[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-violent-crime-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":126},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2026-04-10T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,36,40,43,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121792","Wetboek van Strafrecht","",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123451","art. 71",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123452","art. 72",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"123454","Wetboek van Strafvordering","art. 132",{"provisionId":37,"code":38,"article":39,"count":25},"123455","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 6 lid 1",{"provisionId":41,"code":23,"article":42,"count":25},"123457","art. 242",{"provisionId":44,"code":38,"article":24,"count":25},"123458",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"123526","art. 38 lid 6",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"122358","art. 63",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"122750","art. 302",[55,64,72,79,87,94,102,110,118],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":63},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.180Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":71},"839","ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","ecli-nl-ghdha-2026-2247","2026-07-07T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-003495-25\n\nParketnummer: 10-134474-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 alsmede het herstelvonnis van 12 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is aan de verdachte opgelegd gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikelen 38z van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging,\n\n- tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen,\n\n- die [slachtoffer] tegen een hek heeft geduwd en\u002Fof vastgehouden,\n\n- die [slachtoffer] op haar armen gekrabd heeft,\n\n- heeft geprobeerd de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek heeft uitgetrokken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald, en\u002Fof\n\n- zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het\n\n- slaan met zijn hand tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] , en\u002Fof\n\n- duwen met zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en\u002Fof gevolgd door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging, door - die [slachtoffer] tegen een hek te duwen,\n\n- te proberen de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek uit te trekken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] op haar armen te krabben.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de beslissing met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan.\n\nIn dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en het herstelvonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.\n\nVerzoek tot het horen van de reclasseringsambtenaar\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de reclasseringsambtenaar als deskundige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg een andere houding heeft aangenomen en thans bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het daarom van belang de reclasseringsambtenaar te bevragen over de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ondanks het eerder door de reclassering uitgebrachte negatieve advies.\n\nHet hof wijst dit verzoek af. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.\n\nUit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia-rapportages, alsmede uit hetgeen de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat bij hem geen sprake is van een intrinsieke bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft meermalen te kennen gegeven geen behandeling te willen ondergaan, omdat hij niet inziet dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan ziekte- en probleeminzicht. Dat de verdachte thans, anders dan in eerste aanleg, heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, maakt dit oordeel niet anders. Het hof begrijpt deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, aldus dat deze bereidheid voortkomt uit zijn wens om in vrijheid te worden gesteld en niet uit een daadwerkelijke behandelmotivatie. Zo heeft de verdachte over een klinische opname, hetgeen volgens de rapportage van de reclassering een van de voorwaarden bij een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden zou zijn, verklaard dat er zo geen verschil is met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, dat niemand kan zeggen dat er een probleem is en heeft hij de vraag gesteld wat er dan onderzocht moet worden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zich wil richten op de toekomst, “dit” allemaal achter zich wil laten en dat hij geen zin heeft in een gesprek met de reclassering hierover.\n\nHier komt bij dat de verdachte blijkens het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025 meermalen heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport, ondanks het feit dat de reclassering aan de verdachte het belang van zijn medewerking heeft uitgelegd en de verdachte eerder ter terechtzitting van 8 augustus 2025 had aangegeven mee te zullen werken aan de reclasseringsrapportage. Verder heeft de verdachte in het kader van de onderzoeken naar zijn persoonlijkheid op de vraag van de psychiater of hij bereid is zich aan voorwaarden te houden geantwoord \"off the record, nee, on the record ja\".\n\nOnder deze omstandigheden tezamen beschouwd ziet het hof geen noodzaak tot het horen van de reclasseringsambtenaar inzake de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof vult bewijsmiddel 1 aan door de datum van de terechtzitting toe te voegen, te weten 28 oktober 2025.\n\nVoorts wordt als bewijsmiddel toegevoegd:\n\n7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2025 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. [nummer proces-verbaal] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 14 t\u002Fm 16):\n\nhet relaas van één van de verbalisanten:\n\nIk hoorde dat [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) mij het volgende vertelde:\n\n“Toen de man voor mij stond zag ik dat hij zijn arm in de richting van de binnenkant van mijn dijbeen deed. Ik voelde dat hij mij raakte aan de binnenkant van mijn dijbeen ter hoogte van mijn schaamstreek. (…) Ik stond tussen de man en het hek in. Ik zag dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. Ik voelde dat hij zijn geslachtsdeel tegen mijn billen aan duwde.”\n\nHet hof zal vonnis waarvan beroep - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.\n\nVordering tot schadevergoeding [slachtoffer]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.820,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering deels gehandhaafd in die zin dat het opgevoerde nader te onderbouwen bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade komt te vervallen.\n\nIn hoger beroep is deze vordering derhalve aan de orde tot een bedrag van € 4.320,-, zijnde een bedrag van € 320,- voor materiële schade en een bedrag van € 4.000,- voor immateriële schade.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gelede immateriële schade is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.\n\nDe benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 320,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit informatie van de huisarts volgt dat zij slaapproblemen en stemmingsklachten ervoer. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog steeds behandelingen ondergaat. Het hof is los daarvan van oordeel dat de aard en ernst van de normschending – de bewezen verklaarde poging tot opzetverkrachting van de benadeelde partij als hardloopster, gepleegd in de late avond - meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nGelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal het hof het gevorderde bedrag voor de gelede immateriële schade geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het toewijzen van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft nu sprake is van een poging tot opzetverkrachting als richtsnoer genomen de bedragen die zijn genoemd in de categorie “ernstig” bij “aanranding” , te weten € 1.000,- tot € 5.000,-. De feiten in het onderhavige geval passen naar het oordeel van het hof bij de bovenste laag van deze categorie.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.320,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 april 2025.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep inclusief het herstelvonnis voor het overige, met inachtneming van de in dit arrest overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","2026-07-13T00:28:50.534Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":76,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":78},"892","ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","ecli-nl-ghdha-2026-2246","Rolnummer: 22-002927-23\n\nParketnummer: 09-159505-22\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd inhoudende, kortgezegd, een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De rechtbank heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Het bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en\u002Fof een gebroken oogkas\u002Fneus, althans één of meerdere fracturen en\u002Fof een septumdeviatie (scheefstaande neus) heeft toegebracht, door die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd te schoppen\u002Ftrappen, terwijl zij op de grond lag;\n\nmeer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 2] op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht heeft gestompt\u002Fgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kind, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\n die [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van acht jaren, met aftrek van de reeds ten uitvoer gelegde periode. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat de geweldshandelingen van de verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond op letsel waardoor [slachtoffer (minderjarige) 1] zou komen te overlijden, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van één schop of trap met ongeschoeide voet. Van een aanmerkelijke kans op de dood was, mede gezien de rapportage van het NFI, geen sprake. Nu uit de beschreven letsels en de geschatte herstelduur niet volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nAantal schoppen\n\nUit het dossier volgt dat [slachtoffer (minderjarige) 1] op 27 juni 2022 om 02.00 uur ’s nachts aangifte heeft gedaan van zware mishandeling op 26 juni 2022. Ze heeft verklaard dat ze een harde ruk voelde aan haar haar, achterover ten val kwam en dat haar vader, de verdachte, haar toen begon te schoppen terwijl ze op de grond lag. Ze weet niet meer hoe vaak, maar hij heeft meerdere keren op de linkerkant van haar gezicht getrapt met de zijkant van zijn voet. Hij trapte heel hard en ze voelde heel veel pijn aan de linkerkant van haar hoofd. Tijdens haar verhoor in augustus 2022 heeft zij verklaard dat het meer dan vijf schoppen waren, het waren er heel veel, ze zag dat hij meerdere keren schopte. De verdachte heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard één trap te hebben gegeven. Het NFI heeft, desgevraagd, niet kunnen beoordelen of het vastgestelde letsel waarschijnlijker was bij één trap of vijf trappen in het gezicht.