[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-employment-contract-termination-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-28T00:00:00.000Z","2026-06-04T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123204","Burgerlijk Wetboek","art. 7:634 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123208","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 130",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"123221","art. 7:673 lid 2",[34,45],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1148","ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","ecli-nl-rbdha-2026-16646","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nEiV\u002Fcd\n\nRep.nr.: 11997250 RP VERZ 25-51003\n\n4 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde besloten vennootschap,\n\nGamepoint B.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster,\n\nhierna: Gamepoint, gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] , verweerder,\n\nhierna: [verweerder] , gemachtigden: mrs. J.T.P. Koenis en A.B. Abeln.1. Procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nhet verzoekschrift van 2 december 2025 met producties 1 t\u002Fm 17;\n\nhet verweerschrift tevens tegenverzoek met producties 1 t\u002Fm 22;\n\nde akte van Gamepoint van 2 april 2026 met aanvullende producties 18 t\u002Fm 22;\n\nde akte van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende producties 23 t\u002Fm 26;\n\nde e-mail van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende productie 27;\n\nde pleitaantekeningen van Gamepoint;\n\nde pleitaantekeningen van [verweerder] .\n\n1.2.. Op 8 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Gamepoint zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. [verweerder] is verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.\n\n1.3.. Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.2. Feiten\n\n2.1.. Gamepoint exploiteert een onderneming in de ontwikkeling van online games en gamenetwerken.\n\n2.2.. \n [verweerder] is sinds [datum] 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Gamepoint in dienst, aanvankelijk in de functie van [functienaam 1] . [verweerder] is van oorsprong [nationaliteit] en is voor zijn werk bij Gamepoint naar Nederland gekomen.\n\n2.3.. Vanaf september 2021 was [verweerder] naast zijn functie als [functienaam 1] ook [functienaam 2] voor het spel [spel]. Het salaris van [verweerder] is vanaf toen met ongeveer 10% verhoogd naar een bedrag van € 7.150,- bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.\n\n2.4.. Gamepoint heeft de ontwikkeling van [spel] op enig moment stopgezet. Per juni 2023 kon [verweerder] daarnaast geen aanspraak meer maken op het belastingvoordeel voor expats in Nederland (de zogeheten ‘30%-regeling’). Tussen partijen is gesproken over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gamepoint heeft op 3 juli 2023 een concept-VSO aan [verweerder] voorgelegd.\n\n2.5.. \n [verweerder] heeft zich op 4 juli 2023, een dag na het gesprek over de concept-VSO, ziekgemeld.\n\n2.6.. \n\nGamepoint en [verweerder] hebben op advies van de bedrijfsarts mediation geprobeerd. Het mediationtraject is op 11 maart 2024 succesvol afgerond met een overeenkomst, waarin – voor zover relevant – door partijen is afgesproken:\n\n“1. Partijen stellen samen vast door ondertekening van de onderhavige overeenkomst dat het geschil tussen partijen, waarvoor mediation op 20 december 2023 ingezet is geweest, opgelost is dan wel als opgelost beschouwd dient te worden.”\n\n2.7.. \n [verweerder] heeft vervolgens op 27 maart 2024 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Het verslag van de bedrijfsarts vermeldt:\n\n“Betrokkene geeft aan dat het mediationtraject is afgerond. Het resultant van het mediation traject is dat betrokkene wegens een reorganisatie niet langer kan terugkeren naar zijn oorspronkelijk werk. Volgens werknemer is het conflict gelukkig wel uit de lucht. Hij begrijpt dat hij niet langer kan terugkeren in zijn oorspronkelijk baan, maar wenst wel binnen spoor 1 te re-integreren omdat dat wel voor hem bekend werk is tot hij voldoende is hersteld om elders te solliciteren.”\n\n2.8.. \n [verweerder] is op 16 april 2024 begonnen met zijn re-integratietraject. Op 17 april 2024, de tweede dag van de re-integratie, heeft een incident plaatsgevonden tussen [verweerder] en een HR-medewerkster van Gamepoint. Gamepoint heeft naar aanleiding hiervan op 25 april 2024 een schriftelijke waarschuwing gegeven aan [verweerder] voor het (kort gezegd) schreeuwen en verbaal agressief bejegenen van de HR-medewerkster.\n\n2.9.. Op 8 mei 2024 heeft [verweerder] aan Gamepoint bericht dat hij vanuit huis zal werken totdat Gamepoint de adviezen van de bedrijfsarts implementeert. In de daaropvolgende e-mailwisseling heeft Gamepoint aan [verweerder] laten weten dat de bedrijfsarts niet heeft geadviseerd om hem vanuit huis te laten werken en dat hij daarom uiterlijk 15 mei 2024 terug op kantoor wordt verwacht. Nadat [verweerder] die dag opnieuw niet op kantoor was verschenen, heeft Gamepoint hem een schriftelijke waarschuwing gegeven onder aanzegging dat het loon zou worden stopgezet als hij niet uiterlijk 22 mei 2024 alsnog op het werk zou verschijnen. Gamepoint heeft deze loonstop feitelijk niet uitgevoerd.\n\n2.10.. \n [verweerder] heeft op 5 juni 2024 een afspraak gehad met de bedrijfsarts. In het gespreksverslag schrijft de bedrijfsarts:\n\n“Het is duidelijk geworden dat de werkgerelateerde factoren binnen spoor 1 een negatieve invloed hebben op de gezondheid van betrokkene, waardoor verdere re-integratie in dit spoor medisch niet langer verantwoord is. Elders zal betrokkene snel kunnen re-integreren, echter binnen spoor 1 heeft betrokkene steeds weer een terugval in de medische aandoening.