het niet aannemelijk dat de bedragen aan [naam medeverdachte 1] en\n\n [naam medeverdachte 2] zijn verstrekt in het kader van een lening. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] van geldbedragen - die afkomstig waren uit de oplichting middels de valse facturen - gebruik hebben gemaakt, terwijl zij wisten dat deze geldbedragen afkomstig waren van de opbrengsten van de uitbetaalde valse facturen. Daarbij is er sprake van actieve verhullingshandelingen. De verhulling zit in het overboeken van gelden naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] en het - met name door [naam verdachte] - opnemen van cash geld en het vervolgens doen van uitgaven aan luxe goederen die het geld uit het zicht brengen. Het geld is bij [naam verdachte] binnengekomen door het indienen en laten uitbetalen van valse facturen op de rekeningen waarover [naam verdachte] de beschikking had. Er is dus sprake van een situatie die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen gelden.\n\nGelet op de lange periode die bewezen kan worden verklaard en de wijze waarop [naam verdachte] ,\n\n [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] te werk zijn gegaan, waarbij het gaat om een zeer groot aantal\n\nfacturen, is het hof van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.\n\nIs sprake geweest van medeplegen?\n\nHet hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nOok indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke\n\nuitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit de gedragingen die doorgaans\n\nmet medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van\n\ninlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor\n\nmedeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en\u002Fof intellectuele\n\nbijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de\n\nintensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de\n\nuitvoering of de handeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens\n\naanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe\n\ngeëigend tijdstip.\n\nHet hof overweegt tegen deze achtergrond het volgende.\n\nUit de hiervoor beschreven gang van zaken rondom de totstandkoming en indiening van de\n\nvalse facturen, de goedkeuring ten behoeve van uitbetaling hiervan en het witwassen van het\n\ngeld, blijkt dat [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hierin alle drie een substantieel aandeel\n\nhebben gehad. [naam verdachte] speelde hierin de\n\nhoofdrol, gelet op zijn voortdurende actieve betrokkenheid via [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]\n\nbij de opstelling en indiening van valse facturen en uitbetaling daarvan op rekeningen\n\nwaarover hij kon beschikken en heeft beschikt.\n\nUit de WhatsApp-gesprekken tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] volgt de betrokkenheid van [naam medeverdachte 2] bij de valse facturen. Uit die gesprekken volgt namelijk dat er overleg is geweest over de omschrijving van de facturen, de hoogte daarvan en de verdeling.[naam medeverdachte 2] is eveneens bij vonnis van 2 juli 2020 van de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf en is niet in hoger beroep gegaan zodat zijn betrokkenheid bij onherroepelijk vonnis vaststaat.\n\nVan de 2015-facturen is 100% van de facturen van [naam bedrijf 1] en 78% van de facturen van\n\n [naam bedrijf 2] gecontroleerd en goedgekeurd door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .Dat\n\n [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] binnen RST grote hoeveelheden facturen moesten (controleren en)\n\ngoedkeuren, maakt niet aannemelijk dat zij de onderhavige valse facturen te goeder trouw\n\nhebben goedgekeurd. Nog los van het formele aspect dat niet kan worden aangenomen dat\n\nhun taak op dit punt bestond uit het blind goedkeuren van alle voorgelegde facturen, maakt\n\njuist hun wetenschap van de valsheid van facturen dat zij zich hierop niet kunnen beroepen.\n\nUit de WhatsApp-gesprekken tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] blijkt verder over de\n\nbetrokkenheid van [naam medeverdachte 1] dat hij, om het accorderen van de valse facturen en de\n\nuitbetaling daarvan te versnellen, zijn inloggegevens heeft afgegeven aan [naam medeverdachte 2] , op\n\naangeven van [naam verdachte] .\n\n [naam medeverdachte 1] heeft volgens [naam 6] tijdens een bijeenkomst op 19 maart 2016 op Zestienhoven direct toegegeven dat hijzelf, [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] valse facturen hebben opgemaakt.\n\nGelet op de gedragingen van [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] acht het hof het opzet\n\nop zowel hun eigen bijdrage als het misdrijf dat zij daarmee hebben ondersteund bewezen.\n\nDe bijdragen van elk van de verdachten aan de tenlastegelegde misdrijven is substantieel\n\ngeweest. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is geweest van\n\nmedeplegen.\n\nBedrijfscultuur RST\n\nNamens de verdachte is – op gronden zoals nader vermeld in de pleitnota van de raadsman – bepleit dat er van oplichting van RST nooit sprake is geweest, omdat RST een bijzonder beloningssysteem had waaraan de verdachten instrumenteel waren. Hierdoor vervalt de wederrechtelijkheid.\n\nHet hof overweegt te dien aanzien als volgt. Het oordeel van het hof heeft als uitgangspunt de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het gestelde handelen van [naam algemeen directeur] en de gestelde bedrijfscultuur van RST disculperen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] niet. Voor zover er een bedrijfscultuur is geweest zoals door de verdediging geschetst, hebben [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zich hiermee kennelijk vereenzelvigd en hebben zij zichzelf in elke geval verrijkt ten koste van RST . Dit heeft zelfs geleid tot een eigen opzet die lost staat van de gestelde bedrijfscultuur binnen RST . Daarbij kan overigens een corrumperende en criminele bedrijfscultuur nimmer een verontschuldiging zijn voor het zelf begaan van strafbare feiten.\n\nVoor [naam verdachte] geldt bovendien dat hij nieuw was bij het bedrijf. Hij kende de cultuur\n\nbinnen het bedrijf nog niet op het moment dat hij, zo stelt hij, een opdracht kon aanvaarden\n\nwaar als afspraak tegenover stond dat van de gefactureerde bedragen maandelijks een deel\n\ncash zou worden uitbetaald aan [naam algemeen directeur] en anderen. Reeds op dat moment had [naam verdachte]\n\nzich kunnen terugtrekken en hij had dat ook behoren te doen. Er is niets gebleken van enige\n\ndwang of noodzaak voor [naam verdachte] om deze evident ontoelaatbare afspraak te maken. Het\n\nenige wat [naam verdachte] in dit kader heeft opgemerkt, op zitting, is: `als ik mijn geld maar krijg'.\n\n [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hadden, mede gelet op de frequentie van de hier gebleken\n\nvalse facturering en daarmee gemoeide hoge geldbedragen, kunnen en moeten inzien dat hun handelwijze volstrekt ontoelaatbaar was en dat mogelijk anderen binnen RST en in ieder geval haar aandeelhouder er niet mee zouden instemmen dat aan RST kosten in rekening zouden worden gebracht waar geen prestatie tegenover stond of een prestatie die in het geheel niets met de bedrijfsvoering van RST te maken had. Dat [naam algemeen directeur] als statutair directeur hier volgens de verdediging toestemming voor heeft gegeven en er zelfs aan meedeed, doet daar niets aan af.\n\nHet verweer dat geen sprake is van wederrechtelijkheid, wordt op deze gronden verworpen.\n\nHet hof komt derhalve tot de hierna volgende bewezenverklaringen.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2015\n\nte Rotterdam, in elk geval (elders)in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en),althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) opzettelijk\n\ngebruik heeft gemaakt van (een)valseen\u002Fof vervalstefactu(u)r(en)gericht aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna RST ), te weten:\n\nTOS\n\n1. factuur [factuurnummer 1] van [naam bedrijf 1] gedateerd 11-08-2014 [DOC-025];\n\n2. factuur [factuurnummer 2] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 26-01-2015 [DOC-026 p.4\u002F9]; en\u002Fof\n\nTechniek\n\n3. factuur [factuurnummer 3] van [naam bedrijf 1] gedateerd 17-11-2014 [DOC-196, p.5];\n\n4. factuur [factuurnummer 4] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-196, p.44];en\u002Fof\n\nADO\n\n5. factuur [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-219, p.17];\n\n6. factuur [factuurnummer 6] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 12-10-2015 [DOC-219, p.16]; en\u002Fof\n\nHospitality\n\n7. factuur [factuurnummer 7] van [naam bedrijf 1] gedateerd 12-11-2014 [DOC-180, p.1];en\u002Fof\n\nFiscaal Advies\n\n8. factuur [factuurnummer 8] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-108];\n\n9. factuur [factuurnummer 9] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-118];en\u002Fof\n\n [naam winkel]\n\n10. factuur [factuurnummer 10] van [naam bedrijf 1] gedateerd 29-10-2014 [DOC-085];\n\n11. factuur [factuurnummer 11] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-091]; en\u002Fof\n\nSponsoring\n\n12. factuur [factuurnummer 12] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-184, p.3];\n\n13. factuur [factuurnummer 13] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 08-04-2015 [DOC-184, p.6];\n\n- ( elk) zijnde (een)geschrift(en) dat\u002Fdie bestemdwas\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen –\n\nals ware(n) het\u002Fdeze echt en onvervalst,endan wel dit\u002Fdeze geschrift(en)heeft afgeleverd en\u002Fofvoorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)wist(en)of redelijkerwijs moest(en)vermoeden datdit\u002Fdeze geschrift(en)bestemdwas\u002Fwaren voor gebruik als ware(n) die\u002Fdeze echt en onvervalst,\n\nbestaande die valsheid of vervalsing(telkens) hierin dat in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in\u002Fopdat\u002Fdie geschrift(en)de levering aan RST van de op die factu(u)r(en)voornoemd vermelde goederen of diensten was vermeld tegen de op die factu(u)r(en)vermelde bedrag(en)\u002Fprijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen en\u002Fof minder levering(en) aan RSTheeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof, geen en\u002Fof minder diensten waren verricht door de\u002Fhetop die factu(u)r(en)vermelde bedrijven\u002Fbedrijfen\u002Fof tegen de op die factu(u)r(en)vermelde bedrag(en)\u002Fprijs,\n\nen\n\nbestaande dat gebruikmaken en\u002Fofafleveren (telkens) hierin dat hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)die factu(u)r(en)aan ((een) medewerker(s) van de Financiële Administratie van) RST en\u002Fof [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam medeverdachte 2]heeft\u002Fhebben toegezonden en\u002Fof ter hand gesteld, en\u002Falthans doen toekomen en\u002Fof doen ter hand stellen;\n\n2.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016\n\nte Rotterdam, Den Haag, Almere en\u002Fof Oostvoorne, althans (elders)in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en),althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof een valse hoedanigheid en\u002Fof door één of meerlistige kunstgre(e)p(en) en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\nRotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en\u002Fof het teniet doen van een inschuld, te weten een totaalbedrag van (circa) afgerond EUR 2.625.000,-, althans enig(e)geldbedrag(en),\n\nhebbende hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en\u002Fof in strijd met de waarheid (telkens)\n\n- één of meerfactu(u)r(en)ten name van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en\u002Fof [naam bedrijf 2] . opgemaakt en\u002Falthans laten opmaken in het kader van:\n\nTOSvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 284.079,- (als opgenomen in AMB-030, dossierpagina's 000317-000318);\n\nTechniekvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 1.389.238,- (als opgenomen in AMB-028 en DOC-196, dossierpagina 000258 resp. 002587);\n\nADO skyboxvoor een totaalbedrag van (circa) EUR419.392,-\n\nHospitalityvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.800,- (als opgenomen in AMB-026, dossierpagina 000239);\n\nFiscaal adviesvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 149.423,- (als opgenomen in AMB-022, dossierpagina 000204);\n\n [naam winkel] Incentivevoor een totaalbedrag van (circa) EUR 181.197,50 (als opgenomen in AMB-019, dossierpagina 000186);\n\nSponsoringvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.297,- (als opgenomen in AMB-027, dossierpagina 000247);\n\nen\u002Fof\n\n- op die factu(u)r(en)(al dan niet gedeeltelijk) fictieve leveringen van goederen en\u002Fof diensten, en daarop gebaseerde factuurbedragen vermeld en\u002Falthans laten vermelden;\n\n- die factu(u)r(en)aan RST ter attentie van [naam medeverdachte 1] toegezonden en\u002Fof doen toekomen, en\u002Falthans aan [naam medeverdachte 2] overhandigd;\n\n- die factu(u)r(en)voor betaling gecontroleerd en\u002Fofgoedgekeurd, en vervolgens aan de afdeling Financiële Administratie van RST doorgestuurd;\n\nwaardoor die RST (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);\n\n3.\n\nhij\n\nop een of meerdere tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 december 2013 tot en met 6 oktober 2016\n\nte Oostvoorne, gemeente Westvoorne, en\u002Fof Rotterdam, althans (elders)in Nederland, tezamen en in vereniging meteen ander ofanderen,althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\na. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans enig(e)geldbedrag(en),\n\nheeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad en\u002Fofheeft overgedragen en\u002Fof omgezet, en\u002Fof van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van dat feit een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt,\n\nen\u002Fof\n\nb. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans van enig(e)geldbedrag(en),\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fofheeft verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was\u002Fwaren,en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van dat feit een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.\n\nHet onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van oplichting.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders gedurende een periode van ruim 2,5 jaar schuldig gemaakt het opzettelijk gebruik maken van valse facturen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Aldus handelend hebben zij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd. Door het inbrengen van deze facturen in de administratie van RST en het (laten) goedkeuren en uitbetalen van deze valse facturen op bankrekeningen waarover zij de beschikking hadden hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich tevens schuldig gemaakt aan oplichting van RST . Vervolgens hebben de verdachte en zijn medeverdachten de opbrengsten van voornoemde praktijken witgewassen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast.\n\nDe verdachte was als interim projectmanager (in verband met het TOS-project) werkzaam voor RST . Door valse facturen aan te bieden heeft hij eraan meegewerkt dat een substantieel deel van de RST -administratie bestond uit valse stukken. Dat moet kunnen worden vertrouwd op de juistheid van omschrijvingen op facturen werd ten behoeve van puur eigen gewin volkomen genegeerd. Verdachte en zijn medeverdachten hebben daardoor tenminste meegewerkt aan het in stand houden van een, zoals zij het zelf noemen, “graaicultuur” binnen RST . Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten RST groot financieel nadeel toegebracht en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat RST in hen stelde. Ter zitting heeft de verdachte nauwelijks inzicht getoond in het laakbare van zijn handelen.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.\n\nHet hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt verder vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bij de behandeling van het op 7 juli 2020 ingestelde hoger beroep, waarop nu eerst bij arrest van 1 juli 2026 uitspraak wordt gedaan. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn zal het hof in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen.\n\nOplegging van een taakstraf – zoals bepleit door de raadsman – doet naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nDe na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 63, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van30 (dertig) maanden.\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n- facturen (van sieraden).\n\nDit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter,\n\nmr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. A. de Lange, leden,\n\nin bijzijn van de griffier mr. J.C.A. [naam algemeen directeur] .\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juli 2026.\n\nMr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.\n\nVoor de leesbaarheid van dit vonnis zal het hof bij verwijzingen naar stukken uit het dossier zoveel mogelijk de door de FIOD gehanteerde indeling en nummering (AMB-001, DOC-001 etc.) hanteren. Waar in dit vonnis wordt verwezen naar overzichtsprocessen-verbaal (OPV), ambtshandelingen (AMB), verhoren van verdachten (V) en verhoren van getuigen (G), betreft het steeds processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde medewerkers van de FIOD, als bijlage opgenomen bij het proces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, onderzoek Big Park, nummer [nummer] en welke overigens voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Waar wordt verwezen naar documenten, zijnde mails, overzichten, overeenkomsten, Kamer van Koophandel uittreksels e.d., wordt steeds bedoeld te verwijzen naar een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Tenzij anders aangegeven, zijn verwijzingen naar paginanummers verwijzingen naar de nummers van het doorlopend genummerde procesdossier.\n\nOPV-ZD p. 4.\n\nAMB-032 p. 328\n\nAMB-032 p. 327 en 328\n\nAMB-032 p. 331\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020\n\nAMB-030 p. 309, DOC-025 p. 1578.\n\n DOC-025 p. 1581\n\nDOC-025 p. 1595.\n\nDOC-002 p. 1376\n\nDOC-025 p. 1597\n\nDOC-169 p. 9 en 10.\n\nAMB-030 p. 313 en 314, DOC-026 p. 1603.\n\n Dossier p. 343 + DOC-228 (afschrijvingen mbt Singapore en Bali); pv p. 12\u002F13; V-009, p. 10\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nDOC-002 p. 1379\n\nAMB-028 p. 258 e.v., DOC-196 p. 2592.\n\nAMB-028 p. 258 e.v., DOC-196 p. 2631.\n\nDOC-169 p. 39 en 40.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\n AMB-003, p. 27, dossier p. 103\u002F104\n\nAMB-028 p. 266 en 267, DOC-033 p. 1695.\n\nAMB-029 p. 273 e.v., DOC-219 p. 2897.\n\nDOC-169 p. 2422.\n\n17 DOC-169 p. 2434.\n\n AMB-029 p. 273 e.v., DOC-219 p. 2895.\n\nAMB-029 p.287, G-002 p. 12 en G-003 p. 12 en 13.\n\nAMB-026 p. 238 e.v., DOC-180 p. 2499.\n\n DOC-180, p. 2499-2.504; AMB-026, p. 239\n\nDOC-169 p. 2409 en 2410.\n\nAMB-026, p. 242 en 243.\n\nAMB-022 p. 203 e.v., DOC-108 p. 2072.\n\nAMB-022 p. 203 e.v., DOC-118 p. 2219.\n\nAMB-022, p. 206, 207 en 209.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nAMB-019 p. 184 e.v., DOC-085 p. 2007.\n\nAMB-019 p. 184 e.v., DOC-091 p. 2017.\n\nAMB-019 p. 184 e.v., G-008.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\n AMB-027 p. 246 e.v., DOC-184 p. 2525.\n\nAMB-027 p. 246 e.v., DOC-184 p. 2528.\n\nAMB-027 p. 248 e.v., G-002.\n\nAMB-027 p. 252 e.v.\n\nProces-verbaal 18 juni 2020\n\nAMB-025 p. 235, DOC-212 p. 2802 e.v., DOC-200 p. 2693 e.v., DOC-219 p. 2877 e.v., DOC-180 p. 2501 t\u002Fm 2503, DOC-180A p. 2073 t\u002Fm DOC-123A p. 2164, DOC097 p. 2040 t\u002Fm DOC-103 p. 2060 en DOC-186 p. 2537 t\u002Fm 2545.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nOPV-ZD p. 19.\n\nDOC-164 p. 2335.\n\nAMB-034 p. 340, V-007 p. 678, V-008 p. 684.\n\nAMB-010 p. 145 en AMB-027 p. 249.\n\nAMB-034 p. 339.\n\nDOC-164 p. 2335.\n\nOPV-ZD p. 38, AMB-034 p. 341DOC-002 p. 1407 en p. 1419\n\nDOC-164 p. 2342.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nDOC-169 p. 2408.\n\nDOC-169 p. 2409.\n\nDOC-169 p. 2392 t\u002Fm 2393, p. 2395, p. 2408 t\u002Fm 2410, p. 2422 t\u002Fm 2424 en p. 2431.\n\nAMB-032 p. 331.\n\nDOC-152 p. 2262 e.v.\n\nG002-01 p. 718.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2122","2026-07-13T00:29:20.211Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":62,"updatedAt":123},"1281","ECLI:NL:RBDHA:2026:18664","ecli-nl-rbdha-2026-18664","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F342300-25 (dagvaarding I) en 09\u002F052574-26 (ttz.gev., dagvaarding II)\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres 1] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. T.W. van Gessel naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nzij op of omstreeks 25 oktober 2025, te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine en\u002Fof een doek en\u002Fof vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - de woning en\u002Fof voortuin en\u002Fof hekwerk aan de [adres 2] en\u002Fof - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] en\u002Fof - geparkeerde voertuigen in de [straatnaam 1] te duchten was;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n 1 zij op of omstreeks 28 oktober 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans een brandbare vloeistof, en\u002Fof een fles en\u002Fof een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - (de voordeur van) de woning en\u002Fof voortuin en\u002Fof hekwerk aan de [adres 2] en\u002Fof - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] te duchten was en\u002Fof levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten - de in voornoemde woning(en) aanwezige personen te duchten was;\n\n2 zij op of omstreeks 14 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een voertuig (een bestelauto met kenteken [kenteken] ) geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (brandbare) vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens (met een aansteker) open vuur in aanraking te brengen met papier en\u002Fof een fles (met daarin benzine) en\u002Fof die (brandende) fles tegen\u002Fnaar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - de motorkap en\u002Fof grill van voornoemd voertuig te duchten was;\n\n3 zij op of omstreeks 30 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] , in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nOp 25 oktober 2025 omstreeks 9:30 uur heeft de bewoner van de woning aan de [adres 2] , genaamd [aangeefster] , een beschadigde vuilniszak en een doekje voor haar voordeur aangetroffen. Voorts rook zij een benzinelucht. Na het bekijken van de beelden van haar deurbelcamera is het vermoeden ontstaan dat er in de nacht van 25 oktober 2025 rond 2:00 uur brand is gesticht bij haar woning.\n\nIn haar aangifte verklaarde [aangeefster] dat er op 28 oktober 2023 ook brand zou zijn gesticht bij de voordeur van haar woning. Tevensblijkt uit onderzoek dat er op 14 augustus 2023 op de [adres 3] brand zou zijn gesticht bij de auto (bestelbus) van de broer van [aangeefster] , genaamd [broer van aangeefster] , en dat er op 30 augustus 2023 een ruit zou zijn vernield van een woning gelegen aan de [adres 4] . [broer van aangeefster] is woonachtig op het adres [adres 3] .\n\n Gedurende het onderzoek is gebleken dat de verdachte als verdachte kon worden aangemerkt van voornoemde brandstichtingen en vernieling. Deze verdenking is mede ontstaan omdat bij de politie diverse meldingen van de verdachte zijn binnengekomen die inhouden dat zij (verdachte) de afgelopen jaren stelselmatig zou zijn bedreigd en lastiggevallen door [aangeefster] , dan wel door haar familie. Ook zijn er bij de politie diverse meldingen over de verdachte bekend dat zij verward en zorgelijk gedrag zou vertonen. De verdachte werd vervolgens op 15 december 2025 aangehouden.\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat zij drie maal brand heeft gesticht en een ruit van een woning heeft vernield.3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.\n\nVoor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsman.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\n3.5.1. Ten aanzien van dagvaarding I\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning door een wijkagent van de verdachte als de persoon op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] . De wijkagent heeft gedetailleerd geverbaliseerd op welke wijze en waaraan hij de verdachte heeft herkend. De wijkagent heeft tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte ook een grijs vest en witte sneakers waargenomen die grote gelijkenissen vertonen met het vest en de sneakers die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad. Voorts is op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] een fatbike te zien. De verdachte maakte ten tijde van de brandstichting gebruik van een fatbike. Ten slotte werd in de woning van de verdachte een zwarte rugtas aangetroffen die grote gelijkenissen vertoont met de rugzak die de verdachte van de brandstichting op de beelden droeg.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu een machtiging van de rechter­commissaris in het dossier ontbreekt, aangezien de officier van justitie tijdens de zitting van 23 maart 2026 deze machtiging ter zitting aan de rechtbank heeft overgelegd.\n\nOp grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 25 oktober 2025 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een doek met benzine en een vuilniszak in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.\n\nDoor het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen ontstaan. De algemene ervaring leert dat brandstichting bij de voordeur van een woning al snel gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt en dat een concrete gevaarzetting ontstaat voor andere roerende of onroerende goederen in de directe omgeving van de brandstichting.\n\nOp grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en acht zij daarom het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.2. Ten aanzien van dagvaarding II feit 1\n\nOp grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 28 oktober 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een krant met benzine in een fles in brand te steken.\n\nDe rechtbank verwijst daarbij naar het feit dat de vingerafdruk van de verdachte op de gebruikte fles en het DNA van de verdachte op de dop van de gebruikte fles is aangetroffen.\n\nOok hier ziet de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.\n\nDoor het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar ontstaan. Een brandonderzoeker heeft tijdens een forensisch onderzoek een roetlaag op de waterkering en aan de onderzijde van de voordeur waargenomen. Volgens de brandonderzoeker had de schade aan de voordeur groter kunnen worden en had de houten voordeur als onderdeel aan de brand kunnen deelnemen, indien de brand niet op tijd was geblust. Gezien de aanwezigheid van personen in de woning op een voor de nachtrust bestemde tijd, is het voorzienbaar dat zij lichamelijk letsel kunnen oplopen.\n\nOp grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en acht zij daarom het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.3. Ten aanzien van dagvaarding II de feiten 2 en 3\n\nOp grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 14 augustus 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij bestelbus van [broer van aangeefster] door brandbare vloeistof over dit voertuig te sprenkelen en vervolgens een fles met daarin benzine aan te steken en deze fles naar de bestelbus te gooien. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 augustus 2023 de ruit van de woning aan de [adres 4] heeft vernield.\n\nEen getuige van de vernieling heeft de persoon op de camerabeelden een aantal dagen na de vernieling op straat herkend en is haar vervolgens gevolgd naar haar woning. Dit betrof de woning van de verdachte. Voorts heeft een verbalisant aan de hand van de beschikbare camerabeelden geconcludeerd dat de brandstichting en de vernieling gepleegd zijn door dezelfde persoon. Tevens werden in de woning van de verdachte een roze legging en een wit Adidas vest aangetroffen die grote gelijkenissen vertonen met de kleding die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad.\n\nOok hier verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest en verwijst daarbij naar hetgeen reeds hiervoor is overwogen.\n\nDe rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat het bij de brandstichting slechts gaat om een poging tot brandstichting. Uit de beelden volgt immers dat de verdachte – nadat zij een vloeistof over de motorkap van de bestelbus sprenkelde – iets wits bij de fles met vermoedelijk benzine heeft aangestoken en de brandende fles richting de voorzijde van de bestelbus heeft gegooid. Hieruit kan reeds afgeleid worden dat er sprake is van een voltooide brandstichting. Nadat de fles door de verdachte werd gegooid en tegen de voorzijde van de bestelbus aankwam, ontstond er (kort) vuur op de motorkap en bij de grill van de witte bestelbus. Hiermee is er ook sprake van gemeen gevaar voor goederen. Dat de brand kortstondig heeft geduurd, doet aan het voorgaande niets af.\n\nOp grond van het vorenstaande acht de rechtbank de bij dagvaarding II onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.4. Conclusie\n\nDe rechtbank acht op grond van het bovenstaande de bij dagvaarding I en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\nVoor de overtuiging heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat de verdachte al jarenlang in de stellige, maar naar het oordeel van de rechtbank onjuiste, veronderstelling verkeerde dat zij stelselmatig wordt bedreigd en lastiggevallen door de familie Pooran. Hieruit kan een mogelijk motief voor de verdachte worden afgeleid om de bewezenverklaarde feiten te plegen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nzij op 25 oktober 2025 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met benzine en een doek en vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] en te duchten was;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n 1 zij op 28 oktober 2023 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine en een fles en een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de voordeur van de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten - de in voornoemde woningen aanwezige personen te duchten was;\n\n2 zij op 14 augustus 2023 te Den Haag bij een voertuig, een bestelauto met kenteken [kenteken] , geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door brandbare vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens met een aansteker open vuur in aanraking te brengen met papier en een fles met daarin benzine en die brandende fles tegen\u002Fnaar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de motorkap en grill van voornoemd voertuig te duchten was;\n\n3 zij op 30 augustus 2023 te Den Haag opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] dat aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden), onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verder heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de verzochte vrijspraak, geen tbs-maatregel op te leggen. Tevens heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.\n\nSubsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van haar voorarrest en een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Hij acht een tbs-maatregel niet noodzakelijk om het recidiverisico te beperken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie brandstichtingen en een vernieling. Door het handelen van de verdachte is aanzienlijke schade ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte met haar handelen onaanvaardbare risico’s genomen. Zij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat brandstichting een bijzonder destructief en gevaarzettend feit is. Het is een gelukkige omstandigheid dat de branden niet ernstigere schade hebben veroorzaakt en dat er geen mensen gewond zijn geraakt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot haar daden is gekomen. Feiten als de onderhavige roepen doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid op en hebben maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarnaast brengen dergelijke feiten in het algemeen aanzienlijke schade teweeg en kunnen ze leiden tot veel overlast voor de slachtoffers.\n\nGelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor misdrijven.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. A. Banaei Kashani, psychiater, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 13 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nBij de verdachte is sprake van een psychotische stoornis die chronisch aanwezig is, te weten schizofrenie, en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was de verdachte psychotisch. Aangezien zij in die periode vrijwel dagelijks amfetamine gebruikte, is het aannemelijk dat zij ten tijde en in aanloop tot het ten laste gelegde onder invloed was van dit middel. Het is aannemelijk dat hierdoor haar gedragskeuzes en gedragingen werden beïnvloed. De rapporteur adviseert de feiten in (tenminste) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De kans op herhaling op inadequaat en agressief gedrag wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. Er is geen sprake van beschermende factoren. De verdachte heeft jarenlang steeds marginaal zorg geaccepteerd en is steeds verder achteruit gegaan in haar functioneren. Zij blijft een aversie houden jegens de betreffende familie. De verdachte is bovendien ernstig verslaafd aan amfetamine. Zonder adequate behandeling en begeleiding zal haar toestand verder verslechteren, zal zij zich verder verwaarlozen en gevaarlijk gedrag blijven vertonen. Vanwege de ernstige psychische problematiek en het hoge recidiverisico is langdurige en intensieve (klinische gevolgd door ambulante) behandeling nodig. De verdachte heeft weinig ziekte-inzicht en eerdere hulp heeft niet tot gedragsverandering geleid. Behandeling van de psychotische stoornis en abstinentie van middelen zijn noodzakelijk. Geadviseerd wordt de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd haar een GVM op te leggen om langdurig toezicht mogelijk te maken na beëindiging van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank heeft voorts acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. G.J.H. Poncin, GZ-psycholoog, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 11 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nBij de verdachte is sprake van schizofrenie. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van een stimulantium, een stoornis in het gebruik van cannabis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Gezien de chronisch aanwezige pathologie is het aannemelijk dat deze ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en kan er worden gesproken van een gelijktijdsheidsverband. Het is aannemelijk dat de verdachte vanuit haar eigen paranoïde, psychotische en onrealistische belevingswereld heeft gehandeld. Hier speelde het amfetaminegebruik als een katalysator op de reeds aanwezige psychotische problematiek. Het advies van de rapporteur is dan ook om de ten laste gelegde feiten in een tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Er is geen probleeminzicht en eerdere behandeling heeft nauwelijks effect gehad. Het kleine sociale netwerk van de verdachte is niet bij machte om haar de sturing en ondersteuning te bieden die zij behoeft om stabiel te kunnen functioneren. De verdachte beschikt buiten detentie niet over werk of een adequate dagbesteding\u002Fstructuur. De rapporteur acht een langdurige, intensieve behandeling geïndiceerd die start met een klinische opname, van waaruit wordt gewerkt aan het vergroten van het probleeminzicht, het leren omgaan met de pathologie en het opbouwen van beschermende factoren. Bovengenoemd interventieadvies kan het beste worden vormgegeven binnen een tbs met voorwaarden. Ook wordt geadviseerd om een GVM op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsrapport tbs met voorwaarden van 9 juni 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nDe rapporteur schat het recidiverisico als hoog in. De verdachte is meerdere malen in beeld gekomen bij de GGZ en er is sprake geweest van zorgmachtigingen wegens onbegrepen gedrag. De verdachte gebruikt langdurig amfetamine. Er is geen sprake van ziekte-inzicht of probleembesef. De verdachte is van mening dat er niets met haar aan de hand is. Behandeling vindt zij niet nodig. Wel geeft zij aan zich aan de voorwaarden te zullen houden, mocht zij daartoe veroordeeld worden. Vanwege de psychiatrische problematiek, in combinatie met overmatig middelengebruik (hetgeen een psychose kan luxeren), het ontbreken van beschermende factoren (buiten contact vader) en agressief gedrag in de voorgeschiedenis (hetgeen niet geleid heeft tot justitiecontact), schat de reclassering het risico op delictgedrag in als hoog. Vanwege het ontbreken van probleembesef en ziekte-inzicht en daarmee tevens intrinsieke motivatie voor behandeling, schat de reclassering het risico op onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld. Uit de Pro Justitia rapportages komt naar voren dat langdurige behandeling en ondersteuning noodzakelijk wordt geacht. De verdachte heeft inmiddels ingestemd met een klinische opname en het gebruik van medicatie. De reclassering acht een tbs met voorwaarden haalbaar, mede gelet op de extrinsieke motivatie.