[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-parental-responsibility-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":104},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},64,"parental-responsibility-nl","Parental Responsibility","NL","2026-07-08T16:54:19.202Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2026-05-26T00:00:00.000Z","2026-05-28T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124130","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 270 lid 1",1,[27,38,45,52,59,66,75,83,90,97],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"480","ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","ecli-nl-rbdha-2026-17445","","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-2231\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F682424\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Scheiding\n\nBeschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. K. Moene te ’s-Gravenhage.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 28 maart 2025, met bijlagen namens de vrouw;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het bericht van 10 februari 2026 namens de vrouw;\n\n- de brief van 24 februari 2026, met bijlage, namens de vrouw inhoudende\n\n een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- de brief van 17 april 2026, met bijlagen, namens de vrouw, tevens\n\n inhoudende een wijziging van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling;\n\n- het bericht van 21 april 2026, met bijlage, namens de man.\n\nOp 30 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2023 te Leidschendam-Voorburg in beperkte gemeenschap\n\n van goederen.\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .\n\n- De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 24 maart 2025\n\n –voor zover hier van belang– bepaald dat:\n\nde vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nde kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;\n\nde man aan de vrouw, met ingang van 10 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 250,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\n- Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is op 19 maart 2026 –\n\n met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2025 –\n\n bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 11 maart 2026, een kinderalimentatie\n\n ten behoeve van de kinderen van € 167,- per kind per maand zal betalen, telkens bij\n\n vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet gewijzigde verzoek van de vrouw zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen (zorgregeling), in die zin dat:\n\n de kinderen gedurende de schoolweken en onder de voorwaarde dat in dat\n\nweekend geen feestdagen vallen in het weekend van de oneven weken bij\n\nde man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur;\n\n invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 167,- per maand per kind, bij\n\n vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de beschikking;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen,\n\n -waarbij de kinderen bij de man zullen zijn:\n\n in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur;\n\n in de zomervakantie 1 week in overleg;\n\n met Vaderdag;\n\n -te bepalen dat de kinderen 2 video belmomenten op dinsdag en donderdag om\n\n 19:00 uur hebben met de man of elk ander moment dat de kinderen hun vader\n\n missen;\n\n- vaststelling van een regeling inzake de informatie over de kinderen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de\n\n kinderen;\n\n- vaststelling van kinderalimentatie van € 166,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van indiening van het verweerschrift althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht;\n\n- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform\n\n het voorstel van de man inhoudende dat de goederen opgenoemd in de inboedellijst (productie 3) aan de man zullen toekomen, zonder verrekening.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntbreken ouderschapsplan\n\nBij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank toch het verzoek tot echtscheiding.\n\nOmdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nDe vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.\n\nZorgregeling\n\nUit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. Op 25 februari 2025 is aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd, omdat er een incident van huiselijk geweld in de echtelijke woning heeft plaatsgevonden. Dit huisverbod is ook nog verlengd tot 25 maart 2025. De vrouw is met de kinderen in de echtelijke woning gebleven. In de voorlopige voorzieningenprocedure (beschikking van\n\n24 maart 2025) is vervolgens het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend alsmede zijn de kinderen aan haar toevertrouwd. Er is diverse hulpverlening bij het gezin betrokken geraakt, onder meer het Veilig Verder Team (VVT). Doel van dit team is het opstellen van veiligheidsafspraken en het maken van passende omgangsafspraken voor de kinderen. Op 20 januari 2026 heeft het VVT advies uitgebracht, waarbij is gebleken dat er nog geen definitieve veiligheids- en omgangsafspraken zijn vastgesteld.\n\nBeide ouders willen een vaste zorgregeling, maar zij verschillen van mening over de exacte invulling van deze regeling. Daarbij is het werkrooster van de man een complicerende factor.\n\nDe vrouw stelt een zorgregeling voor, waarbij de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:00 uur. De vrouw hecht aan een vaste regeling die de man altijd kan nakomen. Om deze reden verzoekt zij zaterdag 10 uur, omdat vrijdag na school volgens de vrouw niet altijd voor de man haalbaar is. Daarnaast vindt de vrouw het van belang dat de kinderen op tijd naar bed gaan. Dit klemt temeer op de zondagen nadat de kinderen een weekend bij de man zijn geweest.\n\nDe man verzet zich tegen de verzochte invulling van de vrouw en verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school (15:00 uur) tot zondag 18:00 uur bij hem verblijven.\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat de man op dit moment bij zijn huidige werkgever een werkrooster heeft, waarbij hij eenmaal in de drie weken een vrij weekend heeft. Mogelijk krijgt de man op korte termijn een nieuwe werkgever en wil hij gaan bespreken dat hij om de week een vrij weekend heeft.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank nu bepalen dat de kinderen bij de man zijn eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school (15:00 uur) tot zondag 17 uur. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de man in de weken dat hij de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel dagdeel omgang zal hebben met de kinderen. Daarbij is het van belang dat de man de vrouw tijdig op de hoogte zal brengen van zijn vrije (doordeweekse) dagen in zijn werkrooster, waarna ze in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – voor de weken daarop, indien mogelijk, de doordeweekse contactmomenten kunnen vastleggen.\n\nDe ouders zijn het er verder over eens dat de invulling van vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden bepaald, maar dat de kinderen in ieder geval op vaderdag en in de zomervakantie één week bij de man zullen zijn. Ook hiervoor geldt dat de man de vrouw tijdig van zijn werkrooster op de hoogte zal moeten brengen, zodat deze vakantie(s) en feestdagen in onderling overleg – eventueel onder begeleiding van hulpverleners – kunnen worden bepaald.\n\nDe rechtbank geeft de ouders mee dat zij samen met VVT dan wel andere hulpverleners verdere afspraken moeten maken over de nadere invulling en uitbreiding van de zorgregeling, mede afhankelijk van de (nieuwe) werkroosters van de man en van het werkrooster van de vrouw voor zover zij erin slaagt te gaan werken zoals zij voornemens is. Daarbij moet ernaar worden gestreefd dat de kinderen in ieder geval om de week een weekend bij de man zullen verblijven, zoals beide ouders nu hebben verzocht.\n\nOp de zitting zijn de ouders verder overeengekomen dat de man twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment met de kinderen zal hebben. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat dit ook in het belang van de kinderen is.\n\nInformatieregeling\n\nDe man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man maandelijks zal informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het verzoek van de man buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het niet binnen de gegeven verweertermijn en dus te laat is ingediend.\n\nWat er ook zij van het standpunt van de vrouw, de rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen, toe te wijzen. De ouders zijn immers gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast. Uit gezamenlijk gezag vloeit voort dat de ouders elkaar over en weer moeten informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan. Daarnaast kan de man als gezaghebbende ouder ook zelf alle informatie over de kinderen opvragen bij betrokken instanties. Verder zal de man ook regelmatig contact met de kinderen hebben, zodat hij op basis hiervan ook al goed op de hoogte is van onder andere hun ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw haar verzoek wijzigt en nu verzoekt een kinderalimentatie vast te stellen van € 167,- per maand per kind, zoals is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2026 betreffende de wijziging van de voorlopige voorzieningen. Gelet op het zelfstandige verzoek van de man, waarin hij een bedrag van € 166,- per maand per kind aan kinderalimentatie verzoekt, concludeert de rechtbank dat de ouders over de kinderalimentatie overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij zal de rechtbank de datum van beschikking als ingangsdatum bepalen, zoals de vrouw verzoekt, mede omdat er al een voorlopige kinderalimentatie in voorlopige voorzieningen is bepaald.