[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-insurance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":61},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},70,"insurance-law-nl","Insurance Law","NL","2026-07-08T16:54:31.274Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-03-31T00:00:00.000Z","2026-04-21T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124158","Burgerlijk Wetboek","art. 95 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124159","art. 6:119 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124160","art. 3:84",[33,44,53],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"936","ECLI:NL:GHDHA:2026:565","ecli-nl-ghdha-2026-565","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.362.158\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F691230 \u002F KG ZA 25-886\n\nArrest van 21 april 2026 in kort geding\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\n2. [appellant 2],\n\nwonend in [woonplaats] ,3. [appellant 3] ,\n\nwonend te [woonplaats] ,4. [appellant 4] ,\n\nwonend te [woonplaats] ,5. Constans Letselschade B.V.\n\nGevestigd te Eext ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\nNationale Nederland Schadeverzekering Maatschappij B.V.,\n\ngevestigd in Den Haag,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. A.N.L. de Hoogh, kantoorhoudend in 's-Gravenhage.\n\nHet hof noemt appellanten sub 1 tot en met 4 hierna afzonderlijk respectievelijk ‘ [appellant 1] ’, ‘ [appellant 2] ’, ‘ [appellant 3] ’ en ‘ [appellant 4] ’. Gezamenlijk worden zij hierna ‘de benadeelden’ genoemd. Appellant sub 5 wordt hierna aangeduid als ‘ Constans ’. Appellanten gezamenlijk duidt het hof aan als Constans c.s.\n\nGeïntimeerde wordt hierna ‘NN’ genoemd.\n\n1. De zaak in het kort1.1. De benadeelden zijn letselschadeslachtoffers. NN is de verzekeraar van de partijen die voor die letselschades aansprakelijk zijn. De benadeelden lieten aanvankelijk hun belangen behartigen door Columbus Groningen. NN heeft de samenwerking met Columbus Groningen verbroken vanwege door NN gestelde frauduleuze praktijken bij Columbus Groningen. Vervolgens zijn de benadeelden overgestapt naar Constans . Volgens NN is Constans dezelfde partij als Columbus Groningen. Om die reden weigert zij ook samenwerking met Constans .1.2. Constans en de benadeelden vorderen in dit geding dat NN Constans als belangenbehartiger accepteert.1.3. Het hof is van oordeel dat NN ten onrechte weigert om Constans als belangenbehartiger te accepteren. Constans is niet dezelfde partij als Columbus Groningen en de verwijten aan het adres van Constans op grond waarvan NN samenwerking weigert zijn niet terecht.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 1 december 2025, met grieven en producties, waarmee Constans c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2025;\n\nde memorie van antwoord van NN, met producties;\n\nde bijlagen 23 tot en met 31 die Constans c.s. ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrondIntroductie partijen in deze procedure3.1. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. NN is de verzekeraar van de partijen die voor de letselschade aansprakelijk zijn. NN heeft de aansprakelijkheid in deze letselschadezaken erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart.3.2. \n [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] worden in het kader van hun minnelijke schaderegelingstraject bijgestaan door een belangenbehartiger, de heer [belangenbehartiger 1] (hierna: [belangenbehartiger 1] ). [appellant 4] wordt bijgestaan door de heer [belangenbehartiger 2] (hierna: [belangenbehartiger 2] ).3.3. \n [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] werken op dit moment bij Constans . Verder werken daar [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ).3.4. \n\nConstans is een op 24 januari 2025 opgericht letselschadebureau dat zich bezighoudt met het begeleiden, adviseren en behartigen van de belangen van slachtoffers van letselschade. Enig aandeelhouder en bestuurder van Constans op het moment van oprichting was Magna Lignum Holding B.V. (hierna: Magna Lignum ). [naam 3] (hierna: [naam 3] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van Magna Lignum . Met ingang van 1 februari 2025 is [belangenbehartiger 1] bestuurder van Constans .\n\nColumbus Groningen3.5. \n [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] waren voorheen als schaderegelaars werkzaam bij letselschadebureau Columbus Letselschade Groningen B.V. (hierna: Columbus Groningen). Columbus Groningen is op 1 maart 2025 ontbonden.3.6. Enig aandeelhouder van het in 2011 opgerichte Columbus Groningen was Columbus Beheer B.V. (hierna: Columbus Beheer). Tot 17 september 2024 was Columbus Holding B.V. (hierna: Columbus Holding) enig aandeelhouder en bestuurder bij Columbus Beheer. Enig aandeelhouder van Columbus Holding is Stichting Administratiekantoor Cipressa (hierna: Cipressa). [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is zowel bestuurder van Columbus Holding als van Cipressa. [naam 4] werkte ook als schaderegelaar bij Columbus Groningen.3.7. Magna Lignum was vanaf 17 september 2024 enig aandeelhouder van Columbus Beheer. [naam 3] was sinds die datum bestuurder van Columbus Beheer en daarmee tevens indirect bestuurder van Columbus Groningen.3.8. \n\nColumbus Groningen behartigde de belangen van haar cliënten bij diverse aansprakelijkheidsverzekeraars, waaronder Allianz Benelux N.V. (hierna: Allianz), Unigarant N.V. (hierna: Unigarant), Achmea Schadeverzekering N.V. (hierna: Achmea), ASR Nederland (hierna: ASR) en NN.\n\nMaatregelen tegen Columbus Groningen en [naam 4]3.9. Op 17 november 2023 heeft Allianz Columbus Groningen en [naam 4] met ingang van 17 augustus 2023 voor de duur van drie jaar geregistreerd in haar Interne Verwijzingsregister (IVR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR). Allianz is daartoe overgegaan nadat haar uit een door een van haar klanten verstrekte geluidsopname was gebleken dat Columbus Groningen zich schuldig maakte aan het aanpassen van medische informatie met als doel het verkrijgen van onterechte schadevergoeding. Bij vonnis van 6 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam de vordering van Columbus Groningen en [naam 4] om de EVR-registraties ongedaan te maken dan wel de duur daarvan te beperken, afgewezen. [naam 4] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 16 september 2025 heeft het hof Den Haag het vonnis van 6 januari 2025 bekrachtigd.3.10. Unigarant heeft Columbus Groningen op 12 december 2023 bericht dat zij haar niet langer als belangenbehartiger in letselschadedossiers aanvaardt. Op 28 december 2023 heeft Unigarant bericht dat zij Columbus Groningen en [naam 4] voor de duur van acht jaar in het Incidentenregister en het EVR zal registreren. Die registraties hebben omstreeks 24 januari 2024 plaatsgevonden. Bij arrest in kort geding van 15 oktober 2024 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden Unigarant veroordeeld om de registraties in het EVR ongedaan te maken. De vordering die ertoe strekte om Unigarant te veroordelen om de behandeling van letselschadezaken met Columbus Groningen en [naam 4] te hervatten, is afgewezen, omdat Unigarant naar het oordeel van het hof goede redenen had om haar samenwerking met hen te beëindigen.3.11. NN heeft Columbus Groningen en [naam 4] met ingang van 5 juli 2024 voor de duur van vier jaar geregistreerd in het EVR. Eveneens op die datum heeft NN Columbus Groningen bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet zal samenwerken met Columbus Groningen, eventuele rechtsopvolgers van Columbus Groningen en andere rechtspersonen waaraan [naam 4] is gelieerd. In haar brief van 5 juli 2024, waarin zij haar beslissing heeft medegedeeld, onderbouwt NN deze maatregelen door erop te wijzen dat a) is gebleken dat Columbus Groningen schadestaten niet van een volledige onderbouwing voorziet, b) Columbus Groningen zich niet toetsbaar en transparant opstelt, c) Columbus Groningen niet beschikt over het Nationaal Keurmerk Letselschade (NKL) en d) Columbus Groningen een excessief hoog uurtarief hanteert. Columbus Groningen en [naam 4] zijn naar aanleiding van deze EVR-registraties een kort geding tegen NN gestart. Dit kort geding hebben zij kort voor de zitting ingetrokken. [naam 4] heeft naar aanleiding van zijn registratie in EVR een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).3.12. NN heeft de benadeelden die door Constans werden bijgestaan bij brief van 24 juli 2024 bericht dat zij de samenwerking met Constans heeft beëindigd. In die brief heeft NN deze benadeelden geadviseerd een andere belangenbehartiger in te schakelen. Daarbij heeft NN erop gewezen dat deze benadeelden hun schade ook zelf met NN kunnen regelen.3.13. Achmea heeft haar samenwerking met Columbus Groningen op of omstreeks 31 oktober 2024 beëindigd, omdat zij geen vertrouwen meer had in de werkwijze, eerlijkheid en deskundigheid van Columbus Groningen.3.14. ASR heeft haar relatie met Columbus Groningen op 18 november 2024 beëindigd. ASR geeft als reden voor die beëindiging dat zij er niet op kan vertrouwen dat Columbus Groningen benadeelden op deskundige en integere wijze zal bijstaan.3.15. \n\n [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) in november 2024 verzocht hen te registreren als aspirant register-expert. Het NIVRE heeft deze verzoeken in februari 2025 afgewezen. [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] hebben tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt, waarbij [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hun verzoek hebben gewijzigd, in die zin dat zij hebben verzocht om registratie als kandidaat register-expert. Nadat het NIVRE hun bezwaar ongegrond had verklaard, hebben [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] het NIVRE in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft hun vordering bij vonnis van 9 juli 2025 afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het NIVRE zich met succes kan beroepen op artikel 6.1 aanhef en onder c van haar Huishoudelijk Reglement, waarin is bepaald dat de in te schrijven persoon naar het oordeel van het bestuur in de uitoefening van zijn beroep te goeder naam en faam bekend dient te staan. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer als volgt overwogen:\n\n‘1.9. Dat Columbus en [naam 4] niet te goeder naam en faam bekend staan, volgt uit de registratie ut het EVR. Voor [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] geldt dat zij hun recente relevante werkervaring vrijwel volledig bij Columbus hebben opgedaan. [naam 4] bepaalde het beleid, in ieder geval voor wat betreft het bij opdrachtgevers (en indirect bij aansprakelijkheidsverzekeraars) in rekening te brengen kosten. Die kosten waren relatief hoog. Ook voor werkzaamheden die waren verricht door medewerkers met weinig ervaring werd een hoger dan marktconform tarief in rekening gebracht. Dat eisers mogelijk geen invloed hadden op dat beleid neemt niet weg dat zij onder de naam van Columbus actief waren en dat het door Columbus gevoerde beleid nog steeds op eisers afstraalt. De omstandigheid dat eisers begin dit jaar bij Columbus zijn vertrokken en voor een andere organisatie, Constans , zijn gaan werken, maakt niet dat het NIVRE op dit moment gehouden is om eisers als kandidaat register-experts in te schrijven Hoewel voorshands aannemelijk is dat Constans geen één op-één voortzetting van Columbus betreft en de intenties van eisers goed lijken te zijn doet de situatie dat eisers te goeder naam en faam bekend staan zich nu (nog) niet voor. Eisers hebben tot begin dit jaar bij Columbus gewerkt en zijn daardoor nog niet voldoende in de gelegenheid geweest om hun intenties waar te maken en daarmee ook een goede naam te verwerven Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk dat het bestuur van het NIVRE van mening is dat eisers nu (nog) niet te goeder naam en faam bekend staan. NIVRE handelt in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig jegens eisers door zich op die afwijzingsgrond te beroepen.’3.16. \n\nBij brief van 7 maart 2025 heeft NN aan [naam 3] bericht dat zij tot 24 augustus 2031 niet met Constans zal samenwerken. In die brief valt onder meer het volgende te lezen:\n\n‘Zoals u bekend, werken wij tot 24 augustus 2031 niet langer samen met (een rechtsopvolger van) Columbus. Wij zien Constans als een rechtsopvolger van Columbus. Constans heeft namelijk dezelfde aandeelhouder en dezelfde bestuurder als Columbus. Ook de belangenbehartigers die aan Constans zijn verbonden (lees: de heren [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 1] en [naam 2] ) zijn allen aan Columbus gelieerd (geweest). Verder is relevant dat u Constans uitsluitend hebt opgericht omdat de naam Columbus in uw woorden “al te veel besmet is,” zo volgt uit het nieuwsbericht van Letselschade.nu van 21 februari 2025.