[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-12-30T00:00:00.000Z","2026-03-31T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122715","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 217",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124387","Burgerlijk Wetboek","art. 7:268 lid 3",[31,42],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":41},"1848","ECLI:NL:GHDHA:2026:468","ecli-nl-ghdha-2026-468","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.357.918\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11447058 \\ CV EXPL 24-4000\n\nArrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\n2. [appellant 2] ,\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. A.C. Mens, te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n1. WOONSTICHTING STEK,\n\ngevestigd te Hillegom,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon, te Rotterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant 1] , [appellant 2] of gezamenlijk [appellant 1] c.s. enerzijds en Stek anderzijds.1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst met Stek mag voortzetten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat van het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de inmiddels overleden huurder geen sprake was en heeft [appellant 1] c.s. veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en concludeert daarnaast dat [appellant 1] c.s. niet de vereiste huisvestingsvergunning heeft. Anders dan de kantonrechter, verklaart het hof de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad. Stek kan dus niet ontruimen zolang er nog een rechtsmiddel open staat of is aangewend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 31 juli 2025 met grieven en bijlagen, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Leiden) van 25 juni 2025 (het bestreden vonnis);\n\nde conclusie van antwoord in het incident van 26 augustus 2025;\n\nde e-mail van 8 september 2025 tot intrekking van de vordering in het incident;\n\nde memorie van antwoord van 21 oktober 2025 met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. Tussen (de rechtsvoorganger van) Stek en de heer [naam] (hierna: [naam] ) is per 1 juli 2003 een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de woning aan de [woonplaats] (hierna: de woning).3.2. Uit de basisregistratie blijkt dat [appellant 1] c.s. op het adres van de woning staan ingeschreven.3.3. Op 28 juli 2024 is [naam] overleden. Hij verbleef op dat moment in Marokko.3.4. Op 25 september 2024 heeft de dochter van [naam] (tevens erfgenaam) de huurovereenkomst namens de erfgenamen opgezegd tegen 25 oktober 2024. De huuropzegging is op diezelfde dag bevestigd door Stek. Daarbij heeft Stek aangegeven dat op 26 september 2024 de voorinspectie en op 25 oktober 2024 de eindinspectie zal plaatsvinden.3.5. Op 26 september 2024 bracht Stek een bezoek aan de woning in verband met de (aangekondigde) voorinspectie. De woning is geïnspecteerd op twee afgesloten slaapkamers na. Dat zijn de kamers waarvan [appellant 1] en [appellant 2] gebruik maken. De erven van [naam] hebben aan Stek verklaard [appellant 1] en [appellant 2] niet te kennen.3.6. De gemachtigde van [appellant 1] c.s. heeft in een brief van 8 oktober 2024 aan Stek bericht dat [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 BW voortzetten en niet aan de ontruiming van de woning zullen meewerken. Op 25 oktober 2024 heeft geen eindinspectie en oplevering van de huurwoning plaatsgevonden.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant 1] c.s. hebben Stek gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat zij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning met Stek mogen voortzetten. Stek heeft verweer gevoerd. Verder heeft Stek in reconventie gevorderd dat [appellant 1] c.s. worden veroordeeld tot ontruiming van de woning, uitvoerbaar bij voorraad.4.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 juni 2025 de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen en hen in reconventie veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [appellant 1] c.s. zijn in de kosten van het geding veroordeeld.4.3. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst totdat in hoger beroep op de op artikel 7:268 lid 2 BW gebaseerde vordering van [appellant 1] c.s. is beslist.