[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":34,"total":16,"page":25,"limit":106},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2024-06-04T00:00:00.000Z","2026-06-05T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121809","Wet op de rechterlijke organisatie","art. 81",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123532","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 14",{"provisionId":31,"code":32,"article":33,"count":25},"124446","Algemene wet bestuursrecht","art. 3:4",[35,46,53,62,71,80,89,98],{"id":36,"ecli":37,"slug":38,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":44,"updatedAt":45},"1006","ECLI:NL:RBDHA:2026:17073","ecli-nl-rbdha-2026-17073","","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (IB\u002FPVV en Zvw 2014), 27 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017) en 10 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ö. Küçüksu,\n\nmr. H.N. Lakhi, drs. [controlemedewerker 3] en [naam 3] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. (Holding BV). Holding BV betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V. ( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in Holding BV, vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 33% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [controlemedewerker 3] ( [controlemedewerker 3] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [controlemedewerker 3] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [controlemedewerker 3] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 193.220 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 163.908, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 1.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [controlemedewerker 3] en [naam 3] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [controlemedewerker 3] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [controlemedewerker 3] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [controlemedewerker 3] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015 en 2016 (dagtekening 14 augustus 2021) en de aanslag IB\u002FPVV 2017 (dagtekening 10 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n€ 93.096\n\n€ 120.231\n\n€ 122.510\n\n€ 162.585\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n€ 70.812\n\n€ 353.990\n\n€ 126.952\n\n€ 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n€ 29.311\n\n€ 27.981\n\n€ 68.006\n\n€ 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n€ 1\n\n€ 1.679\n\n€ 2.089\n\n€ -\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n€ 193.220\n\n€ 503.881\n\n€ 319.557\n\n€ 634.016\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n€ 3.224\n\n€ 3.497\n\n€ 8.500\n\n€ 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle (navorderings)aanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n€ 100.980\n\n€ 316.106\n\n€ 122.510\n\n€ 319.430\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n€ 7.884\n\n€ 195.875\n\n€ -\n\n€ 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n€ 93.096\n\n€ 120.231\n\n€ 122.510\n\n€ 162.585\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ 2.089\n\n€ -\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 100.980\n\n€ 316.106\n\n€ 124.599\n\n€ 319.430\n\nBelastingrente\n\n€ 860\n\n€ 20.032\n\n€ -\n\n€ 9.707\n\nVergrijpboete\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\n€ -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784 en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand [pand 3] uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [controlemedewerker 3] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791 en SGR 24\u002F4794) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4792 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791 en SGR 24\u002F4794 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4785 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17073","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.596Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":50,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":44,"updatedAt":52},"295","ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","ecli-nl-rbdha-2026-17074","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803, SGR 24\u002F4804, SGR 24\u002F4805\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Weisfelt),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor de jaren 2014 tot en met 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd alsmede voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij alle belastingaanslagen is belastingrente berekend en bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn tevens vergrijpboetes aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de voornoemde belastingaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 maart 2024 (Zvw 2014), 30 maart 2024 (IB\u002FPVV 2016 en 2017), 5 april 2024 (IB\u002FPVV 2014) en 8 april 2024 (IB\u002FPVV 2015) de bezwaren gedeeltelijk toegewezen en daarbij de belastingaanslagen en rentebeschikkingen verminderd en de boetebeschikkingen op nihil gesteld.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026.\n\nEiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] ,\n\nmr. [naam 4] , drs. [naam 5] en [naam 6] .\n\nDe zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam 1] met de zaaknummers SGR 24\u002F4785, SGR 24\u002F4788, SGR 24\u002F4791, SGR 24\u002F4792, SGR 24\u002F4794.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser bezit vanaf 17 december 2008 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] betreft een beheer- en houdstermaatschappij.\n\n2. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 17 december 2008 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 2] betreffen de aankoop, verkoop, exploitatie en financiering van onroerende goederen.\n\n3. Eiser bezit, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 21 juli 2010 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] B.V( [bedrijfsnaam 3] ). De activiteiten van [bedrijfsnaam 3] betreffen:\n\nGroothandel en import van bouwmaterialen, vloeren, sanitair, tegels, hout en aanverwante artikelen;\n\nHet (doen) uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burger- en utiliteitsbouw;\n\nHet stofferen en inrichten ten behoeve van (weder-) verkoop.\n\n4. Eiser bezat, via zijn aandelen in [bedrijfsnaam 1] , vanaf 8 februari 2012 tot 1 januari 2015 34% van de aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. ( [bedrijfsnaam 4] ) en vanaf 1 januari 2015 tot heden 50%. De activiteiten van [bedrijfsnaam 4] zijn:\n\nHet begeleiden en advisering van bouwprojecten;\n\nHet uitvoeren van onderhouds- en renovatiewerkzaamheden in de burgerlijke- en utiliteitsbouw.\n\n5. Uit het Renseignementen Informatie Systeem van de Belastingdienst blijkt dat eiser en [naam 1] ( [naam 1] , hierna ook wel genoemd: de compagnon), ieder voor 50%, in de jaren 2014 tot en met 2017 onder meer de volgende panden bezitten:\n\n [pand 1] ;\n\n [pand 2] ;\n\n [pand 3] ;\n\n [pand 4] ;\n\n [pand 5] ;\n\n [pand 6] ;\n\n [pand 7] .\n\n6. Eiser en de compagnon hebben in de onderhavige jaren diverse bouwwerkzaamheden laten verrichten aan deze panden, alsook aan veel andere panden. De werkwijze van eiser en de compagnon komt er veelal op neer dat zij panden kopen die zij -na al dan niet (omgevings)vergunningen te hebben aangevraagd - laten opknappen\u002F verbouwen en daarna verhuren. De verhuur vindt plaats in box 3. In een groot aantal taxatierapporten die eiser heeft verstrekt, wordt ten behoeve van de financiering van de desbetreffende panden aangegeven dat de kosten voor de verbouwing\u002Frenovatie lager dan marktconform zijn vastgesteld, aangezien eiser en de compagnon de werkzaamheden voor een deel in eigen beheer uitvoeren.\n\nBoekenonderzoek\n\n7. Op 17 december 2018 heeft controlemedewerker [controlemedewerker 1] ( [controlemedewerker 1] ) van de Belastingdienst per e-mail een boekenonderzoek aangekondigd inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2017 van eiser en de compagnon. Het (deel)onderzoek heeft zich beperkt tot de activiteiten rondom de gezamenlijke onroerendezaaktransacties die in die jaren hebben plaatsgevonden. Ook bij [bedrijfsnaam 2] is een boekenonderzoek ingesteld.\n\n8. Op 11 februari 2019 heeft [controlemedewerker 1] samen met een collega van de Belastingdienst ( [controlemedewerker 2] ) een inleidend gesprek omtrent het boekenonderzoek gevoerd met onder andere eiser, zijn adviseur (gemachtigde H. Weisfelt) en de compagnon.\n\n9. Op 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een uitnodiging voor een slotbespreking verstuurd. Daarbij is tevens het conceptrapport meegestuurd. Verder is in deze brief aangegeven dat een andere controlemedewerker van de Belastingdienst, te weten [naam 5] ( [naam 5] ), het boekenonderzoek zal overnemen vanwege het aankomende vertrek van [controlemedewerker 1] .\n\n10. Met dagtekening 27 februari 2020 heeft [controlemedewerker 1] per brief een kennisgeving verstuurd inzake de op te leggen (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en vergrijpboetes. De vergrijpboetes vloeien voort uit correcties vanwege niet-aangegeven (verkapte) winstuitdelingen aan eiser over de belastingjaren 2014 tot en met 2017 die leiden tot inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2).\n\n11. Om een slotbespreking in te plannen, is tussen [naam 5] en de adviseur van eiser mailverkeer geweest. Door de Covid-19 maatregelen is de slotbespreking uitgesteld.\n\n12. Op 2 oktober 2020 heeft [naam 5] per e-mail aangegeven dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014, conform het correctievoornemen in het conceptrapport van 27 februari 2020, opgelegd zullen worden wegens dreigende verjaring. Op 30 oktober 2020 is eiser per brief in kennis gesteld van het opleggen van deze navorderingsaanslagen.\n\n13. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is met dagtekening 21 november 2020 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 51.414. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is met dagtekening 28 november 2020 opgelegd. Het verzamelinkomen in deze aanslag bedraagt € 200.606 en bestaat uit een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 166.340, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 29.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 4.955.\n\n14. Op 16 oktober 2020, 28 januari 2021, 3 maart 2021 en 31 maart 2021 hebben (slot)besprekingen plaatsgevonden. Van deze (slot)besprekingen zijn verslagen opgemaakt.\n\nDeze besprekingen zijn onder andere gevoerd met eiser, zijn gemachtigde, [naam 2] (adviseur) en de compagnon, en [naam 5] en [naam 6] (controlemedewerkers van de Belastingdienst).\n\n15. Per e-mail is op 18 juni 2021 door [naam 5] een aanvullend correctievoorstel verstuurd over de waarden van de panden van eiser en de compagnon. Daarna hebben de gemachtigde en [naam 5] elkaar nog gemaild op 1 juli 2021 en 2 juli 2021 en op 16 juli 2021 heeft [naam 5] een reactie verstuurd inzake de waardebeoordeling van de panden van eiser en de compagnon.\n\n16. De bevindingen van het onderzoek zijn uiteindelijk neergelegd in het definitieve controlerapport met dagtekening 20 juli 2021 (het controlerapport). In het controlerapport zijn tevens de op te leggen vergrijpboetes medegedeeld. De inkomenscorrecties (box 1) zijn daarbij mede gebaseerd op de door een ambtelijk taxateur van de Belastingdienst gegeven waardebepalingen (de waardebeoordelingen) betreffende de verschillende panden. In het controlerapport staat omtrent de activiteiten vermeld:\n\n“2.1.1 Algemeen\n\nIn de jaren 2012 tot en met 2017 hebben belanghebbenden samen meer dan 50 onroerende zaken verworven in de eigendomsverhouding 50\u002F50. Kort samengevat worden appartementen gekocht die in vrijwel alle gevallen achterstallig zijn onderhouden dan wel sterk gedateerd zijn. Deze appartementen staan doorgaans te koop op het woningplatform Funda. Soms wordt een object door een makelaar onder de aandacht gebracht. De activiteiten beperken zich niet alleen tot het verrichten van noodzakelijk onderhoud of het moderniseren van woningen. Er vinden ook meer grondige wijzigingen plaats in zowel feitelijke als juridische staat. Hierbij moet worden gedacht aan het splitsen, ombouwen van kantoor-\u002Fbedrijfsruimte naar woonruimte, het realiseren van constructieve doorbraken, het realiseren van een loggia, wijzigingen aan het balkon, het realiseren van een dakterras, het vergroten van een dakkapel, het realiseren van een inpandig balkon, het bouwen van garages (i.e. nieuwe onroerende zaken) en zelf het realiseren van een dakopbouw c.q. het aanbrengen van een geheel nieuwe verdieping. Voornoemde werkzaamheden worden onder hoofdstuk 3 nader beschouwd. Per project vindt een beschrijving plaats van de investeringen en het met het project behaalde resultaat. Na afronding worden de panden – op enkele uitzonderingen na – door belanghebbenden verhuurd.”\n\n17. In het controlerapport is onder andere, samengevat, het volgende geconcludeerd:\n\nDe activiteiten van eiser rondom de gezamenlijke onroerendgoedtransacties met de compagnon worden in een groot aantal – in het controlerapport benoemde – gevallen aangemerkt als een bron van inkomen, te weten box 1-inkomen, over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Daarbij gaat het doorgaans om de positieve resultaten behaald bij de overgang van box 1 (einde van meer dan normaal vermogensbeheer) naar box 3 (aanvang reguliere verhuur\u002Fstart normaal vermogensbeheer). In een enkel geval (waaronder [pand 3] ) gaat het om het resultaat behaald bij verkoop.\n\nDe correcties kwalificeren in beginsel als belastbare winst uit onderneming (primaire conclusie), maar worden in de belastingaanslagen vooralsnog in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiaire conclusie).\n\nUit diverse transacties van de gelieerde vennootschap [bedrijfsnaam 2] volgt daarnaast een (verkapte) uitdeling van dividend aan eiser en de compagnon over de belastingjaren 2014 tot en met 2017. Dientengevolge moet het box 2-inkomen worden gecorrigeerd.\n\nOver het bijgetelde inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) worden vergrijpboeten opgelegd. Deze vergrijpboeten hebben enkel betrekking op de correcties die worden aangebracht naar aanleiding van de (verkapte) uitdelingen van dividend.\n\n18. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2015, 2016 en 2017 (dagtekening 14 augustus 2021) zijn overeenkomstig de uitkomsten van het boekenonderzoek opgelegd. Ten opzichte van de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2014 tot en met 2017 zijn de volgende correcties doorgevoerd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nVastgesteld inkomen uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\nwerk en woning (box 1)\n\nCorrectie inkomen uit werk en\n\n € 70.812\n\n € 353.990\n\n € 126.952\n\n € 399.014\n\nwoning (box 1, resultaat uit\n\noverige werkzaamheden)\n\nCorrectie inkomen uit\n\n € 29.311\n\n € 27.981\n\n € 68.006\n\n € 72.417\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 4.955\n\n € 1.542\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nTotaal verzamelinkomen na\n\n € 200.606\n\n € 491.944\n\n € 314.893\n\n € 643.220\n\ncorrecties\n\nVergrijpboete\n\n € 3.224\n\n € 3.497\n\n € 8.500\n\n € 9.052\n\n19. Eiser heeft tegen alle navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt.\n\n20. Tussen 29 maart 2022 en 29 april 2022 hebben de bezwaarbehandelaar en de gemachtigde van eiser elkaar gemaild. Op verzoek van de gemachtigde heeft de bezwaarbehandelaar gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, totdat de besprekingen aangaande de bezwaren tegen de samenhangende aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2017 waren afgerond.\n\n21. Met dagtekening 14 november 2023 is een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend door enerzijds eiser en zijn partner en de compagnon en zijn partner en anderzijds de Belastingdienst over de correcties inzake het box 2-inkomen. In de VSO is onder meer vastgelegd dat de bewuste belastingschuld zal worden geformaliseerd in een nog op te leggen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 aan [bedrijfsnaam 2] en de aangebrachte correcties in box 2 daardoor uit de aanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 worden geëlimineerd. Verder is vastgelegd dat de bijbehorende vergrijpboeten op € 0 worden gesteld en de ondertekening van de VSO geldt als een intrekking van de bezwaren, gericht tegen de box 2-correcties.\n\n22. Bij uitspraken op bezwaar is verweerder vervolgens deels aan de bezwaren tegemoetgekomen en zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017, waarbij is uitgegaan van winst uit onderneming in plaats van resultaat uit overige werkzaamheden, als volgt verminderd:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € 103.412\n\n € 304.306\n\n € 110.076\n\n € 317.700\n\nwerk en woning (box 1)\n\nBelastbare winst uit onderneming\n\n € 7.884\n\n € 195.875\n\n € -\n\n € 156.845\n\nBelastbare inkomsten uit\n\n € 95.528\n\n € 108.431\n\n € 110.076\n\n € 160.855\n\ntegenwoordige arbeid\n\nBelastbaar inkomen uit\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\naanmerkelijk belang (box 2)\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\n € 2.905\n\n € 312\n\n € 9.859\n\n € 10.934\n\n(box 3)\n\nVerzamelinkomen\n\n € 106.317\n\n € 304.618\n\n € 119.935\n\n € 328.634\n\nBelastingrente\n\n € 731\n\n € 20.119\n\n € -\n\n € 9.647\n\nVergrijpboete\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\n € -\n\nDe navorderingsaanslag Zvw 2014 is bij de uitspraak op bezwaar verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.784, en de belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd naar € 87.\n\nGeschil\n\n23. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en Zvw 2014 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar terecht en niet te hoog zijn vastgesteld. Daarbij is meer specifiek in geschil:\n\nof sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nof de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon ter zake van de zeven hiervóór onder punt 5 genoemde panden kwalificeren als ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ en leiden tot box 1-inkomen bestaande uit winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (in plaats van box 3-heffing over die panden);\n\nof de aan de inkomenscorrecties ten grondslag liggende waardebepaling van de panden juist is;\n\nof het gelijkheidsbeginsel is geschonden;\n\nof sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden;\n\nof de belastingrente dient te worden gematigd;\n\nof eiser recht heeft op vergoeding van de integrale proceskosten.\n\nDe vergrijpboetes zijn in deze procedure niet meer in geschil. Het jaar 2016 is ook niet meer in geschil.\n\n24. Eiser neemt in beroep de volgende standpunten in:\n\ner is geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden; er is geen sprake van werkzaamheden die normale beleggers niet uitvoeren, waardoor de betreffende panden tot het box 3-inkomen dienen te worden gerekend;\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder, waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn niet juist; er dient te worden uitgegaan van de taxaties van eiser en de compagnon;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat in een ander gelijk geval de inkomsten wel als box 3-inkomen zijn aangemerkt;\n\ner is sprake van vooringenomenheid en willekeur en van onzorgvuldigheid door de manier waarop de hele controle is uitgevoerd en afgehandeld;\n\nde belastingrente dient te worden gematigd, omdat die mede is opgelopen door aan verweerder te wijten vertragingen.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering dan wel vernietiging van de belastingaanslagen en rentebeschikkingen overeenkomstig zijn standpunten, onder toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.\n\n25. Verweerder stelt dat de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2014 tot en met 2017 bij de uitspraken op bezwaar niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en neemt daarbij de volgende standpunten in:\n\ner is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast;\n\nde activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de bewuste panden vormen meer dan normaal vermogensbeheer en vormen winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt);\n\nde waardebepalingen van de panden van verweerder waarop de inkomenscorrecties zijn gebaseerd, zijn juist;\n\nhet gelijkheidsbeginsel is niet geschonden;\n\ner is geen sprake van vooringenomenheid of willekeur en ook niet van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;\n\ner is geen aanleiding de belastingrente te matigen.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nBewijslastverdeling\n\n26. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangiften, omdat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst verweerder op de aangiften IB\u002FPVV 2014 tot en met 2017 en de bevindingen van het boekenonderzoek zoals neergelegd in hoofdstuk 3.1.2 van het controlerapport. Dit onderdeel ziet op de box 2-correcties.\n\n27. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee de gestelde omkering en de verzwaring van de bewijslast doet steunen op de naar aanleiding van het boekenonderzoek in box 2 toegepaste inkomenscorrecties die in de onderhavige procedure niet in geschil zijn.\n\nPartijen hebben over die specifieke box 2-correcties en de afdoening daarvan in de VSO overeenstemming bereikt, waardoor die correcties in de onderhavige procedure niet voorliggen. Uit de VSO valt niet aanstonds op te maken dat de desbetreffende correcties in de onderhavige zaken dienen te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast, meer specifiek dat dienaangaande is voldaan aan het voor de omkering en verzwaring geldende bewustheidsvereiste. Uit de enkele verwijzing naar 3.1.2 van het controlerapport en de gesloten VSO volgt onvoldoende dat voor wat betreft het box 2-inkomen voor de onderhavige jaren bewusteen onjuiste aangifte is gedaan. Onder die omstandigheden rechtvaardigen de box 2-correcties niet de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in deze procedure. De rechtbank zal dan ook de normale regels van de bewijslastverdeling toepassen.\n\nDe activiteiten\u002Fwerkzaamheden betreffende de panden: box 1 of box 3\n\n28. Ten aanzien van de activiteiten\u002Fwerkzaamheden van eiser en de compagnon met betrekking tot de (ver)bouwactiviteiten aan de onderhavige zeven panden stelt verweerder dat sprake is van méér dan normaal vermogensbeheer zodat ter zake van de inkomsten daaruit sprake is van belastbare winst uit onderneming (primair standpunt) dan wel belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (subsidiair standpunt). Eiser neemt daartegenover het standpunt in dat diengaande geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer zodat de panden in box 3 belast zijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\n29. De rechtbank stelt voorop dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Onder meer dan normaal vermogensbeheer dient te worden verstaan: het rendabel maken van de onroerende zaken mede door middel van arbeid welke door dan wel namens de eigenaar van de onroerende zaken wordt verricht waarbij deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.Het hangt van de feiten en omstandigheden van het geval af wanneer de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. In beginsel vergt dat een beoordeling per pand. Voor de vraag of sprake is van winst uit onderneming ligt het meer in de rede de activiteiten als geheel te beoordelen. Verweerder heeft bij de aanslagoplegging ter zake van 24 panden het standpunt ingenomen dat sprake is van box 1-inkomen (meer dan normaal vermogensbeheer) bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl verweerder nu nog ter zake van zeven panden box 1-inkomen stelt, bestaande uit winst uit onderneming.Verweerder heeft daarbij ingezoomd op de afzonderlijke panden en heeft niet de activiteiten van eiser en de compagnon als geheel beoordeeld. Daarom ligt nu niet concreet de vraag voor of al dan niet sprake is van een onderneming, maar enkel of de zeven onder 5 genoemde panden terecht in de box 1-heffing zijn betrokken. Gelet hierop zal de rechtbank per pand beoordelen of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien dat het geval is, zal de rechtbank dit als winst uit onderneming kwalificeren conform verweerders primaire standpunt, aangezien dit voordeliger is voor eiser dan resultaat uit overige werkzaamheden (gelet op de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling).\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met wat hij heeft aangevoerd en overgelegd, afgezet tegen en in samenhang bezien met wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd, voor vier panden\u002Fprojecten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Dat betreft de panden: ‘ [pand 3] ’, ‘ [pand 4] ’, ‘ [pand 5] ’ en ‘ [pand 6] ’. Voor die panden geldt dat de werkzaamheden veel meer omvatten dan enkel een verbouwing van bijvoorbeeld een keuken en\u002Fof badkamer en kwalificeren als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschrijdt, waarbij aannemelijk is dat ook steeds een rendement is beoogd dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende ten aanzien van die panden\u002Fprojecten uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, die volgen uit de door eisers aangevraagde omgevingsvergunningen, de door eiser overgelegde taxatierapporten en het controlerapport. Dat het pand Van Boetzelaerlaan uit de verhuur kwam, maakt niet dat het resultaat van de verbouwing niet in box 1 valt. Ten aanzien van de voornoemde panden\u002Fprojecten acht de rechtbank in ieder geval het volgende aannemelijk:\n\n- [pand 3]\n\nDit betreft een woonhuis met garage dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd in drie appartementen met bergingen.\n\n- [pand 4]\n\nDit betreft een garage\u002Fbedrijfsruimte ( [huisnummer 1] ) met erf en tuin en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping ( [huisnummer 2] ) die in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) zijn getransformeerd in twee woningen, te weten: een ‘onvrije’ (dat wil zeggen: een woning waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal) parterrewoning met een onvrije bovenwoning bestaande uit twee woonlagen, waarbij aan de achterzijde op de begane grond een uitbouw is gerealiseerd. In de verklaring ter zitting dat “een oude garagedeur [is] vervangen door een raamkozijn waardoor er een aparte woning op de begane grond ontstond”, vindt de rechtbank overigens bevestiging in de transformatie van de bedrijfsruimte naar woning. Of al dan niet ook een dakterras op de aanbouw is gecreëerd, acht de rechtbank voor de kwalificatie box 1 of box 3 niet van belang.\n\n- [pand 5]\n\nDit betreft een kantoorgebouw (kantoor met dienstwoning) dat in opdracht van eiser en de compagnon na het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunning(en) is getransformeerd\u002Fopgesplitst in drie winkels\u002Fbedrijfsruimten en elf appartementen. Er is een extra woonlaag toegevoegd aan het gebouw.\n\n- [pand 6]\n\nDit betreft een winkel\u002Fwoonhuis op de begane grond en het achtergedeelte van de eerste verdieping, waar overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw zijn gerealiseerd. De opmerking van eiser dat het stuitend is dat verweerder [huisnummer 3] heeft getaxeerd, terwijl dit volgens eiser moet zijn [huisnummer 4] , omdat nummer [huisnummer 3] niet bestaat, doet hier niet aan af, omdat het eiser duidelijk is welk pand het betreft. Deze verwarring heeft eiser bovendien zelf veroorzaakt, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport, waarin eveneens ‘ [pand 6] ’ staat vermeld.\n\n31. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van de vier hiervóór genoemde panden\u002Fprojecten terecht box 1-inkomen in aanmerking is genomen. Voor de overige drie onder punt 5 genoemde panden\u002Fprojecten, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank niet. De in het controlerapport beschreven werkzaamheden en activiteiten zijn, mede in het licht van wat eiser daarover heeft aangevoerd, onvoldoende om meer dan normaal vermogensbeheer aannemelijk te achten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat (ook na de zitting) nog steeds onduidelijkheid bestaat over of, en zo ja in hoeverre, een aantal in het controlerapport genoemde werkzaamheden\u002Factiviteiten al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat voor twee panden - [pand 2] en [pand 7] - de door verweerder becijferde resultaten voor de onderhavige jaren ook niet dwingen tot de conclusie dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer (geen rendement-plus). Deze drie panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 7] dienen daarom tot het box 3-vermogen te worden gerekend.\n\nInkomenscorrecties; waardebepaling\n\n32. Vervolgens ligt de vraag voor of de in verband met de onder rechtsoverweging 30 genoemde panden\u002Fprojecten toegepaste inkomenscorrecties berusten op een juiste waardebepaling van die panden\u002Fprojecten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.\n\n- [pand 3]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 407.654 met een waardecreatie van 41,5%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de daadwerkelijke gerealiseerde verkoopprijzen van de (gerealiseerde) appartementen. De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 4]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2015 is berekend van € 66.675 met een waardecreatie van 27,4%, is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 310.000 in vrije staat (met waardepeildatum 31 oktober 2015). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport, te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde is getaxeerd op € 225.000 in verhuurde staat (met waardepeildatum 22 september 2014) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats eind oktober 2015 - en, anders dan in eisers taxatie het geval is, terecht uitgaat van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De taxatiewaarde van eiser van € 225.000 naar verhuurde staat per 22 september 2024 ligt overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van € 310.000 in onverhuurde staat per 31 oktober 2015, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2015) acht de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 5]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport, waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend van € 296.915 met een waardecreatie van 16,2%, is gebaseerd op enerzijds het door eiser en de compagnon opgeofferde bedrag en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op in totaal € 2.130.000 (€ 1.750.000 voor de woningen in verhuurde staat en € 380.000 voor de bedrijfsruimte in verhuurde staat). Nu de waarde is bepaald in verhuurde staat, acht de rechtbank deze uitgangspunten geenszins onredelijk. Het door eiser voor dit pand oorspronkelijk overgelegde taxatierapport van vóór de verbouwing van een registertaxateur van 18 maart 2016, in opdracht van een bank, naar een totale marktwaarde van € 1.585.000 (€ 235.000 k.k. voor drie winkelunits (begane grond) + € 1.035.000 k.k. voor 9 woonunits (1e, 2e en 3e etage) + € 315.000 voor 2 woonunits (dakopbouw)), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die taxatie aansluit bij de werkelijke waarde van het pand\u002Fde verschillende units zoals uiteindelijk gerealiseerd. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is dan ook aannemelijk gemaakt.\n\n- [pand 6]\n\nMet betrekking tot dit pand\u002Fproject stelt de rechtbank vast dat de resultaatberekening, zoals opgenomen in het controlerapport – waarbij een resultaat toerekenbaar aan 2017 is berekend ten bedrage van € 81.080 met een waardecreatie van 21,9% – is gebaseerd op enerzijds de door eiser en de compagnon opgeofferde bedragen en anderzijds de waardebeoordeling van de ambtelijk taxateur van verweerder, waarbij de waarde is bepaald op € 97.000 (voor de winkelruimte in vrije staat) en € 355.000 (voor de woonruimte in vrije staat) (waardepeildatum 31 december 2017). De rechtbank acht deze uitgangspunten redelijk en heeft ook overigens geen redenen om aan de resultaatberekening zoals opgenomen in het controlerapport te twijfelen. Het door eiser voor dit pand overgelegde taxatierapport van een registertaxateur, waarin de waarde in verhuurde staat van de winkelruimte is bepaald op € 95.000 en van de woonruimte op € 335.000 (met waardepeildatum: 14 maart 2017) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit reeds, omdat de waardebeoordeling van verweerder beter aansluit voor wat betreft de waardepeildatum - de sfeerovergang van box 1 (projectontwikkeling) naar box 3 (verhuur) vindt plaats op 31 december 2017 - en, anders dan in eisers taxatie, daarin terecht is uitgegaan van een onverhuurde staat van de gerealiseerde objecten. De hiervóór bedoelde taxatiewaarden van eiser in verhuurde staat per 14 maart 2017 liggen overigens ook voldoende in lijn met de waardering van verweerder van respectievelijk € 355.000 en € 97.000 in onverhuurde staat per 31 december 2017, zodat de rechtbank ook daarom daarin geen aanleiding vindt om aan de juistheid van de waardering van verweerder te twijfelen. Het door verweerder berekende resultaat (toerekenbaar aan 2017) is daarom aannemelijk gemaakt.\n\nInkomenscorrecties\n\n33. Het voorgaande betekent dat ter zake van voornoemde projecten de volgende resultaten als winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek) in aanmerking moeten worden genomen, overeenkomstig de berekening in het controlerapport:\n\n- [pand 3] : € 407.654 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 4] : € 66.675 toerekenbaar aan 2015;\n\n- [pand 5] : € 296.915 toerekenbaar aan 2017;\n\n- [pand 6] : € 81.080 toerekenbaar aan 2017;\n\nvolgens dezelfde verdeelsleutel als tot nu toe is gehanteerd (50% aan zowel eiser als aan de compagnon).\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n34. Eiser stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en wijst in dit verband op een volgens hem vrijwel identiek geval, waarin wel is geconcludeerd dat sprake is van box 3-inkomen en niet van box 1-inkomen. Het geval betreft de vaste aannemer van eiser en de compagnon die in de bewuste periode een kerkgebouw heeft omgebouwd tot zeven appartementen.\n\n35. Het enkele feit dat één gelijk geval anders is behandeld, is onvoldoende om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen. Eiser beroept zich uitdrukkelijk niet op de meerderheidsregel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient dan sprake te zijn van een oogmerk van begunstiging of van begunstigend beleid door de Belastingdienst. Daargelaten of de gevallen zo gelijk zijn als eiser stelt, is in elk geval de aanwezigheid van een oogmerk van begunstiging of begunstigend beleid -die verweerder betwist-, gesteld noch gebleken. Reeds om die reden moet het beroep op het gelijkheidsbeginsel worden verworpen.\n\nVooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar \u002F zorgvuldigheidsbeginsel\n\n36. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid en willekeur door de controleambtenaar en van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat zij de irritatie van eiser over het taalgebruik van bepaalde medewerkers van de Belastingdienst in hun interne mailverkeer, met name van de controlemedewerker [controlemedewerker 1] , zoals dat blijkt uit de gedingstukken, begrijpt en ook het daaraan ontleende gevoel dat ze volgens [controlemedewerker 1] hoe dan ook moesten betalen. De rechtbank acht de bewuste passages onprofessioneel en ongepast. Die constatering rechtvaardigt echter als zodanig niet de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid en willekeur ten aanzien van de aanslagregeling of van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de controle \u002F het boekenonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en [controlemedewerker 1] is opgevolgd door [naam 5] die zich niet op ongepaste wijze heeft uitgelaten. Tijdens de hele periode van het onderzoek en de aanslagregeling heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden, waarbij ook steeds de (nieuwe) argumenten van eiser zijn meegenomen bij de verdere beoordeling. Dit heeft onder meer geleid tot de VSO. De rechtbank ziet daarbij in de reacties van de Belastingdienst, anders dan de hiervóór bedoelde uitlatingen, geen onzorgvuldigheid of vooringenomenheid. Aldus is het zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Ook overigens vindt de rechtbank daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten.\n\nBelastingrente\n\n37. Niet in geschil is dat de belastingrente is berekend conform de geldende wettelijke bepalingen. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Eiser meent dat desondanks aanleiding bestaat de belastingrente te matigen, omdat, kort gezegd, de rente mede is opgelopen door een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze aan de zijde van verweerder. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Weliswaar heeft een en ander lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een te trage besluitvorming\u002Fhandelwijze van verweerder. Het komt vooral door de lange duur van het uitgevoerde boekenonderzoek en die hangt samen met het feit dat omvangrijke activiteiten als de onderhavige veelal niet eenvoudig zijn te overzien of (fiscaal) te duiden. Dat vormt echter geen omstandigheid die een matiging van de belastingrente rechtvaardigt.Ook andere matigingsgronden zijn de rechtbank niet gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de belastingaanslagen die voortvloeien uit deze uitspraak.\n\nConclusie\n\n38. Gelet op wat hiervóór is overwogen, dienen de beroepen betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017 gegrond te worden verklaard. Het beroep betreffende het jaar 2016 zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat over dat jaar geen geschil meer bestaat.\n\n39. De rechtbank zal verweerder opdragen de belastingaanslagen te verminderen met inachtneming van wat is bepaald in deze uitspraak, met de opdracht om de daarmee samenhangende rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen.\n\nProceskosten\n\n40. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser voor de beroepsprocedure gemaakte proceskosten. Hierbij stelt de rechtbank vast dat tussen de onderhavige zaken en de zaken van de compagnon die tegelijkertijd ter zitting zijn behandeld, sprake is van samenhang in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt op grond van het Besluit de voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten vast op 50% van € 4.203 = € 2.101,50 (50% van de vergoeding gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1,5 wegens de zwaarte van de zaak en een samenhangfactor 1,5). Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen vergoeding toe, omdat daarvoor bij de uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding aan eiser is toegekend.\n\nDe rechtbank kent de proceskostenvergoeding van € 4.203 voor de helft, dus voor € 2.101,50 toe in de onderhavige gegronde beroepen (SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805) en zal de andere helft toekennen in de overige samenhangende gegronde beroepen van de compagnon.\n\n41. De rechtbank wijst hierbij het verzoek van eiser om een integrale proceskostenvergoeding af, aangezien de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning vindt, ook niet in samenhang bezien met hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, voor de conclusie dat verweerder standpunten heeft ingenomen tegen beter weten inof in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 24\u002F4804 (betreffende het jaar 2016) ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers SGR 24\u002F4801, SGR 24\u002F4802, SGR 24\u002F4803 en SGR 24\u002F4805 (betreffende de jaren 2014, 2015 en 2017) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, behoudens voor zover het de nihilstelling van de boetebeschikkingen en de toegekende proceskostenvergoeding betreft;\n\ndraagt verweerder op de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, 2015 en 2017 en de navorderingsaanslag Zvw 2014 en de bij die belastingaanslagen gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van wat is beslist in deze uitspraak en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.101,50;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. K.G. Scholten en\n\nmr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n In de zaak SGR 24\u002F4801 is € 51 griffierecht betaald.\n\n Vgl. HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731.\n\n In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van 17 panden (sommige bestaande uit meerdere nummers\u002Fobjecten) geconcludeerd dat toch sprake is van box 3-inkomen.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 24 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1105, bevestigd in Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:539 (met artikel 81 RO).\n\n Vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.\n\n Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17074","2026-07-13T00:28:23.139Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":44,"updatedAt":61},"728","ECLI:NL:GHDHA:2026:1598","ecli-nl-ghdha-2026-1598","2026-05-13T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F701\n\nUitspraak van 13 mei 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: N.E. El Haddioui)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 augustus 2025, nummer SGR 25\u002F1053.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Inspecteur heeft op grond van artikel 9.6, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bij beschikking het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van zijn aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) 2022 afgewezen (de verminderingsbeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de verminderingsbeschikking beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 17 maart 2026 een nader stuk ingediend.\n\n1.4.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende drijft in 2022 een eenmanszaak onder de naam “ [naam eenmanszaak] ”. In zijn aangifte IB\u002FPVV 2022 omschrijft hij zijn ondernemingsactiviteiten als “Zorg, coaching, training, therapie en muziek”. De SBI-codes die zijn geregistreerd in de Kamer van Koophandel sluiten hierbij aan. Belanghebbende organiseerde onder de naam [naam eenmanszaak] evenementen en bood cursussen aan, bijvoorbeeld over teambuilding en persoonlijke ontwikkeling.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft aangifte IB\u002FPVV 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 114.481, bestaande uit belastbare winst uit onderneming.\n\n2.3.. De aanslag IB\u002FPVV 2022 is opgelegd, in afwijking van de aangifte van belanghebbende, naar een verzamelinkomen van € 115.263 door naast de belastbare winst uit onderneming ook rekening te houden met een bedrag van € 782 aan belastbaar loon.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft een herziene aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend, welke door de Inspecteur als verzoek om een ambtshalve vermindering van de aanslag IB\u002FPVV 2022 in behandeling is genomen. In zijn herziene aangifte heeft belanghebbende € 63.871 aan “Kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen” en € 3.765 aan additionele “Verkoopkosten” in aftrek gebracht op zijn box 1 inkomen.\n\n2.5.. De Inspecteur heeft belanghebbende vragen gesteld over voornoemde kosten. Op basis van de reactie van belanghebbende heeft de Inspecteur een bedrag van in totaal € 6.765 aan (additionele) kosten in aftrek toegestaan en bij de verminderingsbeschikking het verzamelinkomen van belanghebbende nader vastgesteld op € 109.455. De Inspecteur heeft een bedrag van € 60.871 aan “Kosten van grond- en hulpstoffen inkoopprijs van de verkopen” niet in aftrek toegestaan omdat dit volgens hem verband houdt met investeringen in een handelsbot die geen bron van inkomen in box 1 vormen.\n\n2.6.. Volgens het proces-verbaal van 30 september 2023 van een aangifte door belanghebbende bij de politie van beleggingsfraude heeft belanghebbende, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende over zijn investeringen in een handelsbot en zijn contact met [A] (A) verklaard:\n\n“Ik doe aangifte van oplichting. Met aan samenweefsel van verdichtsels heeft [A] mij bewogen tot het afgeven van een goed, namelijk geld.\n\n(…)\n\n[A] kende ik tot 2 jaar geleden niet, totdat een goede vriendin van mij en businesspartner aangaf dat zij iemand kende die in bots handelde. Ik heb zelf de opleiding blockchain professional gedaan en was al ruim 5 jaar actief met crytpo, trading. Ik heb er tot nog toe meer geld mee verloren dan gewonnen. De bot zou vertraagd maar wel stabiel zijn.\n\n(…)\n\nIk heb een eigen onderneming en voor events nodig ik mensen uit om hun bedrijf te promoten. Daar is [A] ook geweest om zijn verhaal te vertellen. Zo is het ontstaan. (…)\n\nHet verhaal van de bot werd als volgt geschetst. Je ligt minimaal 1000 euro in en er word een winst marge van 10 t\u002Fm 20 procent beloofd. Later werd dit teruggeschroefd naar 5 tot 10 procent. Als bedankje voor de mogelijkheid kocht ik 2 bots in voor 1000 euro. 1 voor mezelf en 1 voor mijn businesspartner.\n\nIn ruim 7 maanden had ik zover ik kan herinneren al 3000 euro verdiend, dit gaf [A] middels een app zelf aan. Ik had tot dan toe geen intensief contact met [A].\n\nIk had zelf toen geld in crypto en geloofde er nog steeds meer in dan in de bot. Nadat de markt van crypto inzakte en de bot nog steeds op het oog goed draaide koos ik ervoor om iets meer geld in de bot te stoppen. Ik raakte meer in gesprek met [A] middels de whatsapp en stelde vragen die ook leerde vanuit mijn opleiding zodat ik het product goed kon snappen en beoordelen.\n\nIk heb er voor gekozen om met [A] face to face te meeten in [woonplaats 1] omdat ik meer van de bot wilde snappen. Ik wilde de ins en out kennen. Ik liet wel al doorschemeren dat ik wat crypto over had die ik eventueel in de bot wilde zetten. [A] overtuigde me en gaf aan dat crypto niet handig was en onzeker was. De bot zou stabieler zijn en wellicht trager lopen maar wel met een constante flow.\n\nIk begon vanaf dat moment grotere porties geld over te maken in de veronderstelling dat mijn bot zou groeien. (…)\n\n[A] vertelde dat hij met key users werkte en dat wilt zeggen dat als jij iemand aandraagt hij liever heeft dat jij de communicatie verzorgt omdat hij daar niet goed in is. Ik ben dus hoofdzakelijk verantwoordelijk geweest om het geld te ontvangen van de mensen die ik heb aangeleverd (broertjes, neven en vrienden) en door te sturen naar [A]. Voor deze rol is er geen extra afspraak gemaakt, wel heb ik onderschat wat zo een rol met zich meebrengt. [A] liet regelmatig steekjes vallen zoals de stand niet updaten, of te laat reageren op vragen van klanten waardoor ik tussen wal en schip zat. (…)\n\nNa een etentje mij [A] en ik bij […] in [woonplaats 2] heeft hij mij in de parkeergarage vertelt dat hij een minimale procent toevoegt aan de winst als je meer mensen bleef brengen en met hen in gesprek bleef. Ik heb zelf geen financieel doel gehad omdat het vrienden betrof en ik zelf genoeg geld te besteden had om te kunnen profiteren van de bot (als die echt zou bestaan). Maar ik nooit geld gekregen van A voor het aanbrengen van mensen. (…)\n\n[A] heeft gezegd dat het hem 8 jaar heeft gekost om de bot te ontwikkelen, dat […] een bot bij hem had, politie agenten uit [woonplaats 3] , zijn kinderen, ouders en vrienden. Oftewel een heel overtuigende verhaal. Hij stond iedereen netjes te woord na afloop en dit heeft bijna iedereen doen besluiten om in de bot te gaan. (…)\n\nDoor het verhaal persoonlijk te maken, elke dag bereikbaar te zijn te praten over zijn familieleden. Door met mij af te spreken in [woonplaats 1] 3x en 1x in [woonplaats 2] groeide het vertrouwen. [A] heeft in het begin opnames van derden netjes betaald waardoor er nog meer vertrouwen ontstond. (…)\n\nLange tijd heeft [A] een goede act opgehouden totdat ik op 5 juli mijn geld wilde opnemen en [A] steeds met een smoes kwam. (…) In augustus heb ik besloten de leden die ik diende op de hoogte te stellen dat wij met z’n allen uit de bot gaan omdat ik het niet meer vertrouw.