[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":55,"total":16,"page":25,"limit":101},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-09-23T00:00:00.000Z","2026-06-04T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48,52],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121974","Ziektewet","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122300","Burgerlijk Wetboek","art. 10:2",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122301","art. 3:44 lid 1",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122302","art. 3:49",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"122304","art. 7:669 lid 4",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"122992","art. 3:317 lid 1",{"provisionId":43,"code":28,"article":44,"count":25},"122993","art. 3:37 lid 3",{"provisionId":46,"code":28,"article":47,"count":25},"123204","art. 7:634 lid 1",{"provisionId":49,"code":50,"article":51,"count":25},"123208","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 130",{"provisionId":53,"code":28,"article":54,"count":25},"123221","art. 7:673 lid 2",[56,66,75,84,93],{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"1148","ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","ecli-nl-rbdha-2026-16646","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nEiV\u002Fcd\n\nRep.nr.: 11997250 RP VERZ 25-51003\n\n4 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde besloten vennootschap,\n\nGamepoint B.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster,\n\nhierna: Gamepoint, gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] , verweerder,\n\nhierna: [verweerder] , gemachtigden: mrs. J.T.P. Koenis en A.B. Abeln.1. Procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nhet verzoekschrift van 2 december 2025 met producties 1 t\u002Fm 17;\n\nhet verweerschrift tevens tegenverzoek met producties 1 t\u002Fm 22;\n\nde akte van Gamepoint van 2 april 2026 met aanvullende producties 18 t\u002Fm 22;\n\nde akte van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende producties 23 t\u002Fm 26;\n\nde e-mail van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende productie 27;\n\nde pleitaantekeningen van Gamepoint;\n\nde pleitaantekeningen van [verweerder] .\n\n1.2.. Op 8 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Gamepoint zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. [verweerder] is verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.\n\n1.3.. Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.2. Feiten\n\n2.1.. Gamepoint exploiteert een onderneming in de ontwikkeling van online games en gamenetwerken.\n\n2.2.. \n [verweerder] is sinds [datum] 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Gamepoint in dienst, aanvankelijk in de functie van [functienaam 1] . [verweerder] is van oorsprong [nationaliteit] en is voor zijn werk bij Gamepoint naar Nederland gekomen.\n\n2.3.. Vanaf september 2021 was [verweerder] naast zijn functie als [functienaam 1] ook [functienaam 2] voor het spel [spel]. Het salaris van [verweerder] is vanaf toen met ongeveer 10% verhoogd naar een bedrag van € 7.150,- bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.\n\n2.4.. Gamepoint heeft de ontwikkeling van [spel] op enig moment stopgezet. Per juni 2023 kon [verweerder] daarnaast geen aanspraak meer maken op het belastingvoordeel voor expats in Nederland (de zogeheten ‘30%-regeling’). Tussen partijen is gesproken over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gamepoint heeft op 3 juli 2023 een concept-VSO aan [verweerder] voorgelegd.\n\n2.5.. \n [verweerder] heeft zich op 4 juli 2023, een dag na het gesprek over de concept-VSO, ziekgemeld.\n\n2.6.. \n\nGamepoint en [verweerder] hebben op advies van de bedrijfsarts mediation geprobeerd. Het mediationtraject is op 11 maart 2024 succesvol afgerond met een overeenkomst, waarin – voor zover relevant – door partijen is afgesproken:\n\n“1. Partijen stellen samen vast door ondertekening van de onderhavige overeenkomst dat het geschil tussen partijen, waarvoor mediation op 20 december 2023 ingezet is geweest, opgelost is dan wel als opgelost beschouwd dient te worden.”\n\n2.7.. \n [verweerder] heeft vervolgens op 27 maart 2024 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Het verslag van de bedrijfsarts vermeldt:\n\n“Betrokkene geeft aan dat het mediationtraject is afgerond. Het resultant van het mediation traject is dat betrokkene wegens een reorganisatie niet langer kan terugkeren naar zijn oorspronkelijk werk. Volgens werknemer is het conflict gelukkig wel uit de lucht. Hij begrijpt dat hij niet langer kan terugkeren in zijn oorspronkelijk baan, maar wenst wel binnen spoor 1 te re-integreren omdat dat wel voor hem bekend werk is tot hij voldoende is hersteld om elders te solliciteren.”\n\n2.8.. \n [verweerder] is op 16 april 2024 begonnen met zijn re-integratietraject. Op 17 april 2024, de tweede dag van de re-integratie, heeft een incident plaatsgevonden tussen [verweerder] en een HR-medewerkster van Gamepoint. Gamepoint heeft naar aanleiding hiervan op 25 april 2024 een schriftelijke waarschuwing gegeven aan [verweerder] voor het (kort gezegd) schreeuwen en verbaal agressief bejegenen van de HR-medewerkster.\n\n2.9.. Op 8 mei 2024 heeft [verweerder] aan Gamepoint bericht dat hij vanuit huis zal werken totdat Gamepoint de adviezen van de bedrijfsarts implementeert. In de daaropvolgende e-mailwisseling heeft Gamepoint aan [verweerder] laten weten dat de bedrijfsarts niet heeft geadviseerd om hem vanuit huis te laten werken en dat hij daarom uiterlijk 15 mei 2024 terug op kantoor wordt verwacht. Nadat [verweerder] die dag opnieuw niet op kantoor was verschenen, heeft Gamepoint hem een schriftelijke waarschuwing gegeven onder aanzegging dat het loon zou worden stopgezet als hij niet uiterlijk 22 mei 2024 alsnog op het werk zou verschijnen. Gamepoint heeft deze loonstop feitelijk niet uitgevoerd.\n\n2.10.. \n [verweerder] heeft op 5 juni 2024 een afspraak gehad met de bedrijfsarts. In het gespreksverslag schrijft de bedrijfsarts:\n\n“Het is duidelijk geworden dat de werkgerelateerde factoren binnen spoor 1 een negatieve invloed hebben op de gezondheid van betrokkene, waardoor verdere re-integratie in dit spoor medisch niet langer verantwoord is. Elders zal betrokkene snel kunnen re-integreren, echter binnen spoor 1 heeft betrokkene steeds weer een terugval in de medische aandoening.\n\nOm de reden dat spoor 1 ziekmakend is adviseer ik een overgang naar spoor 2 voor de re-integratie van betrokkene. Dit advies is gebaseerd op de noodzaak om een medisch verantwoorde en succesvolle re-integratie mogelijk te maken.”\n\n2.11.. In het gespreksverslag van de opvolgende afspraak van 17 juli 2024 vermeldt de bedrijfsarts:\n\n“Re-integratie advies\n\nOpstarten en vervolgen 2e spoor, ook al kan formeel eerste spoor nooit helemaal afgesloten worden tenzij daar medische gronden voor zijn. Betrokkene erkent en herkent ook wel dat terugkeer op eerste spoor niet de gezondheid zal bevorderen, eerder zal schade. Derhalve is het beste advies in deze om 2e spoor te laten prevaleren.”\n\n2.12.. Het verslag van de bedrijfsarts van de afspraak van 4 juni 2025 vermeldt vervolgens:\n\n“Stand van zaken \u002F advies\n\nBetrokkene maakte over laatste weken een goede en stabiele verdere vooruitgang door. Er zijn op dit moment feitelijk geen beperkingen meer aan te nemen. Het is goed te zien dat betrokkene vanuit een voor hem zeer moeilijke situatie weer de veerkracht heeft ontwikkeld en herstel heeft bewerkstelligd met inzet van gerichte ondersteuning. De WIA aanvraag loopt reeds evenals het 2e spoor.\n\nBetrokkene is hersteld te achten voor eigen werk.\n\nFunctionele mogelijkheden en beperkingen\n\nGeen\n\nRe-integratie advies\n\nFeitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.\n\nDit advies blijft van kracht.\n\nMen zal derhalve onderling nu verder moeten gaan afstemmen hoe hier mee om te gaan. Naar werd begrepen hebben beide partijen hierbij gerichte hulp en expertise aangesloten.\n\nPrognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk\n\nBetrokkene is volledig belastbaar voor eigen werk, maar volledige terugkeer zal elders moeten plaatsvinden ter preventie van terugval en toename beperkingen\u002Fziekte.”\n\n2.13.. \n [verweerder] heeft, naar aanleiding van het laatste advies van de bedrijfsarts, op 9 juni 2025 het volgende bericht aan Gamepoint:\n\n“My case worker (…) delivered the company doctor report on 07-06-2025. I have now recovered and I’m ready to return to work.”\n\nGamepoint heeft hierop de volgende dag aan [verweerder] geantwoord:\n\n“Op dit moment zijn we intern in overleg over de juiste vervolgstappen op basis van het advies van de bedrijfsarts en jouw situatie, gezien werkhervatting bij eigen werkgever wordt afgeraden. Zodra we hierover duidelijkheid hebben, nemen we contact met je op om dit samen verder te bespreken.”\n\n2.14.. Gamepoint heeft op 10 juli 2025 bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend om [verweerder] te mogen ontslaan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.\n\n2.15.. Gamepoint heeft voor de onderbouwing van haar ontslagaanvraag bij het UWV de volgende vragen aan de bedrijfsarts gesteld:\n\n“Hartelijk dank voor uw eerder afgegeven 26-weken verklaring waarin u aangeeft dat de heer [verweerder] medisch hersteld is voor het eigen werk.\n\nIn eerdere contacten en medische adviezen heeft u echter ook geadviseerd dat hervatting van werkzaamheden binnen onze organisatieniet wenselijk is, vanwege een reëel risico op terugval in het verzuim. Deze overweging is cruciaal in het kader van onze voorgenomen ontslagaanvraag bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Wij verzoeken u vriendelijk, met het oog op deze procedure, om uw verklaring aan te vullen of te verduidelijken op de volgende punten:\n\nKunt u bevestigen dat – ondanks medische herstel melding – hervatting van werkzaamhedenbinnen onze organisatie volgens uw inschatting leidt tot een aanzienlijk kans op terugval?\n\nBent u bereid dit risico op terugval expliciet op te nemen in een aangepaste 26-wekenverklaring, zodat voor het UWV duidelijk is dat duurzaam inzetbaar zijn bijons niet realistisch is binnen 26 weken?\n\n(…)”\n\nDe bedrijfsarts heeft op 6 augustus 2025 als volgt geantwoord:\n\n“Als eerder aangegeven is het opstellen van een 26 weken verklaring waarbij de wachttijd niet is volgemaakt en er een hersteldverklaring reeds daarvoor aan de orde was, niet aan de orde. U refereert aan mijn eerdere adviezen waarin ik aangaf dat een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim. Dit destijds gegeven advies is nog steeds actueel en zal ook de komende 26 weken (en daarna) niet veranderen. Een duurzame werkhervatting binnen uw organisatie is derhalve niet wenselijk en niet realistisch.\n\nBovenstaande kunt u, wat mij betreft, gebruiken als de door u gevraagde verklaring.”\n\n2.16.. Het UWV heeft de ontslagaanvraag bij besluit van 2 oktober 2025 afgewezen, omdat (samengevat) de bedrijfsarts [verweerder] volledig belastbaar acht voor eigen werk en het opstellen van een 26-wekenverklaring door de bedrijfsarts is geweigerd omdat reeds een hersteldverklaring is afgegeven vier weken vóór het einde van de wachttijd voor de WIA.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Gamepoint verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, op de grond dat sprake is van (primair tot meest subsidiair):\n\nziekte of gebreken waardoor [verweerder] niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, terwijl aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal plaatsvinden (b-grond);\n\neen verstoorde arbeidsverhouding (g-grond);\n\nandere omstandigheden zodanig dat het voort laten duren van de arbeidsovereenkomst van Gamepoint niet kan worden gevergd (h-grond);\n\neen combinatie van gronden (i-grond).\n\n3.2.. \n [verweerder] berust in ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzoekt de kantonrechter om bij de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde einddatum van het dienstverband te bepalen rekening houdend met de opzegtermijn, zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nGamepoint te veroordelen tot een transitievergoeding van € 20.585,40 bruto en een billijke vergoeding van € 225.000,- bruto;\n\nGamepoint te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over voornoemde vergoedingen vanaf de datum van opeisbaarheid;\n\nGamepoint te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van [verweerder] van € 27.891,72 (exclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking;\n\nvoor recht te verklaren dat Gamepoint geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding;\n\nen als voorwaardelijk tegenverzoek voor het geval Gamepoint haar verzoek tot ontbinding intrekt:\n\n6. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW, onder toekenning van al het voorgaande.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen wordt in de beoordeling – voor zover relevant – ingegaan.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt vast dat partijen het met elkaar eens zijn dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, in ieder geval omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aangezien de juridische gevolgen van een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding dezelfde zijn als die van een ontbinding op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid, kan in het midden worden gelaten of de ontbinding daarnaast zou slagen op de primair door Gamepoint aangevoerde b-grond.\n\n4.2.. Partijen twisten wel over de vraag per welke datum de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden en welke vergoedingen daarbij aan [verweerder] moeten worden toegekend. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, zodat de einddatum volgens hem moet worden bepaald zonder aftrek van de proceduretijd en hij naast de transitievergoeding ook aanspraak maakt op een billijke vergoeding en een werkelijke proceskostenvergoeding. Het ernstig verwijtbaar handelen is er volgens [verweerder] (samengevat) in gelegen dat Gamepoint:\n\nop 3 juli 2023 zonder aanleiding en op dwingende wijze heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband;\n\ntegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over de noodzaak van de beëindiging, waaronder door ten onrechte voor te houden dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen;\n\ndoor de bedrijfsarts geadviseerde mediation heeft afgehouden;\n\ne re-integratieverplichtingen heeft geschonden door [verweerder] niet te re-integreren in zijn eigen functie;\n\nonzorgvuldig is omgegaan met medische gegevens van [verweerder] ;\n\nde herstelmelding van [verweerder] heeft geweigerd en de reguliere salarisbetaling van [verweerder] niet heeft hervat;\n\neen ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige ziekte, terwijl zij moest begrijpen dat dit geen kans van slagen had.\n\nHet vervallen van de functie\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt ten aanzien van de hiervoor onder a en b genoemde gronden. In de overeenkomst die ter afronding van de mediation op 11 maart 2024 door partijen is gesloten, heeft [verweerder] erkend dat het conflict dat tot dan toe tussen hem en Gamepoint was ontstaan is opgelost. [verweerder] betwist dat tijdens de mediation is gesproken over het vervallen van zijn functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter dat [verweerder] zelf aan de bedrijfsarts heeft verteld dat de mediation is afgerond met de conclusie dat hij vanwege een reorganisatie niet meer kan terugkeren naar zijn functie bij Gamepoint, dat hij dit begrijpt en dat hij tijdelijk in het eerste spoor zou re-integreren met het doel om zich klaar te maken voor een sollicitatie elders. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het vervallen van de functie van [verweerder] tijdens de mediation onderwerp van gesprek is geweest en dat partijen hun conflict daaromtrent hebben opgelost. Nu [verweerder] het vervallen van zijn functie dus zelf heeft erkend, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint met [verweerder] het gesprek is aangegaan over het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter ziet in de stukken ook geen aanknopingspunt om te geloven dat Gamepoint [verweerder] daarbij op een onnodig dwingende wijze zou hebben benaderd.\n\nHet starten van mediation\n\n4.4.. Verder blijkt uit de stukken ook niet dat Gamepoint het opstarten van het mediationtraject op ontoelaatbare wijze zou hebben afgehouden, zoals [verweerder] stelt. De bedrijfsarts heeft op 30 augustus 2023 voor het eerst mediation geadviseerd. Volgens [verweerder] heeft Gamepoint naar aanleiding van dat advies opnieuw aan hem voorgesteld om de arbeidsovereenkomst te eindigen met een vaststellingsovereenkomst, in plaats van dat zij meteen is overgegaan tot het inschakelen van een mediator. De kantonrechter acht het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint niet ernstig verwijtbaar, ook niet onder de omstandigheid dat reeds mediation was geadviseerd door de bedrijfsarts. De insteek van mediation kan tenslotte juist zijn dat partijen de gelegenheid krijgen om met elkaar te spreken over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden kan eindigen. Daarnaast blijkt uit de eigen stellingen van [verweerder] dat hij na het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint tot december 2023 zelf niet in staat was om te beginnen met mediation. Toen hij daartoe weer wel in staat was, is de mediation in februari 2024 aangevangen. De kantonrechter acht dit geen buitensporig lang tijdsbestek.\n\nDe re-integratieverplichtingen\n\n4.5.. \n [verweerder] verwijt verder aan Gamepoint dat zij haar re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden, doordat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter, zoals gezegd, dat [verweerder] heeft erkend dat hij niet terug kan keren naar zijn eerdere functie bij Gamepoint. Uit het re-integratieadvies van de bedrijfsarts volgt dat daarom is gekozen voor een tijdelijke re-integratie in het zogeheten 1e spoor bij Gamepoint, totdat [verweerder] een functie elders zou hebben gevonden. De re-integratie van [verweerder] was van meet af aan dus nadrukkelijk nietgericht op een terugkeer in zijn eigen functie. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in zijn gespreksverslag van 17 juli 2024 – iets meer dan drie maanden nadat het re-integratietraject was begonnen – geschreven dat [verweerder] op dat moment zelf inzag dat het zijn gezondheid zou schaden om verder bij Gamepoint te re-integreren. Dit is ook in lijn met de daaropvolgende adviezen van de bedrijfsarts, waarin steeds terugkomt dat het niet goed zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om weer bij Gamepoint aan de slag te gaan. In het licht van deze omstandigheden valt Gamepoint niet ernstig te verwijten dat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie.\n\n4.6.. \n [verweerder] heeft verder een aantal andere stellingen aangevoerd waaruit volgens hem volgt dat de re-integratieverplichtingen door Gamepoint zijn geschonden. Hij stelt (kort gezegd) dat Gamepoint hem tijdens de re-integratie zou hebben geprobeerd weg te pesten, onder andere door hem zijn gebruikelijke werkplek af te nemen en hem een laptop te geven met maar zeer beperkte toegang tot de systemen van Gamepoint en een e-mailadres waarmee hij slechts één collega kon e-mailen. Ook meent [verweerder] dat Gamepoint hem ten onrechte een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven voor thuiswerken. Gamepoint brengt hier tegenin dat de gebruikelijke werkplek van [verweerder] was komen te vervallen als gevolg van een herindeling van het gebouw, waardoor het persoonlijke kantoor van [verweerder] was gewijzigd in een garderobe. De beperkte toegang van [verweerder] tot de systemen laat zich volgens Gamepoint verklaren door het feit dat hij re-integratiewerkzaamheden verrichtte in een andere functie dan hij eerder bekleedde, waarvoor niet noodzakelijk was dat hij vergaande toegang zou hebben tot bedrijfsgevoelige informatie van Gamepoint. Gamepoint betwist dat [verweerder] met zijn e-mailadres slechts één contactpersoon kon e-mailen. Tot slot stelt Gamepoint zich op het standpunt dat thuiswerken gelet op de re-integratiewerkzaamheden die [verweerder] moest uitvoeren niet mogelijk was en dat zij hem daarom terecht heeft gesommeerd terug naar kantoor te komen.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat – in het licht van de gemotiveerde betwisting door Gamepoint – het op de weg van [verweerder] had gelegen om nader te onderbouwen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden door hem onnodig beperkende maatregelen op te leggen tijdens zijn re-integratie. [verweerder] is in die onderbouwing niet geslaagd. Zo heeft hij geen deskundigenoordeel van het UWV overgelegd waaruit de schending van de re-integratieverplichtingen kan blijken. [verweerder] heeft verwezen naar het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024, waarin de bedrijfsarts schrijft dat de re-integratie in het 1e spoor voor [verweerder] ‘ziekmakend’ is. Dit advies van de bedrijfsarts heeft echter niet dezelfde waarde als een deskundigenoordeel van het UWV, omdat dit advies is opgesteld enkel op basis van de verklaringen van [verweerder] en niet die van Gamepoint. De kantonrechter kan bij gebrek aan verdere onderbouwing daarom niet vaststellen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Ook kan de kantonrechter daardoor niet vaststellen of het binnen de kaders van de re-integratie voor [verweerder] mogelijk was om thuis te werken. Daarom is niet komen vast te staan dat Gamepoint ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem daarvoor een schriftelijke waarschuwing te geven.\n\nDe omgang met medische gegevens\n\n4.8.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint daarnaast dat zij onzorgvuldig zou zijn omgegaan met zijn medische gegevens. De kantonrechter begrijpt dat [verweerder] hiermee doelt op het incident dat zich op 17 april 2024 heeft voorgedaan tussen hem en een HR-medewerkster van Gamepoint. Volgens [verweerder] heeft de medewerkster zijn medische gegevens ter sprake gebracht, terwijl voor hem op dat moment niet kenbaar was dat zij HR-werkzaamheden uitvoerde en over die gegevens mocht beschikken. Volgens [verweerder] verklaart dit zijn reactie jegens de medewerkster. De kantonrechter overweegt dat, wat hier ook van zij, [verweerder] niet heeft weersproken dat de medewerkster die hem aansprak feitelijk wel belast was met HR-taken en dat zij daarom over de betreffende medische gegevens mocht beschikken. Daarin kan het gestelde onzorgvuldig handelen van Gamepoint dus niet zijn gelegen. Het enkele feit dat de medewerkster zich niet voorafgaand aan haar gesprek met [verweerder] als HR-medewerkster voor hem heeft geïdentificeerd, levert ook geen ernstig verwijt aan Gamepoint op.\n\n4.9.. \n [verweerder] stelt verder dat de HR-medewerkster de medische gegevens ter sprake bracht in het bijzijn van meerdere collega’s van [verweerder] , terwijl zij moest begrijpen dat het privacygevoelige informatie betrof. Gamepoint betwist dat er collega’s bij het gesprek aanwezig waren. In het midden gelaten of en zo ja, hoeveel collega’s van het gesprek getuige zijn geweest, staat vast dat [verweerder] de HR-medewerkster direct heeft gesommeerd om niet over zijn medische situatie te spreken, waarna het gesprek onmiddellijk is geëindigd. In het licht daarvan is het enkele feit dat de HR-medewerkster eenmalig medische gegevens van [verweerder] ter sprake heeft gebracht terwijl collega’s dit mogelijk konden horen – voor zover dat al zo is – hoogstens verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar aan Gamepoint.\n\n4.10.. Verder is in deze procedure gebleken dat partijen ieder hun eigen kijk hebben op de manier waarop het gesprek tussen [verweerder] en de HR-medewerkster exact is verlopen. [verweerder] betwist dat hij de HR-medewerkster intimiderend of agressief heeft bejegend, maar partijen zijn het er in ieder geval over eens dat het een onprettig gesprek was. Tegen die achtergrond acht de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint [verweerder] na afloop een schriftelijke waarschuwing heeft gestuurd voor zijn bejegening van de HR-medewerkster, daargelaten of die waarschuwing in zijn geheel terecht was.\n\nHet weigeren van de herstelmelding\n\n4.11.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint tot slot dat zij zijn herstelmelding van 9 juni 2025 niet heeft geaccepteerd, zij per die datum niet is overgegaan tot betaling van 100% van het salaris en zij een bij voorbaat kansloze ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV. De kantonrechter merkt ten aanzien van de salarisbetalingen allereerst op dat uit de stellingen van [verweerder] blijkt dat het restant van het salaris na aanmaning door de advocaat van [verweerder] alsnog door Gamepoint is betaald, zij het onder protest. Geen van beide partijen heeft in deze procedure een verzoek ingesteld omtrent deze betalingen. De kantonrechter kan daarom in zoverre in het midden laten of Gamepoint verplicht was om vanaf 9 juni 2025 over te gaan tot betaling van 100% van het salaris. De kantonrechter hoeft slechts te beoordelen of het Gamepoint ernstig kan worden verweten dat zij ondanks de herstelmelding aanvankelijk het salaris bij ziekte is blijven betalen en [verweerder] niet heeft toegelaten tot het werk. De kantonrechter is van oordeel dat dit – onder de bijzondere omstandigheden van het geval – niet ernstig aan Gamepoint kan worden verweten en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.12.. Zoals reeds hiervoor aangehaald, blijkt uit het advies van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 dat vanaf het begin van de re-integratie duidelijk was dat [verweerder] niet naar zijn eerdere functie bij Gamepoint zou terugkeren en dat de re-integratie erop gericht was hem in staat te stellen een geschikte functie elders te vinden. In het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024 – en ieder van de daaropvolgende adviezen – is daar door de bedrijfsarts aan toegevoegd dat het zelfs schadelijk zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om terug te keren naar Gamepoint.\n\n4.13.. In het advies van 4 juni 2025 schrijft de bedrijfsarts vervolgens: “Feitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.” De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat dit advies van de bedrijfsarts berust op een interne tegenstrijdigheid. Deeigen, bedongen arbeidvan [verweerder] is immers de arbeid die hij bij Gamepoint zou moeten verrichten en dat is nu juist de arbeid waarvan de bedrijfsarts tegelijkertijd (en bij herhaling) vaststelt dat [verweerder] deze niet kan verrichten, omdat dit schadelijk is voor zijn gezondheid. Op basis van de overige inhoud van het advies van 4 juni 2025 en de voorafgaande adviezen van de bedrijfsarts ligt dan ook veeleer de conclusie voor de hand dat [verweerder] – kennelijk op medische gronden –nietin staat werd geacht tot het verrichten van zijn eigen bedongen arbeid bij Gamepoint. Op navraag van Gamepoint heeft de bedrijfsarts dit in de e-mail van 6 augustus 2025 ook met zoveel woorden bevestigd. Daarin schrijft de bedrijfsarts dat het advies dat “een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim”nog steeds geldt en de komende 26 weken en daarna niet zal veranderen, zodat een duurzame werkhervatting binnen Gamepoint niet wenselijk of realistisch is.