\n\nVerdeling beperkte huwelijksgemeenschap\n\nDe man verzoekt te bepalen dat de inboedelgoederen opgenoemd in de als productie 3 overgelegde inboedellijst aan de man zullen toekomen, zonder verrekening. De vrouw verweert zich hiertegen en stelt dat de inboedel al tussen partijen is verdeeld. Mede gelet op wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap feitelijk al tussen partijen is verdeeld en dat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer behoeft te nemen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2023 te [plaats] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarigen:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat de hiervoor genoemde minderjarigen bij de man zullen zijn:\n\n- eenmaal in de drie weken (het vrije weekend van de man) van vrijdag uit school\n\n (15:00 uur) tot zondag 17 uur;\n\n- in de weken dat de man de kinderen niet in het weekend ziet nog een dag dan wel\n\n dagdeel, in onderling overleg te bepalen en afhankelijk van het werkrooster van de\n\n man;\n\n- de invulling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg zal worden\n\n bepaald, waarbij de kinderen in ieder geval op vaderdag en één week in de\n\n zomervakantie bij de man zullen zijn;\n\n*\n\nbepaalt dat er twee keer per week, op dinsdag en donderdag, om 18 uur een (video) belmoment tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden;\n\n*\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag, een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen van € 167,- per maand per kind zal betalen, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17445","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:32.552Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"408","ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","ecli-nl-rbdha-2026-17440","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 23-5949\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F652435\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag, zorg-\u002Fomgangsregeling, informatie en consultatieregeling\n\nBeschikking op het op 10 augustus 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans te Delft.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 12 april 2024 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van het gezag, de zorg-\u002Fomgangsregeling en de informatieregeling aangehouden zodat de ouders op eigen aanmelding een hulpverleningstraject konden gaan starten om aan hun verstoorde communicatie te werken.\n\nDe rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:\n\nhet bericht van 7 oktober 2024 van de moeder;\n\nhet bericht van 8 oktober 2024 van de vader;\n\nde brief van 27 mei 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 juni 2025 van de vader;\n\nde brief van 30 september 2025 van de moeder;\n\nde brief van 3 oktober 2025 van de vader;\n\nhet bericht van 6 januari 2026 van de moeder met bijlagen;\n\nde brief van 20 april 2026 van de moeder met bijlagen.\n\nDe kinderen hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.\n\nOp 30 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.\n\nGezag\n\nVoor de vader is het belangrijkste dat er een goede omgangsregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld en hij gaat ervan uit dat een beslissing over het gezag door de rechtbank juist wordt genomen.\n\nVolgens de moeder is het niet in het belang van de kinderen dat de moeder samen met de vader het gezamenlijk gezag uitoefent gelet op het feit er geen enkel constructief overleg tussen hen mogelijk is.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de verhoudingen tussen de ouders nog steeds zodanig verstoord zijn dat de kinderen klem en verloren dreigen te raken wanneer de vader en de moeder het gezag gezamenlijk zouden uitvoeren. De ouders zijn anderhalf jaar verder en de inzet van verschillende hulptrajecten, zoals mediation en parallel solo ouderschap, bleek hen niet verder te brengen in het verbeteren van het contact. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen dat de vader en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen en wijst het verzoek van de vader daarom af.\n\nOmgangsregeling\n\nHet is de hulpverlening niet gelukt om de ouders met elkaar in contact te brengen. Er is door het UHA-traject een advies opgesteld om een omgangsregeling vast te stellen zodat er duidelijkheid voor de kinderen komt. Daarbij is het van belang dat hun wensen en behoeften leidend zijn in het contact met de vader.\n\nDe vader heeft op de zitting aangegeven zich neer te leggen bij de voorgestelde omgangsregeling uit het advies vanuit het UHA-traject. Het is voor de vader het belangrijkste dat het contact met de kinderen weer wordt opgestart, omdat hij ze graag weer zou willen zien.\n\nDe moeder wenst geen vastlegging van een omgangsregeling, omdat het contact tussen de vader en de kinderen al enige tijd stilligt en de vader zich daarnaast tegenover [minderjarige 1] negatief uitlaat over de moeder.\n\nUit de stukken en op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken. De kinderen ervaren de omgang met hun vader als beladen, niet onbelast en regelmatig oppervlakkig. Uit het UHA rapport blijkt daarnaast dat de kinderen het als lastig ervaren als de vader hen vragen stelt over een uitbreiding van de omgang. De kinderen vonden de eerder afgesproken regeling voldoende, maar de vader vond dit moeilijk te accepteren. Het is in het belang van de kinderen om tijdens contactmomenten een leuke dag te hebben met de vader waarbij de focus door de vader niet – alsmaar – verlegd wordt naar de mogelijkheden tot een uitbreiding van de omgangsregeling. Omdat het wel in het belang van de kinderen is om met beide ouders contact te hebben, zal de rechtbank de volgende omgangsregeling vastleggen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Een zondag per vier weken zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder. Voor [minderjarige 3] komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 3] acht de rechtbank hem zelfstandig genoeg om in onderling overleg met de vader afspraken te maken over contactmomenten. Het is des te meer ook aan de vader om zich voor dit contact met [minderjarige 3] in te zetten. Het is de rechtbank gebleken dat de vader moeite heeft om het strijdkader los te laten. Het lukt de vader niet om de wensen en behoeften van de kinderen los te zien van zijn boosheid richting de moeder. Het is echter in het belang van de kinderen dat de vader hier verandering in brengt en zijn aandacht meer gaat richten op zijn band met de kinderen en minder op hetgeen waar hij recht op meent te hebben met betrekking tot de kinderen. De vader zal oprechte belangstelling in de kinderen moeten tonen en zo met hen in gesprek kunnen gaan om erachter te komen wat zij willen en wat er in hen omgaat. In het kader van oprechte belangstelling kan het de vader helpen om, ondanks zijn financiële problemen, toch bij de voetbal van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te gaan kijken, mede omdat zij hebben aangegeven dit heel leuk te vinden. Het is in het belang van de kinderen om zich gezien en gehoord te voelen door hun vader. Hiervoor zal eerst het contact met de vader en de kinderen hersteld moeten worden en daarvoor acht de rechtbank de vader aan zet. Het zal een wat langere adem vragen om de relatie tussen de vader en de kinderen te herstellen en de rechtbank hoopt dat de vader zichzelf en vooral de kinderen deze tijd gunt.\n\nInformatie-\u002Fconsultatieregeling\n\nDe vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de moeder de vader bij voorkeur één keer per maand per mail informeert over de ontwikkeling van de kinderen. Voorts verzoekt de vader dat de moeder haar medewerking verleent dat de school van de kinderen informatie verstrekt aan de vader over de ontwikkeling van de kinderen op school.\n\nHet is de rechtbank uit de stukken en op de zitting gebleken dat de vader niet altijd geheel op de hoogte is van de ontwikkelingen omtrent de kinderen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. Hiermee hoopt de rechtbank de vader handvatten te bieden voor gesprekken met de kinderen zodat hij belangstelling voor hen kan tonen. De moeder zal daarom de vader eens per maand per mail informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de de kinderen. Daarbij valt te denken aan hun gezondheid, hoe zij het op school doen, hun sport en wat er in hun leven verder speelt. Deze verplichting ziet uitdrukkelijk slechts op informatie-uitwisseling en het is niet de bedoeling dat de vader enige reactie op het bericht van de moeder zal geven. Mocht dat wel voorkomen, is het aan de moeder om deze reactie naast zich neer te leggen. Door het toewijzen van het verzoek van de vader en het vastleggen van de informatieregeling, zal de vader zich kunnen inzetten om meer interesse te tonen in de kinderen. Mede gelet op het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat de moeder haar medewerking verleent aan de vader zodat de school van de kinderen informatie over hen aan de vader verstrekt. De voorgaande informatieregeling houdt voor de moeder ook in om de vader te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op school.\n\nKindbrief\n\nTot slot heeft de rechtbank besloten om in een aparte brief aan [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit te leggen wat de uitkomst van de procedure is. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap zij hebben ontvangen.\n\n“Beste [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1],\n\nOp 29 april 2026 hebben wij elkaar gesproken. Jullie hebben mij veel verteld over het contact met jullie vader. De dag erna heb ik met jullie ouders gesproken. Zij vinden het allebei belangrijk dat jullie contact houden met jullie vader, maar komen er niet goed uit hoe dat dan moet. Ik heb goed naar jullie en naar jullie ouders geluisterd en heb een beslissing genomen. Die leg ik jullie hier uit.