\n\nDe reclassering adviseert dan ook een tbs met voorwaarden met de onderstaande voorwaarden: • Geen strafbaar feit plegen • Meewerken aan reclasseringstoezicht • Meewerken aan een time-out • Niet naar het buitenland reizen • Opname in een zorginstelling • Ambulante behandelverplichting • Meewerken aan begeleid wonen • Verbod op het gebruik van verdovende middelen • Meewerken aan bewindvoering • Contactverbod met de aangevers • Locatieverbod (met elektronisch toezicht indien van toepassing)\n\nDe op te leggen straf en maatregel\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daarbij heeft de rechtbank tevens in overweging genomen dat het van belang is dat de verdachte eerder aan haar behandeling in het kader van de hierna nog te bespreken tbs-maatregel kan beginnen.\n\nEen en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenpassend en geboden is.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.\n\nDe rechtbank neemt verder de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.\n\nDe rapporteurs adviseren een tbs met voorwaarden en concluderen dat er onvoldoende andere mogelijkheden zijn om de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De rechtbank acht gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen de eigen constatering van de rechtbank ter terechtzitting van 16 juni 2026 dat bij de verdachte elk ziektebesef en -inzicht ontbreekt, een tbs met voorwaarden passend en ook noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs-maatregel dat de begane feiten (met uitzondering van de bewezenverklaarde vernieling) misdrijvenzijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten zeer ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist.\n\nDe rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij wel twijfels heeft over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden en over of de verdachte zich aan de gestelde voorwaarden zal houden. De verdachte heeft immers geen ziekte-inzicht en probleembesef. Zij heeft ter zitting ook verklaard dat zij een tbs-maatregel niet nodig vindt, omdat zij naar haar eigen mening niets mankeert. Zij zal echter wel meewerken als de maatregel door de rechtbank aan haar wordt opgelegd. De rechtbank zal de tbs met voorwaarden aan de verdachte opleggen omdat de rechtbank het onverantwoord vindt om de verdachte zonder enige behandeling, begeleiding of toezicht terug te laten keren in de maatschappij.\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II feit 1sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.\n\nOmdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank, gelet op artikel 38 lid 6 Sr bepalen dat de op te leggen tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank zal ook de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen, zodat de officier van justitie na beëindiging van de tbs-maatregel, indien nodig, de mogelijkheid heeft toereikende maatregelen te nemen, teneinde recidive te kunnen voorkomen.\n\nAan de wettelijke vereisten van artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van de Pro Justitia rapporteurs en het rapport van de reclassering.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nGelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.467,10, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.\n\n [broer van aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 629,51, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair afwijzing van de vorderingen verzocht, dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de verzochte vrijspraak.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman subsidiair verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu een wettelijke grondslag ontbreekt, dan wel de wettelijke grondslag onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de benadeelde partij matiging van het gevorderde bedrag verzocht. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster] heeft de raadsman subsidiair afwijzing verzocht, nu de gevorderde materiële schade onvoldoende is onderbouwd.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 467,10.\n\nOmdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen:\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 253,62 met ingang van 28 oktober 2023;\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 190,51 met ingang van 24 november 2025;\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 22,97 met ingang van 11 maart 2026.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal en ziet daarom geen aanleiding om de gevorderde schade te matigen.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.467,10, bestaande uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor de onder bij dagvaarding I en dagvaarding II onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,\n\ntot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster]\n\nDe vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 629,51.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen.\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 augustus 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [broer van aangeefster] .\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36f, 38, 38a, 38z, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 1\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is\n\nen\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 2\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 3\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;\n\nstelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:\n\ndat de veroordeelde:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n- geen strafbare feiten zal plegen;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n de medewerking aan huisbezoeken;\n\n zich melden bij en zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk;\n\n de reclassering helpen aan een actuele foto waarop het gezicht van de veroordeelde herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n de reclassering inzicht geven in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n zich niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die\n\n contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n- als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Kliniek (FPK) of een andere soortgelijke instelling met een hoger beveiligingsniveau. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n- niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal reizen zonder toestemming van de reclassering;\n\n- zich laat opnemen in en behandelen door FPK Fivoor, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor de plaatsing verantwoordelijke instantie, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens deze zorginstelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Indien overbruggingszorg noodzakelijk is, verleent zij hieraan haar medewerking;\n\n- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, zich onder behandeling stelt van een forensisch polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, zolang de reclassering of die zorginstelling noodzakelijk acht. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;\n\n- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering en\u002Fof de instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;\n\n- meewerkt aan bewindvoering\n\n- zich onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, speeksel- of urineonderzoek De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.;\n\n- op geen enkele wijze contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:\n\n [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1966\n\n [broer van aangeefster] , geboren op [geboortedatum 3] 1971;\n\n [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 4] 1954;\n\n- zich niet bevindt in de gebieden:\n\n Gebied 1: [straatnaam 2] \u002F [straatnaam 3] \u002F [straatnaam 4] en het gebied tussen deze straten te Den Haag;\n\n Gebied 2: [straatnaam 5] \u002F [straatnaam 6] \u002F [straatnaam 7] \u002F [straatnaam 8] \u002F de [straatnaam 1] en het gebied tussen deze straten te Den Haag,\n\nzolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze voorwaarde;\n\nbeveelt dat bovengenoemde maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;\n\nlegt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;\n\nwijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.467,10 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente tot de dag waarop deze vordering is betaald over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,\n\ntot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 629,51 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [broer van aangeefster];\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[broer van aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,\n\nmr. J.L.E. Bakels, rechter,\n\nmr. J. Schaaf, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18664","2026-07-13T00:29:13.753Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":62,"updatedAt":131},"1267","ECLI:NL:RBDHA:2026:18665","ecli-nl-rbdha-2026-18665","2026-06-29T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F290140-25 (dagvaarding I), 09\u002F029669-25 (dagvaarding II, ttz.gev.) en\n\n 16\u002F177451-20 (tul)\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],\n\n BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij in of omstreeks 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data en\u002Fof tijdstippen in voormelde periode - één of meermalen sms-berichten en\u002Fof whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen, - één of meermalen te bellen naar die [aangeefster] en\u002Fof haar voicemail in te spreken, - daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummers met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op of omstreeks 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] een of meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en\u002Fof een of meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich in de periode van 29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin [aangeefster] (hierna ook: de aangeefster) (dagvaarding I) en dat hij op 26 januari 2025 samen met een ander of anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever] (hierna ook: de aangever) (dagvaarding II).3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Naar zijn mening is de verklaring van [aangever] onvoldoende betrouwbaar.\n\nTen aanzien van dagvaarding I heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het ten laste gelegde onder dagvaarding I.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nDe verdachte heeft na een ruzie met de aangeefster op 29 maart 2026 een whatsapp-bericht aan haar gestuurd inhoudende “Weet niet wat er met jou aan de hand is maar je ken beter iemand anders zoeken”. De aangeefster begreep daaruit dat de relatie was beëindigd. Zij heeft vervolgens niet gereageerd en verder geen enkel contact meer met de verdachte gehad. De verdachte heeft daarop met verschillende telefoonnummers meerdere sms-berichten en whatsapp-berichten aan aangeefster gestuurd en haar meerdere malen gebeld en haar voicemail ingesproken. Ook nadat de aangeefster op 10 juli 2025 aangifte tegen de verdachte heeft gedaan, is hij met dit gedrag doorgegaan. De verdachte heeft hierin volhard tot kort voor zijn aanhouding, namelijk tot en met 26 oktober 2025. Met dit gedrag heeft de verdachte stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dat de verdachte aangeeft dat hij recht heeft op duidelijkheid en alleen een antwoord te hebben gewild over de status van de relatie en het voorgenomen huwelijk tussen hem en aangeefster, rechtvaardigt niet dat hij eenzijdig contact met haar bleef zoeken. Het kan gelet op de voortdurende radiostilte niet anders dan dat het voor de verdachte duidelijk was dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. Temeer nu de verdachte verschillende telefoonnummers gebruikte om contact te krijgen met aangeefster, en zij op geen van de berichten heeft gereageerd. Voor de volledigheid wijst de rechtbank nog op het arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat niet is vereist dat aangeefster aan de verdachte expliciet kenbaar heeft gemaakt geen contact meer met hem te willen hebben (Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:1447, 2 juni 2015). Het ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\nDe verklaring van de aangever, inhoudende dat hij buiten op straat bij de woning van de moeder van de verdachte door de verdachte en zijn broer(s) is geslagen en geschopt, wordt in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat zijn verklaring op andere (niet ten laste gelegde) onderdelen, zoals de aanwezigheid van een schroevendraaier of een stuk hout, geen steun vindt in het dossier, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaring.\n\nBij de aangever is letsel aangetroffen dat past bij zijn verklaring. Ook is uit het buurtonderzoek gebleken dat kinderen hebben gezien dat hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte en dat hij daarna werd aangevallen door meerdere mannen. Volgens de kinderen werd hij vervolgens vechtend de straat uit begeleid.\n\nUit de verklaring van de aangever blijkt tot slot dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld gepleegd tegen de aangever.\n\nDe rechtbank acht dan ook het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij in de periode van29 maart 2025 tot en met 26 oktober 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door op verschillende data en tijdstippen in voormelde periode - meermalen sms-berichten en whatsapp-berichten aan die [aangeefster] te sturen, - meermalen te bellen naar die [aangeefster] en haar voicemail in te spreken, - daarbij gebruik te maken van meerdere verschillende telefoonnummers met het oogmerk die [aangeefster], te dwingen iets te doenente dulden;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op 26 januari 2025 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, ter hoogte van [adres 2] te 's-Gravenhage, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [aangever] door die voornoemde [aangever] meerdere malen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan en meerdere malen tegen zijn lichaam te schoppen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht de verdachte ten aanzien van dagvaarding II te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld uit noodweer. Er was volgens de raadsman sprake van een (onmiddellijk dreigende) wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging door de verdachte geboden was. Het is aannemelijk dat de aangever (het slachtoffer), toen hij aanbelde bij de woning van de moeder van de verdachte, het conflict over zijn opgeslagen goederen bij de verdachte die hij terug wilde, met (dreiging met) geweld heeft proberen te beslechten. Het handelen van de verdachte voldoet voorts aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodweerverweer van de verdachte moet worden verworpen, nu in het dossier geen aanknopingspunten aanwezig zijn dat er sprake was van een noodweersituatie.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de raadsman gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. Daaruit volgt immers niet dat het slachtoffer met geweld of dreiging met geweld de woning van de moeder van de verdachte probeerde binnen te dringen.\n\nGelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het noodweerverweer wordt dan ook verworpen.\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) en voorts een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte, mede gelet op de verzochte vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van dagvaarding II, een gemaximeerde tbs met voorwaarden op te leggen.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden het slachtoffer, zijn ex-partner, stelselmatig lastiggevallen door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen.\n\nDoor zo te handelen heeft de verdachte de privacy van het slachtoffer ernstig geschonden en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De verdachte is een paar maanden voor het bewezenverklaarde ook veroordeeld voor belaging van een andere ex-partner, waarvoor hij onder andere tbs met voorwaarden opgelegd heeft gekregen. Ook liep verdachte in een proeftijd van een veroordeling uit 2021, eveneens ter zake van belaging. De rechtbank kent aan de herhaling van het stalkingsgedrag van de verdachte strafverzwarende betekenis toe, ondanks de verminderde toerekenbaarheid van dit gedrag aan de verdachte, waarover hieronder meer. Bij het plegen van dit feit heeft de verdachte zijn frustratie vanwege het verbreken van de relatie door zijn ex-partner niet kunnen beheersen en haar op dwingende manier en niet aflatend benaderd om duidelijkheid van haar te krijgen. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een feit als dit hiervan nog geruime tijd psychische schade kunnen ondervinden.\n\nDe verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer heeft aan het incident fysiek letsel overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden dit soort strafbare feiten tot gevoelens van onrust en angst in de maatschappij. Het feit heeft zich immers in het openbaar afgepeeld, waarbij buurtbewoners getuigen zijn geweest van het geweld.\n\nHet strafblad van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden diverse malen veroordeeld is geweest voor soortgelijke feiten, laatstelijk op 30 augustus 2024, waarbij aan de verdachte onder andere de maatregel van tbs met voorwaarden is opgelegd. Hoewel deze veroordeling niet onherroepelijk is, weegt de rechtbank dit in het nadeel van de verdachte mee. Voorts liep hij in een proeftijd voor een veroordeling uit 2021 voor een soortgelijk delict.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van [naam 1], psychiater, van 16 april 2026.\n\nDe rapporteur heeft geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij er sprake is van een licht verstandelijke beperking. Voorts was er sprake van evidente trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De trekken van de persoonlijkheidsstoornis en de licht verstandelijke beperking hebben invloed gehad op de gedragingen van de verdachte tijdens de ten laste gelegde feiten en beïnvloedde zijn gedragskeuzes. De rapporteur adviseert daarom de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. De kans op agressie of antisociale opvattingen of handelingen wordt sterk verhoogd als de verdachte geconfronteerd wordt met een niet te beïnvloeden externe stressor, die hij als krenkend, denigrerend en prikkelend ervaart, met name als hij de situaties niet goed begrijpt of als onduidelijk ervaart. Adequate hulpverlening en begeleiding is daarom noodzakelijk, maar dit is tot op heden moeizaam gebleken, om welke reden reeds getracht is de lopende maatregel tbs met voorwaarden om te zetten naar een tbs met dwangverpleging. Dit bleek echter niet mogelijk, gezien de lopende cassatie met betrekking tot die veroordeling. De rapporteur adviseert de maatregel van tbs op te leggen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, gezien de bereidwilligheid van de verdachte om mee te werken aan behandeling en begeleiding. Gelet op het voorgaande is de maatregel van tbs volgens de rapporteur aangewezen. Een tbs met voorwaarden zou daarin theoretisch de voorkeur hebben, maar mocht een tbs met voorwaarden niet haalbaar worden geacht, is een tbs met dwangverpleging aangewezen. De rapporteur benadrukt de noodzakelijkheid van een adequate behandeling en een uitbreid resocialisatietraject met stringente controle en begeleiding.\n\nDe rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van drs. [naam 2], gezondheidszorgpsycholoog, van 16 april 2026.\n\nDe rapporteur concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een combinatie van een licht verstandelijke beperking en trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ook ten tijde van het ten laste gelegde. De rapporteur adviseert dan ook de ten laste gelegde feiten in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De rapporteur schat het recidiverisico zonder passende hulpverlening en juridisch kader als matig tot hoog in. De verdachte recidiveert opnieuw in agressief gedrag en stalking van een ex-partner. Dit ondanks de langdurige behandeling die hij heeft gehad en het juridisch kader dat hem boven het hoofd hangt. De rapporteur adviseert een tbs met voorwaarden. In dit kader is behandeling gegarandeerd. De rapporteur is van mening dat een tbs met voorwaarden in deze strafzaak de voorkeur heeft. Als een dergelijk kader niet haalbaar is, resteert er niets anders dan een tbs met dwangverpleging.\n\nDe rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 juni 2026. Ook is de rapporteur ter zitting als deskundige gehoord.\n\nDe reclassering adviseert negatief ten aanzien van een tbs met voorwaarden. Volgens de reclassering is het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden hoog.\n\nBij herhaling is gebleken dat de verdachte in woord meewerkt, maar niet in daad. De verdachte kent een uitgebreid justitieel verleden, waarbij er gesproken kan worden van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon. De reclassering acht het zorgwekkend dat de eerdergenoemde (behandel)interventies tot op heden niet hebben geresulteerd in een aanvaardbaar laag recidiverisico en in een langdurige positieve gedragsverandering bij betrokkene.\n\nGelet op de bescherming van de maatschappij acht de reclassering het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering is van mening dat het zwaartepunt moet liggen bij een intensieve, langdurende klinische behandeling binnen een strikt- en gestructureerd kader, zonder tijdsdruk. Primair voor het vergroten van het eigen probleeminzicht, het reguleren van de eigen emoties en het vergroten van het probleemoplossende- en reflectieve vermogen, en secundair om binnen een veilige- en stabiele context te kunnen toetsen of de verdachte profiteert van de ingezette interventies om vervolgens de resocialisatie van de verdachte - onder strike voorwaarden - De reclassering is van mening dat de elementen die noodzakelijk zijn om te kunnen interveniëren binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet- of onvoldoende aanwezig zijn. De reclassering ziet in het kader van recidivebeperking geen mogelijkheden om een resocialisatieplan met passende (behandel)interventies op te stellen, geen mogelijkheden om voorwaarden te concretiseren en geen mogelijkheden om uitvoering te geven aan een effectief toezicht.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen. Voorts adviseert de reclassering een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.\n\nDe op te leggen straf en maatregel\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.\n\nGelet op de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als strafsoort worden volstaan. Mede indachtig de persoon van de verdachte en diens verminderde toerekeningsvatbaarheid acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenpassend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.\n\nDe rapporteur van de reclassering concludeert dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Daarnaast zijn in het verleden al diverse ambulante en klinische behandelingen mislukt. Voorts is aan de verdachte vlak voor de thans bewezenverklaarde feiten een tbs met voorwaarden opgelegd en heeft hij zich tijdens dat traject ook niet aan de voorwaarden gehouden. Hoewel aan de verdachte in dat traject wellicht nog niet alle hulp is geboden, zijn er geen indicaties dat aan de verdachte niet een reële kans is geboden om mee te werken aan dat traject en zich aan de voorwaarden te houden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden thans niet meer aan de orde.\n\nDe vraag resteert of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan en moet worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs nu in ieder geval het begane feit (onder dagvaarding II) een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist. Voorts zijn minder verstrekkende mogelijkheden door de Pro Justitia rapporteurs overwogen maar deze mogelijkheden zijn ontoereikend (gebleken) om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau te kunnen verminderen.\n\nDe rechtbank zal dan ook de maatregel van de tbs met dwangverpleging opleggen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.\n\nDe rechtbank ziet gelet daarop geen meerwaarde om daarnaast aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr of een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.311,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 588,- aan materiële schade en € 6.723,- aan immateriële schade.\n\n [aangever]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.127,33, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 127,33 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade.\n\n7.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot:\n\n- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\n- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever] tot een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman matiging verzocht voor wat betreft de immateriële schade, gelet op de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman afwijzing verzocht, nu causaal verband ontbreekt.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft € 10.000,- die is ingediend met het oog op een eventueel hoger beroep. Ten aanzien van de € 1.000,- immateriële schade heeft de raadsman matiging verzocht wegens eigen schuld van de benadeelde partij.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nDeze schade is ook rechtstreeks ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Hoewel de belaging niet mede bestond uit het opzoeken van de benadeelde partij bij haar woning, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het gepleegde strafbare feit. Zonder de belaging zou de benadeelde partij hier niet toe zijn overgegaan, terwijl de gevorderde schade gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte ter zake van belaging van een andere ex-partner ook in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij heeft gerechtvaardigd ervan kunnen uitgaan dat de verdachte ook in haar geval bij de woning zou kunnen komen, waarmee de rechtbank de kosten van maatregelen ter bescherming van haar veiligheid kwalificeert als schade als gevolg van het strafbare feit.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de materiële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,-. Daarbij heeft de rechtbank tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, uitgaande van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij op andere wijze, gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen hiervan. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een ernstige vorm van belaging, categorie 17 sub b.\n\nDe rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 oktober 2025, de laatste dag van de bewezenverklaarde periode.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 3.588,- , bestaande uit € 588,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:\n\n- een bedrag van € 588,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;\n\n- een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;\n\nten behoeve van [aangeefster].\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\nTen laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld in vereniging dat bestond uit slaan en schoppen tegen [aangever]. Hoewel niet kan worden vastgesteld welk letsel van [aangever] door de verdachte is toegebracht, brengt in dit geval het bepaalde in artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW) (groepsaansprakelijkheid) met zich mee dat de schade, die door het openlijk geweld is veroorzaakt, aan ieder van de verdachten kan worden toegerekend. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Voor de aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW is verder vereist dat de groepsleden wisten, of behoorden te weten dat het groepsoptreden de kans op de schade zoals die nu geleden is, vergrootte. Vast is komen te staan dat de verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage aan het groepsgeweld heeft geleverd door de benadeelde partij te slaan en schoppen. Door zo te handelen behoorde de verdachte op zijn minst te weten dat hij daarmee de kans vergrootte op het ontstaan van de geleden schade.\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank heeft daarbij tevens aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, licht lichamelijk letsel (categorie 13 sub c). De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen vanwege eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nDe rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen. Dit deel van de vordering betreft een verhoging van de immateriële schade bij een eventueel hoger beroep. Enig concreet aanknopingspunt op grond waarvan aannemelijk is of kan zijn dat meer schade is geleden, dan wel in de toekomst wordt geleden, dan de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, is niet aangevoerd. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen grond voor een niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij wegens een onevenredige belasting van het strafproces en zal zij de vordering dus voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 1.127,33, bestaande uit € 127,33 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nOmdat de verdachte het bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover één van de medeverdachten een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding II bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\nDe rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, nu de toewijzing van deze vordering niet meer opportuun wordt geacht, gelet op de reeds op te leggen straf en maatregel aan de verdachte.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36f, 37a, 37b, 57, 141 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nbelaging\n\nten aanzien van dagvaarding II\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon\n\nverklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] deels toe tot een bedrag van € 3.588,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van\n\n€ 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangeefster];\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.588,-,\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 588,- vanaf 23 juli 2025, en over een bedrag van € 3.000,- vanaf 26 oktober 2025, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] deels toe tot een bedrag van € 1.127,33 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever];\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.127,33, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2025, ten behoeve van [aangever];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 16\u002F177451-20.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. C. Hofman, voorzitter,\n\nmr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,\n\nmr. R.P. van der Weide, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18665","2026-07-13T00:29:12.963Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":62,"updatedAt":139},"279","ECLI:NL:RBDHA:2026:17355","ecli-nl-rbdha-2026-17355","2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F307278-25 en 96\u002F210973-21 (tul)\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres]\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 februari 2026 (pro forma) en 12 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Vingerling naar voren is gebracht. Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. R.G. van der Laan namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1 hij op of omstreeks 14 november 2025 te Den haag, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met het volle gewicht op de borst en\u002Fof buik te gaan staan, - de nek vast te pakken en\u002Fof de keel dicht te knijpen, - met de vuist meermaals tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof - met een (honkbal)knuppel met kracht tegen het lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 14 november 2025 te Den haag, [aangeefster] heeft mishandeld, door - met het volle gewicht op de borst en\u002Fof buik te gaan staan, - de nek vast te pakken en\u002Fof de keel dicht te knijpen, - met de vuist meermaals tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof - met een (honkbal)knuppel met kracht tegen het lichaam te slaan.\n\n2 hij op of omstreeks 14 november 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen \"Laat me met rust kankerwijf, ik maak je dood\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\n3 hij op of omstreeks 5 april 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] (meermlen) tegen het lichaam, te slaan en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, te snijden\u002Fsteken en\u002Fof aan de haren te trekken.\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair onder 1 tenlastegelegde, met dien verstande dat hij het op de borst\u002Fbuik staan en het dichtknijpen van de keel niet bewezen acht.\n\nVoorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, met dien verstande dat niet precies kan worden vastgesteld met welke woorden de verdachte de aangeefster heeft bedreigd.\n\nTen slotte heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat het steken met ‘althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp’ niet kan worden bewezen.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de primair onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bepleit. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot het slaan en het aan de haren trekken gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich met betrekking tot de handelingen met een mes dan wel een scherp of puntig voorwerp op het standpunt gesteld dat deze niet kunnen worden bewezen.\n\n3.3.. Vrijspraak\n\n3.3.1.. Ten aanzien van het primair onder 1 tenlastegelegde\n\nOp basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting constateert de rechtbank dat de verdachte de aangeefster meermaals met een vuist heeft geslagen op haar hoofd. Evenwel kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte de overige aan hem ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd.\n\nOvereenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te komen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\n3.3.2.. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde\n\nDe rechtbank stelt vast dat er behoudens de verklaring van de aangeefster, geen andere wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn die de verbale bedreiging van de aangeefster op 14 november 2025 ondersteunen.\n\nGelet hierop kan het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen en zal de rechtbank de verdachte hiervan vrijspreken.\n\n3.3.3.. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde\n\nDuidelijk is dat de politie op 5 april 2025 in de woning is geweest waar de verdachte en de aangeefster zich destijds bevonden, maar dat toen geen letsel bij de aangeefster is gezien door de politie. De getuige [getuige] heeft eerst bij de politie en later bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wel fors letsel bij de aangeefster had waargenomen na afloop van het incident. Bij zijn verhoor bij de politie geeft [getuige] echter te kennen dat gecorrigeerd moet worden dat sprake was van snijletsel.