[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-maintenance-obligations-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":108},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},126,"maintenance-obligations-nl","Maintenance Obligations","NL","2026-07-08T16:57:28.104Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"1915-05-28T00:00:00.000Z","2026-05-28T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121845","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 822",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124514","Burgerlijk Wetboek","art. 1:402",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"124130","art. 270 lid 1",[34,45,52,59,68,75,82,91,100],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445","","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":51},"411","ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","ecli-nl-rbdha-2026-17451","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3395\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F684783\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 6 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. drs. M. Erkens te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het op 6 mei 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;\n\n- de brief van 7 juli 2025, inhoudende een wijziging van het petitum, namens de\n\n vrouw;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 31 juli 2025 namens de\n\n man;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 1 september 2025 namens de vrouw;\n\n- de brief van 27 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw;\n\n- het bericht van 28 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en H.C. de Man, tolk in de Franse taal;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de man en de vrouw in de echtelijke woning.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De man heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Guinese nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat de kinderen bij de man verblijven -zodra hij passende huisvesting heeft gevonden om de kinderen te ontvangen en te laten overnachten-:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen het verzochte huurrecht, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot:\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.\n\nOp de zitting is de rechtbank gebleken dat de ouders een ouderschapsplan zijn overeengekomen, maar dat dit ouderschapsplan niet bij de rechtbank is overgelegd. Gelet hierop en omdat aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats en Zorgregeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft hiertegen geen bezwaar. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nDe vrouw verzoekt een zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen. De man kan zich vinden in de verzochte zorgregeling, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen, mede ook omdat het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw verzoekt met ingang van 6 mei 2025, de datum van indiening van het verzoekschrift, een kinderalimentatie van € 125,- per maand per kind. De man is het hiermee eens, zodat de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe man en de vrouw verzoeken beiden het huurrecht aan hen toe te kennen.\n\nDe vrouw stelt dat zij er belang bij heeft om samen met de kinderen in de echtelijke woning te blijven wonen. Zij is de hoofdverzorger van de kinderen en het is in het belang van de kinderen dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Zij zijn immers hier geworteld en gaan ook dichtbij de woning naar school. Volgens de vrouw heeft de man, gelet op zijn inkomen, meer mogelijkheden om andere geschikte woonruimte te vinden.\n\nDe man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het huurrecht aan hem toe te kennen. De man stelt dat hij al meer dan 20 jaar huurder van de woning is en lange tijd alleen in de woning heeft gewoond, voordat de vrouw naar Nederland is gekomen. Volgens de man is de woning niet geschikt voor een gezin. Het betreft een twee-kamer-woning van slechts 64 m2 met een woonkamer en één slaapkamer.\n\nKort voor de zitting is gebleken dat partijen in mediation een overeenkomst hebben gesloten waarbij partijen ten aanzien van het huurrecht hebben afgesproken dat zij tijdelijk samen in de woning zullen blijven wonen totdat de vrouw een andere woning heeft gevonden. Tevens hebben partijen afgesproken dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken.\n\nDe vrouw stelt dat er nu een tegenstrijdigheid is ontstaan over het huurrecht, omdat zij in deze procedure verzoekt het huurrecht aan haar toe te kennen, terwijl in de mediationovereenkomst is opgenomen dat de vrouw afstand doet van het huurrecht. De (advocaat van de) vrouw heeft daarom per e-mailbrief van 4 februari 2026 aan (de advocaat van) de man een beroep gedaan op vernietigbaarheid van dit deel van de overeenkomst, omdat afstand van het huurrecht niet in het belang van de vrouw is. De vrouw stelt de overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gesloten. Zo stelt zij te hebben gedwaald over haar juridische positie, onvoldoende te zijn geïnformeerd en geen rekening te hebben kunnen houden met daarna gebleken omstandigheden.\n\nOp de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat zij niet begrepen heeft wat zij met de mediationovereenkomst heeft ondertekend. Zij stelt de consequenties hiervan niet goed te hebben doorzien. Immers voor de vrouw was het niet duidelijk dat het nu wellicht nog vijf jaar kan duren voordat partijen daadwerkelijk uit elkaar gaan. De vrouw meende dat ze onmiddellijk een urgentieverklaring zou krijgen en dat ze ook geholpen zou worden bij het vinden van een andere woning. De vrouw geeft aan zo spoedig mogelijk met de kinderen een andere woning te willen betrekken. Hiervoor is volgens de vrouw nu nodig dat het huurrecht aan haar wordt toegekend. Zij handhaaft daarom het verzoek.\n\nDe man verzet zich hiertegen en voert aan dat partijen via mediation een geldige overeenkomst hebben ondertekend. Deze overeenkomst is onder begeleiding van een professional tot stand gekomen. De vrouw is volgens de man dan ook goed geïnformeerd over wat zij heeft ondertekend. Daarnaast heeft de vrouw ook nagelaten haar advocaat hierover te raadplegen, wat voor haar eigen rekening en risico komt, aldus de man. Voor zover de vrouw zich beroept op vernietiging van de overeenkomst, stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw hiervoor een dagvaardingsprocedure moet beginnen. Verder geeft de man aan dat de vrouw in de woning kan blijven totdat zij een andere woning heeft gevonden, maar dat hij wel het huurrecht toegekend wenst te krijgen.\n\nDe rechtbank is zich ervan bewust dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning, omdat beide partijen mogelijk niet op korte termijn over zelfstandige andere woonruimte kunnen beschikken waar ze met beide kinderen kunnen wonen. De rechtbank moet daarom beoordelen van wie de belangen zwaarder wegen.\n\nDe rechtbank zal het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning aan de man toekennen, maar daarbij wel bepalen – zoals in de mediationovereenkomst is vastgelegd – dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden. De rechtbank heeft bij deze beslissing het volgende in aanmerking genomen.\n\nGebleken is dat de vrouw, anders dan de man, in beginsel niet met de kinderen in de echtelijke woning wenst te blijven. De woning is te klein om er met de kinderen te verblijven. De vrouw is op zoek naar andere woonruimte. Zij is met behulp van haar advocaat bezig met het verkrijgen van een urgentieverklaring. Daarbij speelt mee dat de zoon van partijen, die zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft, bekend is met de Sikkelcelziekte en regelmatig ernstige acute pijnaanvallen heeft, wat hopelijk helpend zal kunnen zijn bij het verkrijgen van een urgentieverklaring. Verder is gebleken dat de vrouw in juni 2026 weer een afspraak bij de mediator heeft om over huisvesting te praten. De rechtbank neemt bij de afweging van de belangen verder in overweging dat partijen op 15 januari 2026 een mediationovereenkomst hebben afgesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat het huurrecht aan de man zal worden toegekend onder de voorwaarde dat de vrouw voldoende tijd en ruimte krijgt om zelf een woning te zoeken. Ondanks dat naar voren is gekomen dat de vrouw mogelijk andere ideeën en verwachtingen had bij het ondertekenen van de mediationovereenkomst, wat overigens door de man wordt betwist, stelt de rechtbank vast dat deze overeenkomst door beide partijen is ondertekend en dus geldig is. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in deze procedure onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit anders zou zijn.\n\nConcluderend betekent dit dat de huidige situatie zal worden gecontinueerd, waarbij partijen voorlopig nog samen met de kinderen in de woning zullen verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat partijen niet meer samen met de kinderen in de woning zouden kunnen verblijven. Op de zitting heeft de man verklaard dat hij een groot gedeelte van de dag vanwege werk niet thuis is en voor zover hij niet werkt, dat hij zoveel mogelijk in het berghok verblijft. Het neemt niet weg dat het voor beide partijen en vooral de kinderen geen prettige situatie is en dat deze situatie niet al te lang moet duren. De partnerbreuk brengt spanningen met zich en de kinderen worden hiermee geconfronteerd. De rechtbank gaat er echter van uit dat de vrouw, zoals op de zitting ook is gebleken, samen met haar advocaat haar uiterste best gaat doen om zo spoedig mogelijk een andere woning te vinden en dat zodra zij deze heeft gevonden daarnaartoe zal vertrekken. Daarbij merkt de rechtbank tot slot op dat beide ouders samen verantwoordelijk zijn voor de kinderen en rust zullen moeten brengen in deze situatie. De ouders zullen samen hiervoor eventueel met behulp van hun advocaten of hulpverleners nadere afspraken moeten maken, voor zover dit nog niet is gedaan.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] , [land] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen verblijven:\n\n om het weekend: vanaf zaterdagochtend tot zondagavond;\n\n om het weekend: de andere zaterdag overdag (tijdstip in overleg), waarbij\n\nde man zorg zal dragen voor het begeleiden van de kinderen naar voetbal en\u002Fof zwemles;\n\n eens in de maand zal de man de vrouw in de gelegenheid stellen om met\n\nde kinderen naar de ‘zaterdag bijeenkomsten van de Afrikaanse gemeenschap’ in Den Haag te gaan;\n\n de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij rekening wordt\n\ngehouden met de beperkte vrije dagen van het werk die de man kan\n\nopnemen;\n\n de helft van de feestdagen zoals Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, waarbij de kinderen om en om de eerste feestdag bij de ene ouder verblijven en de tweede feestdag bij de andere ouder, waarbij oudejaarsdag als de eerste feestdag geldt en Nieuwsjaardag als de tweede feestdag;\n\n Suikerfeest en offerfeest verblijven de kinderen bij de vrouw, behalve wanneer deze feesten in het weekend vallen. Indien Suikerfeest en offerfeest in het weekend vallen worden de feestdagen gevierd bij de man, waarbij de partijen afspreken dat de kinderen met één van de ouders naar de Moskee gaan voor het ochtendgebed;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 6 mei 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 125,- per maand, per kind zal betalen, telkens vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nbepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] , [plaats 2]\n\n (gemeente [gemeente] ), met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en onder de voorwaarde dat de vrouw (met de kinderen) in de woning kan blijven totdat zij een eigen woning heeft gevonden;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking –met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van\n\n28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17451","2026-07-13T00:28:28.549Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":56,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":58},"416","ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","ecli-nl-rbdha-2026-17450","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-3878\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F685736\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nvolgens de huwelijksakte: [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.W. Stok te Delft.