\n\nReden waarom u, zo volgt ook uit dat nieuwsbericht, een nieuwe onderneming hebt opgericht aan wie de Columbus-dossiers konden worden overgeheveld. Constans is daarmee de opvolger van Columbus, wat ook blijkt uit het feit dat Constans geen nieuwe cliënten heeft, maar louter oud-cliënten van Columbus. Dat heeft tot gevolg dat wij tot 24 augustus 2031 niet met Constans zullen samenwerken.\n\nMaar er zijn meer redenen waarom wij tot voornoemde datum niet met Constans zullen samenwerken. Wij hebben er geen vertrouwen in dat Constans een integere en betrouwbare handelwijze voorstaat. Dat standpunt is gestoeld op onze ervaringen met u en Columbus in het recente verleden Het was namelijk onder uw leiding en zeggenschap dat Columbus in december 2024 een kortgedingprocedure tegen ons startte in verband met de opname van Columbus in het Extern Verwijzingsregister. En het was onder uw leiding en zeggenschap dat Columbus in die kortgedingprocedure haar kwalijke handelwijze met hand en tand heeft verdedigd en goed praatte. Weliswaar werd het kortgeding vlak vóór de zitting van 16 januari 2025 ingetrokken, maar die intrekking hield louter verband met (proces)tactische redenen. Columbus heeft onder uw leiding en zeggenschap geen enkele zelfreflectie getoond, noch is er op enige wijze afstand genomen van het kwalijke handelen dat wij Columbus verwijten. Die constatering is voor ons van groot belang; deze zegt namelijk voldoende over uw moraliteit in de wijze van afwikkeling van personenschade Nu u van beide entiteiten de aandeelhouder en bestuurder bent, zien wij niet in waarom Constans in tegenstelling tot Columbus wel een integere en betrouwbare handelwijze zou voorstaan Voor ons speelt daarbij ook mee dat er aan Constans louter belangenbehartigers zijn verbonden die jarenlang voor Columbus hebben gewerkt en die Columbus ook na 5 juli 2024 nog trouw zijn gebleven. Dit terwijl zij ook de keuze hadden om Columbus te verlaten en daarmee om van (de handelwijze van) Columbus afstand te nemen. Dat deden zij echter niet en ook dat draagt niet bij aan de overtuiging dat Constans een partij is met wie wij graag samenwerken.\n\nWeer een andere reden waarom wij niet met Constans zullen samenwerken, is omdat wij er geen vertrouwen in hebben dat Constans deskundig is. De aan Constans verbonden personen hebben namelijk geen aantoonbare opleiding op het gebied van de personenschade genoten. Zij zijn ook geen lid van het Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE) of het Nederlands\n\nInstituut van Schaderegelaars (NIS). Constans is verder ook niet aangesloten bij het Nederlands Keurmerk Letselschade (NKL) of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE). De ervaringen met de belangenbehartigers van Columbus hebben bovendien ook uitgewezen dat deze belangenbehartigers niet over de vereiste deskundigheid beschikken. Daar komt nog bij dat Constans een uurtarief hanteert van EUR 225,00 (exclusief BTW) wat voor een ongebonden en niet deskundige belangenbehartiger bovenmatig is. Ook dit vormt voor ons reden om niet met Constans te zullen samenwerken.’3.17. Naar aanleiding van de brief van 7 maart 2025 heeft [belangenbehartiger 1] , bij e-mail van 13 maart 2025, mede uit naam van [naam 3] NN verzocht om met hem en [naam 3] in gesprek te gaan en in afwachting daarvan de samenwerking met Constans voort te zetten. Daarbij heeft [belangenbehartiger 1] onder meer benadrukt dat Constans zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus, voor welk beleid [naam 3] volgens hem niet verantwoordelijk is geweest. Daarnaast heeft [belangenbehartiger 1] erop gewezen dat de concrete verwijten op grond waarvan NN de samenwerking met Columbus heeft opgezegd uitsluitend betrekking hebben op dossiers waarbij [naam 4] betrokken is geweest. [belangenbehartiger 1] heeft verder in deze brief erkend dat er in de praktijk van [naam 4] veel is misgegaan, maar daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn eigen praktijk binnen Columbus Groningen los stond van de praktijk van [naam 4] en anders was ingericht. Ook heeft [belangenbehartiger 1] in deze brief – kort gezegd – toegelicht op welke wijze thans binnen Constans wordt gewerkt, op welke wijze kwaliteit, professionaliteit en integriteit worden en zullen worden geborgd en welke uurtarieven worden gehanteerd.3.18. NN heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij er op basis van de e-mail van 13 maart 2025 nog niet van is overtuigd dat Constans een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met Constans samen te werken. NN heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als Constans vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend.3.19. Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft [belangenbehartiger 1] NN onder toezending van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025 en een rapport van 3 juli 2025 van een op 27 juni 2025 door mr. [naam 5] , verbonden aan Schaderecht Advocatuur (hierna: [naam 5] ), bij Constans uitgevoerde audit, verzocht om haar beslissing ten aanzien van Constans te heroverwegen. Het vonnis van 30 juni 2025 is gewezen in een door onder meer Constans tegen ASR gestart kort geding, waarin Constans vorderde dat ASR haar weer als belangenbehartiger zou accepteren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft die vordering in dat vonnis toegewezen.3.20. NN heeft bij e-mail van 24 juli 2025, in reactie op de e-mail van 8 juli 2025, aan [belangenbehartiger 1] bericht dat zij niet bereid is om haar beslissing te herzien. NN schreef dat zij zich niet gebonden acht aan het vonnis van 30 juni 2025 en het auditrapport van [naam 5] . Daarbij heeft NN bericht dat zij in haar overtuiging om niet met Constans en [belangenbehartiger 1] samen te werken wordt gesterkt door een recente ervaring met [belangenbehartiger 1] in een specifiek schaderegelingstraject (hierna: de zaak van mevrouw A).3.21. De advocaat van Constans en de benadeelden heeft NN op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met Constans als belangenbehartiger. NN heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. Constans en de benadeelden hebben NN gedagvaard en gevorderd dat NN, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om a) uiterlijk de dag na het te wijzen vonnis Constans schriftelijk te informeren dat NN haar weer accepteert als belangenbehartiger en b) het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voort te zetten, zulks met veroordeling van NN in de proceskosten.4.2. Daartoe voerden Constans en de benadeelden – samengevat – aan dat NN onrechtmatig jegens hen handelt. Volgens Constans weigert NN haar zonder goede reden als belangenbehartiger. Constans weerspreekt dat zij in juridische dan wel feitelijke zin kan worden beschouwd als rechtsopvolger of een voortzetting van Columbus Groningen. Columbus Groningen is volgens haar per 1 maart 2025 geliquideerd en [naam 3] heeft de aandelen in Columbus Beheer op 2 mei 2025 verkocht aan een derde. Daarnaast wijst Constans erop dat [naam 4] niet bij Constans is betrokken. [naam 4] handelt volgens Constans nog uitsluitend een aantal dossiers af vanuit Columbus Letselschade Heemstede B.V., voorheen een zustervennootschap van Columbus Groningen, waarvan de aandelen eveneens werden gehouden door Columbus Beheer. Verder licht Constans onder verwijzing naar haar – in haar beleving niet bovenmatige – uurtarieven, de inrichting van de werkzaamheden, haar algemene voorwaarden, de door haar medewerkers gevolgde opleidingen en haar aanvraag voor het NKL toe dat haar bedrijfsfilosofie en bedrijfsvoering geheel anders zijn dan die van Columbus Groningen. Meer in het bijzonder beroept Constans zich in dat verband op de bevindingen en conclusie van [naam 5] . [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zijn volgens Constans niet onbetrouwbaar of incapabel gebleken. Zij hebben afstand genomen van de uitlatingen van [naam 4] in de Allianz-kwestie. De op 24 juli 2025 door NN aan het adres van [belangenbehartiger 1] gemaakte verwijten in de zaak van mevrouw A en de in conclusie van antwoord aan zijn adres gemaakte verwijten in een ander specifiek schaderegelingstraject (de zaak van mevrouw N) zijn volgens Constans evident onjuist en\u002F of tardief. Door hen als belangenbehartigers te weigeren legt NN volgens Constans aan [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] feitelijk een beroepsverbod op. Hierdoor worden [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] in hun broodwinning getroffen, temeer nu van de weigering van NN een precedentwerking kan uitgaan richting andere verzekeraars. De benadeelden stellen dat zij hun belangen in het kader van de afwikkeling van letselschadezaken uitsluitend door [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] willen laten behartigen. Doordat NN [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] zonder gegronde reden als belangenbehartigers weigert, doorkruist NN ter zake hun keuzevrijheid en ligt volgens de benadeelden hun minnelijke schaderegelingstraject stil. De benadeelden stellen dat zij hierdoor ernstig worden gedupeerd.4.3. NN heeft verweer gevoerd.4.4. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en Constans en de benadeelden in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter oordeelde kort samengevat dat Constans er op het moment van het vonnis nog onvoldoende blijk van had gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. Weliswaar kan niet worden aangenomen dat Constans en Columbus Groningen moeten worden vereenzelvigd, maar Constans is feitelijk wel te beschouwen als een voortzetting van Columbus Groningen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij Constans werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van NN om Constans als letselschadebureau te accepteren.5. Vordering in hoger beroep5.1. Constans en de benadeelden vorderen NN te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van het arrest het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden onverwijld voort te zetten met Constans als belangenbehartiger en Constans dienaangaande schriftelijk te informeren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat NN daarmee in gebreke blijft. Constans en de benadeelden vorderen verder NN te veroordelen in de kosten van het geding in twee instanties.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van Constans en de benadeelden tegen het vonnis van de voorzieningenrechter op het volgende. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat Constans er nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is. Voor de vraag of een belangenbehartiger door de verzekeraar mag worden geweigerd, gaat het er niet om of deze voldoende heeft aangetoond dat zij betrouwbaar is, maar juist of die belangenbehartiger (in dit geval Constans ) er blijk van heeft gegeven incompetent, onbetrouwbaar of te duur te zijn en dat is niet het geval (grieven 1, 7 en 9). Door de voorzieningenrechter is ook ten onrechte overwogen dat Constans feitelijk een voortzetting is van Columbus Groningen (grieven 2 en 3). De voorzieningenrechter heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de stelling van Constans dat binnen Columbus Groningen alleen sprake is geweest van misstanden in de praktijk van [naam 4] en niet in de praktijk van de andere schadebehandelaars, in het beperkte kader van het kort geding niet op juistheid kan worden getoetst (grief 4). De voorzieningenrechter verwijt [naam 3] ten onrechte dat hij zich na de overname van Columbus Groningen niet direct van Columbus Groningen heeft gedistantieerd (grief 5). De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat niet is voldaan aan een aantal eisen uit het NKL (grief 6) en miskent dat juist de weigering door NN om Constans als belangenbehartiger te accepteren een groot probleem is, ook tegenover het NIVRE (grief 8).5.3. NN heeft ook in hoger beroep verweer gevoerd.6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nHet geschil is in hoger beroep in volle omvang voorgelegd. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en toetsingskader6.2. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.2 overwogen dat zowel Constans c.s. een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Constans c.s. heeft voldoende toegelicht dat zij ook nu nog een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. NN heeft dat ook niet weersproken.6.3. \n\nIn dit kort geding moet het hof beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Verder geldt als uitgangspunt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.\n\nConstans is geen voortzetting van Columbus Groningen6.4. Tussen partijen is niet in geschil dat bij Columbus Groningen tot aan haar ontbinding in ieder geval een deel van de letselschade-dossiers op niet-integere wijze behandeld werden. Constans betoogt dan ook niet dat NN ten onrechte heeft geweigerd zaken te doen met Columbus Groningen. Volgens NN is Constans juridisch of feitelijk een voortzetting van Columbus Groningen, en maakt dat al dat zij ook kan weigeren zaken te doen met Constans . Constans c.s. bestrijdt dat. Volgens haar is Constans is een nieuw opgerichte vennootschap die geen enkele band heeft met Columbus Groningen. Verder is van belang dat [naam 4] – de gezichtsbepalende persoon binnen Columbus Groningen– geen deel uitmaakt van Constans . De onderneming, de werkwijze, het management, de tarieven, het bestuur en de visie van Constans zijn wezenlijk anders dan bij Columbus Groningen. Zo heeft Constans de inrichting en werkwijze in haar letselschadepraktijk ingericht conform de voorschriften van het Nationaal Keurmerk Letselschade (hierna: NKL) en heeft zij deze laten toetsen door middel van een audit. Constans en de benadeelden zijn geen partij (geweest) bij de discussies tussen Columbus Groningen en [naam 4] enerzijds en NN anderzijds. Alle ‘pijnpunten’ die bij Columbus Groningen speelden en die voor verzekeraars (waaronder NN) bezwaarlijk waren, zijn aangepakt (lagere tarieven, geconcentreerde zaaksbehandeling, inrichting conform NKL, een audit in overleg met een verzekeraar, één gezamenlijke medisch adviseur etc.). Weliswaar heeft Constans een aantal oude Columbus-dossiers in behandeling, maar dat is omdat de betreffende cliënten dat graag wilden. Dat geen sprake is van een voortzetting volgt volgens Constans ook uit uitspraken van de rechtbank Midden Nederland en de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam.6.5. NN stelt zich op het standpunt dat Constans wél een opvolger en voortzetting is van Columbus Groningen. Constans is uitsluitend opgericht om de dossiers van Columbus Groningen naar Constans over te hevelen. Aan Constans zijn alleen personen verbonden die eerder verbonden waren aan Columbus Groningen, intern bij Columbus Groningen zijn opgeleid en Columbus Groningen tot het laatst zijn trouw gebleven. De enige reden dat Constans is opgericht, is omdat meerdere verzekeraars Columbus Groningen niet langer als belangenbehartiger accepteerden.6.6. Het hof oordeelt als volgt. Van een voortzetting van Columbus Groningen door Constans in vennootschapsrechtelijke zin geen sprake. Constans is een andere vennootschap en is niet de verkrijger van de aandelen of de vermogensbestanddelen van Columbus Groningen.6.7. Een andere vraag is of er sprake is van een zodanige verwevenheid tussen Columbus Groningen en Constans , dat gezegd moet worden dat Constans feitelijkdezelfde is als Columbus Groningen. Ook daarvan is volgens het hof geen sprake. Het feit dat de vier schadebehandelaars bij Constans allen eerder bij Columbus Groningen werkten is daarvoor niet voldoende. Dat zou mogelijk anders zijn wanneer ook ten aanzien van deze vier medewerkers in hun Columbus-tijd sprake zou zijn geweest van duidelijke malversaties, maar daarvan is niet gebleken. Ten aanzien van [naam 3] geldt dat niet is gebleken dat hij, toen hij eigenaar werd van Columbus Groningen, voldoende op de hoogte was van wat daar aan de hand was.. Dat onder zijn leiding is besloten een procedure te starten om de EVR-registratie van Columbus ongedaan te krijgen, paste in zijn aanvankelijke poging om Columbus Groningen te redden. Dat is onvoldoende om uit te gaan van de kwade trouw van [naam 3] . Bovendien is niet gebleken dat [naam 3] op dit moment enige invloed uitoefent op het beleid van Contans.6.8. NN heeft in haar brief van 5 juli 2024 de samenwerking met Columbus Groningen en [naam 4] per direct beëindigd. De reden hiervoor was – samengevat – dat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan frauduleuze en kwalijke praktijken, dat zij zich niet toetsbaar en transparant opstelden, dat zij ondeskundig zijn en excessieve tarieven hanteren. Feitelijk ging het hier om het handelen van [naam 4] . Meer in het bijzonder zou [naam 4] relevante (medische) informatie achterhouden en bewust onjuiste informatie aan NN verstrekken met als doel aanspraak te kunnen maken op een (hogere) schadevergoeding waarop in werkelijkheid geen recht is. Niet gebleken is echter dat ook [belangenbehartiger 1] , [belangenbehartiger 2] , [naam 2] en [naam 1] in de tijd dat zij bij Columbus Groningen werkten zich aan dergelijke praktijken schuldig hebben gemaakt, en ook sinds zij bij Constans werken zijn dergelijke feiten ten aanzien van hen niet gebleken. Naar het oordeel van het hof heeft Constans c.s. voldoende toegelicht dat haar band met Columbus Groningen op dit moment nog slechts bestaat uit de aanwezigheid van de voormalig Columbus-dossiers. Uit de Rapportage bezoekaudit van 13 november 2025, opgesteld door de Stichting toetsing Verzekeraars (hierna: STV) volgt dat er geen betrokkenheid van het voormalig Columbus-bestuur ( [naam 4] en [naam 7] ) is waargenomen en dat er ook geen aanwijzingen zijn dat [naam 4] het kantoor van Constans bezoekt. NN heeft verder niets gesteld waaruit het tegendeel blijkt.6.9. \n\nAan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat, zoals uit het navolgende nog zal blijken, ook de filosofie en bedrijfsvoering van Constans aantoonbaar anders is dan die van Columbus Groningen. De conclusie moet dan ook zijn dat Constans ook feitelijk niet kan worden gezien als dezelfde onderneming als Columbus Groningen.\n\nNN mag niet weigeren zaken af te wikkelen met Constans als belangenbehartiger6.10. Het hof nu zal ingaan op de vraag of NN Constans als belangenbehartiger mag weigeren. Volgens Constans en de benadeelden heeft de voorzieningenrechter het (op zichzelf juiste) toetsingskader onjuist toegepast. Om samenwerking met een belangenbehartiger te mogen weigeren, moet de belangenbehartiger er blijk van hebben gegeven onbetrouwbaar, incompetent of te duur te zijn. Daarvan is geen sprake. Het audit-rapport van [naam 5] is overwegend positief . Ook verloopt de samenwerking tussen Constans en een aantal andere verzekeraars goed. Er heeft in opdracht van Allianz ook een audit plaatsgehad door STV en het resultaat daarvan was ronduit positief. De bij Constans betrokken personen zijn betrouwbaar en integer, zij zijn deskundig en professioneel en Constans hanteert redelijke tarieven. De medewerkers van Constans hebben de Nivre (basis)-opleiding afgerond en verwacht wordt dat alle vier de medewerkers de Letselschade opleiding Nivre-expert voor komende zomer hebben afgerond.6.11. NN stelt zich, naar de kern genomen, op het standpunt dat zij samenwerking met Constans mag blijven weigeren totdat Constans gereguleerd is en heeft aangetoond dat zij een deskundige en integere partij is waaraan deskundige en integere medewerkers zijn verbonden. Daarvan is, volgens NN, geen sprake.6.12. Het hof overweegt als volgt. Voor de beoordeling van de vraag of NN mag weigeren om letselschadezaken te regelen met schadebehandelaars die werken bij Constans , zijn de volgende uitgangspunten van belang. Het eerste uitgangspunt is dat het een benadeelde vrij staat om de belangenbehartiger te kiezen die hij wil. De benadeelde heeft de veroorzaker van de schade niet zelf uitgekozen en kan dientengevolge ook niet kiezen met welke verzekeraar hij zijn schade moet afwikkelen. Dit maakt dat een verzekeraar niet lichtvaardig mag weigeren om met een specifieke, door het slachtoffer uitgekozen schadebehandelaar zaken te doen. Een verzekeraar moet er voor zover dat in haar vermogen ligt voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Dit volgt onder meer uit de Gedragscode Behandeling Letselschade waaraan NN zich heeft geconformeerd.6.13. Een verzekeraar hoeft echter geen zaken te doen met malafide of volstrekt onvoldoende deskundige belangenbehartigers. Verzekeraars hebben, zo volgt uit het WODC-rapport ‘De belangenbehartiger bij letselschade’ uit 2024, de positie en de middelen om als poortwachter te fungeren tegen volstrekt ondeskundige of malafide belangenbehartigers (ongeacht of deze belangenbehartigers al dan niet aangesloten zijn bij een organisatie van belangenbehartigers als het NIVRE of beschikken over het keurmerk als dat van NKL).6.14. De conclusie uit het voorgaande is dat het een verzekeraar slechts vrijstaat om een belangenbehartiger te weigeren als daarvoor gegronde redenen bestaan. Daarvan zal in het bijzonder sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde niet goed zal verlopen of onnodig zal worden vertraagd omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken en\u002Fof niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces en\u002Fof onredelijk hoge kosten in rekening te brengen. Bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is, maar dat enkele feit is voor een weigering onvoldoende. Het ligt op de weg van de verzekeraar om gronden te stellen waaruit kan volgen dat zij geen zaken met een bepaalde belangenbehartiger hoeft te doen.6.15. NN maakt Constans verschillende verwijten op basis waarvan zij de conclusie trekt dat Constans als belangenbehartiger niet deskundig en integer is. De verwijten hebben betrekking op het dossier van mevrouw A, het dossier van mevrouw N, de brief van Columbus van 23 juli 2024, het auditrapport van STV, het uurtarief en de deskundigheid. Verder voert NN aan dat de medewerkers van Constans , ondanks de kwalijke misstanden aldaar, tot op het laatste moment Columbus Groningen trouw gebleven. Constans brengt ook thans nog kosten in rekening die niet in rekening mogen worden gebracht en schade wordt (nog altijd) dubbel geclaimd. Het auditrapport van STV kan niet tot een andere conclusie leiden: in dat rapport zijn uiteindelijk slechts drie dossiers beoordeeld en dat is te marginaal om wezenlijke conclusie over de betrouwbaarheid en deskundigheid te trekken. Bovendien is het STV-auditrapport overgelegd zonder instemming van STV en Allianz (in wiens opdracht het rapport is gemaakt), en ook die handelwijze geeft aanleiding tot twijfel over de integriteit van Constans . Ten aanzien van het audit-rapport van [naam 5] heeft NN betoogd dat [naam 5] onvoldoende onafhankelijk was, dat het rapport slechts een momentopname is en dat het rapport ook om inhoudelijke redenen niet kan worden gevolgd.6.16. \n\nHet hof zal deze verwijten achtereenvolgens behandelen en uiteindelijk tot de conclusie komen dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter – uitgaande van het hiervoor geschetste toetsingskader – tot het oordeel zal komen dat NN Constans niet als belangenbehartiger mag weigeren. Er is – voorshands oordelend – onvoldoende grond voor het oordeel dat Constans onvoldoende betrouwbaar is. Daarbij betrekt het hof de inhoud van de audit-rapporten van [naam 5] en STV.