\n\nJullie moeder is degene die de belangrijke beslissingen over jullie blijft nemen en dus het gezag over jullie houdt. Jullie vader krijgt niet het gezag. Jullie ouders willen allebei het allerbeste voor jullie, maar het lukt hen niet goed genoeg om samen met elkaar te beslissen. Dat ligt niet aan jullie, zo loopt het soms nou eenmaal tussen gescheiden ouders. Omdat ik me zorgen maak of er nog wel beslissingen genomen kunnen worden als jullie ouders allebei het gezag hebben, lijkt het me beter dat jullie moeder alleen beslist.\n\nDaarbij zal jullie moeder dan wel elke maand informatie over jullie aan jullie vader geven. Dat gaat dan over school, over sport, over jullie gezondheid, en wat er verder nog aan de hand is. Zo blijft jullie vader op de hoogte van wat er speelt in jullie leven. Dat geeft hem ook de kans om gericht met jullie te praten over wat er belangrijk is voor jullie, zoals een operatie of een voetbalwedstrijd.\n\nVoor de omgang heb ik beslist dat jij, [minderjarige 3], zelf moet bekijken wat handig is. Je hebt je vrienden, je werk, school en wat er verder allemaal belangrijk voor je is. Ik heb gezien dat jij prima in staat bent om zelf met je vader afspraken te maken over wanneer je hem spreekt of ziet. Die ruimte geef ik jou dan ook.\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1], jullie gaan één keer per maand op zondag van 11:00u tot 19:00u naar jullie vader. Samen. Als de ene niet kan, gaat de ander ook niet. Dan kunnen jullie misschien de zondag erna samen gaan om de dag in te halen. Ik schrijf ook een brief (dat heet dan een beschikking) aan jullie ouders. Daarin vraag ik jullie vader om zich op die zondag vooral te richten op jullie. Het is de bedoeling dat hij er met jullie een leuke dag van maakt en wat minder focust op meer contact of op overnachtingen. Hij heeft verteld dat hij het leuk vindt om met jullie milkshakes te maken en het park in te gaan. Dat is een goed begin. Ik heb hem ook laten weten dat het voor jullie belangrijk is dat hij de moeite neemt om bijvoorbeeld eens bij jullie voetbal te gaan kijken. Ik hoop dat hij dat doet, maar dat is aan jullie vader om te regelen.\n\nIk beslis niets over vakanties of feestdagen voor jullie alle drie. Wat hiervoor over de omgang staat, blijft dan gewoon gelden. Ik beslis ook niks over uitbreiding van deze regeling. Ik vind het belangrijk dat jullie elkaar weer vinden in een gezellige en fijne omgang, zonder dat er druk op ligt van uitbreiding of extra dagen in een vakantie.\n\nIk hoop dat jullie je hier een beetje in kunnen vinden. Ik hoop ook dat jullie vader er een gezellige boel van gaat maken en dat jullie je weer fijn bij hem gaan voelen. Daar wens ik jullie het allerbeste, en ook veel plezier bij!\n\nHartelijke groetjes,\n\nde kinderrechter”\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 –:\n\nwijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af;\n\nstelt de volgende omgangsregeling vast:\n\n [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen een zondag per vier weken naar de vader gaan van 11:00 uur tot 19:00 uur waarbij de moeder de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wegbrengt naar de vader en de vader [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder;\n\n [minderjarige 3] regelt in onderling overleg met de vader wanneer zij elkaar zien;\n\nbepaalt dat de moeder eens per maand de vader per mail informeert over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen;\n\nwijst af het meer of anders verzochte;\n\nen verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17440","2026-07-13T00:28:28.207Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":51},"415","ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","ecli-nl-rbdha-2026-17448","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2689\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F701622\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en informatieregelingBeschikking op het op 17 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J.L.J. Kapteijn in Alphen aan den Rijn.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. H.H.R. Bruggeman in Leiderdorp.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 19 maart 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 29 april 2026 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;\n\nhet bericht van 6 mei 2026 met bijlagen van de vader;\n\nhet bericht van 8 mei 2026 met bijlagen van de moeder;\n\nhet bericht van 11 mei 2026 van de vader.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde advocaat van de vader;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n [minderjarige] staat blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte bepalen dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;\n\nte bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] onder toezicht bij de vader zal zijn:\n\nom de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\ngedurende één kerstdag en Sinterklaas;\n\nmet Oud en Nieuw in de oneven jaren, in de even jaren zal [minderjarige] bij de moeder zijn.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:\n\n- te bepalen dat er een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:\n\niedere dinsdag- en donderdagmiddag tot na het avondeten;\n\néén weekend in de veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur, welk weekend samenvalt met het weekend dat de andere kinderen van de vader bij hem zijn;\n\n- de volgende vakantieregeling wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] bij de vader is:\n\nin de even jaren: de voorjaarsvakantie, de tweede week van de meivakantie, de laatste drie weken van de zomervakantie en de tweede week van de kerstvakantie;\n\nin de oneven jaren: de eerste week van de meivakantie, de eerste drie weken van de zomervakantie, de herfstvakantie en de eerste week van de kerstvakantie,\n\nwaarbij de overdracht op vrijdag om 16.00 uur is;\n\n- de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBlijkens het bericht van de vader van 11 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de vader niet in staat was om op de zitting te verschijnen, omdat hij in detentie zit. De rechtbank acht het van belang dat de vader in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt ten aanzien van de zorgregeling naar voren te kunnen brengen. De rechtbank zal gelet op deze bijzondere omstandigheden de inhoudelijke behandeling van de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.\n\nIn afwachting van de inhoudelijke behandeling van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen. De rechtbank acht het namelijk van belang dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] . Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder dat zich grote zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De moeder stelt daarnaast dat er een aantal incidenten hebben plaatsgevonden en dat de vader door middelengebruik gedurende een langere periode [minderjarige] niet heeft gezien. Mede gelet op de verschillende meldingen die bij Veilig Thuis binnen zijn gekomen, zoals volgt uit het rapport van Cardea, acht de rechtbank deze zorgen niet zonder meer ongegrond. In afwachting tot de inhoudelijke behandeling ten aanzien van de definitieve zorgregeling, zal de rechtbank daarom bepalen dat contact tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder begeleiding van de moeder, vader of zus vaderszijde, conform het verzoek van de moeder.\n\nHoofdverblijfplaats\n\nWettelijk kader\n\nIn het eerste lid van artikel 1:253a BW is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder stelt dat zij sinds het uit elkaar gaan van de ouders, de hoofdzorg draagt over [minderjarige] en dat het dan ook belangrijk is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De vader gaat akkoord met het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nInformatieregeling\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a BW, sub c van het tweede lid kan de rechtbank een regeling vaststellen inzake de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe vader stelt dat het wenselijk is een duidelijk omschreven informatieregeling vast\n\nte leggen. Op de zitting is gebleken dat de moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader om hem minimaal één keer per maand per email te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat [minderjarige] voorlopigbij de vader zal zijn: om de week van vrijdag 16:00 uur tot zaterdag na het avondeten, waar de moeder, vader of zus vaderszijde ook aanwezig zal zijn en waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en de vader of zijn familielid [minderjarige] op zaterdag na het avondeten weer bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;\n\n*\n\nbepaalt dat de moeder de vader minimaal één keer per maand per email dient te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] , en zodra van toepassing, over zijn ontwikkeling op school, in zijn vrije tijd, in zijn relaties met vrienden\u002Fvriendinnen alsmede over zijn lichamelijk en geestelijk welzijn;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstakenaan toteen nader te bepalen zittingsdatum.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17448","2026-07-13T00:28:28.773Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":56,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":58},"546","ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","ecli-nl-rbdha-2026-17481","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-6256\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F690293\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nBeschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 10 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 11 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet bericht van 12 november 2025 met bijlage van de moeder;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).