\n\nDe rechtbank ziet hierin een onverklaarbare tegenstrijdigheid. Daar komt bij dat [getuige] op een wezenlijk onderdeel – al dan geen snijletsel – wisselend heeft verklaard.\n\nDit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er weliswaar aanknopingspunten zijn voor een mishandeling, maar dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een dergelijk feit op 5 april 2025 heeft begaan. De rechtbank is dan ook met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, waardoor zij de verdachte ook hiervan zal vrijspreken.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025386867, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t\u002Fm 95).\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 11-12):\n\n Pleegdatum: 14 november 2025\n\nIk heb al drie jaar een relatie met mijn vriend [verdachte] . Hij woont aan de [adres] .\n\nRond 08:30 uur ben ik zelfstandig naar hem toe gefietst.\n\nIk heb aangeklopt en hij deed vervolgens open.\n\nIk wist dat hij mij ging slaan doordat hij dit vaker deed en precies op dezelfde manier. Daarom hield ik mijn ogen dicht. Hierdoor voelde ik dat hij met zijn rechtervuist tegen mijn hoofd. Het letsel is te zien aan de linkerzijde van het hoofd, specifiek mijn linkeroog sloeg. Door de schik deed ik mijn ogen open en hierdoor kan ik mij ook niet herinneren hoe vaak er is geslagen. Hij sloeg telkens.\n\n2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 25):\n\nOp 14 november 2025 was ik, verbalisant, samen met\n\ncollega belast met noodhulp surveillance. Door het Operationeel\n\nCentrum Den Haag werden wij gestuurd naar de [adres] .\n\nTer plaatse zag ik een vrouw buiten de woning staan. Ik zag direct dat haar linkeroog dik en opgezwollen was.\n\nIk hoorde haar zeggen dat haar vriend nog in de woning zat op de [adres] .\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 november 2025, voor zover inhoudende (p. 34):\n\nIk was belast met een onderdeel in het opsporingsonderzoek van de mishandeling van aangeefster [aangeefster] die had plaatsgevonden op 14 november 2025.\n\nOp 15 november 2025 kwam aangeefster [aangeefster] aan de balie van bureau de Jan Hendrikstraat.\n\n Ik zag toen aangeefster [aangeefster] opstond en mijn richting op liep dat er rondom haar oog een blauw, rood en geel kleurige bloeduitstorting zat. Ik zag dat haar oog ook wat opgezwollen was.\n\n4. Het proces verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 56):\n\nOp 14 november 2025 werd door mij op de locatie [adres]\n\n , aangehouden als verdachte:\n\nVoornamen: [voornaam]\n\nAchternaam: [achternaam]\n\nGeboortedatum: [geboortedatum 1] 1996\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats]\n\nTer plaatse zag ik dat melder een verwonding had op haar hoofd.\n\n3.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank is met betrekking tot het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nhij op 14 november 2025 te Den Haag, [aangeefster] heeft mishandeld, door met de vuist meermaals tegen het hoofd te slaan.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met de aangeefster.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen gevangenisstraf van langere duur dient te worden opgelegd dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner door met zijn vuist meermaals tegen haar hoofd te slaan. Hierbij ging het naar het oordeel van de rechtbank om fors huiselijk geweld, hetgeen bij het slachtoffer heeft geresulteerd in fysiek letsel en angstgevoelens. De verdachte heeft met zijn handelen een onveilige situatie geschapen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2018 is veroordeeld voor mishandeling.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en substantiële zorgen op diverse leefgebieden. Hoewel het recidiverisico volgens de reclassering niet goed kan worden ingeschat, adviseert zij – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en ter bescherming van het slachtoffer – aan de verdachte een meldplicht, ambulante behandeling, een voorwaarde met betrekking tot beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met het slachtoffer op te leggen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte zich op het moment dat hij het bewezen verklaarde feit beging in een kwetsbare periode in zijn leven bevond door ernstige problemen binnen zijn familie en dat er aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.\n\nDe rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, groot 21 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten mevrouw [aangeefster] .\n\nUit het dossier volgt dat de aangeefster en de verdachte relatieproblemen hadden en de verdachte – zelfs nadat aan hem een contactverbod was opgelegd als schorsingsvoorwaarde – wederom contact heeft gehad met de aangeefster. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n7.1. De vordering van de benadeelde partij\n\nMevrouw [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.\n\n7.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd, maar heeft zich ten aanzien van het bedrag waarmee dat dient te gebeuren gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n7.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen gebruikelijk is bij een eenvoudige mishandeling als uitgangspunt moet worden genomen bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij.\n\n7.4. Het oordeel van de rechtbank\n\n7.4.1.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering en namens de verdachte ter betwisting daarvan is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000, volledig bestaand uit immateriële schade. Verder zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\n7.4.2.. Proceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n7.4.3.. Schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft bij vordering van 22 januari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 96\u002F210973-21 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 20 november 2023 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.\n\nTer terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsman vast dat de zaak waaruit de vordering tot tenuitvoerlegging is voortgevloeid, een geheel andersoortig feitencomplex betreft dan in de onderhavige zaak aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primaironder 1, onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiaironder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nmishandeling;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) DAGEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 21 (EENENTWINTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgesteldeproeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179, 254 AH Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;\n\n- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een PsyQ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde diagnostiek te laten plaatsvinden en zich te laten behandelen voor traumaverwerking, emotieregulatie. Daarnaast zal de behandeling zich richten op delictanalyse en -preventie. De zorgverlener bepaalt in samenspraak met de reclassering de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met mevrouw [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1995, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;\n\ngeeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.\n\ndadelijke uitvoerbaarheid\n\nbeveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nvoorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;\n\nde vordering van de benadeelde partij\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.000 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan mevrouw [aangeefster] ;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nde schadevergoedingsmaatregel\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van\n\n€ 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van mevrouw [aangeefster] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.\n\nde vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf\n\nwijst af de (schriftelijke) vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96\u002F210973-21.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E.C. Kole, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. L. Anemaet, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17355","2026-07-13T00:28:22.312Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":144,"fullText":145,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":62,"updatedAt":147},"1927","ECLI:NL:RBDHA:2026:17196","ecli-nl-rbdha-2026-17196","2026-06-25T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F129649-23\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres]\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 juni 2024, 18 juni 2024, 28 augustus 2024, 21 november 2024, 18 februari 2025, 4 juli 2025, 23 september 2025 (pro forma), 20 januari 2026 (regie) en 11 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.B.M. Poppelaars naar voren is gebracht.\n\nDe officier van justitie heeft op de terechtzitting van 11 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 11 juni 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\n3. Bewijsuitsluiting\n\n3.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data op grond van artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen en verwerkt zou zijn.\n\n3.2.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van rechtmatige interceptie en rechtmatige verwerking van de verkregen informatie en dat de SkyECC-data gebruikt kan worden voor het bewijs.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Algemene overwegingen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van de SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing.\n\nIn aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670\u002F22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:\n\n“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis\n\nhad gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).\n\nVooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent - onder andere - het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.\n\n3.3.2.. Beoordeling van de verweren\n\nOnrechtmatig verkregen bewijs\n\nDe rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel EncroChat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (Joint Investigation Team, hierna: JIT), waar hier ook sprake van was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een JIT wordt uitgeoefend leidend is en dat - kort gezegd - het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.\n\nDoor de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan.\n\nHet behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op de schending van artikel 6 EVRM, heeft zij niet onderbouwd waarin het concrete nadeel voor verdachte heeft bestaan, bijvoorbeeld wat betreft de mogelijkheid van verdachte om de inhoud of betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten te betwisten.\n\nSchending evenredigheidsbeginsel\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bulkinterceptie tot een ernstige inbreuk op de privacy van gebruikers heeft geleid, zonder dat vooraf een concrete relatie tussen individuele accounts en strafbare feiten was vastgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat niet alleen het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de rechtmatigheid van de interceptie, maar ook overigens het verweer geen doel treft. Het verkrijgen van de SkyECC-gegevens richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van één specifieke telecomdienst, terwijl er een concrete verdenking bestond dat deze dienst gebruikt zou worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.\n\nArtikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU\n\nDoor de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland - de rechter-commissaris - dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.\n\nIn artikel 30 en 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie door middel van een formulier dat als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU vallen, waardoor er geen sprake is van een notificatieverplichting aan de rechter-commissaris.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsman die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van SkyECC verworpen. De rechtbank acht de SkyECC-berichten bruikbaar voor het bewijs en ziet geen aanleiding om de SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 en 2, en partieel dient te worden vrijgesproken van feiten 3, 4 en 5.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n4.4.. Bewijsoverwegingen\n\n4.4.1.. Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3: In- en uitvoer van cocaïne, handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen\n\nIn- en uitvoer van cocaïne\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken tussen de verdachte en de tegencontacten af dat in de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 in totaal 231 kilogram aan cocaïne is geëxporteerd.\n\nOp 14 november 2020 neemt de verdachte deel aan een chatgesprek waarin een foto wordt gedeeld van een wit blok met een ‘NY’ stempel. Uit de chat blijkt dat er ’50’ wordt meegegeven en dat de verdachte mee gaat rijden tot de grens. In een andere chat geeft de verdachte aan dat hij via een bepaalde route rijdt en dat er geen files of controles zijn. In diezelfde chat wordt besproken dat ’61 stuks’ zijn afgegeven en worden foto’s van witte blokken met stempels gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte betrokken is bij het over de grens vervoeren van cocaïne. Dit wordt verder ondersteund door verschillende chatberichten waarin gesproken wordt over verschillende hoeveelheden cocaïne die worden vervoerd. Zo wordt er gesproken over ’61 stuks afgegeven’, ’ik geef 50 mee’, ‘ik rij met vogel achter je chauffeur tot aan de grens’. Dat de verschillende transporten daadwerkelijk uitgevoerd zijn, blijkt onder andere uit berichten als ‘af gegeven bro’, ‘ontvang bro’ en ‘mission complete’. Op grond hiervan kan de rechtbank concluderen dat er in totaal 231 kilo cocaïne is in- en uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de chatgesprekken dat de blokken cocaïne worden verhandeld in zowel Nederland als België.\n\nDe politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt de uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.\n\nDe rechtbank merkt op dat geen twijfel kan bestaan dat gehandeld wordt in cocaïne. Door de verdachte zijn verschillende keren foto’s van blokken met een stempel erop verstuurd. Voorts wordt gesproken over prijzen die passen bij de prijs van een kilo cocaïne. Tevens wordt gesproken over ‘colo’ en ‘boli’, termen die volgens de politie worden gebruikt om cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia aan te duiden. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne.\n\nHandel in cocaïne\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer een jaar heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe dat er meerdere chats zijn waaruit blijkt dat sprake is van voltooide transacties. Zo wordt in deze gesprekken informatie uitgewisseld over hoeveel stuks er afgegeven zijn of moeten worden, over de prijzen van blokken cocaïne en over hoeveel geld het heeft opgeleverd. Ook blijkt uit de chats dat de verdachte zelf over een blok cocaïne heeft beschikt en heeft afgegeven. Daarnaast treedt hij regelmatig op als tussenpersoon voor de ontvangende en de betalende partij.\n\nVoorbereidingshandelingen\n\nIn het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in cocaïne. Uit een aantal SkyECC-gesprekken blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte meerdere keren vooruit is gereden om de routes en grenzen te controleren. Er zijn concrete gesprekken gevoerd waarin informatie is uitgewisseld over de beschikbaarheid, hoeveelheden en prijzen van cocaïne. Ook blijkt uit meerdere chats dat de verdachte tegencontacten in contact bracht met een garage waar voertuigen konden worden voorzien van zogenaamde stashplekken. De verdachte was ook betrokken bij het ophalen en wegbrengen van die voertuigen. Gelet op de context van de cocaïnehandel waar de verdachte voor lange tijd bij betrokken was, acht de rechtbank aannemelijk dat deze aanpassingen waren bedoeld voor het verbergen en vervoeren van cocaïne. Dit blijkt ook uit de chats waarin een tegencontact aangeeft ruimte te willen hebben voor ‘7-10 stuks’. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het in- en uitvoeren en het verhandelen van partijen cocaïne als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen van verdovende middelen. De hierboven genoemde gedragingen vonden plaats in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte stond in de chats in nauw contact met zijn tegencontacten en had zowel een faciliterende als uitvoerende rol. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel van de verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 schuldig heeft gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne van in totaal 231 kilogram. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 22 januari 2020 tot en met 12 januari 2021 zich ook schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne en samen met anderen tevens van 22 januari 2020 tot en met 7 maart 2021 voorbereidende handelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet heeft verricht. De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.4.2.. Ten aanzien van feit 4: Voorbereiding van wapenhandel\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 chatgesprekken heeft gevoerd over – kortgezegd – de handel in vuurwapens. De verdachte heeft foto’s van vuurwapens gedeeld en gesprekken gevoerd over verschillende soorten (automatische) vuurwapens en munitie, waaronder Walters, Glocks en handgranaten. Uit de chats is af te leiden dat de verdachte enerzijds beschikt over contacten die vuurwapens hebben en anderzijds over contacten die geïnteresseerd zijn in vuurwapens De chatgesprekken laten zien dat de verdachte bemiddelde in de aan- en verkoop van wapens en munitie. Gelet op de aard en de frequentie van de betrokkenheid van de verdachte bij de wapenhandel, die naar hun karakter zijn gericht op financieel voordeel, leidt de rechtbank daaruit af dat er sprake is geweest van ‘een beroep’. Tot slot had de verdachte geen erkenning om wapens te verhandelen.\n\nMedeplegen\n\nZoals reeds hiervoor is overwogen met betrekking tot het medeplegen, volgt ook hier uit de chatberichten dat de verdachte nauw en bewust samen heeft gewerkt met zijn tegencontacten en dat dus sprake is van medeplegen.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van wapenhandel zoals onder 4 tenlastegelegd.\n\n4.4.3.. Ten aanzien van feit 5: Witwassen\n\nDe rechtbank leidt uit de inhoud van de in het dossier opgenomen chatberichten af dat de verdachte betrokken was bij de handel in cocaïne en daar zelf ook geld aan verdiende. Dit blijkt onder andere uit een chat waar de verdachte zegt ‘ik pak 250’en uit een chat waarin een tegencontact zegt dat de verdachte blij zal zijn als zij 250 kunnen delen, gezien de financiële situatie van de verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte met de handel van cocaïne geld heeft verdiend. Tegen deze achtergrond is bij een doorzoeking in de woning van de moeder van de verdachte een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen. Uit het dossier volgt verder dat de verdachte, wanneer hij zich in Nederland bevond, regelmatig op dit adres verbleef. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat de verdachte over het aangetroffen geld kon beschikken.\n\nDe moeder van de verdachte heeft verklaard dat een deel van het geld haar spaargeld is. Deze verklaring is echter niet onderbouwd met concrete gegevens of stukken waaruit de opbouw of herkomst van het spaargeld kan worden afgeleid. Voor het overige geld heeft zij verklaard niets te weten. Ook de verklaringen van de broers en zussen van de verdachte acht de rechtbank niet geloofwaardig. Zij hebben verklaard dat zij gedurende een langere tijd geldbedragen bij hum moeder thuis hebben ondergebracht als spaargeld. Deze lezing past niet bij de verklaring van de moeder zelf, die juist aangeeft geen enkele wetenschap te hebben van het aangetroffen geld. Opvallend is dat het geld bestond uit coupures die niet afkomstig zijn uit Nederlandse geldautomaten. Daarnaast was het geld samengebonden op een wijze die kenmerkend is voor crimineel geld. Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een aannemelijke legale herkomst van het aangetroffen geld. Gelet op de eigen betrokkenheid bij de handel in cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de criminele herkomst van dit geld.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het witwassen van in totaal een geldbedrag van € 29.320,-.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1 hij op meer tijdstip(pen) in de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en 61 kilo en 100 kilo en 20 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2 hij op meer tijdstippen in de periode van 22 januari 2020 tot en met 12 januari 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3 hij op meer tijdstippen in de periode van 22 januari 2020 tot en met 7 maart 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en - het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en of om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en\u002Fof daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij(en)) verdovende middelen en - een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n) en - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om verborgen ruimtes in één of meer vervoermiddelen te laten bouwen, ten behoeve van vervoer en\u002Fof opslag van cocaïne;\n\n4 hij op meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en - één of meer (vuur)wapens van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van Sky ECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [Sky ECC account 1] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 2] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 3] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en\u002Fof munitie, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in een of meerdere (chat)berichten wapens en\u002Fof munitie aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens en\u002Fof munitie, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “appels”, “bazooka”, “granaatwerper”, “walter 9mm”, “9mm met demper cz en 765”, “glock”, “cz”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens en\u002Fof munitie door te geven en\u002Fof te vragen;\n\n5 hij op 1 maart 2024 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen (van in totaal 29.320 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig eigen misdrijf.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie een geldboete van € 80.000,- gevorderd.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht rekening te houden met minimale rol van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de strafmaat en heeft verwezen naar soortgelijke zaken waar gevangenisstraffen tussen de 3 en 6 jaren zijn opgelegd.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne, de handel van cocaïne en voorbereidingshandelingen ten aanzien van deze feiten. Met zijn handelen droeg de verdachte bij aan de (internationale) cocaïnehandel en hij is dan ook deels verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. De grootschalige handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan - zoals ook blijkt uit de chatgesprekken waaraan verdachte heeft deelgenomen - in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van georganiseerde criminaliteit in te laten.\n\nNiet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan cocaïnehandel. Tegelijkertijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit deze handel. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.\n\nOok heeft de verdachte zich gedurende een periode van ruim acht maanden schuldig gemaakt aan de voorbereiding van wapenhandel, in de hoedanigheid van wapenmakelaar. Het ongecontroleerde bezit van wapens in zijn algemeenheid brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De illegale handel in wapens dient dan ook streng te worden bestraft.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 november 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de proceshouding van de verdachte; hij heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen en evenmin inzicht daarin gegeven.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Voorts is gebleken dat er geen sprake is van recidive.\n\nDe straf\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In essentie kent de rechtbank grotere betekenis dan de officier van justitie toe aan de omstandigheid dat sprake is van een samenhangend feitencomplex en dat een deel van de feiten ziet op voorbereidingshandelingen, reden waarom zij tot een lagere straf komt dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen reden om aan de verdachte een geldboete op te leggen. De officier van justitie heeft de geldboete bedoeld als afroomboete, gericht op het ontnemen van het voordeel dat de verdachte met de strafbare feiten zou hebben genoten. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welk financieel voordeel de verdachte daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde geldboete op te leggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\n8. De inbeslaggenomen voorwerpen\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) zullen worden verbeurdverklaard.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Voorts is een deel van deze voorwerpen bestemd tot het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 33, 33 a, 46, 47, 55, 56, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;\n\n- 9, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feiten 1, 2 en 3:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen, zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nmedeplegen van de voorbereiding handelen in strijd met artikel 9, eerste lid en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en\u002Fof een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nmedeplegen van witwassen.\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nverklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:\n\nbaken\u002Fgps\u002Fvoorzien van simkaart, (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807047 baken\u002Fgps\u002Fvoorzien van simkaart, zwart, merk: Portable Pro);\n\n1 STK Gereedschap (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807048 Sealapparaat, Wit, merk: Blokker);\n\n16.000,00 EUR Geld (Omschrijving: DHRAA22108_807031);\n\n13.040,00 EUR Geld (Omschrijving: DHRAA22108_807024);\n\n280,00 EUR Geld (Omschrijving: DHRAA22108_807027).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. van de Griend, voorzitter,\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, rechter,\n\nmr. J.E. van Essen, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en C.W.I. Ostendorf, griffiers,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\n1 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en\u002Fof 150 kilo en\u002Fof 61 kilo en\u002Fof 100 kilo en\u002Fof 9 kiloen\u002Fof 20 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 januari 2020 tot en met 12 januari 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 januari 2020 tot en met 7 maart 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en\u002Fof - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en\u002Fof daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en\u002Fof te bewerken en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof bewerkt en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en\u002Fof - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij(en)) verdovende middelen en\u002Fof - een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om verborgen ruimtes in één of meer vervoermiddelen te laten bouwen, ten behoeve van vervoer en\u002Fof opslag van cocaïne;\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en\u002Fof - één of meer (vuur)wapens van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van Sky ECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [Sky ECC account 1] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 2] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 3] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en\u002Fof munitie, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in een of meerdere (chat)berichten wapens en\u002Fof munitie aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens en\u002Fof munitie, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “appels”, “bazooka”, “granaatwerper”, “walter 9mm”, “9mm met demper cz en 765”, “glock”, “cz”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens en\u002Fof munitie door te geven en\u002Fof te vragen en\u002Fof over de verkoopprijs en\u002Fof aankoopprijs te onderhandelen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;\n\n5 hij op of omstreeks 1 maart 2024 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen (van in totaal 29.320 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17196","2026-07-13T00:29:45.907Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":144,"fullText":152,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":62,"updatedAt":154},"1930","ECLI:NL:RBDHA:2026:17197","ecli-nl-rbdha-2026-17197","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F133303-23\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 juni 2024, 28 juni 2024, 28 augustus 2024, 21 november 2024, 18 februari 2025, 16 mei 2025, 4 juli 2025, 23 september 2025 (pro forma), 20 januari 2026 (regie) en 11 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. V.H. Hammerstein naar voren is gebracht.\n\nDe officier van justitie heeft op de terechtzitting van 11 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 11 juni 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\n3. Heropening onderzoek ter terechtzitting?\n\nNa de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2026 heeft de raadsvrouw op 12 juni 2026, per e-mail een schriftelijke weergave van haar dupliek aan de rechtbank overgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft naar aanleiding van deze e-mail verzocht om - indien de e-mail niet buiten beschouwing wordt gelaten - het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde in de gelegenheid te worden gesteld te reageren op de schriftelijke weergave van de dupliek van de raadsvrouw. Daartoe is aangevoerd dat het onder de aandacht brengen van het standpunt van de raadsvrouw, na sluiting van het onderzoek, in strijd is met het beginsel van equality of arms.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. De rechtbank acht zich op basis van het voorliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen. Aangezien het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026 is gesloten, zijn de nadien door de raadsvrouw en de officier van justitie verzonden e-mailberichten geen onderdeel gaan uitmaken van het strafdossier. Deze berichten blijven dus buiten beschouwing.\n\n4. Bewijsuitsluiting\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft - overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data op grond van artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen en verwerkt zou zijn.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van rechtmatige interceptie en rechtmatige verwerking van de verkregen informatie en dat de SkyECC-data gebruikt kan worden voor het bewijs.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Algemene overwegingen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van de SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing.\n\nIn aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670\u002F22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:\n\n“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis\n\nhad gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).\n\nVooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent - onder andere - het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.\n\n4.3.2.. Beoordeling van de verweren\n\nOnrechtmatig verkregen bewijs\n\nDe rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel EncroChat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (Joint Investigation Team, hierna: JIT), waar hier ook sprake van was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een JIT wordt uitgeoefend leidend is en dat - kort gezegd - het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.\n\nDoor de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan.\n\nHet behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op de schending van artikel 6 EVRM, heeft zij niet onderbouwd waarin het concrete nadeel voor verdachte heeft bestaan, bijvoorbeeld wat betreft de mogelijkheid van verdachte om de inhoud of betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten te betwisten.\n\nSchending evenredigheidsbeginsel\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bulkinterceptie tot een ernstige inbreuk op de privacy van gebruikers heeft geleid, zonder dat vooraf een concrete relatie tussen individuele accounts en strafbare feiten was vastgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat niet alleen het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de rechtmatigheid van de interceptie, maar ook overigens het verweer geen doel treft. Het verkrijgen van de SkyECC-gegevens richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van één specifieke telecomdienst, terwijl er een concrete verdenking bestond dat deze dienst gebruikt zou worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.\n\nArtikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU\n\nDoor de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland - de rechter-commissaris - dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.\n\nIn artikel 30 en 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie door middel van een formulier dat als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU vallen, waardoor er geen sprake is van een notificatieverplichting aan de rechter-commissaris.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsvrouw die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van SkyECC verworpen. De rechtbank acht de SkyECC-berichten bruikbaar voor het bewijs en ziet geen aanleiding om de SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten.\n\n5. De bewijsbeslissing\n\n5.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.\n\n5.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.\n\n5.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n5.4.. Bewijsoverwegingen\n\n5.4.1. Identificatie verdachte als gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2]\n\nDe rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] . De verdediging heeft betwist dat de verdachte de (enige) gebruiker is geweest van de verschillende accounts. De rechtbank overweegt het volgende.\n\nHet account [SkyECC-account 1] was in gebruik vanaf 13 september 2020 tot en met 30 november 2020 en was gekoppeld aan één IMEI-nummer. De politie heeft geconcludeerd dat dit account tot en met 3 november 2020 in gebruik was bij iemand anders dan de verdachte. Het account [SkyECC-account 2] was in gebruik vanaf 9 augustus 2020 tot en met 6 maart 2021 en is in die periode gekoppeld geweest aan drie verschillende IMEI-nummers. Het account is door de politie aan de verdachte gelinkt vanaf 1 december 2020.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] in de periode vanaf 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 dezelfde persoon is geweest.\n\nVoor de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van de betreffende SkyECC-accounts, is niet vereist dat een SkyECC-toestel onder hem in beslag is genomen. De identiteit van een gebruiker kan in dit geval worden vastgesteld op basis van de inhoud van de communicatie, metadata-onderzoek en overige objectieve gegevens in het dossier.\n\nDe rechtbank overweegt daartoe dat onder deze accounts aan elkaar verwante nicknames werden gebruikt en dat ze via overeenkomende unieke wachtwoorden toegankelijk waren. Daarnaast maakten de accounts gebruik van twee basisstations in de voor de nachtrust bestemde uren die beide de woonplaats van de verdachte binnen hun theoretisch bereik hadden. Ook volgden de SkyECC-accounts elkaar op in gebruik. Uit al deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de accounts aan elkaar gelinkt kunnen worden en in de voornoemde periode door dezelfde persoon zijn gebruikt.