\n\nHet dossier van mevrouw A: geen contact met NN6.17. In de zaak van mevrouw A verwijt NN Constans in hoger beroep nog dat Constans eenzijdig verzoeken deed en stukken doorstuurde aan een gezamenlijke deskundige, zonder NN daarin te betrekken. Daarmee handelt Constans niet integer, aldus NN.6.18. Ter zitting heeft [belangenbehartiger 1] toegelicht dat hij, toen NN verder contact met Constans weigerde, de in dat dossier in een eerder stadium gezamenlijk aangezochte deskundige een mail heeft gestuurd zonder een kopie daarvan aan NN te sturen. Omdat NN ook niet met mevrouw A in gesprek wilde, heeft Constans de situatie zo opgevat dat de zaak bij NN was gesloten.6.19. \n\nHet hof overweegt hierover dat de omstandigheid dat een verzekeraar contact weigert met een belangenbehartiger, deze laatste niet ontslaat van zijn verplichting om transparant te handelen. Het had dan ook op de weg gelegen van Constans gelegen om NN een kopie te sturen van de mail aan de gezamenlijke deskundige. Dat dit niet is gebeurd verdient geen schoonheidsprijs, maar is tegen de door Constans geschetste achtergrond ook niet onbegrijpelijk. Bovendien betreft het een eenmalige omissie. Tot de conclusie dat sprake is van niet integer handelen kan het voorgaande dan ook niet leiden.\n\nGebruik van het dossier van mevrouw N6.20. Het dossier van mevrouw N was, voordat zij overstapte naar een andere belangenbehartiger, in behandeling bij Columbus Groningen. In de onderhavige procedure is, voorafgaand de zitting bij de rechtbank, namens Constans , als productie 14 en 15 niet geanonimiseerde correspondentie met mevrouw N in het geding gebracht. Constans behoorde, aangezien zij de belangen van mevrouw N niet behandelde, niet de beschikking te hebben over deze stukken. Uit de omstandigheid dat zij dat desondanks wel deed en zonder goedkeuring van mevrouw N de stukken niet geanonimiseerd heeft gebruik, blijkt opnieuw dat Constans niet integer handelt, aldus NN.6.21. \n\nTer zitting is door mr. Bijleveld een toelichting gegeven op de hiervoor beschreven gang van zaken. Hieruit volgt dat het overleggen van de correspondentie met mevrouw N de verantwoordelijkheid was van mr Bijleveld, die hier uit hoofde van een andere zaak over beschikte. Het anonimiseren door mr Bijleveld van de overgelegde correspondentie is er vervolgens abusievelijk bij ingeschoten. Deze gang van zaken is niet door NN bestreden, zodat de conclusie is dat Constans op dit punt geen verwijt te maken valt.\n\nDe brief van Columbus Groningen van 23 juli 20246.22. Op 23 juli 2024 stuurde Columbus Groningen een brief aan haar cliënten. In deze brief is NN door Columbus Groningen (samengevat) weggezet als een oneerlijke en onoprechte verzekeraar die uit winstbejag de letselschade van benadeelden niet eerlijk vergoedt. [belangenbehartiger 1] heeft zich volgens NN niet van deze brief of van de handelswijze van Columbus gedistantieerd en heeft zelfs ten onrechte de kosten voor deze brief in 29 dossiers gedeclareerd. Volgens NN zegt dit voldoende over de moraliteit van [belangenbehartiger 1] , die NN niet van een integer en betrouwbaar belangenbehartiger hoeft te verwachten.6.23. Constans heeft betoogd dat de brief, die geen fraaie brief is, is geschreven en gedeclareerd door de (toenmalige) directie van Columbus, [naam 6] en [naam 7] . De (toenmalige) medewerkers van Columbus waren hiervan niet op de hoogte en waren overigens ook niet in de positie om hier iets aan te doen.6.24. \n\nOok het hof meent dat de brief van 23 juli 2024 niet verstuurd had mogen worden. Constans c.s. hebben echter voldoende aannemelijk gemaakt dat deze brief is opgesteld, verstuurd en gedeclareerd door de voormalige directie van Columbus en niet door [belangenbehartiger 1] . Dat Constans (en dus ook [belangenbehartiger 1] ) zich achter de inhoud van deze brief hebben geschaard en dat ook nog steeds doen, is niet gebleken. Dat volgt ook niet uit de opmerking van een voormalig client dat [belangenbehartiger 1] de inhoud van die brief destijds aan deze client zou hebben bevestigd. Integendeel: al uit de email die [belangenbehartiger 1] op 13 maart 2025 aan NN stuurde, volgt dat Constans zich distantieert van het door [naam 4] gevoerde beleid bij Columbus Groningen. De conclusie is dat de brief van 23 juli 2024 niet kan bijdragen aan de door NN getrokken conclusie dat Constans niet integer of onbetrouwbaar is.\n\nHet auditrapport van STV6.25. Constans heeft in deze procedure een audit-rapport overgelegd dat is opgemaakt door STV. Die audit was onderdeel van de afspraken die Constans in het kader van een proefsamenwerkingsperiode maakte met een andere verzekeraar, Allianz. NN stelt zich op het standpunt dat Constans dit rapport in strijd met de in het rapport opgenomen vertrouwelijkheidsverklaring en zonder toestemming van STV in het geding heeft gebracht. Dit toont aan, aldus NN, dat Constans gemaakte (contractuele) afspraken niet respecteert en dat draagt niet bij aan de overtuiging dat Constans daadwerkelijk een betrouwbare en integere partij is.6.26. Constans heeft toegelicht dat zij zich genoodzaakt voelde om, inderdaad tegen de afspraken in, toch het rapport over te leggen. Het rapport is positief voor Constans en zij wil dat graag kunnen laten zien aan andere verzekeraars. Op het verzoek van Constans aan STV om het rapport te mogen overleggen, is door STV echter negatief beslist.6.27. \n\nHet hof stelt vast dat het auditrapport van STV in strijd met de afspraken is overgelegd. Deze schending van een afspraak moet evenwel in de context worden bezien. Constans was (en is) op zoek naar een manier om aan te tonen dat zij – samengevat – haar zaken op orde heeft en een betrouwbare belangenbehartiger is. Het rapport van STV is overigens zeer positief over Constans . Het hof is verder van oordeel dat Allianz een verzoek van Constans om het rapport in de onderhavige procedure over te leggen gelet op haar belang daarbij in redelijkheid niet kunnen weigeren. Dat STV en\u002Fof Allianz nadeel zouden ondervinden van het overleggen van dit rapport, is door NN ook niet gesteld. Tegen deze achtergrond meent het hof dat het feit dat Constans dit rapport zonder toestemming van Allianz in de procedure heeft gebracht niet het oordeel kan dragen dat Constans niet integer is, en dat de positieve inhoud van dit rapport wel kan meewegen bij het oordeel dat Constans haar zaken op orde heeft.\n\nExcessief uurtarief6.28. NN stelt zich op het standpunt dat het uurtarief van Constans , als niet gereguleerde belangenbehartiger, bovenmatig is en ook dat vormt volgens haar een reden om Constans niet als belangenbehartiger te accepteren. Volgens NN zou een advocaat of een Nivre-expert met meer dan tien jaar ervaring een uurtarief van € 225,- kunnen hanteren. Dat is echter ook het uurtarief dat Constans voor [belangenbehartiger 1] en [belangenbehartiger 2] hanteert.6.29. \n\nHet hof overweegt als volgt. Constans heeft toegelicht dat zij gedifferentieerde uurtarieven hanteert: € 225,- voor inhoudelijk specialistisch werk, € 150,- voor licht inhoudelijk werk en € 95,- voor administratieve taken. In het WODC-rapport valt te lezen dat tussen het Verbond van Verzekeraars en de LSA sinds enige tijd een afspraak bestaat die inhoudt dat LSA-advocaten een voorschot van verzekeraars kunnen verkrijgen tegen een uurtarief tussen de € 215 en € 245, afhankelijk van het belang van de zaak. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat het door Constans gehanteerde uurtarief niet buitensporig is. In elk geval is het tarief van Constans niet zo excessief dat dat op zichzelf reden is om samenwerking te beëindigen of niet aan te gaan. Het hof kan zich voorstellen dat tussen NN en Constans nadere afspraken worden gemaakt over de door Constans in zaken van NN te hanteren tarieven en dat Constans haar uurtarief naar beneden zal bijstellen, in ieder geval zo lang de schadebehandelaars bij Constans geen NIVRE-expert zijn.\n\nDeskundigheid6.30. NN stelt zich verder op het standpunt dat Constans en de daaraan verbonden belangenbehartigers niet aantoonbaar deskundig zijn en dat zij dus ook om die reden Constans niet als belangenbehartiger hoeft te accepteren.6.31. \n\nUit de stukken en uit hetgeen ter zitting is besproken, volgt dat Constans aan de deskundigheid van haar medewerkers werkt. In het STV-rapport is de deskundigheid ‘voldoende’ geoordeeld en wordt hierover het volgende opgemerkt:\n\n‘ Constans Letselschade heeft veel aandacht voor deskundigheid en het opleiden van medewerkers. Constans Letselschade streeft naar inschrijving in het NIVRE-register als NIVRE Register-Expert. Alle medewerkers hebben de NIVRE-basisopleiding afgerond en zijn op dit moment bezig met het behalen van de verdere (voor)opleidingen. Daarbij is er een sterke drive om te komen tot NIVRE Register-Expert Personenschade. Op dit moment zijn geen van de medewerkers NIVRE-geregistreerd. De twee senior letselschadebehandelaren hebben daarnaast nog aanvullende opleidingen afgerond en allen hebben een juridische vooropleiding.’6.32. Ter zitting heeft Constans aan het voorgaande nog toegevoegd dat het de verwachting is dat alle vier de medewerkers voor de zomer de Letsel-opleiding Nivre-expert af zullen ronden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat ook de deskundigheid van de medewerkers van Constans geen legitieme reden is om samenwerking met Constans te weigeren.\n\nSlotsom6.33. Gelet op het feit dat vier van de vier dossierbehandelaars bij Constans op dit moment oud-Columbus medewerkers zijn, is begrijpelijk dat NN scherp(er) toezicht wil houden. Van redenen op grond waarvan samenwerking met Constans gerechtvaardigd mag worden geweigerd is evenwel niet gebleken. De grieven van Constans zijn dan ook terecht voorgesteld. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vordering van Constans toewijzen, met uitzondering van de gevorderde dwangsommen. Het hof ziet geen reden om er aan te twijfelen dat NN zal meewerken aan de uitvoering van dit arrest.6.34. \n\nNN zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De kosten voor de dagvaarding in eerste aanleg worden door het hof begroot, nu de werkelijke kosten daarvan niet uit het dossier blijken.\n\nHet hof begroot de proceskosten bij de voorzieningenrechter aan de zijde van Constans c.s. op: dagvaarding € 140,- griffierecht € 714,- salaris advocaat € 1.107.-Totaal € 1.961,-\n\nHet hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Constans c.s.\u002FNN op:\n\ndagvaarding € 144,47\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II, € 1.290,-)\n\nnakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 3.740,477. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2025;\n\nen opnieuw rechtdoende:\n\nbepaalt dat NN binnen twee dagen na de datum van dit arrest het minnelijke schaderegelingstraject in de zaken van de benadeelden voortzet met Constans als belangenbehartiger en\n\nbepaalt dat NN Constans onverwijld schriftelijk informeert over de hervatting van de schaderegelingstrajecten met de benadeelden;\n\nveroordeelt NN in de kosten van de procedure van de voorzieningenrechter, aan de zijde van Constans c.s. tot op 20 november 2025 begroot op € 1.961,-;\n\nveroordeelt NN in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Constans c.s. begroot op € 3.740,47;\n\nbepaalt dat als NN niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, NN de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. R.G.C. Veneman, mr. D.A. Schreuder en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:565","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:55.651Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":52},"1684","ECLI:NL:RBDHA:2026:9388","ecli-nl-rbdha-2026-9388","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKDEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nZaaknummer: 11875858 \\ RL EXPL 25-16951\n\nVonnis van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\nKRACHT! LETSELSCHADE B.V.,\n\nte Vaassen,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in voorwaardelijke reconventie\n\nhierna te noemen: Kracht!,\n\ngemachtigde: mr. N.N. Liefeld,\n\ntegen\n\nNATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nte 's-Gravenhage,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in voorwaardelijke reconventie\n\nhierna te noemen: NN,\n\ngemachtigden: mr. A.N.L. de Hoogh en mr. J.A.A. van Beek.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de pleitnota van mr. N.N. Liefeld;\n\n- de pleitnota van mr. A.N.L. de Hoogh en mr. J.A.A. van Beek;\n\n- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.2.. Kracht! is een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers.\n\n2.3.. Kracht! heeft de heer [naam] (hierna: [naam] ) bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval op 15 oktober 2022 waarbij hij letsel heeft opgelopen.\n\n2.4.. \n [naam] heeft op 17 oktober 2022 een opdrachtmachtiging ondertekend, waarin de volgende tekst staat vermeld:\n\nOPDRACHTMACHTIGING\n\nOndergetekende,\n\nnaam: De heer [naam]\n\n(…)\n\nmachtigt en verzoekt hiermee aan:\n\nKracht! Letselschade B.V.\n\nom de door hem\u002Fhaar geleden en te lijden schade, welke betrekking heeft op het ongeval d.d. 15-10-2022 , in behandeling te nemen, conform de op de achterzijde afgedrukte Algemene Voorwaarden van Kracht! Letselschade B.V, De voorwaarden zijn ook te vinden op de website www.krachtletselschade.nl.\n\nDaarnaast verzoekt ondergetekende de aansprakelijke partij, c.q. diens WA-verzekeraar, om de door Kracht! Letselschade B.V. te maken buitengerechtelijke kosten, kosten medisch adviseur, medische verschotten en andere behandelingskosten rechtstreeks te vorderen bij de aansprakelijke partij\u002Fverzekeraar en over te laten maken op rekening (…) ten name van Kracht! Letselschade B.V., kantoor Vaassen. (…).\n\n(…)\n\n2.5.. In artikel 6 van de onderaan de opdrachtmachtiging opgenomen ‘Algemene Voorwaarden Kracht! Letselschade B.V.’ staat vermeld:\n\n6. Onherroepelijke Cessie; Overdracht van kostenOpdrachtgever stemt ermee in dat de behandelkosten van kracht! bij de aansprakelijke partij in rekening worden gebracht en draagt hierbij de aanspraak op de vergoeding van deze kosten onherroepelijk over aan kracht!\n\n2.6.. Kracht! heeft namens [naam] op 18 oktober 2022 NN aangesproken tot het vergoeden van de schade als gevolg van het verkeersongeval. NN heeft als WAM-verzekeraar de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend.\n\n2.7.. In de periode van 2 december 2022 tot en met 21 januari 2025 heeft Kracht! een aantal facturen bij NN ingediend die zien op de werkzaamheden die door Kracht! en door haar ingeschakelde derden zijn verricht en heeft NN een aantal voorschotbetalingen aan Kracht! gedaan. Op meerdere momenten in die periode was het totaalbedrag van de door NN gedane voorschotbetalingen lager dan het totaalbedrag van de door Kracht! ingediende facturen.\n\n2.8.. Op 21 januari 2025 heeft Kracht! een e-mail aan NN gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nIn de bijlage tref je een overzicht aan van de nog verschuldigde bgk ad € 7.415,95 + de wettelijke rente ad € 319,-- is totaal € 7.734,95. Wil je dit slotbedrag ook in de VSO opnemen s.v.p.?\n\n (…)\n\n2.9.. Op 23 januari 2025 heeft NN een e-mail aan Kracht! gestuurd, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nBijgaand treft u de vso. In het kader van de regeling is NN bereid alle openstaande kosten te vergoeden. Dit geldt niet voor de berekende wettelijke rente.\n\n(…)\n\n2.10.. NN en [naam] hebben op 23 respectievelijk 24 januari 2025 een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin het volgende staat vermeld:\n\n(…)\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\nVerzekeraar betaalt, naast het hiervoor genoemde schadebedrag, de redelijke buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Deze kosten maken weliswaar formeel onderdeel uit van de schade van belanghebbende, maar worden veelal met instemming van belanghebbende rechtstreeks voldaan aan de belangenbehartiger.\n\nBelanghebbende verklaart door ondertekening van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders is of wordt overeengekomen, dat verzekeraar de thans nog resterende buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de belangenbehartiger betaalbaar mag stellen.\n\nTen behoeve van belanghebbende zijn aan buitengerechtelijke kosten al meerdere voorschotten betaalbaar gesteld. Deze zijn betaald aan Kracht Letselschade. Op de buitengerechtelijke kosten volgt nog een slotbetaling van EUR 7.415,95. Deze worden rechtstreeks betaald aan Kracht! Letselschade.\n\nFinale kwijting\n\nTegenover de overeengekomen schadevergoeding en de hiervoor genoemde betaling(en), verleent belanghebbende aan verzekeraar en verzekerde finale kwijting.\n\n(…)\n\n2.11.. Op 4 februari 2025 heeft NN een slotbetaling van € 7.415,95 aan Kracht! gedaan.\n\n2.12.. Op 2 september 2025 heeft Kracht! NN gedagvaard.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. Kracht! vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad NN veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van Kracht!, te vermeerderen met de proceskosten.\n\n3.2.. Kracht! legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. [naam] heeft zijn vordering op NN tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan Kracht! gecedeerd. Kracht! heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan NN verzonden. NN heeft deze facturen meermaals niet tijdig en\u002Fof volledig voldaan. Als gevolg daarvan is NN in verzuim geraakt op het moment dat de betalingstermijn van 14 dagen van deze facturen is verstreken. Over de periode dat NN in verzuim is, is zij de wettelijke rente ex artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verschuldigd.\n\n3.3.. \n\nNN voert verweer. NN concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Kracht!, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Kracht!, met veroordeling van Kracht! in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, voor zover\n\nmogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3.4.. \n\nNN voert – samengevat – het volgende aan. [naam] heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan Kracht! betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door [naam] aan Kracht! van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat [naam] geen vordering op NN had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan Kracht! kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan NN gedaan, maar toen had [naam] al finale kwijting aan NN verleend. Tot slot betoogt klopt de berekening van de wettelijke rente niet.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n3.5.. NN vordert voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat enige vordering van [naam] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig aan Kracht! is overgedragen, dat de kantonrechter Kracht! veroordeelt tot betaling aan NN van een bedrag van € 23.631,92, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van betaling van NN aan Kracht!, zoals opgenomen in het overzicht in tabel 1 van de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, dan wel vanaf de datum van de voorwaardelijk conclusie van eis in reconventie (te weten: 11 november 2025).\n\n3.6.. Kracht! voert verweer strekkende tot afwijzing van de voorwaardelijke vordering in reconventie, met veroordeling van NN in de proceskosten.\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie\n\nHet geschil4.1.. Partijen hebben aangegeven dat deze zaak een principiële kwestie betreft. Kracht! is deze procedure gestart, en NN heeft in deze procedure verweer gevoerd, omdat zij antwoord willen op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet mogelijk is en licht dat als volgt toe.\n\nJuridisch kader4.2.. Voor het ontstaan van een vordering tot schadevergoeding is volgens de Hoge Raad vereist dat schade is geleden. Omdat een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW jo. artikel 95 lid 1 BW ook een schadevergoedingsvordering is, is voor het ontstaan van deze vordering vereist dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt.\n\n4.3.. De verplichting tot schadevergoeding – en dus ook die tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten – is een verbintenis tot betaling van een geldsom. Wanneer vertraging optreedt in de voldoening van een geldsom is volgens artikel 6:119 lid 1 BW een schadevergoeding verschuldigd, bestaande in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Om aanspraak te kunnen maken op wettelijke rente moet de schuldenaar dus in verzuim zijn.\n\n4.4.. Het tijdstip waarop de schuldenaar in verzuim raakt, wordt bepaald aan de hand van artikel 6:81 e.v. BW. Als het gaat om een verbintenis tot schadevergoeding die voortvloeit uit onrechtmatige daad, treedt het verzuim volgens artikel 6:83, aanhef en onder b, BW in zonder ingebrekestelling, wanneer de prestatie opeisbaar is geworden en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen. Opeisbaarheid is dus een voorwaarde om het verzuim te laten intreden.\n\nGeen recht op wettelijke rente over buitengerechtelijke kosten4.5.. \n [naam] heeft Kracht! door middel van de in rov. 2.4 genoemde opdrachtmachtiging gemachtigd om de kosten voor de door Kracht! en in haar opdracht verrichte werkzaamheden bij NN in rekening te brengen en deze kosten op de rekening van Kracht! over te laten maken. NN heeft met deze afspraak ingestemd. Ten eerste door voorschotfacturen van Kracht! te voldoen. Ten tweede hebben [naam] en NN in de vaststellingsovereenkomst ook afgesproken dat NN de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, die ‘formeel onderdeel zijn van de schade’, rechtstreeks zal betalen aan Kracht!. Kracht! stelt in deze procedure ook dat [naam] de door Kracht! aan NN verzonden facturen voor haar werkzaamheden niet heeft voldaan of hoeft te voldoen. Daarmee staat vast dat [naam] niet daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor de verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. Kracht! heeft in dit verband aangevoerd dat de opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en het verschuldigd worden van wettelijke rente niet afhankelijk is van voorfinanciering door [naam] . Dit is echter niet juist. De vorderingen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover ontstaan pas als de benadeelde deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en de verzekeraar met de vergoeding daarvan aan de benadeelde in verzuim is geraakt. Zoals hiervoor is overwogen heeft [naam] niet daadwerkelijk kosten gemaakt omdat hij aan Kracht! geen vergoeding verschuldigd was. Daarom kan van een (opeisbare) vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover in ieder geval tot de totstandkoming van de in rov. 2.10 bedoelde vaststellingsovereenkomst geen sprake zijn.