\n\nDe minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.\n\nFeiten\n\nPartijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1].\n\n- Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 in [geboorteplaats 2].\n\nDe kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nDe moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\neen raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken hoe [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben;\n\neen dwangsom van €500,00 aan de moeder op te leggen voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van €15.000,00.\n\nBeoordeling\n\nGezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling\n\nDe moeder stelt dat de ouders nauwelijks contact hebben en als zij contact hebben, dit in discussies vervalt. De houding van de vader heeft er in het verleden voor gezorgd dat de moeder niet makkelijk met de kinderen op vakantie kon. De moeder moet elke keer weer een procedure voeren of dreigen met een procedure om toestemming te krijgen. De vader maakt volgens de moeder misbruik van het gezag, waardoor zij steeds weer extra onnodige kosten moet maken om de kinderen een vakantie in het buitenland te kunnen geven. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader meermaals aan haar heeft laten weten dat hij akkoord zal gaan met beëindiging van het gezag.\n\nDe vader stelt dat de moeder op allerlei manieren het contact tussen hem en de kinderen heeft gefrustreerd. De vader heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] hoewel er in de echtscheidingsbeschikking een zorgregeling is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige], welke door het Hof is bekrachtigd. De moeder blokkeert echter het contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist het inzetten van procedures om toestemming te krijgen voor vakanties, omdat hij al eerder toestemming had gegeven. Daarnaast legt de moeder geen bewijs over van haar andere stellingen. De vader stelt dat de moeder hem van een aantal zaken beschuldigt, wat de communicatie moeilijk maakt. De vader staat open voor hulpverlening of mediation om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Gezien de weigerachtigheid van de moeder om mee te werken met hulpverlening om de omgang weer op gang te krijgen, is de vader van mening dat een verwijzing naar Cardea niet meer voldoende is.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de ouders elkaar over en weer van verschillende zaken beschuldigen. De moeder stelt dat er bij Veilig Thuis een melding is gemaakt over seksueel misbruik en de vader heeft daartegenover gesteld dat Veilig Thuis telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een misverstand. Hier zijn echter door beide ouders geen stukken van overgelegd. Voorts is gebleken dat de ouders bij Cardea een hulpverleningstraject zijn gestart, maar deze is beëindigd waarvan wederom geen stukken zijn overgelegd. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat zij meerdere malen een kort geding is gestart om vervangende toestemming te vragen voor vakanties, terwijl de vader daartegenin brengt dat hij deze toestemming telkens wel heeft gegeven. Ook hiervan ontbreken de stukken waaruit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid. De rechtbank constateert dat er sprake is van spanningen tussen de ouders, maar dat de beschikbare informatie ontoereikend is om de feitelijke situatie en de belangen van [minderjarige] te kunnen beoordelen.\n\nOp dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:\n\nIs gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag?\n\nZo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]?\n\nIs hulpverlening voor [minderjarige] en\u002Fof de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?\n\nBeslissing De rechtbank:\n\nverzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;\n\nbepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;\n\nbepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;\n\nbeveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en de dwangsomaan tot1 februari 2027 pro forma;\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17481","2026-07-13T00:28:36.117Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":63,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":65},"595","ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","ecli-nl-rbdha-2026-17452","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 24-9227\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F677799\n\nDatum beschikking: 28 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:\n\n [de vader] ,\n\nde man, hierna: de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W. den Hoek in Leiden.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano in Katwijk.\n\nProcedure\n\nBij beschikking van 5 februari 2026 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is aan de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen en is iedere verdere beslissing over het gezag en de proceskosten pro forma aangehouden.\n\nDe rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van het bericht van 12 mei 2026 van de vader, met bijlage.\n\nBeoordeling\n\nZoals is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026 kan de rechtbank pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning van [de minderjarige] door de vader tot stand is gebracht. Uit de op 12 mei 2026 door de vader overgelegde akte van erkenning blijkt dat de vader [de minderjarige] heeft erkend op 31 maart 2026. Dit betekent dat de rechtbank nu definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag kan beslissen, in die zin dat het verzoek van de vader om te bepalen dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen uitoefenen zal worden toegewezen, conform dat wat hierover reeds is overwogen in de beschikking van 5 februari 2026.\n\nOmdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt dat voortaan aan de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 1] 1982 in [geboorteplaats 1] , mede het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] ;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere ouder de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van\n\nmr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17452","2026-07-13T00:28:38.560Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":36,"updatedAt":74},"286","ECLI:NL:RBDHA:2026:17386","ecli-nl-rbdha-2026-17386","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-2124\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700644\n\nDatum beschikking: 27 mei 2026Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nBeschikking op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Rastegar in Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet bericht van 27 maart 2026 met bijlage van de vader.\n\nOp 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat.\n\nDe moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.\n\n [de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat de vader verzoekt een regeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om de week een heel weekend bij de vader is, van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij ouders gelijkelijk verantwoordelijk zijn voor het halen en brengen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe moeder heeft geen verweer gevoerd.\n\nBeoordeling\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het voor de (identiteits-)ontwikkeling van een kind in algemene zin van belang is om contact te hebben met beide ouders. Een kind heeft ook het recht om contact te hebben met beide ouders, tenzij dit niet in het belang is van het kind. Een ouder heeft – tenzij er sprake is van ernstige, wettelijk vastgelegde, contra-indicaties – ook recht op contact met zijn kind. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat contact met de vader niet in het belang van [de minderjarige] zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vader onweersproken heeft gesteld dat er een informele zorgregeling heeft bestaan, waarbij [de minderjarige] om de week een weekend bij de vader was. Van contra-indicaties, waaruit zou volgen dat contact niet (langer) in het belang is van [de minderjarige] , is niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader om vaststelling van een zorgregeling zal toewijzen. Omdat [de minderjarige] nog heel jong is en hij zijn vader al geruime tijd niet meer heeft gezien, zal de rechtbank bepalen dat de contacten moeten worden opgebouwd, zodat [de minderjarige] weer rustig aan het contact met zijn vader kan wennen.\n\nDe rechtbank zal ook het verzoek van de vader om te bepalen dat beide ouders een gelijk aandeel hebben in het halen en brengen van [de minderjarige] toewijzen, nu dit verzoek de rechtbank redelijk voorkomt. Om te voorkomen dat de verdeling van deze taken tot verdere discussies leidt, zal de rechtbank een concrete regeling vaststellen.\n\nVolledigheidshalve merkt de rechtbank het volgende op. De enige reactie van de zijde van de moeder op het verzoek om het contact te herstellen, komt erop neer dat zij vindt dat de vader [de minderjarige] pas weer mag zien als hij kinderalimentatie voor hem betaalt. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de vader niet bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geen reden is om hen het recht op contact met elkaar te ontzeggen. De rechtbank stelt ook vast dat de vader tijdens zitting heeft gezegd dat hij bereid is om kinderalimentatie te betalen. Partijen hebben echter nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de opvoeding. Het ligt op de weg van de ouders om daarover met elkaar te overleggen, elkaar inzicht te geven in hun financiële situatie en concrete voorstellen te doen, omdat duidelijk is dat dit onderwerp tot discussies en spanningen tussen hen leidt. Die discussies en spanningen zijn niet in het belang van [de minderjarige] .\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nbepaalt, ter vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal zijn:\n\nin juni 2026: om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;\n\nin juli 2026: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\nvanaf augustus 2026: om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\nwaarbij de moeder de minderjarige naar de vader brengt en de vader de minderjarige bij de moeder terugbrengt;\n\n*\n\nen verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17386","2026-06-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.744Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":79,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":36,"updatedAt":82},"1674","ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","ecli-nl-rbdha-2026-17241","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-4591 (bodem), FA RK 26-386 (223 Rv)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F687116 (bodem), C\u002F09\u002F697735 (223 Rv)\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026\n\nGezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, dwangsom en kinderalimentatie\n\nBeschikkingop de op 16 juni 2025 en op 12 januari 2026 ingekomen verzoeken van:\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.\n\nAls informant wordt aangemerkt:\n\nStichting Samen Veilig Midden-Nederland,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nProcedure\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591 te rapporteren en te adviseren.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;\n\nhet verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nde F9-formulieren van de moeder van 27 januari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 29 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 3 februari 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026;\n\nhet rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) d.d. 26 maart 2026, kenmerk KZ-1-67GSR8L;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 17 april 2026, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van de F9-formulieren van partijen van 23 april 2026, aangezien deze te laat zijn ingediend.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure met (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen.\n\nDe rechtbank heeft geen kennis genomen van het F9-formulier van de moeder van 23 april 2026, aangezien deze te laat is ingediend.\n\nOp 24 april 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het verzoek in de bodemprocedure als het verzoek tot voorlopige voorzieningen. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\n [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVan de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.\n\nVerzoek en verweer\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nDe moeder verzoekt, na aanvulling en wijziging:\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;\n\neen zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:\n\n- [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en dat de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , dan wel dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere donderdag van 09.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de [instantie] kantoorlocatie [plaats 2] , en;\n\n- naar verloop van deze regeling deze eventueel uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] in de even weken bij haar moeder zal verblijven en in de oneven weken bij haar vader, waarbij als wisselmoment zal gelden de zondagmiddag om 18.00 uur in de McDonalds te [plaats 1] ;\n\n onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,- per keer\u002Fper overtreding;\n\n- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans indien uit de berekening een lager bedrag volgt dit lagere bedrag met ingang van de datum van de beschikking, althans op zodanig bedrag en met zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:\n\nde vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nmet ingang van [geboortedatum] 2025 de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nDe moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:\n\neen voorlopige zorgregeling zal gelden inhoudende dat [minderjarige] bij haar moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;\n\n [minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en dat haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn;\n\nde vader gehouden is zijn volledige medewerking hierin te verlenen, onder bepaling dat bij niet-nakoming een dwangsom wordt opgelegd van € 2.000,- per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft;\n\nde vader wordt veroordeeld in de kosten van het incident;\n\neen en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDe vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nFeiten\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nPartijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\nBij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is [minderjarige] aan de vader toe vertrouwd.\n\nBij beschikking van 31 december 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2025 tot 14 januari 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.\n\n- Bij beschikking van 13 januari 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 13 januari 2026 tot 31 maart 2026 en is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de regie over de zorgregeling voortaan toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen:\n\n- de frequentie van de omgang;\n\n- de locatie van de omgang en de overdracht;\n\n- de wijze van begeleiding en overdracht.\n\n- Bij beschikking van 30 maart 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 maart 2027.\n\nBeoordeling\n\nRelatieve bevoegdheid\n\nOp grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\n\nDe rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft op dit moment feitelijk bij de vader in de [gemeente], zodat dat haar woonplaats is. Gelet hierop is de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.\n\nOp grond van artikel 270 lid 1 Rv verwijst de rechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de bevoegde rechter. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.\n\nTijdens de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.\n\nIn de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nOp grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.\n\nOntvankelijkheid\n\nDe vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, aangezien de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bij beschikking van 13 januari 2026 al heeft beslist over de voorlopige zorgregeling.\n\nDe rechtbank overweegt dat het feit dat door een andere rechtbank al een beslissing is genomen over de voorlopige zorgregeling niet maakt dat daarvan geen wijziging kan worden verzocht in de onderhavige procedure. De rechtbank zal de moeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nOmdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.\n\nProceskosten\n\nGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nGezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en dwangsom\n\nStandpunt moeder\n\nDe moeder wil dat de voorlopige zorgregeling wordt uitgebreid, zodat [minderjarige] iedere dinsdag tot zaterdag, dan wel iedere donderdag tot dinsdag bij haar verblijft. Na verloop van tijd zou deze regeling kunnen worden uitgebreid naar een week-op-week-af-regeling. Volgens de moeder bestaan er geen contra-indicaties voor het vaststellen van deze zorgregeling. De afgelopen periode is weliswaar onrustig geweest, maar de moeder wil geen strijd meer voeren met de vader en wil kijken naar de toekomst. Er moet worden ingezet op parallel solo ouderschap. Dat maakt ook dat eenhoofdig gezag niet nodig is. Het opleggen van een dwangsom kan helpend zijn als stok achter de deur voor maximale inzet van beide ouders bij het uitvoeren van de zorgregeling. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, zolang er geen definitieve beslissing over de zorgregeling is genomen.\n\nOp de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich in afwachting van het NIKA-traject kan neerleggen bij de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] twee keer per week gedurende acht uur bij haar verblijft. Zij zou echter graag zien dat hierin een overnachting wordt bepaald. Zij haalt [minderjarige] op dit moment om 09.00 uur op bij het kantoor van de gecertificeerde instelling en brengt haar rond 16.30 uur terug. Vanwege de reistijd is de moeder hierdoor maar een paar uur met [minderjarige] bij haar thuis. Dit is belastend voor [minderjarige] .\n\nEr zijn volgens de moeder geen contra-indicaties voor een overnachting bij haar. De eerdere emotionele uitbarstingen van de moeder moeten in het licht worden gezien van de plotselinge contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] . Bovendien werd de moeder niet goed geïnformeerd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Inmiddels is er meer duidelijkheid en daarmee ook meer rust voor de moeder gekomen. Daarnaast heeft zij aan zichzelf gewerkt door gesprekken met de praktijkondersteuner van haar huisarts en een psycholoog.