\n\nHet hof heeft evenwel geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer (minderjarige) 1] , die haar eerste verklaring heeft afgelegd vlak na het incident en consequent heeft verklaard dat het om meerdere schoppen ging. Het hof acht het wettig en overtuigend bewijs voor meerdere schoppen aanwezig en zal daarvan bij de verdere beoordeling van de tenlastelegging uitgaan.\n\nPrimair tenlastegelegde - poging tot doodslag\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer (minderjarige) 1] op 26 juni 2022, terwijl zij op de grond lag, meermalen met zijn blote voet tegen het gezicht heeft geschopt. Dit betreft een ernstig en gewelddadig handelen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid met welke kracht dit is gebeurd en op welke plaats van het gezicht de schoppen precies terecht zijn gekomen. Het enkele schoppen tegen het hoofd brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. Het hoofd is weliswaar een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale functies, maar de schedel biedt een wezenlijke bescherming tegen van buitenaf inwerkend geweld. Daarnaast leidt een eventuele beschadiging van de hersenen niet steeds tot de dood. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden. Reeds daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nHet hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.\n\nSubsidiair tenlastegelegde - zware mishandeling\n\nVoor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nHet hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.\n\nUit de stukken volgt dat bij [slachtoffer (minderjarige) 1] een onderhuidse bloeduitstorting rondom het linkeroog en op de linkerwang, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog, een vermoedelijke kneuzing van het kaakgewricht, een mogelijke milde kneuzing van de linkeroogbol en kleine nasale fracturen zijn vastgesteld. Hoewel het hof dit letsel als niet gering en niet te veronachtzamen aanmerkt, kan niet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Hoewel dit letsel mogelijk als zwaar zal worden ervaren, ligt de lat om dat in juridisch strafrechtelijke zin te kunnen vaststellen op grond van wet en jurisprudentie hoog. Het hof overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat de persisterende klachten van [slachtoffer (minderjarige) 1] verband houdende met een verminderde doorgankelijkheid van de neus, wat een gevolg kan zijn van een scheef neustussenschot en\u002Fof vergrote onderste neusschelpen, zijn te relateren aan doorgemaakt trauma op 26 juni 2022. Bovendien is tot op heden medisch ingrijpen in de vorm van een operatie niet noodzakelijk geweest.\n\nDe verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.\n\nTen aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nHet hof is van oordeel dat het meermaals schoppen tegen het gezicht van een op de grond liggend persoon naar zijn aard een gedraging is die een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel of ernstig letsel aan een oog, in het leven roept. Door aldus te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans voor ogen heeft gezien en hij heeft deze kans door zijn handelen ook aanvaard.\n\nHet hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe advocaat-generaal acht de verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer (minderjarige) 2] . Door met de vuist een stomp in het gezicht van [slachtoffer (minderjarige) 2] te geven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.\n\nHet hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] op 19 november 2021 éénmaal op de neus heeft gestompt of geslagen. [slachtoffer (minderjarige) 2] heeft daarbij letsel in de vorm van een kneuzing van de neus opgelopen. Het hof acht geen bewijs aanwezig voor een poging zware mishandeling. Uit het eenmaal stompen of slaan op de neus volgt niet dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.\n\nWel komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de kinderen en de moeder niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat in de periode waarin en nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden veelvuldig over de situatie is gesproken, waardoor betrokkenen elkaar in hun beleving van de gebeurtenissen zouden hebben beïnvloed en versterkt. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde fysieke vormen van mishandeling van zijn kinderen. Voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de zogenaamde psychische mishandeling heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat – kort gezegd – zonder enige fysieke component geen sprake kan zijn van mishandeling.\n\nHet hof overweegt als volgt en stelt voorop dat verklaringen van getuigen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, indien deze betrouwbaar worden geacht en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nNaar het punt van de mogelijkheid van zogenaamde ‘collaborative storytelling’is in deze zaak op verzoek van de verdediging onderzoek verricht. Dr. G. Wolters, voorheen universitair hoofddocent, thans gastdocent aan de universiteit Leiden bij het departement psychologie en gespecialiseerd in het menselijk geheugen, heeft op 30 september 2025 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de essentie van de verklaringen van alle gezinsleden in 2022 en 2023 met elkaar overeenkomt en dat er geen patroon is dat de aard van de beschuldigingen in de loop van de tijd ‘groter’ (ernstiger) wordt door een proces van onderlinge beïnvloeding en ‘collaborative storytelling’.Hierdoor is volgens de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de individuele verklaringen.\n\nHet hof sluit zich bij deze bevindingen aan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen onderling en met die van de moeder op essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in elkaar. Dat op onderdelen sprake is van beperkte strijdigheden, is niet ongebruikelijk en niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis toekomt.\n\nHet verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.\n\nHet hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn kinderen gedurende een langere periode meermalen heeft geslagen. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan over een periode van meerdere jaren en hadden (aldus) een stelselmatig karakter. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, nu sprake is van opzettelijk toepassen van lichamelijk geweld tegen zijn kinderen waardoor pijn en\u002Fof letsel is veroorzaakt. Van een aantal tenlastegelegde feitelijke fysieke handelingen wordt de verdachte vrijgesproken nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is.\n\nVoor de overige tenlastegelegde niet-fysieke gedragingen, te weten het schelden, kleineren en\u002Fof denigrerend toespreken van de kinderen, is het hof van oordeel dat deze geen mishandeling opleveren in de zin van art. 300 Sr. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2026:1005 waaruit volgt dat gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallen. Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ zoals bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Van dit deel van de tenlastelegging zal het hof de verdachte daarom vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. meer subsidiairhij opof omstreeks26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaaltegen het gezicht\u002Fhoofdheeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiairhij opof omstreeks19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neusen\u002Fof het gezichtvan die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kinderen, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4]meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind,meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 1] , destijds 14 jaar, door haar hard aan haar haar naar de grond te trekken en vervolgens meerdere malen hard tegen haar gezicht te trappen\u002Fschoppen. Zij heeft hier bloeduitstortingen, kneuzingen en kleine fracturen van de neus aan overgehouden. Ook heeft de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] , destijds 15 jaar, mishandeld door haar met zijn vuist op haar neus te slaan. Hierbij heeft [slachtoffer (minderjarige) 2] een kneuzing van haar neus opgelopen. Deze mishandelingen stonden niet op zichzelf, nu de verdachte zich verder jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het stelselmatig slaan van niet alleen [slachtoffer (minderjarige) 1] en [slachtoffer (minderjarige) 2] , maar ook van zijn andere drie minderjarige en jonge kinderen: [slachtoffer (minderjarige) 3] , zijn oudste kind en [slachtoffer (minderjarige) 4] en [slachtoffer (minderjarige) 5] , zijn jongste kinderen. Het ging hierbij om flinke tikken\u002Fklappen.\n\nDoor de kinderen veelvuldig te slaan heeft de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden, zoals ook volgt uit de door de dochters voorgelezen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in hoger beroep. Het veelvuldig slaan van zijn kinderen heeft verder aanzienlijke afbreuk gedaan aan de veiligheid die de kinderen van de verdachte hadden mogen verwachten. Bekend is dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.\n\nDe verdachte heeft nagenoeg geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Voor zover hij überhaupt erkent dat er gewelddadige conflictsituaties hebben plaatsgevonden, lijkt hij die voornamelijk af te schuiven op het gedrag van zijn kinderen en hij lijkt de ernst van zijn gedrag niet in te zien.\n\nHet hof heeft gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.\n\nDeze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van de feiten te onderstrepen en de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal geen bijzondere voorwaarden in de vorm van begeleiding en behandeling aan dit voorwaardelijk deel verbinden, nu de verdachte op de terechtzitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard hier niet voor open te staan. Het hof acht het aangewezen om een proeftijd van drie jaren aan het voorwaardelijk deel te verbinden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nVoorts acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contact- en locatieverbod. De verdachte wil contact met zijn kinderen, maar uit de slachtofferverklaringen en de toelichting van de advocaat van de slachtoffers blijkt dat de kinderen nog steeds angst hebben voor de verdachte en dat zij in het geheel geen contact met hem willen. Omdat in ieder geval (een deel van) de kinderen nog minderjarig en woonachtig zijn bij hun moeder, de ex-vrouw van de verdachte, zal het contactverbod zich ook ten aanzien van haar uitstrekken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen zijn kinderen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bevelen. Het hof zal de periode gedurende welke het contact- en locatieverbod van kracht is bepalen op in totaal vijf jaar, met aftrek van de periode waarin deze verboden vanwege de door de in eerste aanleg genomen beslissing reeds hebben gegolden.