\n\n4.14.. Gelet op deze ongerijmdheid in het advies van de bedrijfsarts van 4 juni 2025, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de daarop volgende herstelmelding van [verweerder] niet heeft aanvaard en zich op het standpunt is blijven stellen dat hij zijn werk bij Gamepoint niet kon hervatten. Gamepoint heeft zich naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts begrijpelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het medisch onverantwoord zou zijn om [verweerder] tot het werk toe te laten. In dat licht acht de kantonrechter het ook niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de salarisbetalingen niet onmiddellijk heeft hersteld tot 100%, aangezien zij zich ook begrijpelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dus nog altijd sprake was van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] .\n\n4.15.. Ten overvloede kan aan het voorgaande worden toegevoegd dat [verweerder] , zoals reeds toegelicht, eerder heeft erkend dat zijn functie bij Gamepoint is komen te vervallen. Voor beide partijen was dus duidelijk dat van een terugkeer naar de eigen bedongen arbeid hoe dan ook geen sprake kon zijn. Ook in dat licht acht de kantonrechter goed te begrijpen dat Gamepoint niet wist welke gevolgen zij aan de herstelmelding van [verweerder] kon of moest verbinden.\n\n4.16.. Tot slot is onder de genoemde omstandigheden niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint een ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Het is geenszins gebleken dat die ontslagaanvraag bij voorbaat kansloos was, gelet op het feit dat de bedrijfsarts in de e-mail van 6 augustus 2025 heeft bevestigd dat het risico op een terugval in medische problematiek de komende 26 weken en daarna zou blijven bestaan en duurzame werkhervatting bij Gamepoint daarom – kennelijk op medische gronden – onwenselijk en onrealistisch werd geacht.\n\nDe ontbinding en de gevolgen daarvan\n\n4.17.. De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zonder dat dit ernstig aan een van de partijen is te wijten. De einddatum van het dienstverband moet daarom worden vastgesteld met inachtneming van de opzegtermijn en onder aftrek van de procedure tijd (artikel 7:671b lid 9 sub a BW). In artikel 22 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat als opzegtermijn de wettelijke opzegtermijn geldt. In dit geval is dat twee maanden, omdat het dienstverband langer dan vijf maar korter dan 10 jaar heeft geduurd (artikel 7:672 lid 2 sub b BW). Het ontbindingsverzoek is ontvangen op 2 december 2025 en deze beschikking wordt uitgesproken op 4 juni 2026. Na aftrek van de proceduretijd dient echter een termijn van minstens één maand te resteren. Zodoende wordt de einddatum 4 juli 2026.\n\n4.18.. Gamepoint is geen billijke vergoeding verschuldigd, omdat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wel is zij aan [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd. Partijen zijn in hun berekeningen van de transitievergoeding beide uitgegaan van een andere einddatum van het dienstverband dan hiervoor genoemd. Uitgaande van een datum indiensttreding van [datum] 2018, een bruto maandsalaris van € 7.722,- (inclusief vakantiegeld) en een einddatum van 4 juli 2026, bedraagt de transitievergoeding € 20.806,50 bruto (artikel 7:673 lid 2 BW).Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dit geval 4 augustus 2026 (artikel 7:686a lid 1 BW).\n\n4.19.. Het verzoek om [verweerder] te ontheffen uit zijn verplichtingen uit het relatie- en concurrentiebeding wordt afgewezen. Nu het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, bestaat geen grond voor toewijzing van dat verzoek.\n\nDe proceskosten\n\n4.20.. De uitkomst van deze procedure is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, terwijl geen van beide partijen daarvan een ernstig verwijt valt te maken. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. In dat oordeel ligt besloten dat het verzoek van [verweerder] tot een werkelijke proceskostenveroordeling wordt afgewezen.\n\n5. Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 4 juli 2026;\n\n5.2.. veroordeelt Gamepoint om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 20.806,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2026 tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.3.. compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;\n\n5.4.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026.\n\n Het dienstverband heeft 8 jaren en 1 maand geduurd.\n\n1\u002F3 x € 7.722,- bruto x 8 jaren = € 20.592,- bruto;\n\n1 maand x ((1\u002F3 x € 7.722,- bruto) \u002F 12) = € 214,50 bruto;\n\n€ 20.592,- + € 214,50 = € 20.806,50 bruto.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.758Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"1144","ECLI:NL:RBDHA:2026:16924","ecli-nl-rbdha-2026-16924","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nesp\u002Fc\n\nZaaknummer: 12005853 \\ RL EXPL 25-23149\n\nVonnis van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres],\n\ngemachtigde: FNV (voorheen mr. J. Aberkrom, thans mr. W.A. van Mourik),\n\ntegen\n\nde stichting STICHTING HOGER BEROEPS ONDERWIJS HAAGLANDEN,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: HHS,\n\ngemachtigde: mr. M. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van:\n\n- de dagvaarding van 1 december 2025; - de conclusie van antwoord; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de door beide partijen in het geding gebrachte producties.\n\n1.2.. Op 22 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij zijn verschenen: [eiseres], bijgestaan door mr. Van Mourik, en namens HHS, [naam] (voorzitter van het college van bestuur), bijgestaan door mr. M. de Vries. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking tussen partijen is niet bereikt.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. HHS bestuurt een onderwijsinstelling die hbo-opleidingen aanbiedt.2.2.. \n [eiseres] is op 28 januari 2013 in dienst getreden bij HHS. De laatste functie die zij vervulde, is die van opleidingsmanager ad interim, met een maandsalaris van € 7.227,86 bruto.\n\n2.3.. Op 29 januari 2018 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. Vanaf 27 januari 2020 heeft [eiseres] een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijke arbeidsongeschikten (een WGA-uitkering) ontvangen.\n\n2.4.. Bij verzoekschrift van 2 december 2022 heeft HHS de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens primair langdurige arbeidsongeschiktheid (b-grond), subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair andere omstandigheden (h-grond) met, als de kantonrechter een transitievergoeding toekent, toewijzing van het door de HHS als zodanig berekende bedrag met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.\n\n2.5.. Bij beschikking van 10 februari 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2023 ontbonden op de b-grond en HHS veroordeeld een transitievergoeding te betalen van € 19.706,25 (bruto) en de proceskosten. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat geen sprake meer is van een opzegverbod omdat de arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaren heeft geduurd en niet te verwachten is dat [eiseres] binnen 26 weken zodanig hersteld is dat zij haar werkzaamheden (in aangepaste vorm) weer kan verrichten of in een andere passende functie kan worden herplaatst. De billijke vergoeding is afgewezen omdat de HHS geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n2.6.. Tegen deze beschikking is door [eiseres] hoger beroep ingesteld.\n\n2.7.. Het Gerechtshof Den Haag is in zijn beschikking van 26 maart 2024 tot de slotsom gekomen dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat herstel van [eiseres] binnen 26 weken voor het verrichten van het eigen werk (al dan niet in aangepaste vorm) niet te verwachten is en dat om dezelfde reden herplaatsing in een andere passende niet in de rede ligt. Het hof is vervolgens tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gekomen per 1 juni 2023. Daarnaast is HHS tot betaling van een (hogere) transitievergoeding van € 29.941,25 (bruto) en de proceskosten veroordeeld.\n\n2.8.. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de eindafrekening. Bij dagvaarding van 22 mei 2024 heeft [eiseres] gevorderd dat HHS wordt veroordeeld tot betaling van door haar genoemde bedragen ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en (proces)kosten. In reconventie heeft HHS gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van bedragen in verband met door HHS onverschuldigd betaalde verlofuren, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.\n\n2.9.. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 19 december 2024 het saldo van door [eiseres] opgebouwde en nog niet door HHS uitbetaalde verlofuren per einde dienstverband vastgesteld en het tarief waartegen deze verlofuren moeten worden uitbetaald. HHS is veroordeeld een bedrag van € 7.063,21 (bruto) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen aan [eiseres] te betalen vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en wettelijke rente. Daarnaast is HHS veroordeeld tot betaling van bedragen voor vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente en (proces)kosten. De reconventionele vordering van HHS is afgewezen en HHS is in de kosten veroordeeld.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiseres] vordert – samengevat – HHS bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van:\n\na. een bedrag van € 33.790,88 (bruto) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen;\n\nb. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over hiervoor genoemde post;\n\nc. een bedrag van € 1.366,37 (excl. BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;\n\nd. de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen;\n\ne. de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiseres] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij maakt aanspraak op wettelijke vakantiedagen opgebouwd in de periode van 30 januari 2020 tot aan het einde van het dienstverband op 1 juni 2023. Artikel 7:634 lid 1 BW dat bepaalt dat slechts wettelijke vakantiedagen worden opgebouwd over de periode dat een werknemer aanspraak heeft op loon is in strijd met artikel 7 lid 1 van de Richtlijn 2003\u002F88\u002FEG (de Richtlijn), met artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en met vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uitgaande van een verlofopbouw van 160 uur per jaar heeft zij tussen 30 januari 2020 en 1 juni 2024 534,39 vakantie-uren opgebouwd. Deze uren gewaardeerd tegen een uurloon van € 63,23 leidt tot een bedrag van € 33.790,88 (bruto). Daarnaast maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke verhoging van 50% ex 7:625 BW jo artikel 18c van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WMM) en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW.\n\n3.3.. HHS voert verweer. HHS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. HHS voert – samengevat – het volgende aan. In het vonnis van 19 december 2024 zijn de verlofuren van [eiseres] tot einde dienstverband al aan de orde gesteld en heeft de kantonrechter daar al een oordeel over gegeven. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde en bindt partijen zodat deze vraag niet nogmaals aan de rechter kan worden voorgelegd. [eiseres] heeft in haar dagvaarding van 22 mei 2024 erkend dat zij geen vakantie-uren heeft opgebouwd over de jaren 2022 en 2023. [eiseres] had haar vordering eerder kunnen instellen. Zij had ook eerder aan HHS kenbaar kunnen maken aanspraak te maken op opbouw van vakantie-uren. [eiseres] heeft haar rechten verwerkt om uitbetaling van opgebouwde vakantie-uren vanaf het derde ziektejaar te vorderen. HHS mocht er op vertrouwen dat zij dit niet meer aan de orde zou stellen. Ook heeft zij de klachtplicht van artikel 6:89 BW geschonden. HHS beroept zich op artikel 7:634 BW en stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van strijd met Richtlijn of Handvest. HHS meent dat [eiseres] haar met deze procedure nodeloos op kosten jaagt en verzoekt haar te veroordelen in de proceskosten en ingeval van toewijzing van de vordering rekening te houden met door HHS nodeloos gemaakte proceskosten.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nHet meest verstrekkende verweer van HHS bestaat uit het beroep op de kracht en het gezag van gewijsde van het vonnis van 19 december 2024. In dat vonnis is volgens HHS al beslist over door [eiseres] opgebouwde vakantieaanspraken tot het einde van het dienstverband. Dezelfde vraag kan in deze procedure niet nogmaals aan de orde worden gesteld. Volgens [eiseres] heeft de kantonrechter zich in die eerdere zaak niet uitgelaten over de opbouw van wettelijke verlofuren na afloop van de loondoorbetalingsverplichting. Dat betekent dat de onderhavige vordering zelfstandig dient te worden beoordeeld en niet kan worden afgewezen op grond van een eerdere uitspraak, aldus [eiseres].\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiseres] betrekking heeft op wat in de eerdere procedure aan de orde is geweest en waar de kantonrechter zich toen al over heeft uitgesproken, zodat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n4.2.. \n\nIn artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De ratio van het leerstuk van gezag van gewijsde komt erop neer dat aan geschillen tussen partijen over dezelfde rechtsbetrekking eens een einde moet komen.\n\nHet gezag van gewijsde staat eraan in de weg dat dezelfde vordering opnieuw wordt ingesteld, ook als er nieuw bewijsmateriaal beschikbaar is (HR 14 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3786) of de grondslag nader is onderbouwd met aanvullende feiten (HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000). Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde is niet vereist dat in de volgende procedure hetzelfde wordt gevorderd als in de eerste procedure. Het gaat erom dat de beslissing in de eerste procedure in de weg staat aan een nieuw oordeel over de rechtsbetrekking dat in de latere procedure wordt gevraagd, in die zin dat dit nieuwe oordeel zou kunnen leiden tot een vonnis dat zich naar zijn uitkomst niet met het eerdere vonnis verdraagt (HR 18 september 1992, NJ 1992\u002F747). Het gezag van gewijsde komt toe aan alle beslissingen die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak dragen (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514).\n\n4.3.. Vast staat dat het vonnis van de kantonrechter van 19 december 2024 in kracht van gewijsde is gegaan. De beslissingen in dat vonnis die noodzakelijk zijn om de rechtsverhouding tussen partijen te bepalen en de in het dictum neergelegde uitspraak dragen, hebben daarmee tussen partijen gezag van gewijsde.\n\n4.4.. In het vonnis van 19 december 2024 is de door [eiseres] in die procedure ingestelde vordering – voor zover hier van belang – als volgt (in 3.1 aanhef en onder a) verwoord: “[eiseres] vordert (…) de HHS te veroordelen tot betaling van een bedrag (…) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”De kern van het geschil tussen partijen is door de kantonrechter (in 4.2) genoemd:“de discussie over het verschil in saldo van verlofuren van [eiseres] per einde dienstverband.”De kantonrechter heeft (in 4.3) overwogen dat:“[u]it het overzicht van de HHS volgt dat [eiseres] per 27 januari 2020 (de datum waarop de loondoorbetalingsverplichting van de HHS stopte) een verlof saldo had van 539,32 uren.”Omdat [eiseres] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat dit niet correct zou zijn, is de kantonrechter – zo heeft zij in 4.3 toegelicht – uitgegaan van de juistheid van dit verlofsaldo. Vervolgens heeft de kantonrechter beoordeeld of deze uren alle voor vergoeding in aanmerkingen komen en tegen welk uurloon. Dat heeft geleid tot de beslissing dat (in 5. onder 1.) de HHS is veroordeeld om aan [eiseres] te betalen“een bedrag van € 7.063,21 bruto ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”\n\n4.5.. \n\nHet vonnis van 19 december 2024 kan niet anders worden begrepen dan dat daarin alle verlofaanspraken van Nanninga op HHS tot het einde van het dienstverband (dat wil zeggen: tot 1 juni 2023) zijn vastgesteld. Het gaat immers in de beoordeling over aanspraken per einde dienstverbanden in de beslissing over eeneindafrekeningvan vakantiedagen. Dat bestrijkt de gehele periode dat het dienstverband heeft geduurd tot het einde per 1 juni 2023. Dat partijen er in die procedure vanuit zijn gegaan dat er geen verlof is opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken is daarbij niet van belang. Van belang is dat de verlofaanspraken voor de gehele periode tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2023 zijn vastgesteld in het vonnis van 19 december 2024.\n\nDaarmee is er geen ruimte meer om voor een bepaald tijdvak binnen die gehele periode, te weten: de periode van 27 januari 2020 tot 1 juni 2023, nogmaals een vordering tot vaststelling van verlofdagen in te stellen. Een nieuw oordeel over de eindafrekening vakantiedagen, zou tot een nieuwe eindafrekening (kunnen) leiden die zich naar zijn uitkomst niet met de eindafrekening uit het vonnis van 19 december 2024 kan verdragen. Dat zou dan tot de onwenselijke situatie leiden dat er met betrekking tot de dezelfde rechtsbetrekking twee vonnissen met twee (verschillende) eindafrekeningen naast elkaar bestaan. Wanneer [eiseres] van mening was dat zij ook vakantieaanspraken heeft opgebouwd in de periode van 27 januari 2020 tot 1 juni 2023 dan had zij die in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 19 december 2024 kunnen vorderen en\u002Fof van dit vonnis tijdig in beroep moeten komen.\n\n4.6.. Ter zitting heeft [eiseres] naar voren gebracht dat er geen sprake was van een ‘klassiek’ slapend dienstverband maar dat er – zo begrijpt de kantonrechter, tijdens het slapende dienstverband – re-integratieactiviteiten door haar zijn ondernomen en dat HHS, al dan niet in verband daarmee, haar verplichtte verlofuren te registreren. HHS heeft bezwaargemaakt tegen deze nieuwe grondslag, heeft zowel de re-integratieactiviteiten als de registratie van verlof betwist en heeft er daarbij op gewezen dat de rechters in alle eerdere procedures steeds hebben vastgesteld dat er geen re-integratie heeft plaatsgevonden ook niet na de 104-wekenperiode.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat deze nieuwe grondslag niet in de dagvaarding genoemd is en daarin ook niet impliciet aan de orde is gesteld. In eerdere procedures tussen partijen is de vraag of re-integratie (voor en na het einde van 104-wekenperiode) heeft plaatsgevonden aan de orde geweest en is daarover geoordeeld. In deze procedure heeft [eiseres] aan re-integratie of aan het opbouwen of opnemen van verlof, geen woord besteed tot de mondelinge behandeling. Met HHS is de kantonrechter het eens dat dat te laat is. Door [eiseres] is niet toegelicht waarom dit beroep zo laat in de procedure gedaan is. [eiseres] had zich in de dagvaarding op deze grondslag kunnen beroepen. Door dit pas op de mondelinge behandeling aan de orde te stellen, heeft [eiseres] HHS de mogelijkheid ontnomen om hierop deugdelijk voorbereid te reageren. Daarmee komt de kantonrechter tot het oordeel dat [eiseres] in strijd met de goede procesorde (artikel 130 Rv) heeft gehandeld en blijft deze grondslag buiten beschouwing\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat in het vonnis van 19 december 2024 al is beslist over de verlofaanspraken van [eiseres] tot het einde van haar dienstverband en dat die beslissing partijen bindt zodat de vorderingen van [eiseres] in deze procedure zullen worden afgewezen.\n\n4.9.. \n\n [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding andere kosten dan die hieronder genoemd ten laste van [eiseres] te brengen.\n\nDe proceskosten van HHS worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.732,00\n\n(2 punten × € 866,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.876,00\n\n4.10.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiseres] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16924","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.442Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":64,"updatedAt":83},"1032","ECLI:NL:GHDHA:2026:658","ecli-nl-ghdha-2026-658","2026-04-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.357.129\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11153989 CV EXPL 24-14797\n\nArrest van 28 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. S. Karkache, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.G. Mahn, kantoorhoudend in Amstelveen.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .\n\n1. De zaak in het kort1.1. De vordering van [appellant] (schadevergoeding in verband met gestelde tekortkomingen van [geïntimeerde] ) is verjaard, omdat de verjaring tussen 7 mei 2019 en 19 december 2023 niet (voor de tweede keer) is gestuit. [appellant] heeft niet voldoende onderbouwd dat de e-mails van 11 en 30 september 2020 zijn aan te merken als geldige stuitingshandelingen. Dat betekent dat de vorderingen van [appellant] worden afgewezen.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt – voor zover van belang – uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 3 juli 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van (het hof begrijpt) 4 april 2025 (het bestreden vonnis);\n\nde memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. \n [appellant] is op 10 augustus 1998 bij (Bakkersland Rotterdam, een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] in dienst getreden.3.2. Op 22 september 2015 heeft [appellant] zich ziek gemeld. Eind januari 2016 is hij begonnen met re-integratie in zijn eigen functie. Op 23 februari 2016 viel hij weer volledig uit. De werkzaamheden zijn daarna niet meer hervat.3.3. Op 19 december 2016 heeft mr. Karkache de HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] ge-e-maild, met de mededeling dat [appellant] niet bij de bedrijfsarts zal verschijnen op 20 december 2016. Hij schrijft verder:\n\n“(…) De heer [appellant] is vanwege zijn ernstig verslechterende gezondheid niets in staat om morgen en overmorgen bij deze afspraken te komen. Hij is lichamelijk noch geestelijk aan toe. Deze ontwikkelde klachten zijn allemaal terug te voeren op de manier hoe op de werkvloer-met uw al dan niet stilzwijgende toestemming is omgegaan met de heer [appellant] . U bent de afgelopen 1-2 jaren ernstig in uw taken als werkgever tekortgeschoten.\n\nIk verzoek u daarmee rekening te houden.\n\nIk dacht goed aan te doen u daarover te berichten.\n\nDe heer [appellant] is dan ook voornemens U in rechte te betrekken met betrekking tot het verzaken van uw verplichtingen als werkgever. Client stelt dat er een causaal verband is tussen uw nalaten c.q. handelen en zijn ontstane ziekte. De ziekte is werkgerelateerd.”3.4. Op 20 december 2016 heeft de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] per brief gereageerd op de e-mail van mr. Karkache.3.5. \n [geïntimeerde] heeft op 13 april 2018 toestemming van het UWV gekregen om de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.3.6. Het dienstverband tussen partijen is op 31 juli 2018 geëindigd.3.7. In een brief van 19 december 2018 heeft mr. Karkache aan [geïntimeerde] geschreven:\n\n“(...) Client stelt dat er een causaal verband is tussen uw nalaten c.q. handelen en zijn ontstane ziekte. De ziekte is werkgerelateerd.\n\nEr is sprake van zeer slecht werkgeverschap.\n\nIk verzoek u thans aansprakelijkheid te erkennen. Vanzelfsprekend is hij bereid de zaak in der minne te schikken. Ieder redelijk en billijk voorstel van uw zijde is welkom. (...).”3.8. Op 17 januari 2019 heeft mr. Karkache een e-mail van het assurantiekantoor van [geïntimeerde] ontvangen, waarin onder meer staat:\n\n“Via onze cliënt (…) kwamen wij (…) in het bezit van uw aansprakelijkheidstelling d.d. 19 december 2018 inzake bovengenoemde schadekwestie. (…)”3.9. Bakkerij [naam 1] is onderdeel van hetzelfde concern als [geïntimeerde] . Op 11 september 2020 heeft mr. Karkache aan [e-mailadres 1] geschreven:\n\n“(...) Er is door de behandelaars vastgesteld dat de ziekte en uitval van de heer [appellant] een directe link-causaal verband- hebben met de werkzaamheden en onfrisse behandelingen binnen de onderneming.\n\nGaat u als opvolger over tot erkenning van de aansprakelijkheid? Er was in het verleden contact met [HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] , hof].\n\nGraag verneem ik tijdig van U. De zaak dateert inmiddels van bijna 2 jaar geleden.\n\nDit schrijven kunt u aanmerken als officiële sommatie (...).”4. Procedure bij de kantonrechter4.1. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd:\n\nvoor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellant] is tekortgeschoten bij het nakomen van haar verplichtingen als werkgever;\n\n [geïntimeerde] te veroordelen om de door [appellant] geleden schade en nog te lijden schade te vergoeden c.a. te betalen, en bij staat vast te stellen:\n\na. in ieder geval de immateriële geleden schade van € 25.000,-;\n\nb. het gemis aan inkomsten als gevolg van de toegekende IVA-uitkering van € 65.000,- vanaf de eerste toekenning van de IVA-uitkering;\n\nc. verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019;\n\n3) met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde van € 2.500,- en het griffierecht.4.2. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant] wil dat het hof zijn vorderingen alsnog toewijst. Hij heeft twee bezwaren (‘grieven’) tegen het bestreden vonnis.5.2. \n [geïntimeerde] wil dat het hof (a) [appellant] niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de dagvaarding in hoger beroep te veel gebreken kleven, of (b) het bestreden vonnis bekrachtigt en (met uitvoerbaarverklaring bij voorraad) primair de advocaat mr. Karkache veroordeelt in de proceskosten van dit geding inclusief de nakosten, alsmede de proceskosten in eerste aanleg, subsidiair [appellant] veroordeelt in de proceskosten van dit geding inclusief de nakosten.6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nDe vraag die het hof als eerste zal beantwoorden, is of de vordering van [appellant] is verjaard. Het hof is van oordeel dat dit inderdaad zo is. Hieronder licht het hof dit oordeel toe.\n\nVerjaring, stuiting en de ontvangstleer6.2. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.6.3. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.6.4. \n\nEen tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (de stuitingshandeling) moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt (de ontvangstleer).De afzender (in dit geval [appellant] ) moet in beginsel feiten of omstandigheden stellen en zonodig bewijzen waaruit volgt dat de stuitingshandeling door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde (in dit geval [geïntimeerde] ) daar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen.Als adres in de vorige zin kan in beginsel worden aangemerkt: het zakelijke adres van [geïntimeerde] en het adres waarvan [appellant] op grond van verklaringen of gedragingen van [geïntimeerde] mocht aannemen dat zij daar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld haar postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door [geïntimeerde] is gebruikt.\n\nDe brief van 19 december 20186.5. Het hof is van oordeel dat deze brief [geïntimeerde] heeft bereikt (zie 3.7). Aangezien het assurantiekantoor van [geïntimeerde] op deze brief heeft gereageerd (zie 3.8), neemt het hof aan dat [geïntimeerde] deze brief na ontvangst heeft doorgestuurd naar haar assurantiekantoor. Dat betekent dat de verjaring op 19 december 2018 is gestuit.6.6. \n\nOp die datum is de verjaringstermijn dus opnieuw gaan lopen. De einddatum van die verjaringstermijn is 19 december 2023. De dagvaarding van [appellant] is van 7 mei 2024. Dat betekent dat de verjaring tussen 7 mei 2019 en 19 december 2023 voor een tweede keer moet zijn gestuit om tot de conclusie te kunnen komen dat de vordering van [appellant] niet is verjaard.