\n\nStandpunt vader\n\nDe vader vindt het van belang dat de huidige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling doorloopt in afwachting van het NIKA-traject. De lange wachttijd voor dit traject is niet wenselijk, omdat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar. Voor nu is het echter nodig dat de voorspelbaarheid en veiligheid voor [minderjarige] geborgd blijft. Wat de vader betreft is het daarom nog te vroeg voor een overnachting van [minderjarige] bij de moeder. Hij ziet dat de moeder momenteel stabieler blijkt, maar heeft ervaren dat zij veel moeite heeft om haar emoties te beheersen. Ook heeft de vader zorgen over het drugsgebruik van de moeder. De door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames illustreren dit. Onder deze omstandigheden is een overnachting van [minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde. De vader ziet ook niet dat [minderjarige] vermoeid is door de lange reistijd als zij bij haar moeder is geweest. Verder herkent hij zich niet in het feit dat de Raad en de gecertificeerde instelling onvoldoende met de ouders hebben gecommuniceerd. De vader ervaart de samenwerking met de betrokken instanties als prettig. Hij is bereid volledig mee te werken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. Er is dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.\n\nDe vader is het daarnaast eens met het advies van de Raad dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Zij groeit sinds haar geboorte op bij de vader en er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie. Ook verzoekt de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat hij in staat is om de voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen.\n\nHet advies van de Raad\n\nDe Raad adviseert om de beslissing omtrent de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad is van mening dat de gecertificeerde instelling binnen de ondertoezichtstelling kan onderzoeken welke mogelijkheden er bij de ouders zijn, om (eventueel met hulpverlening) te komen tot uitbreiding van de zorgregeling en een veilige overdracht van [minderjarige] . Het inzetten van een NIKA-traject kan helpend zijn om meer zicht te krijgen op de interactie tussen [minderjarige] en haar ouders en de leerbaarheid van ouders.\n\nDe gecertificeerde instelling heeft de Raad in het kader van het raadsonderzoek verzocht om\n\nonderzoek te doen naar de inzet van de MASIC, maar de Raad twijfelt of er voldoende emotionele draagkracht bij moeder is om een intensief MASIC-gesprek aan te kunnen en of dit bijdraagt aan verbetering van de situatie van [minderjarige] .\n\nVerder adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte in de woning van de vader en ervaart dit als een vertrouwde en veilige plek. Er zijn geen zorgen geconstateerd die maken dat wijziging van de hoofdverblijfplaats in haar belang is.\n\nInformatie vanuit de gecertificeerde instelling\n\nSinds begin maart 2026 verblijft [minderjarige] twee dagen, van 09.00 uur tot 16.30 uur, bij de moeder. De overdracht vindt plaats op het kantoor van de gecertificeerde instelling, waarbij de jeugdbeschermer [minderjarige] van de ene naar de andere ouder brengt. De gecertificeerde instelling heeft de ouders aangemeld voor een NIKA-traject om meer zicht te krijgen op de hechting tussen [minderjarige] en de ouders. Daarbij is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie verzocht om beslisdiagnostiek uit te voeren en een standpunt in te nemen over de (uitbreiding van de) zorgregeling en eventueel noodzakelijke hulpverlening. De verwachte wachttijd bedraagt acht maanden. Daarom is de gecertificeerde instelling ook nog op zoek naar andere aanbieders van dit traject. Verder is met beide ouders gesproken over de inzet van de MASIC om een advies te krijgen over de vraag of de ouders in de toekomst (door middel van interventies) toch weer in staat zouden kunnen zijn om het ouderschap gezamenlijk uit te voeren.\n\n [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Daarom moet er zorgvuldig worden omgegaan met de uitbreiding van de zorgregeling. Gelet hierop is de gecertificeerde instelling is van mening dat er op dit moment geen ruimte is voor uitbreiding van de zorgregeling, waaronder een overnachting, vooruitlopend op het NIKA-traject. Als in de tussentijd toch blijkt dat die ruimte er wel is, zal de gecertificeerde instelling overgaan tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast het liefst dat de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor de duur van een jaar, zodat de focus komt te liggen op behandeling en interventie in plaats van een naderende zitting.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat er uit de stukken en op de zitting geen zorgen naar voren zijn gekomen over de (thuis)situatie bij de vader. Uit het rapport van de Raad en hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting heeft verteld, komen wel meerdere zorgen over de situatie bij de moeder naar voren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames ook de nodige zorgen oproepen. Hieruit komt een beeld naar voren van een moeder die op momenten geen controle heeft over haar emoties. Hierdoor zijn er hoogoplopende conflicten ontstaan tussen de ouders tijdens de overdracht van [minderjarige] bij de McDonalds in [plaats 1] , waar de politie op een melding van de moeder over wapenbezit bij de vader is afgekomen, terwijl dit loos alarm bleek. In een andere geluidsopname van een gesprek van de moeder met de zus van de vader is een lange monoloog van de moeder te horen waarbij het gedrag van de moeder volledig ontspoort. Daarnaast heeft de vader zorgen geuit over het blowen van de moeder in het bijzijn van [minderjarige] , maar ook in het bijzijn van haar oudste dochter. De door de vader overgelegde geluidsopnames lijken die zorgen te bevestigen.\n\n Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld in de vorm van een praktijkondersteuner van de huisarts en een psycholoog teneinde haar emoties beter in beeld te krijgen en tips te krijgen hoe om te gaan met de situatie. Zij lijkt nu meer controle te hebben over haar emoties en daarmee lijkt een positieve lijn te zijn ingezet.\n\nTegelijkertijd zijn de genoemde zorgen op dit moment nog niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van een overnachting van [minderjarige] bij de moeder op zichzelf begrijpt en ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank nu nog te vroeg voor een overnachting. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling. Daarbij zal [minderjarige] gedurende twee dagen in de week bij de moeder verblijven en de overdracht zal plaatsvinden op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Op het moment dat de gecertificeerde instelling voldoende vertrouwen heeft dat deze positieve ontwikkeling zich doorzet en dat een overnachting op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is, vertrouwt de rechtbank erop dat de gecertificeerde instelling hierop zal inzetten.\n\nDe rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat de regie bij de gecertificeerde instelling ligt en een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden, in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en het NIKA-traject. Het is van belang dat er voldoende tijd en rust is om aan verdere verbetering van de situatie te werken, maar de rechtbank wil ook een vinger aan de pols houden om te waarborgen dat geen onnodige vertraging plaatsvindt. Het is dan ook van belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag gaat en overgaat tot uitbreiding van de zorgregeling, zodra dat in haar visie veilig en verantwoord is. Het belang van [minderjarige] dient hierbij te allen tijde voorop te staan. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling daarom aanhouden tot 15 december 2026 pro forma.\n\nDe rechtbank zal daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopigbij de vader bepalen en de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats ook aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden nog te vroeg om een beslissing over het gezag te nemen, zodat ook deze beslissing wordt aangehouden tot bovengenoemde pro formadatum.\n\nDe rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, aangezien beide ouders hebben aangegeven dat zij willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.\n\nKinderalimentatie\n\nDe vader en de moeder hebben geen van beiden een standpunt ingenomen over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook hebben zij geen van beiden financiële gegevens overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee allebei niet voldaan aan de stelplicht, zodat de verzoeken tot alimentatie over en weer zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\nAangezien de rechtbank een definitieve beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-\u002Fomgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin de bodemprocedure (C\u002F09\u002F687116 \u002F FA RK 25-4591)\n\nbepaalt dat de minderjarige:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [plaats 2] ;\n\nvoorlopigde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;\n\nbepaalt dat de regie over de voorlopigezorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]\n\ntoekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen de frequentie van het contact, de locatie van het contact en de overdracht, en de wijze van begeleiding en overdracht. Daarbij geldt als minimale regeling de huidige regeling waarbij [minderjarige] op twee dagen in de week van 9.00 tot 16.30 uur bij de moeder verblijft (zonder overnachting). Alleen bij zwaarwegende contra-indicaties kunnen deze frequentie en duur worden ingeperkt;\n\nverklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het verzoek van de moeder tot het opleggen van een dwangsom;\n\nwijst af de verzoeken van de vader en de moeder om een kinderalimentatie te bepalen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot1 december 2026 pro forma;\n\nin de voorlopige voorzieningenprocedure (C\u002F09\u002F697735 \u002F FA RK 26-386)\n\nwijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17241","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.864Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":87,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":36,"updatedAt":89},"1602","ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","ecli-nl-rbdha-2026-17233","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-1859\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F700170\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen\n\nBeschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [de vrouw],\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de man],\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;\n\nhet verweerschrift, tevens verzoekschrift.