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant 1] c.s. vorderen dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de beslissing op hun conventionele vordering om het huurrecht met betrekking tot de woning voort te zetten aan te houden nadat getuigen zijn gehoord en het hof in deze procedure arrest heeft gewezen. Bij incident hebben zij gevorderd dat het hof de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning schorst totdat onherroepelijk op hun conventionele vorderingen is beslist. Doordat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 al is geschorst hebben zij die incidentele vordering weer ingetrokken.5.2. Stek concludeert dat het hof het hoger beroep van [appellant 1] c.s. ongegrond verklaart en het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten in hoger beroep.6. Beoordeling in hoger beroepOnvoldoende gesteld voor duurzame gemeenschappelijke huishouding6.1. De vordering van appellanten in hoger beroep strekt strikt genomen niet tot toewijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen van [appellant 1] c.s. , maar strekt ertoe dat iedere beslissing wordt aangehouden totdat getuigen zijn gehoord. Feitelijk is de vordering niets anders dan een bewijsaanbod. Zonder handhaving van de in eerste aanleg geformuleerde vordering bestaat daarbij geen belang. Omdat Stek er kennelijk ook vanuit gaat dat de vordering uit eerste aanleg ondanks de tekst van het petitum is gehandhaafd, zal het hof daar ook van uitgaan.6.2. Volgens [appellant 1] c.s. woont [appellant 2] al meer dan 20 jaar en [appellant 1] al bijna 12 jaar met [naam] in de woning. Volgens hen was er sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat zij [naam] hielpen met het huishouden, zij de kosten daarvan deelden en zij [naam] hielpen met zijn gezondheidsklachten. Stek betwist dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.6.3. Het hof overweegt dat een persoon die in de woonruimte hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad op grond van artikel 7:268 lid 2 BW de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder, en ook daarna als de rechter dit heeft bepaald op een vordering van die persoon, ingediend binnen de termijn van zes maanden en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Die persoon moet aan de volgende voorwaarden voldoen om de huur te mogen voortzetten: a) hij moet zijn hoofdverblijf in de woning hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd; b) hij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en c) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke Huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet hij in de procedure een huisvestingsvergunning over (kunnen) leggen. De rechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan (een van) deze drie voorwaarden is voldaan (artikel 7:268 lid 3 BW).6.4. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant 1] c.s. samen met [naam] in de woning woonden en daar hun hoofdverblijf hadden. Dat betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of zij met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden. Bij die beoordeling moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd, waarbij mede van belang kan zijn of de overleden huurder en degene die aanspraak maakt op voortzetting van de huur gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting of de kosten van levensonderhoud, alsmede of die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen.Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht.Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, dan moet de samenwoner voldoende concrete feiten over de gestelde gemeenschappelijke huishouding aanvoeren om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten. Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van een gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat wel sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.6.5. Doordat [appellant 1] c.s. zich op het standpunt stellen dat zij een gemeenschappelijke huishouding hadden met [naam] , rust op hen dus een verzwaarde stelplicht. Met hun eerste grief stellen [appellant 1] c.s. dat zij daar aan de hand van bankafschriften en drie verklaringen van getuigen aan hebben voldaan en dat zij verder alleen door middel van getuigenbewijs de gemeenschappelijke huishouding kunnen bewijzen. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] c.s. niet aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan en licht dat toe als volgt.6.6. Uit de door [appellant 1] c.s. overgelegde bankafschriften blijkt dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag overmaakten. Volgens hen was dat voor de huur en energielasten en hebben zij alle overige kosten voor de huishouding voldaan. Uit de bankafschriften blijkt echter niet dat zij gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van levensonderhoud en huisvesting. In eerste aanleg heeft Stek dat reeds gemotiveerd betwist, door erop te wijzen dat er alleen kosten voor boodschappen uit blijken, maar dat die kosten geenszins de kosten voor drie volwassen mannen dekken. Ondanks die specifieke betwisting van Stek en de overweging van de kantonrechter dat de bankafschriften niet getuigen van een gemeenschappelijke huishouding, hebben [appellant 1] c.s. ook in dit hoger beroep geen concrete feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.6.7. Ook uit de door hen overgelegde verklaringen blijken geen concrete feiten waaruit het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding kan worden afgeleid. Daartoe overweegt het hof dat het voor buitenstaanders in het algemeen lastig zal zijn om wetenschap te hebben van de huishouding waar zij zelf geen deel van uitmaken. Waarom deze getuigen daar wel specifiek over kunnen verklaren blijkt niet uit de verklaringen en is door [appellant 1] c.s. ook niet toegelicht. Die verklaringen zijn volledig identiek, in algemene bewoordingen opgesteld en niet voorzien van enige feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit blijkt dat de ondertekenaars daadwerkelijk op de hoogte waren van de gestelde samenwoning, en waarop die verklaringen op zijn gebaseerd. Die verklaringen zijn aldus onvoldoende concreet om als onderbouwing van een gemeenschappelijke huishouding te dienen, laat staan dat ze iets zeggen over de duurzaamheid daarvan. Ook bij de duurzaamheid van de samenwoning zijn namelijk de nodige vragen te stellen: [appellant 1] en [appellant 2] zijn beiden gehuwd en hebben niet verklaard waarom zij desondanks een duurzame huishouding met een ander voeren. Daarnaast heeft Stek onbetwist en onderbouwd gesteld dat [appellant 1] met zijn echtgenote Mabruk en hun vier kinderen ingeschreven staan als woningzoekende en dat hij reageert op het woningaanbod.6.8. In hoger beroep hebben [appellant 1] c.s. niets over de verzorging van (de gezondheidsklachten van) [naam] aangevoerd. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat de gemeenschappelijke huishouding uit die verzorging blijkt, komt het hof tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Stek dat [naam] in december 2023 al naar Marokko is vertrokken toen hij ziek werd en [appellant 1] c.s. hem dus niet hoefden te verzorgen hebben zij immers ook geen feiten en\u002Fof omstandigheden aangevoerd.6.9. Daarom komt het hof tot het oordeel dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [naam] ook in hoger beroep onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Dat betekent dat het hof niet aan bewijslevering toekomt, zodat het bewijsaanbod van [appellant 1] c.s. om enkele getuigen te horen wordt verworpen. Het hof wijst de vordering tot voortzetting van de huur van de woning door [appellant 1] c.s. dan ook af. Daarmee is het hof dus ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. geen recht of titel hebben om in de woning te blijven en laat het de veroordeling tot ontruiming in stand. Aangezien de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. uitgaan van het standpunt dat [appellant 1] c.s. in de woning mogen blijven, liggen die grieven voor afwijzing gereed. Ten aanzien van grief 4 voegt het hof daar het volgende aan toe. Zoals hierna zal blijken, is grief 2 terecht voorgesteld. Dat heeft echter geen gevolgen voor de conclusie dat [appellant 1] c.s. in eerste aanleg de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij waren, zodat zij terecht in de kosten zijn veroordeeld.6.10. \n\nHet hof overweegt nog het volgende. Stek heeft al in eerste aanleg gesteld dat voor de woning een huisvestingsvergunning nodig is en dat [appellant 1] c.s. deze niet hebben overgelegd. [appellant 1] c.s. hebben dat niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Op grond van artikel 7:268 lid 3 BW moet de vordering (ook) worden afgewezen indien [appellant 1] c.s. die huisvestingsvergunning niet overleggen. Zij hebben dat niet gedaan. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof ook bij het slagen van de grieven de vordering op deze grond zou moeten afwijzen.\n\nGeen grondslag voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring bestreden vonnis6.11. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering tot ontruiming toegewezen met de motivering dat niets zich daartegen verzet. Met hun tweede grief komen [appellant 1] c.s. op tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming van de woning in het vonnis. Volgens hen is dat in strijd met artikel 7:268 lid 2 BW. Volgens Stek verzet dat artikel zich niet tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming en voor zover dat wel het geval zou zijn, dan maken [appellant 1] c.s. volgens haar misbruik van recht.6.12. Het hof overweegt dat artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat een samenwoner de huur voortzet zolang op zijn daartoe strekkende vordering niet onherroepelijk is beslist. Anders dan Stek stelt, volgt uit dat artikel dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een tegenvordering tot ontruiming van de woning in beginsel is uitgesloten. Van dit - in de jurisprudentie bevestigde - wettelijke uitgangspunt kan (bij uitzondering) worden afgeweken indien wordt vastgesteld dat er sprake is van misbruik van recht door de huurder.6.13. Volgens Stek maken [appellant 1] c.s. misbruik van recht, omdat de vordering van [appellant 1] c.s. geen reële kans van slagen heeft en zij een groot belang heeft bij de door haar gevraagde ontruiming. Het hof overweegt dat van misbruik van recht sprake kan zijn als de eisende partij zijn vordering baseert op feiten of omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat moet terughoudend worden beoordeeld.6.14. Zoals hiervoor is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat [appellant 1] c.s. hun hoofdverblijf in de woning hebben. Verder hebben [appellant 1] c.s. aan de hand van de bankafschriften onderbouwd dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag voor de huur en energielasten hebben overgemaakt. [appellant 1] c.s. hebben hun vordering in zoverre dus niet op onjuiste feiten gebaseerd. Hoewel het hof van oordeel is dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende concreet hebben onderbouwd, betekent dat niet dat zij hadden moeten begrijpen dat hun vordering geen enkele kans van slagen had. Mede in het licht van de terughoudende toets, is het hof dan ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. met hun vordering geen misbruik van recht maken. Dat betekent dat de tweede grief van [appellant 1] c.s. met betrekking tot de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontruiming van de woning slaagt. Conclusie en proceskosten6.15. De conclusie is dat de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. niet slagen en grief 2 slaagt voor zover deze op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning ziet. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen voor zover het die uitvoerbaar bij voorraad verklaring betreft en voor het overige bekrachtigen.6.16. \n\nHet hof zal [appellant 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Stek op:\n\ngriffierecht € 827,- salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.306,-6.17. \n [appellant 1] c.s. hebben het incident pas ingetrokken nadat Stek een antwoordakte had genomen. Stek heeft dus wel een proceshandeling in het incident verricht. Die akte heeft zich echter beperkt tot twee korte alinea’s, omdat de voorzieningenrechter reeds de uitvoerbaar bij voorraadverklaring had geschorst. Gelet op de intrekking zal het hof [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het incident, maar die kosten aan de zijde van Stek begroten op nihil.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het bestreden vonnis voor zover de veroordeling tot ontruiming van de woning uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;\n\nen in zoverre opnieuw recht doende:\n\nwijst de reconventionele vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming af;\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;\n\nwijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van Stek begroot op nihil;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Stek begroot op € 2.306,-;\n\nbepaalt dat als [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant 1] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.H.J. Doornink, mr. J.J. van der Helm en mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, r.o. 3.2.2.\n\n HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901, NJ1996\u002F181.\n\n Hof Den Haag 19 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:974. Hof Amsterdam 19 maart 2024,\n\nECLI:NL:GHAMS:2024:684.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:468","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:41.911Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":40,"updatedAt":49},"876","ECLI:NL:GHDHA:2025:2926","ecli-nl-ghdha-2025-2926","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.360.538\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11844194 RL EXPL 25-15226\n\nArrest van 30 december 2025 in het incident tot voeging\n\nopgeworpen door:\n\n [voegende partij] B.V.