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben de aangevers zich als benadeelde partijen gevoegd en elk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde:\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 14.500,- ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 12.500,- ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] hebben elk een vordering ingediend tot een bedrag van € 10.000,- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.\n\nIn hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.\n\nHet hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling gedurende vele jaren en heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden en hun geestelijke gezondheid benadeeld. Alle kinderen hebben in hun vordering toegelicht dat zij nog last hebben van de onveilige en onzekere omgeving die de verdachte voor hen heeft gecreëerd. Bij alle kinderen is er als gevolg van de mishandelingen PTSS geconstateerd en vindt er traumabehandeling plaats of is er een advies tot een dergelijke behandeling.\n\nHet hof heeft bij vaststelling van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen door [slachtoffer (minderjarige) 1] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen dat door [slachtoffer (minderjarige) 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 4.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 2] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat de vorderingen zich lenen - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot elk een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte driemaal tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van elk van de slachtoffers [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] .\n\nKosten in verband met alle vorderingen\n\nNu de vorderingen deels worden toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van450 (vierhonderdvijftig) dagen.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde\n\n- voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen [slachtoffer (minderjarige) 3] , [slachtoffer (minderjarige) 2] , [slachtoffer (minderjarige) 1] , [slachtoffer (minderjarige) 5] en [slachtoffer (minderjarige) 4] en met hun moeder, [naam moeder] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betekent ook geen contact bij de school of bij de sportverenigingen waar de kinderen lid van zijn;\n\n- zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in Naaldwijk, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris.\n\nHeft op het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 5] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 4] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","2026-07-13T00:28:53.233Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":83,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":62,"updatedAt":86},"1249","ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","ecli-nl-rbdha-2026-18522","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F132083-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 oktober 2025 en 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tekst van de tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\nAan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks:\n\n1. maart 1990 te Bodegraven [slachtoffer] heeft verkracht;\n\n2. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;\n\n3. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen van categorie I onder 7°van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.\n\n3. De verweren van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie om twee redenen, beide afzonderlijk en in samenhang bezien niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, de verkrachting van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat het onder feit 1 tenlastegelegde zou zijn verjaard en subsidiair aangevoerd dat de verdenking jegens de verdachte en het daarna verzamelde bewijsmateriaal uitsluitend het gevolg is geweest van onrechtmatig bewaard, gedeeld en gebruikt DNA-materiaal van de verdachte. Het subsidiair aangevoerde zou, indien het Openbaar Ministerie al ontvankelijk is, volgens de verdediging moeten leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat op het gebruik van dit DNA-materiaal is gebaseerd.\n\nTen aanzien van de verjaring\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging gaat, met het Openbaar Ministerie, uit van 30 maart 1990 als pleegdatum van het feit. Ten tijde van de pleegdatum gold voor verkrachting een verjaringstermijn van vijftien jaar. Het primaire standpunt van de verdediging is dat op 30 maart 1990 (de dag van aangifte) een verjaringstermijn is aangevangen van vijftien jaar en dat als gevolg daarvan het feit is verjaard per 30 maart 2005, dat is voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2006 waarmee de verjaringstermijn gewijzigd is naar twintig jaar (Stb. 2005, 595).\n\nBij wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) is artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo gewijzigd dat de termijn voor verjaring van zedenmisdrijven jegens minderjarigen pas aanvangt op de dag na de dag dat het slachtoffer achttien jaar wordt. Volgens de verdediging heeft deze wetswijziging in dit geval geen werking. Een wetswijziging die het aanvangsmoment van een reeds lopende verjaring verlegt staat volgens haar op gespannen voet met het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel. Een dergelijke wijziging van het aanvangsmoment is volgens de verdediging daarom alleen mogelijk in situaties waarin dit expliciet de bedoeling was van de wetgever. Volgens de verdediging was de bedoeling van de wetgever met de wetswijziging van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) om minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven te beschermen die vanwege een afhankelijkheids- of gezinsrelatie niet zelfstandig aangifte konden doen vóór zij de leeftijd van achttien jaren hadden bereikt. Van deze situatie is volgens de verdediging geen sprake in de onderhavige zaak, aangezien er reeds in 1990 aangifte is gedaan van de verkrachting. Om die reden zou volgens de verdediging het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel met zich brengen dat het aanvangsmoment van de verjaring niet gewijzigd is en dat het feit daarmee is verjaard.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de reeds aangevangen verjaringstermijn is gestuit door een daad van vervolging (te weten tegen de broer van de verdachte) in de jaren negentig. Als gevolg van deze stuiting zou (ook) jegens de verdachte een nieuwe verjaringstermijn zijn aangevangen van maximaal tweemaal vijftien jaar en zou het feit ook zijn verjaard.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet is verjaard en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van dit feit.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt als uitgangspunt de wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529, inwerkingtreding 1 september 1994) waarbij artikel 71 Sr zodanig is gewijzigd dat de verjaringstermijn voor het onderhavige strafbare feit eerst aanvangt op de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. De door de verdediging bepleite “redelijke wetsuitleg”, inhoudende dat deze wet uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin vóór het achttiende levensjaar nog geen aangifte was gedaan door of namens het slachtoffer leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de onredelijke situatie dat de verjaring afhankelijk wordt gemaakt van het feit of er wel of geen aangifte is gedaan. De wetgever heeft, blijkens de memorie van toelichting op de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529), geciteerd in bijlage 2 bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2025, blz. 17 n. 3, juist een eenduidige verjaringstermijn met een objectief vast te stellen aanvangsmoment willen hanteren voor alleminderjarige slachtoffers van een zedendelict. Hierom gaat de rechtbank ervan uit dat de op 30 maart 1990 aangevangen verjaring op 1 september 1994 met terugwerkende kracht is aangevangen per 20 juli 1993, de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. Het door de verdediging aangevoerde rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel gaat in deze situatie niet op, nu er geen sprake is van een reeds voltooide verjaring. Door (tijdige) verlenging van de verjaringstermijn naar twintig jaar bij wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) is eveneens de wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) van toepassing, zodat het onderhavige strafbare feit thans niet meer verjaart.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande onverkort in de door de verdediging gestelde situatie dat door een daad van vervolging jegens een ander (en wel de broer van de verdachte) sprake zou zijn geweest van stuiting van de verjaring. Dit betoog ziet er immers aan voorbij dat de derdenwerking van stuiting van de verjaring, zoals thans in het eerste lid van artikel 72 Sr vastgelegd, pas bij de eerdergenoemde wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595; inwerkingtreding 1 januari 2006) is ingevoerd – dezelfde wet waarbij de verjaringstermijn tot 20 jaar is verlengd. Zelfs indien er daarom van moet worden uitgegaan dat de verjaring door de aanhouding van de broer van de verdachte op 1 september 1990 is gestuit en dat die stuiting met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 ook jegens verdachte zou werken, dan geldt nog dat de bij diezelfde wet tot 20 jaar verlengde verjaringstermijn een maximale vervolgingstermijn niet van 30 jaar, zoals de verdediging stelt, maar van 40 jaar met zich brengt. Daaruit volgt in elk geval, nog afgezien van de gevolgen van de algehele afschaffing van de verjaring bij wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) dat de vervolgingstermijn op zijn vroegst op 30 maart 2030 zou expireren.\n\nHet recht tot strafvervolging van het Openbaar Ministerie is dus niet vervallen. Het Openbaar Ministerie is derhalve in zoverre ontvankelijk in de vervolging van feit 1, zodat de rechtbank het primaire verweer van de verdediging verwerpt.\n\nTen aanzien van het onrechtmatig bewaren, delen en gebruiken van het DNA-materiaal\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, aangezien de verdenking jegens de verdachte uitsluitend is ontstaan als gevolg van het onrechtmatig bewaren en delen van DNA-materiaal van de verdachte door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en het onrechtmatig gebruik maken van deze (en hieruit voortvloeiende) informatie door de Nederlandse autoriteiten.\n\nDaartoe voert de verdediging aan dat het DNA-materiaal van de verdachte reeds in 2010 uit de databank van het Verenigd Koninkrijk verwijderd had moeten worden en dat zijn DNA-materiaal niet binnen de Prüm-samenwerking gedeeld had mogen worden. Het DNA-materiaal is echter niet verwijderd en wel gedeeld, zodat er op 8 maart 2022 een DNA-match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Volgens de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte. Deze schending is op zichzelf een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.