\n\nDe e-mails van 11 en 30 september 20206.7. \n [appellant] heeft betoogd dat de verjaring door de e-mails van mr. Karkache op 11 en 30 september 2020 is gestuit, maar [geïntimeerde] zegt dat deze berichten haar niet hebben bereikt. Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat deze e-mails niet zijn aan te merken als stuitingshandelingen. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.6.8. De e-mail van 11 september 2020 is verstuurd aan [e-mailadres 1] (zie 3.9). Dat is niet het e-mailadres van [geïntimeerde] . Bakker [naam 1] is een bedrijf dat onderdeel is van hetzelfde concern als [geïntimeerde] , maar nergens blijkt uit dat de twee bedrijven gezamenlijk gebruikmaken van een algemeen e-mailaccount, zoals [appellant] zonder verdere onderbouwing stelt. In het citaat waarnaar [appellant] verwijst (zie hieronder), staat duidelijk dat de twee bedrijven gesplitst als zelfstandige bedrijven verder gaan. Mr. Karkache (namens [appellant] ) heeft daaruit dus (juist) niet redelijkerwijs mogen afleiden dat [geïntimeerde] via dit e-mailadres door hem kon worden bereikt.\n\n“\n [geïntimeerde] -BAKKERSLAND VERDER ALS [geïntimeerde] EN [naam 1]\n\n14-05-2018 Bakkersbedrijf [geïntimeerde] -Bakkersland splitst per 14 mei 2018 de combinatie op in meerdere zelfstandige bedrijven die verder gaan onder de namen [naam 1] en [geïntimeerde] .\n\nDe familie [geïntimeerde] , die in november 2016 Bakkersland overnam (…), neemt deze stap vanuit de wens flexibel te blijven in een branche waar dagverse producten centraal staan. Door het bedrijf te splitsen kan de familie haar klanten sneller, beter en efficiënter bedienen.\n\nDe zelfstandige bedrijven dragen de voor- of achternaam van [naam 1] [geïntimeerde] , die zich in 1895 vestigde als bakker in Oude Pekela.(…)”6.9. Volgens [appellant] heeft mr. Karkache de e-mail van 11 september 2020 op 30 september 2020 doorgestuurd naar [e-mailadres 2] . [geïntimeerde] wijst er terecht op dat de kop van de e-mail lijkt te zijn bewerkt, waardoor aan de echtheid van deze e-mail kan worden getwijfeld. Maar ook als – veronderstellenderwijs – wordt aangenomen dat de e-mail daadwerkelijk is verstuurd, is geen sprake van een geldige stuitingshandeling. [appellant] heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij redelijkerwijs mocht aannemen dat [geïntimeerde] op dit e-mailadres door hem kon worden bereikt. Buiten het feit dat [naam 2] op dat moment al meer dan een jaar niet meer voor [geïntimeerde] werkte, heeft [appellant] ook niet toegelicht waarom hij ervoor heeft gekozen om specifiek [naam 2] aan te schrijven. Afgaand op het dossier heeft mr. Karkache niet eerder contact gehad met [naam 2] , maar wel met een andere werknemer van [geïntimeerde] , namelijk met de HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] (zie 3.3). Mr. Karkache bevestigt in zijn e-mail zelfs nog dat hij in het verleden contact met haar heeft gehad (zie 3.9). Ook heeft mr. Karkache contact gehad met de advocaat van [geïntimeerde] en het assurantiekantoor van [geïntimeerde] (zie 3.4 en 3.8). In plaats van één van deze personen te e-mailen, heeft mr. Karkache er namens [appellant] voor gekozen twee schijnbaar willekeurige andere e-mailadressen aan te schrijven. Het gevolg is dat de verjaring niet is gestuit en de vordering is verjaard.6.10. \n\nHet voorgaande betekent dat de tweede grief van [appellant] tegen het vonnis niet slaagt. Aan het behandelen van de eerste grief komt het hof daarom niet meer toe.\n\nBewijsaanbod6.11. \n\n [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Zijn bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.\n\nDe proceskosten in eerste aanleg6.12. \n\n [geïntimeerde] heeft ten aanzien van de proceskosten primair gevorderd dat mr. Karkache (in plaats van [appellant] ) wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in deze vordering voor wat betreft de proceskosten van de eerste aanleg, omdat het niet mogelijk is om in hoger beroep voor het eerst een tegenvordering (‘eis in reconventie’) in te stellen.\n\nDe conclusie6.13. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.6.14. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof zich ook voor deze hoger beroepsprocedure aansluit bij de overweging van de kantonrechter op dit punt:\n\n“Naar het oordeel van de kantonrechter zou het de advocaat van werknemer sieren als hij deze kostenveroordeling voor zijn rekening neemt. Het valt de advocaat, die al vanaf in elk geval de ontslagprocedure bij UWV (2018) betrokken was bij deze kwestie, ernstig aan te rekenen dat hij de gestelde vordering heeft laten verjaren door geen behoorlijke stuitingshandeling te verrichten en pas bij dagvaarding van 7 mei 2024 deze zaak aanhangig te maken. Dit terwijl al in de brief van 19 december 2018 (die overigens ook niet aangetekend is verzonden, zie tussenvonnis) het standpunt werd ingenomen dat werkgever aansprakelijk was voor de schade van werknemer.”6.15. \n\nHet hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.306,-7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in haar vordering tot veroordeling van mr. Karache in de proceskosten van de eerste aanleg;\n\nbekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025;\n\nveroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.306,-;\n\nbepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars M.J. van der Ven en A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 3:317 lid 1 BW.\n\n Artikel 3:37 lid 3 BW.\n\n Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, r.n. 3.3.2.\n\n Artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:658","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.244Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":64,"updatedAt":92},"643","ECLI:NL:RBDHA:2026:17582","ecli-nl-rbdha-2026-17582","2026-02-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nEiV\u002FDN\u002Fc\n\nRep.nr.: 11571615 RP VERZ 25-50147\n\n19 februari 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter in de zaak van:\n\n [verzoeker] ,wonende te [woonplaats] , verzoeker,\n\nhierna: [verzoeker] , gemachtigde: mr. F.A.M. van Bree,\n\ntegen\n\nHet Sultanaat Oman, in het bijzonder zijnMinisterie van Buitenlandse Zaken,\n\ngevestigd te Muscat (Oman), verweerder,\n\nhierna: Oman, gemachtigde: mr. R.M. Berendsen.1. Procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nhet verzoekschrift van 4 maart 2025 met producties 1 t\u002Fm 22;\n\nde brief van de zijde van [verzoeker] van 29 april 2025 met een vertaling van de Arabische producties;\n\nhet verweerschrift met één productie;\n\nde pleitnotitie van de zijde van [verzoeker] .\n\n1.2.. Op 20 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is gelijktijdig behandeld met de dagvaardingsprocedure onder nummer 11613769 RL EXPL 25-5453. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens Oman is de heer [naam 1] (vertegenwoordiger Economische Zaken) verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde en mr. S.W.S. Blom. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.\n\n1.3.. Tot slot is de uitspraak van deze beschikking (nader) bepaald op vandaag.2. Feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] is vanaf 3 april 1991 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst geweest van de ambassade van Oman te Den Haag in de functie van vertaler. Het salaris bedroeg laatstelijk € 8.137,34 bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.\n\n2.2.. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 bevat in artikel 9 een contractuele beëindigingsvergoeding. De contractuele beëindigingsvergoeding is met de lokale medewerkers van Oman overeengekomen als extra arbeidsvoorwaarde omdat Oman geen pensioenregeling in stand hield voor zijn werknemers in Nederland. Artikel 9 onder a. en b. luidt als volgt (van Arabisch vertaald naar het Engels):\n\n9. On termination of service employee shall be entitled to compensation as follows:\n\nHalf a months salary for each year of the first five years of actual service.\n\nOne months salary for each year of service but not to exceed year and a half (18 months). Compensation is calculated on basis of salary for last month employee worked.\n\n2.3.. In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 september 2007 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nMet betrekking tot de correspondentie over de invoering van het Sociale Verzekeringsregeling voor lokale werknemers en medewerkers van de ambassade, delen wij u mee dat het ministerie heeft ingestemd met de invoering van het zogenoemde “dertiende maandsalaris”.\n\nDit wordt aan lokale werknemers en medewerkers aan het einde van elk jaar uitgekeerd als\n\nalternatief voor de “einde-diensttijdbeloning”.\n\nDe einde-diensttijdbeloning wordt aan alle werknemers uitbetaald over de voorgaande\n\ndienstperiode en de huidige arbeidsovereenkomsten worden beëindigd.\n\nNieuwe arbeidsovereenkomsten worden opgesteld in samenwerking met de afdeling\n\nPersoneelszaken en de Juridische Dienst. Deze afdeling dient op de hoogte te worden gesteld van de kosten van dc eindedienstuitkering, zodat deze na een verzoek om maandelijkse betaling aan de ambassade kunnen worden overgemaakt.\n\n2.4.. \n\nOp 23 november 2007 heeft Oman aan de werknemers van de ambassade vervolgens het volgende medegedeeld (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nWij willen u graag informeren dat de ambassade bezig is met de invoering van het dertiende maandsalaris, waarbij de eindediensttijdbeloning wordt vervangen door het dertiende maandsalaris.\n\nDaarom delen wij u mede dat uw huidige dienstverband op 31 december 2007 wordt beëindigd. Daarmee wordt uw huidige arbeidsovereenkomst voortijdig stopgezet, en worden uw financiële rechten – namelijk de eindediensttijdbeloning (vertrekvergoeding) van de voorgaande jaren en een contante vergoeding voor uw opgebouwde verlofsaldo tot en met 31 december 2007 – aan u uitbetaald.\n\nU wordt aansluitend opnieuw geplaatst bij de ambassade in dezelfde functie, met behoud van uw huidige salaris en toelagen. Per 1 januari 2008 zal hiervoor een nieuwe arbeidsovereenkomst worden aangegaan.\n\n2.5.. Oman heeft eind 2007 aan [verzoeker] een eenmalige uitkering gedaan ter hoogte van 14,5 maandsalarissen. In 2008 heeft [verzoeker] een dertiende maand ontvangen.\n\n2.6.. Op 1 juni 2009 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Deze arbeidsovereenkomst bevat geen contractuele beëindigingsvergoeding en geen recht op een dertiende maandsalaris, en bevat in artikel 1 onder b de volgende bepaling:\n\nThe Second Party is entitled to vacation allowance which is 8% of his\u002Fher salary. The vacation allowance will be paid with the salary of the month May of each year.2.7.. In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2009 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nMet verwijzing naar ambassadememorandum nr. 421 van 15 juni 2009, betreffende de\n\nimplementatie van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en arbeiders per 1 juni 2009 wil het ministerie u graag het volgende meedelen:\n\n1 - Het ministerie heeft een kopie van het nieuwe contract naar de juridische afdeling gestuurd voor juridisch advies. De Juridische afdeling verklaarde dat er geen juridische bezwaren zijn, zolang de contractvoorwaarden volledig in overeenstemming zijn met de Nederlandse lokale wet- en regelgeving, en dat de Omaanse ambassade beter bekend is met deze wet- en regelgeving (een kopie van het memorandum van de juridische afdeling is bijgevoegd).\n\n2 - Aangezien het huidige contract per 1 juni 2009 wordt vervangen door een nieuw contract, conform de Nederlandse wet- en regelgeving, dienen de diensten van medewerkers die onder dit systeem vallen, te worden beëindigd met ingang van 31 mei 2009, als einddatum van het huidige contract.\n\n3 - “De einde-diensttijdbeloning” wordt uitbetaald op basis van het dertiende salaris over de\n\nperiode van 01 januari 2009 tot en met 31 mei 2009.\n\n(…)\n\n2.8.. In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 augustus 2017 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nVerwijzend naar ambassadememorandum nr. (314) van 09 augustus 2017, waarin\n\nverduidelijkingen zijn opgenomen met betrekking tot de opmerkingen van het ministerie over de concept-arbeidsovereenkomst voor lokale werknemers, die is aangepast aan de Nederlandse arbeidswetgeving.\n\nHet ministerie wil u het volgende meedelen:\n\n1. Het is het eens met de punten in het memorandum van de ambassadeur, mits deze voldoen aan de Nederlandse wetgeving.\n\n2. Er moeten twee contracten worden opgesteld: één voor bestaande lokale werknemers\n\nen één voor nieuwe werknemers (met vermelding van vakantie, zwangerschapsverlof en\n\ncontractduur).\n\n3. Verstrek het ministerie, indien mogelijk, de wettelijke bepalingen die de werkzaamheden\n\nvan lokale werknemers reguleren, voor zover deze in overeenstemming zijn met de\n\nNederlandse arbeidswetgeving.\n\n4. (…)\n\n5. Overgangsvergoeding: Graag nadere toelichting. In het antwoord werd aangegeven dat de\n\nkwestie van toepassing was van 2015 tot en met 2020, terwijl elders werd aangegeven dat deze in behandeling is bij het parlement.\n\nEr is sprake van een overlapping tussen de “overgangsvergoeding” en de “einde-\n\nDiensttijdbeloning”. De verwijzing op pagina 3, in de laatste alinea, vermeldt dat indien het\n\ncontract op verzoek van de werkgever wordt beëindigd om een andere reden dan een noodgeval of vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, de werknemer recht heeft op een “einde-diensttijdbeloning” en tegelijkertijd op een overgangsvergoeding. Dit is in tegenspraak met artikel 12.2 van het conceptcontract, waarin staat: “Dit artikel is niet van toepassing op een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd in Nederland heeft bereikt.