\n\nDe rechtbank overweegt voorts dat uit de bewijsmiddelen meerdere feiten en omstandigheden volgen die - in onderlinge samenhang bezien – de conclusie rechtvaardigen dat de SkyECC-accounts gedurende de periode van belang (achtereenvolgens) in gebruik waren bij de verdachte. De rechtbank acht onder andere van belang dat uit chatberichten van de accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] blijkt dat de gebruiker in die periode meerdere keren aan zijn tegencontacten heeft bericht dat zij naar zijn huis moesten komen. Hij sprak voornamelijk af in de [straatnaam 1] , [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] in Maassluis en een keer aan de [straatnaam 4] . De verdachte woonde vanaf 2014 tot en met 23 oktober 2022 aan de [straatnaam 1] in Maassluis . De [straatnaam 2] is zoals blijkt uit het dossier om de hoek van de [straatnaam 1] . Verder blijkt dat de ouders van de verdachte woonachtig zijn aan de [straatnaam 4] in Maassluis . De [straatnaam 3] ligt daar om de hoek. Ook komt uit het dossier naar voren dat het langst gebruikte IMEI-nummer gekoppeld aan het SkyECC-account [SkyECC-account 2] in de voor nachtrust bestemde uren het meest gebruikt maakte van het basisstation [basisstation 1] te Maassluis . Dit basisstation heeft de woning waar de verdachte tijdens de pleegperiode ingeschreven stond binnen zijn theoretisch bereik. Voorts maakte het IMEI-nummer gekoppeld aan SkyECC-account [SkyECC-account 1] in de voor nachtrust bestemde uren het meest gebruik van het basisstation [basisstation 2] te Maassluis . Dit basisstation heeft de woning waar de ouders van de verdachte staan ingeschreven, binnen zijn theoretisch bereik.\n\nDaarnaast zijn de SkyECC-accounts onderdeel van chatgesprekken waarin een transport van 1.2 miljoen euro is afgestemd en begeleid. Dit transport werd op 30 november 2020 onderschept door de politie. Uit de gesprekken blijkt dat de gebruiker van de accounts met zijn eigen auto aanwezig was bij dit transport. De politie zag tijdens de onderschepping dat een zilverkleurige Volkswagen Jetta aanwezig was, waarbij de bestuurder van deze auto wist te ontsnappen. Dit komt overeen met de chatberichten van het account [SkyECC-account 2] waarin de gebruiker schreef dat hij wegrende. Uit verder onderzoek is gebleken dat de verdachte ten tijde van dit incident een grijze Volkswagen Jetta op zijn naam had staan en deze tien dagen later op een andere naam heeft gezet.\n\nAndere gebruiker\n\nDe verdediging heeft betoogd dat, wanneer zou worden aangenomen dat de verdachte de SkyECC-accounts heeft gebruikt, de verdachte niet de uitsluitende gebruiker van deze accounts is geweest. Dit zou onder meer blijken uit verstuurde voiceberichten waarop een andere stem dan die van de verdachte te horen is. Bovendien zou de verdachte zich in Nederland bevinden op momenten dat het SkyECC-account [SkyECC-account 2] in Spanje en België uitstraalde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nUit de chatberichten blijkt dat de voiceberichten zijn verzonden door ‘ [naam] ’. Daarbij wordt expliciet vermeld dat ‘ [naam] ’ op dat moment naast de gebruiker zit en met het tegencontact spreekt. Ook geeft de gebruiker aan dat ‘ [naam] ’ het tegencontact op de hoogte houdt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de voiceberichten door een ander zijn verzonden, maar dat de verdachte de gebruiker van het account bleef.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet (uitsluitend) als gebruiker van het account [SkyECC-account 2] kan worden aangemerkt, omdat het daaraan gekoppelde IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] tussen 5 december 2020 en 8 maart 2021 in België heeft uitgestraald terwijl de verdachte zich toen (aantoonbaar) in Nederland bevond. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank overweegt dat het betreffende account gebruik maakte van drie verschillende IMEI-nummers. Uit de metadata blijkt dat op 28 november 2020 de eerste koppeling van het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] plaatsvond en op 30 november 2020 de laatste koppeling. Het bewuste toestel is dus slechts twee dagen aan het account gekoppeld geweest. Het IMEI-nummer had zijn laatste koppeling met het account [SkyECC-account 2] al vóórdat het in België uitstraalde. De rechtbank overweegt dat het voor de koppeling van het account [SkyECC-account 2] aan de verdachte daarom niet van belang is dat de verdachte in de periode waarin IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] in België uitstraalde, zelf in Nederland was. Het account was op dat moment immers al aan een ander IMEI-nummer gekoppeld.\n\nVoorts heeft de verdediging ook gesteld dat IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] in Spanje heeft uitgestraald. De periode waarin dit gebeurde, 1 augustus 2020 tot en met 7 september 2020, ligt ruim vóór de hiervoor genoemde periode vanaf 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 en valt buiten de tenlastelegging. Gelet op het bovenstaande doet het standpunt van de verdediging niet af aan de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van het account ten tijde hier van belang.\n\nDe enkele, niet nader onderbouwde stelling van de verdediging dat ook de broer van de verdachte mogelijk gebruik heeft gemaakt van deze accounts wordt tegengesproken door voormelde bewijsmiddelen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.\n\nDe rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de identificerende chatberichten waaruit blijkt dat de verdachte de gebruiker was van het account [SkyECC-account 1] van na 4 november 2020 zijn. De rechtbank kan wat betreft de periode hieraan voorafgaand niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte de enige gebruiker was van het account [SkyECC-account 1] . De identificerende berichten waaruit blijkt dat de verdachte de gebruiker was van het account [SkyECC-account 2] hebben als vroegste datum 1 december 2020. Blijkens de chatberichten heeft de verdachte tijdens het incident op 30 november 2020 zijn telefoon met het account [SkyECC-account 1] in het water gegooid en heeft hij vervolgens het account [SkyECC-account 2] in gebruik genomen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de gebruiker van (achtereenvolgens) de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] in de periode van 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 de verdachte is geweest.\n\n5.4.2.. Bewijsminimum\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de SkyECC-gesprekken in het dossier geen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Volgens de raadsvrouw is dan ook niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.\n\nDe rechtbank volgt dit verweer niet. Allereerst bestaat het dossier uit meerdere SkyECC-gesprekken, tussen verschillende accounts, op een significant aantal data binnen de tenlastegelegde periode. Bovendien zijn binnen de SkyECC-gesprekken afbeeldingen verstuurd, die de inhoud van de gesprekken ondersteunen. Verder overweegt de rechtbank dat de bewijsregel van artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betrekking heeft op getuigenverklaringen. Het bewijs van een strafbaar feit mag niet uitsluitend worden gevonden in de verklaring van één getuige. Ontsleutelde berichten zijn evenwel schriftelijke bescheiden, meer in het bijzonder ‘andere geschriften’ als bedoeld in artikel 344, lid 1, onder 5, Sv en kunnen voor het bewijs worden gebruikt ‘in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen’. Een ander bewijsmiddel kan tevens een ‘ander geschrift’ zijn (ECLI:NL:HR:2004:AO9131). In dit geval betreft dat meerdere SkyECC-berichten.\n\nWel neemt de rechtbank de nodige behoedzaamheid in acht bij het beoordelen van de SkyECC-gesprekken, omdat zij niet de beschikking heeft over alle uitgewisselde SkyECC-berichten. Bij die beoordeling komt onder meer betekenis toe aan de aard en inhoud van die gesprekken en de betekenis van gebruikte bewoordingen.\n\n5.4.3.. Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3: In- en uitvoer van cocaïne, handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen\n\nIn- en uitvoer van cocaïne\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken tussen de verdachte en de tegencontacten af dat in de periode van 14 november 2020 tot en met 8 februari 2021 in totaal 448 kilogram aan cocaïne over de grens van Nederland en België is gebracht.\n\nOp 14 november 2020 deelt de verdachte mee dat hij ‘50’ meegeeft en tot de grens meerijdt. In diezelfde chat wordt vervolgens een foto van een wit blok met een stempel gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte betrokken is bij het over de grens vervoeren van cocaïne. Dit wordt verder ondersteund door verschillende chatberichten waarin gesproken wordt over verschillende hoeveelheden cocaïne die worden vervoerd. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over ’61 stuks afgegeven’, ’43 stuks colo’, ‘15 stuks ophalen’. Dat de verschillende transporten daadwerkelijk uitgevoerd zijn, blijkt onder andere uit berichten als ‘af gegeven bro’, ‘heb 61 stuks af gegeven’ en ‘mission complete’.\n\nDe politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt de uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.\n\nDe rechtbank merkt op dat geen twijfel kan bestaan dat gehandeld wordt in cocaïne. Door de verdachte zijn verschillende keren foto’s van witte blokken met een stempel erop verstuurd. Voorts wordt gesproken over prijzen die passen bij de prijs van een kilo cocaïne. Tevens wordt gesproken over ‘colo’ en ‘boli’, termen die volgens de politie worden gebruikt om cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia aan te duiden. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne. Op grond hiervan kan de rechtbank concluderen dat er in totaal 448 kilo cocaïne is in- en uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de chatgesprekken dat de blokken cocaïne worden verhandeld in zowel Nederland als België.\n\nHandel in cocaïne\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer drie maanden heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe dat er meerdere chats zijn waaruit blijkt dat sprake is van voltooide transacties. Zo wordt in deze gesprekken informatie uitgewisseld over hoeveel stuks er afgegeven zijn of moeten worden, de prijzen van blokken cocaïne en hoe veel geld het heeft opgeleverd. Ook blijkt uit de chats dat de verdachte zelf over blokken cocaïne heeft beschikt en deze heeft afgegeven. Daarnaast treedt hij op als tussenpersoon voor de ontvangende en de betalende partij. Verder stuurt de verdachte onder meer foto’s van zogenoemde ‘tokens’. Een geldbriefje met daarop een uniek nummer, waarmee kan worden gecontroleerd of de overdracht is met de juiste persoon. De verdachte doet navraag bij zijn tegencontacten of een transactie goed is gegaan, of bevestigt dit zelf aan zijn tegencontacten.\n\nVoorbereidingshandelingen\n\nIn het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in cocaïne. Uit een aantal SkyECC-gesprekken blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte met de gebruikers van onder andere SkyECC-accounts [SkyECC-account 3] en [SkyECC-account 4] praat over transporten richting België. Er zijn concrete gesprekken gevoerd waarbij informatie is uitgewisseld over de beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen en de manier van transporteren. Uit de chats blijkt ook dat de verdachte vooruit reed om de grens te controleren, tevens gaf hij anderen de instructie om hetzelfde te doen. De verdachte was actief betrokken bij deze communicatie. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het in- en uitvoeren en het verhandelen van partijen cocaïne als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen van verdovende middelen. De hierboven genoemde gedragingen vonden plaats in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte stond in de chats in nauw contact met zijn tegencontacten en had zowel een faciliterende als uitvoerende rol. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.\n\nPartiële vrijspraak t.a.v. een deel van de pleegperiode\n\nZoals hiervoor is overwogen, kunnen de SkyECC-accounts pas vanaf 4 november 2020 (achtereenvolgens) aan de verdachte worden gelinkt. Blijkens berichten van een tegencontact van 7 november 2020 is er op die datum contact met de verdachte over de handel in cocaïne. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van feiten 2 en 3 tot een partiële vrijspraak komen met betrekking tot de tenlastegelegde periode vóór 7 november 2020.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel van de verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 schuldig heeft gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne van in totaal 448 kilo. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 14 november 2020 tot en met 8 februari 2021 zich ook schuldig heeft gemaakt aan de handel van cocaïne en samen met anderen tevens in die periode voorbereidende handelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet heeft verricht. De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\n5.4.4.. Ten aanzien van feit 4: Voorbereiding van wapenhandel\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 chatgesprekken heeft gevoerd over – kortgezegd – de handel in vuurwapens. De verdachte heeft foto’s van vuurwapens gedeeld en gesprekken gevoerd over verschillende soorten (automatische) vuurwapens, waaronder Walters, Glocks en AK’s. Ook laat de verdachte zijn tegencontact weten dat hij vuurwapens kan laten ombouwen en wat de prijzen zijn. Gezien de prijzen die zijn genoemd, in combinatie met de verstuurde afbeeldingen van de wapens, bestaat er geen twijfel dat het hier om echte vuurwapens gaat. Uit de chats is af te leiden dat de verdachte enerzijds beschikt over contacten die vuurwapens hebben en anderzijds over contacten die geïnteresseerd zijn in vuurwapens. Gezien de hoeveelheden en de inhoud van de gesprekken concludeert de rechtbank dat de verdachte de wapens gedurende een periode met winst wilde verkopen, hetgeen met zich brengt dat sprake is van ‘een beroep’. Tot slot had de verdachte geen erkenning om wapens te verhandelen.\n\nMedeplegen\n\nZoals reeds hiervoor is overwogen met betrekking tot het medeplegen, volgt ook hieruit de chatberichten dat de verdachte nauw en bewust samen heeft gewerkt met zijn tegencontacten en dat ook hier sprake is van medeplegen.\n\nPartiële vrijspraak munitie\n\nDe rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dit ziet op munitie. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen om dit bewezen te achten.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van wapenhandel zoals onder 4 tenlastegelegd.\n\n5.4.5.. Ten aanzien van feit 5: Witwassen\n\nDe rechtbank leidt uit de inhoud van de in het dossier opgenomen chatberichten af dat binnen het samenwerkingsverband meermalen aanzienlijke contante geldbedragen zijn opgehaald, vervoerd en afgeleverd. Uit de context van deze chatgesprekken blijkt dat deze geldstromen verband hielden met de handel in cocaïne. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verdachte in een chatbericht van 24 november 2020 expliciet heeft vermeld dat hij een bedrag van één miljoen euro had ontvangen dat niet van hem was.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kunnen de afzonderlijke chatberichten niet los van elkaar worden bezien, maar dienen deze in onderlinge samenhang te worden gewaardeerd. Uit die samenhang volgt dat de besproken en verplaatste geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten de handel in cocaïne. Gelet op de eigen betrokkenheid bij de handel in cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de criminele herkomst van dit geld.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is een contant geldbedrag van € 4.000,- gevonden. Opvallend is dat het geld bestond uit coupures die niet afkomstig zijn uit Nederlandse geldautomaten. Daarnaast was het geld samengebonden op een wijze die kenmerkend is voor crimineel geld. Voorts blijkt op basis van de verstrekte gegevens van iCOV (Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) dat de verdachte minimale inkomsten had ten tijde van de pleegperiode. Daarbij weegt de rechtbank mee dat tijdens de doorzoeking van zijn woning is gebleken dat de verdachte een levensstijl had die niet past bij zijn inkomen. De verdachte heeft niet aannemelijk kunnen maken waarmee hij dit heeft bekostigd. De rechtbank komt om die reden tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat het volledige geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het witwassen van in totaal een geldbedrag van € 3.224.250,-.\n\n5.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1 hij op meer tijdstip(pen) in de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en 150 kilo en 61 kilo en 100 kilo en 9 kiloen 20 kilo en 43 kilo en 15 kilo, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2 hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 7 november2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3 hij op meer tijdstippen in de periode van 7 november2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in ieder geval in Nederland, en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en - het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\n\n- het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden te hebben gehad en daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij (en)) verdovende middelen en - meer foto’s van meer partijen verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n);\n\n4 hij op meer tijdstippen in de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten mobiele telefoons met daarop een applicatie SkyECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en - meer (vuur)wapens van categorie II en categorie III (merk Heckler en Koch)van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van SkyECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [SkyECC-account 1] ” en\u002Fof “ [SkyECC-account 2] ”, en - aan encrypted SkyECC-chats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in meerdere (chat)berichten wapens aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “Walters”, “glocks”, “aks”, “glocks 17”, “Glock 19 En 6.35 met demp”, “cz 30”, “hockler& Koch”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens door te geven en\u002Fof te vragen en\u002Fof over de verkoopprijs en\u002Fof aankoopprijs te onderhandelen;\n\n5 hij op meer tijdstippen in de periode van 13 november 2020 tot en met 1 maart 2024, te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen 700.000 euro en 1.000.000 euro en 1.200.000 euro en 314.750(K) en 5000 euro en 500 euro (van in totaal 3.220.250euro)en 4.000 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit eigen misdrijf.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n7. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n8. De strafoplegging\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie een geldboete van € 80.000,- gevorderd.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de strafmaat en heeft verwezen naar soortgelijke zaken waar gevangenisstraffen tussen de 2,5 en 4 jaren zijn opgelegd.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne, de handel van cocaïne en voorbereidingshandelingen ten aanzien van deze feiten. Met zijn handelen draagt de verdachte bij aan de (internationale) cocaïnehandel en hij is dan ook deels verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. De grootschalige handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van georganiseerde criminaliteit in te laten.\n\nNiet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan cocaïnehandel. Tegelijkertijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit deze handel. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.\n\nOok heeft de verdachte zich gedurende een periode van ruim twee maanden schuldig gemaakt aan de voorbereiding van wapenhandel, in de hoedanigheid van wapenmakelaar. De verdachte beschikte over de mogelijkheid om verschillende soorten (automatische) vuurwapens te leveren en was in staat om deze te laten ombouwen. De verdachte had verschillende wapens voorhanden en bood deze te koop aan. Het ongecontroleerde bezit van wapens in zijn algemeenheid brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De illegale handel in wapens dient dan ook streng te worden bestraft.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 september 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de proceshouding van de verdachte; hij heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen en evenmin inzicht daarin gegeven.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Voorts is gebleken dat de verdachte zich aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en er geen sprake is van recidive.\n\nDe straf\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In essentie kent de rechtbank grotere betekenis dan de officier van justitie toe aan de omstandigheid dat sprake is van een samenhangend feitencomplex en dat een deel van de feiten ziet op voorbereidingshandelingen, reden waarom zij tot een lagere straf komt dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen reden om aan de verdachte een geldboete op te leggen. De officier van justitie heeft de geldboete bedoeld als afroomboete, gericht op het ontnemen van het voordeel dat de verdachte met de strafbare feiten zou hebben genoten. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welk financieel voordeel de verdachte daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde geldboete op te leggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nIn deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst totdat door de rechtbank einduitspraak is gedaan.\n\nAan het bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak ligt gevaar voor herhaling ten grondslag. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf 24 september 2025 geschorst onder bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft geen signalen die wijzen op overtreding van één van de voorwaarden. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van de recidivegrond, waardoor er geen gronden meer bestaan om de voorlopige hechtenis te laten voortduren. De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt opgeheven.\n\n9. De inbeslaggenomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) zullen worden verbeurdverklaard.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen gevorderd.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten een geldbedrag van\n\n€ 4.000,- en een telefoon, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien het geldbedrag door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen en met behulp van de telefoon de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en is gegrond op de artikelen:\n\n- 33, 33 a, 46, 47, 55, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;\n\n- 9, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feiten 1, 2 en 3:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen, zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nmedeplegen van voorbereiding van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en\u002Fof een vuurwapen van categorie III, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nmedeplegen van witwassen;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;\n\nverklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:\n\n4.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807021);\n\n1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAA22108_823463, Grijs, merk: Apple iPhone 15 PRO).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. de Griend, voorzitter,\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, rechter,\n\nmr. J.E. van Essen, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en C.W.I. Ostendorf, griffiers,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\n1 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en\u002Fof 150 kilo en\u002Fof 61 kilo en\u002Fof 100 kilo en\u002Fof 9 kiloen\u002Fof 20 kilo en\u002Fof 43 kilo en\u002Fof 15 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in ieder geval in Nederland, en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en\u002Fof - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en\u002Fof daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en\u002Fof te bewerken en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof bewerkt en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en\u002Fof - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij (en)) verdovende middelen en\u002Fof - een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n);\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en\u002Fof - één of meer (vuur)wapens van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch)van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van Sky ECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [SkyECC-account 1] ” en\u002Fof “ [SkyECC-account 2] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en\u002Fof munitie, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in een of meerdere (chat)berichten wapens en\u002Fof munitie aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens en\u002Fof munitie, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “Walters”, “glocks”, “aks”, “glocks 17”, “Glock 19 En 6.35 met demp”, “cz 30”, “hockler& Koch”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens en\u002Fof munitie door te geven en\u002Fof te vragen en\u002Fof over de verkoopprijs en\u002Fof aankoopprijs te onderhandelen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;\n\n 5 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november 2020 tot en met 1 maart 2024, te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen 700.000 euro en\u002Fof 1.000.000 euro en\u002Fof 1.200.000 euro en\u002Fof 314.750(K) en\u002Fof 5000 euro en\u002Fof 500 euro (van in totaal 4.000.000 euro en\u002Fof 4.000 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17197","2026-07-13T00:29:46.052Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":159,"fullText":160,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":62,"updatedAt":162},"788","ECLI:NL:GHDHA:2026:2087","ecli-nl-ghdha-2026-2087","2026-06-24T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-002716-19\n\nParketnummer: 10-750154-15\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittinen in hoger beroep van dit hof op 11 april 2023, 16 juli 2025, 10 september 2025, 22 januari 2026 en 10 juni 2026.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het door de rechtbank bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid in het hoger beroep\n\nDe verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het impliciet cumulatief tenlastegelegde witwassen van de panden gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] te Rotterdam en [adres 5] te Den Haag alsmede van het impliciet cumulatief tenlastegelegde onder a van de tenlastelegging met betrekking tot de daarin genoemde geldbedragen..\n\nHet hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven partiële vrijspraken.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 5 juli 2016, te Rotterdam en\u002Fof Den Haag en\u002Fof Berkel en Rodenrijs, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) (telkens) meermalen, althans eenmaal, (een) of meerdere voorwerp(en), te weten\n\n- van een (bedrijfs)pand, te weten hetpand geleden aan de [adres 6] te Berkel en Rodenrijs,\n\n- de werkelijke aard en\u002Fof de herkomst en\u002Fof de vindplaats en\u002Fof de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld,\n\nen\u002Fof\n\n-verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was\u002Fwaren en\u002Fof wie voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had(den) dan wel\n\nb) - een of meer gro(o)t(e) geldbedrag(en) van in totaal ongeveer 1.589.000,- euro, (zegge: eenmiljoenvijfhonderdnegenentachtigduizend euro), althans enig geldbedrag, te weten\n\n* (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 960.000,- euro, althans een (contant) geldbedrag ( in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 31 april 2008), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers\n\n- [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 2] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 4] op naam van [bedrijf 1] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 5] , op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 6] , op naam van [bedrijf 1] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 7] , op naam van [verdachte] gestort (zaaksdossier [zaaksnaam 1] ), en\u002Fof\n\n* (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 415.100,- euro, althans een (contant) geldbedrag (in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 februari 2010), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers\n\n- [bankrekeningnummer 6] , op naam van [bedrijf 1]\n\n- [bankrekeningnummer 7] , op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 8] op naam van [bedrijf 2] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 9] op naam van [bedrijf 3] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 10] op naam van [bedrijf 4] ( [bedrijf 1] ) en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 5] , op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] ; gestort (zaaksdossier [zaaksnaam 2] ), en\u002Fof\n\n* (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 140.800,- euro, althans een (contant) geldbedrag, (in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers\n\n- [bankrekeningnummer 6] op naam van [bedrijf 1] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 5] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 10] op naam van [bedrijf 4] ( [bedrijf 1] ) en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 7] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 1] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 2] op naam van [verdachte] gestort(zaaksdossier [zaaksnaam 3] ), en\u002Fof\n\n* (een) (contant(e)) geldbedrag(en) van (een totaal bedrag van ongeveer) 73.100,- euro, althans een (contant) geldbedrag, (in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 30 maart 2012), middels contante stortingen op de bankrekeningnummers\n\n- [bankrekeningnummer 10] op naam van [bedrijf 4] ( [bedrijf 1] ) en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 7] op naam van [verdachte] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 6] op naam van [bedrijf 1] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 8] op naam van [bedrijf 2] en\u002Fof\n\n- [bankrekeningnummer 3] op naam van [verdachte] gestort (zaaksdossier [zaaksnaam 4] ), en\u002Fof\n\n- een (bedrijfs)pand, te weten hetpand geleden aan de [adres 6] te Berkel en Rodenrijs,\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nOntvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overgelegde schriftelijke aantekeningen – verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte wegens het niet opvragen van bepaalde gegevens bij aanvang van het onderzoek, waardoor de verdediging door het tijdsverloop en de daarmee gepaarde gaande consequenties, te weten dat die gegevens niet meer beschikbaar zijn, geen een adequate verdediging kan voeren.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\n Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, niet in aanmerking komt als rechtsgevolg, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die van dien aard is en zodanig ernstig is, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – dat “the proceedings as a whole were not fair” (zie HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009 en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, rov 2.3.1-2.3.4). Hieruit volgt dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen en dat indien sprake is van een – onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare – schending van de verdedigingsrechten, andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging meer in de rede liggen. Dat is volgens de Hoge Raad niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.\n\nVan een uitzonderlijk geval is naar het oordeel van het hof in deze geen sprake. Het hof overweegt dat het dossier diverse aanknopingspunten geeft dat er slechts beperkt onderzoek is gedaan naar de administratie en financiële stukken van de verdachte en de aan hem gelieerde ondernemingen over de periode vóór 2007, maar dat uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting valt af te leiden dat er wel degelijk stukken van vóór die periode in beslag zijn genomen en dat deze stukken aan de verdachte zijn teruggegeven. Het hof begrijpt van de verdediging dat de verdachte deze teruggegeven stukken niet heeft bewaard. Het had op de weg van de verdachte gelegen om deze stukken, met de wetenschap dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep ter zake van witwassen, te bewaren.\n\nDe verdedigingsrechten zijn door het niet meer beschikbaar zijn van deze stukken naar het oordeel van het hof om die reden niet in die mate geschonden dat – alles overziend – geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.\n\nHet verweer wordt verworpen.\n\nHet Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.\n\nVrijspraak\n\nDe verdediging heeft zich – overeenkomstig haar ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdediging heeft hiertoe – kort gezegd - aangevoerd dat er primair geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en subsidiair dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd waar het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek naar heeft gedaan.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nAd A) Ten aanzien van het onder a tenlastegelegde verbergen en\u002Fof verhullen van de [adres 6]\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en datgene wat de verdachte zelf heeft verklaard kan het hof niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte de rechthebbende is geweest van [bedrijf 2] . Het hof heeft daarbij ook gelet op de verklaring van [getuige 1] en een uitspraak van het gerechtshof, die van het tegendeel uitgaat. Daar komt bij dat de verdediging door middel van stukken van [bedrijf 5] heeft aangetoond dat de uiteindelijke begunstigde de houder van het aandeel aan toonder is en dat diegene [getuige 2] is. Derhalve stelt het hof dat de verdachte ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.\n\nAd B) Ten aanzien van het onder b tenlastegelegde\n\nJuridisch kader\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de desbetreffende voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is alsdan voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst op grond van wettige bewijsmiddelen een ernstig vermoeden van witwassen te worden aangenomen. Pas als die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het betreffende voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nVermoeden over herkomst\n\nHet hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreetmisdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die op de bankrekeningen van de verdachte en\u002Fof zijn bedrijven zijn gestort. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.\n\nHet hof stelt vast dat in onderhavige zaak feiten en omstandigheden zijn aangedragen door het Openbaar Ministerie die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Uit rapportages van de Financial Intelligence Unit (FIU) blijkt immers dat er 28 verdachte transacties op naam van de verdachte zijn gemeld in de periode van 7 november 2007 tot en met 20 augustus 2014 met een totale waarde van € 1.646.329,-. Dit betroffen twee meldingen van notarissen, negentien meldingen van [naam casino] , drie meldingen van [financiële dienstverlener 1] , één van GWK, één van [financiële dienstverlener 2] , één van de Douane en één van de [naam bank] . De transacties betreffen stortingen op bankrekeningen in Nederland, Brazilië, Suriname en Thailand. De melding van het Notariskantoor zag op het gegeven dat de aankoop van het pand aan de [adres 6] te Berkel en Rodenrijs zou zijn gefinancierd door contante stortingen via diverse bankrekeningen.