\n\nOm de reden dat spoor 1 ziekmakend is adviseer ik een overgang naar spoor 2 voor de re-integratie van betrokkene. Dit advies is gebaseerd op de noodzaak om een medisch verantwoorde en succesvolle re-integratie mogelijk te maken.”\n\n2.11.. In het gespreksverslag van de opvolgende afspraak van 17 juli 2024 vermeldt de bedrijfsarts:\n\n“Re-integratie advies\n\nOpstarten en vervolgen 2e spoor, ook al kan formeel eerste spoor nooit helemaal afgesloten worden tenzij daar medische gronden voor zijn. Betrokkene erkent en herkent ook wel dat terugkeer op eerste spoor niet de gezondheid zal bevorderen, eerder zal schade. Derhalve is het beste advies in deze om 2e spoor te laten prevaleren.”\n\n2.12.. Het verslag van de bedrijfsarts van de afspraak van 4 juni 2025 vermeldt vervolgens:\n\n“Stand van zaken \u002F advies\n\nBetrokkene maakte over laatste weken een goede en stabiele verdere vooruitgang door. Er zijn op dit moment feitelijk geen beperkingen meer aan te nemen. Het is goed te zien dat betrokkene vanuit een voor hem zeer moeilijke situatie weer de veerkracht heeft ontwikkeld en herstel heeft bewerkstelligd met inzet van gerichte ondersteuning. De WIA aanvraag loopt reeds evenals het 2e spoor.\n\nBetrokkene is hersteld te achten voor eigen werk.\n\nFunctionele mogelijkheden en beperkingen\n\nGeen\n\nRe-integratie advies\n\nFeitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.\n\nDit advies blijft van kracht.\n\nMen zal derhalve onderling nu verder moeten gaan afstemmen hoe hier mee om te gaan. Naar werd begrepen hebben beide partijen hierbij gerichte hulp en expertise aangesloten.\n\nPrognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk\n\nBetrokkene is volledig belastbaar voor eigen werk, maar volledige terugkeer zal elders moeten plaatsvinden ter preventie van terugval en toename beperkingen\u002Fziekte.”\n\n2.13.. \n [verweerder] heeft, naar aanleiding van het laatste advies van de bedrijfsarts, op 9 juni 2025 het volgende bericht aan Gamepoint:\n\n“My case worker (…) delivered the company doctor report on 07-06-2025. I have now recovered and I’m ready to return to work.”\n\nGamepoint heeft hierop de volgende dag aan [verweerder] geantwoord:\n\n“Op dit moment zijn we intern in overleg over de juiste vervolgstappen op basis van het advies van de bedrijfsarts en jouw situatie, gezien werkhervatting bij eigen werkgever wordt afgeraden. Zodra we hierover duidelijkheid hebben, nemen we contact met je op om dit samen verder te bespreken.”\n\n2.14.. Gamepoint heeft op 10 juli 2025 bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend om [verweerder] te mogen ontslaan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.\n\n2.15.. Gamepoint heeft voor de onderbouwing van haar ontslagaanvraag bij het UWV de volgende vragen aan de bedrijfsarts gesteld:\n\n“Hartelijk dank voor uw eerder afgegeven 26-weken verklaring waarin u aangeeft dat de heer [verweerder] medisch hersteld is voor het eigen werk.\n\nIn eerdere contacten en medische adviezen heeft u echter ook geadviseerd dat hervatting van werkzaamheden binnen onze organisatieniet wenselijk is, vanwege een reëel risico op terugval in het verzuim. Deze overweging is cruciaal in het kader van onze voorgenomen ontslagaanvraag bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Wij verzoeken u vriendelijk, met het oog op deze procedure, om uw verklaring aan te vullen of te verduidelijken op de volgende punten:\n\nKunt u bevestigen dat – ondanks medische herstel melding – hervatting van werkzaamhedenbinnen onze organisatie volgens uw inschatting leidt tot een aanzienlijk kans op terugval?\n\nBent u bereid dit risico op terugval expliciet op te nemen in een aangepaste 26-wekenverklaring, zodat voor het UWV duidelijk is dat duurzaam inzetbaar zijn bijons niet realistisch is binnen 26 weken?\n\n(…)”\n\nDe bedrijfsarts heeft op 6 augustus 2025 als volgt geantwoord:\n\n“Als eerder aangegeven is het opstellen van een 26 weken verklaring waarbij de wachttijd niet is volgemaakt en er een hersteldverklaring reeds daarvoor aan de orde was, niet aan de orde. U refereert aan mijn eerdere adviezen waarin ik aangaf dat een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim. Dit destijds gegeven advies is nog steeds actueel en zal ook de komende 26 weken (en daarna) niet veranderen. Een duurzame werkhervatting binnen uw organisatie is derhalve niet wenselijk en niet realistisch.\n\nBovenstaande kunt u, wat mij betreft, gebruiken als de door u gevraagde verklaring.”\n\n2.16.. Het UWV heeft de ontslagaanvraag bij besluit van 2 oktober 2025 afgewezen, omdat (samengevat) de bedrijfsarts [verweerder] volledig belastbaar acht voor eigen werk en het opstellen van een 26-wekenverklaring door de bedrijfsarts is geweigerd omdat reeds een hersteldverklaring is afgegeven vier weken vóór het einde van de wachttijd voor de WIA.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Gamepoint verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, op de grond dat sprake is van (primair tot meest subsidiair):\n\nziekte of gebreken waardoor [verweerder] niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, terwijl aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal plaatsvinden (b-grond);\n\neen verstoorde arbeidsverhouding (g-grond);\n\nandere omstandigheden zodanig dat het voort laten duren van de arbeidsovereenkomst van Gamepoint niet kan worden gevergd (h-grond);\n\neen combinatie van gronden (i-grond).\n\n3.2.. \n [verweerder] berust in ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzoekt de kantonrechter om bij de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde einddatum van het dienstverband te bepalen rekening houdend met de opzegtermijn, zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nGamepoint te veroordelen tot een transitievergoeding van € 20.585,40 bruto en een billijke vergoeding van € 225.000,- bruto;\n\nGamepoint te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over voornoemde vergoedingen vanaf de datum van opeisbaarheid;\n\nGamepoint te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van [verweerder] van € 27.891,72 (exclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking;\n\nvoor recht te verklaren dat Gamepoint geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding;\n\nen als voorwaardelijk tegenverzoek voor het geval Gamepoint haar verzoek tot ontbinding intrekt:\n\n6. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW, onder toekenning van al het voorgaande.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen wordt in de beoordeling – voor zover relevant – ingegaan.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt vast dat partijen het met elkaar eens zijn dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, in ieder geval omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aangezien de juridische gevolgen van een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding dezelfde zijn als die van een ontbinding op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid, kan in het midden worden gelaten of de ontbinding daarnaast zou slagen op de primair door Gamepoint aangevoerde b-grond.\n\n4.2.. Partijen twisten wel over de vraag per welke datum de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden en welke vergoedingen daarbij aan [verweerder] moeten worden toegekend. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, zodat de einddatum volgens hem moet worden bepaald zonder aftrek van de proceduretijd en hij naast de transitievergoeding ook aanspraak maakt op een billijke vergoeding en een werkelijke proceskostenvergoeding. Het ernstig verwijtbaar handelen is er volgens [verweerder] (samengevat) in gelegen dat Gamepoint:\n\nop 3 juli 2023 zonder aanleiding en op dwingende wijze heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband;\n\ntegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over de noodzaak van de beëindiging, waaronder door ten onrechte voor te houden dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen;\n\ndoor de bedrijfsarts geadviseerde mediation heeft afgehouden;\n\ne re-integratieverplichtingen heeft geschonden door [verweerder] niet te re-integreren in zijn eigen functie;\n\nonzorgvuldig is omgegaan met medische gegevens van [verweerder] ;\n\nde herstelmelding van [verweerder] heeft geweigerd en de reguliere salarisbetaling van [verweerder] niet heeft hervat;\n\neen ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige ziekte, terwijl zij moest begrijpen dat dit geen kans van slagen had.\n\nHet vervallen van de functie\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt ten aanzien van de hiervoor onder a en b genoemde gronden. In de overeenkomst die ter afronding van de mediation op 11 maart 2024 door partijen is gesloten, heeft [verweerder] erkend dat het conflict dat tot dan toe tussen hem en Gamepoint was ontstaan is opgelost. [verweerder] betwist dat tijdens de mediation is gesproken over het vervallen van zijn functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter dat [verweerder] zelf aan de bedrijfsarts heeft verteld dat de mediation is afgerond met de conclusie dat hij vanwege een reorganisatie niet meer kan terugkeren naar zijn functie bij Gamepoint, dat hij dit begrijpt en dat hij tijdelijk in het eerste spoor zou re-integreren met het doel om zich klaar te maken voor een sollicitatie elders. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het vervallen van de functie van [verweerder] tijdens de mediation onderwerp van gesprek is geweest en dat partijen hun conflict daaromtrent hebben opgelost. Nu [verweerder] het vervallen van zijn functie dus zelf heeft erkend, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint met [verweerder] het gesprek is aangegaan over het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter ziet in de stukken ook geen aanknopingspunt om te geloven dat Gamepoint [verweerder] daarbij op een onnodig dwingende wijze zou hebben benaderd.\n\nHet starten van mediation\n\n4.4.. Verder blijkt uit de stukken ook niet dat Gamepoint het opstarten van het mediationtraject op ontoelaatbare wijze zou hebben afgehouden, zoals [verweerder] stelt. De bedrijfsarts heeft op 30 augustus 2023 voor het eerst mediation geadviseerd. Volgens [verweerder] heeft Gamepoint naar aanleiding van dat advies opnieuw aan hem voorgesteld om de arbeidsovereenkomst te eindigen met een vaststellingsovereenkomst, in plaats van dat zij meteen is overgegaan tot het inschakelen van een mediator. De kantonrechter acht het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint niet ernstig verwijtbaar, ook niet onder de omstandigheid dat reeds mediation was geadviseerd door de bedrijfsarts. De insteek van mediation kan tenslotte juist zijn dat partijen de gelegenheid krijgen om met elkaar te spreken over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden kan eindigen. Daarnaast blijkt uit de eigen stellingen van [verweerder] dat hij na het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint tot december 2023 zelf niet in staat was om te beginnen met mediation. Toen hij daartoe weer wel in staat was, is de mediation in februari 2024 aangevangen. De kantonrechter acht dit geen buitensporig lang tijdsbestek.\n\nDe re-integratieverplichtingen\n\n4.5.. \n [verweerder] verwijt verder aan Gamepoint dat zij haar re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden, doordat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter, zoals gezegd, dat [verweerder] heeft erkend dat hij niet terug kan keren naar zijn eerdere functie bij Gamepoint. Uit het re-integratieadvies van de bedrijfsarts volgt dat daarom is gekozen voor een tijdelijke re-integratie in het zogeheten 1e spoor bij Gamepoint, totdat [verweerder] een functie elders zou hebben gevonden. De re-integratie van [verweerder] was van meet af aan dus nadrukkelijk nietgericht op een terugkeer in zijn eigen functie. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in zijn gespreksverslag van 17 juli 2024 – iets meer dan drie maanden nadat het re-integratietraject was begonnen – geschreven dat [verweerder] op dat moment zelf inzag dat het zijn gezondheid zou schaden om verder bij Gamepoint te re-integreren. Dit is ook in lijn met de daaropvolgende adviezen van de bedrijfsarts, waarin steeds terugkomt dat het niet goed zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om weer bij Gamepoint aan de slag te gaan. In het licht van deze omstandigheden valt Gamepoint niet ernstig te verwijten dat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie.\n\n4.6.. \n [verweerder] heeft verder een aantal andere stellingen aangevoerd waaruit volgens hem volgt dat de re-integratieverplichtingen door Gamepoint zijn geschonden. Hij stelt (kort gezegd) dat Gamepoint hem tijdens de re-integratie zou hebben geprobeerd weg te pesten, onder andere door hem zijn gebruikelijke werkplek af te nemen en hem een laptop te geven met maar zeer beperkte toegang tot de systemen van Gamepoint en een e-mailadres waarmee hij slechts één collega kon e-mailen. Ook meent [verweerder] dat Gamepoint hem ten onrechte een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven voor thuiswerken. Gamepoint brengt hier tegenin dat de gebruikelijke werkplek van [verweerder] was komen te vervallen als gevolg van een herindeling van het gebouw, waardoor het persoonlijke kantoor van [verweerder] was gewijzigd in een garderobe. De beperkte toegang van [verweerder] tot de systemen laat zich volgens Gamepoint verklaren door het feit dat hij re-integratiewerkzaamheden verrichtte in een andere functie dan hij eerder bekleedde, waarvoor niet noodzakelijk was dat hij vergaande toegang zou hebben tot bedrijfsgevoelige informatie van Gamepoint. Gamepoint betwist dat [verweerder] met zijn e-mailadres slechts één contactpersoon kon e-mailen. Tot slot stelt Gamepoint zich op het standpunt dat thuiswerken gelet op de re-integratiewerkzaamheden die [verweerder] moest uitvoeren niet mogelijk was en dat zij hem daarom terecht heeft gesommeerd terug naar kantoor te komen.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat – in het licht van de gemotiveerde betwisting door Gamepoint – het op de weg van [verweerder] had gelegen om nader te onderbouwen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden door hem onnodig beperkende maatregelen op te leggen tijdens zijn re-integratie. [verweerder] is in die onderbouwing niet geslaagd. Zo heeft hij geen deskundigenoordeel van het UWV overgelegd waaruit de schending van de re-integratieverplichtingen kan blijken. [verweerder] heeft verwezen naar het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024, waarin de bedrijfsarts schrijft dat de re-integratie in het 1e spoor voor [verweerder] ‘ziekmakend’ is. Dit advies van de bedrijfsarts heeft echter niet dezelfde waarde als een deskundigenoordeel van het UWV, omdat dit advies is opgesteld enkel op basis van de verklaringen van [verweerder] en niet die van Gamepoint. De kantonrechter kan bij gebrek aan verdere onderbouwing daarom niet vaststellen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Ook kan de kantonrechter daardoor niet vaststellen of het binnen de kaders van de re-integratie voor [verweerder] mogelijk was om thuis te werken. Daarom is niet komen vast te staan dat Gamepoint ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem daarvoor een schriftelijke waarschuwing te geven.\n\nDe omgang met medische gegevens\n\n4.8.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint daarnaast dat zij onzorgvuldig zou zijn omgegaan met zijn medische gegevens. De kantonrechter begrijpt dat [verweerder] hiermee doelt op het incident dat zich op 17 april 2024 heeft voorgedaan tussen hem en een HR-medewerkster van Gamepoint. Volgens [verweerder] heeft de medewerkster zijn medische gegevens ter sprake gebracht, terwijl voor hem op dat moment niet kenbaar was dat zij HR-werkzaamheden uitvoerde en over die gegevens mocht beschikken. Volgens [verweerder] verklaart dit zijn reactie jegens de medewerkster. De kantonrechter overweegt dat, wat hier ook van zij, [verweerder] niet heeft weersproken dat de medewerkster die hem aansprak feitelijk wel belast was met HR-taken en dat zij daarom over de betreffende medische gegevens mocht beschikken. Daarin kan het gestelde onzorgvuldig handelen van Gamepoint dus niet zijn gelegen. Het enkele feit dat de medewerkster zich niet voorafgaand aan haar gesprek met [verweerder] als HR-medewerkster voor hem heeft geïdentificeerd, levert ook geen ernstig verwijt aan Gamepoint op.\n\n4.9.. \n [verweerder] stelt verder dat de HR-medewerkster de medische gegevens ter sprake bracht in het bijzijn van meerdere collega’s van [verweerder] , terwijl zij moest begrijpen dat het privacygevoelige informatie betrof. Gamepoint betwist dat er collega’s bij het gesprek aanwezig waren. In het midden gelaten of en zo ja, hoeveel collega’s van het gesprek getuige zijn geweest, staat vast dat [verweerder] de HR-medewerkster direct heeft gesommeerd om niet over zijn medische situatie te spreken, waarna het gesprek onmiddellijk is geëindigd. In het licht daarvan is het enkele feit dat de HR-medewerkster eenmalig medische gegevens van [verweerder] ter sprake heeft gebracht terwijl collega’s dit mogelijk konden horen – voor zover dat al zo is – hoogstens verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar aan Gamepoint.\n\n4.10.. Verder is in deze procedure gebleken dat partijen ieder hun eigen kijk hebben op de manier waarop het gesprek tussen [verweerder] en de HR-medewerkster exact is verlopen. [verweerder] betwist dat hij de HR-medewerkster intimiderend of agressief heeft bejegend, maar partijen zijn het er in ieder geval over eens dat het een onprettig gesprek was. Tegen die achtergrond acht de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint [verweerder] na afloop een schriftelijke waarschuwing heeft gestuurd voor zijn bejegening van de HR-medewerkster, daargelaten of die waarschuwing in zijn geheel terecht was.