\n\nDaarbij komt dat, volgens de verdediging, de Nederlandse autoriteiten de uit het DNA-materiaal afkomstige informatie, niet mochten gebruiken om de vervolging van de verdachte te starten en verder bewijs te verzamelen. Door toch uit te gaan van deze informatie, is er volgens de verdediging sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van de verdachte in de zin van artikel 6 EVRM. Ook hierom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1. Subsidiair zou om dezelfde redenen al het op deze onrechtmatigheid gebaseerde materiaal van het bewijs moeten worden uitgesloten.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten slechts gebruik gemaakt hebben van rechtmatig verkregen sturingsinformatie, die aanleiding was voor het ontstaan van de verdenking tegen de verdachte. Het verdere opsporingsonderzoek is gebaseerd op het nadien – vrijwillig – afgegeven DNA van de verdachte. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van feit 1 en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beoordeling van het tweede door de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.\n\nDe toepassing van artikel 359a lid 1 Sv is dus onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” in de zin van art. 132 Sv tegen de verdachte. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) heeft de Hoge Raad overwogen dat deze begrenzing niet uitsluit dat een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a lid 1 Sv ligt. In dit verband is door de Hoge Raad expliciet benoemd de situatie waarin het onderzoek is verricht onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit van een andere tot het EVRM toegetreden staat. De Nederlandse strafrechter mag in dat geval onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Als aan deze toets is voldaan, hoeft de strafrechter ook in het geval van een inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht geen rechtsgevolgen aan de inbreuk te verbinden (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Evenwel behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels en dus of er in het desbetreffende land al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoekshandelingen. De rechtbank let hierbij ook op de overwegingen van de Hoge Raad over het in het kader van het EVRM geldende vertrouwensbeginsel.\n\nUit de stukken van het Joint International Crime Centre (hierna: JICC) volgt dat het DNA-materiaal van de verdachte in 2010 verwijderd had moeten worden uit de databank in het Verenigd Koninkrijk (p. 429 en 430 van het procesdossier). Dat is niet gebeurd. Het bewaarde DNA-materiaal is door de Britse autoriteiten vervolgens gedeeld binnen de Prüm-databank, waarna op 8 maart 2022 een DNA-match plaatsvond tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Het JICC heeft mededeling gedaan van het onderzoeksresultaat van de DNA-match aan de Nederlandse autoriteiten, onder vermelding van de personalia van de verdachte.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het DNA-materiaal van de verdachte niet door het Verenigd Koninkrijk aan Nederland is verstrekt, en dat in zoverre geen gebruik is gemaakt van onrechtmatig bewaard DNA-materiaal van de verdachte. Het handelen van de Nederlandse autoriteiten is ingegeven op basis van ontvangen sturingsinformatie van de Britse autoriteiten. Het staat de Nederlandse autoriteiten vrij om wel of niet in te gaan op ontvangen informatie van buitenlandse autoriteiten. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is in zoverre geen sprake van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt reeds in zoverre verworpen.\n\nNiet in geschil is dat het DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig is bewaard in het Verenigd Koninkrijk en dat in zoverre sprake is van een vormverzuim. Omdat het handelen van de Britse autoriteiten niet valt onder “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv, moet de rechtbank gelet op voormeld toetsingskader beoordelen of het gebruiken van het onderzoeksresultaat van de DNA-match (de sturingsinformatie) in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nNa ontvangst van de sturingsinformatie hebben de Nederlandse autoriteiten het opsporingsonderzoek heropend. De politie heeft op 13 mei 2025 telefonisch contact opgenomen met de verdachte, met de mededeling dat zij wilden afspreken in verband met een aanhouding ter zake van verkrachting. Op 14 mei 2025 heeft de verdachte zich vrijwillig bij de politie gemeld. Na het geven van de cautie heeft de verdachte een vrijwel volledige bekentenis afgelegd en vrijwillig DNA-materiaal afgestaan aan de Nederlandse autoriteiten. Dit DNA-materiaal is vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut getest en heeft een DNA-match opgeleverd met het referentiemateriaal in de onderhavige zaak. De verdachte heeft vervolgens onderzoekswensen kunnen indienen en op een openbare terechtzitting verantwoording kunnen afleggen en het aangeleverde bewijs mogen betwisten. Ter terechtzitting heeft de verdachte – nadat hem de cautie was gegeven – gepersisteerd bij zijn bekennende verklaring. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het proces van de verdachte in zijn geheel eerlijk is verlopen en dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het toepassen van enig in art. 359a Sv bedoeld rechtsgevolg, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweren afzonderlijk dan wel in onderling verband beschouwd geen van alle kunnen leiden tot het oordeel dat een of meerdere onherstelbare inbreuken zijn begaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces die tot gevolg moeten hebben dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, dan wel moeten leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al het tenlastegelegde.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat een deel van de fysieke handelingen wel kan worden bewezen, verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het dreigen met neersteken met een mes.\n\nDaarnaast heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.\n\n4.4.. Bewijsoverweging feit 1\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Voor bewezenverklaring van verkrachting, als bedoeld in het in 1990 geldende artikel 242 Sr, moet komen vast te staan dat het slachtoffer door geweld of door bedreiging met geweld is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Onder geweld kan onder meer worden verstaan het aanwenden van fysieke kracht of het onverhoeds met kracht penetreren van de ander. Bedreiging met geweld zou erin kunnen bestaan dat de verdachte door zijn optreden de vrees opwekt dat hij zal overgaan tot geweld tegen het slachtoffer als het slachtoffer niet toegeeft. Het geweld en de bedreiging met geweld moet zwaar genoeg zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken.\n\nDe rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer consistent en coherent, en daarmee betrouwbaar. Ten overstaan van een getuige, de politie ter plaatse en tijdens het verhoor bij de politie heeft het slachtoffer gelijkluidend verklaard over wat zich heeft afgespeeld voor en tijdens de seksuele handelingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaringen binnen een zeer korte tijdsperiode (in de ochtend tot de vroege middag van 30 maart 1990) zijn afgelegd, zodat niet valt in te zien dat het slachtoffer haar verklaringen op andere zou hebben afgestemd of veranderd. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer.\n\nUit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt bij de pols, de bovenarm en het hoofd. Ook heeft de verdachte het slachtoffer naar de keuken geduwd en getrokken, zijn hand op haar mond geduwd, haar naar boven en naar de slaapkamer geduwd en op bed gegooid. Vervolgens is de verdachte boven op het slachtoffer gedoken, heeft haar joggingbroek uitgetrokken en haar onderbroek kapotgetrokken. Ook heeft de verdachte meerdere malen op dreigende toon tegen het slachtoffer gezegd dat hij haar zou neersteken met een mes als ze niet mee zou werken met de seksuele handelingen dan wel geluid zou veroorzaken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate steun vinden in ander bewijs in het dossier. De buurvrouw, getuige [getuige] , verklaart net als het slachtoffer dat het gesprek met de verdachte begon over een telefoonnummer. Deze buurvrouw verklaart ook dat zij de deur hard hoorde dichtvallen, en dat de stem van het slachtoffer verheven, paniekerig en angstig klonk. Verder vinden de verklaringen van het slachtoffer steun in het kapotgetrokken slipje, dat door de politie is veiliggesteld en bemonsterd.\n\nDe rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer over de toegepaste geweldshandelingen en de geuite bedreigingen. Daaronder valt dus ook het dreigen met een mes. De rechtbank is van oordeel dat het geweld en de bedreigingen van dien aard zijn, dat zij voor het slachtoffer (een veertienjarig meisje dat thuis werd overrompeld) als genoegzame dwang tot het gedogen van het feit kunnen worden beschouwd.\n\nGelet op de hiervoor beschreven handelingen en bedreigingen waarmee de verkrachting heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de bestanddelen ‘door geweld en bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’, waaronder ook de bedreigingen met het mes, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1\n\nhij op 30 maart 1990 te Bodegraven door geweld en bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer] , geboren op 19 juli 1975, heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, bestaande uit het brengen\u002Fduwen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, (meermalen)\n\n- die [slachtoffer] (hard) bij de pols en de bovenarm en het hoofd heeft gepakt, en\n\n- die [slachtoffer] naar de keuken heeft geduwd en getrokken, en\n\n- zijn hand (hard) op de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd, en\n\n- die [slachtoffer] de trap op naar boven heeft geduwd en naar de slaapkamer heeft geduwd en op het bed heeft gegooid, en\n\n- bovenop (het lichaam van) die [slachtoffer] is gedoken, en\n\n- de (jogging)broek en de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en die laatstekapotheeftgetrokken, en\n\n- ( op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “Als je nou nog een keer gilt, steek ik een mes tussen je ribben” en “Ik steek een mes tussen je ribben en dan ben je gelijk weg” en “Ik heb je toch gewaarschuwd! Je weet toch wat ik gezegd heb over dat mes dus eh…” en “Nou hou je je bek dicht want je weet wat ik over het mes heb gezegd” en “Je moet het niet tegen je moeder zeggen of tegen de buurvrouw of tegen de politie want als ik merk dat iemand naar je toekomt en je iemand gewaarschuwd hebt, steek ik een mes door je ribben heen en gebeuren er nare dingen en heel je familie gaat kapot”;\n\n2\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena,\n\n- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk FN, type Baby, kaliber 6.35mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en\n\n- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 19 stuks kogelpatronen (volmantel pistoolpatroon) van het kaliber .25 auto (6.35mm) voorhanden heeft gehad;\n\n3\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukgeweer, merk Double Eagle, model M38, kaliber 6mm, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden. Er zou, aldus de verdediging, geen enkele aanwijzing zijn dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het enkele voorhanden hebben van dit object strafbaar was.