\n\n4.7.. Met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] alsnog een aanspraak op NN tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten verkregen. Maar deze aanspraak is, vanwege de gemaakte betalingsafspraak, niet gebaseerd op artikel 6:96 lid 2 BW maar op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting van NN tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Tussen partijen is niet in geschil dat NN deze verplichting tijdig is nagekomen. Dit brengt mee dat [naam] ook na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen aanspraak op wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten heeft verkregen.\n\n4.8.. Kracht! heeft verder nog aangevoerd dat de vordering tot betaling van wettelijke rente is ontstaan toen Kracht! de facturen voor buitengerechtelijke kosten aan NN heeft toegezonden en de daarop vermelde betalingstermijn van 14 dagen is verstreken. Kracht! verwijst in dit verband naar een vonnis van de Rechtbank Zutphen van 7 mei 2008, waarin werd bepaald dat de verzekeraar de wettelijke rente over het toegekende deel van de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is vanaf 14 dagen na de respectieve factuurdata. Kracht! gaat er echter daarbij aan voorbij dat de enkele toezending van facturen niet meebrengt dat [naam] schade lijdt in de vorm van buitengerechtelijke kosten. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvoor vereist dat [naam] daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Genoemd vonnis leidt niet tot een ander oordeel, omdat daaruit niet blijkt dat de benadeelde partij in die zaak die facturen niet zelf eerst had betaald alvorens deze bij de verzekeraar van de aansprakelijke partij in te dienen.\n\nGeen rechtsgeldige cessie4.9.. Vanwege het vereiste van beschikkingsbevoegdheid in artikel 3:84 BW komt de overdracht van een nog niet ontstane vordering pas tot stand na het ontstaan daarvan. Zoals uit het voorgaande blijkt, is er aan de zijde van [naam] in ieder geval tot de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente ontstaan. Deze vorderingen kunnen dus ook niet al voorafgaand aan die overeenkomst zijn overgedragen.\n\n4.10.. Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft [naam] weliswaar een contractuele aanspraak op betaling van buitengerechtelijke kosten verkregen, maar zoals uit rov. 4.7 blijkt, heeft NN deze tijdig voldaan. Dit betekent dat deze vordering teniet is gegaan en dat er aan de zijde van [naam] ook geen vordering tot vergoeding van wettelijke rente is ontstaan. Ook deze vorderingen kunnen dus niet worden overgedragen.\n\n4.11.. Dit betekent dat Kracht! niet bij wijze van een cessie een vordering van [naam] op NN tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten of wettelijke rente heeft verkregen.\n\nKracht! heeft geen eigen vordering op NN4.12.. Voor zover Kracht! betoogt dat zij zelf buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en daarom een eigen vordering op NN heeft, wordt het volgende opgemerkt. De werkzaamheden die Kracht! c.s. hebben verricht dienden ter vaststelling van de schade van en aansprakelijkheid jegens [naam] . De verrichte werkzaamheden zijn dus geen buitengerechtelijke kosten van Kracht! zelf. Dit brengt mee dat Kracht! geen eigen vordering heeft op NN tot vergoeding van deze kosten. NN kan tegenover Kracht! dus ook niet in verzuim of wettelijke rente verschuldigd zijn.\n\n4.13.. Ter zitting heeft Kracht! aangevoerd dat het probleem is dat NN de declaraties van Kracht! niet volledig heeft bevoorschot en zij daarom schade leidt. Deze schade is echter niet het gevolg van ontoereikende bevoorschotting, maar van de keuze van Kracht! om haar werkzaamheden niet aan [naam] in rekening te brengen. Van aansprakelijkheid van NN tegenover Kracht! wegens ontoereikende bevoorschotting is dan ook geen sprake.\n\nGeen reden om prejudiciële vragen te stellen4.14.. Ter zitting heeft Kracht! de kantonrechter verzocht om op de voet van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, als de kantonrechter van oordeel zou zijn dat onzekerheid bestaat over de vraag of wettelijke rente verschuldigd is over gecedeerde buitengerechtelijke kosten die niet tijdig worden voldaan. Volgens Kracht! is de beantwoording van de vraag of voor het verschuldigd worden van wettelijke rente vereist is dat de benadeelde de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk heeft betaald, dan wel of het ontstaan van de betalingsverplichting en\u002Fof de cessie voldoende is, van wezenlijk belang voor de rechtspraktijk.\n\n4.15.. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen.\n\nSlotsom4.16.. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van Kracht! tot betaling van wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten van Kracht! zal worden afgewezen.\n\n4.17.. Kracht! wordt in de procedure in conventie dus in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van NN worden begroot op:\n\n - salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n - nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\n Totaal\n\n€\n\n217,50\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.19.. De vordering van NN in reconventie is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval dat enige vordering van [naam] tot voldoening van buitengerechtelijke kosten rechtsgeldig aan Kracht! is overgedragen.\n\n4.20.. De kantonrechter heeft in conventie echter geoordeeld dat dit niet het geval is. Daarom zal de kantonrechter vaststellen dat aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet is voldaan.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter,\n\nIn conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Kracht! af,\n\n5.2.. veroordeelt Kracht! in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Kracht! niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Kracht! tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n5.4.. verstaat dat de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet is vervuld,\n\nIn conventie en in voorwaardelijke reconventie\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n ECLI:NL:HR:1991:ZC0247, r.o. 3.3.\n\n ECLI:NL:RBZUT:2008:BD7124, r.o. 2.19.\n\n Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:94 BW, aant. 1.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9388","2026-04-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.429Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":42,"updatedAt":60},"925","ECLI:NL:GHDHA:2026:502","ecli-nl-ghdha-2026-502","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nAfdeling Civiel recht\n\nZaaknummer : 200.347.986\n\nZaaknummer rechtbank : C\u002F10\u002F665819 \u002F HA ZA 23-819\n\narrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nFinancieel Bureau 10 B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam,\n\nappellante,\n\nhierna: Bureau 10,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,\n\ntegen\n\nKonfor Home Capelle B.V.\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\ngeïntimeerde,\n\nhierna te noemen: Konfor Home,\n\nadvocaat: mr. I. Atar te Naarden die zich als zodanig heeft onttrokken.\n\n1. Waar het in deze zaak over gaat\n\nDoor een defecte sprinklerinstallatie in een gehuurde loods heeft Konfor Home waterschade geleden aan door haar opgeslagen meubels. De verzekeraar heeft de schade niet vergoed omdat in de polisvoorwaarden is bepaald dat de sprinklerinstallatie moet zijn gecertificeerd. De betreffende sprinklerinstallatie was dat niet. De vraag in deze zaak is of de assurantietussenpersoon, Bureau 10, aansprakelijk is voor de schade omdat zij haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden door haar onvoldoende te wijzen op de voor verzekerings-dekking cruciale verzekeringsvoorwaarde. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze zorgplicht is geschonden en heeft Bureau 10 veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Konfor Home geen verweer gevoerd. Het hof acht de grieven inzake de schending van de zorgplicht en het causaal verband gegrond en wijst de vordering van Konfor Home alsnog af.\n\n2. Het procesverloop\n\nBij exploot van 17 september 2024 is Bureau 10 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 24 april 2024 en 28 augustus 2024. Dit hof heeft bij arrest van 7 januari 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Vervolgens heeft mr. Atar zich als procesvertegenwoordiger van Konfor Home onttrokken. De mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Bij memorie van grieven heeft Bureau 10 elf grieven aangevoerd. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen, waarna Bureau 10 arrest heeft gevraagd.\n\n3. De feiten\n\nIn rechtsoverweging 2 van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt deze vaststelling op een punt bestreden, wat (zie hierna onder 6.2) tot een kleine aanpassing leidt. Het hof gaat verder uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. Bureau 10 is een assurantietussenpersoon. Konfor Home exploiteert een keten van meubelwinkels.\n\n3.2.. In 2019 heeft Konfor Home de verzekeringen voor haar winkels ondergebracht bij Bureau 10.\n\n3.3.. \n\nBureau 10 heeft ten behoeve van Konfor Home via een volmachtbedrijf een Bedrijven Totaalplan-pakket bij (een rechtsvoorganger van) Nationale Nederlanden (hierna: NN) afgesloten. Op de verzekering zijn de voorwaarden BB-MKB Brand bedrijven 01-2016\n\nvan toepassing verklaard (hierna: de voorwaarden). Artikel 2.13.1 onder de kop\n\n“lnventaris\u002FGoederen” van deze voorwaarden luidt, voor zover van\n\nBelang, als volgt:\n\n “2.13 Water en stoom\n\nTen aanzien van de sprinklerinstallatie bestaat uitsluitend dekking indien deze installatie op het moment van de schade is voorzien van een geldig certificaat van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging.”\n\n3.4.. In oktober 2020 heeft Konfor Home een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een opslagloods aan het Roer 20 in Rotterdam (hierna: het magazijn). In dit pand was een sprinklerinstallatie aanwezig.\n\n3.5.. In november 2020 heeft de bestuurder van Bureau 10, [bestuur] , het magazijn op verzoek van Konfor Home bezocht. Dit bezoek vond plaats in het kader van de wens van Konfor Home om (ook) dat gebouw onder de hiervoor bedoelde verzekering te brengen.\n\n3.6.. Op diezelfde dag is het magazijn op verzoek van Bureau 10 onder de verzekeringsdekking gebracht.\n\n3.7.. De sprinklerinstallatie in het magazijn is niet gecertificeerd.\n\n3.8.. Op 11 mei 2021 is de hoofdleiding van de sprinklerinstallatie in het magazijn gesprongen. Daardoor is schade ontstaan aan de in het magazijn aanwezige voorraad van Konfor Home. De schade is door een onafhankelijke expert vastgesteld op € 52.498,50 inclusief btw.\n\n3.9.. Nationale Nederlanden heeft dekking geweigerd wegens het ontbreken van een geldig certificaat voor de sprinklerinstallatie (artikel 2.13.1 van de voorwaarden).