\n\nOp grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is een, naar het oordeel van het hof, gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ontstaan. Gelet op dit vermoeden mocht van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van deze geldbedragen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft over de herkomst van het geld een verklaring afgelegd. Zo heeft hij verklaard dat de contante gelden inkomsten van zijn bedrijven betreffen die hij in het verleden heeft onttrokken van de bankrekeningen van zijn bedrijven en in aan hem ter beschikking staande kluizen heeft bewaard omdat hij geen vertrouwen had in de banken. Aldus heeft de verdachte gesteld dat hij eerder, vanaf omstreeks 1998, legaal vermogen heeft opgebouwd, waaruit de contante gelden afkomstig waren.\n\nHet hof is van oordeel dat de verdachte met zijn verklaring een voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het geld in kwestie.\n\nHet hof overweegt dat de verklaring van de verdachte over zijn vermogenspositie destijds voor een deel verifieerbaar is dan wel gedurende de onderzoeksperiode is geweest. Uit de aangifte inkomstenbelasting uit 2007 blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte op 31 december 2007 kon beschikken over bank- en spaartegoeden ter hoogte van € 677.638,-.\n\nDaarnaast blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting uit 2008 dat de verdachte over het jaar 2008 een verzamelinkomen van € 608.910,- had. Ook blijkt uit het jaarverslag van [verdachte] 2008 dat er in 2008 € 244.244,- en in 2007 € 89.437,17 aan privé-onttrekkingen hebben plaatsgevonden.\n\nIn de aangifte 2009 is bij ‘totaalwaarde contant geld en vorderingen BW’ een bedrag van € 1.810.850 opgegeven.\n\nDeze aangiften zijn door de Belastingdienst definitief vastgesteld zonder correcties ten aanzien van de genoemde posten.\n\nVoorts heeft [de accountant] , de accountant van de verdachte, bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij samen met de verdachte naar de bank is geweest voor een kastelling en daar heeft geconstateerd dat de verdachte contante gelden in een kluis bewaarde.\n\nHet hof concludeert zodoende dat de verdachte kon beschikken over grote sommen aan contanten.\n\nOnderzoek door het Openbaar Ministerie?\n\nHet hof stelt vast dat door de politie beperkt onderzoek is gedaan naar de jaren vóór 2007. Gelet op de tenlastegelegde periode, die aanvangt in januari 2007, is inzicht in de financiële situatie van de verdachte vóór die datum, zeer relevant. Het dossier bevat geen relevante informatie over die periode. Er is weliswaar oudere administratie in beslag genomen, waar het hof bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer al op is ingegaan, maar deze is weer aan de verdachte geretourneerd en het dossier bevat er geen weerslag van. Het lag op de weg van het Openbaar Ministerie alsnog nader onderzoek te doen naar de verklaring van de verdachte. Hieraan doet niet af dat de verdachte eerst bij de inhoudelijke behandeling door de rechtbank een verklaring heeft afgelegd. Dit onderzoek door het Openbaar Ministerie is echter grotendeels uitgebleven, zodat er geen volledig beeld is ontstaan over de vermogenspositie van de verdachte in de jaren tot 2007.\n\nNa een regiezitting is in april 2026 verzocht om afschriften van belastingaangiften ten aanzien van [verdachte] en [bedrijf 1] over de periode van 2000 tot en met 2007. Deze bleken niet meer beschikbaar te zijn. Ook overigens zijn er geen stukken betreffende de vermogenspositie van de verdachte van vóór 2007 beschikbaar.\n\nConclusie\n\nNu nader onderzoek pas in een zeer laat stadium is gedaan en in adequate uitvoering daarvan feitelijk onmogelijk is gebleken, is de – concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke – verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden niet ontkracht. Daarom is niet wettig en overtuigend bewezen dat het geld van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte zich aan witwassen heeft schuldig gemaakt, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nTot slot: verzoeken\n\nGelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige [getuige 3] en aan het voorwaardelijk verzoek tot toevoeging van de stukken en verklaringen uit onderzoek Reiger aan het dossier.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het impliciet cumulatief ten laste gelegde – kort gezegd – witwassen van de panden gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] te Rotterdam en [adres 5] te Den Haag alsmede het impliciet cumulatief tenlastegelegde onder a van de tenlastegelegde met betrekking tot de daarin genoemde geldbedragen.\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, als voorzitter, en mr. C. Fetter en mr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2087","2026-07-13T00:28:48.058Z",{"id":164,"ecli":165,"slug":166,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":167,"fullText":168,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":62,"updatedAt":170},"1326","ECLI:NL:RBDHA:2026:17351","ecli-nl-rbdha-2026-17351","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 09-219768-25 en 09-058994-26 (ttz. gev.), 09-295011-23 (tul)\n\nDatum uitspraak: 27 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte](hierna: de verdachte),\n\n geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],\n\n BRP-adres: [adres], [woonplaats],\n\n op dit moment gedetineerd in Forensisch Centrum [locatie] te [plaats].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\n De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 23 maart 2026 (pro forma), 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).\n\nDe officier van justitie in deze zaak is mr. P.T. Verweijen en de raadsman van de verdachte is mr. T. Sönmez te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 11 mei 2026 verschenen.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdachte wordt verdacht van zes feiten, verdeeld over twee dagvaardingen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nDagvaarding 1 met parketnummer 09-219768-25:\n\nFeit 1: op 24 juli 2025 in Gouda (samen met een ander) voorbereidingshandelingen heeft getroffen met betrekking tot de handel in cocaïne en\u002Fof heroïne;\n\nFeit 2: in de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 in Gouda in vuurwapens en munitie heeft gehandeld en hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt;\n\nFeit 3: in de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 in Gouda (samen met anderen) in cocaïne en\u002Fof heroïne heeft gehandeld.\n\nDagvaarding 2 met parketnummer 09-058994-26:\n\nFeit 1: op 22 december 2025 in Gouda opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 22 december 2025 in Gouda een geldbedrag van € 10.840,- heeft witgewassen;\n\nFeit 3: in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 in Gouda in vuurwapens en munitie heeft gehandeld en hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - op gronden zoals weergegeven in de schriftelijke pleitnotities - vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 2 onder feit 3 tenlastegelegde. Met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding 2 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOp specifieke standpunten zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.\n\n3.3. Opgave van bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank zal voor het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding 2 onder feit 1 tenlastegelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal KNAL25 \u002F DH7R025070, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t\u002Fm 512).\n\n3.3.1. Dagvaarding 1 onder feit 3\n\nDe rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 mei 2026;\n\n2. het proces-verbaal data onderzoek, onderzoeksnummer: DH7R02507-16, 3362224 iPhone XR, opgemaakt op 23 december 2025, (p. 98-121);\n\n3. het proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte], opgemaakt op 24 juli 2025 (p. 194-196).\n\n3.3.2. Dagvaarding 2 onder feit 1\n\nDe rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 mei 2026;\n\n2. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 december 2025 (p. 14);\n\n3. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 27 februari 2026 (p. 345-347);\n\n4. het geschrift, te weten een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, op 27 februari 2026 opgemaakt en ondertekend door deskundige ing. P.H. Walinga (p. 349).\n\n3.4. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft voor het bij dagvaarding 1 onder feit 1 en feit 2 en het bij dagvaarding 2 onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.\n\n3.5. Bewijsoverwegingen\n\n3.5.1. Dagvaarding 1 onder feit 1\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen omdat het enkele bezit van gripzakjes, één telefoon en een beperkt geldbedrag onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat sprake is van voorbereidingshandelingen gericht op de handel in verdovende middelen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat in ieder geval vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen moet volgen omdat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte en zijn medeverdachte onafhankelijk van elkaar opereerden en van een gezamenlijke uitvoering geen sprake was.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nOp 24 juli 2025 reed de verdachte samen met de medeverdachte op een fatbike, terwijl zij cocaïne en heroïne - verpakt in een groot aantal gripzakjes en ponypacks met gebruikershoeveelheden - verstopt in een sok in hun (onder)broek en jaszak bij zich droegen. De verdachte had in totaal 51 gripzakjes en 12 ponypacks bij zich. De medeverdachte had in totaal 40 gripzakjes en 2 ponypacks bij zich. In de fietstas van de fatbike waar de verdachten op reden, werden een iPhone en een weegschaaltje (met residu) gevonden. Bij de verdachte werd verder een geldbedrag van € 335,- (in verschillende coupures) aangetroffen. Ter terechtzitting van 11 mei 2026 heeft de verdachte bekend dat hij de harddrugs bij zich had en dat hij zich bezighield met het dealen hiervan.\n\nAl deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, samen met een ander, voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het dealen van harddrugs, door het aanwezig hebben van spullen die te maken hadden met het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren ervan, te weten een (handels)hoeveelheid gripzakjes en ponypacks met heroïne en cocaïne, een fatbike (als vervoermiddel), een weegschaal (om de harddrugs af te wegen), een telefoon (om contact met klanten te onderhouden) en een geldbedrag in verschillende coupures (omzet en wisselgeld). Dat de verdachte en de medeverdachte samen zijn aangehouden, terwijl zij allebei een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen verpakt in de gebruikershoeveelheden bij zich hadden en bovendien gebruikmaakten van dezelfde hulpmiddelen (de fatbike en de weegschaal) brengt de rechtbank tot de conclusie dat er een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte was, dat sprake is van medeplegen.\n\nMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het geldbedrag dat de medeverdachte bij zich had. Van dat onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte dan ook worden vrijgesproken.\n\nVoor het overige kan, zo volgt uit het voorgaande, bewezenverklaring van het tenlastegelegde volgen.\n\n3.5.2. Dagvaarding 2 onder feit 2\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)), bij het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het tenlastegelegde voorwerp en een bepaald misdrijf, zoals in deze zaak, op grond van de feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.\n\nDe rechtbank stelt vast dat op 22 december 2025 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning waar de verdachte verbleef. In de slaapkamer van de verdachte werd een contant geldbedrag van € 10.840,- aangetroffen, waarvan € 10.780,- in de kledingkast en € 60,- op de grond naast het bed. Dit bedrag bestond uit 560 biljetten van verschillende waarden, waaronder een aantal biljetten van € 100,- en een groot aantal biljetten van € 5,-. Daarnaast werden op verschillende plekken in de (tuin van de) woning cocaïne en (aan de handel in) drugs-gerelateerde spullen aangetroffen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen van dien aard zijn dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De rechtbank heeft hiervóór reeds bewezen geacht dat de verdachte betrokken is geweest bij de handel in harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met dergelijke criminele activiteiten grote contante geldbedragen worden verdiend.\n\nDaarnaast geldt dat het niet gebruikelijk is om een dergelijk groot bedrag in contanten in huis te bewaren, mede gelet op de mogelijke risico’s die daaraan verbonden zijn. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. De verdachte heeft als verklaring voor het geldbedrag gegeven dat het geld bij elkaar gespaard kindgebonden budget betreft. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring op geen enkele wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld met beschikkingen waaruit de toekenning van het kindgebonden budget blijkt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke toelage niet contant, maar door middel van overmaking op een bankrekening, wordt uitbetaald. Dat de verdachte het bedrag vervolgens van die bankrekening heeft gepind, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu een deel van de coupures waaruit het aangetroffen geld bestaat, niet (eenvoudig) is op te nemen bij pinautomaten. Zijn verklaring ter zitting dat de biljetten van € 100 zijn verkregen bij omwisselen van het geld, heeft de verdachte niet verder geconcretiseerd. De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is dan ook niet verifieerbaar.\n\nDe rechtbank komt om die reden dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.\n\n3.5.3. Dagvaarding 1 onder feit 2, dagvaarding 2 onder feit 3\n\nDe voornaamste bewijsmiddelen in deze zaak vormen chatgesprekken die zijn aangetroffen op een tweetal onder de verdachte in beslag genomen telefoons, een iPhone 15 en een iPhone 12 Mini. In deze telefoons zijn diverse chatgesprekken aangetroffen waarin wapens en munitie worden aangeboden en gezocht.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting van 11 mei 2026 erkend dat hij gesprekken heeft gevoerd over wapens, maar heeft ontkend dat hij daadwerkelijk wapens heeft gekocht of verkocht. Volgens de verdediging kan ook uit de gesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk vuurwapens of onderdelen daarvan heeft gekocht en verkocht en evenmin dat het daadwerkelijk tot een afspraak en levering is gekomen.Daarnaast blijkt volgens de verdediging nergens uit dat de verdachte prijsonderhandelingen heeft gevoerd. Het enkel noemen van een prijs leidt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van handel in vuurwapens, aldus de verdediging.\n\nHet toetsingskader\n\nArtikel 9, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie (WWM) stelt strafbaar het zonder erkenning vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van een wapen of munitie.\n\nSinds de wijziging van de WWM van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van de zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die geen wapens in bezit heeft.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nUit de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat de verdachte veelvuldig en actief gesprekken heeft gevoerd over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Ook zijn er afbeeldingen en videomateriaal van vuurwapens en munitie uitgewisseld en is er gesproken over aan- en verkoopprijzen.\n\nDe verdachte heeft in deze gesprekken specifieke informatie over verschillende typen vuurwapens gegeven en heeft vragen over de specifieke kenmerken, prijzen en beschikbaarheid van die wapens beantwoord. Op de telefoons zijn bovendien verschillende foto’s en een video aangetroffen, waarop de verdachte zelf te zien is met (een) vuurwapen(s) in zijn handen.\n\nGelet op het voorgaande kan worden bewezen dat de verdachte in de chatgesprekken onderhandelingen heeft gevoerd over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Of er daadwerkelijk een transactie heeft plaatsgevonden dan wel of de vuurwapens uiteindelijk van eigenaar zijn gewisseld, is van ondergeschikt belang. Immers, ook als een transactie uiteindelijk niet is doorgegaan, laat dat onverlet dat de verdachte de onderhandelingen over (potentiële) transacties heeft gevoerd.\n\nGaat het om echte vuurwapens?\n\nDe verdediging heeft ook aangevoerd dat onvoldoende vaststaat dat de vuurwapens op de afbeeldingen echte, werkende vuurwapens zijn en of het vuurwapens en munitie van de categorie III betreffen.\n\nDe rechtbank overweegt dat de afbeeldingen en het videomateriaal van de vuurwapens die zijn aangetroffen op de iPhone 15 en de iPhone 12 Mini zijn beoordeeld door een wapenexpert van de Forensische Opsporing. De wapenexpert concludeert op basis van de uiterlijke kenmerken van de op de foto’s en de video afgebeelde vuurwapens dat het hoogstwaarschijnlijk om echte (verboden) vuurwapens gaat die vallen in de categorie III van de Wet wapens en munitie. Dat de chatgesprekken over echte vuurwapens gaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de aard en inhoud van de chatgesprekken zelf, meer specifiek uit de genoemde prijzen en de gebruikte terminologie. Voorts bevatten de (vele) gesprekken geen enkele aanwijzing die erop duidt dat het ‘slechts’ om nep-\u002F namaakvuurwapens zou gaan.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dat die wapens echte, scherp-schietende vuurwapens en munitie zijn en dat het dus gaat om wapens en munitie van categorie III als bedoeld in de WWM. Het handelen van de verdachte kwalificeert daarmee als het verhandelen van wapens in de zin van artikel 9 van de Wet wapens en munitie.\n\nBeroep of gewoonte\n\nGelet op de hoeveelheid en de inhoud van de wapengerelateerde chatgesprekken, het aantal verschillende personen met wie de verdachte contact heeft gehad over de aan- en verkoop van vuurwapens en de periode (van meerdere maanden) waarin deze gesprekken hebben plaatsgevonden, is de rechtbank bovendien van oordeel dat de verdachte zonder erkenning heeft gehandeld uit gewoonte. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van de verdachte getuigt van stelselmatigheid en een vast voornemen om wapens te blijven verhandelen.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de verdachte gedurende de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 (dagvaarding 1 feit 2) en in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 (dagvaarding 2 feit 3) in strijd met artikel 9 WWM vuurwapens en munitie heeft gehandeld, zonder erkenning, en hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\n3.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nDagvaarding 1 - 09-219768-25\n\n1\n\nhij op 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne en heroïne, voorwerpen, eenvervoermiddel, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,te weten:\n\n- een grote hoeveelheid gripzakjes en\u002Fof ponypacks met heroïne en\u002Fof cocaïne,\n\n- een fatbike,\n\n- een weegschaal,\n\n- eentelefoon, en\n\n- eengeldbedrag (van € 335,00);\n\n2\n\nhij, in de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapens en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie door:\n\n- berichten te sturen naar en gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en verkoop van vuurwapens en munitie door informatie te geven en vragen te beantwoorden over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens en\n\n- afbeeldingen en videomateriaal van vuurwapens te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een gewoonte heeft gemaakt;\n\n3\n\nhij, in de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van materialenbevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nDagvaarding 2 - 09-058994-26\n\n1\n\nhij, op 22 december 2025 te Gouda, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten cocaïne, aanwezig heeft gehad;\n\n2\n\nhij, op 22 december 2025, te Gouda, een geldbedrag van € 10.840,00\n\n- voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat geldbedrag- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;\n\n3\n\nhij, in de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 te Gouda, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop en levering van vuurwapen(s) en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, door:\n\n- berichten te sturen naar en gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en verkoop van vuurwapens en munitie door informatie te geven en vragen te beantwoorden over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens, en\n\n- afbeeldingen van vuurwapens te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De op te leggen straf\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het jeugdstrafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 9 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast een voorwaardelijke geldboete van\n\n€ 5.150,- met een proeftijd van twee jaren gevorderd.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht het advies van de deskundigen te volgen en het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke jeugddetentie.\n\n6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Daarnaast heeft hij voorbereidingshandelingen getroffen voor deze handel en heeft hij harddrugs in zijn bezit gehad. Door de handel is de verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die daardoor en door het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruiker en brengen aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Bovendien gaat de handel in harddrugs vaak gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit, met geweld, schade en overlast tot gevolg.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.\n\nDe verdachte heeft zich voorts gedurende een periode van in totaal ongeveer vijf maanden bezig gehouden met de handel in wapens en munitie, zodanig dat hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt. De wapens waarin de verdachte handelde zijn gevaarlijk. Het ongecontroleerde bezit daarvan levert een gevaar op voor de maatschappij en zorgt voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale wapenhandel in Nederland en daarmee aan de mogelijkheid dat deze wapens worden gebruikt. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder voor een WWM-feit is veroordeeld. Bovendien liep hij, toen hij de zes bewezenverklaarde strafbare feiten pleegde, nog in de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 24 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de motivatie voor begeleiding en toezicht aanvankelijk minimaal was bij de verdachte. Op dit moment lijkt de verdachte wel mee te willen werken. De Raad ziet dat de verdachte beïnvloedbaar is, dat hij moeite heeft met het overzien van oorzaak en gevolg en dat zijn contacten risicovol zijn. Dit zal een belangrijk bespreekpunt moeten blijven voor de jeugdreclassering en de coach die de verdachte momenteel begeleidt. Bij een veroordeling adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen om het continueren van hulpverlening mogelijk te maken. Hierbij worden - kort gezegd - de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht, een verplichting tot het hebben van een passende dagbesteding in de vorm van school of werk, het verplicht meewerken aan coaching vanuit [instantie] en een avondklok (bij de ouders) vanaf 20.00 uur, met elektronische controle voor de maximale duur van drie maanden.\n\nUit de schriftelijke toelichting vanuit de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering), door de rechtbank ontvangen op 11 mei 2026, volgt dat de verdachte alsnog gemotiveerd is om mee te werken aan de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Recent is een passende plek gevonden waar de verdachte dagbesteding kan volgen. Als de verdachte wordt vrijgelaten, zal eerst worden ingezet op een enkelband, avondklok en dagbesteding.\n\nDe rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het advies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 29 april 2026. Op basis van het ASR-wegingskader en in overleg met de Raad, adviseert de reclassering toepassing van het jeugdstrafrecht om de volgende redenen. De verdachte was grotendeels minderjarig ten tijde van de delicten. Daarnaast zijn er bij de verdachte aanwijzingen van kwetsbaarheid, beïnvloedbaarheid en een beneden-gemiddeld intelligentieniveau. Hij lijkt de gevolgen van zijn keuzes onvoldoende te overzien. Ook gedraagt hij zich jonger dan zijn kalenderleeftijd. De jeugdreclassering ziet nog begeleidingsmogelijkheden en acht het van belang dat het systeem daarbij wordt betrokken. Het advies is om het huidige begeleidingstraject bij de jeugdreclassering te continueren. Bij een veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering schaart zich achter het strafadvies van de Raad.\n\nToepassing van het jeugdstrafrecht\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende een langere periode waarvan hij de eerste maanden nog minderjarig was.\n\nDe rechtbank kan - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet die van 23 jaren, heeft bereikt - op grond van artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen. De persoonlijkheid van een verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan moeten daarvoor dan aanleiding geven.\n\nDe rechtbank ziet in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte op een beneden-gemiddeld intelligentieniveau functioneert en dat er aanwijzingen zijn van kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid. Daarnaast blijkt dat hij nog ontwikkeltaken heeft te vervullen. De jeugdreclassering ziet nog begeleidingsmogelijkheden, waarbij het van belang wordt geacht dat daarbij ook het systeem van de verdachte wordt betrokken.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er dus nog ruimte voor pedagogische beïnvloeding bij de verdachte. De rechtbank acht het van belang dat gebruik wordt gemaakt van deze pedagogische mogelijkheden zolang die er nog zijn.\n\nStrafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.\n\nBij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat, zoals hiervoor al is overwogen, hij reeds eerder is veroordeeld voor het overtreden van de WWM en dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van deze eerdere veroordeling. Daarnaast tilt de rechtbank zwaar aan het feit dat de verdachte de bij dagvaarding 2 bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, terwijl hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis liep voor de feiten van dagvaarding 1. Zijn eerdere aanhouding en de daaropvolgende periode van voorlopige hechtenis hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nGelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie van enige duur opleggen. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn proeftijd én vervolgens tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank een fors voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk. Door het opleggen van een forse voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur, hoopt de rechtbank dat de verdachte inziet dat het gedrag dat hij heeft laten zien zeer kwalijk is en hoopt zij ook dat hij gemotiveerd blijft om mee te werken aan de hulpverlening en hij zich niet opnieuw zal schuldig maken aan strafbare feiten.\n\nDe rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Naar het oordeel van de rechtbank doet na te melden straf recht aan de ernst van de feiten, terwijl ook rekening wordt gehouden met de doelen van strafoplegging in het jeugdstrafrecht.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 13 maanden, met aftrek van de dagen die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (162 dagen tot de uitspraak), passend en geboden. De rechtbank zal 6 maanden van die straf voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op behandeling en begeleiding, alsook op structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te ontwikkelen en herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast - zoals gevorderd door de officier van justitie - een voorwaardelijke geldboete aan de verdachte op te leggen. De forse, deels voorwaardelijke jeugddetentie dient naar het oordeel van de rechtbank het doel van het voorkomen van recidive al voldoende.\n\n7. De in beslag genomen voorwerpen\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen, weegschaal, iPhone 15, iPhone XR en iPhone 12 Mini zullen worden verbeurd verklaard en dat de iPhone SE zal worden teruggegeven aan de verdachte.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nTeruggave\n\nNu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de iPhone SE (het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp).\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen verbeurd verklaren. De rechtbank is van oordeel dat deze voorwerpen moeten worden verbeurd verklaard, omdat het voorwerpen betreffen die aan de verdachte toebehoren en:\n\n(ten aanzien van de onder 1 tot en met 3 genummerde geldbedragen) die geheel of grotendeels door middel van het bij dagvaarding 1 onder feit 3 bewezenverklaarde feit zijn verkregen;\n\n(ten aanzien van de onder 4 genummerde weegschaal) met behulp van de weegschaal het bij dagvaarding 1 onder feit 3 bewezenverklaarde is begaan;\n\n(ten aanzien van de onder 5, 7 en 8 genummerde telefoons) met behulp van de telefoons de bij dagvaarding 1 onder feit 2 en onder feit 3 en de bij dagvaarding 2 onder feit 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\n8.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-295011-23 door de kinderrechter van deze rechtbank op 3 juni 2024 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde betreffende het niet opnieuw plegen van strafbare feiten.\n\nDe officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 mei 2026 gepersisteerd bij de vordering.\n\n8.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n8.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 juni 2024. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 47, 77 a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77z, 77z, 77aa, 77gg, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;\n\n- 9, 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:\n\ndagvaarding 1 met parketnummer 09-219768-25 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ndagvaarding 2 met parketnummer 09-058994-26 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ntenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:\n\nin de zaak met parketnummer 09-219768-25 (dagvaarding 1):\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en geld voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl hij van het verhandelen van wapens en munitie een gewoonte heeft gemaakt;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nin de zaak met parketnummer 09-058994-26 (dagvaarding 2):\n\nten aanzien van feit 1:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van feit 2:\n\n witwassen;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl hij van het verhandelen van wapens en munitie een gewoonte heeft gemaakt;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen jeugddetentievoor de duur van13 (DERTIEN) MAANDEN;\n\nbeveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 162 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie van 6 (ZES) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op2 (TWEE) jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de reclassering;\n\n2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;\n\n3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach van [instantie] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;\n\n4. gedurende de proeftijd tussen 20.00 uur en 08.00 uur zal verblijven bij zijn ouders, op het adres [adres], [woonplaats], dan wel een opvolgend adres indien de verblijfplaats van de veroordeelde gedurende deze periode wijzigt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde voor de maximale duur van drie maanden. De jeugdreclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;\n\ngeeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen\n\naan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld\n\nin artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden\n\ntoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek\n\nvan Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de\n\njeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,\n\ndaaronder begrepen.\n\nde in beslag genomen goederen\n\nteruggave\n\ngelast de teruggave aan de verdachte het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp, te weten:\n\n 6. iPhone SE (Omschrijving: PL1500-2025334810-G3436302, Apple)\n\nverbeurd verklaren\n\nverklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5, 7 en 8 genummerde voorwerpen, te weten:\n\ngeldbedrag van € 355,00;\n\ngeldbedrag van € 10.790,00;\n\ngeldbedrag van € 50,00;\n\nweegschaal;\n\n5. iPhone 12 mini (Omschrijving: PL1500-2025334810-G3436307, Zwart, merk: Apple)\n\n7. iPhone XR (Omschrijving: PL1500-2025249921-G3362224, Zwart, merk: Apple)\n\n8. iPhone 15 (Omschrijving: PL1500-2025249921-G3362223, Zwart, merk: Apple);\n\nde vordering tenuitvoerlegging\n\ngelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken, opgelegd bij voormeld vonnis van 3 juni 2024 in de zaak met parketnummer 09-295011-23;\n\nhet bevel tot voorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,\n\nmr. J.E. Bierling, kinderrechter,\n\nen mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,\n\nin tegenwoordigheid van\n\nmr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt tenlastegelegd dat\n\nDagvaarding 1 - 09-219768-25\n\n1\n\nhij, op of omstreeks 24 juli 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne en\u002Fof heroïne, een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar\n\nmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door voorhanden te hebben:\n\n- een grote hoeveelheid gripzakjes en\u002Fof ponypacks met heroïne en\u002Fof cocaïne,\n\n- een fatbike,\n\n- een weegschaal,\n\n- meerdere telefoons, en\u002Fof\n\n- meerdere geldbedragen (van €635,00 en\u002Fof €335,00 euro);\n\n2\n\nhij, in of omstreeks de periode van 7 maart 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, een of meer (vuur)wapens en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie heeft uitgewisseld en\u002Fof heeft verhandeld en\u002Fof anderszins ter beschikking heeft gesteld, en\u002Fof heeft onderhandeld over en\u002Fof transacties heeft geregeld voor de aankoop, verkoop en\u002Fof levering van een of meer (vuur)wapen(s) en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie door:\n\n- berichten te sturen naar en\u002Fof gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en\u002Fof verkoop van vuurwapens en\u002Fof munitie door informatie te geven en\u002Fof vragen te beantwoorden en\u002Fof afspraken te maken over prijzen en\u002Fof de functie en\u002Fof beschikbaarheid van vuurwapens en\u002Fof ontmoetingen te regelen en\u002Fof\n\n- afbeeldingen en\u002Fof videomateriaal van vuurwapens te tonen aan en\u002Fof te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt;\n\n3\n\nhij, in of omstreeks de periode van 7 april 2025 tot en met 24 juli 2025 te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nDagvaarding 2 - 09-058994-26\n\nhij, op of omstreeks 22 december 2025 te Gouda, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten cocaïne, aanwezig heeft gehad\n\n2\n\nhij, op of omstreeks 22 december 2025, te Gouda, (van) een geldbedrag van €10.840,00, althans een voorwerp,\n\n- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was, en\u002Fof\n\n- heeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad,\n\nterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 22 december 2025, te Gouda, een geldbedrag van €10.840,00, althans een voorwerp, heeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;\n\n3\n\nhij, in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 22 december 2025 te Gouda, althans in Nederland, meermaals, zonder erkenning, in de uitoefening van een bedrijf, een of meer (vuur)wapens en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III\n\nonder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, althans een of meer (vuur)wapens heeft uitgewisseld en\u002Fof heeft verhandeld en\u002Fof anderszins ter beschikking heeft gesteld, en\u002Fof\n\nheeft onderhandeld over en\u002Fof transacties heeft geregeld voor de aankoop, verkoop en\u002Fof levering van een of meer (vuur)wapen(s) en\u002Fof munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1°of 4° van de Wet wapens en munitie, althans een of meer (vuur)wapens, door:\n\n- berichten te sturen naar en\u002Fof gesprekken te voeren met personen en daarin aan te sturen op de aankoop en\u002Fof verkoop van vuurwapens en\u002Fof munitie door informatie te geven en\u002Fof vragen te beantwoorden en\u002Fof afspraken te maken over prijzen en\u002Fof de functie en\u002Fof beschikbaarheid van vuurwapens en\u002Fof ontmoetingen te regelen, en\u002Fof\n\n- afbeeldingen van vuurwapens te tonen aan en\u002Fof te sturen naar anderen,\n\nen hij, verdachte, hiervan een beroep en\u002Fof gewoonte heeft gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17351","2026-07-13T00:29:16.113Z",{"id":172,"ecli":173,"slug":174,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":167,"fullText":175,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":62,"updatedAt":177},"671","ECLI:NL:RBDHA:2026:17352","ecli-nl-rbdha-2026-17352","Rechtbank DEN HAAG\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 09-131355-24 en 09-219014-25 (ttz. gev.)