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor alle feiten strafbaar is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVolgens vaste rechtspraak slaagt een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling\n\nslechts als aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een\n\nverontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van\n\nde hem verweten gedraging. Hiervan is in de regel slechts sprake indien de verdachte heeft vertrouwd op een, naar later blijkt, onjuist advies, onjuiste informatie van de overheid of wanneer hij in het geheel geen advies over de mogelijke strafbaarheid van de gedraging hoefde in te winnen. Door de verdachte zijn wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij het wapen in bezit heeft verkregen. Door deze wisselende verklaringen kan niet vastgesteld worden in welke veronderstelling de verdachte verkeerde bij het verkrijgen van het wapen. Naar oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van het bezit van dit wapen. De verdachte is derhalve voor feit 3 strafbaar.\n\nDe verdachte is eveneens voor de feiten 1 en 2 strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt – de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van de feiten 2 en 3 verder geen straf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in 1990 schuldig gemaakt aan verkrachting van een 14-jarig meisje in haar eigen woning. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaring die zij op zitting heeft afgelegd blijkt dat de verkrachting – na 36 jaar – nog dagelijks impact heeft op haar leven. Zij heeft zich na de verkrachting niet meer veilig gevoeld in haar eigen woning en durft niet alleen thuis te zijn als er vreemde mensen langskomen. Een feit als het onderhavige is – kort gezegd – de nachtmerrie van iedere vrouw. Dit soort feiten zorgen dan ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en in onze samenleving als geheel. De verdachte heeft ervoor gekozen om ruim 35 jaar zijn mond te houden over hetgeen hij in maart 1990 had gedaan. Daarmee heeft hij het leed van het slachtoffer in niet onaanzienlijke mate vergroot en haar jaren in niet aflatende onzekerheid gelaten. Dat verdachte na zijn aanhouding onmiddellijk heeft bekend en herhaaldelijk, ook op zitting, spijt heeft betuigd, kan daar slechts in beperkte mate aan afdoen. Daarnaast zijn bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in 2025 een pistool, kogelpatronen en een veerdrukgeweer aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 1990 is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en dagbesteding.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) als vertrekpunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en in het geval van verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. In dit geval neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden als vertrekpunt, aangezien de verdachte geweld heeft gebruikt en het slachtoffer minderjarig was. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ook rekening gehouden met de stand van de jurisprudentie in 1990. In 1990 werden er lagere straffen voor verkrachting opgelegd dan in 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) in een woning waarop als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden staat vermeld.\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank ziet vanwege het door de reclassering vastgestelde lage recidiverisico geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de op te leggen straf.\n\n8. De vordering van de beledigde partij\n\n [slachtoffer] heeft zich als beledigde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.000, -, – na vermindering van haar vordering ter terechtzitting - niet te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. De advocaat van de beledigde partij heeft namens de beledigde partij verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 680,67, zijnde de tegenwaarde van ƒ 1500,-, en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, zodat de rest van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de beledigde partij tot een bedrag van € 680,67 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de beledigde partij voor het overige.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij moet worden afgewezen, gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het vrijspraak-verweer. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de beledigde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De beledigde partij is namelijk door de verdachte verkracht. Daardoor is de beledigde partij in haar persoon aangetast en heeft zij recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 30 maart 1990 en daarom moet de vordering worden beoordeeld conform het toen geldende recht. Gelet op artikel 332 (oud) van het Wetboek van Strafvordering en artikel 56 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie volgt dat de beledigde partij in een strafprocedure een bedrag kan vorderen van ten hoogste ƒ 1.500, -. Dit is omgerekend een bedrag van € 680,67. Nu de gevorderde schade dit bedrag te boven gaat, kan de beledigde partij, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet in haar vordering worden ontvangen voor het meerdere.\n\nGelet op wat namens de beledigde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in ieder geval vaststellen op een bedrag van\n\n€ 680,67 en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De beledigde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de beledigde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de beledigde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n9. De in beslag genomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de feiten 2 en 3 met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n36b, 36c, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nverkrachting;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van30 (DERTIG) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nde vordering van de beledigde partij;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij deels toe tot een bedrag van € 680,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [slachtoffer] ;\n\nbepaalt dat de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de beledigde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de beledigde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nde in beslag genomen goederen;\n\nverklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:\n\n1. wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart);\n\n2. 19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331);\n\n3. wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E. Rabbie, voorzitter,\n\nmr. J.J. Balfoort, rechter,\n\nmr. J.G. Bruinsma, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.103Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":91,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":62,"updatedAt":93},"591","ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","ecli-nl-ghdha-2026-2261","Rolnummer: 22-001916-23\n\nParketnummer: 10-010101-22\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de borst\u002Fbuik en\u002Fof in de rug en\u002Fof in de lies, althans in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat de overwegingen van het hof ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren deels anders komen te luiden dan die van de rechtbank en het hof bovendien tot een andere strafoplegging komt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op of omstreeks12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen,althans eenmaal,met een mes,althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp,in de borst\u002Fbuik en\u002Fofin de rug en\u002Fofin de lies, althans in het lichaam,van voornoemde [slachtoffer] te steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nDe strafbaarheid van het tenlastegelegde feit\n\nTer terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - gesteld dat de verdachte zich in de Zoutziedersstraat te Rotterdam geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke,\n\nwederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] (hierna ook:\n\n [slachtoffer] ), waartegen de verdachte zich moest verdedigen. [slachtoffer] zou de verdachte namelijk hebben willen beroven en daartoe de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht. Hierbij heeft hij de verdachte bij zijn nek beetgepakt, hem verwurgd door aan zijn kettingen te trekken en herhaaldelijk gezegd dat hij de verdachte zou doden. De verdachte voelde zich hierdoor volgens de raadsvrouw ernstig bedreigd. Hij kreeg geen adem meer en voelde iets scherps tegen de zijkant van zijn nek drukken. Er was sprake van paniek bij de verdachte.\n\nHij kon zich niet onttrekken aan de verwurging en kon zich niet anders verdedigen dan\n\nmet het zakmes dat hij (toevallig) bij zich had.\n\nDe verdachte heeft meerdere malen gestoken omdat [slachtoffer] , ook nadat hij hem voor het eerst gestoken had, niet losliet en zijn keel bleef dichtdrukken. Daarbij haalde [slachtoffer] met zijn vrije arm naar hem uit en bleef hij roepen dat hij hem zou doodmaken.\n\nOnder die omstandigheden kan hem volgens de raadsvrouw niet worden verweten dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.\n\nHet hof overweegt hieromtrent als volgt.\n\nIngevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer\n\nalleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van\n\neigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke\n\naanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend\n\ngevaar voor zo'n aanranding.\n\nHet hof gaat op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting ten aanzien van\n\nhet ten laste gelegde feit uit van de volgende vaststaande feiten.\n\nOp 12 januari 2022 rond 19.00 uur is [slachtoffer] op het trottoir van de\n\nZoutziederstraat ter hoogte van huisnummer [nummer] in Rotterdam door messteken om het leven\n\ngekomen. De verdachte is degene geweest, zoals ook door hem is bekend, die [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken.\n\nHet Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft het lichaam van [slachtoffer]\n\nonderzocht.\n\nVastgesteld is dat er aan diens lichaam vijf steekverwondingen zijn toegebracht,\n\nwaarvan er twee zo waren toegebracht dat zij ook afzonderlijk van elkaar het overlijden van\n\n [slachtoffer] hebben veroorzaakt.\n\nVerder staat vast dat noch op het lichaam van [slachtoffer] , noch in zijn kleding enig wapen,\n\nmes of ander voor afdreiging geschikt voorwerp is aangetroffen.\n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft zich bij de politie op 26 januari 2022 beroepen op zijn zwijgrecht.\n\nBij de politie heeft de verdachte vervolgens op 1 februari 2022 verklaard dat hij na een bezoek aan de juwelier naar zijn auto liep. Hij zag een jongen op hem afkomen. Die jongen zei tegen hem: 'heb je een vuurtje voor me?'. Hierop zei verdachte dat hij geen vuurtje had. Die jongen bleef naar hem toelopen en voordat de verdachte het wist greep hij naar zijn nek en naar zijn kettingen. De verdachte probeerde zichzelf los te rukken. Hij zei tegen hem: 'Geef alles, want ik maak je dood. Ik maak je dood nu meteen'.