\n\nOp 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:\n\n- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nTevens heeft de man zelfstandig verzocht:\n\n- primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];\n\n- subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;\n\n- het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;\n\n- en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:\n\n- in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;\n\n en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;\n\neen en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling\n\nStandpunten van partijen\n\nDe vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.\n\nDe man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n [minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en\u002Fof omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.\n\nHet voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.\n\nMet betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].\n\nHet verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.\n\nOp de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.\n\nDwangsom\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.\n\nUniform hulpaanbod\n\nOp de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.\n\nDe rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nstelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:\n\nde eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\nde daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;\n\ndaarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:\n\n- [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;\n\n- [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\nbepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n*\n\nstelt vast dat de ouders, te weten:\n\n [de man],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres;\n\nbij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;\n\nbeveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:\n\nKenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;\n\nbepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;\n\nbepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C\u002F09\u002F700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.\n\nDe griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17233","2026-07-13T00:29:29.133Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":94,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":36,"updatedAt":96},"1624","ECLI:NL:RBDHA:2026:17238","ecli-nl-rbdha-2026-17238","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummer: FA RK 26-347\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F697671\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Informele rechtsingang\n\nBeschikkingnaar aanleiding van de op 13 januari 2026 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:253a lid 4 jo 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:\n\n [minderjarige],\n\nhierna te noemen: [minderjarige],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nAls belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n [de moeder],\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.\n\nen\n\n [de vader],\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. S.C. Braun te Den Haag.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft op 9 januari 2026 de brief ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.\n\nOp 3 maart 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.\n\nBij brief van 6 maart 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nde brief van [minderjarige] van 13 januari 2026;\n\nhet bericht van de vader op 2 maart 2026;\n\nhet bericht van de moeder op 2 maart 2026;\n\nde brief van de vader op 11 maart 2026;\n\nde brief van de vader op 13 maart 2026;\n\nde brief van de vader op 28 april 2026;\n\nde brief van de moeder op 8 mei 2026.\n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad.\n\nFeiten\n\nDe vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.\n\nZij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:\n\n- [minderjarige] ([minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats].\n\nDe ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit ingevolgde een aantekening in het gezagsregister van 10 augustus 2016.\n\n [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader.\n\nBij de beschikking van 22 november 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 24 december 2020, is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader vastgesteld en is een zorgregeling vastgesteld, in die zin dat de moeder twee van de drie weekenden voor [minderjarige] zorgt, waarbij zij [minderjarige] op vrijdag ophaalt uit school en de vader haar op zondag om 18.00 uur, althans na het eten, ophaalt bij de moeder en dat [minderjarige] 60% van de vakantieperiodes bij de moeder verblijft en 40% bij de vader, in onderling overleg tussen partijen nader overeen te komen.\n\nBij de beschikking van deze rechtbank op 22 juli 2024 is de bestaande weekendregeling en een vaste verdeling van de feest- en vakantiedagen vastgesteld.\n\nAanvraag en verzoeken\n\n [minderjarige] heeft de kinderrechter gevraagd om de zorgregeling te wijzigen in die zin dat zij haar hoofdverblijfplaats voortaan bij haar moeder zal hebben en haar vader volgens een nader vast te stellen zorgregeling te zien in de weekenden en vakanties.\n\nDe vader heeft bij de brief van 28 april 2026 de rechtbank verzocht om een zorgregeling vast te stellen die passend is bij de situatie dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. De vader verzoek daarom vast te stellen:\n\neen wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de moeder per 6 juli 2026;\n\neen weekendregeling waarbij [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft (conform de aangepaste schema’s);\n\neen omgekeerde haal- en brengregeling ten opzichte van de huidige situatie, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;\n\neen gelijke (50\u002F50) verdeling van de vakantiedagen, overeenkomstig de door de vader aangepaste schema’s;\n\nhandhaving van de beschikking van 22 juli 2024 vastgestelde feestdagenregeling, met dien verstande dat de schema’s zijn aangepast aan de nieuwe hoofdverblijfssituatie.\n\nDe moeder heeft bij de brief van 8 mei 2026 de rechtbank verzocht om, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:\n\nde beschikking van 22 juli 2024 wordt vernietigd;\n\nhet hoofdverblijf van [minderjarige] met ingang van 6 juli 2026 bij de moeder te bepalen, waardoor zij tevens gerechtigd is alle tegemoetkomingen voor de minderjarige te innen;\n\neen zorgregeling wordt vastgesteld die recht doet aan de wensen van [minderjarige] waarbij [minderjarige] gedurende één weekend per maand en verder op verzoek van [minderjarige] bij de vader verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, althans een regeling welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nde vader [minderjarige] op vrijdag na school ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondagavond rond 18:00 uur weer ophaalt bij de vader;\n\nop een later moment in deze procedure, rekening houdend met de nog vast te stellen zorgregeling, een bijdrage van de vader aan de moeder wordt vastgesteld voor de kosten van de opvoeding en verzorging van de minderjarige, welke bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.\n\nOp de zitting heeft de moeder het verzoek om kinderalimentatie ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat zij daarom op dat punt niets meer hoeft te beslissen.\n\nBeoordeling\n\nHoofdverblijfplaats\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van de artikelen 1:377g en 1:253a BW kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing nemen over de zorgregeling. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Hoewel de wet geen expliciet wetsartikel heeft opgenomen voor een informele rechtsingang tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats, kan dit naar het oordeel van de kinderechter wel. De wijziging van de hoofdverblijfplaats is namelijk ‘het mindere’ is van een gezagswijziging, waarvoor de wetgever wel heeft voorzien in een informele rechtsingang.\n\nBeide ouders hebben ook zelfstandig verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal daarom niet het verzoek van [minderjarige] in behandeling nemen maar beslissen op de verzoeken van de ouders op grond van artikel 1:253a, lid 2, onderdeel b BW.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n [minderjarige] heeft in haar brief en in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij graag bij haar moeder zou willen wonen. Zij heeft de kinderrechter wel gevraagd terughoudend om te gaan met hetgeen zij heeft verteld in dat gesprek. De kinderrechter heeft de indruk dat [minderjarige] dat heeft gevraagd omdat zij niemand wil kwetsen. De kinderrechter heeft besloten de wens van [minderjarige] te respecteren en ouders tijdens de mondelinge behandeling alleen voorgehouden dat [minderjarige] bij haar moeder wilde wonen.