\n\n6. Hoe verplicht is de overgangsvergoeding?\n\n7. Hoe wordt de einde-diensttijdbeloning berekend volgens het Nederlandse recht die in de\n\narbeidsvoorwaarden wordt opgenomcn?\n\n8. (…)\n\nBestudeer daarom de opmerkingen en stel het contract volledig op in overeenstemming met\n\ndeze, en stuur het vervolgens zo snel mogelijk naar het ministerie.\n\n2.9.. Op 1 november 2021 heeft een groep van werknemers van de ambassade een brief gestuurd aan de ambassadeur van Oman, waarin zij onder meer het volgende schrijven:\n\nMet deze brief verzoeken wij Uwe Excellentie om de juridische status van onze\n\narbeidsovereenkomsten als lokale medewerkers bij de ambassade te verduidelijken, vooral\n\nomdat sommigen van ons de wettelijke pensioenleeftijd naderen en de status van onze\n\narbeidscontracten en uitkeringen aan het einde van het dienstverband voor ons onduidelijk\n\nblijft. We vragen al lange tijd om deze situatie aan te pakken.\n\nOm het u gemakkelijker te maken, presenteren wij u hieronder een vereenvoudigde uitleg van\n\nde huidige stand van zaken van ons werk op de ambassade met betrekking tot\n\narbeidsovereenkomsten, vanaf 2008, het jaar waarin de contractstatus veranderde, tot nu.\n\n1. In 2007 werden wij schriftelijk door het toenmalige Hoofd Financiële Administratie van de\n\nambassade op de hoogte gesteld van het voornemen van de ambassade om ons op te nemen in\n\nhet Nederlandse belastingstelsel, om nieuwe arbeidsovereenkomsten aan te gaan ter\n\nvervanging van de oude en om de einde-diensttijdbeloning te vervangen door het dertiende\n\nsalarissysteem, dat aan het einde van elk jaar wordt uitbetaald.\n\n2. De nieuwe arbeidsovereenkomsten werden in 2009 opgesteld en naar de Nederlandse\n\nbelastingaccountant van de ambassade gestuurd. Deze heeft de contracten aan de ambassade\n\nterug gestuurd en haar schriftelijk via een officiële brief nr. (7947\u002F701 D) van 09 november\n\n2009 laten weten dat enkele clausules in dc overeenkomst niet in overeenstemming waren met\n\nhet Nederlands recht. De accountant deed aanbevelingen over de vorm van deze posten,\n\nwaaronder de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer en de wet op\n\nhet ziekteverlof. Naar aanleiding van deze brief heeft de ambassade kopieën van de contracten\n\nvan de medewerkers ingetrokken, zodat er nieuwe contracten konden worden opgesteld die aan\n\nde Nederlandse wet voldoen. Maar zoals later bleek, bewaarde ze een kopie in haar\n\npersoneelsdossier.\n\n3. Er vond een aantal correspondentie plaats tussen de ambassade en het Omaanse ministerie\n\nvan Buitenlandse Zaken over het opstellen van een arbeidsovereenkomst conform Nederlands\n\nrecht, zoals aanbevolen door de accountant. Deze correspondentie resulteerde begin 2017 in de\n\ngoedkeuring van het ministerie om een Nederlands advocatenkantoor te machtigen uitsluitend\n\njuridische arbeidsovereenkomsten op te stellen, zonder verdere juridische diensten in dit\n\nverband aan te vragen.\n\n4. Op basis hiervan sloot de ambassade in 2017 een contract met Russel Advocaten, een\n\ngerenommeerd advocatenkantoor in Amsterdam, dat de overeenkomst opstelde. Vervolgens\n\nvond er een ronde van discussie, overleg, navraag, uitleg en wijzigingen plaats met betrekking\n\ntot de context en voorwaarden van het contract, zonder af te wijken van de oorspronkelijke\n\ntekst, via correspondentie (waarvan kopieën beschikbaar zijn tussen de ambassade, het\n\nministerie en het advocatenkantoor). Het ministerie verzocht bovendien om overlegging van de Nederlandse wetgeving waarop het contract was gebaseerd en om vertaling van de relevante teksten in het Arabisch. Dit is gebeurd. Eind 2018 was een definitieve versie van de contracten bereikt. Er werden twee versies\n\nopgesteld: één voor huidige medewerkers die hun dienstverband voortzetten en één voor\n\neventuele toekomstige nieuwe medewerkers.\n\n5. Zijne Excellentie Ambassadeur [ambassadeur] ,\n\ndestijds de ambassadeur van het Sultanaat in Den Haag, overhandigde in september2019\n\nkopieën van deze contracten aan de Adviseur, dhr. [naam 2] , de zaakgelastigde\n\ndie hem opvolgde, om de zaak verder te onderzoeken. Dhr. [naam 2] stuurde de contracten\n\nvervolgens terug naar het ministerie en vroeg of ze goedgekeurd konden worden ter\n\nondertekening.\n\n6. Gezien het bovenstaande en de aanhoudende onzekerheid sinds 2009 tot nu hebben\n\nwerknemers te maken gehad met psychische stoornissen en angsten in die mate dat het\n\nhun mentale en praktische activiteiten heeft beïnvloed. Sinds 2009 hebben ze namelijk\n\nhet dertiende salaris niet ontvangen dat hen schriftelijk was beloofd als alternatief voor\n\nde eindedienstregeling. Bovendien zijn er geen nieuwe contracten afgesloten waarin de\n\neinde-diensttijdbeloning, het dertiende salaris of het pensioenstelsel zijn vastgelegd,\n\nevenals eventuele contractuele rechten of wettelijke aanspraken bij het bereiken van de\n\npensioengerechtigde leeftijd bij beëindiging van de dienstbetrekking.\n\n7. Ik verzoek u daarom vriendelijk de bevoegde autoriteiten van het geachte ministerie opdracht\n\nte geven deze kwestie op te lossen en een einde te maken aan de psychologische druk en\n\nonzekerheid over de toekomst van hun werk bij de ambassade — een situatie die al twaalf jaar\n\nvoortduurt door arbeidsovereenkomsten te sluiten waarin hun rechten zijn vastgelegd,\n\nwaaronder het recht op een dertiende maand en een eind-diensttijdbeloning.\n\n2.10.. In een verzameldocument met het onderwerp ‘Aanpak van de situatie van lokaal personeel bij de ambassade van het Sultanaat in Den Haag worden de volgende relevante stukken genoemd (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nOpmerking\n\nBron van Opmerking\n\nDatum\n\nAan het hoofd van de afdeling\n\nTer beoordeling en begeleiding\n\nDe ambassade stelt dat alle medewerkers van wie de contracten moeten worden gewijzigd conform Nederlands recht geen bezwaar hebben tegen de voorlopige berekening van beëindiging van de bestaande contracten.\n\n(…)\n\n1809, Financiële afdeling,\n\nMissies begrotingsbureau\n\n03-07-2022\n\n09:51:50 uur\n\nAan: Afdeling Financiën\u002FInterne Audit\u002FAmbassade van het Sultanaat in Den Haag\n\nTer informatie zoals hierboven vermeld, zin de bijgevoegde bedragen een voorlopige schatting en kunnen ze worden gewijzigd basis van de datum van beëindiging van het dienstverband (…)\n\nWij verzoeken de ambassade daarom de lokale medewerkers op de hoogte te stellen van de kwestie, hun initiële goedkeuring te verkrijgen en, indien zij akkoord gaan, de bijgevoegde verklaring te ondertekenen. Vervolgens overleggen we met een advocaat om een overeenkomst met de werknemers op te stellen, en hun situatie juridisch te regelen.\n\n1685, Afdeling Personeelszaken, Bureau Lokaal Personeel in Missies\n\n16-06-2022\n\n16:06:25\n\nAan de Ambassade van het Sultanaat Oman in Den Haag\n\nWij bevestigen hierbij de kosten met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van lokale\n\nmedewerkers. Wij verzoeken u de betreffende medewerkers te informeren en hun voorlopige instemming\n\nte verkrijgen met de beëindiging van hun contract op\n\nbasis van de vermelde bedragen. Houd er rekening mee dat\n\nde berekeningen zijn gebaseerd op de situatie per 31 mei\n\n2022.\n\n(…)\n\nWij verzoeken u de nodige stappen te ondernemen in\n\noverleg met de lokale medewerkers en in aanwezigheid\n\nvan de advocaat van de ambassade tot het bereiken van\n\neen overeenkomst. Dit ter afronding van de juridische\n\nprocedures, het afsluiten van nieuwe arbeidsovereenkomsten en het correct rapporteren van het\n\nvolledige salaris aan de bevoegde autoriteiten.\n\n1685, Afdeling Personeelszaken, Bureau Lokaal Personeel in Missies\n\n24-05-2022\n\n14:46:05 uur\n\n2.11.. \n\nIn een overzicht van 12 mei 2022 ‘Voorbereid door de eerste secretaris van de ambassade Abeer Al Siyabi’ wordt de eindediensttijdbeloning van [verzoeker] vastgesteld op\n\n€ 50.424,00 (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\n2.12.. In juni 2024 hebben Oman en [verzoeker] met elkaar gesproken over het naderende pensioen van [verzoeker] en de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door [verzoeker] voort te zetten. [verzoeker] heeft naar aanleiding van dit gesprek op 2 oktober 2024 de volgende brief gestuurd aan Oman (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\n“[…]. Daarnaast wil ik mijn oprechte interesse uitspreken in een tijdelijke verlenging van mijn ambtstermijn. Met betrekking tot het voorstel van het ministerie betreffende het sluiten van een nieuwe tijdelijke arbeidsovereenkomst, verwelkom ik dit voorstel, mits het geen invloed heeft op de rechten en aanspraken die ik in mijn voorgaande diensttijd heb verworven,\n\nIk wil tevens benadrukken dat deze tijdelijke overeenkomst de rechten en aanspraken die voortvloeien uit eerdere contracten, inclusief eindedienstbonus of uitkering, niet tenietdoet. Het betreft een tijdelijk contract voor bepaalde tijd, los van eerdere arbeidsovereenkomsten en brengt geen andere financiële of juridische verplichtingen met zich mee dan na het maandsalaris.\n\nIk kijk ernaar uit mijn eindediensttijdbeloning te ontvangen, zowel vóór als na afloop van het nieuwe contract.”\n\n2.13.. In een interne memo van 11 november 2024 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Oman aan de ambassade bericht dat goedkeuring wordt verleend om [verzoeker] met ingang van 3 januari 2025 te ontslaan vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarnaast geeft het ministerie aan de ambassade mee welke (procedurele) stappen doorlopen moeten worden om een vervanger te benoemen.\n\n2.14.. Oman heeft vervolgens op 11 november 2024 de volgende brief gestuurd aan [verzoeker] (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\n“De ambassade wil u graag meedelen dat uw arbeidsovereenkomst met de ambassade eindigt op 2 januari 2025, aangezien u op 3 januari 2025 de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.\n\nBij deze gelegenheid wil ik mijn oprechte dank en waardering uitspreken voor uw jarenlange trouwe dienst en grote toewijding. U bent een voorbeeld van toewijding en betrokkenheid geweest en hebt tijdens uw hele carrière bij de ambassade een blijvende indruk achtergelaten. De ambassade wenst u het allerbeste en veel geluk in uw toekomst.[…].”\n\n2.15.. \n [verzoeker] heeft vanaf 3 januari 2025 geen werkzaamheden meer voor Oman verricht. Oman heeft aan [verzoeker] een eindafrekening uitbetaald, maar zonder een vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband toe te kennen.\n\n3. Verzoek, grondslag en verweer\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] verzoekt (verkort en anders weergegeven) dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Oman in de proceskosten:\n\nprimair\n\n- Oman veroordeelt tot betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding van € 131.475,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, althans een in goede justitie te bepalen bedrag voor de contractuele beëindigingsvergoeding of de dertiende maand, vermeerderd met voornoemde verhoging en rente;\n\nsubsidiair\n\n- Oman veroordeelt tot betaling van de op 12 mei 2022 overeengekomen beëindigingsvergoeding van € 50.424,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en met een bedrag van € 24.412,02 bruto voor de dertiende maand over de jaren 2022, 2023 en 2024;\n\nzowel primair als subsidiair\n\n- Oman veroordeelt tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 26.364,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.3.2.. Oman concludeert tot afwijzing van de verzoeken met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.\n\n3.3.. Op de door partijen over en weer ingenomen standpunten en weren wordt, voor zover relevant, hierna ingegaan.\n\n4. Beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Omdat Oman een buitenlandse staat is, bevat deze procedure een internationaal element, zodat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of zij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De vorderingen vinden hun grondslag in een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De overeengekomen arbeid werd gewoonlijk verricht op de ambassade in Den Haag. De kantonrechter is daarom in deze procedure bevoegd op grond van artikel 1 jo. 6 sub b Rv.\n\n4.2.. De kantonrechter dient ook ambtshalve vast te stellen welk recht op het geschil van toepassing is (art. 10:2 BW). Partijen hebben niet gesteld dat een uitdrukkelijk rechtskeuzebeding is overeengekomen. De arbeidsverhouding tussen partijen is tot stand gekomen vóór 17 december 2009, zodat het toepasselijk recht wordt beheerst door het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag). Op grond van artikel 6 lid 2 sub a van dat verdrag is het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht van toepassing. In dit geval is dat Nederland. De kantonrechter zal de vorderingen daarom naar Nederlands recht beoordelen. De kantonrechter stelt vast dat partijen ook zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.