\n\n(…)\n\n- Ik ben gek van crypto. Ik wilde graag weten hoe het werkte. Gewoon omdat ik er interesse in had. Hij had een PDF gemaakt. Whitepaper [document 1] dat stuurde hij in juli 2022. Toen ik begon was het tussen de 10 en 20 procent en later werd het tussen de 5 en 10 procent winst per maand. (…)\n\nWerden er nog documenten overhandigd door [A] met uitleg over zijn onderneming?\n\n- Alleen die [document 1] Whitepaper, hij had wel iets gestuurd over hoe zijn bot eruit ziet als verdiensten. Dat is niet zoiets als de whitepaper hoor.\n\nIk wilde wel inzage in die bot en heb dat ook wel paar keer aan het gevraagd maar ik heb nooit inzage gehad. Hij liet weleens wat berekening zien wat hij dan voor bedrijven zou gaan doen.\n\nVan een andere benadeelde heb ik een document ontvangen. Dit was een Whitepaper met de title [document 2] . Ken je dit document?\n\n- Ja wat ik zojuist heb uitgelegd.”\n\n2.7.. Bij uitspraak van de strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2025 is A onder andere veroordeeld voor oplichting met een niet bestaande handelsbot.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Winst uit onderneming\n\n12. Nu eiser het verlies uit de investering als negatief ondernemingsresultaat in aftrek wil laten komen, rust op hem de last aannemelijk te maken dat dit verlies daarvoor voldoende verband houdt met zijn onderneming.\n\n13. Eiser heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Hij heeft A leren kennen via iemand uit zijn zakelijke netwerk en heeft hem op enig moment uitgenodigd als spreker bij een van de bijeenkomsten die hij in het kader van zijn onderneming organiseert. Eiser was al langere tijd bezig wetenschap te vergaren omtrent cryptocurrency- en Forex-handel met het idee daarover cursussen te gaan verzorgen. Hij zag in een samenwerking met A een kans zijn kennis omtrent handel in cryptocurrencies te vergroten en is daarom overgegaan tot de investering. Die investering vond plaats in tranches.\n\n14. Door eiser is niet geconcretiseerd hoe de investering via A zou bijdragen aan vergroting van zijn kennis omtrent cryptocurrency. Uit de door hem overgelegde stukken komt niet naar voren dat hij zich voorafgaand of gaandeweg het doen van de investering door A heeft laten informeren over de werking van de bot die hij beweerde te gebruiken. Blijkens het proces-verbaal van de aangifte van 30 september 2023 bij de politie heeft eiser bij die gelegenheid verklaard dat hij wel een paar keer aan A had gevraagd om inzage in de werking van de bot, maar dat heeft hij niet gekregen. Naar eiser ter zitting heeft verklaard, bleek er uiteindelijk helemaal geen bot te zijn geweest. Ook anderszins blijkt niet dat A eiser deelgenoot heeft gemaakt van enig nuttig inzicht in de werking van de markt van cryptocurrency.\n\n15. Eiser heeft het door hem gestelde voornemen zijn ondernemingsactiviteiten uit te bereiden tot het geven van cursussen omtrent cryptocurrency niet op enige wijze onderbouwd. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat hij het voornemen daartoe had, is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat de investering in de handel in cryptocurrency via A een zodanig verband houdt met dat voornemen dat zij geacht kan worden als ondernemingshandeling te zijn verricht.\n\nWerkzaamheid\n\n16. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de investering via A, op zichzelf beschouwd, heeft te gelden als een werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat daarvan sprake is, nu hij het verlies uit de investering als resultaat uit werkzaamheid in aftrek wil laten komen.\n\n17. Volgens eiser werd met de investering uitgegaan boven normaal vermogensbeheer. Hij heeft echter niet gesteld dat met de investering voor hem enige werkzaamheid was gemoeid. Dat de investering volgens eiser niettemin als werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 heeft te gelden, berust op zijn stelling dat door te handelen met een bot voorzienbaar voordeel te behalen valt. Of dat zo is, hangt af van de wijze waarop de desbetreffende bot functioneert. Aan die vraag wordt evenwel niet toegekomen, reeds omdat er in casu geen bot is geweest (zie r.o. 14 hiervoor).\n\n19. Op grond van het voorgaande is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende last aannemelijk te maken dat zijn investering via A een werkzaamheid vormt in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001.\n\nSlotsom\n\n13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is de vraag of de investeringen van belanghebbende in de handelsbot in 2022 een bron van inkomen vormen, en meer specifiek of sprake is geweest van een objectieve voordeelsverwachting. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend. Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, is tevens in geschil of belanghebbende (additionele) kosten ten bedrage van € 60.871 in aftrek kan brengen op zijn box 1 inkomen.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag IB\u002FPVV 2022, naar een verzamelinkomen van € 57.233.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Het Hof zal allereerst de vraag beantwoorden of in dit geval sprake is van een bron van inkomen. Bij die beoordeling dient aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden getoetst of een activiteit de kenmerken van een bron van inkomen omvat. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een bron van inkomen indien is voldaan aan de volgende drie voorwaarden (zie onder meer HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, r.o. 3.1.3.):\n\nde belastingplichtige neemt deel aan het economische verkeer;\n\nmet die deelname beoogt de belastingplichtige geldelijk voordeel te behalen (het subjectieve element); en\n\ndat voordeel kan naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs worden verwacht (het objectieve element).\n\n5.2.. Nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende in 2022 met zijn investeringen in de handelsbot deelnam aan het economische verkeer en daarmee tevens (subjectief) geldelijk voordeel beoogde te behalen, resteert het antwoord op de vraag of met de investeringen naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs (objectief) een voordeel kon worden verwacht.\n\n5.3.. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende die kosten in aftrek wil brengen, feiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de investeringen in 2022 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.\n\n5.4.. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in dat kader te worden onderzocht of met betrekking tot de investeringen van belanghebbende redelijkerwijs kon worden verwacht dat deze, zij het in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren of voorzienbaar blijvend verlieslatend zouden zijn (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6821).\n\n5.5.. Belanghebbende meende dat hij, door zelf te investeren in de handelsbot, naast het effectief beheren van zijn bedrijfsvermogen, specifieke kennis kon opdoen die hij kon gebruiken bij het ontwikkelen en aanbieden van cursussen over handelen in crypto valuta, al dan niet met behulp van een handelsbot. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht waarom redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn investeringen in de handelsbot in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren. Ten eerste vond hij de presentatie die A over de handelsbot had gegeven zeer overtuigend en kwam A betrouwbaar over. Ten tweede liet A aan belanghebbende (via, naar later bleek gefingeerde, schermafbeeldingen) resultaten van de bot zien, waardoor belanghebbende dacht dat zijn investering winstgevend zou zijn. Tot slot stelt belanghebbende dat het feit dat er 65 andere mensen door A zijn opgelicht met de (niet bestaande) handelsbot, bewijst dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting.\n\n5.6.. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat zijn investeringen in de handelsbot positieve zuivere opbrengsten zouden opleveren, en dus een bron van inkomen konden vormen. Doorslaggevend acht het Hof dat belanghebbende, ook nadat hij A hier verschillende malen naar had gevraagd, op geen enkele wijze inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van A, hoe overtuigend die voor belanghebbende ook hebben mogen zijn, maken niet dat een geldelijk voordeel naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon worden verwacht.\n\n5.7.. Voor zover belanghebbende meent dat zijn investeringen in de handelsbot verband hielden met zijn bestaande onderneming [naam eenmanszaak] , verwerpt het Hof die stelling. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat het aannemelijk is dat het investeren van geld en crypto’s in de handelsbot verband hield met de activiteiten van de onderneming [naam eenmanszaak] , bestaande uit het geven van cursussen en het organiseren van evenementen. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat hij middels de investeringen kennis over crypto’s wilde opdoen, om over dit onderwerp cursussen te kunnen ontwikkelen en aanbieden. Hij heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Ook belanghebbendes stelling dat hij met de investeringen probeerde het ondernemingsvermogen van [naam eenmanszaak] te laten groeien is zonder onderbouwing dat die investeringen zijn gedaan met tot het vermogen van de onderneming [naam eenmanszaak] behorende gelden (en crypto’s), die ontbreekt, onvoldoende om een verband tussen die investeringen en die onderneming aannemelijk te achten.\n\n5.8.. Dit alles leidt tot de conclusie dat de (additionele) kosten ten bedrage van € 60.871 niet in box 1 in aftrek kunnen worden gebracht.\n\nSlotsom\n\n5.9.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, T.A. de Hek en M.J.M van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nY. Postema P.C. van den Brink\n\nDe beslissing is op 13 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1598","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.164Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":44,"updatedAt":70},"1104","ECLI:NL:RBDHA:2026:16425","ecli-nl-rbdha-2026-16425","2026-04-09T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F2574\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser], wonende te [plaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.R. Herreveld),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Bij beschikking is een bedrag van € 771 aan belastingrente vergoed.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 de aanslag gehandhaafd.\n\nVerweerder heeft bij beschikking van 24 januari 2024 de aanslag ambtshalve verminderd.\n\nEiser heeft daarna beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nPartijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026.\n\nNamens eiser is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. drs. [naam 1] en\n\n [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1],\n\nmr. [medewerker belastingdienst 2] en mr. [medewerker belastingdienst 3].\n\nDe zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met een vergelijkbare zaak van een andere door de gemachtigde vertegenwoordigde belastingplichtige (SGR 24\u002F2583).\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Eiser was in de jaren 2013 tot en met 2017 als CEO in dienstbetrekking bij [bedrijf 1] B.V. (X).\n\n2. Het geplaatste aandelenkapitaal van X bestond op 18 april 2013 na een statutenwijziging uit:\n\n- 230.000 aandelen A met een nominale waarde van € 0,01;\n\n- 24.770.000 aandelen B met een nominale waarde van € 0,01.\n\nDe aandelen A en B hebben winstrechten die aan elkaar gelijk zijn en alleen de aandelen A hebben een stemrecht.\n\n3. [bedrijf 2] B.V. (Y) bezit op 19 april 2013 100% van de aandelen A en 91,93% van de aandelen B in X.\n\n4. X heeft in 2013 een managementparticipatieplan “Share Plan [X], Plan Rules” (het managementparticipatieplan) opgezet, waarbij vier managers, waaronder eiser, de mogelijkheid hebben gekregen om in totaal 2.000.000 aandelen B in X te verkrijgen.\n\n5. Eiser heeft deelgenomen aan het managementparticipatieplan en heeft op 19 april 2013 875.000 aandelen B in X, zijnde 3,5% van de aandelen B in X, voor een bedrag van € 1.925.000 verkregen. Met de aandelen B zijn ook putopties toegekend. De putopties gaven eiser het recht om de aandelen B ter verkoop aan te bieden tegen de op het verkoopmoment geldende marktwaarde. Eiser heeft op 19 april 2013 een zogenoemde “Compensation Letter” van X ondertekend, waarin aanvullende afspraken van het managementparticipatieplan zijn vastgelegd, waaronder de compensatie bij de uitoefening van een putoptie.\n\n6. Eiser heeft de aankoop van de aandelen B in X voor een deel uit eigen middelen (€ 288.750) gefinancierd en voor een deel met een bij Y aangegane lening. De lening bij Y bedraagt € 1.636.250, waarbij over de hoofdsom jaarlijks 3,5% rente is verschuldigd. De rente wordt op de hoofdsom van de lening bijgeschreven.\n\n7. Het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het door eiser op\n\n19 april 2013 verworven aandelenpakket en het deel dat eiser uit eigen middelen heeft betaald, is door verweerder als loonvoordeel aangemerkt. De over dit loonvoordeel verschuldigde loonheffing bedraagt van € 53.846. X heeft ter zake van dit verschuldigde bedrag aan loonheffing een renteloze lening aan eiser verstrekt.\n\n8. Y heeft aan X een aandeelhouderslening ten bedrage van € 1.300.000 verstrekt, waarbij over de hoofdsom jaarlijks 11,4% rente is verschuldigd.\n\n9. De voormalige adviseur van eiser, tevens adviseur van X, heeft de fiscale gevolgen van het managementparticipatieplan in een vooroverleg met verweerder afgestemd. Daarbij zijn zij in 2014 overeengekomen dat de door de participanten gehouden aandelen B, alsmede de aanverwante putopties, tot de grondslag inkomen uit sparen en beleggen (box 3) behoren en dat de (verzakelijkte) rente ten aanzien van de door X verstrekte renteloze lening jaarlijks als belastbaar loon in de heffing wordt betrokken. Expliciet is overeengekomen dat de aandelen B en de putopties niet voldoen aan de voorwaarden van de lucratiefbelangregeling als bedoeld in artikel 3.92b van de Wet IB 2001:\n\n- met betrekking tot de aandelen: er geen sprake is van achtergestelde soortaandelen, omdat het enige verschil tussen de aandelen A en de aandelen B is het ontbreken van stemrecht op de aandelen B;\n\n- met betrekking tot de putopties: de participanten verkrijgen uitsluitend de marktwaarde van de aandelen waardoor zij het risico lopen dat de marktwaarde van de aandelen onder de koopprijs van de aandelen komt en zij voor dat vermogensverlies niet worden gecompenseerd.\n\n10. In het kader van voormeld vooroverleg is in 2014 in een vaststellingsovereenkomst de waarde in het economische verkeer van de aandelen X per 31 december 2012 op\n\n€ 57.958.500 vastgesteld.\n\n11. Op 23 mei 2016 heeft X in verband met haar slechte financiële situatie het “Addendum Share Plan [X]” (het Addendum) opgesteld, waarin aan eiser de mogelijkheid is geboden om op 1 juli 2017 en\u002Fof 31 december 2017 putopties uit te oefenen, waarbij eiser op ieder van de twee uitoefenmomenten 50% van de aandelen B tegen de originele aankoopprijs van de aandelen B kon verkopen.\n\n12. Bij brief van 22 juli 2016 heeft de voormalige adviseur van eiser (aan een medewerker van) verweerder over het Addendum geïnformeerd en aangegeven dat het aandelenbelang van onder meer eiser vanaf 23 mei 2016 als een lucratief belang als bedoeld in artikel 3.92b van de Wet IB 2001 kwalificeert en als zodanig in de aangifte zal worden meegenomen. De voormalige adviseur van eiser heeft verder in die brief aangegeven dat indien eiser geen gebruik maakt van de putopties, het aandelenbelang van eiser als box 3-inkomen kwalificeert met in achtneming van de daaraan verbonden fiscale gevolgen. De voormalige adviseur heeft in de brief niet verzocht om de fiscale consequenties van het Addendum in een vooroverleg nader af te stemmen. Verweerder heeft, na intern overleg, niet inhoudelijk op deze brief richting eiser gereageerd.\n\n13. Op 21 april 2017 is een cessieovereenkomst getekend op grond waarvan de leenvordering van Y op eiser, genoemd onder 6, is overgenomen door X.\n\n14. Eiser heeft op 26 juni 2017 en 17 november 2017 aan X schriftelijk kenbaar gemaakt dat hij gebruik wenst te maken van de uitoefening van de putopties. Hij heeft daarmee de putopties op zijn gehele aandelenbelang uitgeoefend. De waarde in het economische verkeer van de aandelen B bedroeg op het moment van uitoefening van de putopties nihil. Eiser heeft door uitoefening van de putopties in 2017 de leningen onder 6. en 7. (inclusief rente), die eiser in verband met het managementparticipatieplan met Y en X is aangegaan, afgelost. Het bedrag dat eiser bij het verkrijgen van de aandelen uit eigen middelen heeft betaald, is aan eiser terugbetaald.\n\nAanslagregeling\n\n15. Eiser heeft op 30 augustus 2018 zijn aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 ingediend. Daarbij heeft hij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 504.902 (€ 2.578.687 loon -\u002F- € 2.028.548 verlies uit lucratief belang -\u002F- € 45.237 negatieve inkomsten uit eigen woning) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil aangegeven. De grondslag uit sparen en beleggen is in de aangifte op € 826.712 berekend.\n\n16. Verweerder heeft de aangifte niet gevolgd en met dagtekening 11 augustus 2020 de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.533.450 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 36.734, uitgaande van een grondslag uit sparen en beleggen van € 826.712.\n\n17. Na de uitspraak op bezwaar van 5 januari 2024 heeft verweerder bij beschikking van 24 januari 2024 de aanslag ambtshalve verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.533.450 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van\n\n€ 35.548 (4,3% x € 826.712).\n\nGeschil 18. In geschil is of sprake is van een verlies uit lucratief belang als bedoeld in artikel 3.92b van de Wet IB 2001 en of verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.\n\n19. Eiser stelt dat de door hem ingediende aangifte moet worden gevolgd, omdat in 2017 sprake is van een verlies uit lucratief belang van € 2.028.548. Daartoe voert eiser in de kern aan dat de in 2016 toegekende putopties er voor zorgen dat het aandelenbelang van eiser in X vanaf 23 mei 2016 kwalificeert als lucratief belang. De putopties uit 2016 vormen namelijk vanaf het moment van toekenning één geheel met de in 2013 toegekende aandelen. Eiser wijst in dat kader onder andere op de sterke samenhang tussen het managementparticipatieplan, de Compensation Letter en het Addendum. Verder heeft artikel 3.95b, eerste lid, van de Wet IB volgens eiser tot gevolg dat de waarde mutaties in het aandelenbelang vóór het ontstaan van het lucratieve belang meegenomen worden bij de hoogte van zijn verlies uit lucratief belang in box 1.\n\n20. Verweerder heeft de stelling van eiser gemotiveerd weersproken. Verweerder stelt zich (primair) op het standpunt dat de aandelen geen lucratief belang vormen en (subsidiair), dat als er wel sprake zou zijn van een lucratief belang het verlies nihil is.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nJuridisch kader\n\n21. Op grond van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 wordt onder belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden verstaan het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. In artikel 3.92b van de Wet IB 2001 is het begrip werkzaamheid mede uitgebreid tot het houden van zogenoemde lucratieve belangen. Artikel 3.92b van de Wet IB 2001 (tekst 2017) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:\n\na. het onmiddellijk of middellijk houden van aandelen als bedoeld in het tweede lid, van vorderingen als bedoeld in het derde lid of van rechten als bedoeld in het vierde lid, indien de voordelen die met deze aandelen, vorderingen of rechten worden behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder deze aandelen, vorderingen of rechten zijn verkregen, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, alsmede het hebben van schulden die rechtstreeks samenhangen met deze aandelen, vorderingen of rechten;\n\nb. het onmiddellijk of middellijk hebben van schulden die rechtens dan wel in feite tegemoetkomingen kennen van geheel of gedeeltelijke kwijtschelding waarbij die tegemoetkomingen, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder de schulden zijn aangegaan, naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon.\n\n2. Aandelen als bedoeld in het eerste lid zijn aandelen in een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal die verschillende soorten aandelen heeft, indien het aandelen betreft van een soort:\n\na. die is achtergesteld bij andere soorten en het totale geplaatste aandelenkapitaal van die achtergestelde soort minder is dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, of\n\nb. met een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar.\n\n(…)\n\n4. Rechten als bedoeld in het eerste lid zijn vermogensrechten die, gelet op de feiten en omstandigheden, economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met aandelen als bedoeld in het tweede lid of vorderingen als bedoeld in het derde lid, alsmede overige rechten of verplichtingen waarvan het waardeverloop in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming.”\n\n22. Artikel 3.93, tweede lid, van de Wet IB 2001 luidt:\n\n“2. Werkzaamheden van dezelfde aard worden aangemerkt als een werkzaamheid.”\n\n23. Artikel 3.95b van de Wet IB 2001 (tekst 2017) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“1. Ingeval op enig tijdstip een vermogensbestanddeel tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3:92b gaat behoren, wordt het op dat tijdstip te boek gesteld op het bedrag dat is opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel vermeerderd met het bedrag waarover ter zake van de verkrijging van het bestanddeel inkomstenbelasting is geheven.”\n\n24. Het doel van de lucratiefbelangregeling is om excessieve beloningsbestanddelen te ontmoedigen. In de parlementaire geschiedenis staat, voor zover van belang, het volgende opgenomen:\n\n“Het bereik van de voorgestelde wetgeving is beperkt tot vermogensbestanddelen, waaronder aandelen, waaraan als beloning voor werkzaamheden van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden verstrekt, bepaalde bijzondere condities of voorwaarden zijn verbonden. Kenmerkend daarbij is dat rendementen kunnen worden behaald die in geen verhouding staan tot het geïnvesteerde kapitaal en\u002Fof het feitelijk op de investering gelopen risico; veelal zijn «hefboommechanismen» ingebouwd, waardoor zeer hoge rendementen kunnen worden behaald. Aandelenpakketten (en andere vermogensbestanddelen) waaraan dergelijke bijzondere condities niet zijn verbonden, worden niet door het wetsvoorstel bestreken. Daarenboven vallen alleen die vermogensbestanddelen onder het voorgestelde regime, waarvoor geldt dat het rendement dat daarmee wordt behaald, gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het vermogensbestanddeel is verkregen, naar moet worden aangenomen mede beoogt een beloning te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige (of een met de belastingplichtige verbonden persoon).”\n\n25. In de parlementaire geschiedenis staat met betrekking tot de zogenoemde pakketbenadering, voor zover van belang, het volgende opgenomen:\n\n“De leden van de fractie van de VVD vragen hoe moet worden omgegaan met een investering die bestaat uit verschillende beloningsinstrumenten. Op basis van de voorgestelde tekst is het volgens deze leden onduidelijk of deze instrumenten gescheiden moeten worden beoordeeld of als een pakketinvestering worden aangemerkt. De toepassing van artikel 3.93, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zorgt ervoor dat een veelal complex en ingewikkeld samenstel van afspraken als ware het één werkzaamheid in het resultaat wordt begrepen. Het moet daarbij gaan om afspraken die een sterke samenhang met elkaar hebben en waarbij de economische realiteit juist is gelegen in en wordt gecreëerd door de onderlinge samenhang. Als er sprake zou zijn van juridisch verschillende beloningsinstrumenten, die economisch gezien één beloningsinstrument vormen, dan zou het zonder nadere aanvulling van de wettekst van de feiten en omstandigheden afhangen of artikel 3.93, tweede lid, van toepassing is. Met de leden van de VVD-fractie is het kabinet van mening dat deze onduidelijkheid ongewenst is. Wat het kabinet betreft is de toets die aangelegd moet worden of het in economisch opzicht om een lucratief belang gaat. Dat is ook de vraag die in het voorgestelde vierde lid van artikel 3.92b centraal staat. Om die hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid weg te nemen, zal het kabinet op dit punt met een nota van wijziging komen.”