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\n- het bericht van 24 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk in de Arabische taal J. Labban;\n\n [naam] namens Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling).\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan naar Islamitisch recht.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- De vrouw en de man hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 17 april 2026. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is deze ondertoezichtstelling verlengd tot 17 april 2027.\n\n- Deze rechtbank heeft op 22 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\ndat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;\n\ndat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\ndat een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken zal gelden, waarbij de kinderen vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning bij de man zijn elke zaterdag gedurende twee uur, in onderling overleg (met de jeugdbeschermer) af te spreken, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt, en waarbij de kinderen vanaf het moment dat de man eigen woonruimte heeft, bij de man zijn om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt;\n\ndat deze voorlopige zorgregeling doorloopt in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil en verder dat de voorlopige zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast;\n\ndat de man aan de vrouw, met ingang van 2 september 2025 of zoveel eerder als de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig een kinderalimentatie van € 150,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen eens per veertien dagen bij de man zijn van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 voor het avondeten, waarbij de man de kinderen haalt en brengt als er gewisseld moet worden en de reguliere zorgregeling in de vakanties zal doorlopen, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, in welk geval voorafgaand overleg tussen de ouders plaatsvindt;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 150,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 22 mei 2025 (de datum van de indiening van het verzoekschrift);\n\n- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken, toe te wijzen, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man;\n\n- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;\n\n- toewijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal worden bepaald, met de toevoeging “op voorwaarde dat de man zelfstandige woonruimte heeft”.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nOntvankelijkheid\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om voorafgaand aan de zitting op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding, zonder ouderschapsplan.\n\nAan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt om de echtscheiding uit te spreken. De man kan zich hiermee verenigen. Gelet hierop staat de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk in rechte vast, zodat de rechtbank het daarop steunende verzoek tot echtscheiding als niet weersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nTer zitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Gelet op deze overeenstemming, het gegeven dat de kinderen nu al langere tijd bij de vrouw verblijven en het feit dat de man momenteel bij een daklozenopvang verblijft, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw bepalen.\n\nVerdeling van zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling)\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de zorgregeling.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nUit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de man de voorlopige zorgregeling niet (volledig) nakomt. Dat komt enerzijds door de gezondheidsproblemen die de man ervaart en de ziekenhuisafspraken die daarmee verband houden, en anderzijds vanwege het feit dat de man geen eigen woonruimte heeft en in een daklozenopvang verblijft. Ook de gecertificeerde instelling geeft aan dat de zorgregeling niet goed loopt, maar dat het voor de kinderen wel belangrijk is om contact te hebben met hun vader. Daarbij wijst de gecertificeerde instelling erop dat het contactmoment door de voorzieningenrechter in het kader van de voorlopige zorgregeling op zaterdag is bepaald, maar dat het lastig is om op zaterdagen hulpverlening rondom de contactmomenten te organiseren in verband met de werkuren van de hulpverlening.\n\nNaar aanleiding van het voorgaande heeft de rechtbank ter zitting met partijen en de gecertificeerde instelling gesproken over het organiseren van een contactmoment op een andere dag. De ouders zijn het erover eens geworden dat de kinderen voortaan niet op zaterdag, maar op donderdag gedurende twee uur contact zullen hebben met de man. De ouders dienen in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners af te spreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de overige voorwaarden van de voorlopige zorgregeling blijven gelden, in die zin dat de zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een ouder met de kinderen op vakantie wil, en dat de zorgregeling – indien nodig – onder regie van de jeugdbeschermer kan worden aangepast. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de ouders vanuit deze regeling (en al dan niet onder begeleiding van de gecertificeerde instelling en\u002Fof de betrokken hulpverleners) dienen toe te werken naar het uitbreiden van de zorgregeling conform het verzoek van de vrouw op het moment dat de man over huisvesting beschikt en zijn gezondheid een uitgebreidere regeling toelaat.\n\nHuurrecht van de echtelijke woning\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.\n\nDe rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt over de toebedeling van het huurrecht, in die zin dat de man tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij zich – mede gelet op zijn standpunt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen – erbij kan neerleggen dat het huurrecht onder de huidige omstandigheden aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nKinderalimentatie\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nOmdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen.\n\nOp het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toepassen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie, in die zin dat de ouders het erover eens zijn geworden dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal voldoen van € 25,- per kind per maand. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.\n\nDaarbij zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat er in de voorlopige voorzieningenprocedure al een voorlopige bijdrage is bepaald.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 22 juli 2025 – :\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op 30 januari 2015 te Khartoem, Soedan;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] elke donderdag gedurende twee uur bij de man zullen zijn, waarbij de ouders in samenspraak met de gecertificeerde instelling en\u002Fof betrokken hulpverleners afspreken op welk tijdstip het contactmoment plaatsvindt en dat toegewerkt kan worden naar een mogelijke uitbreiding van deze zorgregeling zoals in het lichaam van deze beschikking is weergegeven;\n\nbepaalt dat deze zorgregeling zal doorlopen in alle vakanties, tenzij een van de ouders met de kinderen op vakantie wil;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woning aan de [adres] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de man, met ingang van de dag van de datum van deze beschikking, voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en het toekennen van het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17450","2026-07-13T00:28:28.820Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":43,"updatedAt":67},"350","ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","ecli-nl-rbdha-2026-17378","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2333\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701011\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 9 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P. van de Kolk te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.S. Odink als waarnemend advocaat en een tolk,\n\nE. Roest;\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: S. Steinert.\n\nVan de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats] , Duitsland.\n\nDe man en de vrouw zijn beiden burgers van de Bondsrepubliek Duitsland. De\n\nvrouw heeft daarnaast ook de Britse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de man strekt ertoe dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, en met het bevel dat de vrouw die woning moet verlaten en verder niet meer mag betreden;\n\n- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van\n\n € 4.049,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 maart 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en waarbij de vrouw de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\nDe Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nDe man heeft verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan hem toe te wijzen. Partijen zijn het erover eens dat de woning uiteindelijk aan derden moet worden verkocht. De man gaat er daarbij van uit dat de vrouw vooralsnog de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen, gelet op haar inkomen en het feit dat de man op dit moment zelf geen inkomsten heeft.\n\nDe vrouw heeft ingestemd met het uitsluitend gebruik door de man en het voldoen van de hypotheeklasten, op de voorwaarde dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om persoonlijke spullen, zoals kleding, foto’s en administratie uit de woning op te halen. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de vrouw op zaterdag 16 mei 2026 de spullen ophaalt, waarbij een Duitse gast van de man aanwezig is. De man is op dat moment niet thuis. Gelet op het feit dat dit op de datum van de beschikking al heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze afspraak in het dictum op te nemen.\n\nNu partijen overeenstemming hebben over het uitsluitend gebruik, zal de rechtbank dit vastleggen. Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nLotsverbondenheid\n\nDe man heeft verzocht om een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de lotsverbondenheid, als grondslag van de onderhoudsverplichting, tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de man. Dit bedrag bestaat uit intieme terreur, stalking, bedreigende berichten en ander grensoverschrijdend gedrag. Daarbij heeft de vrouw een eigen verklaring overgelegd, en ook verklaringen van haar therapeut en haar kinderen. De man betwist dat sprake is geweest van grievend gedrag. Hij erkent dat er een stopgesprek heeft plaatsgevonden bij de politie naar aanleiding van zijn berichten, maar wijt dit aan de emoties rondom het verbreken van de relatie. De man ontkent de door de vrouw beschreven gedragingen tijdens het huwelijk stellig. Volgens hem moeten zijn berichten anders geïnterpreteerd worden: niet als een bedreiging, maar als hoop op herstel van de relatie.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat artikel 1:156 Burgerlijk Wetboek (BW) het uitgangspunt is bij de beantwoording van de vraag of aan de (gewezen) echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend. Daar kan van worden afgeweken als de redelijkheid en billijkheid daar om vraagt, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële omstandigheden, zoals grievend gedrag van de echtgenoot die om een onderhoudsbijdrage verzoekt. Er kan sprake zijn van grievend gedrag van een zodanige aard dat van een (gewezen) echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo'n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de man de inhoud van de door de vrouw overgelegde verklaringen van haar jong-meerderjarige kinderen heeft betwist, ziet de rechtbank in beginsel geen aanleiding om aan de feitelijke en zeer gedetailleerde beschrijvingen hierin te twijfelen. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de man zich gedurende langere tijd zeer onaangenaam heeft gedragen. De rechter kan echter niet vaststellen dat het gedrag van dien aard is geweest dat in het kader van deze voorlopige voorzieningen-procedure kan worden geconcludeerd dat de lotsverbondenheid hierdoor is verbroken. In een bodemprocedure zal hier wellicht meer onderzoek naar gedaan kunnen worden.\n\nDe rechtbank zal het verzoek om een voorlopige partneralimentatie daarom hierna inhoudelijk beoordelen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nBij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nDaarbij merkt de rechtbank vooraf ook op dat bij de vaststelling van alimentatie de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen zoveel mogelijk als uitgangspunt worden genomen. Zoals in het navolgende zal blijken, is in dit geval echter sprake van een atypische situatie, omdat de vrouw werkzaam is voor de NAVO, een internationale organisatie. Zij is daardoor niet belastingplichtig in Nederland, waardoor steeds gerekend zal worden met netto bedragen. Verder is ook haar inkomen en de daarbij komende toelagen anders opgebouwd dan gebruikelijk, zodat de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding ziet om op bepaalde onderdelen af te wijken van voornoemde aanbevelingen om tot een bijdrage in het levensonderhoud te komen die aansluit op de feitelijke situatie van partijen.\n\nIngangsdatum\n\nOm proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de vrouw in de afgelopen periode de hypotheeklasten van de woning heeft betaald en de man kennelijk in staat is geweest om in zijn levensonderhoud te voorzien.\n\nBehoefte en aanvullende behoefte\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de man berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De man had ten tijde van het huwelijk geen inkomen. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank uit van het inkomen dat zij verdient bij de NAVO. Daarbij gaat de rechtbank uit van haar netto-inkomen, nu zij door haar baan bij een internationale organisatie in Nederland niet belastingplichtig is.\n\nDe rechtbank neemt daarbij haar loonstrook van december 2025 als uitgangspunt. Hieruit volgt:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen basic family allowance van € 653,- per maand.\n\nPartijen zijn het erover eens dat de ‘child allowance’ niet zal worden meegenomen, omdat dit een toelage betreft voor de meerderjarige kinderen van de vrouw. Rekening houdend met de inhoudingen op het loon van in totaal € 1.513,- per maand is haar netto-inkomen € 10.937,- per maand. Daarbij is de vergoeding voor benzinekosten buiten beschouwing gelaten.\n\nDe huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond\n\n€ 6.562,- netto per maand (60% van € 10.937,- per maand). Hierop moet het inkomen van de man in mindering worden gebracht. Omdat de man op dit moment geen inkomen heeft, is zijn aanvullende behoefte in beginsel gelijk aan de behoefte op basis van de hofnorm, aldus € 6.562,- netto per maand.\n\nDraagkracht\n\nDe rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen dat als volgt is opgebouwd:\n\neen basissalaris van € 10.773,- per maand;\n\neen expatriation allowance van € 1.025,- per maand;\n\neen single parent allowance van € 422,- per maand.\n\nDaarbij geldt ten aanzien van de laatstgenoemde toelage dat de rechtbank deze, anders dan door de vrouw betoogd, wel zal meenemen bij de berekening van het inkomen van de vrouw. Gebleken is dat de ‘single parent allowance’ na het verbreken van de relatie van partijen in de plaats komt van de ‘basic family allowance’. Het betreft daarmee geen aanvullende toelage ten behoeve van de kinderen. Voor hen ontvangt de vrouw de ‘child expatriation allowance’ en het ‘dependent child supplement’. Naar oordeel van de rechtbank moet het worden aangemerkt als een toelage voor extra kosten die een alleenstaande maakt. De vrouw heeft gesteld dat de ‘single parent allowance’ € 422,- per maand bedraagt. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hier van uitgaat. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw bedraagt, rekening houdend met dezelfde inhoudingen als bij de behoefte, dan € 9.863,- per maand.\n\nBij de berekening van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank de volgende lasten in aanmerking:\n\nde werkelijke woonlasten van de vrouw;\n\nkosten van de kinderen.\n\nAd a)Gebleken is dat de vrouw op dit moment zowel de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning van € 2.123,- per maand voldoet als de huurlasten van haar tijdelijke woning van € 2.500,- per maand. Haar woonlasten zijn dus in totaal € 4.623,- per maand. Anders dan de man is de rechtbank met de vrouw van oordeel dat aanleiding bestaat om rekening te houden met haar werkelijke woonlasten, omdat deze aanmerkelijk hoger zijn dan op basis van het woonbudget van 30% van haar NBI (€ 2.959,- per maand).\n\nAd b)De vrouw heeft verder gesteld dat rekening moet worden gehouden met de kosten die zij draagt voor haar beide meerderjarige kinderen. Zij maakt aan hen ieder € 700,- per maand over en betaalt daarnaast losse kosten voor hen. In totaal betaalt de vrouw ongeveer € 1.100,- per maand per kind. De man betwist deze kosten. De kinderen van de vrouw zijn 21 en 23 jaar, zodat geen rekening meer moet worden gehouden met hun kosten. Uit de door de vrouw overgelegde toelichting volgt dat vanuit de NAVO rekening wordt gehouden met kosten van kinderen tot 22 jaar. De rechtbank zal daarom rekening houden met de kosten die de vrouw draagt voor het jongste kind van 21 jaar van € 700,- per maand, met aftrek van de toelages die zij voor dit kind ontvangt van € 522,- per maand. De aanvullende kosten zoals door de vrouw gesteld, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de vrouw deze kosten, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom rekening houden met kosten van het jongste kind van € 177,- per maand.\n\nOp grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de vrouw € 3.875,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.325,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel vrouw in de kosten van het jongste kind van € 175,- per maand in mindering gebracht. Hierna is € 2.150,- netto per maand nog beschikbaar voor partneralimentatie. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud toewijzen tot een bedrag van € 2.150,- netto per maand en afwijzen voor het overige.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een voorlopige partneralimentatie van € 2.150,- netto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,\n\nverklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17378","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.587Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":72,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":43,"updatedAt":74},"283","ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","ecli-nl-rbdha-2026-17394","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1934\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700299\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] , de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift, van 25 februari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen, ingekomen op 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 12 mei 2026, van de man;\n\n- het F9-formulier van 13 mei 2026, van de vrouw;\n\n- het F9-formulier van 14 mei 2026, van de man.\n\n [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.\n\nBlijkens de F9-formulieren van 12 mei 2026 en het F9-formulier van 13 mei 2026 hebben partijen overeenstemming bereikt. De rechtbank is verzocht de bereikte overeenstemming vast te leggen in een beschikking. De overige verzoeken zijn ingetrokken. Gelet hierop is afgezien van een behandeling op zitting.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 te [plaats 1] ( [land] ).\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.\n\n- Partijen bezitten de Poolse nationaliteit.\n\n-De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend; dat verzoek is onder zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F699940 FA RK 26-1708 in behandeling.Beoordeling\n\nPartijen hebben overeenstemming bereikt en zij hebben verzocht deze overeenstemming op te nemen in een beschikking, onder intrekking van hun andersluidende verzoeken.\n\nDe rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n* bepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .\n\naan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n * bepaalt dat voornoemde minderjarigen, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, voorlopig bij de man zijn:\n\n- de ene week van zaterdag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n- de andere week van zondag 11.00 uur tot 18.00 uur;\n\n* bepaalt dat de vrouw per 26 juni 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] te [plaats 2] ;\n\n * bepaalt dat de man uiterlijk op 26 juni 2026 de echtelijke woning dient te verlaten, waarbij de man voor de maand mei 2026 en juni 2026 meebetaalt aan de helft van de kosten van de huur (van € 1.050,- in totaal, dus € 525,-) en aan Essent (van € 300,- in totaal, dus € 150,-), en dat de man de kosten voor de maand mei uiterlijk op 15 mei 2026 aan de vrouw voldoet en de kosten voor de maand juni op 29 mei 2026; indien de man de kosten niet op de afgesproken data voldoet, moet hij de echtelijke woning per direct verlaten;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, vanaf de datum dat de man de echtelijke woning verlaat, dan wel met ingang van 26 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van in totaal € 532,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n* verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n* wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17394","2026-07-13T00:28:22.549Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":79,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":43,"updatedAt":81},"306","ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","ecli-nl-rbdha-2026-17385","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2019\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700441\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 27 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende te op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Sanger te Rotterdam.