\n\nHij kreeg zichzelf niet los. Hij was helemaal in paniek en dacht dat de jongen hem dood ging maken. Hij kreeg geen lucht meer. Hij meende op dat moment dat hij zichzelf moest verdedigen.\n\nHij had een mes in zijn jaszak en heeft dat gepakt. Hij heeft naar hem gestoken, maar\n\nkwam nog steeds niet los. Die jongen zei: 'Ik ga je doodmaken, ik ga je doodmaken, kankerlijer'. Hij was zo in paniek en heeft daarna nog een keer gestoken.\n\nOp een gegeven moment raakte die jongen los van de verdachte en hij zag dat hij op de grond lag. Hij is toen weggerend naar zijn auto.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2023 verklaard dat hij vanuit de juwelierszaak [naam juwelier] gelegen aan de Grote Visserijstraat is overgestoken\n\nnaar zijn auto (Seat), die op de Zoutziedersstraat stond geparkeerd. Hij heeft het portier van zijn auto geopend en is schuin op de bestuurdersstoel gaan zitten, waarbij zijn voeten nog op straat stonden. Nadat hij zich met zijn zojuist gekochte kettingen in de autospiegel had bekeken en zijn vest weer dicht had gedaan werd hij, terwijl het portier nog open stond, aangesproken door een man, het later slachtoffer, die hem om een vuurtje vroeg. De verdachte zei dat hij geen vuurtje had. Het slachtoffer was voorbij het openstaande portier gelopen en greep naar de kettingen van de verdachte en zijn keel. Hij zette zijn andere hand in de nek van de verdachte. Hij zei dat de verdachte alles moest geven, anders zou hij hem dood maken. De verdachte voelde ook iets scherps in zijn nek.\n\nHij heeft toen een uitklapmes uit zijn rechterzak gehaald, heeft het open geklikt en heeft het slachtoffer gestoken. [slachtoffer] bleef hem wurgen en sloeg op zijn arm. Daarna heeft de verdachte hem nog meermalen gestoken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard als in eerste aanleg.\n\nCamerabeelden\n\nOp camerabeelden van de bewakingscamera's van de juwelierszaak [naam juwelier] is te zien\n\ndat de verdachte om 18:52:23 uur de winkel verlaat en de Grote Visserijstraat oversteekt in\n\nde richting van de Zoutziederstraat . Op dat moment heeft de verdachte zijn jas tot boven toe\n\ndichtgeritst en bevinden de drie halskettingen van de verdachte zich uit het zicht, onder zijn kleding.\n\nOm 18:52:50 loopt de verdachte de Zoutziederstraat in.\n\nZeventig seconden later, om 18:54:00 uur, komt de verdachte uit de Zoutziederstraat gerend,\n\nkeert om en rent terug de Zoutziederstraat in.\n\nDe Seat van verdachte rijdt vervolgens om 18:54:24 uur weg in de richting van de Mathenesserdijk.\n\nHet hof constateert op grond van de tijdstippen van die camerabeelden dat het gehele incident in de Zoutziedersstraat hooguit anderhalve minuut heeft geduurd.\n\nVerklaringen getuigen\n\nGetuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij nog in zijn reisbureau aan de [adres] aan het werk was, toen hij stemverheffingen op straat hoorde. Hierna hoorde hij mensen tegen elkaar schreeuwen. Hij had geen zicht op wat zich buiten afspeelde.\n\nGetuige [getuige 2] heeft meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij door een\n\nvriend met zijn auto in de Zoutziederstraat werd afgezet en bij aankomst verderop in de\n\nstraat twee mannen elkaar zag duwen en trekken. Hij zag beiden druk met hun armen\n\nbewegen. Eén van die mannen stond op enig moment tegen een muur geleund en deed niets, terwijl de andere man korte bewegingen naar de leunende man maakte. Kort daarna zag hij de leunende man op de grond vallen. De andere man rende in eerste instantie weg, maar kwam daarna terug, stapte in een auto en reed weg.\n\nGetuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij in de Zoutziederstraat op een vriendin stond te wachten toen zij geschreeuw hoorde. Ze zag toen verderop in de straat twee jongens, waarvan één een aantal keer in de lucht sprong. Deze jongen viel daarna op de grond.\n\nDe andere jongen vluchtte daarop weg.\n\nConclusie hof\n\nUit bovengenoemde getuigenverklaringen leidt het hof af dat op dat moment geen andere personen bij de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] betrokken zijn geweest en dat beiden hoorbaar en met stemverheffing ruzie met elkaar aan het maken waren. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem vanaf het eerste moment met zijn hand zou hebben gewurgd, waardoor hij geen adem kon krijgen, verdraagt zich hiermee niet.\n\nGéén van de getuigen verklaart dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het openstaande\n\nportier en de auto van de verdachte, zou hebben gestaan; zij spreken allen over een\n\nconfrontatie op de stoep, zelfs bij of tegen de muur.\n\nDaarnaast is uit onderzoek gebleken dat op de kettingen van de verdachte, waarop [slachtoffer] het volgens de verdachte had gemunt, in het geheel geen DNA van [slachtoffer] is aangetroffen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft hij die kettingen nadien niet meer schoongemaakt (dat was immers al bij de juwelier gebeurd). [slachtoffer] zou het op die kettingen voorzien hebben en de verdachte werd door [slachtoffer] naar zijn zeggen zo stevig in de hals gegrepen dat daardoor zelfs twee van de kettingen in de verwurging zouden zijn gebroken. In die situatie was de aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] , die geen handschoenen droeg, op die kettingen te verwachten geweest. In zoverre wordt de verklaring van de verdachte dus niet ondersteund.\n\nDe verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen, hem probeerde te\n\nwurgen en te beroven, acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.\n\nNoch in het dossier, noch in het verhandelde ter zitting vindt het hof enig aanknopingspunt\n\nvoor het door de verdachte geschetste scenario.\n\nDat geldt evenzeer voor de stelling van de verdachte dat hij mogelijk het slachtoffer zou zijn\n\ngeworden van een complot, een vooropgezet plan van [slachtoffer] en zijn vrienden waarbij hij in de juwelierszaak is geobserveerd en daarna van zijn kettingen zou worden beroofd.\n\nVoorts overweegt het hof dat de gedragingen van de verdachte na het neersteken van [slachtoffer] - waaronder het niet inschakelen van hulp of van de politie, het achterlaten van het\n\nzwaargewonde slachtoffer, het vluchten van de plaats delict en vervolgens het vertrekken naar het buitenland - het door de verdachte geschetste verhaal in belangrijke mate ondergraven.\n\nGelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.\n\nHet noodweerverweer wordt verworpen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nIndien het hof het beroep op noodweer niet zal honoreren, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, nu hij door de aanval van [slachtoffer] helemaal in paniek is geraakt en hij dacht, toen [slachtoffer] zijn keel dichtkneep en hij iets scherps in zijn nek voelde, dat hij dood gemaakt zou worden. Derhalve is er bij de verdachte sprake geweest van een hevige gemoedsopwelling die het gevolg was van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .\n\nNu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijke dreiging daarvoor van de kant van het slachtoffer toen de verdachte [slachtoffer] meermalen met een mes stak is het hof van oordeel dat het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.\n\nDit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.\n\nEr is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op het toentertijd 22-jarige slachtoffer [slachtoffer] , door hem op zeer gewelddadige wijze te steken in diens borst\u002Fbuik, rug en lies. Ten gevolge van het door de verdachte toegepaste geweld is [slachtoffer] enkele minuten later op het trottoir overleden. De verdachte heeft daarmee een hem onbekende jongeman van het ene op het andere moment het leven ontnomen.\n\nEen motief van de verdachte is niet duidelijk geworden.\n\nHet hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij het slachtoffer, nadat hij hem meermalen had gestoken en op straat was gevallen, volledig aan zijn lot heeft overgelaten en zelfs geen poging heeft ondernomen om (medische) hulp voor hem in te schakelen. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte vastgehouden aan een uit de lucht gegrepen complotscenario en heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.\n\nDe verdachte heeft de nabestaanden hiermee onbeschrijflijk veel leed bezorgd. Zij moeten leven in de wetenschap dat hun (klein)zoon, broer, neef en vriend, in de bloei van zijn leven, op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Aan hen is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dat blijkt ook uit de voorgelezen slachtofferverklaringen van de zus en moeder van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep.\n\nVerder is het feit middenin een woonwijk gepleegd en zijn voorbijgangers getuige geweest van het enorm gewelddadige feit. Dat is voor de getuigen erg beangstigend geweest.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, zij het lang geleden,\n\nte weten in 2006, onherroepelijk is veroordeeld voor een poging doodslag in vergelijkbare omstandigheden.\n\nRapportages\n\nOmtrent de persoon van de verdachte zijn rapporten opgemaakt.\n\nUit de Pro Justitia rapportage van 18 november 2022, opgemaakt en ondertekend door J. Vreugdenhil, psychiater, en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan dit rapport heeft geweigerd.\n\nBij de verdachte kon als gevolg van zijn weigering geen psychische stoornis worden vastgesteld, doch deze kon ook niet worden uitgesloten.\n\nEr zijn wel een aantal opvallende observaties gedaan. Onderzoekers hadden graag nader\n\nwillen onderzoeken in hoeverre deze verklaard kunnen worden door een psychische\n\nstoornis, en zo ja welke.\n\nAls de verdachte had meegewerkt aan het onderzoek had bepaald kunnen worden hoe het gesteld is met zijn intellectuele vermogens, of er sprake is van een\n\nontwikkelingsstoornis, persoonlijkheidsproblematiek en\u002Fof psychiatrische problematiek.\n\nOok hadden onderzoekers meer zicht hebben willen krijgen op de ernst van het\n\nalcoholgebruik van de verdachte en in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van een stoornis in alcoholgebruik.\n\nOmdat de verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, kunnen geen uitspraken\n\nworden gedaan over het risico op recidive vanuit een eventuele psychische stoornis.\n\nOp verzoek van de verdediging is de verdachte vervolgens onderzocht door een psycholoog\n\nen een psychiater. De verdachte heeft hieraan wel zijn medewerking verleend.\n\nPsychiater C.J.F. Kemperman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd\n\n21 december 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nBij de verdachte kan op basis van de anamnese en het onderzoek alsmede bestudering van de stukken geen psychiatrische diagnose worden vastgesteld.\n\nGelet op het niet constateerbaar zijn geweest van een psychiatrische ziekte of gebrek, een\n\npsychiatrische stoornis, kan men niet opmerken dat de wilsbepaling van de verdachte hierdoor verminderd zou zijn geweest. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de dossiergegevens aanwijzingen bevatten dat er wel alcohol- en agressieproblematiek bestaat.