\n\n4. De procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. In eerste aanleg heeft Konfor Home gevorderd i) te verklaren voor recht dat Bureau 10 haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade, ii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 52.498,50 te vermeerderen met de wettelijke rente, iii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 1.299,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en iv) Bureau 10 te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n\nBij mondeling tussenvonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij door Bureau 10 niet is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Aansluitend aan deze mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft de rechtbank de al op de zitting aanwezige getuigen gehoord. Op een later moment is, in contra-enquête, nog een getuige gehoord. Bij eindvonnis van 28 augustus 2024 is Bureau 10 veroordeeld tot betaling van\n\n€ 42.887,19 te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, door de rechtbank begroot op € 1.203,87 en tot betaling van de proceskosten.\n\n5. De vordering en het verweer in hoger beroep\n\n5.1.. Bureau 10 vordert het eindvonnis van 28 augustus 2024 te vernietigen en Konfor Home te veroordelen tot betaling van al hetgeen naar aanleiding van dat vonnis door Bureau 10 reeds is betaald, zijnde ten minste € 53.881,94, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2024, althans vanaf 27 mei 2025 en Konfor Home te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5.2.. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen.\n\n6. De beoordeling in hoger beroep\n\nDevolutieve werking\n\n6.1.. Het hof stelt voorop dat, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de grieven moeten worden beoordeeld mede met inachtneming van hetgeen Konfor Home in eerste aanleg heeft aangevoerd.\n\nDe feiten (eerste grief)\n\n6.2.. Met de eerste grief komt Bureau 10 op tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 2.6 opgenomen datum van het bezoek van de bestuurder van Bureau 10 aan het magazijn. In het vonnis is vermeld dat dit bezoek op 17 november 2020 heeft plaatsgevonden. Volgens Bureau 10 was dat op 12 november 2020. Nu het bezoek ingevolge de stellingen van partijen hoe dan ook in november 2020 heeft plaatsgevonden, heeft het hof hiervoor onder 3.5 het feit in die zin aangepast, zodat de eerste grief geen verdere bespreking behoeft en niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.\n\nDe zorgplicht (grieven twee tot en met vijf)\n\n6.3.. De tweede tot en met de vijfde grief richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden.\n\n6.4.. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon houdt in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.\n\n6.5.. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat (ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv) op Konfor Home de stelplicht en de bewijslast rusten van de omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar stelling dat Bureau 10 is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Van Bureau 10 mag worden verwacht dat zij haar betwisting voldoende motiveert door aan te voeren wat zij ter voldoening aan haar zorgplicht heeft gedaan, maar bewijzen hoeft zij deze motivering niet.\n\n6.6.. Konfor Home heeft gesteld dat zij tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 aan Bureau 10 heeft gevraagd om een deugdelijke verzekering af te sluiten voor de door haar opgeslagen goederen in het magazijn. Vervolgens heeft Bureau 10 de verzekering afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) NN. Konfor Home betoogt niet bekend te zijn met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie waar NN een beroep op doet. Daardoor wist Konfor Home niet dat het ontbreken van een certificaat voor de sprinklerinstallatie reden tot afwijzing van de claim zou zijn. Bureau 10 heeft Konfor Home niet geïnformeerd over deze voorwaarde, aldus Konfor Home (in haar inleidende dagvaarding bij de rechtbank) en Bureau 10 was blijkens een e-mailbericht van een van haar medewerkers ( [medewerker] ) zelf ook niet op de hoogte van deze voorwaarde.\n\n6.7.. De rechtbank heeft overwogen dat, anders dan voor wat betreft de op deze verzekering van toepassing zijnde clausules, voor wat betreft de toepasselijke voorwaarden (waaronder de hier in het geding zijnde voorwaarde dat de sprinklerinstallatie gecertificeerd moet zijn) uit de stukken niet kan worden afgeleid dat Bureau 10 Konfor Home over de inhoud daarvan heeft geïnformeerd. De toepasselijkheid van de voorwaarden is op zichzelf wel vermeld op het aanvraagformulier en op het polisblad, maar die stukken bieden geen informatie over de inhoud van de voorwaarden. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft Bureau 10 bovendien erkend dat zij alleen het polisblad en niet ook de toepasselijke voorwaarden aan Konfor Home heeft gemaild. Bureau 10 heeft ook niet gesteld dat zij tijdens het doornemen van het aanvraagformulier of op een ander moment, bijvoorbeeld toen later in 2020 ook het magazijn onder de verzekering werd gebracht, heeft gesproken over de toepasselijkheid en de inhoud van die voorwaarden (zie overweging 4.5 van het vonnis).\n\n6.8.. Bureau 10 heeft betoogd dat haar bestuurder tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 uitdrukkelijk tegen de bestuurder van Konfor Home heeft gezegd dat certificering van de sprinklerinstallatie een voorwaarde is voor verzekeringsdekking. De rechtbank heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij niet door Bureau 10 is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Ter uitvoering van die bewijsopdracht zijn aansluitend aan de mondelinge behandeling als getuigen gehoord [magazijnbeheerder] (als magazijnbeheerder en hoofd logistiek in dienst van Konfor Home), [huurincassospecialist] (huurincassospecialist) en [bestuurder] (de bestuurder van Konfor Home). In contra-enquête is als getuige gehoord [bestuur] (de bestuurder van Bureau 10). Later, op 17 juni 2024, is ook als getuige gehoord [magazijnmedewerker] (magazijnmedewerker in dienst van Konfor Home).\n\nDe getuigenverklaringen\n\n [magazijnbeheerder]6.9.. heeft verklaard niet steeds bij het gesprek aanwezig te zijn geweest, maar voor zover hij er bij was, is het niet gegaan over een certificaat voor de sprinklerinstallatie. Daarover heeft hij ook achteraf niets gehoord.\n\n [huurincassospecialist]6.10.. \n\n [huurincassospecialist] heeft verklaard aanwezig te zijn geweest tijdens het hele bezoek door Bureau 10 in november 2020 aan het magazijn. Hij blijft bij hetgeen hij in zijn e-mail van 18 mei 2023 heeft geschreven. In die mail staat, voor zover relevant:\n\n“Terwijl ik aankwam zag ik Dhr [bestuur] op de locatie, ik kan goed herinneren dat Dhr [bestuurder] ons opwachtte en we gingen een rondje maken door het bedrijfspand. Het eerste wat mij opviel was de grootte van het pand ten tweede wat mij opviel was het dringend advies direct door Dhr [bestuur] aan Dhr [bestuurder] op met hele hoge spoed vlonders aan te leggen door het pand heen waar de voorraad op kan staan ipv direct op de vloer van het pand. Dit ter voorkoming van schade ivm lekkage en waterschade en ook vereisten vanuit de verzekering.\n\nDhr [bestuur] heeft dit zeker 4 keer benadrukt aan Dhr [bestuurder] . Dusdanig dat ik zelfs als bezoeker het heb kunnen onthouden.\n\nDhr. [bestuur] heeft ook direct advies gegeven over het aanleggen van brandveiligheid instrumenten door het pand heen en ook advies gegeven omtrent alarmering.\n\nDus 3 aspecten:\n\nDe voorraad mag de directe vloer niet raken. Brandveiligheid instrumenten moeten aangelegd worden. En iets over klasse alarm bepaalde specifieke klasse die Mr [bestuurder] moest hebben.”\n\nOp de vraag van de rechtbank aan [huurincassospecialist] of het ook is gegaan over certificering van de sprinklerinstallatie heeft hij als getuige verklaard:\n\n“Mijn antwoord is ja, het ging vooral over de partij die bepaalde werkzaamheden zou gaan verrichten, het was belangrijk dat het niet zomaar een willekeurige partij zou zijn, want het ging om de certificering omwille van de verzekering. Het woord certificering is echt genoemd, dat weet ik heel zeker.”\n\n [bestuurder]6.11.. heeft verklaard [bestuur] te hebben gewezen op de sprinklerinstallatie en dat er geen certificering is. Volgens [bestuurder] heeft [bestuur] daarop gezegd: “Dat is geen probleem, we gaan dat oplossen”. Het gesprek is verder meer gegaan over pallets. Hij heeft verder niets gehoord over certificering.\n\n [bestuur]6.12.. heeft verklaard tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 te hebben gesproken over de noodzaak om de sprinkler te laten certificeren. Hij heeft verklaard te hebben gesproken over brandveiligheid, alarm, calamiteitenplan en vlonders. Dat zijn vaste onderdelen als hij bij een klant op inspectie gaat. Het punt van de certificering van de sprinkler hoort bij het onderwerp brandveiligheid. Volgens [bestuur] heeft [bestuurder] tijdens dat bezoek niet gezegd dat de sprinklerinstallatie niet gecertifieerd was.\n\n [magazijnmedewerker]6.13.. heeft als getuige verklaard tijdens het bezoek van Bureau 10 aan het magazijn in november 2020 aan het werk te zijn geweest. Op de vraag of hij heeft gezien dat [huurincassospecialist] tijdens dat bezoek ook aanwezig was heeft hij verklaard dat er niemand anders bij het gesprek aanwezig was. [bestuur] en [bestuurder] waren er met zijn tweeën.\n\n6.14.. De rechtbank heeft in overweging 4.6 geconcludeerd dat de getuigenverklaringen lijnrecht tegenover elkaar staan. Vervolgens heeft de rechtbank in overweging 4.7 overwogen dat bij de verdere beoordeling van de schending van de zorgplicht in het midden kan worden gelaten of de bestuurder van Bureau 10 tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 nu wel of niet heeft gewezen op de noodzaak van certificering van de sprinklerinstallatie. Zelfs indien dat het geval zou zijn, dan nog is de rechtbank van oordeel dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden. In dat geval is het bezoek in november 2020 het enige moment geweest waarop Bureau 10 Konfor Home heeft gewezen op de in de voorwaarden opgenomen dekkingsvoorwaarde van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, aldus de rechtbank.\n\n6.15.. In hoger beroep is door Bureau 10 (zie randnummers 2.34 en 2.35 memorie van grieven) aangevoerd dat ook bij de totstandkoming van de verzekering Konfor Home door Bureau 10 niet alleen is geïnformeerd over de in het polisblad opgenomen clausules, maar ook uitgebreid is geïnformeerd over de pijlers Brand & Veiligheid, waarbij Konfor Home expliciet erop is gewezen dat alle installaties, waaronder de sprinklerinstallatie, gekeurd en gecertificeerd moeten zijn. Zij voegt daaraan toe dat Bureau 10 in totaal vier zakelijke verzekeringen voor de vier (aparte) vestigingen van Konfor Home heeft afgesloten, drie van deze vier vestigingen (ook) heeft bezocht en Konfor Home telkenmale heeft geïnformeerd over de door de verzekeraar gehanteerde clausules, daaronder valt in alle gevallen de eis van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, en (algemene) voorwaarden. Deze laatste stelling is in eerste aanleg niet gevoerd en is in hoger beroep niet weersproken. Konfor Home heeft in eerste aanleg gesteld dat zij niet bekend was met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie en dat zij door Bureau 10 hierover niet is geïnformeerd, maar zij is daarmee niet ingegaan op de mededelingen waarop Bureau 10 zich nu aanvullend beroept, in het bijzonder die in het kader van de andere verzekeringen die, zoals vaststaat, aan de overeenkomst met betrekking tot het magazijn Roer 20 voorafgingen. Ook de bewijslevering van Konfor Home had hierop geen betrekking. Zo deze stellingen al niet als onvoldoende weersproken vaststaan, is in elk geval sprake van een nadere motivering van het door Bureau 10 gevoerde verweer (betwisting) tegen de stelling van Konfor Home. Die motivering wordt ook niet ontkracht of ongeloofwaardig gemaakt door het enkele e-mailbericht van [medewerker] . Uit dat bericht kan niet worden afgeleid dat niemand bij Bureau 10, en dus ook niet ook degenen die de aanvraag hebben behandeld en die de bezoeken aan de locaties hebben afgelegd, van de certificeringseis op de hoogte was.