\n\nHet weigeren van de herstelmelding\n\n4.11.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint tot slot dat zij zijn herstelmelding van 9 juni 2025 niet heeft geaccepteerd, zij per die datum niet is overgegaan tot betaling van 100% van het salaris en zij een bij voorbaat kansloze ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV. De kantonrechter merkt ten aanzien van de salarisbetalingen allereerst op dat uit de stellingen van [verweerder] blijkt dat het restant van het salaris na aanmaning door de advocaat van [verweerder] alsnog door Gamepoint is betaald, zij het onder protest. Geen van beide partijen heeft in deze procedure een verzoek ingesteld omtrent deze betalingen. De kantonrechter kan daarom in zoverre in het midden laten of Gamepoint verplicht was om vanaf 9 juni 2025 over te gaan tot betaling van 100% van het salaris. De kantonrechter hoeft slechts te beoordelen of het Gamepoint ernstig kan worden verweten dat zij ondanks de herstelmelding aanvankelijk het salaris bij ziekte is blijven betalen en [verweerder] niet heeft toegelaten tot het werk. De kantonrechter is van oordeel dat dit – onder de bijzondere omstandigheden van het geval – niet ernstig aan Gamepoint kan worden verweten en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.12.. Zoals reeds hiervoor aangehaald, blijkt uit het advies van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 dat vanaf het begin van de re-integratie duidelijk was dat [verweerder] niet naar zijn eerdere functie bij Gamepoint zou terugkeren en dat de re-integratie erop gericht was hem in staat te stellen een geschikte functie elders te vinden. In het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024 – en ieder van de daaropvolgende adviezen – is daar door de bedrijfsarts aan toegevoegd dat het zelfs schadelijk zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om terug te keren naar Gamepoint.\n\n4.13.. In het advies van 4 juni 2025 schrijft de bedrijfsarts vervolgens: “Feitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.” De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat dit advies van de bedrijfsarts berust op een interne tegenstrijdigheid. Deeigen, bedongen arbeidvan [verweerder] is immers de arbeid die hij bij Gamepoint zou moeten verrichten en dat is nu juist de arbeid waarvan de bedrijfsarts tegelijkertijd (en bij herhaling) vaststelt dat [verweerder] deze niet kan verrichten, omdat dit schadelijk is voor zijn gezondheid. Op basis van de overige inhoud van het advies van 4 juni 2025 en de voorafgaande adviezen van de bedrijfsarts ligt dan ook veeleer de conclusie voor de hand dat [verweerder] – kennelijk op medische gronden –nietin staat werd geacht tot het verrichten van zijn eigen bedongen arbeid bij Gamepoint. Op navraag van Gamepoint heeft de bedrijfsarts dit in de e-mail van 6 augustus 2025 ook met zoveel woorden bevestigd. Daarin schrijft de bedrijfsarts dat het advies dat “een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim”nog steeds geldt en de komende 26 weken en daarna niet zal veranderen, zodat een duurzame werkhervatting binnen Gamepoint niet wenselijk of realistisch is.\n\n4.14.. Gelet op deze ongerijmdheid in het advies van de bedrijfsarts van 4 juni 2025, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de daarop volgende herstelmelding van [verweerder] niet heeft aanvaard en zich op het standpunt is blijven stellen dat hij zijn werk bij Gamepoint niet kon hervatten. Gamepoint heeft zich naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts begrijpelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het medisch onverantwoord zou zijn om [verweerder] tot het werk toe te laten. In dat licht acht de kantonrechter het ook niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de salarisbetalingen niet onmiddellijk heeft hersteld tot 100%, aangezien zij zich ook begrijpelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dus nog altijd sprake was van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] .\n\n4.15.. Ten overvloede kan aan het voorgaande worden toegevoegd dat [verweerder] , zoals reeds toegelicht, eerder heeft erkend dat zijn functie bij Gamepoint is komen te vervallen. Voor beide partijen was dus duidelijk dat van een terugkeer naar de eigen bedongen arbeid hoe dan ook geen sprake kon zijn. Ook in dat licht acht de kantonrechter goed te begrijpen dat Gamepoint niet wist welke gevolgen zij aan de herstelmelding van [verweerder] kon of moest verbinden.\n\n4.16.. Tot slot is onder de genoemde omstandigheden niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint een ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Het is geenszins gebleken dat die ontslagaanvraag bij voorbaat kansloos was, gelet op het feit dat de bedrijfsarts in de e-mail van 6 augustus 2025 heeft bevestigd dat het risico op een terugval in medische problematiek de komende 26 weken en daarna zou blijven bestaan en duurzame werkhervatting bij Gamepoint daarom – kennelijk op medische gronden – onwenselijk en onrealistisch werd geacht.\n\nDe ontbinding en de gevolgen daarvan\n\n4.17.. De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zonder dat dit ernstig aan een van de partijen is te wijten. De einddatum van het dienstverband moet daarom worden vastgesteld met inachtneming van de opzegtermijn en onder aftrek van de procedure tijd (artikel 7:671b lid 9 sub a BW). In artikel 22 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat als opzegtermijn de wettelijke opzegtermijn geldt. In dit geval is dat twee maanden, omdat het dienstverband langer dan vijf maar korter dan 10 jaar heeft geduurd (artikel 7:672 lid 2 sub b BW). Het ontbindingsverzoek is ontvangen op 2 december 2025 en deze beschikking wordt uitgesproken op 4 juni 2026. Na aftrek van de proceduretijd dient echter een termijn van minstens één maand te resteren. Zodoende wordt de einddatum 4 juli 2026.