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens verzoekschrift.\n\nOp 13 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.\n\n- Op 5 februari 2026 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaakkenmerk C\u002F09\u002F699137.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.331,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van het verzoekschrift, te weten 27 februari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n- althans een beschikking af te geven zoals de rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:\n\n- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met het bevel dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n- indien de rechtbank een bijdrage aan voorlopige partneralimentatie vaststelt, deze te bepalen op maximaal € 878,- bruto per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen lager bedrag,\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nUitsluitend gebruik echtelijke woning\n\nBeide partijen hebben verzocht het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning te verkrijgen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.\n\nPartijen hebben op 27 juli 2025 afspraken gemaakt. Een van die afspraken was dat de man in de woning zou blijven. De broer van de vrouw heeft partijen geholpen om deze afspraken tot stand te brengen. Volgens de vrouw zijn deze afspraken echter onder dwang en druk tot stand gekomen. Zij wil terug naar de echtelijke woning, onder andere omdat zij in die omgeving haar sociale contacten heeft en psychologische behandeling krijgt. De vrouw stelt geen andere zelfstandige woonruimte te kunnen vinden in de omgeving. Zij heeft de afgelopen maanden bij familie en vrienden verbleven maar daar kan zij niet langer terecht. De man betwist dat de afspraken onder dwang of druk tot stand zijn gekomen. Hij verzoekt te bepalen dat het uitsluitend gebruik aan hem toekomt omdat hij niet over andere zelfstandige woonruimte beschikt en niet bij derden terecht kan.\n\nTussen partijen zijn afspraken vastgelegd, onder andere met betrekking tot de woning. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat deze afspraken onder druk tot stand zijn gekomen. Het lag op de weg van de vrouw om die stelling handen en voeten te geven maar zij heeft in het kader van deze procedure op geen enkele manier onderbouwd dat zij met de afspraken die zijn gemaakt op 27 juli 2025 onder druk heeft ingestemd. Bovendien is ook uitvoering gegeven aan de afspraken in die zin dat de vrouw de woning heeft verlaten, de man in de woning is gebleven en de man aan de vrouw een bedrag van € 5.500,- heeft betaald. De enkele omstandigheid dat zij enkele maanden later door de verhuurder weer is aangemerkt als medehuurder doet daar niet aan af. Een afweging van de belangen maakt dit niet anders. De vrouw heeft gesteld dat zij de afgelopen acht maanden bij familie en vrienden heeft verbleven in de omgeving van [plaats 3]. Zij reist nu voor haar psychologische behandeling vanuit die omgeving naar [plaats 2]. Daarnaast heeft zij op de zitting aangegeven dat zij deze behandeling ook op een andere plek kan volgen. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning conform de door partijen gemaakte afspraken. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu verandering in te brengen en zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Het verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en aan hem zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekennen voor de duur van echtscheidingsprocedure.\n\nVoorlopige partneralimentatie\n\nDe vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.\n\nSpoedeisend belang\n\nDe vrouw heeft verzocht om een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 2.331,- per maand.\n\nDe man heeft zich hiertegen verzet. Hij stelt dat de vrouw haar spoedeisend belang bij een dergelijke voorziening onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft zij haar behoefte en haar aanvullende behoefte onvoldoende onderbouwd, aldus de man.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie is, anders dan de man heeft aangegeven, gegrond op artikel 822 lid 1 sub e van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire standpunt van de man en het verzoek van de vrouw inhoudelijk zal beoordelen.\n\nBehoefte\n\nDe vrouw heeft gesteld dat haar huwelijkse behoefte € 5.998,- netto per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm. Primair betwist de man dat de vrouw behoeftig is, subsidiair berekent hij haar behoefte op € 4.348,- netto per maand.\n\nDe rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk, op het moment van feitelijk uiteengaan, worden bepaald.\n\nNBI man\n\nHet NBI van de man wordt berekend aan de hand van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. Deze gemiddelde winst uit onderneming bedraagt afgerond € 72.916,- bruto per jaar, gebaseerd op de door de man overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van 2023 en 2024 en de prognose van 2025. Ook ten aanzien van zijn inkomen uit loon zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van deze drie jaren. In 2023 had de man een inkomen uit loon van € 19.438,- bruto per jaar, in 2024 bedroeg dit € 3.872,- en van 2025 heeft de man op de zitting onbetwist gesteld dat dit circa € 6.000,- bruto bedroeg. Het gemiddelde inkomen uit loon van de man berekent de rechtbank daarmee op € 9.770,- bruto per jaar.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.670,- per maand.\n\nNBI vrouw\n\nVoor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde loonstroken van 2025, waaruit een brutoloon volgt van afgerond € 2.612,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 120,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 2,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 5,- per maand.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.410,- per maand.\n\nDe rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 7.080,- per maand (€ 4.670 + € 2.410). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.248,- netto per maand (60% van € 7.080,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 4.443,- per maand.\n\nAanvullende behoefte vrouw\n\nOp de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.443,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het bruto-inkomen van de vrouw is in 2026 toegenomen naar afgerond € 2.733,- per maand. Dit volgt uit de door haar overgelegde loonstroken van januari en februari 2026. De rechtbank zal ook hier rekening houden met 8% vakantietoeslag.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:\n\nde pensioenpremie van afgerond € 136,- per maand;\n\nde premie AOP van afgerond € 3,- per maand;\n\nde premie PAWW van afgerond € 3,- per maand.\n\nOp basis hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.498,- per maand.\n\nDe man heeft aangevoerd dat voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw moet worden afgeweken van het woonbudget van 30% en dat voor de vrouw geen rekening moet worden gehouden met woonlasten. Zij woont immers nu in bij familie. De vrouw heeft dit betwist, haar woonlasten zijn niet nihil. Zij draagt bij in de woonkosten bij haar familie. Bovendien is zij opzoek naar een woning en hiervoor is ook het woonbudget bedoeld.\n\nDe rechtbank zal rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. In het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken. De man heeft zijn stellingen dat niet gerekend moet worden met woonlasten onvoldoende onderbouwd.\n\nHet voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.945,- netto per maand (€ 4.443 -\u002F- € 2.498). Dat is € 3.780,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\nOp basis van de inkomensgegevens van de man bij de berekening van de huwelijkse behoefte in 2025 berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.693,- per maand.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.\n\nDe man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn maandelijkse aflossing van € 129,- voor zijn studieschuld. De vrouw heeft dit betwist en stelt dat deze schuld al lange tijd afgelost had kunnen zijn. Een last wordt niet meegenomen in de berekening van alimentatie wanneer deze vermijdbaar en\u002Fof verwijtbaar is. Van een vermijdbare last is sprake als de betaler zich geheel of gedeeltelijk van deze last kan bevrijden, bijvoorbeeld als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen of de maandelijkse aflossingen kan verlagen. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt niet dat dit voor de man mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de last niet verwijtbaar is. Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. De rechtbank houdt er daarom rekening mee in de berekening van de draagkracht van de man.\n\nHieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.075,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 129,-)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.721,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\nOm te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn een hoger bedrag te betalen dan zijn draagkracht toelaat, namelijk € 1.918,- bruto per maand. De rechtbank zal daarom de voorlopige alimentatie vaststellen gelijk aan zijn bruto draagkracht van € 1.721,- per maand.\n\nIngangsdatum\n\nDe vrouw heeft verzocht de voorlopige alimentatie vast te stellen per datum indiening verzoekschrift. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank komt deze ingangsdatum ook redelijk voor, omdat de man vanaf dit moment rekening heeft kunnen houden met een voorlopige bijdrage aan partneralimentatie. De rechtbank zal daarom de datum van het verzoekschrift als ingangsdatum hanteren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning verder niet mag betreden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van het verzoekschrift voorlopig een partneralimentatie van € 1.721,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17385","2026-07-13T00:28:23.652Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":43,"updatedAt":90},"1674","ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","ecli-nl-rbdha-2026-17241","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-4591 (bodem), FA RK 26-386 (223 Rv)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F687116 (bodem), C\u002F09\u002F697735 (223 Rv)\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nGezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, dwangsom en kinderalimentatie\n\nBeschikkingop de op 16 juni 2025 en op 12 januari 2026 ingekomen verzoeken van:\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nStichting Samen Veilig Midden-Nederland,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591 te rapporteren en te adviseren.