\n\nTen aanzien van het risico van herhaling van gewelddadig gedrag overweegt de psychiater dat hij tot een matig risico komt, nu er enige zorg bestaat over het misbruik van middelen (alcohol). Dit naar aanleiding van de aanhouding voor het rijden onder invloed in 2019 en informatie van referenten. Om het recidiverisico te verkleinen zou volgens de psychiater gefocust kunnen worden op het omgaan met agressie en het gebruik van alcohol. Dit zou kunnen binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: ook GVM) ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nPsycholoog mr. drs. R.A. Sterk heeft een rapport over de verdachte opgemaakt,\n\ngedateerd 26 januari 2023. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nEr is bij de verdachte, met inachtneming van de beperkingen van het onderzoek, geen\n\npsychische problematiek in engere zin geconstateerd en evenmin is er sprake van een\n\npersoonlijkheidsstoornis. Ook ten tijde van het tenlastegelegde lijkt er geen sprake geweest\n\nte zijn van psychische problematiek.\n\nDe verdachte valt statistisch gezien binnen de groep met een lage kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Deze risicotaxatie dient wel met de nodige terughoudendheid worden gebruikt in verband met de beperkingen van het onderzoek. Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, adviseert de psycholoog om een GVM te overwegen zodat verdachte na detentie behandeling dan wel begeleiding kan ontvangen indien daartoe behoefte bestaat.\n\nIn het reclasseringsrapport van 24 maart 2023 wordt geadviseerd om bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden indien hij schuldig wordt bevonden. Met name het gedeeltelijk ontkennen van het delict waarbij een jong persoon is overleden is risicovol vanwege het mogelijke forse alcoholgebruik en de proceshouding waarin de verdachte geen medewerking verleent aan onderzoek. De kans op recidive kan zo worden beperkt waardoor de veiligheid in de samenleving kan worden gewaarborgd.\n\nUit het reclasseringsrapport van 30 augustus 2024 blijkt dat het, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, niet mogelijk is om vanuit reclasseringsperspectief een goed gefundeerd advies te geven.\n\nDe strafoplegging\n\nHet hof acht de verdachte op grond van de conclusies in bovengenoemde rapporten volledig toerekeningsvatbaar.\n\nGelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nHet hof heeft verder gekeken naar de straffen zoals die doorgaans voor feiten als het onderhavige worden opgelegd.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals in eerste aanleg door de officier van justitie is geëist, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.\n\nHet hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1\n\nvan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele\n\nvrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een voorlopig\n\ngehechte verdachte in beginsel binnen 16 maanden te worden afgerond.\n\nHet hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep is ingesteld op 27 juni 2023 en eindarrest wordt gewezen op 6 juli 2026. Derhalve is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met 20 maanden.\n\nBij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, zoals in de\n\nonderhavige zaak het geval is, wordt als uitgangspunt de op te leggen straf verminderd met 10 %, maar met niet meer dan 6 maanden.\n\nDe vertragingen in deze procedures kunnen de verdachte niet worden aangerekend.\n\nDit betekent dat de aan de verdachte op te leggen straf naar het oordeel van het hof dient\n\nte worden verminderd met 6 maanden.\n\nRekening houdend met bovengenoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het\n\nhof daarom een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 6 maandenopleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nMaatregel artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht\n\nHet hof heeft gelet op genoemde conclusies van de deskundigen Kemperman en Sterk, alsmede het reclasseringsrapport van 24 maart 2023.\n\nDeskundige Kemperman heeft gesteld dat het recidiverisico kan worden verkleind binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr. Deskundige Sterk heeft geadviseerd om een GVM te overwegen, zodat de verdachte na zijn detentie begeleiding en behandeling kan krijgen. De reclassering heeft in het meest recente rapport ook geadviseerd een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden.\n\nDaarnaast heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer] heeft doodgestoken, alsmede het feit dat het niet de eerste keer is dat de verdachte iemand met een mes heeft neergestoken en hij in de onderhavige zaak ook een mes op zak had en heeft laten zien dit ook daadwerkelijk te gebruiken.\n\nHet hof zal derhalve - anders dan de rechtbank - in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Naar het oordeel van het hof dient de maatschappij te worden beschermd tegen de verdachte, aangezien er een groot risico is op herhaling van geweldsfeiten en de kans aanwezig is dat het recidiverisico na ommekomst van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.\n\nAan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een GVM is voldaan.\n\nDe verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] (vader van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde, geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde en niet betwiste immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding overeenkomt met genoemd Besluit leent de geleden immateriële schade zich voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] (moeder van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 32.500,00, bestaande uit een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan shockschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 27.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist ten aanzien\n\nvan de affectieschade en ten aanzien van de shockschade niet betwist tot een bedrag van\n\n€ 5.000,00.\n\nAffectieschade\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding bovendien overeenkomt met genoemd Besluit en de vordering in zoverre niet wordt betwist, zal de vordering ter zake van de affectieschade geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nShockschade\n\nMr. Backer heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitaantekeningen ten aanzien van de gevorderde shockschade gesteld dat aan het confrontatievereiste is voldaan.\n\nNa de sectie is de moeder van het slachtoffer geconfronteerd met het gehavende, levenloze lichaam van haar zoon en heeft zij de steekverwondingen waargenomen waaraan hij is overleden. Het uit die confrontatie voortgekomen geestelijk letsel is door een psycholoog vastgesteld. De benadeelde partij heeft nog steeds consulten ter verwerking van het psychisch trauma dat zij heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Voorts blijkt dat zij medicatie gebruikt.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de\n\njurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.\n\nVoor een zeer beperkte kring van personen bestaat onder zeer bijzondere omstandigheden\n\nde mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële\n\nshockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het\n\nBurgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op “aantasting in de persoon”.\n\nBij de toepassing van voormelde bepaling van het BW ook in zaken als de onderhavige,\n\nwaarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen heeft de Hoge\n\nRaad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende gezichtspunten.\n\nBij de benadeelde partij moet door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de\n\ndoodslag op het slachtoffer geestelijk letsel zijn ontstaan.\n\nHet hof leidt uit de toelichting op de gestelde shockschade en de overgelegde stukken af dat bij de benadeelde partij serieuze psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast.\n\nNaar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat de benadeelde partij shockschade heeft opgelopen en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof mede gelet heeft op het toegewezen bedrag ter zake van affectieschade - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 22.500,00 aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] (oom van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als\n\ngevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00 aan begrafeniskosten.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.\n\nNu de gevorderde kosten door de benadeelde partij niet zijn onderbouwd zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nGelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt aan de verdachte voorts op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 133 (honderddrieëndertig) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op\n\n12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.E. Harteveld, als voorzitter, en mr. A. de Lange en\n\nmr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nMr. M. Pheijffer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","2026-07-13T00:28:38.361Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":62,"updatedAt":101},"1281","ECLI:NL:RBDHA:2026:18664","ecli-nl-rbdha-2026-18664","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F342300-25 (dagvaarding I) en 09\u002F052574-26 (ttz.gev., dagvaarding II)\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres 1] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. T.W. van Gessel naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nzij op of omstreeks 25 oktober 2025, te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine en\u002Fof een doek en\u002Fof vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - de woning en\u002Fof voortuin en\u002Fof hekwerk aan de [adres 2] en\u002Fof - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] en\u002Fof - geparkeerde voertuigen in de [straatnaam 1] te duchten was;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n 1 zij op of omstreeks 28 oktober 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans een brandbare vloeistof, en\u002Fof een fles en\u002Fof een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - (de voordeur van) de woning en\u002Fof voortuin en\u002Fof hekwerk aan de [adres 2] en\u002Fof - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] te duchten was en\u002Fof levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten - de in voornoemde woning(en) aanwezige personen te duchten was;\n\n2 zij op of omstreeks 14 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een voertuig (een bestelauto met kenteken [kenteken] ) geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (brandbare) vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens (met een aansteker) open vuur in aanraking te brengen met papier en\u002Fof een fles (met daarin benzine) en\u002Fof die (brandende) fles tegen\u002Fnaar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten - de motorkap en\u002Fof grill van voornoemd voertuig te duchten was;\n\n3 zij op of omstreeks 30 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] , in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Inleiding\n\nOp 25 oktober 2025 omstreeks 9:30 uur heeft de bewoner van de woning aan de [adres 2] , genaamd [aangeefster] , een beschadigde vuilniszak en een doekje voor haar voordeur aangetroffen. Voorts rook zij een benzinelucht. Na het bekijken van de beelden van haar deurbelcamera is het vermoeden ontstaan dat er in de nacht van 25 oktober 2025 rond 2:00 uur brand is gesticht bij haar woning.