\n\n4.18.. Gamepoint is geen billijke vergoeding verschuldigd, omdat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wel is zij aan [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd. Partijen zijn in hun berekeningen van de transitievergoeding beide uitgegaan van een andere einddatum van het dienstverband dan hiervoor genoemd. Uitgaande van een datum indiensttreding van [datum] 2018, een bruto maandsalaris van € 7.722,- (inclusief vakantiegeld) en een einddatum van 4 juli 2026, bedraagt de transitievergoeding € 20.806,50 bruto (artikel 7:673 lid 2 BW).Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dit geval 4 augustus 2026 (artikel 7:686a lid 1 BW).\n\n4.19.. Het verzoek om [verweerder] te ontheffen uit zijn verplichtingen uit het relatie- en concurrentiebeding wordt afgewezen. Nu het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, bestaat geen grond voor toewijzing van dat verzoek.\n\nDe proceskosten\n\n4.20.. De uitkomst van deze procedure is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, terwijl geen van beide partijen daarvan een ernstig verwijt valt te maken. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. In dat oordeel ligt besloten dat het verzoek van [verweerder] tot een werkelijke proceskostenveroordeling wordt afgewezen.\n\n5. Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 4 juli 2026;\n\n5.2.. veroordeelt Gamepoint om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 20.806,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2026 tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.3.. compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;\n\n5.4.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026.\n\n Het dienstverband heeft 8 jaren en 1 maand geduurd.\n\n1\u002F3 x € 7.722,- bruto x 8 jaren = € 20.592,- bruto;\n\n1 maand x ((1\u002F3 x € 7.722,- bruto) \u002F 12) = € 214,50 bruto;\n\n€ 20.592,- + € 214,50 = € 20.806,50 bruto.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.758Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":43,"updatedAt":52},"1144","ECLI:NL:RBDHA:2026:16924","ecli-nl-rbdha-2026-16924","RECHTBANK DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nesp\u002Fc\n\nZaaknummer: 12005853 \\ RL EXPL 25-23149\n\nVonnis van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres],\n\ngemachtigde: FNV (voorheen mr. J. Aberkrom, thans mr. W.A. van Mourik),\n\ntegen\n\nde stichting STICHTING HOGER BEROEPS ONDERWIJS HAAGLANDEN,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: HHS,\n\ngemachtigde: mr. M. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van:\n\n- de dagvaarding van 1 december 2025; - de conclusie van antwoord; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de door beide partijen in het geding gebrachte producties.\n\n1.2.. Op 22 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij zijn verschenen: [eiseres], bijgestaan door mr. Van Mourik, en namens HHS, [naam] (voorzitter van het college van bestuur), bijgestaan door mr. M. de Vries. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking tussen partijen is niet bereikt.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. HHS bestuurt een onderwijsinstelling die hbo-opleidingen aanbiedt.2.2.. \n [eiseres] is op 28 januari 2013 in dienst getreden bij HHS. De laatste functie die zij vervulde, is die van opleidingsmanager ad interim, met een maandsalaris van € 7.227,86 bruto.\n\n2.3.. Op 29 januari 2018 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. Vanaf 27 januari 2020 heeft [eiseres] een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijke arbeidsongeschikten (een WGA-uitkering) ontvangen.\n\n2.4.. Bij verzoekschrift van 2 december 2022 heeft HHS de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens primair langdurige arbeidsongeschiktheid (b-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair andere omstandigheden (h-grond) met, als de kantonrechter een transitievergoeding toekent, toewijzing van het door de HHS als zodanig berekende bedrag met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.\n\n2.5.. Bij beschikking van 10 februari 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2023 ontbonden op de b-grond en HHS veroordeeld een transitievergoeding te betalen van € 19.706,25 (bruto) en de proceskosten. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat geen sprake meer is van een opzegverbod omdat de arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaren heeft geduurd en niet te verwachten is dat [eiseres] binnen 26 weken zodanig hersteld is dat zij haar werkzaamheden (in aangepaste vorm) weer kan verrichten of in een andere passende functie kan worden herplaatst. De billijke vergoeding is afgewezen omdat de HHS geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n2.6.. Tegen deze beschikking is door [eiseres] hoger beroep ingesteld.\n\n2.7.. Het Gerechtshof Den Haag is in zijn beschikking van 26 maart 2024 tot de slotsom gekomen dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat herstel van [eiseres] binnen 26 weken voor het verrichten van het eigen werk (al dan niet in aangepaste vorm) niet te verwachten is en dat om dezelfde reden herplaatsing in een andere passende niet in de rede ligt. Het hof is vervolgens tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gekomen per 1 juni 2023. Daarnaast is HHS tot betaling van een (hogere) transitievergoeding van € 29.941,25 (bruto) en de proceskosten veroordeeld.\n\n2.8.. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de eindafrekening. Bij dagvaarding van 22 mei 2024 heeft [eiseres] gevorderd dat HHS wordt veroordeeld tot betaling van door haar genoemde bedragen ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en (proces)kosten. In reconventie heeft HHS gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van bedragen in verband met door HHS onverschuldigd betaalde verlofuren, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.\n\n2.9.. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 19 december 2024 het saldo van door [eiseres] opgebouwde en nog niet door HHS uitbetaalde verlofuren per einde dienstverband vastgesteld en het tarief waartegen deze verlofuren moeten worden uitbetaald. HHS is veroordeeld een bedrag van € 7.063,21 (bruto) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen aan [eiseres] te betalen vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en wettelijke rente. Daarnaast is HHS veroordeeld tot betaling van bedragen voor vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente en (proces)kosten. De reconventionele vordering van HHS is afgewezen en HHS is in de kosten veroordeeld.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiseres] vordert – samengevat – HHS bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:\n\na. een bedrag van € 33.790,88 (bruto) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen;\n\nb. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over hiervoor genoemde post;\n\nc. een bedrag van € 1.366,37 (excl. BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;\n\nd. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen;\n\ne. de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiseres] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij maakt aanspraak op wettelijke vakantiedagen opgebouwd in de periode van 30 januari 2020 tot aan het einde van het dienstverband op 1 juni 2023. Artikel 7:634 lid 1 BW dat bepaalt dat slechts wettelijke vakantiedagen worden opgebouwd over de periode dat een werknemer aanspraak heeft op loon is in strijd met artikel 7 lid 1 van de Richtlijn 2003\u002F88\u002FEG (de Richtlijn), met artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en met vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uitgaande van een verlofopbouw van 160 uur per jaar heeft zij tussen 30 januari 2020 en 1 juni 2024 534,39 vakantie-uren opgebouwd. Deze uren gewaardeerd tegen een uurloon van € 63,23 leidt tot een bedrag van € 33.790,88 (bruto). Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke verhoging van 50% ex 7:625 BW jo artikel 18c van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WMM) en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW.\n\n3.3.. HHS voert verweer. HHS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. HHS voert – samengevat – het volgende aan. In het vonnis van 19 december 2024 zijn de verlofuren van [eiseres] tot einde dienstverband al aan de orde gesteld en heeft de kantonrechter daar al een oordeel over gegeven. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde en bindt partijen zodat deze vraag niet nogmaals aan de rechter kan worden voorgelegd. [eiseres] heeft in haar dagvaarding van 22 mei 2024 erkend dat zij geen vakantie-uren heeft opgebouwd over de jaren 2022 en 2023. [eiseres] had haar vordering eerder kunnen instellen. Zij had ook eerder aan HHS kenbaar kunnen maken aanspraak te maken op opbouw van vakantie-uren. [eiseres] heeft haar rechten verwerkt om uitbetaling van opgebouwde vakantie-uren vanaf het derde ziektejaar te vorderen. HHS mocht er op vertrouwen dat zij dit niet meer aan de orde zou stellen. Ook heeft zij de klachtplicht van artikel 6:89 BW geschonden. HHS beroept zich op artikel 7:634 BW en stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van strijd met Richtlijn of Handvest. HHS meent dat [eiseres] haar met deze procedure nodeloos op kosten jaagt en verzoekt haar te veroordelen in de proceskosten en ingeval van toewijzing van de vordering rekening te houden met door HHS nodeloos gemaakte proceskosten.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nHet meest verstrekkende verweer van HHS bestaat uit het beroep op de kracht en het gezag van gewijsde van het vonnis van 19 december 2024. In dat vonnis is volgens HHS al beslist over door [eiseres] opgebouwde vakantieaanspraken tot het einde van het dienstverband. Dezelfde vraag kan in deze procedure niet nogmaals aan de orde worden gesteld. Volgens [eiseres] heeft de kantonrechter zich in die eerdere zaak niet uitgelaten over de opbouw van wettelijke verlofuren na afloop van de loondoorbetalingsverplichting. Dat betekent dat de onderhavige vordering zelfstandig dient te worden beoordeeld en niet kan worden afgewezen op grond van een eerdere uitspraak, aldus [eiseres].\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiseres] betrekking heeft op wat in de eerdere procedure aan de orde is geweest en waar de kantonrechter zich toen al over heeft uitgesproken, zodat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n4.2.. \n\nIn artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De ratio van het leerstuk van gezag van gewijsde komt erop neer dat aan geschillen tussen partijen over dezelfde rechtsbetrekking eens een einde moet komen.\n\nHet gezag van gewijsde staat eraan in de weg dat dezelfde vordering opnieuw wordt ingesteld, ook als er nieuw bewijsmateriaal beschikbaar is (HR 14 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3786) of de grondslag nader is onderbouwd met aanvullende feiten (HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000). Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde is niet vereist dat in de volgende procedure hetzelfde wordt gevorderd als in de eerste procedure. Het gaat erom dat de beslissing in de eerste procedure in de weg staat aan een nieuw oordeel over de rechtsbetrekking dat in de latere procedure wordt gevraagd, in die zin dat dit nieuwe oordeel zou kunnen leiden tot een vonnis dat zich naar zijn uitkomst niet met het eerdere vonnis verdraagt (HR 18 september 1992, NJ 1992\u002F747). Het gezag van gewijsde komt toe aan alle beslissingen die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak dragen (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514).