\n\n“De toevoeging in het voorgestelde artikel 3.92b, vierde lid, Wet IB 2001 van «gelet op de feiten en omstandigheden» ziet op situaties waarin sprake is van sterk met elkaar samenhangende financiële beloningsinstrumenten, overeenkomsten en juridische bepalingen, die economisch gezien één beloningsinstrument vormen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om met elkaar samenhangende vermogenstitels die tezamen economisch gezien voor een vergelijkbaar «hefboomeffect» zorgen als het geval is bij de in artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001 bedoelde aandelen.”\n\n26. Uit de parlementaire geschiedenis volgt verder dat putopties onder omstandigheden als een overig lucratief recht als bedoeld in artikel 3.92b, vierde lid, van de Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt. Daartoe is in de parlementaire geschiedenis, voor zover van belang, het volgende opgenomen:\n\n“Indien een werknemer aandelen in zijn werkgever houdt die geen lucratief belang vormen en daarnaast in het kader van zijn dienstbetrekking een optierecht verwerft om onder voorwaarden extra aandelen te verwerven, is – zo kunnen wij de leden van de fractie van het CDA antwoorden – artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing met betrekking tot de voordelen uit het optierecht. Op grond van de rangorde regeling wordt dan niet meer toegekomen aan de vraag of het optierecht tevens een lucratief belang vormt. Daarbij maakt het niet uit of de voorwaarde waaronder de optie is verleend voorziet in een zogenoemde ratchet. Als in deze situatie de werknemer daarnaast om niet een putoptie van zijn werkgever verkrijgt die hem het recht geeft de door hem gehouden aandelen voor de oorspronkelijke kostprijs te verkopen aan zijn werkgever, dan behoort de waarde in het economische verkeer van die optie tot zijn loon. Deze putoptie valt niet onder het optiebegrip van artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964. Het economische effect van deze putoptie is dat de werknemer geen neerwaarts koersrisico loopt met betrekking tot de door hem gehouden aandelen. Onder omstandigheden zou een dergelijke putoptie een lucratief belang kunnen zijn¹. De aandelen – die op zich geen lucratief belang vormen – gaan dat door de putoptie ook niet worden. Daarvoor is in deze casus onvoldoende samenhang tussen het houden van de aandelen en het verwerven van de putoptie.\n\n[¹ Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 459, nr. 9, blz. 8.]\n\nDe leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van een aandelenparticipatie waarbij een bepaling bij «goed vertrek» (good leaver) is overeengekomen die de werknemer het recht geeft de aandelen ten minste voor de kostprijs aan zijn werkgever te verkopen. In economisch opzicht is dit een voorwaardelijke putoptie die de werknemer het recht geeft de aandelen voor de initiële kostprijs te verkopen. De gevolgen van deze bepaling zijn identiek aan de hiervoor beschreven gevolgen van een putoptie. De aandelen – die op zich geen lucratief belang vormen – gaan dat door de bepaling bij «goed vertrek» ook niet worden.”\n\nVerlies uit lucratief belang?\n\n27. Doorgaans rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een lucratief belang. In dit geval rust de bewijslast echter op eiser, aangezien hij een verlies uit lucratief belang in aanmerking wil nemen.\n\n28. Eiser heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een dusdanig samenhangend geheel vormen dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt en dat de aandelen daarom als lucratief belang moeten worden aangemerkt. Vaststaat dat de in 2013 verkregen aandelen en putopties geen lucratief belang vormden. De uitoefenprijs van de putopties uit 2013 is gelijk aan de marktwaarde van de aandelen B. Eiser heeft met deze putopties een investeringsrisico gelopen. Dit ligt anders bij de putopties uit 2016. De putopties uit 2016 zijn namelijk enkel afgegeven om een vermogensverlies op de aandelen bij eiser te voorkomen. De uitoefenprijs van de putopties uit 2016 is immers gelijk aan het oorspronkelijk ingelegde bedrag voor de aandelen B. Eiser heeft bij het uitoefenen van die putopties geen enkel investeringsrisico op de aandelen gelopen. De putopties uit 2016 en de putopties uit 2013 verschillen naar hun aard dus aanzienlijk van elkaar. Daar komt bij dat de status van de in 2013 verkregen aandelen door de putopties uit 2016 niet is veranderd. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de aandelen dus ook na toekenning van de putopties 2016 niet als lucratief belang.\n\n29. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de aandelen als lucratief belang dienen te worden aangemerkt. De overige stellingen van eiser op dit punt zijn, naar volgt uit het vorenstaande, namelijk gebaseerd op de onjuiste aanname van eiser dat de in 2013 verkregen aandelen en putopties enerzijds en de in 2016 verkregen putopties anderzijds dusdanig met elkaar samenhangen dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt.\n\n30. Eiser stelt verder dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De brief van de voormalige gemachtigde van 22 juli 2016 was gericht aan een medewerker van verweerder, die in 2014 zowel bij de vaststellingsovereenkomst als bij de in het voorafgaande vooroverleg gemaakte afspraken betrokken was. Deze medewerker heeft blijkens een tot de gedingstukken behorende e-mail intern afgestemd of het nodig was om op voormelde brief te reageren. Aangezien verweerder vervolgens niet meer inhoudelijk op voormelde brief richting eiser heeft gereageerd, heeft hij daarmee het vertrouwen gewekt dat hij ermee akkoord was om het aandelenbelang van eiser als lucratief belang aan te merken, aldus eiser.\n\n31. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in voormelde brief slechts informatie over het Addendum en het standpunt van eiser omtrent het lucratief belang aan verweerder is verstrekt. Eiser heeft in die brief niet om een inhoudelijke reactie van verweerder verzocht. Ook heeft hij in die brief niet om een vooroverleg verzocht. Verweerder was dan ook niet gehouden om op voormelde brief te reageren. Daarnaast blijkt ook verder uit niets dat verweerder ooit een (voldoende concrete) uitlating, laat staan toezegging, heeft gedaan waaraan eiser in dit verband het vertrouwen heeft kunnen of mogen ontlenen dat verweerder het aandelenbelang van eiser, ondanks de eerder in 2014 gemaakte afspraken op dit punt, alsnog vanaf 23 mei 2016 als lucratief belang heeft aangemerkt. De enkele omstandigheid dat, ook na intern overleg, een inhoudelijke schriftelijke reactie van verweerder op de brief van 22 juli 2016 is uitgebleven, brengt, anders dan eiser heeft betoogd, niet mee dat van de zijde van verweerder sprake was van een bewuste standpuntbepaling. De door eiser aangehaalde arresten van de Hoge Raadkunnen aan voormeld oordeel niet afdoen, aangezien de situaties in die arresten niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige situatie. Van schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.\n\n32. Ook het beroep van eiser op een standpunt van de Kennisgroep Resultaat uit overige werkzaamheden van 5 februari 2026faalt. De situatie, die in het standpunt van de kennisgroep is omschreven, ziet namelijk op een geheel andere situatie dan het onderhavige geval. Voormeld standpunt van de kennisgroep is hier dus niet van toepassing.\n\nConclusie\n\n33. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht geen verlies uit lucratief belang in aanmerking genomen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n34. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.\n\n35. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser op 18 september 2020 ontvangen. Verweerder heeft op 5 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak van de rechtbank is op 9 april 2026 gedaan. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn met afgerond drie jaar en zeven maanden (totaal: 43 maanden) overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, anders dan verweerder kennelijk stelt, in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen.\n\n36. De redelijke termijn is in dit geval met drie jaar en zeven maanden (43 maanden) overschreden. Eiser heeft dan ook recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.000. Aangezien verweerder met dagtekening 5 januari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding voor € 3.163 (34\u002F43e deel van € 4.000) toe te rekenen aan verweerder en voor € 837 (9\u002F43e) deel van € 4.000) aan de Staat.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n37. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 0,25). Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.\n\n38. Eiser heeft reeds voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om een vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was op 31 mei 2024 ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te laten vergoeden. Verweerder en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van\n\n € 837;\n\n- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van\n\n € 3.163;\n\n- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 116,75;\n\n- draagt de Staat op het betaalde griffierecht van € 25,50 aan eiser te vergoeden;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 25,50 aan eiser te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. S.E. Postema en\n\nmr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Vgl. Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 459, nr. 6, blz. 20 (Nota naar aanleiding van het Verslag).\n\n Vgl. Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 459, nr. 6, blz. 24 (Nota naar aanleiding van het Verslag).\n\n Vgl. Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 459, nr. 7, blz. 2 (Nota van Wijziging).\n\n Vgl. Kamerstukken I, 2008\u002F09, 31 459, C, blz. 15 en 16 (Memorie van Antwoord).\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 27 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:534.\n\n Hoge Raad 10 februari 1993, ECLI:NL:1993:ZC5258, Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, Hoge Raad 21 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2738 en Hoge Raad 6 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8856.\n\n KG:059:2026:1: Reguliere werknemersparticipatie en beloningsoogmerk lucratief belang.\n\nVgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.\n\n ECLI:HR:2024:567.\n\nVgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16425","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:04.228Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":44,"updatedAt":79},"857","ECLI:NL:RBDHA:2026:16956","ecli-nl-rbdha-2026-16956","2026-04-03T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F8390\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 17 oktober 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2021 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026.\n\nNamens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. (P B.V.).\n\n2. Eiser ontving in 2021 loon van P B.V. ten bedrage van € 46.999, waarop € 12.615 aan loonheffing is ingehouden.\n\n3. Bij brief van 25 maart 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd voornemens te zijn een vergrijpboete op te leggen aan P B.V. met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2021. In de brief staat, voor zover van belang:\n\n“Op de balans van de laatst ingediende aangifte Vennootschapsbelasting (2018) van [bedrijfsnaam] BV, is een rekening courantvordering op haar directeur\u002Faandeelhouder [eiser] opgenomen. Het bedrag eind 2018 = € 660.429. De rentebate = € 18.566. Het bedrag van € 660.429 is eind 2021 opgelopen met 3 maal de jaarlijkse rentebate van € 18.566 (= € 55.698). Eind 2021 is de rekening courante vordering opgelopen tot € 716.127.\n\n[Eiser] heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2021 niet ingediend. Ik kan\n\nnu niet bepalen of sprake is van een substantieel netto vermogen. [Eiser] ontvangt in 2021 weliswaar loon (€ 46.999) uit [bedrijfsnaam] BV. Echter zonder de aangifte IH 2021 kan ik niet beoordelen of sprake is van andere inkomsten of van substantieel vermogen. Nu ik verder geen informatie heb over het vermogen van [eiser], ben ik van mening dat de hoogte van de rekening courant vordering dusdanig hoog is, dat deze niet langer in verhouding is met het vermogen. Dit betekent dat ik de rekening courant vordering kwalificeer als onzakelijk. Het gevolg hiervan is dat ik € 716.127 (bedrag van de opgelopen rekening courant vordering), zal belasten in box 2.”\n\n4. De rechtbank begrijpt dat het als aflossing van de rekening-courantschuld en uitdeling aan te merken bedrag vervolgens is verminderd naar € 221.895. Uit het verhandelde ter zitting en het verslag van het hoorgesprek van 24 juli 2025 leidt de rechtbank af dat hierover correspondentie tussen partijen is gevoerd, waarover beide partijen niet meer beschikken. In de aangifte Vpb 2021, ingediend op 6 juni 2024, is een bedrag van € 717.994 aangemerkt als vordering van P B.V. op eiser en een bedrag van € 221.895 als winstuitdeling van P B.V. aan eiser.\n\n5. Eiser is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB\u002FPVV 2021. Na de in de aanmaning gestelde termijn van 11 juli 2023 heeft verweerder de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 op 20 maart 2024 in het systeem gebracht. De aanslag is vervolgens ambtshalve opgelegd met dagtekening 17 april 2024. De aanslag is opgelegd naar een verzamelinkomen van € 46.999, dus zonder rekening te houden met de uitdeling van € 221.895. Het te betalen bedrag dat uit de aanslag volgt is € 385, bestaande uit een bedrag van de aanslag van nihil en een verzuimboete van € 385.\n\n6. Eiser heeft op 9 juli 2024 alsnog een aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend, naar een verzamelinkomen van eveneens € 46.999. Op 27 augustus 2024 heeft de gemachtigde van eiser een e-mail verzonden aan verweerder met als onderwerp ‘Aangifte inkomstenbelasting 2021 [eiser]’. Hierin staat onder meer:\n\n“In vervolg op ons telefoongesprek van zojuist bevestig ik hierbij dat wij in bovengenoemde aangifte zijn vergeten in box 2 de uitdeling uit [bedrijfsnaam] BV ad € 221.895 aan te geven.”\n\n7. Verweerder heeft met dagtekening 21 september 2024 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2021 (de navorderingsaanslag) opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is vastgesteld op € 221.895. De navorderingsaanslag beloopt een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting van € 59.689.\n\n8. In geschil is of de navorderingsaanslag rechtmatig is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR, op grond waarvan verweerder kon navorderen. De rechtmatigheid van het aanmerken van het bedrag van € 221.895 als uitdeling van P B.V. en daarmee als inkomen uit aanmerkelijk belang van eiser, is niet in geschil.\n\n9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Eiser voert daartoe aan dat geen sprake is van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR, maar van een onzorgvuldigheid of ambtelijk verzuim aan de zijde van verweerder, omdat verweerder reeds vóór het opleggen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 op de hoogte was van het (door verweerder zelf aangekondigde) voornemen om de € 221.895 als inkomen uit aanmerkelijk belang bij eiser te belasten. Tevens voert eiser aan dat het voor hem niet redelijkerwijs kenbaar was dat de aangekondigde correctie van € 221.895 niet reeds was verwerkt bij het opleggen van de aanslag.\n\n10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.\n\n11. Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Navordering kan mede op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, wat de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.\n\n12. In de parlementaire geschiedenis is daarnaast over het criterium ‘fout’ in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR het volgende opgemerkt:\n\n“De kenbaarheid van de onjuistheid van de belastingaanslag of de beschikking om geen aanslag op te leggen staat voorop. Die onjuistheid moet voortvloeien uit een fout. Het gaat er niet om waarin de fout is gemaakt – in de aangifte of bij de verwerking van de aangifte tot een belastingaanslag – of dat het de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is welke fout is gemaakt. «Fout» is een neutraal en ruim begrip, waaronder in elk geval schrijf-, reken-, overname-, intoetsfouten en fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften vallen.”\n\n13. De wetgever heeft met de invoering van de bepalingen omtrent de kenbare fout echter niet willen breken met de daarvoor al ontwikkelde rechtspraak over beoordelingsfouten van de inspecteur. Die rechtspraak komt erop neer dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht. Een dergelijke beoordelingsfout kan niet op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR worden hersteld, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was.\n\n14. Verweerder stelt dat sprake is van een automatiseringsfout waardoor de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de aanslag op 20 maart 2024 in het computersysteem is ingevoerd en dat het verzamelinkomen is gebaseerd op een schatting van de door eiser ontvangen looninkomsten van P B.V. Deze ingevulde gegevens werden vervolgens door het systeem verwerkt en dit proces kan niet meer kan worden stopgezet of teruggedraaid, aldus verweerder. De aanslag is vervolgens verzonden, met dagtekening 17 april 2024. Verweerder heeft hierbij toegelicht dat de verwerkingstijd van het opleggen van aanslagen meerdere weken in beslag kan nemen, terwijl het verzenden van de brief van 25 maart 2024 met het voornemen een vergrijpboete op te leggen slechts enkele dagen duurt. De rechtbank acht deze gang van zaken aannemelijk en is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een automatiseringsfout, en niet van een beoordelingsfout.\n\n15. Ten aanzien van de kenbaarheid overweegt de rechtbank het volgende. In het onderhavige geval beloopt de navorderingsaanslag een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting van € 59.689, terwijl de primitieve aanslag een te betalen bedrag van nihil bedroeg. Aan het vereiste van te weinig geheven belasting van minste 30 percent van de verschuldigde belasting is dan ook voldaan. Daarnaast is door verweerder bij brief van 25 maart 2024 het voornemen om het bedrag van de opgelopen rekening-courantschuld bij eiser in box 2 te belasten aangekondigd. Vervolgens is de primitieve aanslag opgelegd waarbij die correctie zonder enige denkbare reden achterwege is gebleven.Ten slotte heeft de gemachtigde van eiser op 27 augustus 2024 aan verweerder geschreven dat hij is vergeten de uitdeling van € 221.895 in de op 9 juli 2024 alsnog ingediende aangifte te vermelden. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste. Verweerder heeft daarom terecht op basis van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR nagevorderd. Dat eiser op 9 juli 2024 alsnog een (niet juiste) aangifte heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders.\n\n16. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat het onpartijdigheidsbeginsel van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden, omdat de heer Pijpers het bezwaarschrift heeft behandeld en daarnaast verweerder heeft vertegenwoordigd in de beroepsprocedure. Deze stelling slaagt niet, omdat er geen grond bestaat die verweerder weerhoudt om dezelfde medewerker betrokken te laten zijn bij zowel de bezwaar- als de beroepsfase. Ter zitting is toegelicht dat de heer Pijpers niet betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) oplegging van de navorderingsaanslag. De rechtbank ziet ook voorts geen aanknopingspunten voor vooringenomenheid aan de zijde van verweerder. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 7:5, eerste lid, van de Awb dan wel artikel 10:3 van de Awb.\n\n17. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.\n\n18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.\n\n19. Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank ziet eveneens geen aanleiding om eiser, zoals zijn gemachtigde op zitting heeft verzocht, bij een ongegrond beroep een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat het afschrift van het in het systeem brengen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 op 20 maart 2024 pas in de beroepsfase is overgelegd, maakt dit niet anders. In de bezwaarfase heeft verweerder reeds toegelicht dat de primitieve aanslag IB\u002FPVV 2021 geautomatiseerd is opgelegd en dat dit proces eerder is gestart. Er is geen sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen of tegen beter weten in procederen door verweerder.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 25.\n\n Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529, r.o. 2.3.1.\n\n Vgl. Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529, r.o. 2.3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16956","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.533Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":44,"updatedAt":88},"1286","ECLI:NL:RBDHA:2026:569","ecli-nl-rbdha-2026-569","2026-01-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F4867uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: drs. [naam 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen IB\u002FPVV (de aanslag) opgelegd aan eiser, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.889.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2025 heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.\n\nEiser heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend vóór de zitting.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025.\n\nNamens eiser zijn verschenen diens gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4] .\n\nDe zaak van eiser is gelijktijdig behandeld met die van [naam 5] (zaaknummer SGR 25\u002F4874).\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser beschikte in het jaar 2023 samen met zijn fiscaal partner [naam 5] (de fiscaal partner) over een eigen woning aan de [adres] in [plaats] (de eigen woning). De op grond van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van de eigen woning voor het jaar 2023 bedraagt € 1.683.000.\n\n2. De aanslag is overeenkomstig de aangifte van eiser vastgesteld. Het vastgestelde saldo inkomsten en aftrekposten uit de eigen woning bedraagt € 8.983 negatief. Dit saldo, dat volledig is toegerekend aan de fiscaal partner, is als volgt samengesteld:\n\nEigenwoningforfait\n\n€ 15.550\n\nAftrekbare rente (op basis van een eigenwoningschuld van € 1.170.834)\n\n€ 24.533 -\u002F-\n\nSaldo (belastbare inkomsten uit eigen woning)\n\n€ 8.983 (negatief)\n\nBij de berekening van het eigenwoningforfait is 0,35% toegepast op de eigenwoningwaarde tot € 1.200.000 en 2,35% op de waarde daarboven, dus € 483.000.\n\nGeschil\n\n3. In geschil is of het eigenwoningforfait bij een eigenwoningwaarde van (in het onderhavige jaar) meer dan € 1.200.000 (het verhoogde eigenwoningforfait) op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 14 EVRM (artikel 1 EP).\n\n4. Eiser stelt dat het percentage 0,35 (in de vijfde schijf) voor de berekening van het eigenwoningforfait moet worden toegepast op de gehele eigenwoningwaarde van € 1.683.000. Het verhoogde eigenwoningforfait is volgens eiser op regelniveau in strijd met artikel 1 EP. Hij voert daartoe aan dat de regeling niet past binnen het doel van de Wet IB 2001 om te heffen naar draagkracht en over daadwerkelijk genoten inkomen en bovendien niet voldoet aan de vereiste voorzichtigheid. Het miskent voorts dat sprake is van een afnemend grensnut bij een eigen woning met een hogere WOZ-waarde. Verder voert eiser aan dat de redelijke verhouding tussen het doel van de regeling en de ongelijkheid die door de gekozen vormgeving wordt veroorzaakt, zoek is. Eiser verwijst hierbij onder meer naar het zogenoemde Kerstarresten de arresten over de Wet rechtsherstel box 3 van de Hoge Raad. Tot slot voert eiser aan dat het verhoogde forfait als ‘totaalplaatje’ beoordeeld moet worden en niet losstaat van de overige componenten in de eigenwoningregeling.