\n\nDe arbeidsovereenkomst van 3 april 1991\n\n4.3.. Aan het verzoek tot betaling van een bedrag van € 131.475,28 aan contractuele beëindigingsvergoeding heeft [verzoeker] primair de arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 ten grondslag gelegd. [verzoeker] verzoekt dus nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 en meer in het bijzonder van de contractuele beëindigingsvergoeding in artikel 9. Daartoe heeft [verzoeker] aangevoerd dat Oman de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009, waarin noch de beëindigingsvergoeding noch de dertiende maand is opgenomen, heeft ingetrokken. Partijen hebben vervolgens geen nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten, zodat de initiële arbeidsovereenkomst uit 1991 is blijven gelden. Daarnaast heeft [verzoeker] aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 door bedreiging tot stand is gekomen en – zo begrijpt de kantonrechter – moet worden vernietigd. Volgens [verzoeker] is hij namelijk onder dreiging van ontslag gedwongen deze arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Oman heeft dit alles, kort gezegd, betwist.\n\n4.4.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen op 1 juni 2009 een gewijzigde arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Dit betekent dat de rechtsverhouding tussen partijen in beginsel wordt beheerst door hetgeen in deze arbeidsovereenkomst is bepaald. De ondertekende arbeidsovereenkomst levert tussen partijen dwingend bewijs op.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] er niet in is geslaagd de rechtsgeldigheid van deze arbeidsovereenkomst aan te tasten. [verzoeker] heeft zijn stelling, dat Oman de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 heeft ingetrokken, niet met concrete feiten onderbouwd. Omdat [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt aan deze stelling voorbij gegaan. Ook de stelling van [verzoeker] , dat de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 door bedreiging tot stand is gekomen, kan hem niet baten. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Een overeenkomst kan in dat geval worden vernietigd, omdat sprake is van een gebrek in de wilsvorming. Volgens de Hoge Raad kan ook een arbeidsovereenkomst worden vernietigd op grond van een wilsgebrek.Artikel 3:49 BW bepaalt dat vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling plaatsvindt door hetzij een buitengerechtelijke verklaring, hetzij een rechterlijke uitspraak. Dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 buitengerechtelijk heeft vernietigd, is gesteld noch gebleken. Evenmin heeft [verzoeker] vernietiging van de arbeidsovereenkomst verzocht.\n\n4.5.. \n [verzoeker] heeft geen andere stellingen ingenomen die de rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 aantasten. Dit betekent dat partijen een bindende overeenkomst hebben gesloten, waarvan [verzoeker] de inhoud in beginsel jegens zich moet laten gelden.\n\nDe gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009\n\n4.6.. \n [verzoeker] heeft aangevoerd dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. De beëindigingsvergoeding in de gewijzigde arbeidsovereenkomst is enkel vervangen door een vakantietoeslag van 8% in de veronderstelling dat deze wijziging conform de Nederlandse wet was. Nu dit niet het geval bleek te zijn, mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat zijn recht op de contractuele beëindigingsvergoeding bij het einde van de arbeidsovereenkomst zou worden geëerbiedigd al dan niet in de vorm van een dertiende maand.\n\n4.7.. Volgens Oman is met de overeengekomen vakantietoeslag van 8% aan de verplichting tot betaling van een contractuele beëindigingsvergoeding dan wel een dertiende maand voldaan. [verzoeker] is door het overeenkomen van een jaarlijkse vakantietoeslag van 8% namelijk feitelijk bevoordeeld, omdat in de jaren voor 2009 geen vakantietoeslag werd uitgekeerd. Oman betwist verder dat [verzoeker] aanspraak kan maken op de contractuele beëindigingsvergoeding uit de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 dan wel op een dertiende maand. Volgens Oman heeft [verzoeker] door ondertekening van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 afstand gedaan van zijn rechten uit eerdere overeenkomsten.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt het volgende. Oman heeft niet weersproken dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. De kantonrechter begrijpt uit hetgeen Oman heeft aangevoerd, dat Oman van mening is dat met de overeengekomen vakantietoeslag van 8% aan deze bedoeling is voldaan. Dit is niet juist. Op basis van de Nederlandse wetgeving heeft iedere werknemer namelijk recht op een vakantietoeslag gelijk aan (minimaal) 8% van het brutoloon.Voor zover Oman heeft bedoeld dat het opheffen van zijn eigen wanprestatie op dit punt (namelijk het niet voldoen aan de verplichting om jaarlijks een vakantietoeslag van (minimaal) 8% uit te keren) als vervanging van de contractuele beëindigingsvergoeding kan worden aangemerkt, gaat die vlieger dus niet op. Bovendien geldt dat zowel Oman als [verzoeker] er vanwege onwetendheid over de Nederlandse wet niet van op de hoogte waren dat [verzoeker] reeds bij aanvang van het dienstverband recht had op een vakantietoeslag, hetgeen een omstandigheid is die voor rekening en risico komt van Oman als werkgever.\n\n4.9.. Uit de door [verzoeker] overgelegde ambtelijke stukken blijkt dat Oman kort na het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst ermee bekend is geworden dat de gewijzigde arbeidsovereenkomst niet in overeenstemming was met de Nederlandse wetgeving en de contractuele beëindigingsvergoeding opnieuw onderwerp van gesprek was (zie 2.7). Tevens blijkt daaruit dat op verschillende momenten (tegen de achtergrond van het aangaan van een gewijzigde arbeidsovereenkomst die wél voldoet aan de Nederlandse wetgeving) werd gesproken over uitbetaling van de beëindigingsvergoeding aan de lokale werknemers over de periode vanaf 1 januari 2009, hetgeen uiteindelijk ook heeft geleid tot het overzicht van 12 mei 2022 (zie 2.8, 2.10. en 2.11.). [verzoeker] heeft bovendien onderbouwd gesteld dat Oman in ieder geval na 1 juni 2009 aan twee medewerkers bij het einde van hun arbeidsovereenkomst de beëindigingsvergoeding heeft voldaan.\n\n4.10.. Dit alles duidt er naar het oordeel van de kantonrechter op dat de contractuele beëindigingsvergoeding nog steeds onderdeel uitmaakt van de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden. Oman heeft de inhoud van de overgelegde stukken onvoldoende betwist en heeft nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren die nopen tot een andere uitleg. Het verweer van Oman dat de met de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 [verzoeker] afstand heeft gedaan van zijn recht op de contractuele beëindigingsvergoeding, faalt dan ook.\n\n4.11.. Het primaire verzoek van [verzoeker] tot betaling van de beëindigingsvergoeding volgens de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst uit 1991 is daarmee toewijsbaar. Het subsidiaire verzoek behoeft daarom geen bespreking meer.\n\nDe hoogte van de beëindigingsvergoeding\n\n4.12.. \n [verzoeker] heeft op de zitting erkend dat het door hem verzochte bedrag verkeerd is berekend. Oman heeft ten aanzien van de berekening van de vergoeding namelijk terecht aangevoerd dat na aftrek van de uitkering van 14,5 maandsalarissen in 2007 en één heel maandsalaris in 2008 aan vergoeding resteert een bedrag gelijk aan 2,5 maal het laatstgenoten maandsalaris van [verzoeker] . Uitgaande van het laatstgenoten maandsalaris van € 8.137,34 bruto wordt daarom een beëindigingsvergoeding van € 20.343,35 bruto toegewezen.\n\nDe verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente\n\n4.13.. Het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW over de beëindigingsvergoeding wordt afgewezen. De beëindigingsvergoeding valt niet onder het begrip ‘loon’ in de zin van die bepaling. De verzochte wettelijke rente over de beëindigingsvergoeding wordt als onbetwist toegewezen.\n\nDe gefixeerde schadevergoeding\n\n4.14.. \n [verzoeker] verzoekt verder betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 26.364,98 bruto wegens onregelmatige opzegging. Oman betwist een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd te zijn. Oman stelt dat partijen overeen zijn gekomen dat de arbeidsovereenkomst na het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd eenmalig zou worden verlengd voor de periode van één jaar. De brief van Oman van 11 november 2024 moet volgens Oman daarom niet als een opzegging gelezen worden, zodat geen sprake kan zijn van een onregelmatige opzegging. [verzoeker] betwist dat partijen een verlenging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n4.15.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij in juni 2024 met elkaar hebben gesproken over de mogelijkheid van (tijdelijke) voortzetting van de arbeidsovereenkomst na het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd. Oman stelt zich op het standpunt dat de brief van [verzoeker] van 2 oktober 2024 in het licht van die besprekingen gelezen moet worden als een aanvaarding van [verzoeker] van het aanbod tot tijdelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter volgt Oman niet in dat standpunt en licht dit als volgt toe.\n\n4.16.. In de brief van [verzoeker] valt niet te lezen dat hij akkoord gaat met enig (concreet) aanbod van Oman tot verlenging van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] wijst er terecht op dat hij in die brief juist nadrukkelijk aangeeft slechts onder bepaalde voorwaarden interesse te hebben in het voortzetten van zijn dienstverband. Het is niet gesteld of gebleken dat Oman vervolgens aan [verzoeker] heeft laten weten met die voorwaarden akkoord te gaan. Integendeel, Oman heeft blijkens de overgelegde interne memo van 11 november 2024 op die brief gereageerd door toestemming aan het Ministerie te vragen voor het ontslag van [verzoeker] , welk ontslag het vervolgens met de brief van dezelfde datum aan [verzoeker] heeft aangezegd. De kantonrechter ziet niet in hoe die brief van Oman redelijkerwijs anders kan worden gelezen dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, te meer nu Oman daarna is overgaan tot het uitbetalen aan [verzoeker] van een eindafrekening en [verzoeker] na 3 januari 2025 ook niet meer voor Oman heeft gewerkt. Dat de ambassadeur na die datum en naar aanleiding van een brief van de advocaat van [verzoeker] met hem heeft gebeld om te vragen of hij alsnog bereid was om voor Oman te komen werken, doet niets af aan het feit dat de arbeidsovereenkomst op dat moment al was beëindigd door de opzegging van Oman.\n\n4.17.. In deze procedure staat op grond van het voorgaande vast dat Oman de arbeidsovereenkomst tussen partijen met de brief van 11 november 2024 heeft opgezegd per 3 januari 2025. Het beroep van Oman op artikel 7:669 lid 4 BW, namelijk dat het de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd mocht opzeggen met een opzegtermijn van één maand, behoeft daarom geen bespreking. Oman heeft verder niet betwist dat het daarmee de tussen partijen geldende opzegtermijn van vier maanden niet heeft nageleefd.\n\n4.18.. Oman heeft zich verder nog verweert met de stelling dat partijen er beide vanuit gingen dat de arbeidsovereenkomst door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van rechtswege zou eindigen en daarom geen opzegging nodig was. Nog los van het feit dat deze stelling niet strookt met het gegeven dat Oman het Ministerie om toestemming voor het ontslag heeft gevraagd en vervolgens op 11 november 2024 een opzegbrief aan [verzoeker] heeft gestuurd, dient een eventuele onterechte veronderstelling over de noodzaak van een tijdige opzegging voor rekening en risico van Oman als werkgever te komen. Oman is daarom aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd (artikel 7:672 lid 11 BW). Oman heeft de hoogte van de door [verzoeker] verzochte schadevergoeding van € 26.364,98 bruto niet betwist. Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt als onweersproken toegewezen zoals in de beslissing weergegeven. De wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat geen sprake is van loon in de zin van artikel 7:625 BW.\n\nProceskosten\n\n4.19.. Oman is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n732,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.154,00\n\n(WWZ tegenspraak complex)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing vermeld)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.030,00\n\n5. Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt Oman om aan [verzoeker] de contractuele beëindigingsvergoeding te betalen van € 20.343,35 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.2.. veroordeelt Oman om aan [verzoeker] de gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 26.364,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.3.. veroordeelt Oman in de proceskosten van € 2.030,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Oman niet tijdig aan één van de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Nobel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2026.\n\n ECLI:NL:PHR:2019:1067.\n\n Artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.\n\n 2,5 x € 8.137,34 bruto.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17582","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.778Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":97,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":64,"updatedAt":100},"398","ECLI:NL:RBDHA:2024:23507","ecli-nl-rbdha-2024-23507","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F6275\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. U. Alisic),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. R.H. Verheijen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een bestuurlijke boete van € 15.250,- wegens meerdere overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiseres tegen de door verweerder vastgestelde betalingsregeling voor het voldoen van deze bestuurlijke boete.\n\n1.1.. Met het besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd en besloten deze tezamen met de inspectiegegevens openbaar te maken. Met het besluit van 11 augustus 2023 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Met het besluit van 30 augustus 2023 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld voor deze boete.