\n\n6.16.. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de schending van de zorgplicht niet is komen vast te staan. Dat Bureau 10 tijdens het bezoek aan Roer 2020 niet heeft gewezen op de certificeringseis kan, gelet op de lijnrecht tegenover elkaar staande getuigenverklaringen en het ontbreken van ander bewijs, niet als afdoende bewezen worden aangenomen. Als Konfor Home, zoals Bureau 10 heeft aangevoerd, al veelvuldig, bij meerdere gelegenheden, mondeling was gewezen op de noodzaak van certificering voor een sprinklerinstallatie, was het niet nodig om dat (na het bezoek aan het magazijn) nog een keer in een e-mail of WhatsApp bericht te zetten. Een assurantietussenpersoon is ook niet zonder meer verplicht achteraf nog te controleren of de verzekerde zijn advies daadwerkelijk heeft opgevolgd (zoals Bureau 10 ook heeft betoogd). Periodieke controles volstaan doorgaans. Het hof ziet geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit Bureau 10 had moeten afleiden dat Konfor Home ondanks de gedane mededelingen nog niet van de hoed en de rand wist en nog onvoldoende van de noodzaak van certificering was doordrongen. Konfor Home heeft nog gesteld dat zij Bureau 10 bij het bezoek aan Roer 20 heeft gewezen op het ontbreken van een certificering en daarbij heeft verzocht om een passende verzekering, waarop Bureau 10 (volgens [bestuurder] als getuige) zou hebben gezegd dat zij dit zou oplossen. Bureau 10 heeft dit alles echter betwist en het bewijs van deze stelling is, ook door de in eerste aanleg gehoorde getuigen, niet geleverd. Omdat Konfor Home in hoger beroep geen nadere uitwerking aan deze stelling heeft gegeven en ook geen nader bewijs aanbiedt, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Dat Bureau 10 na het bezoek in november 2020 aan het magazijn Konfor Home via WhatsApp wel heeft herinnerd aan het plaatsen van de meubels op pallets en het installeren van een alarm, maar de noodzaak van een gecertificeerde sprinklerinstallatie daarbij niet heeft genoemd, heeft Bureau 10 (onweersproken) verklaard door aan te voeren dat Bureau 10 had geconstateerd dat een alarm geheel ontbrak en dat dit punt van de pallets nieuw was; anders dan de noodzaak van certificering die al herhaaldelijk was besproken.\n\n6.17.. Al met al heeft Bureau 10 in hoger beroep ter betwisting van de stelling van Konfor Home Bureau 10 voldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen dragen dat geen sprake is van schending van haar zorgplicht. Zo al kan worden gezegd dat Konfor Home voldoende tegenover dit verweer heeft gesteld – het hof is van oordeel dat dat niet het geval is – moet in elk geval worden geconcludeerd dat Konfor Home haar stelling niet heeft bewezen en dat zij geen specifiek aanbod heeft gedaan om dit bewijs alsnog te leveren.\n\n6.18.. De conclusie is dat de grieven twee tot en met vijf doel treffen.\n\nCausaal verband tussen schending zorgplicht en de schade (grieven zes en zeven)\n\n6.19.. Nu het hof van oordeel is dat de zorgplicht niet is geschonden, komt het in beginsel niet toe aan de vraag of er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming van Bureau 10 (de schending van de zorgplicht) en de schade. Niettemin ziet het hof aanleiding te overwegen dat ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat de zorgplicht wel is geschonden, de vordering strandt, maar dan op het ontbreken van causaal verband. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n6.20.. Om te komen tot een antwoord op de vraag of de schending van de zorgplicht door Bureau 10 tot schade heeft geleid, moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: 1) de feitelijke situatie met de schending van de zorgplicht (waarin dekking voor de schade van Konfor Home is geweigerd door NN) en 2) de hypothetische situatie zonder die schending. In de laatste situatie gaat het om het antwoord op de vraag wat Konfor Home feitelijk zou hebben gedaan zonder de schending van de zorgplicht door Bureau 10. De stelplicht en de bewijslast van het causaal verband rusten ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op Konfor Home. Omdat Bureau 10 door haar hier tot uitgangspunt te nemen zorgplichtschending Konfor Home de mogelijkheid heeft ontnomen om daadwerkelijk te ervaren wat zonder die normschending zou zijn gebeurd, kunnen in dit verband geen al te strenge eisen worden gesteld aan de stellingen van Konfor Home.\n\n6.21.. Konfor Home heeft (in eerste aanleg) gesteld dat als zij tijdig van de noodzaak van een geldig certificaat op de hoogte was geweest, zij alsnog alles in het werk zou hebben gesteld om van de verhuurder van het magazijn een certificaat te verkrijgen. Ook zou zij er in dat geval voor hebben kunnen kiezen haar meubels in een ander pand op te slaan.\n\n6.22.. \n\nBureau 10 heeft betwist (zowel in eerste aanleg als bij memorie van grieven in hoger beroep) dat Konfor Home (tijdig) certificering van de sprinklerinstallatie had kunnen verkrijgen. Bureau 10 verwijst daarvoor naar de e-mail van de verhuurder van het magazijn, Spee Vastgoedbeheer B.V., van 29 oktober 2021 (productie 15 conclusie van antwoord) waarin staat:\n\n“Zoals u weet hebben wij i.o.m. de huurders en installateurs afgesproken dat de installatie in stand word gehouden totdat het object definitief wordt gesloopt. Dit is ook de reden dat de looptijd van de huurovereenkomsten zeer kort zijn. Certificering is op korte termijn ook helemaal niet haalbaar, want tegen de tijd dat de installatie gecertificeerd is zal het object zijn gesloopt. Overigens kunnen wij u melden dat in september 2021 het onderhoud nog is uitgevoerd.”\n\n6.23.. Naar deze mail (die dateert van een jaar na het afsluiten van de verzekering) is ook in eerste aanleg door Bureau 10 verwezen, waarop Konfor Home ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft betoogd dat uit een gesprek met KIWA is gebleken dat certificering op korte termijn wel mogelijk was, hetgeen ter zitting in eerste aanleg door Bureau 10 is betwist. Enig bewijs van de stelling – bijvoorbeeld een verklaring van KIWA – heeft Konfor Home niet geleverd of aangeboden. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat in november 2020, toen de verzekering werd afgesloten en Bureau 10 het magazijn had bezocht, nog een geldige certificering had kunnen worden verkregen. Het standpunt van de verhuurder – van wie Konfor Home in dit opzicht afhankelijk was – wijst er overigens ook niet direct op dat hij van plan was zich – voor dit te slopen pand – nog in te zetten voor het verkrijgen van een certificering.\n\n6.24.. Dat Konfor Home, bij deugdelijke voorlichting over de certificeringseis, ervoor zou hebben gekozen haar meubels in een ander pand op te slaan of bij de keuze voor een opslagruimte met deze eis rekening zou hebben gehouden, wordt betwist door Bureau 10. Daartoe wijst Bureau 10 onder meer naar de omstandigheid (zie randnummer 2.47 memorie van grieven) dat Konfor Home herhaaldelijk gebruik maakt van tijdelijke huurovereenkomsten ter voorkoming van kraak, waarbij niet (zonder meer) geldt dat de verhuurder onderhoudsverplichtingen heeft en waarbij de huurprijs aanzienlijk lager is dan bij reguliere huur van een bedrijfspand. Daaruit blijkt volgens Bureau 10 dat Konfor Home bij de selectie van een opslagruimte andere factoren, zoals de lagere kosten aan huurpenningen, zwaarder laat meewegen dan de cruciale voorwaarden die betrekking hebben op dekking onder een verzekering.\n\n6.25.. In randnummer 2.51 van de memorie van grieven voert Bureau 10 aan dat Konfor Home eveneens heeft nagelaten een alarminstallatie aan te leggen, wat volgens Bureau 10 de conclusie rechtvaardigt dat Konfor Home ook het advies van Bureau 10 (in de hypothetische situatie zonder schending van de zorgplicht) om de sprinklerinstallatie te certificeren niet zou hebben opgevolgd. In eerste aanleg heeft Konfor Home betoogd wel achter de sprinklerinstallatie aan te zijn gegaan in het geval zij zou hebben geweten dat dit een vereiste is voor verzekeringsdekking en heeft zij, zoals de rechtbank in 4.15 heeft overwogen, toegelicht dat het aan de verhuurder was te wijten dat een eerdere verzekering wegens het niet naleven van voorschriften, is geroyeerd. Dat alles neemt echter niet weg dat nu in hoger beroep onweersproken gesteld wordt (en daarmee vaststaat) dat Konfor Home geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de alarminstallatie (waarop Bureau 10 haar wel heeft gewezen).\n\n6.26.. Gelet op het voorstaande is het hof van oordeel dat, hoewel aan de stellingen van Konfor Home over het causaal verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, de stellingen van Konfor Home door Bureau 10 zodanig zijn weersproken dat een nadere toelichting of onderbouwing van haar gevergd kon worden. Omdat deze ontbreken, net als een voldoende gespecifieerd bewijsaanbod, is het vereiste causaal verband niet komen vast te staan.\n\n6.27.. De conclusie is dat ook de grieven zes en zeven gegrond zijn.\n\nOverige grieven\n\n6.28.. Het slagen van de grieven twee tot en met zeven brengt mee dat de vordering van Konfor Home alsnog - als ongegrond - moet worden afgewezen. De overige grieven inzake eigen schuld (grief acht), voordeelstoerekening (grief negen), de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de veeggrief 11 behoeven geen bespreking meer.\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n6.29.. \n\nVoor zover het hoger beroep ook is gericht tegen de mondelinge uitspraak van\n\n24 april 2024 geldt dat tegen die uitspraak geen grieven zijn gericht, zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk is.\n\nConclusie, proceskosten en terugbetaling\n\n6.30.. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om de vordering alsnog geheel af te wijzen. Het hof zal Konfor Home, als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n6.31.. Die kosten zullen voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Bureau 10 zullen worden vastgesteld op:\n\nGriffierecht € 2.837,00\n\nSalaris advocaat € 3.642,00(3 punten x tarief IV € 1.214,00)\n\nTotaal € 6.479,006.32.. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bureau 10 zullen vastgesteld worden op:\n\nExplootkosten € 115,22\n\nGriffierechten € 2.175,00\n\nSalaris advocaat € 2.353,00 (1 punt x tarief IV € 2.352,00 )\n\n- Nasalaris € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 4.832,22\n\n6.33.. Het hof zal de vordering van Bureau 10 tot veroordeling van Konfor Home om terug te betalen wat zij heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest omdat daarvoor geen sprake is van verzuim.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. verklaart Bureau 10 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2024;\n\n7.2.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024;\n\n7.3.. wijst de vordering van Konfor Home alsnog af;\n\n7.4.. veroordeelt Konfor Home tot terugbetaling aan Bureau 10 van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit arrest tot aan de voldoening;\n\n7.5.. veroordeelt Konfor Home in de kosten van het hoger beroep van € 4.832,22 en in die van de eerste aanleg van € 6.479,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Konfor Home niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Konfor Home € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\n7.6.. veroordeelt Konfor Home in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;\n\n7.7.. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.8.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, P.M. Verbeek en J.N. de Blécourt en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:502","2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.829Z",20]