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\nhet verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nde F9-formulieren van de moeder van 27 januari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 29 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 3 februari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026;\n\nhet rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) d.d. 26 maart 2026, kenmerk KZ-1-67GSR8L;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 17 april 2026, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van de F9-formulieren van partijen van 23 april 2026, aangezien deze te laat zijn ingediend.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure met (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van het F9-formulier van de moeder van 23 april 2026, aangezien deze te laat is ingediend.\n\nOp 24 april 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het verzoek in de bodemprocedure als het verzoek tot voorlopige voorzieningen. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVan de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.\n\nVerzoek en verweer\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe moeder verzoekt, na aanvulling en wijziging:\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;\n\neen zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:\n\n- [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en dat de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , dan wel dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere donderdag van 09.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de [instantie] kantoorlocatie [plaats 2] , en;\n\n- naar verloop van deze regeling deze eventueel uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] in de even weken bij haar moeder zal verblijven en in de oneven weken bij haar vader, waarbij als wisselmoment zal gelden de zondagmiddag om 18.00 uur in de McDonalds te [plaats 1] ;\n\n onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,- per keer\u002Fper overtreding;\n\n- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans indien uit de berekening een lager bedrag volgt dit lagere bedrag met ingang van de datum van de beschikking, althans op zodanig bedrag en met zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:\n\nde vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nmet ingang van [geboortedatum] 2025 de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:\n\neen voorlopige zorgregeling zal gelden inhoudende dat [minderjarige] bij haar moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;\n\n [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en dat haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn;\n\nde vader gehouden is zijn volledige medewerking hierin te verlenen, onder bepaling dat bij niet-nakoming een dwangsom wordt opgelegd van € 2.000,- per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft;\n\nde vader wordt veroordeeld in de kosten van het incident;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is [minderjarige] aan de vader toe vertrouwd.\n\nBij beschikking van 31 december 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2025 tot 14 januari 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.\n\n- Bij beschikking van 13 januari 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 13 januari 2026 tot 31 maart 2026 en is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de regie over de zorgregeling voortaan toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen:\n\n- de frequentie van de omgang;\n\n- de locatie van de omgang en de overdracht;\n\n- de wijze van begeleiding en overdracht.\n\n- Bij beschikking van 30 maart 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 maart 2027.\n\nBeoordeling\n\nRelatieve bevoegdheid\n\nOp grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\n\nDe rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft op dit moment feitelijk bij de vader in de [gemeente], zodat dat haar woonplaats is. Gelet hierop is de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.\n\nOp grond van artikel 270 lid 1 Rv verwijst de rechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de bevoegde rechter. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.\n\nTijdens de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, aangezien de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bij beschikking van 13 januari 2026 al heeft beslist over de voorlopige zorgregeling.\n\nDe rechtbank overweegt dat het feit dat door een andere rechtbank al een beslissing is genomen over de voorlopige zorgregeling niet maakt dat daarvan geen wijziging kan worden verzocht in de onderhavige procedure. De rechtbank zal de moeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nOmdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nGezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en dwangsom\n\nStandpunt moeder\n\nDe moeder wil dat de voorlopige zorgregeling wordt uitgebreid, zodat [minderjarige] iedere dinsdag tot zaterdag, dan wel iedere donderdag tot dinsdag bij haar verblijft. Na verloop van tijd zou deze regeling kunnen worden uitgebreid naar een week-op-week-af-regeling. Volgens de moeder bestaan er geen contra-indicaties voor het vaststellen van deze zorgregeling. De afgelopen periode is weliswaar onrustig geweest, maar de moeder wil geen strijd meer voeren met de vader en wil kijken naar de toekomst. Er moet worden ingezet op parallel solo ouderschap. Dat maakt ook dat eenhoofdig gezag niet nodig is. Het opleggen van een dwangsom kan helpend zijn als stok achter de deur voor maximale inzet van beide ouders bij het uitvoeren van de zorgregeling. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, zolang er geen definitieve beslissing over de zorgregeling is genomen.\n\nOp de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich in afwachting van het NIKA-traject kan neerleggen bij de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] twee keer per week gedurende acht uur bij haar verblijft. Zij zou echter graag zien dat hierin een overnachting wordt bepaald. Zij haalt [minderjarige] op dit moment om 09.00 uur op bij het kantoor van de gecertificeerde instelling en brengt haar rond 16.30 uur terug. Vanwege de reistijd is de moeder hierdoor maar een paar uur met [minderjarige] bij haar thuis. Dit is belastend voor [minderjarige] .\n\nEr zijn volgens de moeder geen contra-indicaties voor een overnachting bij haar. De eerdere emotionele uitbarstingen van de moeder moeten in het licht worden gezien van de plotselinge contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] . Bovendien werd de moeder niet goed geïnformeerd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Inmiddels is er meer duidelijkheid en daarmee ook meer rust voor de moeder gekomen. Daarnaast heeft zij aan zichzelf gewerkt door gesprekken met de praktijkondersteuner van haar huisarts en een psycholoog.\n\nStandpunt vader\n\nDe vader vindt het van belang dat de huidige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling doorloopt in afwachting van het NIKA-traject. De lange wachttijd voor dit traject is niet wenselijk, omdat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar. Voor nu is het echter nodig dat de voorspelbaarheid en veiligheid voor [minderjarige] geborgd blijft. Wat de vader betreft is het daarom nog te vroeg voor een overnachting van [minderjarige] bij de moeder. Hij ziet dat de moeder momenteel stabieler blijkt, maar heeft ervaren dat zij veel moeite heeft om haar emoties te beheersen. Ook heeft de vader zorgen over het drugsgebruik van de moeder. De door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames illustreren dit. Onder deze omstandigheden is een overnachting van [minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde. De vader ziet ook niet dat [minderjarige] vermoeid is door de lange reistijd als zij bij haar moeder is geweest. Verder herkent hij zich niet in het feit dat de Raad en de gecertificeerde instelling onvoldoende met de ouders hebben gecommuniceerd. De vader ervaart de samenwerking met de betrokken instanties als prettig. Hij is bereid volledig mee te werken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. Er is dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.\n\nDe vader is het daarnaast eens met het advies van de Raad dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Zij groeit sinds haar geboorte op bij de vader en er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie. Ook verzoekt de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat hij in staat is om de voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen.\n\nHet advies van de Raad\n\nDe Raad adviseert om de beslissing omtrent de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad is van mening dat de gecertificeerde instelling binnen de ondertoezichtstelling kan onderzoeken welke mogelijkheden er bij de ouders zijn, om (eventueel met hulpverlening) te komen tot uitbreiding van de zorgregeling en een veilige overdracht van [minderjarige] . Het inzetten van een NIKA-traject kan helpend zijn om meer zicht te krijgen op de interactie tussen [minderjarige] en haar ouders en de leerbaarheid van ouders.\n\nDe gecertificeerde instelling heeft de Raad in het kader van het raadsonderzoek verzocht om\n\nonderzoek te doen naar de inzet van de MASIC, maar de Raad twijfelt of er voldoende emotionele draagkracht bij moeder is om een intensief MASIC-gesprek aan te kunnen en of dit bijdraagt aan verbetering van de situatie van [minderjarige] .\n\nVerder adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte in de woning van de vader en ervaart dit als een vertrouwde en veilige plek. Er zijn geen zorgen geconstateerd die maken dat wijziging van de hoofdverblijfplaats in haar belang is.\n\nInformatie vanuit de gecertificeerde instelling\n\nSinds begin maart 2026 verblijft [minderjarige] twee dagen, van 09.00 uur tot 16.30 uur, bij de moeder. De overdracht vindt plaats op het kantoor van de gecertificeerde instelling, waarbij de jeugdbeschermer [minderjarige] van de ene naar de andere ouder brengt. De gecertificeerde instelling heeft de ouders aangemeld voor een NIKA-traject om meer zicht te krijgen op de hechting tussen [minderjarige] en de ouders. Daarbij is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie verzocht om beslisdiagnostiek uit te voeren en een standpunt in te nemen over de (uitbreiding van de) zorgregeling en eventueel noodzakelijke hulpverlening. De verwachte wachttijd bedraagt acht maanden. Daarom is de gecertificeerde instelling ook nog op zoek naar andere aanbieders van dit traject. Verder is met beide ouders gesproken over de inzet van de MASIC om een advies te krijgen over de vraag of de ouders in de toekomst (door middel van interventies) toch weer in staat zouden kunnen zijn om het ouderschap gezamenlijk uit te voeren.\n\n [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Daarom moet er zorgvuldig worden omgegaan met de uitbreiding van de zorgregeling. Gelet hierop is de gecertificeerde instelling is van mening dat er op dit moment geen ruimte is voor uitbreiding van de zorgregeling, waaronder een overnachting, vooruitlopend op het NIKA-traject. Als in de tussentijd toch blijkt dat die ruimte er wel is, zal de gecertificeerde instelling overgaan tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast het liefst dat de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor de duur van een jaar, zodat de focus komt te liggen op behandeling en interventie in plaats van een naderende zitting.