\n\nDatum uitspraak: 27 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte](hierna: de verdachte),\n\n geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteland] , Nederlandse Antillen,\n\n BRP-adres: [adres 1] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).\n\nDe officier van justitie in deze zaak is mr. L. Kooijmans en de raadsman van de verdachte is mr. F.C. Knoef te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 11 mei 2026 verschenen.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nDagvaarding 1 (09-131355-24)\n\n1\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhave en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [aangever 1] in de auto te duwen en\u002Fof in te sluiten, en\u002Fof tegen de achterbank te drukken en\u002Fof te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en\u002Fof\n\n- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op\u002Ftegen de knie en\u002Fof het hoofd van die [aangever 1] te zetten, althans op die [aangever 1] te richten;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld\n\n [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een bril en\u002Fof huissleutels en\u002Fof een pinpas en\u002Fof een pincode en\u002Fof een pakje sigaretten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), door\n\n- aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en\u002Fof tegen\u002Fop het hoofd en\u002Fof de knie van die [aangever 1] te zetten, althans door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [aangever 1] te richten en\u002Fof\n\n- tegen die [aangever 1] te zeggen \"Geef je telefoon, pinpas,pincode, huissleutels en sigaretten\" en\u002Fof \"Maak je zakken leeg\", althans woorden van gelijke strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken;\n\nDagvaarding 2 (09-219014-25)\n\nhij op of omstreeks 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit\n\n- het duwen en\u002Fof vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en\u002Fof\n\n- het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en\u002Fof\n\n- het een of meermaals trappen tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [aangever 2] , en\u002Fof\n\n- het een of meermaals slaan tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [aangever 2] .\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft - op gronden als verwoord in haar schriftelijk requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - op in de schriftelijke pleitnota weergegeven gronden - primair vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde omdat, aldus de raadsman, de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar zijn en, ook los hiervan, niet kan worden bewezen dat de verdachte de door de aangever genoemde “verdachte 2” is. Mocht de rechtbank de verklaringen wel betrouwbaar achten en bewezen achten dat de verdachte “verdachte 2” is geweest, dan heeft de raadsman zich voor wat betreft de (verdere) bewijsvraag (subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOp specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - ingegaan.\n\n3.3. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.\n\n3.4. Bewijsoverwegingen\n\n3.4.1. Dagvaarding 1 (09-131355-24)\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn en dus niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Hij meent dat er door de onjuiste verklaring van de aangever over het in bewaring geven van € 180,- aan “ [naam 1] ”, het gegeven dat hij zelf verklaart soms dingen te zien die er niet zijn en herinneringen heeft aan het bezoeken van plaatsen terwijl hij er niet is geweest, in combinatie met het gegeven dat “ [naam 1] ”, een belangrijke getuige die volgens aangever bij de tenlastegelegde gebeurtenissen aanwezig was, niet is gevonden, concrete redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Nu de verdenkingen van alle feiten in de kern zijn gebaseerd op de verklaringen van de aangever, moet de verdachte van deze feiten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in strafzaken als uitgangspunt geldt dat aangiftes en andere verklaringen kritisch en zorgvuldig worden bezien. Verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen kleine verschillen voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar. Dat verklaringen - op onderdelen of op detailniveau - niet geheel overeenkomen, kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties ontstaan door hetgeen zij hebben waargenomen, of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.\n\nAnders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangever als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en daarom voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De door de aangever afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende consistent, accuraat en volledig geweest. De rechtbank stelt vast dat de aangever op verschillende momenten door de politie is gehoord en dat hij op hoofdlijnen telkens hetzelfde heeft verklaard. Dat de aangever in eerste instantie heeft verklaard dat hij € 180,- aan “ [naam 1] ” in bewaring had gegeven en daar later op terug is gekomen, doet daar niet aan af. Dat het de politie niet is gelukt in contact te komen met “ [naam 1] ”, leidt evenmin tot de conclusie dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Zo is de aangever, direct nadat hij door de verdachten uit de auto werd gelaten, in shock (of in ieder geval ontdaan) aangetroffen door een onafhankelijke getuige (de melder) op straat. Die getuige heeft bovendien verklaard dat de aangever op dat moment aan het bellen was met (zo bleek later) zijn moeder, en dat hij al snel begreep dat de aangever ontvoerd was en dat zijn spullen (bril, sleutels en pinpas) waren weggenomen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat de verklaringen van de aangever ook steun vinden in de Snapchatgesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft gevoerd met de aangever en met de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Hieruit blijkt onder andere dat de aangever en [medeverdachte 1] een afspraak hadden om hasj te (ver)kopen en dat [medeverdachte 1] van plan was om de bankrekening van iemand te legen die om 18:00 uur bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag zou zijn. Dan zou [medeverdachte 1] , in zijn woorden, een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) op die persoon richten zodat hij zijn pas zou afstaan. Tot slot zijn de weggenomen goederen van aangever aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest.\n\nBetrokkenheid van de verdachte\n\nDe raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat hij de door de aangever als “verdachte 2” beschreven verdachte is.\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe aangever heeft als volgt verklaard. Op 24 februari 2024 omstreeks 18.00 uur had hij met [medeverdachte 1] afgesproken bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag om hasj te kopen. Toen de aangever naar de auto liep waar [medeverdachte 1] naast stond, is hij door [medeverdachte 1] op de achterbank van de auto geduwd en werd gelijk het portier dichtgedaan. In de auto zaten (naast de aangever) drie jongens: [medeverdachte 2] (verdachte 3) zat achter het stuur, [medeverdachte 1] (verdachte 1) ging rechts van de aangever op de achterbank zitten, nadat hij de aangever de auto had ingeduwd, en verdachte 2, door de aangever omschreven als een man van 16 jaar oud met een donkere huidskleur en vermoedelijk van Antilliaans of Surinaamse afkomst, zat al in de auto. Tijdens de autorit haalde [medeverdachte 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) uit zijn broeksband en gaf dit aan verdachte 2. Verdachte 2 richtte het vuurwapen meerdere malen op de aangever. [medeverdachte 1] pakte vervolgens de bril van de aangever af. Ook moest de aangever zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten aan [medeverdachte 1] afgeven en zijn (bank)apps openen, terwijl verdachte 2 het vuurwapen tegen zijn hoofd gedrukt hield. Vervolgens moest de aangever - onder dreiging van het vuurwapen - zijn pincode afstaan. Hierna heeft [medeverdachte 1] met de pinpas van de aangever € 450,- gepind. De aangever heeft vervolgens zijn telefoon teruggekregen van [medeverdachte 1] .\n\nDe van de aangever afgepakte bril en de weggenomen pinpas en sleutels zijn op 25 februari 2024 aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest. Volgens [medeverdachte 3] waren er die bewuste avond drie jongens in haar woning geweest, onder wie een persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”. Zij beschrijft [bijnaam] als een man jonger dan 18 jaar met een donkere huidskleur en lang rastahaar.\n\nOp de telefoon van [medeverdachte 1] is een Snapchatgesprek van 24 februari 2024 aangetroffen, waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afspreken om iemand met een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) van zijn geld te beroven. Er werd afgesproken dat [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] zou worden opgehaald op het adres [adres 2] en dat “ [bijnaam] ” ook mee zou komen. De buit zouden zij met zijn drieën verdelen.\n\nOp basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en “ [bijnaam] ” een plan hadden gemaakt om iemand te beroven en dat dit plan ook daadwerkelijk is uitgevoerd.\n\nUit het dossier leidt de rechtbank verder af dat in één van de uitgeluisterde Teliogesprekken van [medeverdachte 1] (gevoerd vanuit de penitentiaire inrichting) het telefoonnummer van “ [bijnaam] ” met [medeverdachte 1] werd gedeeld door een onbekend gebleven persoon. Het telefoonnummer dat in het gesprek werd genoemd is [telefoonnummer] .\n\nUit de verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat er voorafgaand aan het incident op 24 februari 2024 contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer] , oftewel het telefoonnummer van de persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”.\n\nUit het dossier volgt dat de verdachte in de politiesystemen staat geregistreerd als de mogelijke gebruiker van genoemd telefoonnummer. Dit gevoegd bij het feit dat de verdachte past in het signalement dat de aangever van “verdachte 2” en [medeverdachte 3] van “ [bijnaam] ” hebben verstrekt, brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid als gebruiker van genoemd telefoonnummer kan worden aangemerkt.\n\nDe verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 24 februari 2024 thuis was. Uit de onderzochte verkeersgegevens van de telefoon met voormeld telefoonnummer - aldus in gebruik bij de verdachte - blijkt echter dat er op die bewuste dag verplaatsingen hebben plaatsgevonden vanaf de omgeving [straatnaam 1] te Rijswijk naar de omgeving [straatnaam 2] te Den Haag. De politie concludeert op basis hiervan, en de rechtbank volgt die conclusie, dat de verdachte bij het voorval betrokken kan zijn omdat de verplaatsingen binnen de tijdlijn van het incident passen.\n\nDe hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien,\n\ngevoegd bij de omstandigheid dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd die moet leiden tot een andere uitleg van de inhoud van die bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte één van de jongens is geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Er is sprake van een voortgezette handeling.\n\n3.4.2. Dagvaarding 2 (09-219014-25)\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever heeft geschopt, maar dat dit uit zelfverdediging was. De rechtbank ziet in het dossier, waarin zich ook camerabeelden van het incident bevinden, echter geen reden om aan te nemen dat er sprake was van een noodweersituatie waarin de verdachte zichzelf mocht verdedigen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\n3.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nDagvaarding met parketnummer 09-131355-24\n\n1\n\nhij op 24 februari 2024 te 's-Gravenhage en Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever 1] in de auto te duwen en in te sluiten, en tegen de achterbank te drukken en te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de kniete richtenenophet hoofd van die [aangever 1] te zetten;\n\n2\n\nhij op 24 februari 2024 te ‘s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en huissleutels en een pinpas en een pincode en een pakje sigaretten, dieaan die [aangever 1] toebehoorden, door aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en tegen het hoofd van die [aangever 1] te zetten, en tegen die [aangever 1] te zeggen \"Geef je telefoon, pinpas, huissleutels en sigaretten\" en\u002Fof \"Maak je zakken leeg\", althans woorden van gelijke strekking;\n\n3\n\nhij op 24 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag,\n\ndat aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich\n\nwederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken.\n\nDagvaarding met parketnummer 09-219014-25\n\nhij op 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit\n\n- het duwen en vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en\n\n- het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en\n\n- het meermaals trappen tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] , en\n\n- het meermaals slaan tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] .\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De op te leggen straffen\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 76 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangevers.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, gevorderd.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast eventueel een voorwaardelijke jeugddetentie - zonder bijzondere voorwaarden - als stok achter de deur of een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De verdediging heeft zich ten aanzien van de omvang van een eventuele taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feitenDe verdachte heeft zich op 24 februari 2024, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal. Het slachtoffer is een auto ingeduwd en door de verdachten gedurende enige tijd in die auto vastgehouden. Gedurende de autorit hebben zij een (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp op het slachtoffer gericht en hem gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten en tot het openen van zijn (bank)apps. Ook hebben zij het slachtoffer onder bedreiging van het (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp gedwongen om zijn pincode af te staan, waarna zij met de afgeperste pinpas en pincode de bankrekening van het slachtoffer hebben leeggehaald.\n\nDe verdachten hebben met hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid, psychische integriteit en het eigendomsrecht van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. Dit blijkt ook uit de aangifte, waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich gedurende de autorit erg onveilig voelde en in paniek was. Ook in de periode na het incident heeft hij zich angstig en onveilig gevoeld. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent hem dit aan.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich op 22 maart 2025, samen met zijn vader, schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Daarbij hebben zij het slachtoffer onder andere tegen de grond gehouden en hem meermaals tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt. De verdachten hebben met hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het incident heeft bovendien plaatsgevonden op de openbare weg, meer specifiek op de trambaan. Niet alleen waren daardoor omstanders daarvan ongewild getuige, maar ook had dit tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. Feiten als deze dragen bij aan gevoelens van angst en onrust in de samenleving.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet eerder is veroordeeld voor feiten soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nPersoon van de verdachte\n\nOver de persoon van de verdachte zijn verschillende rapportages opgemaakt, maar deze zijn niet langer actueel. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, bespreken wat de deskundigen ter zitting over de verdachte naar voren hebben gebracht.\n\nDe deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft naar voren gebracht dat de Raad geen aanvullend onderzoek heeft kunnen doen. De Raad onthoudt zich daarom van een strafadvies en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft aangevoerd dat de verdachte goed heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die waren verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis en zich goed aan de afspraken heeft gehouden. De jeugdreclassering blijft bij het eerder uitgebrachte advies dat een jeugdreclasseringsmaatregel niet langer nodig is en dat een werkstraf een passende straf is.\n\nRedelijke termijn\n\nDe redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) is die termijn met 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.\n\nStrafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor diefstal met geweld\u002Fafpersing een taakstraf van 60 uur dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie opgenomen. Bij openlijke geweldpleging tegen personen geldt als uitgangspunt een taakstraf van 40 uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. Als omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting worden onder andere in het bijzonder genoemd; de aard en ernst van het geweld, bedreiging met\u002Fgebruik van een wapen, de plaats van het delict en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd door een minderjarige, bestaan geen oriëntatiepunten. In de regel worden hiervoor forse straffen opgelegd.\n\nIn dit geval weegt de rechtbank ten aanzien van de bij dagvaarding 1 bewezenverklaarde feiten in strafverzwarende zin mee dat sprake is van medeplegen. Ook acht de rechtbank strafverzwarend dat het slachtoffer is bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp).\n\nMet betrekking tot de openlijke geweldpleging acht de rechtbank strafverzwarend dat deze heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan ongewild getuige zijn geweest. Als strafverzwarend weegt de rechtbank verder mee dat de verdachte fors geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt.\n\nIn strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) sinds 10 juli 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Ook houdt de rechtbank (zoals reeds overwogen) rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en past zij artikel 63 Sr toe.\n\nGezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank\n\n- conform de eis van de officier van justitie - oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 44 dagen) passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 76 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [aangever 2] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-219014-25 (dagvaarding 2). Anders dan gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank, gezien het tijdsverloop, geen aanleiding om aan de verdachte ook een contactverbod met het slachtoffer [aangever 1] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1), op te leggen.\n\nIn de aard en ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een\n\ntaakstraf in de vorm van een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank vindt een werkstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.\n\n7. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel\n\n7.1.. \n [aangever 1] (dagvaarding 1, parketnummer 09-131355-24)\n\n [aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling gevorderd.\n\n7.1.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.1.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen indien de verdachte voor het onder feit 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld.\n\n7.1.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 450,-, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 450,-, bestaande uit materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.\n\nProceskostenveroordeling\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 450,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] .\n\nGelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.\n\n7.2.. \n [aangever 2] (dagvaarding 2, parketnummer 09-219014-25)\n\n [aangever 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mevrouw [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 676,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 91,92 aan materiële schade en € 585,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.\n\n7.2.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het aandeel van de benadeelde partij in de vechtpartij en het gevorderde bedrag aan immateriële schade om die reden te matigen.\n\n7.2.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 91,92, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.\n\nImmateriële schade\n\nArtikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.\n\nBij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de normschending, het letsel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen dat, kort gezegd, bestaat uit pijn aan zijn nek en rug.\n\nDe rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(a) Herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden’ een bedrag tussen de € 1.450,00 tot € 2.675,00 genoemd. Het voorgaande in ogenschouw genomen en gelet op het geringe letsel van de benadeelde partij, zal de rechtbank de vergoeding voor geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 250,-.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskostenveroordeling\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 341,92, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] .\n\nGelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:\n\n 36f, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:\n\ndagvaarding 1 met parketnummer 09-131355-24 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ndagvaarding 2 met parketnummer 09-219014-25;\n\ntenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert deze als:\n\nin de zaak met parketnummer 09-131355-24\n\nde voortgezette handeling van:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nen\n\nafpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nen\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang\n\ntot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;\n\nin de zaak met parketnummer 09-219014-25\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nstraffen\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen jeugddetentievoor de duur van120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;\n\nbeveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 44 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt, dat een gedeelte van die straf, te weten 76 (ZESENZEVENTIG) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:\n\n1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect en ook niet via sociale media - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008;\n\n veroordeelt de verdachte voorts tot:\n\neen taakstraf, bestaande uit eenwerkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van60 (ZESTIG) UREN;\n\nbeveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN;\n\nde vorderingen van de benadeelde partijen\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1]hoofdelijk toe tot een bedrag van € 450,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag van € 450,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;\n\nbepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;\n\nveroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2]gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 341,92 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag van € 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;\n\nbepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;\n\nverklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;\n\nde schadevergoedingsmaatregelen\n\nlegt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;\n\nlegt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 341,92, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;\n\nbepaalt de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen door de verdachte of door zijn mededader(s) aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;\n\nhet bevel tot voorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,\n\nmr. E.E. Schotte, kinderrechter,\n\nen mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,\n\nin tegenwoordigheid van\n\nmr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17352","2026-07-13T00:28:42.366Z",{"id":179,"ecli":180,"slug":181,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":182,"fullText":183,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":184,"sourceTimestamp":185,"parsedAt":62,"updatedAt":186},"1576","ECLI:NL:GHDHA:2026:1904","ecli-nl-ghdha-2026-1904","2026-05-13T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-000889-25\n\nParketnummer: 09-185875-24\n\nDatum uitspraak: 13 mei 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1999,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder oplegging van bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tevens zijn beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en is verstaan dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van datum vonnis eindigt.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 5 juni 2024 te Nieuwkoop, althans in het arrondissement Den Haag en\u002Fof in Nederland, opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt (aan onder andere [getuige 1] en [getuige 2] ) en\u002Fof vervoerd een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof cocaïne en\u002Fof chrystal meth en\u002Fof heroïne, zijnde MDMA en\u002Fof cocaïne en\u002Fof chrystal meth en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Nieuwkoop opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende\n\n- MDMA (ongeveer 4555 pillen en\u002Fof 788 gram) en\u002Fof\n\n- cocaïne (ongeveer 304,5 gram) en\u002Fof\n\n- heroïne (ongeveer 28,1 gram) en\u002Fof\n\n- chrystal meth (ongeveer 0,3 gram)\n\nin elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof cocaïne en\u002Fof heroïne en\u002Fof chrystal meth, zijnde MDMA en\u002Fof cocaïne en\u002Fof heroïne en\u002Fof chrystal meth (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Nieuwkoop al dan niet opzettelijk, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 1037 gram van een werkzame stof te weten ketamine in voorraad heeft gehad.\n\n 4. hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Nieuwkoop, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp (contant geldbedrag van ongeveer 10.000 euro),\n\n- de werkelijke aard en\u002Fof de herkomst en\u002Fof de vindplaats en\u002Fof de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp is\u002Fzijn en\u002Fof\n\n- dit voorwerp heeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen en\u002Fof heeft omgezet en\u002Fof daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.\n\nNadere bewijsoverweging\n\nFeit 1\n\nHet hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.\n\nIn maart 2024 is er informatie vanuit het Team Criminele Inlichtingen binnengekomen dat de bestuurder van een Toyota uit Nieuwkoop verschillende soorten drugs zou verkopen via het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat uit onderzoek is gebleken dat met de bestuurder de verdachte wordt bedoeld. Volgens een melding in april 2024 zou op een parkeerplaats in Alphen aan den Rijn regelmatig worden gedeald vanuit een Toyota met het kenteken [kenteken 1] . Uit onderzoek is gebleken dat deze auto op naam was gesteld van de verdachte. Op grond van het voorgaande is de verdenking tegen de verdachte gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de handel in drugs.\n\nUit onderzoek van de politie blijkt dat de verdachte de Toyota met het kenteken [kenteken 1] tot 25 april 2024 op zijn naam had staan en dat hij vervolgens een Fiat Punto met kenteken [kenteken 2] op zijn naam had staan. Uit de ANPR-gegevens van deze beide auto’s volgt dat met deze twee auto’s in een periode van drie maanden zeer vaak korte ritjes in en uit Alphen aan den Rijn zijn gereden.\n\nDaarnaast hebben verbalisanten de verdachte op 8 mei 2024 en 5 juni 2024 geobserveerd. Uit de observatie op 8 mei 2024 volgt dat de verdachte meerdere kortstondige ontmoetingen heeft gehad met personen die de politie heeft omschreven als ‘junkachtige types’, met voor de politie ambtshalve bekende harddrugsgebruikers, waaronder harddrugsgebruiker [naam harddrugsgebruiker] , en ook bevond de verdachte zich in zijn auto in een omgeving waar drugsverslaafden worden opgevangen.\n\nTijdens de observatie op 5 juni 2024 is door verbalisanten gezien dat de verdachte in zijn auto van Alphen aan den Rijn naar Nieuwkoop rijdt en dat aldaar een korte ontmoeting tussen de verdachte en getuige [getuige 3] plaatsvindt. Kort hierna is deze getuige staande gehouden en om uitlevering van eventuele drugs gevraagd en heeft zij verklaard dat ze de twee gripzakjes met drugs in de middelconsole van haar auto had liggen.\n\nVoorts stelt het hof vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer [telefoonnummer] en overweegt daartoe als volgt. Er is door de politie onderzoek gedaan naar de historische telefoongegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] in de periode van 20 november 2023 tot en met 18 april 2024. Hieruit blijkt een groot aantal belcontacten met personen van wie bij de politie bekend is dat zij verdovende middelen gebruiken. Uit de belcontacten met het bevraagde telefoonnummer blijkt dat getuige [getuige 1] 893 maal, getuige [getuige 2] 315 maal, getuige [getuige 4] 81 maal en getuige [getuige 5] 48 maal contact heeft met het bevraagde telefoonnummer. Voorts blijkt van een whatsappgeschiedenis in de periode van 27 november 2023 tot en met 4 maart 2024 tussen het betreffende telefoonnummer en eerdergenoemde [naam harddrugsgebruiker] , waarbij er op 62 dagen contact is geweest. De strekking van de berichten gaat over afspreken, tijdstippen, locaties, geld, bedragen en achterstanden in betaling. Het nummer [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam harddrugsgebruiker] opgeslagen als contact met de naam ‘ [naam] ’.\n\nGetuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] hebben verklaringen afgelegd. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd waarom deze getuigen onbetrouwbaar zouden zijn, zodat het hof deze verklaringen zal gebruiken voor het bewijs. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij enkel bij de verdachte drugs heeft gekocht en blijkens haar verklaring bij de politie op 3 juli 2024 was dit zeker sinds anderhalf jaar. Getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de verdachte heeft herkend als de persoon die bij hem drugs heeft afgeleverd en hij heeft op 10 juni 2024 bij de politie verklaard dat hij al een jaar lang drugs koopt bij de verdachte, die hij kent onder de naam ‘ [naam] ’. Ook getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben de verdachte op een foto herkend als de persoon van wie zij drugs kochten. Uit de plaatsbepaling van het toestel waar het onderzochte telefoonnummer in zat, blijkt dat in de bevraagde periode het toestel tijdens het eerste en laatste telefonische contact meestal een zendmast aanstraalde in Nieuwkoop. De verdachte is woonachtig in Nieuwkoop.\n\nGelet op de omstandigheid dat al deze getuigen veel contacten hebben gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer] , dat deze getuigen hebben verklaard dat zij van de verdachte drugs hebben gekocht of gekregen, waarbij getuige [getuige 1] nog heeft verklaard dat zij niet bij andere personen drugs heeft gekocht en de getuige [getuige 2] dat hij verdachte -overeenkomstig het opgeslagen contact bij [naam harddrugsgebruiker] - ‘ [naam] ’ noemt, stelt het hof vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De inhoud van de gesprekken in combinatie met de vele korte telefoongesprekken wijzen naar het oordeel van het hof op de handel in drugs.\n\nOp 5 juni 2024 is de woning van verdachte doorzocht. In de slaapkamer van de verdachte zijn een grote hoeveelheid drugs en gripzakjes, twee weegschalen met daarop witte residu, een schrift en een groot bedrag aan contant geld in kleine coupures en kleingeld aangetroffen. De inhoud van het schrift duidt naar het oordeel van het hof op het bijhouden van een administratie of kasboek met betrekking tot drugshandel. Ook is in de woning een Iphone 13 van de verdachte in beslag genomen, waarvan hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat dit zijn telefoon is. Hierin heeft de politie over periode van 29 februari 2024 tot en met 5 juni 24 screenshots in de map 'images' aangetroffen, waarop lijsten met data, berekeningen, namen, bedragen en een weegschaal met een zak poeder ernaast te zien zijn. Het hof heeft bovendien geconstateerd dat op deze lijsten meermalen de voornamen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 5] en [naam harddrugsgebruiker] voorkomen.\n\nGelet op de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op de overige bewijsmiddelen in het dossier, is het hof van oordeel dat de verdachte niet alleen af en toe drugs heeft verstrekt, zoals hij zelf heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep, maar ook drugs heeft verkocht en afgeleverd en zich gedurende de gehele tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne en heroïne. De verklaring van de verdachte dat hij wel eens zijn auto en Iphone heeft uitgeleend en dat het schrift en de drugs niet van hem waren, maar dat hij deze enkele dagen voor zijn aanhouding in bewaring heeft genomen voor iemand anders, acht het hof, gelet op het bovenstaande, niet aannemelijk geworden. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat in de administratie van het schrift als laatste datum 4 juni, zijnde één dag voor de doorzoeking, wordt vermeld.\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte van de handel in crystal meth en MDMA dient te worden vrijgesproken.\n\nFeit 4\n\nHet hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voorts het volgende vast.\n\nTijdens de doorzoeking op 5 juni 2024 is in de slaapkamer van de verdachte een groot bedrag aan contant geld (totaal €10.733,15) in kleine coupures en kleingeld aangetroffen. Er is een bedrag ter waarde van €8.475,00, bestaande uit onder meer honderden biljetten van vijf en tien euro, aangetroffen in een schoenendoos waarin voorts twee plastic zakjes met twee brokken cocaïne zijn aangetroffen. In het schoudertasje van de verdachte bevond zich een bedrag van €690,00 in eveneens kleine coupures alsmede een plastic zakje met meerdere gripzakjes en een witte brok cocaïne gewikkeld in een koffiefilter. Ook zijn diverse bakken met muntgeld aangetroffen met een totaalbedrag van €1.568,15.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in verdovende middelen inkomsten worden gegenereerd en dat die inkomsten voornamelijk bestaan uit contant geld in kleine coupures. Het hof neemt in aanmerking dat verdachte zich bezig hield met de verkoop van drugs en in zijn slaapkamer een zeer groot aantal biljetten van kleine coupures en muntgeld is aangetroffen. Bovendien zat het geld samen met enige hoeveelheden drugs bij elkaar in een schoudertasje en een schoenendoos. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, in combinatie met de hiervoor genoemde feiten van algemene bekendheid, de conclusie wettigen dat de verdachte het in zijn slaapkamer aangetroffen geld door de handel in cocaïne en heroïne en daarmee uit eigen misdrijf heeft verkregen (feit 1).\n\nDe verdediging heeft betoogd dat de aangetroffen geldbedragen een legale herkomst hebben, nu deze afkomstig zijn van spaargeld van de verdachte en een schadevergoeding van zijn partner. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging bankafschriften van de verdachte en zijn partner overgelegd, waaruit blijkt dat er in de periode van 2020 tot en met 2023 sprake is geweest inkomsten, er een schadevergoeding door de overheid is uitgekeerd en voorts dat er sprake is van een groot aantal contante geldopnames. Ook de partner van de verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat een groot deel van het aangetroffen geld aan haar toebehoort en afkomstig is van een door haar ontvangen schadevergoeding.\n\nHet hof acht het weliswaar aannemelijk dat de verdachte en zijn partner geld hebben gespaard, maar acht het volstrekt onaannemelijk dat dát spaargeld het geld was dat tussen de drugs is aangetroffen gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Temeer omdat de aard van de coupures van 5 euro er niet op duiden dat het geld gepind is bij een geldmaat-automaat (uit onderzoek van de officier van justitie blijkt dat de Geldmaat-automaten, waar de verdachte naar eigen zeggen gepind heeft, geen biljetten van 5 euro verstrekken) en het ook onlogisch en dus onaannemelijk is om eigen spaargeld te bewaren in een tasje en een doos met daarin drugs van een ander, zoals verdachte verklaart.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in of omstreeksde periode van 1 juni 2023 tot en met 5 juni 2024te Nieuwkoop, althans in het arrondissement Den Haag en\u002Fofin Nederland, opzettelijk heeftbereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt (aan onder andere [getuige 1] en [getuige 2] ) en\u002Fofvervoerdeen of meerhoeveelhe(i)d(en)van een materiaal bevattendeMDMA en\u002Fofcocaïneen\u002Fof chrystal methen\u002Fofheroïne, zijndeMDMA en\u002Fofcocaïneen\u002Fof chrystal methen\u002Fofheroïne,(telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. hij op of omstreeks5 juni 2024 te Nieuwkoop opzettelijk aanwezig heeft gehadeen of meerhoeveelhe(i)d(en)van een materiaal bevattende\n\n- MDMA (ongeveer 4555 pillen en\u002Fof783,5gram) en\u002Fof\n\n- cocaïne (ongeveer 304,5 gram) en\u002Fof\n\n- heroïne (ongeveer 19,3gram)en\u002Fof\n\n- chrystal meth (ongeveer 0,3 gram)\n\nin elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof cocaïne en\u002Fof heroïne en\u002Fof chrystal meth, zijnde MDMA en\u002Fofcocaïne en\u002Fofheroïneen\u002Fof chrystal meth (telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. hij op of omstreeks5 juni 2024 te Nieuwkoopal dan nietopzettelijk, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer997,9gram van een werkzame stof te weten ketamine in voorraad heeft gehad.\n\n 4. hij op of omstreeks5 juni 2024 te Nieuwkoop, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, vaneen voorwerp (contant geldbedrag van ongeveer 10.000 euro),\n\n- de werkelijke aard en\u002Fof de herkomst en\u002Fof de vindplaats en\u002Fof de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp is\u002Fzijn en\u002Fof\n\n- dit voorwerpheeft verworven en\u002Fofvoorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen en\u002Fof heeft omgezet en\u002Fof daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wistdan wel redelijkerwijs moest vermoedendat dit voorwerp,onmiddellijk of middellijk,afkomstig was\u002Fwarenuit enig(eigen)misdrijf.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet\n\nHet onder 4 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudig witwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een jaar schuldig gemaakt aan de handel van cocaïne en heroïne en hij heeft op de dag van zijn aanhouding aan aanzienlijke hoeveelheid MDMA, cocaïne en heroïne in zijn bezit gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen, en dan met name harddrugs, een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij voorbij is gegaan aan de belangen van de samenleving en zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte op de dag van zijn aanhouding ongeveer een kilogram ketamine in voorraad gehad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. Qua werking is ketamine vergelijkbaar met harddrugs en de illegale handel van deze stof ondermijnt de samenleving en brengt ernstige risico’s voor de gezondheid en veiligheid met zich. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag afkomstig uit de drugshandel. Door witwassen worden eigen misdrijven gefaciliteerd en het vormt een bedreiging voor de integriteit van het financiële en economische verkeer en de maatschappelijke orde.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van Opiumwet-feiten, maar wel eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf voor witwassen. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies d.d. 20 februari 2025. De reclassering heeft geadviseerd om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het meewerken aan een ambulante behandeling en middelencontroles en verder het zich inspannen voor en behouden van een dagbesteding. Volgens de reclassering zijn bij de verdachte meerdere risicofactoren voor recidive geconstateerd op de gebieden van dagbesteding, financiën en terugval in het gebruik van harddrugs. Het volgen van een ambulante behandeling is noodzakelijk om het zelfinzicht van de verdachte te vergroten en hem te leren pro sociale keuzes te maken. De toezichthouder van de verdachte bij de reclassering heeft in een e-mailbericht van 29 april 2026 aangegeven dat er vanuit reclasseringsoogpunt nog steeds voldoende aanleiding is voor een behandeling bij de Waag.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij bij een hernieuwde detentie zijn werk dreigt te verliezen en dat hij druk bezig is om via Veilig Thuis het contact met zijn zoontje te herstellen. Dit neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat – gelet op de ernst van de feiten en de periode waarin deze feiten zijn gepleegd - een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats is. Het hof weegt daarbij mee dat verdachte maar beperkt verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden. Anders dan de raadsman ziet het hof, gelet op de ernst van de feiten, geen aanleiding om per bewezenverklaard feit een taakstraf op te leggen mede gelet op het taakstafverbod.\n\nHet hof heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte op 18 april 2025 onder diverse voorwaarden geschorst. Verdachte houdt zich goed aan deze voorwaarden. Daarom ziet het hof geen aanleiding om die schorsing thans op te heffen.\n\nBeslag\n\nHet hof zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen, te weten de geldbedragen, verbeurdverklaren. Daarnaast zal het hof ook de inbeslaggenomen Fiat Punto met kenteken [kenteken 2] verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 4 zijn begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 63 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de verdachte zich na het ingaan van de proeftijd binnen vijf werkdagen en gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Perzikweg 1-7 te Leiden, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de verdachte zal meewerken aan een intake en zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en indien geïndiceerd door de reclassering, onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. GGZ Reclassering Fivoor kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. GGZ Reclassering Fivoor bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.\n\n- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n- 8465 EUR IBN: 05-06-2024 (Omschrijving: [nummer 1] );\n\n- 690 EUR IBN: 05-06-2024 (Omschrijving: [nummer 2] );\n\n- 1568,15 EUR IBN: 05-06-2024 (Omschrijving: [nummer 3] );\n\n- een auto, te weten een Fiat Punto met kenteken [kenteken 2] .\n\nVerstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis, met de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, in stand blijft totdat het arrest onherroepelijk is geworden.\n\nDit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, en mr. O.E.M. Leinarts en mr. L.A. Pit, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026.\n\nMr. O.E.M. Leinarts en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1904","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.800Z",{"id":188,"ecli":189,"slug":190,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":191,"fullText":192,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":193,"sourceTimestamp":194,"parsedAt":62,"updatedAt":195},"455","ECLI:NL:GHDHA:2026:1593","ecli-nl-ghdha-2026-1593","2026-05-06T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-000595-24\n\nParketnummer: 10-960210-16\n\nDatum uitspraak: 6 mei 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,\n\nadres: [adres] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nHij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 10 mei 2016 te Bergen op Zoom en\u002Fof Halsteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 73.770 USD (omgerekend 66.157 euro), heeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen en\u002Fof heeft omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, hebbende hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) (telkens) contante geldbedrag(en) gestort op [bankrekeningnummer 1] , ten name van [V.O.F.] en\u002Fof hebbende hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) (telkens) dit\u002Fdeze contante geldbedrag(en) (in USD) overgemaakt naar [bankrekeningnummer 2] , ten name van [N.V.] , terwijl hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat\u002Fdie voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de strafoplegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd en dat - conform, in de fase van het hoger beroep overeengekomen, procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte - de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere\n\nbeschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de\n\nopgelegde straf en de motivering daarvan.\n\nIn zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het\n\nhof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en zal het hof het vonnis bevestigen.\n\nStrafmotivering\n\nProcesafspraken\n\nOp 7 april 2026 is per e-mail, namens de advocaat-generaal, het hof op de hoogte gebracht van het voornemen van het Openbaar Ministerie en de verdediging om de zaak middels procesafspraken af te doen. De tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte tot stand gekomen procesafspraken en de redenen waarom is besloten de zaak middels procesafspraken af te doen, zijn neergelegd in een door de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman getekende overeenkomst gedateerd 17 februari 2026.\n\nDe procesafspraken luiden als volgt:\n\nIn deze zaak kan een bewezenverklaring volgen conform het vonnis van de rechtbank. De verdediging zal ter zake de feiten geen verweer voeren;\n\nDe verdediging doet afstand van reeds ingediende onderzoekswensen en zal geen nadere en\u002Fof nieuwe onderzoekswensen indienen;\n\nHet Openbaar Ministerie eist voor het tenlastegelegde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen met aftrek van het voorarrest;\n\nDe inbeslaggenomen goederen worden verbeurdverklaard conform het vonnis van de rechtbank.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal conform de hiervoor\n\nweergegeven procesafspraken gerekwireerd.\n\nDe raadsman heeft zich - bij wijze van pleidooi - aan de vordering van de advocaat-generaal gerefereerd. Hij heeft ter zitting toegevoegd dat hij verzoekt het onderzoek te heropenen indien het hof voornemens is tot een andere hogere, strafoplegging te komen.\n\nHet toetsingskader van de Hoge Raad: waarborging van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens (verder: EVRM)\n\nDe Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252)\n\noverwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de\n\nverdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen\n\ndie artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt de afspraak dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.\n\nOp de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de procesafspraken besproken met de aanwezige verdachte en zijn raadsman.\n\nDe verdachte heeft voldoende gelegenheid gehad om weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en heeft, bijgestaan door zijn raadsman, zich rekenschap kunnen geven van de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de procesafspraken. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en is, naar het hof heeft vastgesteld, vrijwillig tot deze beslissing gekomenen door zijn raadsman adequaat voorgelicht.\n\nIn deze zaak zijn geen slachtoffers of benadeelde partijen.\n\nGelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende\n\nprocesafspraken.\n\nOverwegingen ten aanzien van de straf\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Door witwassen wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Verdachte heeft eraan meegewerkt dat de opbrengst van gepleegde misdrijven aan het zicht werd onttrokken.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2026. De verdachte heeft in deze zaak 41 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis, die met ingang van 6 juli 2016 is geschorst. De verdachte heeft de schorsingsvoorwaarden niet overtreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 april 2020 het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst, opgeheven.\n\nTevens betrekt het hof bij zijn oordeel hetgeen de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.\n\nHet hof heeft verder geconstateerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 27 mei 2016, de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte. In eerste aanleg zijn meer dan twee jaren verstreken tussen het aanvangen van de termijn en het vonnis, dat is gewezen op 2 december 2020. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met ruim 2,5 jaren. In de appelfase zijn ook meer dan twee jaren verstreken tussen het instellen van het hoger beroep op 15 december 2020 en het wijzen van het arrest op 6 mei 2026. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met ruim 3,5 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn heeft een matigende werking op de op te leggen straf en is blijkens de schriftelijke toelichting van het afdoeningsvoorstel een van de aan de door partijen overeengekomen straf ten grondslag liggende factoren geweest.\n\nDe door het hof vervolgens te beantwoorden vraag is of het afdoeningsvoorstel voor wat\n\nbetreft de op te leggen straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals\n\ndie is gebleken uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof beantwoordt die vraag bevestigend.\n\nHet hof acht dan ook de tussen de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman\n\novereengekomen straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk in duur aan de\n\ntijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht passend en geboden en zal die straf opleggen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van41 (eenenveertig) dagen.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige met inbegrip van de beslissingen\n\nomtrent het beslag.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M. Koole, als voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. V.M. de Winkel, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2026.\n\nmr. M.I. Veldt-Foglia is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1593","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.188Z",{"id":197,"ecli":198,"slug":199,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":200,"fullText":201,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":202,"sourceTimestamp":203,"parsedAt":62,"updatedAt":204},"450","ECLI:NL:GHDHA:2026:548","ecli-nl-ghdha-2026-548","2026-04-10T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-002037-23\n\nParketnummer: 10-076843-23\n\nDatum uitspraak: 10 april 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,\n\nadres: [adres] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden.\n\nDe officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\nhij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 17 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) zonder erkenning, meerdere althans één wapen(s), als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 en III onder 1 en\u002Fof 4 van de Wet wapens en munitie en\u002Fof meerdere althans één stuk(s) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten\n\n(omgebouwd gas- alarm) pisto(o)l(en) en\u002Fof revolver(s) en\u002Fof handvuurwapen(s), te weten\n\n- meerdere althans één (omgebouwd) (gas\u002Falarm) revolver van het merk Bruni type Olympic, kaliber .22LR (long Rifle) en\u002Fof (daarbij) meerdere althans één (voor dit vuurwapen geschikte) muntitie, te weten knalpatro(o)n(en), kaliber kaliber .22LR (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof in het [documentnummer 2] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] en\u002Fof\n\n- meerdere althans één (semi-automatisch) pistool van het merk Glock, type 17 van de 5 generatie, kaliber 9x19mm (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] en\u002Fof\n\n- meerder althans één (vol-automatisch) pistoolmitrailleur VZ 61 'Skorpion' (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof -een (omgebouwd) (gas\u002Falarm) pistool van de fabrikant Bruni Glock 17 generatie 3 (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- een (omgebouwd) (gas\u002Falarmpistool) van het merk blow tpye TR 14 (een replica van Beretta PX4 Storm) (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- een (omgebouwd) (gas\u002Falarm) pistool (betreft een replica) van de Sig Sauer P320 (cal 9mm P.A.K.) (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\nen\u002Fof\n\nGewe(e)r(en), te weten\n\n- een (semi-automatische) geweer van het merk FGC-9 (Fuck Gun Control 9mm) en\u002Fof AR15 geweer (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- Een (vol- en\u002Fof semi automatisch) Kalashnikov van het merk Zastava M70 kaliber 7.62x39mm (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] )\n\nen\u002Fof\n\nMunitie, te weten\n\n- Sig Sauer V-Crown hollow point munitie in het caliber 9x19mm (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] )\n\nheeft\u002Fhebben vervaardigd en\u002Fof getransformeerd en\u002Fof in de uitoefening van een bedrijf heeft\u002Fhebben uitgewisseld en\u002Fof verhuurd en\u002Fof anderzins ter beschikking heeft\u002Fhebben gesteld en\u002Fof heeft\u002Fhebben hersteld en\u002Fof heeft\u002Fhebben beproefd en\u002Fof heeft\u002Fhebben verhandeld\n\nterwijl hij en\u002Fof zijn mededader(s) daar een beroep en\u002Fof gewoonte van heeft\u002Fhebben gemaakt\n\nsubsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2019 tot en met 17 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland één of meermalen, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) ter uitvoering van een door zijn, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om\n\n(telkens) zonder erkenning, meerdere althans één wapen(s), als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 en III onder 1 en\u002Fof 4 van de Wet wapens en munitie en\u002Fof meerdere althans één stuk(s) muntie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie,\n\nte weten\n\n(omgebouwd gas- alarm) pisto(o)l(en) en\u002Fof revolver(s) en\u002Fof handvuurwapen(s), te weten\n\n- meerdere althans één (omgebouwd) (gas\u002Falarm) revolver van het merk Bruni type Olympic, kaliber .22LR (long Rifle) en\u002Fof (daarbij) meerdere althans één (voor dit vuurwapen geschikte) munitie, te weten knalpatro(o)n(en), kaliber kaliber .22LR (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof in het [documentnummer 2] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- meerdere althans één (semi-automatisch) pistool van het merk Glock, type 17 van de 5 generatie, kaliber 9x19mm (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof -meerder althans één (vol-automatisch) pistoolmitrailleur VZ 61 'Skorpion' (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- een (omgebouwd) (gas\u002Falarm) pistool van de fabrikant Bruni Glock 17 generatie 3 (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof -een (omgebouwd) (gas\u002Falarmpistool) van het merk blow tpye TR 14 (een replica van Beretta PX4 Storm) (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- een (omgebouwd) (gas\u002Falarm) pistool (betreft een replica) van de Sig Sauer P320 (cal 9mm P.A.K.)\n\n(zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\nen\u002Fof\n\nGewe(e)r(en), te weten\n\n- een (semi-automatische) geweer van het merk FGC-9 (Fuck Gun Control 9mm) en\u002Fof AR15 geweer\n\n(zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] ) en\u002Fof\n\n- Een (vol- en\u002Fof semi automatisch ) Kalashnikov van het merk Zastava M70 kaliber 7.62x39mm\n\n(zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] )\n\nen\u002Fof\n\nMunitie, te weten\n\n- Sig Sauer V-Crown hollow point munitie in het caliber 9x19mm (zoals genoemd en\u002Fof afgebeeld in het\u002Fde proces-verba(a)l(en) uit het dossier [onderzoek x] met [documentnummer 1] [pagina('s)] en\u002Fof [documentnummer 3] [pagina('s)] )\n\nte vervaardingen en\u002Fof te transformeren en\u002Fof in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen en\u002Fof te verhuren en\u002Fof anderzins ter beschikking te stellen en\u002Fof te herstellen en\u002Fof te beproeven en\u002Fof te verhandelen,\n\n- met een of meer perso(o)n(en) afspraken heeft gemaakt en\u002Fof berichten heeft verzonden over de aankoop en\u002Fof verkoop en\u002Fof beschikbaarheid en\u002Fof vraagprijs en\u002Fof functie van bovengenoemde wapens en\u002Fof onderdelen van deze wapens en\u002Fof munitie, en\u002Fof\n\n- afbeeldingen en\u002Fof filmmateriaal van deze vuurwapens en\u002Fof onderdelen en\u002Fof munitie naar een of meer personen heeft verzonden en\u002Fof doorgestuurd en\u002Fof\n\n- meerdere althans één van bovengenoemde wapen(s) heeft aangeboden in (een) (Snap)chatgroep(en) en\u002Fof\n\n- meerdere althans één van bovengenoemde wapen(s) heeft (laten) demonteren en\u002Fof wijzigen\n\nterwijl hij en\u002Fof zijn mededader(s) daar een beroep en\u002Fof gewoonte van heeft\u002Fhebben gemaakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan.\n\nIn zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daaraan de hierna te vermelden aanvullingen en verbetering aanbrengt.\n\nAanvullingen\n\nNadere bewijsoverweging\n\nHet hof concludeert op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte via Snapchat onder de [gebruikersnaam] berichten heeft doorgestuurd waarin vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie te koop werden aangeboden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zijn intentie was om vuurwapens te verkopen, maar dat dit niet is gelukt omdat niemand heeft gereageerd op zijn berichten.\n\nHet hof ziet zich gesteld voor de vraag of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als overtreding van het in artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) vervatte verbod, dan wel een poging daartoe.\n\nArtikel 9, eerste lid, van de Wwm bevat – voor zover hier van belang – het verbod om zonder erkenning een wapen of munitie in de uitoefening van een bedrijf te verhandelen. Dit verbod is ook van toepassing op het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte zelf vuurwapens en\u002Fof munitie heeft aangekocht of verkocht, noch dat er – naar aanleiding van de door de verdachte gestuurde berichten – enige transactie tot stand is gekomen waarbij er vuurwapens en\u002Fof munitie zijn overgedragen. Evenmin is gebleken dat de verdachte (prijs)onderhandelingen heeft gevoerd met een potentiële koper van de vuurwapens en\u002Fof munitie die werden aangeboden in de door de verdachte doorgestuurde berichten. Het is gebleven bij het doorsturen door de verdachte van foto’s van en berichten over vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie, met bijbehorende prijzen.\n\n Het hof is van oordeel dat dit handelen van de verdachte niet kan worden aangemerkt als het verhandelen van wapens of munitie in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Wwm. Nu nooit enige transactie tot stand is gekomen en de verdachte ook nooit enige (prijs)onderhandeling heeft gevoerd, kan zijn handelen evenmin worden aangemerkt als het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie, zoals bedoeld in voormeld artikel.\n\nWel kan het handelen van de verdachte worden aangemerkt als een poging tot het verhandelen van wapens in de zin van voormeld artikel. Naar zijn eigen zeggen had de verdachte immers het voornemen om vuurwapens te verkopen. Het (door)sturen van de hiervoor bedoelde berichten op Snapchat is – naar uiterlijke verschijningsvorm bezien – een begin van uitvoering van dat voornemen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof vult de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aan met artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVerbetering\n\nDe onder rubriek 5 van het vonnis waarvan beroep weergegeven kwalificatie van het bewezenverklaarde dient als volgt te worden verbeterd:\n\npoging tot handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onderdeel a, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,\n\nen\n\npoging tot handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onderdeel a, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,\n\nen\n\npoging tot handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onderdeel a, van de Wet wapens en munitie.\n\nVernietiging\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft via Snapchat berichten doorgestuurd waarin vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie te koop werden aangeboden. Hoewel de verdachte zelf niet beschikte over deze vuurwapens, onderdelen en munitie en het nooit tot enige transactie is gekomen, heeft de verdachte wel geprobeerd een bijdrage te leveren aan het in omloop en dus in de maatschappij brengen van vuurwapens en munitie. Vuurwapens vormen een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit van vuurwapens maar al te vaak leidt tot het gebruik daarvan, met alle mogelijke gevolgen van dien.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van [datum] , waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nReclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd [op datum] 2023. De reclassering heeft in het rapport een aantal aandachtspunten benoemd en geadviseerd tot het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.\n\nGelet op de aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Het hof zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren, teneinde de verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. Gelet op de positieve ontwikkeling die de verdachte sinds het uitbrengen van het rapport heeft doorgemaakt, zoals is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat er thans geen aanleiding bestaat om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te stellen.\n\nHet hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.\n\nHet hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de fase van het hoger beroep is overschreden. Het hof gaat uit van een redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar. De verdachte heeft in hoger beroep minder dan 16 maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, terwijl de verhouding tussen de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de tijd waarin dat niet het geval is geweest, geen aanleiding geeft een kortere termijn dan twee jaar te hanteren. Door de officier van justitie is op 10 juli 2023 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 10 april 2026. Gelet daarop is de redelijke termijn in hoger beroep met negen maanden overschreden.\n\nHet hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf, waarbij het hof in plaats van de hiervoor genoemde straf een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, als passend en geboden zal opleggen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van15 (vijftien) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van de hierboven geformuleerde aanvullingen en verbetering.\n\nDit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffiers mr. T. Kherad en mr. I.L. Vollering.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:548","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.942Z",{"id":206,"ecli":207,"slug":208,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":209,"fullText":210,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":211,"sourceTimestamp":212,"parsedAt":62,"updatedAt":213},"1552","ECLI:NL:RBDHA:2026:3822","ecli-nl-rbdha-2026-3822","2026-02-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F171409-23 (dagvaarding I), 09\u002F202753-24 (dagvaarding II, ttz. gev.) en 09\u002F094467-24 (dagvaarding III, ttz. gev.)\n\nDatum uitspraak: 27 februari 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [de verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,\n\nop dit moment (uit andere hoofde) gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 januari 2024, 2 en 9 april 2024, 27 juni 2024, 3 september 2024, 28 november 2024 (alle pro forma), 16 en 30 januari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 27 februari 2026 (sluiting onderzoek).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van wat door de verdachte en zijn raadslieden mr. L.A. Versteegh en mr. V. Poelmeijer (hierna: de verdediging) naar voren is gebracht.\n\n [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak waren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aanwezig, bijgestaan door hun advocaat mr. A.Y. Bleeker.\n\nVerder hebben [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak was [benadeelde partij 5] aanwezig, bijgestaan door haar advocaat mr. F.J.M. Hamers.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van dagvaarding II op de terechtzitting van 30 januari 2026 – ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij op of omstreeks 23 juni 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen één of meer kogels af te schieten op het hoofd en\u002Fof het lichaam van die [het slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] (op 23 juni 2023) is overleden;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij op of omstreeks de periode van 26 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, negen, althans een hoeveelheid wapen(s) en\u002F of (bijbehorende) munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten negen , althans een of meer (omgebouwde) gaspiso(o)l(en), waarvan één van het merk Umarex, type Glock, 17, kaliber 9 mm en\u002Fof acht, althans een of meer (omgebouwde) gaspisto(o)l(en) van het merk Aksa, type AK17-K7, kaliber 9 mm, zijnde een of meer vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool en\u002Fof (bijpassende) munitie, te weten 43, althans een hoeveelheid kogelpatronen, waarvan 15 stuks 9 mm (9x17) en\u002Fof ca 28 stuks 9 mm (9x19), van het merk Sellier & Bellot voorhanden heeft gehad;\n\nTen aanzien van dagvaarding III\n\nhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 december 2023 tot en met 17 januari 2024 te Krimpen aan den IJssel, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep en een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. \n\nInleiding\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is onderdeel van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd India23.\n\nDat onderzoek is gestart naar aanleiding van een schietincident op 23 juni 2023 omstreeks 20:40 uur in de [straatnaam 1] te Den Haag, waarbij [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) om het leven is gekomen. Uit getuigenverklaringen en uit onderzoek is gebleken dat [het slachtoffer] , die in zijn personenauto zat, door een persoon, die als bijrijder achterop een motorscooter zat, met twee schoten is neergeschoten. Ten gevolge van deze schoten is [het slachtoffer] ter plaatse overleden. Na onderzoek is het vermoeden ontstaan dat de verdachte de bestuurder is geweest van de motorscooter. De verdachte werd op 6 oktober 2023 aangehouden.\n\nNa de aanhouding van de verdachte heeft op 9 oktober 2023 – onder andere – een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1] te Zoetermeer , een van de verblijfsadressen van de verdachte. Ter hoogte van voornoemde woning stond een personenauto van het merk Citroën, type C3 met het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Citroën C3), geparkeerd. Gedurende het onderzoek is gebleken dat deze auto – onder andere – door de verdachte werd gebruikt. In de kofferbak daarvan is een jutten boodschappentas met daarin negen handvuurwapens met bijbehorende munitie aangetroffen.\n\nGedurende de voorlopige hechtenis van de verdachte werden in het kader van het onderzoek in de penitentiaire inrichting tijdens zijn bezoekuren vertrouwelijke gesprekken opgenomen en uitgeluisterd. Uit deze gesprekken is het vermoeden ontstaan dat de verdachte tijdens zijn detentie in de penitentiaire inrichting handelde in hennep, waarbij hij hennep aan medegedetineerden zou hebben verkocht.\n\nAan de verdachte wordt verweten dat hij: - tezamen en in vereniging met een ander en met voorbedachte raad [het slachtoffer] van het\n\nleven heeft beroofd (dagvaarding I);\n\n- tezamen en in vereniging met een ander of anderen negen vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad (dagvaarding II);\n\n- heeft gehandeld in hennep (dagvaarding III).\n\n3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I en III ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.\n\nTen aanzien van dagvaarding II heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nVoor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.\n\n3.4.. Vrijspraak ten aanzien van dagvaarding III\n\nDe rechtbank acht het bij dagvaarding III ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.\n\nDe rechtbank kan op grond van de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet in voldoende mate vaststellen dat de door de medegedetineerden overgemaakte geldbedragen naar de bankrekening van de verdachte betrekking hebben op de handel in softdrugs. De verklaring van de verdachte dat deze bedragen betrekking hebben op boodschappen, kan op grond van de bewijsmiddelen niet weerlegd of uitgesloten worden. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de verdachte in het getapte gesprek niet met zoveel woorden zegt dat hij handelt in softdrugs en dat op zijn cel bij een doorzoeking geen handelshoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen.\n\nDe verdachte wordt dan ook van het bij dagvaarding III ten laste gelegde vrijgesproken.\n\n3.5.. De bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van dagvaarding I in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\nTen aanzien van dagvaarding II heeft de rechtbank in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen. De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de verdediging geen vrijspraak bepleit.\n\n3.6.. Bewijsoverwegingen\n\n3.6.1.. Ten aanzien van dagvaarding I\n\nGelet op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af.\n\nHet schietincident\n\nOp 23 juni 2023 omstreeks 20:40 uur werd [het slachtoffer] , die in zijn personenauto zat, in de [straatnaam 1] te Den Haag door twee schoten uit een vuurwapen om het leven gebracht.\n\nDe schoten werden afgevuurd door een persoon die als bijrijder op een motorscooter met een wit buitenlands kenteken zat. De motorscooter werd bestuurd door een tweede persoon en zij zijn na het schietincident weggereden.\n\nGetuigen hebben verklaard dat de schutter en de bestuurder van de motorscooter donkerkleurige helmen en kleding droegen.