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres verleent als zorgbureau thuiszorg en welzijnswerk voor ouderen, en ondersteuning en begeleiding van gehandicapten. Naar aanleiding van een melding van een oud-werknemer is de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: de inspectie) een onderzoek gestart bij eiseres. De inspectie heeft over de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 meerdere overtredingen van de Wml geconstateerd: zeven werknemers ontvingen minder dan het wettelijke minimumloon,bij één werknemer werden ten onrechte huisvestingskosten, een eerder contant uitbetaald voorschot en een opgelegde parkeerboete met het netto minimumloon verrekenden twee werknemers ontvingen minder dan de wettelijke minimumvakantiebijslag.Verweerder heeft eiseres daarvoor een bestuurlijke boete van € 15.250,- opgelegden besloten om de boete en de inspectiegegevens openbaar te maken.\n\nVerweerder heeft ingestemd met een betalingsregeling, op basis waarvan eiseres de boete binnen een termijn van een jaar mag voldoen met elf termijnen van € 1.271,- en een laatste termijn van € 1.269,-.\n\nWat zijn de regels?\n\n3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n4. De bestuurlijke boete is ten onrechte opgelegd. Allereerst verzoekt eiseres de door haar ingenomen standpunten in de vorige procedures als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder is verweerder bij de berekening van het minimumloon ten onrechte uitgegaan van een arbeidsduur van 36 uur per week. De Collectieve arbeidsovereenkomst voor Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (CAO VVT) waarin deze arbeidsduur wordt gehanteerd, was in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2019 namelijk niet algemeen verbindend verklaard. Eiseres viel destijds evenmin onder een bedrijfstak-cao of een ondernemings-cao. Hieruit volgt dat de CAO VVT in die periode niet op eiseres van toepassing was en het haar vrijstond om het uurloon te baseren op een arbeidsduur van 40 uur per week. Op grond van een arbeidsduur van 40 uur per week is slechts sprake geweest van onderbetaling van één medewerker en daarmee van een enkele overtreding van de Wml. Op de zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat zij nooit de intentie heeft gehad om iemand te benadelen.\n\nVerder is de betalingsregeling disproportioneel, omdat verweerder bij de vaststelling ervan is uitgegaan van een te hoog eigen vermogen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiseres in de zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht. De enkele verwijzing van eiseres naar de zienswijze en de bezwaargronden, zonder te concretiseren op welke punten de motivering van het bestreden besluit volgens eiseres ontoereikend is, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\nMocht verweerder een boete opleggen?\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml niet betwist. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of verweerder de zes overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wml op goede gronden heeft vastgesteld. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of verweerder terecht is uitgegaan van een minimumloon, berekend op basis van een normale wekelijkse arbeidsduur van 36 uur per week.\n\n6.1.. De normale arbeidsduur is de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen.Hoe de normale arbeidsduur wordt bepaald, is uitgewerkt in de Toelichting op de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving 2018.Daaruit volgt dat allereerst moet worden bezien of de werkgever en de werknemer onder de werkingssfeer van een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) vallen. Als dit niet zo is, dan moet worden bezien of in de branche waarin de werkgever en werknemer werkzaam zijn een normale arbeidsduur geldt. Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gekeken naar een geldende of verlopen CAO die in dezelfde branche van toepassing is (geweest).\n\n6.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweerder terecht is uitgegaan van de CAO VVT. In die CAO is de normale wekelijkse arbeidsduur bepaald op 36 uur per week. Verweerder heeft daarom terecht een minimumloon berekend op basis van een normale wekelijkse arbeidsduur van 36 uur per week. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.\n\nPartijen zijn het erover eens dat eiseres van 1 juni 2019 tot 1 juli 2019 viel onder de werkingssfeer van de CAO VVT, omdat die toen algemeen verbindend verklaard was.\n\nVoor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 november 2019 geldt dat de CAO VVT niet meer algemeen verbindend verklaard was. Daarom viel eiseres toen niet meer onder de werkingssfeer van deze CAO. Maar verweerder heeft, gelet op het hiervoor onder 6.1 geschetste beoordelingskader, terecht gekeken naar de eerder geldende CAO VVT om de normale wekelijkse arbeidsduur te bepalen.\n\n6.3.. Verweerder heeft dus op goede gronden de zes overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wml vastgesteld. Uit dat wat eiseres naar voren heeft gebracht is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding en dat verweerder om die reden had moeten afzien van boeteoplegging. Dat eiseres niet de bedoeling had om iemand te benadelen leidt niet tot een ander oordeel, omdat opzet niet is vereist bij deze overtredingen van de Wml. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die de hoogte van de bestuurlijke boete onevenredig zou maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de bestuurlijke boete van € 15.250,- aan eiseres mocht opleggen.\n\nVaststelling betalingsregeling\n\n7. Verweerder heeft beleidsregels opgesteld voor het vaststellen van een betalingsregeling. Daarin is bepaald dat verweerder, op basis van een door de schuldenaar ingevulde vragenlijst en aangeleverde bewijsmiddelen, het vermogen en het inkomen van de schuldenaar beoordeelt. Als de waarde van het vermogen groter is dan de boete, dan is er voldoende draagkracht. Een langlopende betalingsregeling is dan niet mogelijk, maar een kortlopende betalingsregeling van drie maanden wel.\n\n7.1.. Verweerder heeft vastgesteld dat het eigen vermogen van eiseres op 31 december 2022 € 139.546 bedroeg en dat eiseres de boete hieruit kan voldoen. Hoewel eiseres op basis van de beleidsregels daarvoor niet in aanmerking komt, heeft verweerder haar toch een betalingsregeling van een jaar aangeboden.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat uit de door eiseres ingebrachte stukken blijkt dat haar vermogen hoger is dan de bestuurlijke boete. Verweerder hoefde op grond van de beleidsregels alleen een kortlopende betalingsregeling aan te bieden. Verweerder heeft dus ten gunste van eiseres afgeweken van de beleidsregels. Verder heeft eiseres niet toegelicht waarom verweerder de hoogte van het eigen vermogen onjuist zou hebben vastgesteld. De niet onderbouwde stelling dat twee vorderingen van € 73.140 en € 66.980 ten laste zullen komen van haar eigen vermogen is daarvoor onvoldoende.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de bestuurlijke boete aan eiseres mocht opleggen en hij de hiermee samenhangende betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:94\n\n1. Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.\n\n2. Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen.\n\n3. De beschikking tot uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.\n\n4. Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.\n\nArtikel 4:125\n\n1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.\n\n(…)\n\nArtikel 5:46\n\n1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.\n\n2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijke voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.\n\n3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.\n\n(…)\n\nWet minimumloon en minimumvakantiebijslag\n\nArtikel 7\n\n1. De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld.\n\n(…)\n\nArtikel 12\n\n(…)\n\n3. Onder normale arbeidsduur als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan de arbeidsduur die in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen met dien verstande dat hierbij een arbeidsduur van ten hoogste 40 uren per week in aanmerking wordt genomen.\n\nArtikel 13\n\n1. Het minimumloon is niet vatbaar voor inhouding of verrekening door de werkgever met overeenkomstige toepassing van artikel 631 onderscheidenlijk artikel 632, met uitzondering van het tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n2. In afwijking van het eerste lid is inhouding toegestaan, met overeenkomstige toepassing van artikel 632, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen betalingsverplichtingen van de werknemer worden aangewezen ten aanzien waarvan hij bevoegd is om schriftelijke volmacht te verlenen aan de werkgever om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn naam te verrichten, met inachtneming van hetgeen overigens in artikel 631 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Deze betalingsverplichtingen kunnen voor te onderscheiden categorieën van werknemers verschillend worden aangewezen. In afwijking van artikel 3, eerste lid, kunnen tevens betalingsverplichtingen worden aangewezen van werknemers die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen door of vanwege het Rijk of het bevoegde gezag van een provincie, gemeente, waterschap, veenschap en veenpolder, indien, op grond van artikel 615 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is verklaard.\n\n3. In afwijking van het eerste lid zijn voorschotten op het minimumloon, overeenkomstig artikel 7a aan de werknemer verstrekt, vatbaar voor verrekening met het minimumloon, mits dit vooraf schriftelijk met de werknemer is overeengekomen.\n\nArtikel 15\n\n1. De werknemer heeft jegens de werkgever recht op een vakantiebijslag ten minste tot een bedrag van 8% van zijn ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij tijdens de dienstbetrekking krachtens de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 of de artikelen 4:2b of 6:3 van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet aanspraak heeft, met dien verstande, dat het bedrag waarmede de som van dit loon en deze uitkeringen het drievoud van het minimumloon overschrijdt buiten beschouwing blijft.\n\n(…)\n\nArtikel 18b\n\n1. Als overtreding wordt aangemerkt:\n\na. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en 7a;\n\nb. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot voldoening van de minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikelen 15 of 16;\n\nc. het door een werkgever verrichten van inhouding op of verrekening met het minimumloon, in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 13;\n\n(…)\n\nArtikel 18c\n\n1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.\n\nArtikel 18pa\n\n1. De door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 18a, eerste en tweede lid, of 18c, eerste lid, maken het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd wegens overtreding van deze wet als bedoeld in artikel 18b, eerste en tweede lid, dat een besluit is genomen als bedoeld in artikel 18i, tweede lid, of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd openbaar teneinde de naleving van deze wet te bevorderen en inzicht te geven in het uitvoeren van het toezicht op grond van deze wet.\n\n(…)\n\nBeleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018\n\nArtikel 2\n\nIndien een werkgever de op hem rustende verplichting, als bedoeld in artikel 7, van de wet, niet of onvoldoende nakomt, wordt hem per werknemer ten aanzien van wie de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opgelegd waarvan de hoogte wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel.\n\nArtikel 10\n\n1. In afwijking van de artikelen 2, 5, 6 en 7 wordt geen boete opgelegd, indien de mate waarin de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, 5, en 6 gezamenlijk of 7 afzonderlijk, niet worden nagekomen minder bedraagt dan € 50. Er wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing waarbij de werkgever in de gelegenheid wordt gesteld alsnog aan zijn verplichtingen tot girale betaling van het volledige minimumloon en\u002Fof de betaling van de minimumvakantiebijslag te voldoen en binnen vier weken na het constateren van de overtreding schriftelijke bewijsstukken te overleggen waaruit dat blijkt. Indien de werkgever in gebreke blijft, wordt alsnog een bestuurlijke boete opgelegd.\n\n(…)\n\n Op grond van artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt deze bijkomende beschikking onderdeel uit van deze procedure.\n\n Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wml.\n\n Overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml.\n\n Overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wml.\n\n De boete van € 15.250,- is opgelegd voor zes overtredingen van artikel 7, eerste lid van de Wml en één overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wml. Verweerder heeft voor één overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wml en twee overtredingen van artikel 15, eerste lid Wml vanwege de geringe omvang ervan geen boete opgelegd.\n\n Artikel 18pa, eerste lid, van de Wml.\n\n Artikel 12, derde lid, van de Wml.\n\n Bladzijde 8 van het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 oktober 2018, 2018-0000160222, tot vaststelling van de beleidsregel in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving 2018), Stcrt. 2018, 61691.\n\n Deze beleidsregels staan op https:\u002F\u002Fwww.nlarbeidsinspectie.nl\u002Fnederlandse-arbeidsinspectie\u002Fsancties-en-handhavingsmethoden\u002Fbetalingsregeling-en-of-matiging-boete.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23507","2025-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.797Z",20]