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat er uit de stukken en op de zitting geen zorgen naar voren zijn gekomen over de (thuis)situatie bij de vader. Uit het rapport van de Raad en hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting heeft verteld, komen wel meerdere zorgen over de situatie bij de moeder naar voren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames ook de nodige zorgen oproepen. Hieruit komt een beeld naar voren van een moeder die op momenten geen controle heeft over haar emoties. Hierdoor zijn er hoogoplopende conflicten ontstaan tussen de ouders tijdens de overdracht van [minderjarige] bij de McDonalds in [plaats 1] , waar de politie op een melding van de moeder over wapenbezit bij de vader is afgekomen, terwijl dit loos alarm bleek. In een andere geluidsopname van een gesprek van de moeder met de zus van de vader is een lange monoloog van de moeder te horen waarbij het gedrag van de moeder volledig ontspoort. Daarnaast heeft de vader zorgen geuit over het blowen van de moeder in het bijzijn van [minderjarige] , maar ook in het bijzijn van haar oudste dochter. De door de vader overgelegde geluidsopnames lijken die zorgen te bevestigen.\n\n Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld in de vorm van een praktijkondersteuner van de huisarts en een psycholoog teneinde haar emoties beter in beeld te krijgen en tips te krijgen hoe om te gaan met de situatie. Zij lijkt nu meer controle te hebben over haar emoties en daarmee lijkt een positieve lijn te zijn ingezet.\n\nTegelijkertijd zijn de genoemde zorgen op dit moment nog niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van een overnachting van [minderjarige] bij de moeder op zichzelf begrijpt en ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank nu nog te vroeg voor een overnachting. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling. Daarbij zal [minderjarige] gedurende twee dagen in de week bij de moeder verblijven en de overdracht zal plaatsvinden op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Op het moment dat de gecertificeerde instelling voldoende vertrouwen heeft dat deze positieve ontwikkeling zich doorzet en dat een overnachting op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is, vertrouwt de rechtbank erop dat de gecertificeerde instelling hierop zal inzetten.\n\nDe rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat de regie bij de gecertificeerde instelling ligt en een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden, in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en het NIKA-traject. Het is van belang dat er voldoende tijd en rust is om aan verdere verbetering van de situatie te werken, maar de rechtbank wil ook een vinger aan de pols houden om te waarborgen dat geen onnodige vertraging plaatsvindt. Het is dan ook van belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag gaat en overgaat tot uitbreiding van de zorgregeling, zodra dat in haar visie veilig en verantwoord is. Het belang van [minderjarige] dient hierbij te allen tijde voorop te staan. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling daarom aanhouden tot 15 december 2026 pro forma.\n\nDe rechtbank zal daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopigbij de vader bepalen en de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats ook aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden nog te vroeg om een beslissing over het gezag te nemen, zodat ook deze beslissing wordt aangehouden tot bovengenoemde pro formadatum.\n\nDe rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, aangezien beide ouders hebben aangegeven dat zij willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nDe vader en de moeder hebben geen van beiden een standpunt ingenomen over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook hebben zij geen van beiden financiële gegevens overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee allebei niet voldaan aan de stelplicht, zodat de verzoeken tot alimentatie over en weer zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\nAangezien de rechtbank een definitieve beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-\u002Fomgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nbepaalt dat de minderjarige:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [plaats 2] ;\n\nvoorlopigde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;\n\nbepaalt dat de regie over de voorlopigezorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]\n\ntoekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen de frequentie van het contact, de locatie van het contact en de overdracht, en de wijze van begeleiding en overdracht. Daarbij geldt als minimale regeling de huidige regeling waarbij [minderjarige] op twee dagen in de week van 9.00 tot 16.30 uur bij de moeder verblijft (zonder overnachting). Alleen bij zwaarwegende contra-indicaties kunnen deze frequentie en duur worden ingeperkt;\n\nverklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het verzoek van de moeder tot het opleggen van een dwangsom;\n\nwijst af de verzoeken van de vader en de moeder om een kinderalimentatie te bepalen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot1 december 2026 pro forma;\n\nin de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nwijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.864Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":43,"updatedAt":99},"1920","ECLI:NL:RBDHA:2026:15203","ecli-nl-rbdha-2026-15203","2026-05-06T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-5435\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F688667\n\nDatum beschikking: 6 mei 2026Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie\n\nBeschikking op het op 16 juli 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.W. Kuiper te Den Haag.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\n- de berichten van 16 maart 2026 van de zijde van de moeder;\n\n- het bericht van 22 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.\n\nOp 24 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nDe minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] Ntiranyibagira hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nTijdens de zitting is met partijen gesproken over de late indiening van de stukken van 22 maart 2026 van de zijde van de vader en over het ontbreken van recente inkomensgegevens van de moeder. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de moeder de gelegenheid gegeven om deze stukken nog te overleggen, en de vader de gelegenheid gegeven om op basis van deze stukken een nieuwe berekening te maken. De rechtbank heeft op 7 april 2026 de inkomensgegevens van de moeder en de nieuwe berekening van de vader ontvangen. Tot slot heeft de rechtbank op 14 april 2026 een reactie ontvangen van de moeder op de berekening van de vader.\n\nFeiten\n\n- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .\n\n- De vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend.\n\n- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast, ingevolge aantekeningen in het gezagsregister 8 juli 2014 en 10 januari 2016.\n\n- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens – te bepalen:\n\ndat de moeder het eenhoofdig gezag over de kinderen toekomt;\n\ndat de vader met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2024\u002F1 maart 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder een bedrag van € 700,- per maand dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen.\n\nDe moeder doet haar verzoek tot wijziging van de gezagsverhoudingen steunen op de stelling dat de omstandigheden ten opzichte van het moment waarop het gezamenlijk gezag ontstond zijn gewijzigd.\n\nDe vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank te bepalen:\n\ndat er een bijdrage wordt vastgesteld op basis van de inkomensgegevens van de vader en de moeder en met ingang van de datum beschikking, althans met ingang van de datum indiening verzoekschrift;\n\ndat er tussen de vader en de kinderen sprake zal zijn van een regeling waarbij de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede de helft van de feestdagen en de helft van de schoolvakanties.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nDe moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen klem en\u002Fof verloren zullen raken bij handhaving van het gezamenlijk ouderlijk gezag, omdat de communicatie tussen partijen sinds het uiteengaan zeer stroef verloopt. Volgens de moeder is de vader slecht bereikbaar, negeert hij de zorgen van de moeder over de kinderen en is hij onvoorspelbaar in zijn gedrag als gevolg van zijn wiet- en hasjgebruik. Ook stelt de moeder dat de vader in eerste instantie niet heeft meegewerkt aan het aanvragen van paspoorten voor de kinderen en dat het verkrijgen van toestemming van de vader voor een vakantie met de kinderen moeizaam is verlopen. Daarnaast stelt de moeder dat het voor haar moeilijk is om contact te hebben met de vader, omdat de vader haar heeft aangerand.\n\nDe vader stelt dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen en dat er geen reden is om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Hij betwist dat wat de moeder stelt over de communicatie tussen de ouders, het negeren van de zorgen van de moeder, het wiet- en\u002Fof hasjgebruik en de aanranding uitdrukkelijk. Verder geeft de vader aan dat hij zijn medewerking heeft verleend voor het aanvragen van de paspoorten en dat hij toestemming heeft gegeven voor de vakantie, maar dat dit laatste langer duurde omdat de moeder (gedeeltelijk) niet-ingevulde formulieren gaf. De vader meent dat hij wel degelijk zijn verantwoordelijkheid als ouder met gezag neemt en dat hij een serieuze rol in het leven van de kinderen wil blijven spelen.\n\nWettelijk kader\n\nDe rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd in het geval er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nBij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het beëindigen van het gezag een ingrijpende beslissing is met vergaande gevolgen, die daarom niet lichtzinnig mag worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken niet gebleken dat het de ouders onvoldoende lukt om gezamenlijk de belangrijke beslissingen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te nemen. De ouders zijn het weliswaar over sommige zaken rond de kinderen niet (volledig) met elkaar eens, bijvoorbeeld over de Arabische lessen, maar zij blijven op een respectvolle wijze met elkaar communiceren. Bovendien is gebleken dat de ouders met elkaar meedenken over problemen waar zij in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen en dat zij dit proberen op te lossen in het belang van de kinderen. Zo is het hen gelukt om samen psychologische hulp voor [de minderjarige 2] in te schakelen en ook om hulp van het jeugdteam in te schakelen voor [de minderjarige 1] in verband met de problemen en het verdriet waarmee zij kampt als gevolg van het uiteengaan van de ouders. Gelet hierop ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat het gezamenlijk gezag ertoe leidt dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Ook is het de rechtbank niet gebleken dat het anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.