\n\nHet vuurwapen waarmee [het slachtoffer] om het leven is gebracht, is ongeveer twee maanden na het schietincident aangetroffen bij een persoon genaamd [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Het dossier bevat verder geen aanknopingspunten voor betrokkenheid van [medeverdachte] bij het schietincident; het vuurwapen is via anderen aan [medeverdachte] verkocht.\n\nHet vluchtvoertuig\n\nNa het schietincident werden diverse camerabeelden uit de directe omgeving van de [straatnaam 1] te Den Haag bekeken.\n\nOp de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg werden op 23 juni 2023 om 20:42 uur twee personen met donkerkleurige helmen en kleding op een motorscooter waargenomen. Op grond van de uiterlijke kenmerken van de motorscooter kan geconcludeerd worden dat de motorscooter een motorscooter van het merk BMW, type C650 Sport betreft (hierna: de BMW C650 Sport).\n\nDe verdachte was in het bezit van een dergelijke motorscooter. De BMW C650 Sport die de verdachte in zijn bezit had, vertoonde qua uiterlijke kenmerken en (specifieke) opties grote gelijkenissen met de motorscooter die op de beelden van de [adres 2] te Voorburg te zien is. De rechtbank verwijst daarbij met name naar het verhoogde stuk op het windscherm en de rugsteun. Dit betreffen geen onderdelen die standaard bij de motorscooter geleverd worden.\n\nDoor een ANPR-camera aan de Laan van Kans in de wijk Ypenburg te Den Haag werd op\n\n23 juni 2023 te 20:44:43 uur een motorscooter met daarop twee personen en een wit Spaans kenteken [kenteken 2] waargenomen. De motorscooter en de personen op de motorscooter vertonen grote gelijkenissen met de motorscooter en de twee personen die op de beelden van de [adres 2] te Voorburg te zien zijn.\n\nHet witte Spaanse kenteken [kenteken 2] bleek te horen bij een scooter van het merk Vespa, die is gestolen in de nacht van 31 mei 2023 op 1 juni 2023 uit een parkeergarage van een wooncomplex aan de Simon Carmiggelthof te Den Haag.\n\nDe motorscooter op de hiervoor genoemde beelden was dus voorzien van een gestolen kentekenplaat.\n\nOp 10 juni 2023 heeft een verbalisant in het pand [adres 3] te Zoetermeer een motorscooter van het merk Vespa, voorzien van het Spaanse kenteken [kenteken 2] , waargenomen. De verdachte is de (gedeeltelijke) huurder van dit pand. De verbalisant nam ook een Citroën C3 met het kenteken [kenteken 3] waar. Deze Citroën C3 werd door de verdachte vanaf 9 juni 2023 gehuurd.\n\nOp 23 november 2023 werd een BMW C650 Sport aangetroffen in een kelderbox aan de Boekhorststraat 62C in Den Haag. Na onderzoek is gebleken dat dit de motorscooter van de verdachte betrof. Op deze motorscooter werd ook een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen.\n\nVan deze motor waren diverse stickers verwijderd, waarvan de resten nog zichtbaar waren, te weten:\n\n- op de kappen naast de bijrijder, waarbij het woord \"Performance\" leesbaar was;\n\n- op de rechterkap, aan de voorzijde onder het stuur, met restanten van ronde stickers met stippen;\n\n- op de rechterzijkap aan de voorzijde, nabij de koplampen, welke het woord \"BMW Motorsport\" vormde;\n\n- op de linkerkap, aan de voorzijde onder het stuur, restanten van ronde stickers met stippen.\n\nVorenstaande (verwijderde) kenmerken komen overeen met de motorscooter op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg .\n\nTussenconclusie\n\nOp grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – stelt de rechtbank vast dat de BMW C650 Sport van de verdachte de motorscooter is die bij het schietincident is gebruikt, waarbij [het slachtoffer] om het leven is gekomen.\n\nWas de verdachte de bestuurder van de motorscooter?\n\nOp de beelden van de [adres 2] te Voorburg en op de beelden van de Laan van Kans in Den Haag is te zien dat de bestuurder van de motorscooter vermoedelijk een zwarte The North Face jas en Nike Air Max '95 schoenen aan had.\n\nDe verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij een zwarte The North Face jas en Nike Air Max '95 schoenen in zijn bezit heeft gehad.\n\nDe verdachte was verder in het bezit van soortgelijke helmen als de helmen die de bestuurder en de schutter bij het schietincident op hadden. Op camerabeelden in het dossier uit een ander strafrechtelijk onderzoek is te zien dat de verdachte en zijn (toenmalige) partner soortgelijke helmen op hadden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het gaat om twee verschillende helmen, waarbij deze combinatie van twee verschillende helmen overeenkomt met de twee helmen die zijn gedragen door de bestuurder en bijrijder van de motorscooter. Tevens werd in het pand aan de [adres 3] te Zoetermeer een soortgelijke helm aangetroffen als de helm die werd gedragen door de bestuurder van de motorscooter.\n\nOp de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg is tevens te zien dat de bestuurder van de motorscooter iets wits aan zijn linker onderarm en -hand had.\n\nDe verdachte had rondom de periode van het schietincident gips om zijn linkerhand. Op 20 juni 2023 heeft er een gipswissel plaatsgevonden, waarbij het gips is vervangen en rood gaas er overheen is aangebracht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na 20 juni 2023 zijn pink en ringvinger vrij kon bewegen en dat de overige vingers gefixeerd waren door het gips. Dit past bij het beeld van de bestuurder van de motorscooter op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg die zijn linkerhand aan het stuur heeft.\n\nDe verdachte heeft tevens verklaard dat hij op 22 juni 2023 een deel van het rode gaas eigenhandig (de rechtbank begrijpt: slechts) tot zijn knokkels heeft verwijderd.\n\nOp een video die in de mobiele telefoon van [naam 3] (hierna: [naam 3] , een nauw contact van de verdachte) werd aangetroffen, is te zien dat het gips van de verdachte om zijn linkerhand vanaf polshoogte niet roodkleurig was. Deze video is in de nacht direct na het schietincident gemaakt. Dit past bij het beeld van het witte gedeelte om de pols van de bestuurder van de motorscooter op de camerabeelden van de [adres 2] te Voorburg .\n\nUit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte het gips op 24 juni 2023 zelf heeft verwijderd of heeft laten verwijderen. De verdachte heeft dus, kort na het schietincident, het gips verwijderd dat pas enkele dagen daarvoor was aangebracht.\n\nTussenconclusie II\n\nOp grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – concludeert de rechtbank dat de verdachte de bestuurder van de motorscooter is geweest die betrokken is geweest bij het schietincident op 23 juni 2023, waarbij [het slachtoffer] om het leven is gekomen.\n\nKon de verdachte de route afleggen?\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat het voor de verdachte niet mogelijk is geweest om vanaf de [adres 3] om 20:17 uur – het laatste moment dat de verdachte een bericht verstuurde – naar de Laan van Hoornwijck te rijden en daar om 20:33 uur te zijn. Daarbij betrekt de verdediging de af te leggen route en de omstandigheid dat de verdachte op dat moment zijn arm in het gips had.\n\nDe politie heeft geverbaliseerd dat de route van de [adres 3] in Zoetermeer naar de Laan van Hoornwijck is af te leggen in 14 minuten, zonder verkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en gelet op de routebeschrijving zoals gerelateerd door de politie is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verdachte deze route binnen het gegeven tijdsbestek heeft kunnen afleggen. Dat de verdachte zijn arm in het gips had, maakt dat niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit onderzoek naar het type motorscooter is gebleken dat deze eenvoudig te besturen is. Het remmen kost nagenoeg geen kracht en met de rechter hand kan gas worden gegeven én de voorrem worden bediend, die 80% van de remkracht levert. Dit wordt bevestigd in het deskundigenrapport dat ten behoeve van deze zaak is opgesteld. Daaruit maakt de rechtbank op dat de BMW C650 Sport een wendbaar voertuig is waarbij van richting veranderd kan worden zonder de linkerhand te gebruiken en waarbij de achterrem aan de linkerzijde van de motorscooter in beperkte mate de totale remkracht bepaalt. Ook uit de rapportage van een forensisch arts die de geneeskundige informatie ten aanzien van de hand van de verdachte in ogenschouw heeft genomen, volgt dat het ‘zeer wel mogelijk is om de handelingen te verrichten die volgens het rapport van de deskundige tweewielige motorvoertuigen nodig zijn om een BMW C 650 Sport te besturen en een traject af te leggen’. Tot slot neemt de rechtbank in overweging dat de verdachte een geoefende motorrijder is.\n\nDe verweren van de verdediging dat de verdachte de vastgestelde route niet binnen het gestelde tijdsbestek kon afleggen of dat hij door de blessure aan zijn linkerhand de motorscooter niet naar behoren kon besturen, worden op grond van het vorenstaande dan ook verworpen.\n\nAlibi en alternatieve scenario’s\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de verdachte om 20:32 uur met zijn telefoon een telefoongesprek heeft gevoerd vanaf de [adres 3] in Zoetermeer en dus een alibi heeft voor het moment van het schietincident.\n\nDe rechtbank deelt deze conclusie niet. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank slechts worden afgeleid dat met de telefoon van de verdachte om 20:32 uur een open verbinding tot stand is gebracht, maar niet dat de verdachte op dat moment zelf een telefoongesprek heeft gevoerd. Het enkele gegeven dat met de telefoon van de verdachte een open verbinding tot stand is gebracht, legt in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen te weinig gewicht in de schaal om tot een andere waardering van het bewijs te komen. Verder draagt aan dat oordeel bij dat de telefoon van de verdachte op 23 juni 2023, tussen 20:17 uur en 21:56 uur, geen (uitgaande) activiteit heeft geregistreerd.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij niet wist waar zijn motorscooter was en niets afwist van een gestolen Spaanse kentekenplaat, is niet aannemelijk geworden.\n\nIn de bestanden in de iCloud van de verdachte, werd een WhatsApp-gesprek aangetroffen. In het WhatsApp-gesprek werd door de verdachte op 8 juni 2023 om 18:26:22 uur een video verstuurd. Daarop is in het pand [adres 3] te Zoetermeer een scooter te zien, voorzien van een witte kentekenplaat [kenteken 2] .\n\nTevens werd een WhatsApp-gesprek van 3 juni 2023 aangetroffen tussen de verdachte en [naam 1] . Tijdens het chatgesprek werd door de verdachte een video gestuurd, waarop het pand [adres 3] te Zoetermeer en de BMW C650 Sport, voorzien van het kenteken [kenteken 4] te zien is. Dit kenteken hoort volgens gegevens van de RDW bij een ander voertuig.\n\nDe rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat de kentekenplaat [kenteken 2] zich reeds op 8 juni 2023 bevond in het pand aan de [adres 3] te Zoetermeer , die (deels) door de verdachte werd gehuurd, en dat de motorscooter van de verdachte reeds op 3 juni 2023 was voorzien van een valse kentekenplaat.\n\nOok de andere door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s worden door de rechtbank verworpen, nu deze worden weerlegd door de bewijsmiddelen.\n\nVoorbedachte raad\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.\n\nBij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.\n\nDe rechtbank neemt de navolgende feiten en omstandigheden in overweging.\n\nHet baken\n\nNa het lossen van de twee schoten op [het slachtoffer] en voordat de motorscooter is weggereden, heeft de schutter onder de voorkant van de auto van [het slachtoffer] een zwart voorwerp gepakt en meegenomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit een baken betrof.\n\nHet baken, een Veeta GT02, was voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en was in gebruik tussen 11 juni 2023 te 21:01 uur en 25 juni 2023 te 00:17 uur. Dat baken heeft in die periode meebewogen met de auto van [het slachtoffer] .\n\nHet telefoonnummer van het baken maakte op 11 juni 2023 te 20:20 uur voor het eerst gebruik van het telecomnetwerk, te weten het basisstation aan de [adres 4] te Zoetermeer. In het bereik van het basisstation [adres 4] te Zoetermeer valt de [adres 3] te Zoetermeer . Na het schietincident maakt het nummer van 23 juni 2023 te 20:57 uur tot en met 25 juni 2023 te 00:17 uur gebruik van het basisstation Ypenburgse Boslaan te Den Haag. Dit is in de directe omgeving van de Laan van Kans in Ypenburg, waarop de verdachte en de schutter op verdachtes motorscooter vlak na het schietincident door een ANPR-camera zijn geregistreerd.\n\nHet telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft op 11 juni 2023 acht sms-berichten ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Dit laatste telefoonnummer werd op 5 juni 2023 te 14:25 uur opgewaardeerd met een voucher die door [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op 5 juni 2023 bij een tankstation in Zoetermeer is aangeschaft.\n\n [naam 2] is een nauw contact van de verdachte en via [naam 2] huurde de verdachte het pand aan de [adres 3] te Zoetermeer .\n\nDe telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] , die bij de verdachte in gebruik waren, hebben tussen 9 juni 2023 en 23 juni 2023 veelvuldig gebruik gemaakt van dezelfde basisstations of basisstations in de directe omgeving waar ook het telefoonnummer behorend bij het baken gebruik van maakte.\n\nOok op 11 juni 2023 om 20:20 uur, toen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd geactiveerd, en later die avond rond 22:12 uur maakte het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van de verdachte gebruik van hetzelfde basisstation als het telefoonnummer van het baken, te weten het basisstation aan de [adres 4] te Zoetermeer.\n\nHet telefoonnummer van het baken maakte op 11 juni 2023 te 22:25 uur gebruik van een basisstation in Zoetermeer. Op 12 juni 2023 te 03:33 uur maakte het GPS-baken gebruik van het basisstation [adres 5] te Rijswijk. Dit basisstation heeft de [straatnaam 2] te Den Haag, het verblijfadres van [het slachtoffer] , binnen zijn theoretisch bereik.\n\nHet telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat tussen 9 juni 2023 en 23 juni 2023 in gebruik was bij de verdachte, maakte op 11 juni 2023 tussen 11:18 uur en 11 juni 2023 te 22:14 uur gebruik van het basisstation [adres 4] te Zoetermeer. Om 23:35 uur maakte het telefoonnummer gebruik van het basisstation [adres 5] te Rijswijk.\n\nVerder maakte de Citroën C3, die vanaf 9 juni 2023 door de verdachte werd gehuurd, op 11 juni 2023 te 23:36 uur gebruik van het basisstation [adres 5] te Rijswijk.\n\nUit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had [het slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nOok hier wijzen de wijze waarop [het slachtoffer] van het leven is beroofd en de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de schutter en de verdachte, zoals hierboven omschreven, op een nauwe en bewuste samenwerking tussen de schutter en de bestuurder van de motorscooter, te weten de verdachte. De verdediging heeft hieromtrent ook geen verweren gevoerd.\n\nEindconclusie\n\nDe rechtbank acht het bij dagvaarding I ten laste gelegde medeplegen van moord op [het slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.6.2.. Ten aanzien van dagvaarding II\n\nGelet op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte op de terechtzitting, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 26 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Zoetermeer, samen met anderen, negen vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.\n\nHet bij dagvaarding II ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.\n\n3.7.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nhij op 23 juni 2023 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen kogels af te schieten op het hoofd en het lichaam van die [het slachtoffer]tengevolge waarvan voornoemde[het slachtoffer]op 23 juni 2023 is overleden;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n hij inde periode van 26 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen, negen wapens en bijbehorende munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten negen, omgebouwde gaspistolen, waarvan één van het merk Umarex, type Glock, 17, kaliber 9 mm en acht omgebouwde gaspistolen van het merk Aksa, type AK17-K7, kaliber 9 mm, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool en bijpassende munitie, te weten 43 kogelpatronen, waarvan 15 stuks 9 mm (9x17) en 28 stuks 9 mm (9x19), van het merk Sellier & Bellot voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.\n\nVerder heeft de officier van justitie de opheffing van de schorsing bij uitspraak gevorderd.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dagvaarding I en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe moord op [het slachtoffer]\n\nDe verdachte heeft samen met een ander [het slachtoffer] vermoord. Moord behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren vastgesteld. De achtergrond daarvan is, dat door dit misdrijf niet alleen aan iemand het leven wordt ontnomen, maar dat dit ook gebeurt ingevolge een tevoren daartoe beraamd plan. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft in aanmerking genomen de straffen die recentelijk zijn opgelegd voor een enkelvoudige moord.\n\nIn een zaak als de onderhavige staat de ernst van het feit voorop. De aard en de ernst van het bewezenverklaarde maken dan ook dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van lange duur. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden.\n\nDe manier waarop [het slachtoffer] volgens een vooropgezet plan in een woonwijk met een pistool is neergeschoten, moet als ronduit schokkend worden aangemerkt. [het slachtoffer] is daarmee op een gewelddadige manier van zijn leven beroofd.\n\nVeel buurtbewoners hebben schoten gehoord en de schietpartij zien gebeuren. De moord heeft bij de buurtbewoners veel angst en een onveilig gevoel bezorgd. Deze moord draagt bij aan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.\n\nDe nabestaanden van [het slachtoffer] is onherstelbaar leed aangedaan. De weduwe van de verdachte is geconfronteerd met de gevolgen van deze gebeurtenis en zij staat voor de zware opgave om haar leven en de opvoeding van hun nog jonge dochter zonder haar overleden echtgenoot vorm te geven. Uit de toelichting van de nabestaanden is ook gebleken dat de dochter van [het slachtoffer] het moeilijk heeft met het gemis van haar vader. Daarnaast hebben de vader, broer en zus toegelicht wat de moord op hun zoon en broer voor hen heeft betekend. Voor hen is extra wrang dat [het slachtoffer] , na een eerdere aanslag te hebben overleefd, alsnog op zo een gewelddadige manier om het leven is gebracht.\n\nDe verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen en door zijn ontkennende houding is weinig inzicht verkregen in de achtergronden en de mededader van deze liquidatie.\n\nDe rechtbank acht het ook uit een oogpunt van normbevestiging en vergelding noodzakelijk een hoge gevangenisstraf op te leggen.\n\nWapenbezit\n\nDe verdachte is ook schuldig aan wapenbezit. Na zijn aanhouding heeft de politie in een auto die bij de verdachte in gebruik was negen vuurwapens en daarbij behorende munitie aangetroffen.\n\nTegen wapenbezit wordt in de regel streng opgetreden met het oog op de veiligheid van personen en om te voorkomen dat wapens voor criminele activiteiten worden gebruikt.\n\nHet is daarnaast zeer verontrustend dat de verdachte, die betrokken is geweest bij de liquidatie van [het slachtoffer] , beschikte over dergelijke vuurwapens. Dat maakt dat het voorhanden hebben van dergelijke wapens in het geval van de verdachte een onaanvaardbaar risico oplevert.\n\nHet strafblad van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 januari 2026. Daaruit volgt – onder andere – dat de verdachte laatstelijk op 26 juni 2024 is veroordeeld tot een aanzienlijke gevangenisstraf ter zake van witwassen en Opiumwetdelicten.\n\nSlotsom\n\nDe slotsom is dat de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van tweeëntwintig jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van het bij dagvaarding III ten laste gelegde. Voorts heeft de rechtbank, gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met voornoemde veroordeling van de verdachte op 26 juni 2024. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte, hoewel hij een essentiële rol heeft vervuld bij de liquidatie van [het slachtoffer] , niet de schutter is geweest die de dodelijke schoten op [het slachtoffer] heeft afgevuurd.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank heeft de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. De voorlopige hechtenis zal op het moment van uitspraak van rechtswege herleven. Een opheffing van de schorsing, zoals door de officier van justitie gevorderd, is daarom niet nodig.\n\nAls een veroordeling wordt uitgesproken en een straf is bepaald, mag de samenleving in het kader van een goede rechtspleging verwachten dat die gemotiveerde straf direct ten uitvoer wordt gelegd, zeker bij de oplegging van een langdurige gevangenisstraf voor een zeer ernstig feit zoals in het onderhavige geval. De rechter heeft zich immers uitgesproken en bepaald dat het gedrag van de verdachte een lange gevangenisstraf wenselijk en noodzakelijk maakt. Een hernieuwde schorsing door dezelfde rechter die op het moment van schorsing nadrukkelijk heeft aangegeven dat die tijdelijk was, immers tot het moment waarop vonnis wordt gewezen, is dan ook niet uit te leggen aan de maatschappij, behoudens in bijzondere gevallen. Een dergelijk bijzonder geval doet zich in dit geval niet voor. Een hernieuwde afweging van de belangen van de maatschappij en de verdachte leidt voor de rechtbank tot de conclusie dat de strafvorderlijke belangen bij de detentie van de verdachte nu zwaarder moeten wegen dan de belangen van de verdachte en maken dat de voorlopige hechtenis niet opnieuw zal worden geschorst om een andere straf uit te zitten.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [benadeelde partij 1]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.\n\n [benadeelde partij 2]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\n [benadeelde partij 3]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.654,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.\n\n [benadeelde partij 4]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.385,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.\n\n [benadeelde partij 5]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 171.402,50, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 116.402,50 aan materiële schade, € 30.000,00 aan immateriële schade, € 20.000,00 aan affectieschade en € 5.000,00 aan nader te onderbouwen schade.\n\n [benadeelde partij 6]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 62.470,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit primair € 7.470,00, subsidiair € 5.2000,00 aan materiële schade, € 30.000,00 aan immateriële schade, € 20.000,00 aan affectieschade en € 5.000,00 aan nader te onderbouwen schade.7.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dagvaarding I.\n\nSubsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat een behandeling van de vorderingen van een aantal benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de verdediging als strafrechtadvocaten onvoldoende kennis van het civiele recht heeft om zich tegen dergelijke ingewikkelde vorderingen te verweren.\n\nVerder heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde schokschade, gelet op de vigerende jurisprudentie, niet kan worden gevorderd, zodat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de gevorderde schokschade.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n7.3.1.. Algemene overweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen van een aantal benadeelde partijen te complex zouden zijn en dat daarom een behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verdediging heeft gesteld dat zij als strafrechtadvocaten onvoldoende kennis hebben van het civiele recht om zich tegen dergelijke ingewikkelde vorderingen te kunnen verweren.\n\nDe rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen hun vorderingen ruimschoots voor de inhoudelijke behandeling hebben ingediend. Door de verdediging zijn geen concrete punten naar voren gebracht waarom deze vorderingen te complex zijn om verweer op te voeren. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende tijd gehad om op de terechtzitting de vorderingen gemotiveerd te betwisten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om de benadeelde partijen reeds daarom niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.\n\n7.3.2.. Algemene overwegingen ten aanzien van schokschade\n\nWat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.\n\nVergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door:\n\n(i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of\n\n(ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.\n\nUit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond.\n\nVoor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.\n\nDit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.\n\nDe hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958).\n\n7.3.3.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nDe rechtbank heeft het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit bewezenverklaard.\n\nDe benadeelde partij betreft de vader van het slachtoffer en daarom een naaste in de zin van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 17.500,00 toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 1] .\n\n7.3.4.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de door de benadeelde partij gegeven toelichting niet blijkt dat sprake is geweest van een (directe) confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde.\n\nDe benadeelde partij ontving op 23 juni 2023 het nieuws dat haar broer om het leven is gebracht en na een paar dagen na de dood van het slachtoffer, is de benadeelde partij in de moskee geconfronteerd met het levenloze en verwonde lichaam van haar broer. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit een diepe indruk heeft gemaakt op de benadeelde partij is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen komen tot toekenning van de gevorderde schokschade.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Nader onderzoek naar de gronden voor schokschade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nDit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.\n\n7.3.5.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nDe vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 6.654,00, bestaande uit materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.654,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 3] .\n\n7.3.6.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]\n\nTen aanzien van de gevorderde schokschade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Zij verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . De benadeelde partij heeft ook materiële schade gevorderd die volgens de vordering te relateren is aan schokschade. In het verlengde van het voorgaande wordt de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nDit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.\n\n7.3.7.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]\n\nDe post “Gederfd levensonderhoud”\n\nDe vordering ten aanzien van deze post is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een rapport van Laumen Expertise. De benadeelde partij baseert haar vordering op artikel 6:108 lid 1BW. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft Laumen Expertise aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partij gederfde levensonderhoud.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek op de terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van € 114.285,00.\n\nDe post “Factuur Laumen”\n\nDe vordering ten aanzien van deze post is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 2.117,50.\n\nTussenconclusie\n\nDe rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 116.402,50.\n\nDe post “Schokschade”\n\nDe benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op de terechtzitting nader toegelicht.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht. Zij heeft op de dag van het delict ter plaatse het levenloze lichaam van haar echtgenoot zien liggen.\n\nHet vorenstaande heeft geleid tot geestelijk letsel bij de benadeelde partij, te weten een posttraumatische stressstoornis.\n\nGelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade in de vorm van schokschade. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 30.000,00.\n\nDe post “Affectieschade”\n\nDe rechtbank heeft het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit bewezenverklaard.\n\nDe benadeelde partij betreft de echtgenote van het slachtoffer en daarom een naaste in de zin van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder a BW. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 20.000,00 toewijzen.\n\nTussenconclusie\n\nDe rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 50.000,00.\n\nDe post “Nader te onderbouwen schade”\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.\n\nEindconclusie\n\nDe rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde schade toewijzen tot een bedrag van € 166.402,50.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 166.402,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 5] .\n\n7.3.8.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]\n\nDe post “Gederfd levensonderhoud”\n\nDe vordering is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd middels een rapport van Laumen Expertise. De benadeelde partij baseert haar vordering op artikel 6:108 lid 1BW. Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft Laumen Expertise aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partij gederfde levensonderhoud.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek op de terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud.\n\nDe rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering met betrekking tot deze post toewijzen tot een bedrag van € 7.470,00.\n\nTussenconclusie\n\nDe rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 7.470,00.\n\nDe post “Immateriële schade”\n\nDe benadeelde partij vordert immateriële schade op grond van aantasting in de persoon 'op andere wijze’ (anders dan schockschade).\n\nDe rechtbank overweegt dat in beginsel de schadevergoedingsaanspraak van de naasten van de overledene is beperkt tot de in de artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid, BW genoemde schadeposten. Het gaat dan om gederfd levensonderhoud, kosten van lijkbezorging en affectieschade.\n\nDesalniettemin is het mogelijk dat een schadevergoedingsaanspraak bestaat door inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (vgl. het arrest van 17 december 2025 van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2025:2700). Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat een inbreuk op een fundamenteel recht nog niet maakt dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Zonder afbreuk te doen aan hoe het voor de benadeelde moet zijn om zonder haar vader op te groeien, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de omstandigheden in dit geval die conclusie niet worden getrokken. Nadere bewijsvoering hierover zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nDe post “Affectieschade”\n\nDe rechtbank heeft het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit bewezenverklaard.\n\nDe benadeelde partij betreft de dochter van het slachtoffer en daarom een naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder d, BW. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 20.000,00 toewijzen.\n\nTussenconclusie\n\nDe rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 20.000,00.\n\nDe post “Nader te onderbouwen schade”\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.\n\nEindconclusie\n\nDe rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde schade toewijzen tot een bedrag van € 27.470,00.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.470,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 6] .\n\n7.3.9.. Duur van de gijzeling\n\nDe rechtbank zal conform artikel 36f lid 5Sr en artikel 6:4:20 Sv, bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel bepalen voor welke duur gijzeling kan worden toegepast bij niet of niet volledige betaling. Omdat de duur van de gijzeling, gelet op artikel 60a Sr, in totaal maximaal één jaar mag belopen, zal de rechtbank het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar rato van het toegewezen bedrag bepalen.\n\n8. De inbeslaggenomen voorwerpen\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 5 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard en dat de onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen verzocht.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bij dagvaarding II bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst onder 5 genoemde voorwerp geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36 b, 36c, 36f, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nmedeplegen van moord\n\nten aanzien van dagvaarding II\n\nmedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\n en\n\nmedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 22 (TWEEËNTWINTIG) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nverstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt;\n\nvordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 17.500,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nbepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[benadeelde partij 1];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nvordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nbepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;\n\nvordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 6.654,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nbepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.654,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[benadeelde partij 3];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nvordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]\n\nbepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;\n\nvordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 166.402,50 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nbepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 166.402,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[benadeelde partij 5];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 279 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nvordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 27.470,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering ten aanzien van de post “Immateriële schade” slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nbepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;\n\nlegt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.470,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[benadeelde partij 6];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 46 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nbeslag\n\nverklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 6 tot en met 14 genoemde voorwerpen, te weten:\n\n6 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029312, Umarex)\n\n7 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029564, Aksa)\n\n8 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029566, Aksa)\n\n9 1 STK Pistool (Omschrijving: Pl1500-2023193277 Goednummer 3029566, Aksa)\n\n10 1 STK Pistool (Omschrijving: Pl1500-2023193277 Goednummer 3029572, Aksa)\n\n11 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029574, Aksa)\n\n12 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029577, Aksa)\n\n13 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1500-2023193277 Goednummer 3029578, Aksa)\n\n14 1 STK Pistool (Omschrijving: Pl1500-2023193277 Goednummer 3029569, Aksa17);\n\ngelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 5 genoemde voorwerp, te weten:\n\n5\n\n1. STK Personenauto [kenteken 1] (Omschrijving: PL1500-2023193277-2981916, Zwart, merk: Citroën).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E.C. Kole, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. E.R.F. van Engelen, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3822","2026-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:26.717Z",20]