\n\n5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Volgens verweerder kan het beroep van eiser niet leiden tot een lagere aanslag, gelet op de gekozen onderlinge verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Verder geldt dat het verhoogde eigenwoningforfait niet in strijd is met artikel 1 EP, waarbij verweerder heeft gewezen op de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 21 oktober 2025.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n6. De rechtbank stelt voorop dat eiser een procesbelang heeft, omdat hij een verlaging van het eigenwoningforfait bepleit en daarmee een hoger negatief saldo van de inkomsten uit eigen woning, terwijl de gekozen onderlinge verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van eiser en de fiscaal partner nog kan worden gewijzigd totdat de aanslagen van eiser en de fiscaal partner onherroepelijk vaststaan (artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001).\n\n7. Artikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt als volgt (tekst 2023):\n\n“De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van:\n\nmeer dan\n\nmaar niet meer dan\n\nop jaarbasis\n\n-\n\n€ 12.500\n\nnihil\n\n€ 12.500\n\n€ 25.000\n\n0,10% van deze waarde\n\n€ 25.000\n\n€ 50.000\n\n0,20% van deze waarde\n\n€ 50.000\n\n€ 75.000\n\n0,25% van deze waarde\n\n€ 75.000\n\n€ 1.200.000\n\n0,35% van deze waarde\n\n€ 1.200.000\n\n-\n\n€ 4.200 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.200.000.\n\n8. De regeling van het eigenwoningforfait berust op het uitgangspunt dat de eigen woning voor de inkomstenbelasting als bron van inkomen geldt. Van oudsher strekte deze regeling ertoe het woongenot te belasten alsof de belastingplichtige zijn eigen woning verhuurt aan een derde. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), het Besluit IB 1941 en de Wet op de inkomstenbelasting 1914 kenden een bepaling met dezelfde strekking. De tot het inkomen te rekenen huurwaarde werd vanaf 1963 afgeleid van de huurwaarde voor de personele belasting. Met ingang van 1971 is (met artikel 42a van de Wet IB 1964) voor een eenvoudige forfaitaire benadering gekozen. Uit de wetsgeschiedenis van het laatstgenoemde artikel volgt:\n\n“(…) De grondgedachte daarachter is een simpele methodiek, waarbij de bruto-huurwaarde het uitgangspunt is. Deze is gerelateerd aan de huurontwikkeling. Vervolgens komen de hiervoor genoemde kosten op genormeerde en geforfaiteerde wijze in mindering, terwijl voorts de bijzondere positie van de eigen woning als bron van inkomen verwerkt wordt door een aftrek. Aldus resulteert een netto forfait.”.\n\n9. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) staat - voor zover hier van belang - het volgende over het eigenwoningforfait van 2,35%:\n\n“In het kader van evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen is ook gekeken naar de huidige vormgeving van het eigenwoningforfait. De hoogte van het destijds nog als huurwaardeforfait aangeduide eigenwoningforfait werd vóór de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaald door de eigen woning te beschouwen als een mix van een belegging (wat een heffing in de inkomstenbelasting rechtvaardigt) en een besteding (wat niet leidt tot een heffing in de inkomstenbelasting). Van een directe koppeling van de hoogte van het eigenwoningforfait aan deze twee aspecten is echter onder de sinds 1 januari 2001 geldende regeling geen sprake meer. Wij wijzen in dit verband op de wijze van indexering van het eigenwoningforfait met de huurindex en de waardeontwikkeling. Wel kan worden aangenomen dat vanaf een bepaald waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen, hetgeen een hoger eigenwoningforfaitpercentage rechtvaardigt. Het eigenwoningforfait heeft in dat opzicht de laatste jaren de ontwikkeling op de woningmarkt, met name het topsegment, onvoldoende gevolgd. (…)\n\nDaarnaast wordt in dit kader voorgesteld een hoger percentage (2,35) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 miljoen of meer, maar alleen voor het deel van de eigenwoningwaarde dat uitkomt boven € 1 miljoen. De grens is bij € 1 miljoen gelegd, aangezien naar onze mening vanaf dit waardeniveau het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol gaat spelen. De verhoudingswijze grotere rol van het beleggingsaspect rechtvaardigt ook een hoger percentage, dat op grond van dit voorstel op 2,35 is gesteld. De hiervoor genoemde grens van € 1 miljoen wordt jaarlijks aangepast aan de inflatie via indexatie. (…).\n\nArtikel 3.112, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt de hoogte van het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait. Momenteel wordt vanaf een waarde van € 75 000 eenzelfde percentage van 0,55% als voordeel uit eigen woning in aanmerking genomen, zij het dat er wel een absoluut maximum geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de verschillende waarden van woningen in dit segment. Zo wordt bijvoorbeeld voor een woning met een waarde van € 80 000 eenzelfde procentueel voordeel in aanmerking genomen als voor een woning met een waarde van € 400 000 en een woning met een waarde van € 800 000. Vanaf een waarde van € 1 mln achten wij dit niet langer gewenst en daarom wordt – mede ingegeven door budgettaire overwegingen – voorgesteld per 1 januari 2009 een hoger percentage (2,35%) ter vaststelling van het eigenwoningforfait in te voeren bij een eigenwoningwaarde van € 1 mln of meer. Deze verhoging geldt echter alleen voor het deel van de waarde dat uitgaat boven € 1 mln.”. \n\n10. De Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2008) bevat de volgende nadere toelichting op het inmiddels in artikel 3.112 van de Wet IB 2001 opgenomen eigenwoningforfait van 2,35%:\n\n“De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het percentage van 2,35% in het voorstel tot aanpassing van het eigenwoningforfait nader kan motiveren vanuit de «mix van beleggen en besteden». Hierop kan ik genoemde leden antwoorden dat in het algemeen geldt dat aan een eigen woning economisch gezien zowel een bestedingsaspect te onderkennen valt (verkrijging van woongenot) als een beleggingsaspect. Het eigenwoningforfait geeft forfaitair uitdrukking aan het totale voordeel dat iemand heeft van zijn eigen woning. In het kader van een evenwichtig pakket aan maatregelen is gekeken of hele dure woningen op basis van de huidige regeling rond het eigenwoningforfait fiscaal reëel worden behandeld. Dat is niet het geval. In 2007 geldt een bijtelling (eigenwoningforfait) van 0,55% van de WOZ-waarde. Die bijtelling heeft een maximum van € 9 150. Dat betekent dat iemand met een woning van € 2 miljoen in 2007 een bijtelling krijgt van € 9 150 maar iemand met een woning van € 5 miljoen ook. Dure woningen worden op deze manier niet op een reële manier in de heffing betrokken. De eventuele extra renteaftrek wordt wel verleend, maar de bijtelling wordt niet hoger. Het kabinet stelt daarom twee maatregelen voor: vanaf 2009 vervalt het plafond in het eigenwoningforfait. Verder geldt dan voor het deel van de waarde van een woning boven € 1 miljoen een eigenwoningforfait van 2,35% van de WOZ-waarde.”.\n\n11. De rechtbank stelt voorop dat het heffen van belasting een inmenging is in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd, aangezien de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren.Bij de beoordeling of de heffing over inkomsten uit de eigen woning op stelselniveau die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.\n\n12. Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Artikel 14 EVRM verbiedt een als discriminatie aan te merken ongelijke behandeling. Van discriminatie is sprake indien personen die in gelijke situaties verkeren zonder objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond anders worden behandeld.Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de zojuist genoemde ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.Indien het - zoals in onderhavig geval - niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is.\n\n13. De rechtbank ziet – mede gelet op hetgeen door eiser is aangevoerd – geen aanleiding voor het oordeel dat bij het verhoogde eigenwoningforfait sprake is van strijdigheid met artikel 1 EP of artikel 14 EVRM. Uit de wettekst en de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het eigenwoningforfait van 2,35% voor woningen vanaf een bepaalde waarde. De wetgever heeft, in het kader van zijn streven naar evenwichtige maatregelen voor diverse inkomens- en vermogensgroepen, de afweging gemaakt om bij duurdere woningen meer gewicht toe te kennen aan het beleggingsaspect (de waardeontwikkeling) en in zoverre dus een verschil te maken tussen belastingplichtigen met een eigen woning met een eigenwoningwaarde onder of juist boven een bepaald grensbedrag. De wetgever heeft de hem toekomende ruime beoordelingsmarge hierbij niet overschreden. In het bijzonder acht de rechtbank hierbij van belang dat het percentage van 2,35 alleen geldt voor dat gedeelte van de eigenwoningwaarde waarmee die waarde het grensbedrag (in 2023: € 1.200.000) overtreft. Dat de wetgever ook budgettaire aspecten in zijn beoordeling heeft betrokken maakt een en ander niet anders. Budgettaire aspecten zijn immers inherent aan (vrijwel) elke maatregel op het gebied van belastingheffing. Anders dan eiser meent, brengt ook de omstandigheid dat geheven wordt over inkomsten die niet feitelijk zijn gerealiseerd, naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de heffing in strijd is met artikel 1 EP.\n\n14. Gelet op het voorgaande, is het beroep ongegrond.Proceskosten\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. J.J. Arts en mr. K.G. Scholten, leden, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en -705.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2025:2995.\n\n Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 052, nr. 7, p. 13.\n\n Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 205, nr. 3, p. 31 en p. 51.\n\n Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 205, nr. 9, p. 44.\n\n EHRM 5 januari 2000, nr. 33202\u002F96 (Beyeler).\n\n Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.4.3.\n\n EHRM 27 mei 2014, nr. 18485\u002F14 (Berkvens), r.o. 28.\n\n Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.2.2.\n\n Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1789, r.o. 4.2.2.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2995.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:569","2026-01-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.986Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":44,"updatedAt":97},"426","ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","ecli-nl-rbdha-2025-28003","2025-09-19T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F8337\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen\n [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 11 september 2024 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2025.\n\nEiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het bezwaar ongegrond;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser heeft aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2022 gedaan naar een verzamelinkomen van € 15.417, bestaande uit € 15.417 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.\n\nDe waarde van de door eiser in zijn aangifte verantwoorde bezittingen en schulden resulteren in een rendementsgrondslag van € 39.433. Met inachtneming van het heffingvrije vermogen van € 50.650 is de grondslag sparen en beleggen nihil.\n\nMet dagtekening van 10 juni 2023 is de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2022 (de aanslag) opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Het inkomen uit sparen en beleggen is daarbij dan ook gesteld op nihil.\n\n2. Eiser had over het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag ontvangen van € 4.024. Dit voorschot was gebaseerd op de over het jaar 2021 aan hem toegekende huurtoeslag. Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de inspecteur van de Belastingdienst\u002FToeslagen de zorg- en huurtoeslag voor eiser over het jaar 2022 vastgesteld op nihil en is eiser aangezegd dat hij het aan hem uitbetaalde voorschot van € 4.024 dient terug te betalen (de Beschikking).\n\n3. Bij brief van 13 september 2023 heeft eiser bij de Dienst Toeslagen bezwaar tegen de Beschikking gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar ter behandeling doorgezonden aan verweerder. De reden daarvoor is dat het bij de beoordeling van het bezwaar aankomt op een vraag die in het domein van verweerder is gelegen,te weten die naar de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\n4. Verweerder heeft bij uitspraak van 11 september 2024 het bezwaar als kennelijk nietontvankelijk van de hand gewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat, nu in de aanslag geen inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking is genomen, eiser niet beter kan worden van zijn bezwaar.\n\nGeschil\n\n5. Het standpunt van eiser is dat verweerder de Wet rechtsherstel box 3 onjuist heeft toegepast, door niet de voor zijn geval gunstigste methode te kiezen van de twee methodes waarin die wet voorziet. Ter zitting heeft hij daaraan, subsidiair, een beroep toegevoegd op het vertrouwen dat hij heeft ontleend aan mededelingen op de website van de Belastingdienst.\n\n6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, om dezelfde reden als waarom hij het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. Met betrekking tot het materiële geschilpunt is zijn standpunt dat de Beschikking berust op een correcte vaststelling van de rendementsgrondslag en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel moeten falen.\n\nBeoordeling\n\n7. Eiser heeft zijn bezwaar tegen de Beschikking in zijn brief van 13 september 2013 geformuleerd als volgt:\n\n“Bij deze maak ik bezwaar tegen de door u aan mij opgelegde definitieve aanslag over ad 2022 ad. € 4.024 terug te betalen huurtoeslag”\n\nMet de Beschikking is de aanspraak van eiser op huurtoeslag vastgesteld op nihil, wat ertoe leidt dat eiser het door hem ontvangen voorschot dient terug te betalen. Blijkens de hiervoor geciteerde bewoording is dat, waartegen eiser in bezwaar is opgekomen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een overweging die betrekking heeft op een andere beschikking dan de Beschikking, te weten de aanslag. Van bezwaar tegen de aanslag kan eiser inderdaad niet beter worden, maar dat is niet waartegen hij is opgekomen. Zijn bezwaar is gericht tegen de Beschikking en dat kon hem bij gegrondverklaring (wel degelijk) in een betere positie brengen.\n\nVerweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd.\n\n8. Bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar doet de rechtbank wat verweerder had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond had moeten verklaren. Onderstaand legt zij uit waarom.\n\n9. Eiser had over het jaar 2021 huurtoeslag ontvangen. Dat hem over het jaar 2022 huurtoeslag is ontzegd, is volgens hem terug te voeren op verandering in de wetgeving die is gevolgd op het zogenaamde kerstarrest.Eiser heeft daarbij het oog op de Wet rechtsherstel box 3 (de Wet rechtsherstel). Deze wet regelt dat het box 3-inkomen wordt bepaald op de voet van de voor de belanghebbende meest gunstige van een van twee methodes; te weten die van de Wet IB 2001 en de alternatieve berekeningswijze waarin de Wet rechtsherstel voorziet.Dat aan eiser met de Beschikking huurtoeslag over 2022 is ontzegd, komt volgens hem doordat niet de voor hem meest gunstige van beide methoden is toegepast.\n\n10. Het standpunt van eiser berust op een misvatting. Dat hij wel over 2021 aanspraak had op huurtoeslag maar niet over 2022, wordt naar de overtuiging van de rechtbank erdoor veroorzaakt dat zijn vermogen in de loop van 2021 is toegenomen, waardoor hij per begin 2022 over een te groot vermogen beschikt om aanspraak te kunnen maken op bepaalde toeslagen. Dit wordt in de volgende twee overwegingen uitgelegd.\n\n11. In artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) is bepaald bij welk vermogen geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op bepaalde toeslagen. Deze bepaling is per 1 januari 2001 gewijzigd. Die wijzing heeft niet met de Wet rechtsherstel te maken, maar met de verhoging van het heffingvrije vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001).\n\nTot 1 januari 2021 bepaalde artikel 7, derde lid, van de AWIR dat geen recht op huurtoeslag bestond zodra over voordeel uit sparen en beleggen belasting werd geheven. Dat is het geval zodra het vermogen (de grondslag sparen en beleggen) uitgaat boven het heffingvrije vermogen. In 2020 bedroeg het heffingvrije vermogen € 30.846. Het komt er dus op neer dat zodra het vermogen uitging boven dat dat bedrag geen recht op huurtoeslag bestond.\n\nMet ingang van 1 januari 2001 heeft de wetgever het heffingvrije vermogen verhoogd, van € 30.846 in 2020 tot € 50.000 in 2021. Het effect daarvan zou zijn dat ineens aanspraak op huurtoeslag zou bestaan bij een vermogen van bijna € 20.000 méér. Dat heeft de wetgever niet gewild. Hij heeft daarom artikel 7, derde lid, van de AWIR gewijzigd; en wel zó dat niet langer bepalend is of belasting in box 3 wordt geheven, maar of het vermogen uitgaat boven een bedrag dat correspondeert met het heffingvrije vermogen naar het niveau van voor 2021. De verandering van dit artikellid strekte er dus toe, te voorkomen dat voor wat betreft de aanspraak op bepaalde toeslagen materieel iets zou veranderen.\n\n12. Voor het jaar 2022 is het in artikel 7, derde lid, van de AWIR genoemde bedrag vanaf wanneer geen recht meer bestaat op toeslagen gesteld op € 31.747.\n\nHet vermogen van eiser bestond per 1 januari 2022 voor € 9.220 uit effecten en voor € 84.073 uit een onroerende zaak, tot het bedrag van € 69.451 waren gefinancierd met leningen. De rendementsgrondslag van eiser was daarmee € 39.433, dus te veel om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Dat eiser in 2021 wel, maar in 2022 niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, komt – zoals ter zitting is besproken – vrijwel zeker doordat de effecten en het vastgoed gedurende 2021 met ten minste € 7.591 in waarde zijn gestegen, waardoor het vermogen van eiser per 1 januari 2022 met dat bedrag boven de grens van artikel 7, derde lid, AWIR uitgaat.\n\n13. Dat in 2021 wel maar in 2022 geen recht op huurtoeslag bestond, kan in ieder geval niet worden verklaard door de Wet rechtsherstel en\u002Fof de manier waarop verweerder die heeft toegepast. Die wet regelt namelijk niets dat van invloed kan zijn op het recht op huurtoeslag.\n\n14. De Wet rechtsherstel regelt het volgende.\n\nHet belaste voordeel uit sparen en beleggen is het forfaitaire rendementspercentage, vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen.De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag, voor zover deze uitgaat boven – of anders gezegd: verminderd met – het heffingvrije vermogen.De rendementsgrondslag is waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden voor zover die schulden uitgaan boven de drempel van € 3.200.\n\nMet de Wet rechtsherstel beoogde de wetgever het box 3-stelsel in overeenstemming te brengen met het ‘kerstarrest’.Daartoe is een alternatieve methode geïntroduceerd voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, die alleen wordt toegepast als deze voor de belanghebbende gunstiger uitpakt dan de berekening volgens de Wet IB 2001 zelf.\n\nHet verschil tussen de alternatieve methode en die van de Wet IB 2001 is alleen gelegen in de hoogte van het forfaitaire rendement. De wet rechtsherstel laat de rendementsgrondslag geheel ongemoeid: ook bij toepassing van de alternatieve methode is de rendementsgrondslag het saldo van de bezittingen en de schulden.\n\n15. Dan komt de rechtbank nu toe aan de vraag of de Beschikking juist is. Daaromtrent overweegt zij als volgt.\n\nArtikel 7, derde lid, van de AWIR bepaalt voor het jaar 2022, voor zover relevant:\n\n“Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.747 (...)”\n\nVoor de vraag naar aanspraak op huurtoeslag komt het derhalve aan op de hoogte van de rendementsgrondslag.\n\nEiser heeft aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een rendementsgrondslag van nihil, wat bij het vaststellen van de aanslag is overgenomen. De vaststelling in de Beschikking dat eiser geen aanspraak heeft op huurtoeslag bouwt daarop voort. Eiser heeft niet aangevoerd dat de rendementsgrondslag op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan volgens zijn aangifte en de opgelegde aanslag IB\u002FPVV. De rechtbank beoordeelt de Beschikking daarom als juist.\n\n16. Eiser beroept zich subsidiair op het vertrouwen dat hij heeft ontleend, en stelt ook te hebben mogen ontlenen aan de navolgende mededelingen op de website van de Belastingdienst:\n\n“2 methodes om uw box 3-inkomen te berekenen\n\nDe oude methode gaat uit van een fictieve verdeling van vermogensbestanddelen.\n\nDe nieuwe methode berekenen we volgens het Rechtsherstel.\n\nOude methode box 3-inkomen – hoe werkt dat?\n\nVoor de jaren 2021 en 2022 berekenen wij uw box 3-inkomen met de oude en de nieuwe methode. Vervolgens passen wij de meest gunstige methode toe op uw definitieve aanslag\n\ninkomstenbelasting. Ook als u over de periode 2017-2022 rechtsherstel hebt gehad, passen wij de meest gunstige methode toe.\n\nDe basis is uw inkomen uit vermogen\n\nDe basis voor de oude methode is uw inkomen uit vermogen. Dit noemen wij de grondslag sparen en beleggen. Dat is de waarde van uw vermogen (uw bezittingen min uw schulden) min uw heffingsvrij vermogen. U gaat daarbij uit van de situatie op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet.”\n\nDeze passage kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet zo worden gelezen als eiser dat doet. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.\n\nSlotsom\n\n17. Omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie r.o. 7), is het beroep gegrond en dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de Beschikking naar het oordeel van de rechtbank juist is (r.o. 8 tot en met 15) en het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt (r.o. 16), verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond.\n\n18. Niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gehad. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.\n\nDe griffier is verhinderd te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n Artikel 8a, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR).\n\n HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.\n\n De Wet rechtsherstel box 3 is ingevoerd op 21 december 2022 en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001.\n\n Artikel 5.3, eerste lid en derde lid, letter f, Wet IB 2001; in zowel 2021 als 2022).\n\n Wat overigens niet is gelukt; zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1) en ECLI:NL:HR:2024:705 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fide9bd3d3e2a5b408796f3b52de4a8729f), alsmede HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid20b946068984449ba7c944bd283450b1).\n\n Tekst 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28003","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.290Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":102,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":44,"updatedAt":105},"1891","ECLI:NL:GHDHA:2024:1036","ecli-nl-ghdha-2024-1036","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-23\u002F420 en BK-23\u002F422 tot en met BK-23\u002F424\n\nUitspraak van 4 juni 2024\n\nin het geding tussen:\n\n [X]te [Z] , [buitenland] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordigers: […] en […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 maart 2023, nummers SGR 21\u002F8043, SGR 21\u002F8046, SGR 21\u002F8047 en SGR 21\u002F8049.\n\nProcesverloop\n\n2015\n\n1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (de navorderingsaanslag 2015).