\n\n4.3.. Vast staat dat het vonnis van de kantonrechter van 19 december 2024 in kracht van gewijsde is gegaan. De beslissingen in dat vonnis die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak dragen, hebben daarmee tussen partijen gezag van gewijsde.\n\n4.4.. In het vonnis van 19 december 2024 is de door [eiseres] in die procedure ingestelde vordering – voor zover hier van belang – als volgt (in 3.1 aanhef en onder a) verwoord: “[eiseres] vordert (…) de HHS te veroordelen tot betaling van een bedrag (…) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”De kern van het geschil tussen partijen is door de kantonrechter (in 4.2) genoemd:“de discussie over het verschil in saldo van verlofuren van [eiseres] per einde dienstverband.”De kantonrechter heeft (in 4.3) overwogen dat:“[u]it het overzicht van de HHS volgt dat [eiseres] per 27 januari 2020 (de datum waarop de loondoorbetalingsverplichting van de HHS stopte) een verlof saldo had van 539,32 uren.”Omdat [eiseres] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat dit niet correct zou zijn, is de kantonrechter – zo heeft zij in 4.3 toegelicht – uitgegaan van de juistheid van dit verlofsaldo. Vervolgens heeft de kantonrechter beoordeeld of deze uren alle voor vergoeding in aanmerkingen komen en tegen welk uurloon. Dat heeft geleid tot de beslissing dat (in 5. onder 1.) de HHS is veroordeeld om aan [eiseres] te betalen“een bedrag van € 7.063,21 bruto ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”\n\n4.5.. \n\nHet vonnis van 19 december 2024 kan niet anders worden begrepen dan dat daarin alle verlofaanspraken van Nanninga op HHS tot het einde van het dienstverband (dat wil zeggen: tot 1 juni 2023) zijn vastgesteld. Het gaat immers in de beoordeling over aanspraken per einde dienstverbanden in de beslissing over eeneindafrekeningvan vakantiedagen. Dat bestrijkt de gehele periode dat het dienstverband heeft geduurd tot het einde per 1 juni 2023. Dat partijen er in die procedure vanuit zijn gegaan dat er geen verlof is opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken is daarbij niet van belang. Van belang is dat de verlofaanspraken voor de gehele periode tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2023 zijn vastgesteld in het vonnis van 19 december 2024.\n\nDaarmee is er geen ruimte meer om voor een bepaald tijdvak binnen die gehele periode, te weten: de periode van 27 januari 2020 tot 1 juni 2023, nogmaals een vordering tot vaststelling van verlofdagen in te stellen. Een nieuw oordeel over de eindafrekening vakantiedagen, zou tot een nieuwe eindafrekening (kunnen) leiden die zich naar zijn uitkomst niet met de eindafrekening uit het vonnis van 19 december 2024 kan verdragen. Dat zou dan tot de onwenselijke situatie leiden dat er met betrekking tot de dezelfde rechtsbetrekking twee vonnissen met twee (verschillende) eindafrekeningen naast elkaar bestaan. Wanneer [eiseres] van mening was dat zij ook vakantieaanspraken heeft opgebouwd in de periode van 27 januari 2020 tot 1 juni 2023 dan had zij die in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 19 december 2024 kunnen vorderen en\u002Fof van dit vonnis tijdig in beroep moeten komen.\n\n4.6.. Ter zitting heeft [eiseres] naar voren gebracht dat er geen sprake was van een ‘klassiek’ slapend dienstverband maar dat er – zo begrijpt de kantonrechter, tijdens het slapende dienstverband – re-integratieactiviteiten door haar zijn ondernomen en dat HHS, al dan niet in verband daarmee, haar verplichtte verlofuren te registreren. HHS heeft bezwaargemaakt tegen deze nieuwe grondslag, heeft zowel de re-integratieactiviteiten als de registratie van verlof betwist en heeft er daarbij op gewezen dat de rechters in alle eerdere procedures steeds hebben vastgesteld dat er geen re-integratie heeft plaatsgevonden ook niet na de 104-wekenperiode.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat deze nieuwe grondslag niet in de dagvaarding genoemd is en daarin ook niet impliciet aan de orde is gesteld. In eerdere procedures tussen partijen is de vraag of re-integratie (voor en na het einde van 104-wekenperiode) heeft plaatsgevonden aan de orde geweest en is daarover geoordeeld. In deze procedure heeft [eiseres] aan re-integratie of aan het opbouwen of opnemen van verlof, geen woord besteed tot de mondelinge behandeling. Met HHS is de kantonrechter het eens dat dat te laat is. Door [eiseres] is niet toegelicht waarom dit beroep zo laat in de procedure gedaan is. [eiseres] had zich in de dagvaarding op deze grondslag kunnen beroepen. Door dit pas op de mondelinge behandeling aan de orde te stellen, heeft [eiseres] HHS de mogelijkheid ontnomen om hierop deugdelijk voorbereid te reageren. Daarmee komt de kantonrechter tot het oordeel dat [eiseres] in strijd met de goede procesorde (artikel 130 Rv) heeft gehandeld en blijft deze grondslag buiten beschouwing\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat in het vonnis van 19 december 2024 al is beslist over de verlofaanspraken van [eiseres] tot het einde van haar dienstverband en dat die beslissing partijen bindt zodat de vorderingen van [eiseres] in deze procedure zullen worden afgewezen.\n\n4.9.. \n\n [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding andere kosten dan die hieronder genoemd ten laste van [eiseres] te brengen.\n\nDe proceskosten van HHS worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.732,00\n\n(2 punten × € 866,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.876,00\n\n4.10.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiseres] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16924","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.442Z",20]