\n\ngevestigd in Den Haag,\n\neiseres in het incident,\n\nadvocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\nin de zaak van\n\n1. [Vof], voorheen handelend onder de naam [voegende partij],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\n2. [Appellant 2] ,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\n3. [Appellant 3],\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonend in [woonplaats 3] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nverweerder in het incident,\n\nadvocaat: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudend in Voorburg.\n\nHet hof noemt partijen hierna [voegende partij] B.V., [Vof] en [verweerder] .1. De zaak in het kort1.1. \n [Vof] heeft met [verweerder] een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte waarin [Vof] een bakkerij exploiteert. [Vof] had uit hoofde van de huurovereenkomst een bankgarantie gesteld. Na omzetting van het bedrijf in een B.V., ontstond er een conflict tussen appellanten en gedaagde of indeplaatsstelling toegestaan was. Dit hof heeft over dat geschil in een procedure tussen partijen besloten een machtiging tot indeplaatsstelling van [voegende partij] B.V. in de huurovereenkomst onder voorwaarden toe te staan. Een van deze voorwaarden was, dat een nieuwe bankgarantie zou worden gesteld door [voegende partij] BV. Na het arrest is een nieuwe bankgarantie gesteld. [verweerder] heeft deze echter niet geaccordeerd en niet meegewerkt aan retournering van de oude bankgarantie, omdat deze volgens hem afwijkt van de oude bankgarantie. [Vof] heeft hierop een kort geding gestart en gevorderd dat [verweerder] deze oude bankgarantie zou retourneren. De kantonrechter overwoog echter dat geen spoedeisend belang daartoe was gebleken en dat deze vordering ook op inhoudelijke gronden niet kon worden toegewezen. [Vof] is in hoger beroep gekomen. In dit incident heeft [voegende partij] B.V. verzocht zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] . [verweerder] verzet zich tegen de voeging, terwijl [Vof] de voeging ondersteunt.2. Het procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 21 oktober 2025 (met daarin opgenomen de grieven), waarmee [Vof] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 september 2025, houdende een incidentele conclusie tot voeging door [voegende partij] B.V. ex artikel 218 jo. 353 Rv;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [verweerder] ;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [Vof] .3. De vordering in incident3.1. \n [voegende partij] B.V. vordert in dit incident - zakelijk weergegeven - zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] (de hoofdzaak), op de voet van artikel 217 jo. 353 Rv.3.2. \n [verweerder] concludeert tot afwijzing van de gevraagde voeging, met veroordeling van [voegende partij] B.V. in de kosten van het incident.4. De beoordeling van de vordering in incident4.1. Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de kant van wie zij zich wil voegen. Met nadelige gevolgen worden in dit verband bedoeld de feitelijke of juridische gevolgen die (1) de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of (2) het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in die procedure zullen kunnen hebben voor degene die de voeging vraagt. De mogelijke precedentwerking van die uitspraak vormt dus op zichzelf niet een voldoende belang. Hetzelfde geldt in het geval van sterk op elkaar lijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.4.2. De vordering tot voeging kan bovendien worden afgewezen als toewijzing daarvan in strijd is met de eisen van een goede procesorde.4.3. Een gevoegde partij is bevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer te voeren. Uit het karakter van voeging vloeit echter voort dat de rol van de gevoegde partij beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt. De gevoegde partij kan alleen feiten en gronden aanvoeren die de partij die zij ondersteunt, ook zelf zou kunnen aanvoeren. Een gevoegde partij kan niet verhinderen dat de partij aan wier zijde zij zich voegt, bepaalde feiten erkent, met als gevolg dat deze komen vast te staan. Zij moet het geding aanvaarden in de stand waarin het zich ten tijde van de voeging bevindt. De gevoegde partij is gebonden aan de door de appellant en geïntimeerde getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.4.4. \n [voegende partij] B.V. heeft over het belang om zich te voegen aangevoerd dat zij zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst van de