\n\n1.1.2. Bij beschikking van 30 april 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2015 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2015 vastgesteld op € 14.912.\n\n2016\n\n1.2.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.749 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 83.785 (de navorderingsaanslag 2016). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 7.913 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.2. Bij beschikking van 14 mei 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2016 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2016 vastgesteld op € 14.912.\n\n2017\n\n1.3.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.408 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.535 (de navorderingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 3.963 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.3.2. Bij beschikking van 14 mei 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2017 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2017 vastgesteld op nihil.\n\n2018\n\n1.4. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.435 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.002 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 2.434 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\nAlle jaren\n\n1.5. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de hiervoor in 1.1.1 tot en met 1.4 genoemde belastingaanslagen (hierna ook: de belastingaanslagen) en beschikkingen toegewezen voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen (jaren 2016 tot en met 2018), de aftrek van studiekosten (jaren 2015 tot en met 2018) en de premie Wet langdurige zorg (Wlz) (jaren 2016 en 2018). Als gevolg hiervan is het bedrag van het te verrekenen verlies in de verliesbeschikkingen voor de jaren 2015 tot en met 2017 op een ander bedrag gesteld; ook de bezwaren tegen deze beschikkingen zijn derhalve gegrond verklaard. Voor het overige zijn de bezwaren afgewezen. De belastingaanslagen zijn als volgt verminderd (en de belastingrente is dienovereenkomstig verminderd):\n\nInkomen uit werk en woning\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\nNavorderingsaanslag 2015\n\n-\n\n-\n\nNavorderingsaanslag 2016\n\n€ 94.149*\n\nnihil\n\nNavorderingsaanslag 2017\n\n€ 112.398\n\nnihil\n\nAanslag 2018\n\n€ 117.509\n\nnihil\n\n* na verliesverrekening\n\n1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 136 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.8. Belanghebbende heeft op 4 april 2024 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 11 april 2024 een nader stuk ingediend.\n\n1.9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 23 april 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1958. In de onderhavige jaren woonde belanghebbende in Nederland. Op 15 juli 2022 is belanghebbende geëmigreerd naar [buitenland] .\n\n2.2. Belanghebbende staat sinds 1 januari 2007 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met twee eenmanszaken. De eenmanszaak [eenmanszaak 1] betreft een kleinhandel in fietsen en fietsonderdelen. De eenmanszaak [eenmanszaak 2] betreft onder meer activiteiten op het gebied van edelsmederij, keramiek en schilderkunst (gezamenlijk: de activiteiten).\n\n2.3.1. In verband met de activiteiten heeft belanghebbende in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2018 in totaal € 146.677 negatief als winst uit onderneming aangegeven. De resultaten en kosten luidden van jaar tot jaar als volgt (in de jaren 2011 tot en met 2014 werden de activiteiten aangegeven in één winst- en verliesrekening):\n\nResultaten van de activiteiten\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2011\n\n0\n\n€ 5.000\n\n - € 5.000\n\n2012\n\n0\n\n€ 5.000\n\n - € 5.000\n\n2013\n\n0\n\n€ 5.000\n\n- € 5.000\n\n2014\n\n0\n\n€ 5.000\n\n- € 5.000\n\nResultaten van [eenmanszaak 2]\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2015\n\n0\n\n€ 41.909\n\n- € 41.909\n\n2016\n\n0\n\n€ 9.100\n\n- € 9.100\n\n2017\n\n0\n\n€ 13.950\n\n- € 13.950\n\n2018\n\n0\n\n€ 14.870\n\n- € 14.870\n\nResultaten van [eenmanszaak 1]\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2015\n\n0\n\n0\n\n2016\n\n0\n\n€ 10.340\n\n- € 10.340\n\n2017\n\n0\n\n€ 25.303\n\n- € 25.303\n\n2018\n\n0\n\n€ 11.205\n\n- € 11.205\n\n2.3.2. In de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2019 tot en met 2021 heeft belanghebbende geen winst uit onderneming opgenomen, maar resultaat uit overige werkzaamheden. Het aangegeven resultaat met betrekking tot de activiteiten is in deze jaren als volgt:\n\nJaar\n\nAangegeven opbrengsten\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo resultaat\n\n2019\n\n€ 204\n\n€ 30.143\n\n- € 29.939\n\n2020\n\n€ 18.491\n\n€ 96.535\n\n- € 78.044\n\n2021\n\n€ 71.025\n\n€ 154.097\n\n- € 83.072\n\n2.4. Belanghebbende is op 1 april 1990 in dienst getreden van het Europees Octrooibureau (EOB). Het EOB is onderdeel van de Europese Octrooi Organisatie (EOO).\n\n2.5. Nadat belanghebbende in 2011 ziek is geworden, ontving hij per 1 juli 2011 een zogenoemde ‘invalidity allowance’ van het EOB. Met ingang van 1 januari 2016 ontving belanghebbende een zogenoemd ‘retirement pension for health reasons’ (RPHR). De uitkeringen uit het RPHR bedroegen respectievelijk € 110.245 (2016), € 113.994 (2017) en € 118.435 (2018).\n\n2.6. Het RPHR is gebaseerd op het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (CA\u002FD 2\u002F15), waarin onder meer het volgende is opgenomen:\n\n“I. Amendments to the Service Regulations\n\n(…)\n\nArticle 3\n\nArticle 42(1) of the Service Regulations shall read as follows:\n\n\"(1) A permanent employee may be assigned to non-active status as follows:\n\n(a) on secondment;\n\n(b) to fulfil his obligations regarding military service or comparable service;\n\n(c) for reasons of parental leave;\n\n(d) for reasons of family leave;\n\n(e) on personal grounds.\"\n\n(…)\n\nArticle 8\n\nThe following new Article 62b of the Service Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 62b\n\nIncapacity\n\n(1) If a permanent employee has reached the applicable maximum period of sick leave set forth in Article 62a, paragraph 7(b), a medical opinion shall be sought to determine whether he fulfils the condition of incapacity: being partially or totally unable to perform his duties or similar other duties which might reasonably be assigned to him, i.e. which correspond to his situation, his knowledge and his capabilities.\n\nIn such case, he shall be partially or totally discharged from performing his duties by decision of the President of the Office.\n\nThe proportion and period of time of such discharge from duties shall follow the medical opinion. In case of partial incapacity, any discharge from duties shall not exceed 80% of the normal working time. The minimum degree of incapacity for a total discharge from duties shall be 70%.\n\n(…)\n\nVI. Amendments to the Pension Scheme Regulations\n\n(…)\n\nArticle 35\n\nThe following new Article 13 of the Pension Scheme Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 13\n\nConditions of entitlement\n\n(1) A retirement pension for health reasons shall be payable to an employee who is under the age limit laid down in Article 54, paragraph 1(a) of the Service Regulations and who, at any time during the period in which pension rights are accruing to him, has reached 55 years of age and has been totally discharged from his duties for reasons of incapacity as defined in Article 62b of the Service Regulations for ten years.\n\n(2) The employee shall be retired on the first day of the month following that in which he fulfilled the conditions laid down in paragraph 1.\"\n\n(…)\n\nVIII. Amendments to the New Pension Scheme Regulations\n\n(…)\n\nArticle 54\n\nThe following new Article 12a of the New Pension Scheme Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 12a\n\nConditions of entitlement\n\n(1) A retirement pension for health reasons shall be payable to an employee who is under the age limit laid down in Article 54 paragraph 1 letter a of the Service Regulations and who, at any time during the period in which pension rights are accruing to him, has reached 55 years of age and has been totally discharged from his duties for reasons of incapacity as defined in Article 62b of the Service Regulations for ten years.\n\n(2) The employee shall be retired on the first day of the month following that in which he fulfilled the conditions laid down in paragraph 1.\"\n\n(…)\n\nXI. Entry into force and transitional measures\n\n(…)\n\nArticle 72\n\n(1) Until 31 December 2015, the rights and obligations of a recipient of an invalidity allowance on 31 March 2015 shall continue to be governed by the provisions in force on 31 March 2015.\n\n(2) As from 1 January 2016, he shall cease to receive an invalidity allowance and shall instead be granted a retirement pension for health reasons, increased by a compensatory payment as follows:\n\n(a) His pension shall be calculated as set forth in Article 14 of the Pension Scheme Regulations or, where applicable, Article 12b of the New Pension Scheme Regulations, as amended by the present decision.\n\n(b) The level of his pension shall be increased by a compensatory payment, calculated as follows:\n\n(i) until the last day of the month during which the employee reaches the age of 65 years, the compensatory payment shall cover the difference up to the level of invalidity benefits he was entitled to on 31 December 2015;\n\n(ii) from the first day of the month following that during which the employee reaches the age of 65 years, the compensatory payment shall cover the difference up to the theoretical level of his retirement pension calculated under Chapter II, Section 1 of the Pension Scheme Regulations.\n\nFor the latter calculation, the period of time between 1 January 2016 and the last day of the month in which he reaches the age of 65 years shall count for full reckonable years.\n\n(c) Notwithstanding the above, employees in receipt of an invalidity pension until 31 December 2007 shall continue to benefit from the guarantee adopted by the Administrative Council in Article 29 of CA\u002FD 30\u002F07 and confirmed in CA\u002FD 15\u002F12.\n\n(3) As from 1 January 2016, gainful activities or employment shall no longer be allowed.\n\n(4) Recipients of an invalidity allowance shall be allowed, upon provision of evidence, to claim for reimbursement of the national income tax paid and attributable to their invalidity allowance. Any advance payment already made shall be offset against such final reimbursement. The detailed conditions and procedure therefor shall be established by the President of the Office.\n\n(5) Where applicable, and in case of national taxation of the pension calculated under paragraph 2, the employee may claim the tax adjustment set forth in Article 42 of the Pension Scheme Regulations and in the Implementing Rules thereto.”\n\n2.7. Volgens een afschrift uit de Protocollaire Basisadministratie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 22 augustus 2019 was belanghebbende van 1 april 1990 tot en met 1 januari 2016 in dienst bij het EOB.\n\n2.8. Belanghebbende heeft bij het EOB bezwaar aangetekend tegen zijn interne statuswijziging van ‘permanent staff on inactive status’ naar ‘pensioner for health reasons’ per 1 januari 2016. Tegen de afwijzing van zijn bezwaar heeft hij beroep ingesteld bij het Administrative Tribunal of the International Labour Organization (ATILO) in Genève.\n\n2.9. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 een negatief resultaat aangegeven met betrekking tot de activiteiten (zie 2.3.1). In deze aangiften is het RPHR niet opgenomen als inkomen.\n\n2.10. De Inspecteur heeft de definitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015, 2016 en 2017 vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangiften naar een verlies uit werk en woning van respectievelijk € 36.042 (2015), € 19.464 (2016) en € 33.758 (2017).\n\n2.11. De Inspecteur heeft bij belanghebbende in 2019 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2018.\n\n2.12. Bij brief van 12 november 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende als volgt bericht:\n\n“Betreft: Stukken boekenonderzoek aanleveren\u002Fbelastingplicht\n\n(…)\n\nStukken boekenonderzoek:\n\nIk heb u herhaaldelijk, mondeling, schriftelijk en per e-mail, om alle stukken voor het lopende onderzoek gevraagd. U heeft achteraf opgemaakte btw-overzichten vanuit de bank naar Word over 2016 tot en met 2018 en achteraf opgemaakte inkoopkosten overzichten vanuit de bank naar Word van 2017 en 2018 ingeleverd. Onderbouwd door een beperkt aantal kostenfacturen (10 stuks, 2014-2018). De overzichten roepen vragen op, die alleen met nadere onderbouwing door middel van bewijsstukken beantwoord kunnen worden.\n\nHet overgelegde is bij lange na niet wat er gevraagd is. Daarom stel ik u nog eenmaal in de gelegenheid om allegegevens te verstrekken,uiterlijk 22 november 2019.\n\nIngevolge artikel 47 en 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen bent u gehouden deze gegevens te verstrekken.\n\nZie onderaan deze brief voor een opsomming van de gevraagde gegevens. Indien u geen of niet alle gevraagde gegevens verstrekt zal ik het onderzoek afdoen met de dan voorhanden gegevens.\n\nBelastingplicht:\n\nU heeft gewerkt voor het Europees Octrooibureau (EOB). Medewerkers van het EOB zijn vrijgesteld van bepaalde belastingen. U bent eind 2011 ziek geworden en krijgt vanaf april 2012 een (invaliditeits)pensioen. Uit de door uzelf overgelegde verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat u per 1 januari 2016 geen medewerker meer bent van het EOB. Dat betekend dat u per 1 januari 2016 volledig belastingplichtig bent in Nederland.\n\nNaar aanleiding van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB op 26 maart 2015 is het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland. Voor deze belastingheffing krijgt u van het EOB een partiele compensatie uitbetaald. Daarom is uw pensioen en bijvoorbeeld box 3 (vermogensrendementsheffing) vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland.\n\n(…)”\n\n2.13. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 2 april 2020 (het rapport). In het rapport zijn onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n“1 Algemeen\n\n1.1 Reikwijdte van onderzoek\n\nOnderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften:\n\n- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2018;\n\n- omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018.\n\nHet onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en 30 september 2019.\n\nOp 12 november 2019 is een schriftelijke bevestiging van de uitbreiding verstuurd.\n\nHet onderzoek is verder uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en 31 december 2019.\n\nOp 11 februari 2020 is een schriftelijke bevestiging van de uitbreiding verstuurd.\n\n(…)\n\n1.2 Samenvattend oordeel\n\nDe aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018 worden gecorrigeerd. De aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 worden gecorrigeerd.\n\n(…)\n\n1.3 Verloop van het onderzoek\n\nDatum vooraankondiging: 08 mei 2019\n\nDatum aankondiging: 30 september 2019\n\nEerste dag ter plaatse: 09 oktober 2019\n\nDatum slotgesprek: 01 april 2020\n\n(…)2. Algemeen\n\n2.1. \n\nActiviteiten\n\nDe activiteiten bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit adviesgeving betreffend kleinhandel in fietsen en fietsonderdelen onder de naam [eenmanszaak 1] en adviesgeving betreffend edelsmederij en renovatie\u002Fklusbedrijf onder de naam [eenmanszaak 2] .\n\nDe bedoeling was volgens [belanghebbende] om wielrenfietsen in het duurdere segment uit specifieke componenten samen te stellen en te verkopen evenals de verkoop van fietsonderdelen ( [eenmanszaak 1] ). De tweede activiteit behelsde kunstnijverheid zoals keramiek, tekenen en schilderijen maken, evenals adviesgeven in die branche ( [eenmanszaak 2] ). Van renovatie en\u002Fof klussen is geen sprake.\n\nVoor beide activiteiten wordt geen reclame gemaakt en er zijn geen websites. Er is vanaf de start van beide activiteiten op 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2019 geen omzet behaald. De beoogde klanten zijn bekenden uit het (sport)netwerk van [belanghebbende] : “het is niet geworden wat ik ervan verwachtte”.\n\n [belanghebbende] heeft in 2019 een oud schoolgebouw in [buitenland] gekocht. De intentie is om aldaar een Summer school te vestigen. Het schoolgebouw zal eerst ingrijpend verbouwd moeten worden. Het is de bedoeling om in [buitenland] dan cursussen keramiek en dergelijke te gaan geven aan Nederlanders en [buitenland] . [belanghebbende] denkt erover om aldaar wellicht een B&B te vestigen.\n\nOver deze toekomstige activiteiten is te weinig bekend en daarom kan daar nu geen oordeel over worden gegeven.\n\n(…)\n\n4. Fiscale resultatenrekening\n\n4.1. \n\nOpbrengsten\n\nVoor het jaar 2014 is alleen een resultatenrekening opgemaakt voor [eenmanszaak 2] . Voor de jaren 2015 t\u002Fm 2018 is een resultatenrekening opgemaakt voor zowel [eenmanszaak 2] als [eenmanszaak 1] . De omzet over de controleperiode (inkomstenbelasting) 2014 tot en met 2018 bedraagt nul euro. De omzet vanaf de start van beide activiteiten vanaf 2007 tot en met 2013 bedraagt eveneens nul euro.\n\n(…)\n\n5. Inkomstenbelasting\n\n5.1. \n\nAangifte\n\n [belanghebbende] verzorgt zelfde aangiften inkomstenbelasting.\n\n5.1.1. \n\nVereiste aangifte\n\nDe door [belanghebbende] ingediende aangiften vertonen aanzienlijke inhoudelijke gebreken. Er zijn kosten (…) opgevoerd waarvan het [belanghebbende] zich bewust had moeten zijn dat het niet om aftrekposten ging, zoals de arbeidsbeloning fiscale partner, afschrijven terwijl er geen activa op de balans staat, dure horloges, kledinguitgaven en overige (niet zakelijke) kosten.\n\nIn Box 3 (…) wordt een schuld van 2,5 miljoen euro uit [buitenland] aangegeven, maar een [buitenlandse] rekening met een positief saldo ad 1,5 miljoen euro wordt niet aangegeven. Het is niet aannemelijk dat het om een vergissing gaat.\n\n [belanghebbende] krijgt een pensioen van het Europees Octrooi Bureau (EOB) wat niet in de aangiften (…) is verwerkt. [belanghebbende] heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen de beslissing van het EOB (…) en was zich dus bewust dat vanaf 1 januari 2016 in Nederland belasting verschuldigd was. [belanghebbende] krijgt bovendien een partiële compensatie van het EOB om de belasting in Nederland te kunnen betalen.\n\nBelastingplichtige is van mening dat hierover geen belasting is verschuldigd, maar heeft verzuimd om dit pensioen (als belast of vrijgesteld) inkomen in de aangiften te verwerken. Het niet aangeven van het pensioen (…) van het EOB in de aangiften leidt tot forse navorderingen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\n [belanghebbende] had een adviseur kunnen raadplegen of in contact treden met de Belastingdienst voor vooroverleg. Er is sprake van het doen van “de vereiste aangifte” wanneer de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is ingediend.\n\nBij het opstellen en indienen van de aangifte heeft [belanghebbende] onder andere het voorbehoud gemaakt dat de ontvangen inkomsten van het EOB en het positieve saldo van de [buitenlandse] bankrekening(en) niet tot het belastbare inkomen behoren.\n\nOm de hiervoor genoemde redenen is de Belastingdienst van mening dat de ingediende aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2014 tot en met 2018 niet aangemerkt kunnen worden als de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\nHet niet doen van de vereiste aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2014 tot en met 2018 leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.5.2. \n\nBron van inkomen\n\nLang niet iedereen die zich ondernemer noemt, is ondernemer voor de inkomstenbelasting. De inkomsten die iemand geniet, vloeien fiscaal gezien voort uit een bron van inkomen als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:\n\n- er is sprake van deelname aan het economische verkeer;\n\n- het oogmerk is om voordeel te behalen;\n\n- dit voordeel is ook redelijkerwijs te verwachten.\n\nPer zelfstandige activiteit dient de bron objectief te worden beoordeeld.\n\n [belanghebbende] neemt niet deel aan het economische verkeer (er zijn geen klanten).\n\nEr wordt voordeel beoogd, maar de omzet is vanaf de start in 2007 tot en met 2018 nihil. Het voordeel is daarom redelijkerwijs niet te verwachten. Dit geldt voor beide activiteiten.\n\nEr is geen bron van inkomen voor beide activiteiten.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nEuropees Octrooi Bureau (EOB) \u002F belastingvrijstelling\n\n [belanghebbende] is in 1990 in Nederland komen wonen en voor het EOB in [plaats] gaan werken. Op grond van het verdrag tussen Nederland en het EOB was het salaris van [belanghebbende] niet belast voor de inkomstenbelasting, zolang hij daar werkzaam was. Deze belastingvrijstelling geldt niet voor pensioenen die het EOB uitkeert.\n\n [belanghebbende] is in 2011 ziek geworden en heeft het EOB per 30 juni 2011 verlaten. Vanaf 1 juli 2011 tot en met 31 december 2015 genoot belastingplichtige een (invaliditeit)pensioen van het EOB. Het invaliditeitspensioen was tot en met 2015 eveneens vrijgesteld van inkomstenbelasting. Conform artikel 62a van interne EOB voorschriften was dat pensioen tot en met 31 december 2015 onderworpen aan een interne belasting van het EOB.\n\nNaar aanleiding van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB op 26 maart 2015 is het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland. Voor deze belastingheffing krijgt [belanghebbende] van het EOB een partiele compensatie uitbetaald om belasting in Nederland te betalen.\n\n [belanghebbende] heeft op 2 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het EOB dat het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast is in Nederland. Dit bezwaar dan wel beroep zou nog steeds in behandeling zijn en is van mening dat hij daarom geen belasting in Nederland verschuldigd is over het pensioen.\n\n(…)\n\n8. Recapitulatie Correcties\n\n8.1. \n\nInkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen\n\nOvereenkomstig de berekeningen in dit hoofdstuk wordt over de jaren 2015 en 2016\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen opgelegd.\n\nDe correcties over het jaar 2017 en 2018 worden bij het definitief vaststellen van de aanslagen 2017 en 2018 verwerkt.\n\n(…)\n\nJaar\n\n2014\n\n2015\n\nAangegeven inkomen werk\u002Fwoning\n\n€\n\n-4.300\n\n€\n\n-36.042\n\nCorrectie winst\u002FMKB vrijstelling\n\n€\n\n5.000\n\n€\n\n41.909\n\nCorrectie MKB winstvrijstelling\n\n€\n\n-700\n\n€\n\n-5.867\n\nGecorrigeerd inkomen werk-woning\n\n€\n\n0\n\n€\n\n0\n\nJaar\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\nAangegeven inkomen werk\u002Fwoning\n\n€\n\n-19.464\n\n€\n\n-33.758\n\n€\n\n-22.425\n\nCorrectie winst\n\n€\n\n19.440\n\n€\n\n39.253\n\n€\n\n26.075\n\nCorrectie MKB winstvrijstelling\n\n€\n\n-2.721\n\n€\n\n-5.495\n\n€\n\n-3.650\n\nCorrectie loon vroegere dienstbetrekking\n\n€\n\n110.245\n\n€\n\n113.994\n\n€\n\n118.435\n\nCorrectie eigen woning\n\n€\n\n2.745\n\n€\n\n0\n\n€\n\n0\n\nPersoonsgebonden aftrek na correctie\n\n€\n\n-584\n\n€\n\n-586\n\n€\n\n0\n\nGecorrigeerd inkomen uit werk\u002Fwoning\n\n€\n\n109.661\n\n€\n\n113.408\n\n€\n\n118.435\n\n(…)”\n\n2.14.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek de onder 1.1.1 tot en met 1.4 genoemde belastingaanslagen opgelegd en beschikkingen gegeven.\n\n2.15.1.. Op 22 november 2019 heeft belanghebbende ontheffing gevraagd van de verzekeringsplicht ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AK). Bij besluit van 25 februari 2020 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met ingang van 22 november 2019 de ontheffing verleend.\n\n2.15.2.. Belanghebbende heeft bezwaar ingesteld, gericht tegen de ingangsdatum van de ontheffing. Tegen de ongegrondverklaring van dit bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Tegen de ongegrondverklaring van dit beroep heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarbij in geschil was of de SVB op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden. De CRvB heeft het hoger beroep ongegrond verklaard (CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1102).