\n\nTen overvloede overweegt de rechtbank dat de ouders weliswaar met elkaar communiceren en dat dit redelijk gaat, maar dat er op dat gebied ook verbetering mogelijk is. Het is duidelijk geworden dat de verwachtingen van de ouders over en weer regelmatig uiteenlopen en dat het valt op dat er regelmatig sprake is van miscommunicatie en daaruit voortvloeiende misverstanden. Naar aanleiding daarvan geeft de rechtbank de ouders mee dat mediation en\u002Fof ouderschapsbemiddeling behulpzaam kan zijn bij het verbeteren en afstemmen van de onderlinge communicatie, en daarmee bij het voorkomen of verminderen van misverstanden in de toekomst. Dat is uiteindelijk ook het meest in het belang van hun kinderen. Indien de ouders wensen daarvan gebruik te maken, kunnen zij deze hulpverlening zelf inschakelen, bijvoorbeeld via het betrokken Jeugdteam.\n\nVerdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang\n\nIn de loop van de procedure hebben de ouders afspraken gemaakt over de zorgregeling. Deze overeengekomen zorgregeling voeren zij sinds november 2025 uit en houdt in dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader zijn. De ouders hebben ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties. Zij hebben afgesproken dat de vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld tussen de ouders.\n\nOp de zitting is met de ouders gesproken over deze regeling. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de vader het belangrijk vindt dat de kinderen op vrijdag en zondag naar Arabische les gaan, en dat de moeder het belangrijk vindt dat [de minderjarige 1] op zaterdag naar haar voetbalwedstrijd kan gaan. Ook is gebleken dat het is voorgekomen dat de vader [de minderjarige 1] niet naar haar voetbalwedstrijd liet gaan, omdat zij niet naar Arabische les was geweest. De rechtbank geeft de ouders mee dat dit niet weer mag gebeuren, omdat de vader [de minderjarige 1] hiermee straft voor iets waar de ouders verschillend in staan en waarvan het de ouders niet lukt om daar goede afspraken over te maken. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [de minderjarige 1] heel duidelijk uitgelegd dat ze enorm uitkijkt naar de voetbalwedstrijden in het weekend en dat zij ontzettend teleurgesteld is als zij daar niet heen mag. Zoals de rechtbank ook op de zitting heeft besproken met de ouders, betekent het feit dat de kinderen het ene weekend bij de vader en het andere weekend bij de moeder zijn dat de ouders beiden verantwoordelijk zijn om in het weekend dat de kinderen bij hen zijn, naar voetbal en naar Arabische les te brengen. Praktisch betekent dat dat de vader de kinderen naar Arabische les en naar voetbal brengt wanneer zij bij hem zijn, en dat van de moeder mag worden verwacht dat zij de kinderen ten minste een keer naar Arabische les en op zaterdag naar voetbal brengt wanneer zij bij haar zijn. De rechtbank verwacht dan ook van de ouders dat zij dit zullen (blijven) doen.\n\nGelet op het voorgaande, en omdat de rechtbank de door de ouders overeengekomen zorgregeling en verdeling van de vakanties in het belang van de kinderen acht, zal de rechtbank de overeengekomen zorgregeling en vakantieverdeling vastleggen en opnemen in het dictum.\n\nKinderalimentatie\n\nAfspraak\n\nVolgens de moeder hebben de ouders de afspraak gemaakt dat de vader maandelijks € 700,- aan kinderalimentatie aan haar zou betalen, maar heeft de vader dit slechts één keer, in april 2024, betaald. De moeder stelt dat de vader deze afspraak daarna niet meer is nagekomen.\n\nDe vader betwist het bestaan van de door de moeder gestelde afspraak. Volgens de vader hebben de ouders afgesproken dat, omdat de broer van de moeder bij de vader inwoont en dat hij daarvoor € 650,- betaalt, deze broer dit bedrag aan de moeder overmaakt als vorm van kinderalimentatie. De vader stelt dat dit bedrag niet is gebaseerd op de draagkracht van de ouders en dat deze betalingen op enig moment zijn gestopt omdat de moeder heeft aangegeven dat ze het geld niet meer nodig had. Volgens de vader brengt dit mee dat hij ervan uit mocht gaan dat de moeder geen behoefte meer had aan een bijdrage.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de moeder haar stelling met betrekking tot het bestaan van een afspraak, mede gelet op de betwisting daarvan, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom zal de rechtbank het primaire verzoek van de moeder tot nakoming van de gestelde afspraak afwijzen. In het hiernavolgende zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie vaststellen.\n\nIngangsdatum\n\nOm proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de moeder ter zitting heeft aangegeven dat de laatste betaling in februari 2025 zou zijn gedaan en dat daarom 1 maart 2025 de ingangsdatum van de kinderalimentatie zou moeten zijn, heeft zij nadien schriftelijk verzocht om 1 mei 2025 als ingangsdatum te hanteren omdat de laatste betaling in maart of april zou zijn geweest. De vader heeft erkend dat de betalingen op enig moment zijn gestopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader zijn stelling dat de moeder heeft gezegd dat zij het geld voor de kinderen niet meer nodig heeft, onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2025 vast te stellen.\n\nBehoefte\n\nBij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.\n\nVoor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.\n\nPartijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 56.123,- bruto per jaar, op grond van de jaaropgaaf van 2025 van de moeder.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.482,- per maand.\n\nPartijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Aangezien de omzet die de vader genereert per maand varieert, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de facturen die de vader heeft overgelegd over de periode van april 2025 tot en met december 2025, gedeeld door negen maanden en vermenigvuldigd met twaalf. Dat leidt tot een jaaromzet van € 31.077,- . Na aftrek van kosten schat de rechtbank op basis van deze jaaromzet de winst uit onderneming op € 25.000,- per jaar.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 1.997,- per maand.\n\nHet netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.479,- per maand (€ 3.482,- (NBI vrouw) +€ 1.997,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 192,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.304,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gezamenlijk, dat wil zeggen € 652,- per maand per kind.\n\nDe rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.\n\nDraagkracht moeder\n\nVoor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.855,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de overgelegde salarisspecificaties van 2026, aangezien het bruto inkomen van de moeder per maand varieert.\n\nHet kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met:\n\nde gemiddelde pensioenpremie van € 535,-;\n\nde gemiddelde premie WW Loyalis van € 5,-, en;\n\nde gemiddelde premie WGA Hiaat van € 15,-.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 4.273,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nOmdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [4.273 – (1.282 + 1.310)] = € 1.177,- per maand.\n\nDraagkracht vader\n\nTussen partijen is in geschil of er een verdiencapaciteit aan de vader moet worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder haar stelling, namelijk dat de vader een netto-omzet van € 3000,- per maand zou hebben gehad op het moment dat partijen uit elkaar gingen, niet voldoende onderbouwd. Tevens heeft de vader deze stelling betwist door te stellen dat zijn gemiddelde bruto-omzet € 3000,- per maand was. Omdat ook de stelling van de vader niet met stukken onderbouwd is, zal de rechtbank niet rekenen met een verdiencapaciteit aan de zijde van de vader, maar de draagkracht bepalen op basis van de overgelegde stukken.\n\nAangezien de omzet die de vader genereert per maand varieert, gaat de rechtbank hierbij uit van het gemiddelde van de facturen die de vader heeft overgelegd voor de periode van april 2025 tot en met februari 2026, gedeeld door elf maanden en vermenigvuldigd met twaalf om tot een jaaromzet van € 29.288,- te komen. Na aftrek van kosten schat de rechtbank op basis van deze jaaromzet de winst uit onderneming op € 25.000,- per jaar.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 1.997,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nBij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.975,- en € 2.025,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 98,- per maand voor de vader in aanmerking nemen.\n\nDraagkrachttekort\n\nDe draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.275,- per maand (€ 1.177,- + € 98,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 29,- per maand.\n\nDe rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.\n\nGelet op deze uitspraak van de Hoge Raad en de conclusie dat sprake is van een draagkrachttekort, zal de rechtbank hierna ambtshalve onderzoeken of toepassing van de werkelijke woonlasten de vader leidt tot een hogere bijdrage.\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de bankafschriften van de vader blijkt dat hij € 789,- per maand aan huur aan de wooncorporatie betaalt. Dit bedrag overstijgt het woonbudget van € 599,- (30% van € 1.997,- (NBI vader)). Als de rechtbank de draagkracht van de vader zou berekenen met inachtneming van de huurprijs die de vader betaalt, zou dit tot gevolg hebben dat zijn draagkracht lager wordt en dus dat er een lager bedrag beschikbaar is voor de kinderen. Dit acht de rechtbank niet wenselijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat de vader zijn woning deelt met anderen die ook een deel van de huurprijs voldoen en dat zijn werkelijke woonlasten daarom duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget.\n\nZorgkorting\n\nOmdat de vader gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 326,- per maand (25% van € 1.304,- (behoeftebedrag)). Omdat sprake is van een tekort van € 29,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van afgerond € 312,- per maand.\n\nDe kosten die de vader aldus draagt voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn gelijk aan het bedrag van de berekende zorgkorting en bedragen daarom € 312,- per maand. Op dit bedrag komt in mindering zijn eigen draagkracht van € 98,- per maand. Hij kan dus voor een bedrag van € 214,- niet zelf voorzien in de zorgkosten die hij maakt als de kinderen bij hem verblijven.\n\nDe vader heeft de rechtbank in zijn laatste brief echter verzocht om de bijdrage die hij aan de moeder dient te betalen in de kosten en verzorging van de kinderen op € 50,- vast te stellen. Kennelijk is de vader in staat om deze bijdrage te voldoen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vader met ingang van 1 mei 2025 aan de moeder een kinderalimentatie dient te voldoen van € 25,- per maand per kind.\n\nProceskosten\n\nOmdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing De rechtbank:\n\n*\n\nstelt een verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij de minderjarigen:\n\n [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te Leiden, en;\n\n [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te Leiden;\n\nbij de vader zullen zijn:\n\nom de week van vrijdagmiddag tot zondagavond;\n\ngedurende de helft van de schoolvakanties, waarbij de ouders de vakanties in onderling overleg verdelen;\n\n*\n\nbepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 mei 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , van € 25,- per maand, per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het anders of meer verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15203","2026-06-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.571Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":104,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":43,"updatedAt":107},"1545","ECLI:NL:HR:1915:104","ecli-nl-hr-1915-104","Uitgetypte tekst van het originele HR-arrest in de civiele zaak met uitspraakdatum 28 mei 1915 en HR-zaaknummer 4397.