hoofdzaak. De vordering van appellanten strekt immers tot vrijgave van de oude bankgarantie en deze gelden zouden bij vrijgave rechtstreeks in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeien en direct bestemd zijn voor haar bedrijfsvoering. Ook voert [voegende partij] B.V. aan dat zij de liquiditeit nodig heeft om inkopen voor tijdens de feestdagen te voorfinancieren. [Vof] geeft aan dat het verzoek met haar instemming is gedaan. Volgens [Vof] is het evident dat [voegende partij] B.V. belang heeft bij voeging en nadelige gevolgen van de uitkomst van de hoofdprocedure kan ondervinden.4.5. \n [verweerder] heeft aangevoerd dat het verzoek tot voeging dient te worden afgewezen wegens strijd met de eisen van de goede procesorde en wegens misbruik van recht. Hij voert aan dat de ratio van de voeging is dat de interveniërende partij een andere partij kan ondersteunen met (nadere) argumenten, maar dat dat in deze zaak nergens voor nodig is, omdat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de drie appellanten in de hoofdzaak, met dezelfde advocaat die appellanten bijstaat. Ook heeft [voegende partij] B.V. geen argumenten aangevoerd die appellanten niet aanvoeren. Volgens [verweerder] leidt de voeging enkel tot vertraging en tot extra kosten. [voegende partij] B.V. verzoekt waarschijnlijk voeging enkel om te trachten het vermeende (spoedeisend) belang van [voegende partij] B.V. een rol te laten spelen, terwijl dat belang niet ter zake doet, maar wel de vraag of [Vof] een dergelijk spoedeisend belang heeft, aldus nog steeds [verweerder] .4.6. Het hof overweegt als volgt. [verweerder] heeft met zijn betoog dat er geen enkele reden is voor de voeging niet concreet betwist dat [voegende partij] B.V. zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst in de hoofdzaak en dat het geld van de oude bankgarantie bij vrijgave direct in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeit. Hij heeft niet betwist dat dit geld bestemd is voor haar bedrijfsvoering en zij dit geld daarvoor hard nodig heeft. Het feit dat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de appellanten en wordt vertegenwoordigd door dezelfde advocaat doet daar niet aan af, en betekent niet dat [voegende partij] B.V. niet een zelfstandige rechtspersoon is die andere argumentatie vanuit haar perspectief kan aanvoeren. Daarnaast geldt dat een voegende partij zelfstandig gronden mag aanvoeren. Het vermoeden van [verweerder] waarom [voegende partij] B.V. mogelijk voeging vordert, is een speculatie van de gronden die [voegende partij] B.V. zou kunnen aanvoeren ter ondersteuning in de hoofdzaak. De vraag of die gronden relevant zijn (bijvoorbeeld voor een spoedeisend belang), moet het hof na verweer in de hoofdzaak beoordelen.4.7. Het hof oordeelt dat een ongunstig resultaat voor [Vof] in de hoofdzaak ook [voegende partij] B.V. benadeelt en dat zij daarmee voldoende belang heeft bij voeging in de hoofdprocedure.4.8. Van strijd met de goede procesorde of van misbruik van recht is geen sprake. Het verzoek tot voeging is direct bij dagvaarding in hoger beroep gedaan. [verweerder] heeft niet onderbouwd gesteld dat er sprake is van een onredelijke vertraging of dat er met het verzoek tot voeging sprake is van misbruik van recht.4.9. De conclusie is dat de vordering tot voeging van [voegende partij] B.V. zal worden toegewezen. Het hof zal [verweerder] veroordelen tot betaling van de proceskosten. Deze begroot het hof aan de zijde van [Vof] op € 607,- (0,5 punt tarief II). Het hof merkt op dat aan de zijde van [voegende partij] B.V. geen extra kosten zijn gemaakt voor het incident, naast de kosten voor de memorie van grieven waarover het hof in de hoofdzaak zal oordelen.5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\nlaat [voegende partij] B.V. toe als gevoegde partij aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] ;\n\nbeveelt [Vof] en [verweerder] om [voegende partij] B.V. te voorzien van hun processtukken bij de kantonrechter en in het hoger beroep tot op heden;\n\nveroordeelt [verweerder] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [Vof] begroot op € 607,-;in de hoofdzaak\n\nverwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van [verweerder] ;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij, mr. G. Dulek-Schermers en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Arrest van 18 februari 2025, zaaknummer 200.322.530\u002F01, ECLI:NL:GHDHA:2025:193","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2926","2026-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.408Z",20]