\n\n2.16.1.. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, BNB 2009\u002F113, heeft de Belastingdienst vele bezwaarschriften ontvangen van gepensioneerde medewerkers van internationale organisaties gericht tegen belastingaanslagen voor de jaren 2006 tot en met 2009. De inspecteur heeft de belastingplichtigen, die tijdig bezwaar hebben gemaakt, individuele voorstellen gedaan tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO). Dit is mede gedaan omdat het verstrekken van de feiten voor het opleggen van een belastingaanslag de betreffende belastingplichtigen in een lastige bewijspositie bracht.\n\n2.16.2.. Een VSO is aangeboden aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen van – onder meer – het EOB ontvangen, en die tijdig bezwaar hebben gemaakt. Aan degenen die een invaliditeitspensioen van het EOB genieten, is geen VSO aangeboden. De Belastingdienst heeft besloten ook een VSO aan te bieden indien een bezwaarschrift is ingediend gericht tegen een definitieve aanslag voor een belastingjaar na 2009, omdat er met betrekking tot de complexe materie en de lastige bewijslast voor de gepensioneerden niets is gewijzigd.\n\n2.16.3.. Voor een ontvanger van ouderdoms- of nabestaandenpensioen van het EOB heeft de VSO het volgende tot gevolg:\n\n2\u002F3e deel van het pensioen, exclusief de ontvangen allowances en de tax adjustment, wordt tot het inkomen uit werk en woning gerekend;\n\nde ontvangen allowances en de tax adjustment worden geheel tot het inkomen uit werk en woning gerekend;\n\n1\u002F3e deel van het pensioen wordt na kapitalisatie tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen gerekend.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“i. de navorderingsaanslag 2017\n\n13. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor de navorderingsaanslag 2017 geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, omdat ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag 2017 het boekenonderzoek reeds was begonnen en afgerond. Volgens verweerder is wel sprake van een nieuw feiten is subsidiair sprake van een kenbare fout.\n\n14. Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Verweerder heeft niet gesteld dat sprake was van kwade trouw. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, wat de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.[1]\n\n15. Verweerder heeft verklaard, en uit de gedingstukken blijkt, dat een medewerker op 23 mei 2019 een behandelvoornemen heeft opgenomen in het systeem. Uit dit behandelvoornemen blijkt dat deze medewerker de intentie had om de automatische afdoening van de aangifte IB\u002FPVV 2017 te blokkeren. Echter, omdat reeds op 21 december 2018 risico’s in de aangifte door het systeem van de Belastingdienst waren vastgesteld, leidde het opnemen van het behandelvoornemen niet meer tot een uitworp van de aangifte. De medewerker heeft hier onvoldoende acht op geslagen. Verweerder heeft voorts verklaard dat indien die medewerker de post op zijn naam zou hebben gezet, de vaststelling van de definitieve aanslag wel tegen zou kunnen worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een fout. Er is geen sprake van een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van) de belastingplicht.[2] Gelet hierop en gelet op het feit dat de bij de aanslag te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt, was verweerder bevoegd een navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 op te leggen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuw feit.\n\nii. bron van inkomen, ondernemerschap en kostenaftrek\n\n16. Eiser stelt zich op het standpunt dat de activiteiten die ontplooit een bron van inkomen vormen en dat hij kwalificeert als ondernemer. Verweerder betwist dat sprake is van een bron van inkomen en stelt zich subsidiair op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming en meer subsidiair dat eiser niet voldoet aan het urencriterium.\n\n17. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordelen te behalen en het behalen van voordelen in redelijkheid kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.[3]\n\n18. Omdat eiser een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door eiser beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht.[4]\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in 2015, 2016, 2017 of 2018 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel uit de activiteiten waardoor geen sprake is van een bron van inkomen. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waaraan hij, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van de structureel negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Uit de stellingen dat hij bezig is geweest om een fundament te creëren voor een bedrijf in de artistieke sector, dat (het aanleren van de vaardigheden voor) keramiek, tekenen en schilderen veel tijd kost, dat net als in de biotechniek sector sprake is van jarenlang geen verkoop en winst, maar van investering in onderzoek en kennisvergaring met als gevolg uitgaven en verliesjaren, kan slechts geconcludeerd worden dat sprake is geweest van investeringen. Echter, daarmee heeft eiser niet voldoende geconcretiseerd met nadere gegevens of bewijsstukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een positief resultaat kon worden verwacht. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen bedrijfsplan of een marktanalyse overlegd, waaruit blijkt dat van te voren de omzetpositie is onderzocht. Hetzelfde geldt voor het voornemen om les te geven in keramiek en kunst in Nederland en [buitenland] . Ook hiervan is geen marktanalyse of onderzoek overgelegd. Met de stellingen dat eisers (voorbereidend) werk door persoonlijke omstandigheden is vertraagd en dat het BTW-nummer van eiser is ingetrokken maakt eiser evenmin aannemelijk dat positieve resultaten kunnen worden verwacht. Met betrekking tot [eenmanszaak 1] heeft eiser ook onvoldoende feitelijke onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat sprake is van een bron van inkomen.\n\n20. Nu geen sprake is van een bron van inkomen, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake is van winst uit onderneming of ondernemerschap in de zin van de wet IB 2001 en of eiser recht heeft op een (aanvullende) kostenaftrek. Dit betekent dat verweerder de resultaten in uit de activiteiten terecht niet in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning.\n\niii. bankkosten\n\n21. Voor het jaar 2018 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 588 als kosten in aftrek moet komen. Eiser heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de beleggingsactiviteiten waarop deze bankkosten betrekking hebben, kwalificeren als bron van inkomen. Dit betekent dat deze kosten niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning. Deze kosten zijn ook niet aftrekbaar bij de bepaling van het belastbare resultaat uit sparen en beleggen.\n\niv. belastingheffing EOB-inkomen\n\n22. De rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het RPHR in de belastingheffing heeft betrokken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n23. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van het Protocol bepaalt dat personeelsleden zijn onderworpen aan een interne belastingheffing van de EOO over betaalde salarissen en emolumenten. Ingevolge de tweede volzin van het eerste lid zijn deze salarissen en emolumenten vrijgesteld van nationale inkomstenbelasting vanaf de datum dat de interne belasting wordt toegepast. Artikel 16, tweede lid, van het Protocol bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op pensioenen en lijfrenten die de EOV betaalt aan voormalige personeelsleden van het EOB. Artikel 17 van het Protocol houdt in dat de Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden de bepalingen van (onder meer) artikel 16 van toepassing zijn.\n\n24. Volgens artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet 1B 2001 worden uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting, tot het loon gerekend.\n\n25. Het RPHR valt naar het oordeel van de rechtbank onder artikel 16, tweede lid, van het Protocol. Dit volgt uit het feit dat de Raad van Bestuur van de EOB de kwalificatie van de uitkering in het in r.o. 2 genoemde besluit heeft gewijzigd naar een RPHR. Dit betekent dat deze inkomsten niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 16, eerste lid, van het Protocol. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het inherent aan de bewoording ‘retirement pension’, die is gebruikt door de Raad van Bestuur in het in r.o. 2 genoemde besluit, is dat een persoon niet langer als personeelslid, maar als voormalig personeelslid zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het Protocol wordt aangemerkt.\n\n26. Dat eiser tegen de beslissing van de EOB om vanaf 1 januari 2016 de voor eiser geldende pensioenregeling te veranderen van ‘permanent employee’ naar een ontvanger van RPHR in beroep is gegaan bij het Administrative Tribunal of the International Labour Organization (ATILO) maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaken met betrekking tot de jaren 2016, 2017 en 2018 aan te houden totdat op dat beroep is beslist. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser heeft verklaard dat die procedure nog jaren zou kunnen duren en dat verweerder heeft toegezegd dat hij de aanslagen ambtshalve zal verminderen indien de uitspraak van ATILO tot gevolg heeft dat op basis van de voor de onderhavige jaren geldende wets-en verdragstoepassing de onderhavige aanslagen verminderd zouden moeten worden. Door de zaken niet aan te houden is, anders dan eiser stelt, geen sprake van discriminatie van eiser. Aan de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin is verklaard dat eiser tot en met 1 januari 2016 medewerker bij het EOB was, kan eiser niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat zijn ontvangen RPHR in het gehele jaar 2016 niet in de Nederlandse belastingheffing kan worden betrokken.\n\n27. Verweerder heeft met - onder andere - gepensioneerden van het EOB vaststellingsovereenkomsten (VSO’s) gesloten. Reden hiervoor was dat inwoners van Nederland die een ouderdoms-of nabestaandenpensioenuitkering ontvingen van een internationale organisatie (waaronder van het EOB) voor het vaststellen van hun belastbaar inkomen dienen te beschikken over gedetailleerde informatie over de opbouwfase van hun pensioen, die in de praktijk niet meer voorhanden bleek te zijn, noch bij de gepensioneerde, noch bij de Belastingdienst. Op grond van een dergelijke VSO kon, naar de rechtbank begrijpt, de gepensioneerde de betaalde pensioenpremie in mindering brengen bij de bepaling van de Nederlandse belastingheffing en werd dubbele belastingheffing voorkomen. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte een dergelijke VSO wordt onthouden.\n\n28. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die een ouderdoms-of nabestaandenpensioen van de EOB ontvingen en waarmee verweerder een VSO heeft gesloten. Reeds daarom is geen sprake is van discriminatie, zoals eiser stelt. Dat eiser alleen een VSO zou kunnen sluiten als hij in Nederland zou blijven wonen, maakt evenmin dat sprake is van discriminatie of een belemmering voor de vrijheid van beweging en keuze van woonplaats. De omstandigheid dat de VSO aan inwoners van Nederland wordt aangeboden is gelegen in het feit dat Nederland ter zake van inwoners van Nederland heffingsbevoegd is.\n\n29. Eiser beroept zich ook op het Besluit Inkomstenbelasting, Premie volksverzekeringen en Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Pensioenen Internationale Organisaties[5] (het Besluit) en stelt dat hij ook onder dat Besluit valt waardoor de uitgangspunten die zijn toegepast bij een VSO, ook op zijn situatie van toepassing zijn. Gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, ligt het op de weg van eiser om aan de hand van bewijsstukken feiten aannemelijk te maken op grond waarvan hij en beroep kan doen op toepassing van de uitgangspunten van het Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het RPHR gelijk dient te worden gesteld met een pensioen waarvoor verweerder de in het Besluit opgenomen uitgangspunten heeft geformuleerd en overweegt daartoe het volgende.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat het RPHR beter vergelijkbaar is met een arbeidsongeschiktheidsverzekering dan met een pensioen als bedoeld in het Besluit.[6] Een (voormalig) personeelslid ontvangt het RPHR immers alleen als een bepaald (arbeidsongeschiktheids)risico zich voordoet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een opbouw zoals bij een in het Besluit bedoeld pensioen. Hij heeft de stelling van verweerder, dat het verzekerings- en risicokarakter bij het RPHR prevaleert onvoldoende weersproken. Dat een pensioenfonds als verzekeraar optreedt bij het RPHR maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook met de stellingen dat eiser voor het RPHR premies uit zijn netto salaris heeft moeten betalen, dat die premies naar het EOB pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit dat pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en zowel over een ouderdomspensioen als over het RPHR in Nederland belasting dient te worden betaald, maakt het oordeel niet anders. Dat het RPHR nog niet bestond op het moment dat de Belastingdienst de VSO afsloot en slechts daarom niet expliciet in de VSO of in het Besluit zou zijn genoemd, blijkt niet uit de stukken en kan eiser dus ook niet baten. Dit betekent dat de uitgangspunten uit het Besluit niet van toepassing zijn op de situatie van eiser.\n\nv. premieplicht volksverzekeringen 2016, 2017 en 2018\n\n31. In het onderhavige geval heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) eiser met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 niet ontheven van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen. Deze beslissing van de SVB is onherroepelijk vast komen te staan na een oordeel hierover van de Centrale Raad van Beroep.[7] De rechtbank is niet bevoegd in de onderhavige procedure de juistheid van de uitkomst van deze eerder gevoerde bestuursrechtelijke procedure te beoordelen. In de onderhavige procedure moet derhalve als vaststaand feit aangenomen worden dat eiser ter zake van 2016 tot en met 2018 verzekeringsplichtig is voor de AOW en Anw.\n\nvi. Belastingrente\n\n32. Niet in geschil is dat de belastingrente op de aanslagen in overeenstemming met de AWR is berekend. Voor het verminderen van de belastingrente tot nihil ziet de rechtbank, gelet op wat eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding.\n\nConclusie\n\n33. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\n(…)\n\n[1] Artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.\n\n[2] Vergelijk ECLI:NL:HR:2014:1528.\n\n[3] Hoge Raad ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad ECLI:NL:HR:2012:BW8348.\n\n[4] vgl. gerechtshof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:794.\n\n[5] Besluit van 19 augustus 2022, nr. 2022-206968.\n\n[6] Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2017:571.\n\n[7] ECLI:NL:CRVB:2022:1102.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. \n\nIn hoger beroep is in geschil:\n\na. of de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag 2017 op te leggen;\n\nb. of de activiteiten in de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 een bron van inkomen vormden, en zo ja, of sprake is van winst uit onderneming, en zo ja, of de Inspecteur terecht de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten en de ondernemersaftrek heeft gecorrigeerd;\n\nc. of voor het jaar 2018 een bedrag van € 588 aan bankkosten in aanmerking kan worden genomen;\n\nd. of het RPHR in de jaren 2016, 2017 en 2018 terecht in de heffing is betrokken, en zo ja, of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op een VSO als bedoeld in 2.16.2, dan wel in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties(het Besluit);\n\ne. of belanghebbende voor de jaren 2016, 2017 en 2018 premieplichtig was voor de volksverzekeringen; en\n\nf. of de belastingrente naar de juiste bedragen is berekend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en primair tot vermindering van de belastingaanslagen conform de ingediende aangiften, en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen 2016 en 2017 en de aanslag 2018 op de voet van de in 2.16.2 genoemde VSO.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nVooraf\n\n5.1.. Belanghebbende klaagt erover dat in de uitspraak van de Rechtbank is vermeld dat hoger beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak. Volgens belanghebbende worden zijn rechten ondermijnd doordat niet uitgegaan wordt van de datum van ontvangst van de uitspraak. Wat hier ook van zij, heeft belanghebbende binnen de termijn van zes weken van artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoger beroep ingesteld. Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog.\n\nWas de Inspecteur bevoegd een navorderingsaanslag op te leggen (2017)?\n\n5.2.1.. Op grond van artikel 16, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw rust op de inspecteur.\n\n5.2.2.. Navordering kan mede plaatsvinden indien sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. Navordering op grond van deze bepaling is mogelijk indien ten gevolge van een fout ten onrechte een aanslag achterwege is gebleven, dan wel een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Tevens is vereist dat de fout voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in ieder geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. De bewijslast van de aanwezigheid van een kenbare fout rust op de inspecteur.\n\n5.2.3.. Belanghebbende betoogt dat voor het jaar 2017 geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, en voert daartoe aan dat ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 met dagtekening 25 februari 2020 (de aanslag 2017) het boekenonderzoek reeds was begonnen en afgerond. Belanghebbende wijst op een concept-rapport van 10 maart 2020 en stelt dat alle feiten en bezwaren eind 2019, dus ruim voor het opleggen van de aanslag 2017, al bij de Inspecteur bekend waren.\n\n5.2.4.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk beschikt over het benodigde nieuwe feit, omdat hij niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de ingediende aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 (de aangifte 2017), dan wel dat het niet onwaarschijnlijk was dat deze juist kon zijn. Subsidiair betoogt de Inspecteur dat sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, letter c, AWR, omdat de op de navorderingsaanslag 2017 te betalen belasting meer bedraagt dan 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.\n\n5.2.5.. Indien de inspecteur bij een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven zodanige twijfel heeft over de juistheid van een aangifte dat hij het nodig vindt een onderzoek in te stellen, dient hij als regel met het opleggen van een aanslag te wachten totdat hij de beschikking heeft over de resultaten van dat onderzoek. Legt de inspecteur in dat geval een aanslag op zonder te wachten totdat hij de beschikking heeft over de resultaten van het volledige onderzoek, dan begaat hij daarmee als regel een ambtelijk verzuim dat niet door middel van navordering kan worden hersteld. Dat is alleen anders indien er gegronde redenen zijn waarom het geboden is de aanslag al op te leggen voordat met de resultaten van dat onderzoek rekening kan worden gehouden (vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638, BNB 2022\u002F82).\n\n5.2.6.. De aangifte 2017 is ingediend op 22 juni 2018 en de aanslag 2017 is vervolgens conform de ingediende aangifte opgelegd op 25 februari 2020. Het boekenonderzoek is blijkens het rapport (voor)aangekondigd in mei 2019 en uitgevoerd vanaf oktober 2019. Het rapport is gedateerd 2 april 2020. De aanslag 2017 is derhalve lopende het boekenonderzoek opgelegd, dat wil zeggen nadat het boekenonderzoek is aangekondigd en nadat (een deel van) het onderzoek is verricht, maar voordat het rapport is afgerond. Uit het feit dat de Inspecteur een boekenonderzoek heeft ingesteld, evenals uit de vragenbrief van 19 november 2019 (zie 2.12), blijkt dat de Inspecteur zodanig twijfelde aan de juistheid van de aangiften van belanghebbende dat het nodig was een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van deze aangiften. De Inspecteur heeft de aanslag 2017 niettemin opgelegd conform de aangifte, zonder de uitkomsten van het boekenonderzoek af te wachten. De Inspecteur heeft evenmin gesteld dat sprake was van gegronde redenen om de aanslag 2017 reeds op te leggen. De Inspecteur had de uitkomsten van het onderzoek echter dienen af te wachten teneinde de resultaten daarvan bij het vaststellen van de aanslag 2017 in aanmerking te kunnen nemen. Hiermee heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan.\n\n5.2.7.. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR zoals de Inspecteur subsidiair stelt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het begrip ‘fout’ in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, neutraal en ruim bedoeld is (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 25). Onder ‘fout’ in de zin van deze bepaling moet worden verstaan: elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014\u002F203, en HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203, BNB 2018\u002F152).\n\n5.2.8.. Vast staat dat de aangifte 2017 automatisch is afgedaan en dat geen handmatige beoordeling heeft plaatsgevonden. De Inspecteur heeft hierover het volgende verklaard. De controlemedewerker heeft vrijwel direct na aanvang van het boekenonderzoek, namelijk op 23 mei 2019, een behandelvoornemen in het systeem opgenomen teneinde de automatische afdoening van de aangifte 2017 te blokkeren. Op 21 december 2018 waren door het systeem echter reeds de risico’s in de aangifte bepaald. Vanaf dat moment zou het opnemen van een behandelvoornemen geen zin meer hebben, aangezien dit niet meer zou leiden tot een uitworp. De betreffende medewerker die het behandelvoornemen in het systeem had gezet, heeft hier onvoldoende acht op geslagen, als gevolg waarvan de aanslag 2017 automatisch kon worden afgedaan conform de ingediende aangifte 2017, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft voorts verklaard dat indien die medewerker de post op zijn naam zou hebben gezet, de vaststelling van de definitieve aanslag wel had kunnen worden tegengehouden. Naar het oordeel van het Hof is onder deze omstandigheden sprake van een fout als gevolg van de geautomatiseerde verwerking van de aangifte 2017 die in beginsel voor navordering in aanmerking komt, mits voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste.\n\n5.2.9.. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat indien de geheven belasting ten minste 30% minder is dan de daadwerkelijke – uit de belastingwet voortvloeiende – belastingschuld, de onjuiste vaststelling van de aanslag in elk geval redelijkerwijs kenbaar is (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3. p 26). De 30%-regel objectiveert dus de kenbaarheid.\n\n5.2.10.. Het Hof stelt vast dat de te weinig geheven belasting in 2017 ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt (zie 5.5.11). Dit betekent dat van rechtswege het bewijsvermoeden geldt dat sprake is van een voor belanghebbende kenbare fout. Van kenbare onjuistheid is echter geen sprake in gevallen waarin de belastingplichtige in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden is vastgesteld. Voor zover een aanslag aldus tot een te laag bedrag is vastgesteld, mag de te weinig geheven belasting ook niet worden nagevorderd met toepassing van de 30%-regel van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014\u002F203). Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur eind 2019, dus ruim voor het regelen van de aanslag 2017, reeds over alle feiten beschikte. Het Hof verwerpt dit betoog. In de brief van 19 november 2019 (zie 2.12) heeft de Inspecteur belanghebbende onder meer geïnformeerd dat de in het lopende boekenonderzoek aangeleverde stukken vragen oproepen, die alleen met een nadere onderbouwing door middel van bewijsstukken beantwoord kunnen worden. Als bijlage bij de brief is een lijst van minimaal nog over te leggen stukken opgenomen. Ten aanzien van het invaliditeitspensioen van het EOB neemt de Inspecteur in de brief het standpunt in dat belanghebbende per 1 januari 2016 volledig belastingplichtig is in Nederland, zonder hierover nadere vragen te stellen. Gelet hierop kon belanghebbende in redelijkheid niet menen dat de aanslag 2017 op goede gronden is vastgesteld.