\n\nOpenbare terechtzitting van Vrijdag 28 Mei 1915.\n\nDe zitting is geopend te elf uur.\n\nDe deurwaarder roept de volgende zaak op:\n\nDe Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (nº 4397) van:\n\n [eischeresse], van tafel en bed gescheiden echtgenoote van [echtgenoot], wonende te [woonplaats], eischeresse tot cassatie van een arrest den 5den Juni 1914 door het Gerechtshof te Amsterdam tusschen partijen gewezen, kosteloos procedeerende krachtens beschikking van den Hoogen Raad van 30 October 1914, vertegenwoordigd door Mr. G.A. van Haeften, advocaat bij den Hoogen Raad.\n\nTegen:\n\nde Handelsvennootschap onder de firma [verweerster], gevestigd en kantoor houdende te [vestigingsplaats], verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.A. de Ranitz, mede advocaat bij dien Raad.\n\nGehoord den Procureur-Generaal in zijne ter terechtzitting van heden herhaalde conclusie tot verwerping van het beroep met veroordeeling van de eischeres in de kosten;\n\nGezien de stukken;\n\nOverwegende, dat uit het bestreden arrest en uit het daarbij vernietigde vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 November 1913, waarheen dit arrest voor wat de feiten betreft verwijst, blijkt:\n\ndat de President van voormelden Rechtbank bij beschikking van 14 Augustus 1912 aan de tegenwoordige eischeresse verlof heeft verleend om tegen haren echtgenoot [echtgenoot] in te stellen eene vordering tot echtscheiding, subsidiair tot scheiding van tafel en bed, en daarbij tevens heeft bepaald, dat die echtgenoot haar van dien 14en Augustus af voorloopig voor levensonderhoud een bedrag van tien gulden per week zou uitkeeren;\n\nOverwegende, dat de eischeresse uit kracht dier beschikking op 21 September 1912 onder handen van de tegenwoordige verweerster, tot een toen haar verschuldigd bedrag van vijftig gulden voor vijf wekelijksche termijnen, executoriaal beslag heeft doen leggen op al hetgeen de verweerster aan [echtgenoot] zou zijn of worden verschuldigd, of van [echtgenoot] mocht onder zich hebben of krijgen, en nadat de termijn was verloopen waarbinnen de geexecuteerde tegen dat beslag in verzet kon komen zonder dat zoodanig verzet was gedaan, van die verweerster heeft gevorderd verklaring van hetgeen zij aan [echtgenoot] verschuldigd is of van hem onder zich heeft;\n\ndat de partij [verweerster] deze verklaring op 19 December 1912 heeft afgelegd, doch de eischeresse deze als ondeugdelijk heeft bestreden, en heeft gevorderd, dat mocht geen verstek tegen de derde beslagene worden verleend, hare verklaring zou worden verbeterd, en zij bovendien ingevolge artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen zoude worden veroordeeld;\n\ndat de geexecuteerde [echtgenoot] den 31sten Maart 1913 is verklaard in staat van faillissement, en de partij [verweerster] heeft betoogd, dat op grond daarvan het beslag was vervallen, waartegen de eischeresse onder meer heeft aangevoerd, dat, al ware het beslag vervallen door de faillietverklaring, daarmede niet vervallen is de vordering tot het doen van verklaring, zoodat nu die verklaring is onjuist, de derde gearresteerde niettegenstaande die faillietverklaring tot vergoeding van kosten, schaden en interessen moet worden veroordeeld;\n\nOverwegende, dat de Rechtbank bij haar bovenvermeld vonnis, na te hebben overwogen, dat het beslag was vervallen door [echtgenoot]'s faillissement, en dat dientengevolge verbetering der afgelegde verklaring onnoodig was, die verklaring ondeugdelijk heeft verklaard, en, van oordeel, dat tengevolge van de onjuistheid der verklaring aan de eischeresse eene schade van vijftig gulden was berokkend, de partij [verweerster] tot betaling van dit bedrag heeft veroordeeld;\n\nOverwegende, dat op het tegen dit vonnis ingesteld hooger beroep, het Hof, na vooraf ambtshalve te hebben overwogen en bevestigend te hebben beantwoord de vraag, of het vonnis vatbaar was voor hooger beroep, omtrent de zaak zelve heeft overwogen:\n\ndat ingevolge artikel 33 der Faillissementswet het executoriaal beslag onder de partij [verweerster] gelegd, door de later gevolgde faillietverklaring van den schuldenaar [echtgenoot] was vervallen;\n\ndat derhalve de vervolging van dit beslag door middel van eene vordering tot het doen van verklaring tegen de [verweerster] als derde gearresteerden niet meer mogelijk was;\n\ndat dus de rechter de deugdelijkheid der afgelegde verklaring niet meer kon onderzoeken, noch op grond van bevonden ondeugdelijkheid eene veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kon uitspreken;\n\nen op die gronden het vonnis waartegen beroep heeft vernietigd en aan de tegenwoordige eischeresse hare vorderingen heeft ontzegd;\n\nOverwegende, dat tegen 's Hofs beslissing worden aangevoerd de volgende middelen van cassatie:\n\nI Schending of verkeerde toepassing van artikel 54, 69 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1, 5, 134, 332, 475, 479, 741, 750 en 752 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doordien het Hof, vooropstellende dat de volstrekte bevoegdheid des rechters wordt bepaald door het bedrag, dat bij dagvaarding wordt gevorderd, van oordeel is, dat deze regel eene uitzondering toelaat in de verklaringsprocedure, in dien zin dat de volstrekte bevoegdheid aldaar moet worden beoordeeld niet slechts naar het bij dagvaarding gevorderde bedrag, doch ook naar datgene wat bij repliek daarenboven gevorderd wordt ingeval van betwisting der afgelegde verklaring, - welke onjuiste overweging het Hof ertoe heeft geleid de onderhavige vordering te beschouwen als te zijn van een onbepaald bedrag, en te oordeelen, dat tegen het te dezer zake gewezen vonnis hooger beroep zoude zijn toegelaten;\n\nII Schending of verkeerde toepassing van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met artikel 33 der Faillissementswet, en de artikelen 479, 741, 751, 752 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en 1401 en 1402 van het Burgerlijk Wetboek, door aan te nemen, dat, nu het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar voor het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, ook de verklaringsprocedure tegen den derde- gearresteerde in haar geheel een einde heeft genomen tengevolge van het faillissement van den hoofddebiteur, ook dus ten aanzien van eene vordering tot schadeloosstelling ingevolge de bepaling van de tweede alinea van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen den derde gearresteerde ingesteld, daarbij uit het oog verliezende dat laatstbedoelde vordering niet strekt om te geraken tot executie van eenig bestanddeel van het vermogen van den gefailleerde, doch gericht is op het vermogen van den derde-gearresteerde, geheel onafhankelijk van diens schuld aan den hoofddebiteur, waarop het derden-arrest rust;\n\nOverwegende ten aanzien van het eerste middel:\n\ndat artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat indien de juistheid der verklaring van den derden beslagene door den arrestant wordt betwist, deze laatste van dien derden gearresteerde, behalve verbetering der verklaring, kan vorderen vergoeding van kosten, schaden en interessen hem door de ondeugdelijkheid der afgelegde verklaring berokkend;\n\ndat door die bepaling den arrestant de bevoegdheid wordt gegeven, om zijnen eisch tegen den derden gearresteerde, aanvankelijk tot het vorderen der in artikel 741 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omschreven verklaring beperkt, met eene vordering tot schadevergoeding te vermeerderen, in welk geval de rechter over die vermeerderde vordering zal hebben te oordeelen;\n\nOverwegende, dat de vordering tot het afleggen van verklaring geen hoogere waarde heeft, dan het daarbij uitgedrukt bedrag der vordering des beslagleggers ten laste van zijn schuldenaar, daar de vordering tot het doen van verklaring geene andere strekking heeft dan om tot verhaal van dat bedrag te geraken;\n\nOverwegende, dat dan ook volgens de artikelen 741 en 746 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de derde beslagene, bij gebreke van het doen van verklaring, wordt veroordeeld tot\n\nvoldoening van het bedrag der vordering waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard, en volgens artikel 751 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de door deze derden beslagene verschuldigde of onder hem berustende gelden den arrestant slechts tot aan het bedrag zijner vordering worden uitbetaald;\n\nOverwegende, dat derhalve, daar de vordering der eischeresse, waarvoor zij beslag onder de [verweerster] had gelegd, slechts fl. 50 .- bedroeg, het vonnis op de vordering tot het doen van verklaring gewezen, op zich zelf niet voor hooger beroep zou zijn vatbaar geweest, doch dat, nu bovendien werd gevorderd de vergoeding in het tweede lid van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemd, de vordering waarover de Rechtbank had te oordeelen was eene vordering van onbepaalde waarde en dus hare uitspraak over die vordering aan hooger beroep onderworpen;\n\ndat mitsdien het eerste middel van cassatie is ongegrond;\n\nVoor wat betreft het tweede middel:\n\nOverwegende, dat de strekking der vordering tot het doen van verklaring, door de eischeresse tegen de [verweerster] ingesteld, was om op hetgeen deze van [echtgenoot] onder zich hadden of aan [echtgenoot] verschuldigd waren, te verhalen hetgeen zij eischeresse van [echtgenoot] had te vorderen krachtens het bevelschrift van den President der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 Augustus 1912, waarbij [echtgenoot] was veroordeeld haar met ingang van dien dag voor levensonderhoud te verstrekken een bedrag van f 10 .- per week, en dat het instellen der vordering tegen de partij [verweerster] mitsdien was eene daad van ten uitvoerlegging van voormeld bevelschrift;\n\nOverwegende, dat ingevolge artikel 33 der Faillissementswet die daad van ten uitvoerlegging noodzakelijk een einde nam, toen [echtgenoot] op 31 Maart 1913 werd verklaard in staat van faillissement, zoodat de Rechtbank de deugdelijkheid of ondeugdelijkheid der afgelegde verklaring niet verder kon onderzoeken, noch haar oordeel kon uitspreken over den eisch tot schadevergoeding gevorderd voor het geval dat de Rechtbank die verklaring ondeugdelijk zou oordeelen;\n\ndat mitsdien ook het tweede middel is onaannemelijk;\n\nVerwerpt het beroep;\n\nVeroordeelt de eischeresse in de kosten op het beroep in cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van verweerster begroot op twee gulden vijf en vijftig cent aan verschot en op negentig gulden aan salaris.\n\nGedaan bij de Heeren Mrs. Nypels, waarnemend President, Krabbe, Loder, Bosch en Nelissen, Raden, en door den waarnemend president voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den acht en twintigsten Mei 1900 vijftien, in bijzijn van Mr. Noyon, Procureur-Generaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:1915:104","2018-07-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:26.362Z",20]