\n\nTijdens de mondelinge bleek dat de ouders al op de hoogte waren van de wens van [minderjarige] en dat [minderjarige] vooraf de informele rechtsingang had besproken met de advocaat van de moeder. De vader en de moeder hebben uitgesproken dat zij kunnen instemmen met de wens van [minderjarige] om per 6 juli 2026 te verhuizen naar haar moeder en daar voortaan haar hoofdverblijfplaats te zullen hebben. De rechtbank zal daarom de verzoeken van de vader en de moeder toewijzen waarmee de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] per 6 juli 2026 wijzigt naar het adres van de moeder.\n\nZorgregeling\n\nJuridisch kader\n\nDe rechtbank kan op grond van artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 3 BW op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing over een zorgregeling of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt in een dergelijk geval een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\nNu [minderjarige] per 6 juli 2026 haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, is de rechtbank van oordeel dat er sprake van een wijziging van omstandigheden als hiervoor bedoeld. De zorgregeling zal daarom door de rechtbank opnieuw beoordeeld worden.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nUit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat de ouders niet geheel op één lijn lagen met betrekking tot het wijzigen van de zorgregeling. De mondelinge behandeling is daarom geschorst om ouders gelegenheid te geven met elkaar in gesprek te gaan om te kijken of ze hierover toch nadere afspraken konden maken. Dit is de ouders gelukkig met behulp van de advocaten en de Raad gelukt. De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader verblijft waarbij de vader haar vrijdag ophaalt uit school en de moeder [minderjarige] op zondag rond 18:00 uur weer ophaalt bij de vader. Wat betreft de vakanties en feestdagen zijn de ouders overeengekomen dat deze moeten worden vastgesteld in lijn met de beschikking van 22 juli 2024. Hiervoor heeft de vader destijds schema’s aangeleverd die wederom zullen gelden. Dit betekent voor verdere jaren dat het schema van 2027 geldt voor de komende oneven jaren en het schema van 2028 geldt voor de even jaren in de toekomst. Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders gezamenlijk afspraken hebben kunnen maken. De rechtbank zal daarom de zorgregeling wijzigen overeenkomstig met wat de ouders hebben afgesproken. De schema’s zal de rechtbank aan deze beschikking hechten\n\nGeen kindbrief\n\nDe kinderrechter heeft tijdens het gesprek met [minderjarige] besproken of zij een brief van de kinderrechter wilde ontvangen. Zij gaf aan geen prijs hierop te stellen. De kinderrechter zal haar daarom geen brief sturen. Wel wil de kinderrechter ouders nadrukkelijk vragen om [minderjarige] te vertellen dat zij samen hebben ingestemd met haar wens tot wijziging van de hoofdverblijfplaats én ook samen hebben gekozen voor de nieuwe zorgregeling omdat zij vinden dat die regeling in het belang van [minderjarige] is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nneemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige];\n\nmet wijziging in zoverre van de beschikking van 22 november 2019 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 24 december 2020:\n\nstelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast bij de moeder per 6 juli 2026;\n\nbepaalt dat [minderjarige] om het weekend bij haar vader verblijft waarbij de vader [minderjarige] vrijdag uit school ophaalt en de moeder [minderjarige] op zondag rond 18:00 uur weer ophaalt;\n\nstelt vast dat de vakanties en feestdagen gelden volgens de schema’s zoals bepaald bij de beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2024 waarbij het schema van 2027 geldt voor de komende oneven jaren en het schema van 2028 geldt voor de even jaren in de toekomst;\n\nwijst al het meer en anders verzochte af;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17238","2026-07-13T00:29:30.190Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":101,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":36,"updatedAt":103},"1654","ECLI:NL:RBDHA:2026:17243","ecli-nl-rbdha-2026-17243","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige kamer\n\nRekestnummer: FA RK 25-8725\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F694828\n\nDatum beschikking: 26 mei 2026Gezag\n\nBeschikking op het op 10 november 2025 ingekomen verzoek van:\n\n [de moeder] ,\n\nde moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nde vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\nhet verzoekschrift;\n\nhet F9-formulier van de zijde van de moeder van 24 november 2025, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van de zijde van de moeder van 24 januari 2026, met bijlage;\n\nhet F9-formulier van de zijde van de moeder van 1 april 2026.\n\nOp 11 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nmevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\nDe minderjarige [de minderjarige] heeft zich in de raadkamer uitgelaten over het verzoek.\n\nVerzoek en verweer\n\nDe moeder verzoekt:\n\n- het gezamenlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige] te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1999 tot [datum 2] 2019.\n\n- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] .\n\n- De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2017 is - voor zover hier van belang - : - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (welke blijkens een uitdraai van de Basisregistratie Personen nadien niet is ingeschreven in de registers);\n\n- bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;\n\n- een zorgregeling vastgesteld;\n\n- zijn partijen verwezen naar het omgangshuis Cardea voor het verbeteren van de communicatie en het komen tot het opstellen van een ouderschapsplan ten aanzien van de kinderen.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 13 juni 2018 is - voor zover hier van belang - aan de moeder toestemming verleend — welke toestemming die van de vader vervangt — om van 12 juli 2018 tot en met 23 juli 2018 met de minderjarige kinderen op vakantie te gaan naar Griekenland en tevens vervangende toestemming verleend — welke toestemming die van de vader vervangt — ten behoeve van de aanvraag van reisdocumenten van de minderjarige kinderen;\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 1 april 2019 is - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder en een zorgregeling vastgesteld.\n\n- Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juli 2021 is – voor zover hier aan de orde – aan de moeder toestemming verleend — welke toestemming die van de vader vervangt — voor een vakantie naar de oranje gebieden in Iran in de periode 26 juli 2021 tot en met uiterlijk 23 augustus 2021 met de minderjarige.\n\nBeoordeling\n\nGezag\n\nJuridisch kader\n\nHet wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat is ontstaan tijdens hun huwelijk beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOntvankelijkheid\n\nHet is de rechtbank gebleken dat er sinds de zomer van 2023 geen contact meer is tussen de vader en [de minderjarige] , waardoor de rechtbank concludeert dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe moeder verzoekt haar eenhoofdig met het ouderlijk gezag te belasten over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] . Zij stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Er is al een tijd geen communicatie mogelijk tussen de ouders. De communicatie is na de ouderschapsbemiddeling dusdanig slecht geworden dat de vader geen contact meer wil met haar. De moeder voert aan dat zij verschillende procedures heeft moeten voeren om vervangende toestemming te verkrijgen. [de minderjarige] heeft zijn vader voor het laatste gezien in de zomer van 2023. De vader heeft geen contact meer met [de minderjarige] en hij reageert niet op berichten van de moeder. Dit geeft de moeder veel spanning en onrust, omdat zij niet weet of de vader in zal stemmen met te nemen gezagsbeslissingen. Volgens de moeder brengt handhaving van het gezamenlijk gezag het gevaar met zich mee dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Dit maakt dat de moeder wenst de gezagsbeslissingen over [de minderjarige] voortaan alleen te kunnen nemen.\n\nDe vader heeft geen verweer gevoerd.\n\nDe Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij snapt dat de moeder zaken moet kunnen regelen en de huidige situatie lastig is voor haar.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Onweersproken is gesteld dat de vader [de minderjarige] sinds de zomer van 2023 niet meer heeft gezien en dat de vader op geen enkele manier betrokken is bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De vader is uit beeld geraakt en reageert niet op de verzoeken van de moeder om gezagsbeslissingen te nemen. Overleg over praktische zaken met betrekking tot [de minderjarige] is daardoor voor de moeder onmogelijk. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat dit niet binnen een afzienbare termijn zal veranderen. Een en ander ziet de rechtbank bevestigd in het niet verschijnen van de vader in deze procedure. Er bestaat een groot risico dat [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen beide ouders. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag wordt belast over [de minderjarige] . De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1982 in [geboorteplaats 2] te [land] , het gezag zal toekomen over het minderjarige kind:\n\n- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers , kinderrechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17243","2026-07-13T00:29:31.797Z",20]