\n\n5.2.11.. Gelet op het voorgaande geldt van rechtswege het bewijsvermoeden dat de fout kenbaar was voor belanghebbende. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag 2017 op te leggen.\n\nVormden de activiteiten een bron van inkomen (2015 tot en met 2018)?\n\n5.3.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de activiteiten in de onderhavige jaren een bron van inkomen vormen en dat hij kwalificeert als ondernemer. De Inspecteur betwist dat sprake is van een bron van inkomen. Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en meer subsidiair dat belanghebbende geen recht heeft op de ondernemersfaciliteiten omdat hij niet voldoet aan het urencriterium.\n\n5.3.2.. Belanghebbende kan de verliezen alleen in aanmerking nemen indien deze voortvloeien uit een bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald (vgl. HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770, BNB 1993\u002F203 en HR 1 februari 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD8763, BNB 2002\u002F128). Tussen partijen is in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en of belanghebbende met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer. Niet in geschil is dat belanghebbende met de activiteiten beoogde voordeel te behalen.\n\n5.3.3.. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van de feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011\u002F246, en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, BNB 2019\u002F39).\n\n5.3.4.. Omdat belanghebbende in de onderhavige jaren negatieve resultaten uit een bron van inkomen in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door belanghebbende beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht.\n\n5.3.5.. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De Rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015, 2016, 2017 of 2018 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan hij in de onderhavige jaren, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van een reeks negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Vast staat dat belanghebbende vanaf de start van de activiteiten nooit positieve resultaten heeft behaald. In de jaren 2007 tot en met 2018 heeft belanghebbende met de activiteiten geen enkele omzet behaald, maar slechts kosten gemaakt. In de jaren 2019 tot en met 2021 heeft belanghebbende met de activiteiten weliswaar omzet behaald, maar hebben de kosten de omzet steeds in aanzienlijke mate overtroffen. Belanghebbende heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat – beoordeeld naar de situatie in de onderhavige jaren en mede in het licht van feiten en omstandigheden uit latere jaren – voor de onderhavige jaren met de werkzaamheden een positieve opbrengst was te verwachten.\n\n5.3.6.. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat hij wel degelijk een bedrijfsplan heeft opgesteld en een marktanalyse heeft gedaan, en dat hij bijvoorbeeld een ontwerpstudie voor de school aan de Inspecteur heeft verstrekt. Deze stukken zijn echter niet overgelegd, en belanghebbende heeft zijn stellingen verder niet geconcretiseerd met nadere gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in de onderhavige jaren een positief resultaat kon worden verwacht. Dat geldt eveneens voor de door belanghebbende aangevoerde persoonlijke omstandigheden (ziekte) en het feit dat belanghebbendes BTW-nummer is ingetrokken, waaruit belanghebbende met betrekking tot [eenmanszaak 2] concludeert dat hij geen cursussen kon geven en niet kon inkopen tegen condities gelijk aan andere keramiekbedrijven. De aankoop van het schoolgebouw in [buitenland] in 2019 is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat in de onderhavige jaren een positief resultaat kon worden verwacht. Het feit dat de Inspecteur (in de uitspraken op bezwaar) voor de jaren 2015 tot en met 2018 de aftrek van studiekosten heeft geaccepteerd, maakt dit niet anders.\n\n5.3.7.. Het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbendes positieve verwachting ten aanzien van het te behalen voordeel objectief bezien niet gerechtvaardigd was. Dat oordeel brengt reeds mee dat de activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Of belanghebbende met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer kan daarom in het midden blijven. De verliezen uit die activiteiten kunnen niet in mindering worden gebracht op het inkomen uit werk en woning.\n\nKunnen bankkosten in aanmerking worden genomen (2018)?\n\n5.4.. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de bankkosten van € 588 niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning van 2018. De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat een ander of nieuw licht op de zaak werpt.\n\nIs het RPHR terecht in de heffing betrokken (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.5.1.. Belanghebbende betoogt primair, zo begrijp het Hof, dat het RPHR ten onrechte in de heffing is betrokken omdat hij voor deze inkomsten niet in Nederland belastingplichtig is. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zie 2.7) en naar het door hem bij het ATILO ingestelde beroep (zie 2.8).\n\n5.5.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het RPHR in de jaren 2016 tot en met 2018 terecht in de heffing is betrokken, omdat het gaat om een invaliditeitspensioen dat niet onder een vrijstelling valt.\n\n5.5.3.. Artikel 3.82 Wet IB 2001 (tekst geldend in de onderhavige jaren) luidt, voor zover van belang:\n\n“Tot loon wordt gerekend:\n\n(…)\n\nc. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.”\n\n5.5.4.. De EOO is opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien(EOV). Artikel 8 EOV luidt als volgt:\n\n“Voorrechten en immuniteiten\n\nIn het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie [de EOO; Hof], de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het [EOB] en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”\n\n5.5.5.. Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie(het Protocol) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Artikel 16\n\n1. Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie [de EOO; Hof] op de door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.\n\n2. Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het [EOB].\n\nArtikel 17\n\nDe Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in (…) artikel 16 van toepassing is (…). De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.”\n\n5.5.6.. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het RPHR onder artikel 16, lid 2, van het Protocol valt. Uit de gedingstukken blijkt dat degenen die een invaliditeitspensioen ontvingen van het EOB tot en met 31 december 2015 werden aangemerkt als ‘permanent employee’ met een ‘non-active status’. Zij ontvingen, na staking van hun activiteiten, een ‘invalidity allowance’. Als gevolg van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (zie 2.6) is de status van de ontvanger van een invaliditeitspensioen van het EOB met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd van ‘permanent employee’ naar een ontvanger van een RPHR. Uit de bij het besluit gewijzigde Service Regulations blijkt dat een ontvanger van een RPHR wordt aangemerkt als ‘retired’. Het RPHR wordt in het besluit bovendien gekwalificeerd als ‘retirement pension’. Aan deze bewoordingen is inherent dat de ontvanger van een RPHR wordt aangemerkt als voormalig personeelslid zoals bedoeld in artikel 16, lid 2, van het Protocol. Gelet hierop moet het RPHR worden aangemerkt als een pensioen in de zin van artikel 16, lid 2, van het Protocol.\n\n5.5.7.. Op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 zijn de uitkeringen uit het RPHR derhalve belast, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet gesteld dat over de aanspraak in de onderhavige jaren een zodanige heffing heeft plaatsgevonden.\n\n5.5.8.. Belanghebbende beroept zich op de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (uittreksel uit de Protocollaire Basisadministratie) waarin staat dat hij van 1 april 1990 tot en met 1 januari 2016 medewerker van het EOB was (zie 2.7). Uit het feit dat hierin 1 januari 2016 staat genoemd, volgt volgens belanghebbende dat hij voor wat betreft het RPHR het gehele jaar 2016 niet belastingplichtig was. Het Hof verwerpt dit betoog. De status van belanghebbende is op grond van de gewijzigde Service Regulations met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd in ontvanger van een RPHR. Dergelijke medewerkers worden aangemerkt als ‘retired’. Belanghebbende kwalificeerde derhalve gedurende de jaren 2016 tot en met 2018 als voormalig personeelslid van het EOB in de zin van artikel 16, lid 2, van het Protocol. Hij heeft gedurende deze periode geen taken vervuld voor het EOB in de zin van artikel 8 EOV. De aan de functionarissen van het EOB te verlenen status die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functies en de daaruit volgende vrijstelling voor het salaris aan hen betaald in die hoedanigheid, geldt niet voor het RPHR genoten door een oud-medewerker die zijn functie niet meer vervult. Het feit dat in het uittreksel uit de Protocollaire Basisadministratie de datum 1 januari 2016 staat genoemd, brengt niet mee dat het RPHR voor het gehele jaar onder de vrijstelling van artikel 16, lid 1, van het Protocol zou vallen. Het oordeel in 5.5.6 geldt derhalve voor het gehele jaar 2016.\n\n5.5.9.. Voor zover belanghebbende met zijn stellingen beoogt een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen, valt niet in te zien dat hij aan de betreffende verklaring vertrouwen heeft kunnen ontlenen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020\u002F120, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, BNB 2021\u002F95). De verwijzing naar de betreffende verklaring is hiervoor, gelet op de inhoud daarvan, ontoereikend. Belanghebbende kan voor het jaar 2016 dus geen vertrouwen ontlenen aan de verklaring.\n\n5.5.10.. Belanghebbende betoogt voorts dat de procedure die hij voert bij het ATILO (zie 2.8) van belang is voor zijn belastingpositie. Indien hij zou winnen, zou het RPHR voor de jaren 2016 tot en met 2018 buiten de heffing blijven, aldus belanghebbende. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de zaken met betrekking tot deze jaren ten onrechte niet aangehouden in afwachting van een uitspraak in de procedure bij het ATILO, en is hij hierdoor gediscrimineerd. Het Hof verwerpt dit betoog en sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank hieromtrent. Geen rechtsregel verplicht ertoe de zaken met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 aan te houden in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het ATILO. Evenals de Rechtbank ziet het Hof geen aanleiding om deze aan te houden totdat op dat beroep is beslist. Hierbij verdient het volgende opmerking. Het ATILO is competent ter zake van specifieke arbeidsrechtelijke geschillen, en is geen (internationale) belastingrechter. Hoewel aan belanghebbende toegegeven kan worden dat de uitkomst van die procedure mogelijkerwijs zou kunnen leiden tot een terugdraaiing van de interne statuswijziging van belanghebbende, heeft deze procedure slechts op indirecte wijze gevolgen voor de belastingpositie van belanghebbende. Bovendien is er op dit moment geen zicht op een uitspraak van het ATILO; belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de procedure nog jaren zou kunnen duren. De Inspecteur heeft verder (in hoger beroep nogmaals) toegezegd dat hij de belastingaanslagen ambtshalve zal verminderen, ook buiten de vijfjaarstermijn, indien de uitspraak van het ATILO hiertoe aanleiding geeft. Niet in te zien valt hoe, door de zaken niet aan te houden, belanghebbende zou worden gediscrimineerd. Het voorgaande brengt tevens mee dat belanghebbendes klacht dat de Rechtbank de zaken ten onrechte niet heeft aangehouden in afwachting van de arbeidsrechtelijke procedure die belanghebbende voert bij het ATILO, geen doel treft.\n\n5.5.11.. Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur terecht het RPHR op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 als belastbaar inkomen uit werk en woning aangemerkt.\n\nIs het gelijkheidsbeginsel geschonden door geen VSO te sluiten dan wel het Besluit niet toe te passen (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.5.12.. Subsidiair betoogt belanghebbende dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel in aanmerking komt voor een VSO zoals de Inspecteur aanbiedt aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen van het EOB ontvangen, en dat het RPHR aldus in de heffing zou moeten worden betrokken (zie 2.16). Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het RPHR beter vergelijkbaar is met een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan met een ouderdomspensioen. Hiertoe verwijst belanghebbende naar diverse bepalingen uit de Pension Regulations van het EOB. Belanghebbende stelt dat het RPHR uit een pensioenfonds komt, dat hij net als alle andere EOB-werknemers de pensioenpremies uit het netto salaris moest betalen, dat de betaalde premies naar het EOB-pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit het EOB-pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en dat zowel over het RPHR als een regulier ouderdomspensioen in Nederland belasting dient te worden betaald.\n\n5.5.13.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een VSO, aangezien belanghebbende zich feitelijk noch rechtens in een gelijke situatie bevindt als personen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen van het EOB. De Inspecteur voert hiertoe aan dat ten aanzien van het RPHR sprake is van een invaliditeitspensioen, dat een verzekerings- of risicokarakter heeft. Volgens de Inspecteur is de bedoeling van de regeling doorslaggevend, waarbij een invaliditeitspensioen een uitkering kent die afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Een dergelijke toezegging heeft daarmee in algemene termen het karakter van een verzekering, in tegenstelling tot een oudedagspensioen, aldus de Inspecteur.\n\n5.5.14.. Wil een beroep op het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur kunnen slagen, dan dient de belanghebbende te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen en deze ongelijke behandeling het gevolg is van:\n\neen begunstigend beleid dat niet van toepassing is op belanghebbende,\n\neen oogmerk tot begunstiging van andere gevallen dan dat van belanghebbende, of\n\neen begunstigende behandeling in de meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).\n\nBelanghebbende stelt dat sprake is van begunstigend beleid.\n\n5.5.15.. De VSO betreft een compromisvoorstel dat naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009 is aangeboden aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen. De VSO houdt in dat de uitkeringen deels in box 1 en deels in box 3 worden belast en dat de ontvangen allowances en de tax adjustment in box 1 worden belast (zie 2.16.3). Volgens belanghebbende verschilt het RPHR dat hij ontvangt niet in enig relevant opzicht van het ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Dit zou tot gevolg hebben dat het RPHR deels in box 1 en deels in box 3 wordt belast.\n\n5.5.16.. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. Het RPHR heeft namelijk naar zijn aard een verzekerings- of risicokarakter. Anders dan bij het ouderdoms- en nabestaandenpensioen is bij het RPHR geen sprake geweest van een opbouw van aanspraken op een pensioen, maar ontstaat de aanspraak erop pas door (onder meer) het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Uit de arbeidsvoorwaarden van het EOB (de Service Regulations en Pension Scheme Regulations) volgt immers dat een RPHR wordt uitgekeerd aan werknemers ouder dan 55 jaar die gedurende 10 jaar volledig van hun taken zijn ontheven wegens arbeidsongeschiktheid, overigens met inachtneming van de (op belanghebbende toepasselijke) overgangsregeling opgenomen in artikel 72 van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (zie 2.6). De door belanghebbende aangevoerde kenmerken – namelijk dat bij het RPHR een pensioenfonds optreedt als verzekeraar, dat belanghebbende de pensioenpremies uit het netto salaris moest betalen, dat de betaalde premies naar het EOB-pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit het EOB-pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en dat zowel over het RPHR als een ouderdomspensioen (zonder gezondheidsredenen) in Nederland belasting dient te worden betaald – maken niet dat het RPHR naar zijn aard vergelijkbaar is met het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende aangehaalde (pensioen)voorwaarden, waaronder de eis van een minimale aanstellingsperiode van 10 jaar. Hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, namelijk dat de hoogte van het RPHR afhankelijk is van senioriteit, dat het RPHR nog niet bestond toen de VSO werd opgezet, en dat medewerkers van het EOB vanaf een leeftijd van 50 jaar dan wel 60 jaar met pensioen kunnen en in dat geval wel recht hebben op een VSO, doet evenmin af aan dit oordeel. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die een ouderdoms-of nabestaandenpensioen van de EOB ontvingen en waarmee verweerder een VSO heeft gesloten. Reeds hierom is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld.\n\n5.5.17.. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit omdat de uitgangspunten van het Besluit niet van toepassing zijn op invaliditeitspensioenen.\n\n5.5.18.. Het Besluit, dat in werking is getreden met ingang van 24 augustus 2022, bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van internationale organisaties. Het Besluit codificeert de uitgangspunten die aan de VSO ten grondslag liggen.\n\n5.5.19.. Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog onder verwijzing naar het in 5.5.16 gegeven oordeel. Afgezien hiervan is in onderdeel 4.3.5 van het Besluit opgemerkt dat de uitgangspunten van het Besluit niet gelden voor invaliditeitspensioenen. Bij dergelijke pensioenen is het volgens het Besluit onverkort aan de gerechtigde om de eventuele feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op basis waarvan de uitkeringen (deels) niet tot het inkomen uit werk en woning behoren. Nu het RPHR, gelet op het oordeel in 5.5.16, kwalificeert als invaliditeitspensioen en belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat de inkomsten niet behoren tot het inkomen uit werk en woning, moet ook het beroep op het Besluit worden verworpen.\n\n5.5.20.. Hieraan doet geen afbreuk dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV 2019 in eerste instantie het Besluit heeft toegepast op belanghebbende. De Inspecteur heeft hierover verklaard dat het Besluit voor dit jaar per abuis is toegepast, en heeft erop gewezen dat belanghebbende bij brief van 31 januari 2024 erop is gewezen dat de toepassing van het Besluit bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergissing was. De Inspecteur heeft inmiddels overigens berust in de – onjuiste – toepassing van het Besluit voor het jaar 2019, maar zal het Besluit voor het jaar 2020 niet toepassen.\n\n5.5.21.. Er is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De vraag of sprake is geweest van beleid kan daarom in het midden blijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.\n\nWas belanghebbende premieplichtig voor de volksverzekeringen (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.6.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij premieplichtig is in Nederland. Volgens belanghebbende heeft hij niet op tijd om een ontheffing kunnen vragen, en is hij geen premies volksverzekeringen verschuldigd, omdat de SVB dan wel de Nederlandse Staat heeft verzwegen dat hij een ontheffing kon aanvragen. Belanghebbende meent dat het betalen van premies volksverzekeringen als gevolg hiervan disproportioneel is.\n\n5.6.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende premieplichtig is voor de AOW en Anw, nu de SVB belanghebbende voor de betreffende jaren niet heeft ontheven van de verzekeringsplicht en de belastingrechter niet bevoegd is om de juistheid van de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure hieromtrent te beoordelen.\n\n5.6.3.. In artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is geregeld dat de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Op grond van artikel 6, lid 1, letter a, AOW respectievelijk artikel 13, lid 1, letter a, Anw is een ingezetene verplicht verzekerd voor de AOW respectievelijk Anw. Uit artikel 2 AOW respectievelijk 6 Anw volgt dat degene die in Nederland woont, voor toepassing van deze wetten, als ingezetene wordt aangemerkt.\n\n5.6.4.. Nu belanghebbende in de onderhavige jaren inwoner van Nederland was, is belanghebbende daarmee, behoudens de hierna omschreven ontheffingsmogelijkheid door de SVB, verplicht verzekerd voor de AOW en Anw en daarmee ook premieplichtig voor deze volksverzekeringen.\n\n5.6.5.. De SVB kan een ingezetene ontheffen van de verzekeringsplicht indien aan de in artikel 22, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB) opgenomen voorwaarden wordt voldaan. Regels omtrent het moment waarop de ontheffing van de verzekeringsplicht dient in te gaan, zijn opgenomen in artikel 22, lid 2 en lid 3, BUB. Deze ontheffingsbevoegdheid is voorbehouden aan de SVB. Het vaststellen van de verzekeringsplicht behoort immers tot de exclusieve bevoegdheid van de SVB.\n\n5.6.6.. In het onderhavige geval heeft de SVB belanghebbende met ingang van 22 november 2019 een ontheffing van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen (AOW en Anw) verleend (zie 2.15.1). Met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 is belanghebbende niet ontheven van de verzekeringsplicht voor de AOW en Anw. De CRvB heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep, waarbij in geschil was of de SVB op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden, ongegrond verklaard (zie 2.15.2). Zowel de Rechtbank als de CRvB hebben geoordeeld dat in dit geval de toepassing van artikel 22, lid 2 en lid 3, BUB niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De beslissing van de SVB is daarmee onherroepelijk vast komen te staan.\n\n5.6.7.. De Inspecteur en de belastingrechter zijn gebonden aan het besluit van de SVB en het oordeel hierover van de sociale zekerheidsrechter. In de onderhavige procedure moet derhalve als vaststaand feit aangenomen worden dat belanghebbende ter zake van de jaren 2016 tot en met 2018 verzekeringsplichtig is voor de AOW en Anw.\n\n5.6.8.. Gelet op het onder 5.6.3 omschreven verband tussen verzekerings- en premieplicht is belanghebbende daarmee ook premieplichtig voor deze volksverzekeringen. Niet in te zien valt hoe de Inspecteur bij het dienovereenkomstig opleggen van de belastingaanslagen in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van afdeling 3.2 Awb (zorgvuldigheid en belangenafweging).\n\nIs de belastingrente juist berekend (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.7.1.. Belanghebbende acht het onterecht dat de belastingrente niet wordt berekend vanaf de datum van dagtekening van de belastingaanslagen. De Inspecteur is daarentegen van mening dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend.\n\n5.7.2.. Partijen verschillen niet van mening dat de belastingrente bij de belastingaanslagen is berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 30fc AWR. Onder omstandigheden kunnen de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126, BNB 2018\u002F51). Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die in dit geval een vermindering van de belastingrente rechtvaardigen.\n\nSlotsom\n\n5.8.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 4 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Besluit van 19 augustus 2022, nr. 2022-20696, Stcrt. 2022, 21897.\n\n Trb. 1975, 108.\n\n Trb. 1976, 101.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1036","2024-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.085Z",20]