\n\nIn haar aangifte verklaarde [aangeefster] dat er op 28 oktober 2023 ook brand zou zijn gesticht bij de voordeur van haar woning. Tevensblijkt uit onderzoek dat er op 14 augustus 2023 op de [adres 3] brand zou zijn gesticht bij de auto (bestelbus) van de broer van [aangeefster] , genaamd [broer van aangeefster] , en dat er op 30 augustus 2023 een ruit zou zijn vernield van een woning gelegen aan de [adres 4] . [broer van aangeefster] is woonachtig op het adres [adres 3] .\n\n Gedurende het onderzoek is gebleken dat de verdachte als verdachte kon worden aangemerkt van voornoemde brandstichtingen en vernieling. Deze verdenking is mede ontstaan omdat bij de politie diverse meldingen van de verdachte zijn binnengekomen die inhouden dat zij (verdachte) de afgelopen jaren stelselmatig zou zijn bedreigd en lastiggevallen door [aangeefster] , dan wel door haar familie. Ook zijn er bij de politie diverse meldingen over de verdachte bekend dat zij verward en zorgelijk gedrag zou vertonen. De verdachte werd vervolgens op 15 december 2025 aangehouden.\n\nDe verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat zij drie maal brand heeft gesticht en een ruit van een woning heeft vernield.3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.\n\n3.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.\n\nVoor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsman.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n3.5.. Bewijsoverwegingen\n\n3.5.1. Ten aanzien van dagvaarding I\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning door een wijkagent van de verdachte als de persoon op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] . De wijkagent heeft gedetailleerd geverbaliseerd op welke wijze en waaraan hij de verdachte heeft herkend. De wijkagent heeft tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte ook een grijs vest en witte sneakers waargenomen die grote gelijkenissen vertonen met het vest en de sneakers die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad. Voorts is op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] een fatbike te zien. De verdachte maakte ten tijde van de brandstichting gebruik van een fatbike. Ten slotte werd in de woning van de verdachte een zwarte rugtas aangetroffen die grote gelijkenissen vertoont met de rugzak die de verdachte van de brandstichting op de beelden droeg.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu een machtiging van de rechter­commissaris in het dossier ontbreekt, aangezien de officier van justitie tijdens de zitting van 23 maart 2026 deze machtiging ter zitting aan de rechtbank heeft overgelegd.\n\nOp grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 25 oktober 2025 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een doek met benzine en een vuilniszak in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.\n\nDoor het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen ontstaan. De algemene ervaring leert dat brandstichting bij de voordeur van een woning al snel gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt en dat een concrete gevaarzetting ontstaat voor andere roerende of onroerende goederen in de directe omgeving van de brandstichting.\n\nOp grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en acht zij daarom het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.2. Ten aanzien van dagvaarding II feit 1\n\nOp grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 28 oktober 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een krant met benzine in een fles in brand te steken.\n\nDe rechtbank verwijst daarbij naar het feit dat de vingerafdruk van de verdachte op de gebruikte fles en het DNA van de verdachte op de dop van de gebruikte fles is aangetroffen.\n\nOok hier ziet de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.\n\nDoor het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar ontstaan. Een brandonderzoeker heeft tijdens een forensisch onderzoek een roetlaag op de waterkering en aan de onderzijde van de voordeur waargenomen. Volgens de brandonderzoeker had de schade aan de voordeur groter kunnen worden en had de houten voordeur als onderdeel aan de brand kunnen deelnemen, indien de brand niet op tijd was geblust. Gezien de aanwezigheid van personen in de woning op een voor de nachtrust bestemde tijd, is het voorzienbaar dat zij lichamelijk letsel kunnen oplopen.\n\nOp grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en acht zij daarom het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.3. Ten aanzien van dagvaarding II de feiten 2 en 3\n\nOp grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 14 augustus 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij bestelbus van [broer van aangeefster] door brandbare vloeistof over dit voertuig te sprenkelen en vervolgens een fles met daarin benzine aan te steken en deze fles naar de bestelbus te gooien. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 augustus 2023 de ruit van de woning aan de [adres 4] heeft vernield.\n\nEen getuige van de vernieling heeft de persoon op de camerabeelden een aantal dagen na de vernieling op straat herkend en is haar vervolgens gevolgd naar haar woning. Dit betrof de woning van de verdachte. Voorts heeft een verbalisant aan de hand van de beschikbare camerabeelden geconcludeerd dat de brandstichting en de vernieling gepleegd zijn door dezelfde persoon. Tevens werden in de woning van de verdachte een roze legging en een wit Adidas vest aangetroffen die grote gelijkenissen vertonen met de kleding die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad.\n\nOok hier verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest en verwijst daarbij naar hetgeen reeds hiervoor is overwogen.\n\nDe rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat het bij de brandstichting slechts gaat om een poging tot brandstichting. Uit de beelden volgt immers dat de verdachte – nadat zij een vloeistof over de motorkap van de bestelbus sprenkelde – iets wits bij de fles met vermoedelijk benzine heeft aangestoken en de brandende fles richting de voorzijde van de bestelbus heeft gegooid. Hieruit kan reeds afgeleid worden dat er sprake is van een voltooide brandstichting. Nadat de fles door de verdachte werd gegooid en tegen de voorzijde van de bestelbus aankwam, ontstond er (kort) vuur op de motorkap en bij de grill van de witte bestelbus. Hiermee is er ook sprake van gemeen gevaar voor goederen. Dat de brand kortstondig heeft geduurd, doet aan het voorgaande niets af.\n\nOp grond van het vorenstaande acht de rechtbank de bij dagvaarding II onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.5.4. Conclusie\n\nDe rechtbank acht op grond van het bovenstaande de bij dagvaarding I en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\nVoor de overtuiging heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat de verdachte al jarenlang in de stellige, maar naar het oordeel van de rechtbank onjuiste, veronderstelling verkeerde dat zij stelselmatig wordt bedreigd en lastiggevallen door de familie Pooran. Hieruit kan een mogelijk motief voor de verdachte worden afgeleid om de bewezenverklaarde feiten te plegen.\n\n3.6.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nTen aanzien van dagvaarding I\n\nzij op 25 oktober 2025 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met benzine en een doek en vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] en te duchten was;\n\nTen aanzien van dagvaarding II\n\n 1 zij op 28 oktober 2023 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine en een fles en een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de voordeur van de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en - aangrenzende woningen\u002Fpanden in de [straatnaam 1] te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten - de in voornoemde woningen aanwezige personen te duchten was;\n\n2 zij op 14 augustus 2023 te Den Haag bij een voertuig, een bestelauto met kenteken [kenteken] , geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door brandbare vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens met een aansteker open vuur in aanraking te brengen met papier en een fles met daarin benzine en die brandende fles tegen\u002Fnaar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten - de motorkap en grill van voornoemd voertuig te duchten was;\n\n3 zij op 30 augustus 2023 te Den Haag opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] dat aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden), onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verder heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de verzochte vrijspraak, geen tbs-maatregel op te leggen. Tevens heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.\n\nSubsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van haar voorarrest en een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Hij acht een tbs-maatregel niet noodzakelijk om het recidiverisico te beperken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nDe ernst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie brandstichtingen en een vernieling. Door het handelen van de verdachte is aanzienlijke schade ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte met haar handelen onaanvaardbare risico’s genomen. Zij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat brandstichting een bijzonder destructief en gevaarzettend feit is. Het is een gelukkige omstandigheid dat de branden niet ernstigere schade hebben veroorzaakt en dat er geen mensen gewond zijn geraakt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot haar daden is gekomen. Feiten als de onderhavige roepen doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid op en hebben maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarnaast brengen dergelijke feiten in het algemeen aanzienlijke schade teweeg en kunnen ze leiden tot veel overlast voor de slachtoffers.\n\nGelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor misdrijven.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. A. Banaei Kashani, psychiater, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 13 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nBij de verdachte is sprake van een psychotische stoornis die chronisch aanwezig is, te weten schizofrenie, en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was de verdachte psychotisch. Aangezien zij in die periode vrijwel dagelijks amfetamine gebruikte, is het aannemelijk dat zij ten tijde en in aanloop tot het ten laste gelegde onder invloed was van dit middel. Het is aannemelijk dat hierdoor haar gedragskeuzes en gedragingen werden beïnvloed. De rapporteur adviseert de feiten in (tenminste) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De kans op herhaling op inadequaat en agressief gedrag wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. Er is geen sprake van beschermende factoren. De verdachte heeft jarenlang steeds marginaal zorg geaccepteerd en is steeds verder achteruit gegaan in haar functioneren. Zij blijft een aversie houden jegens de betreffende familie. De verdachte is bovendien ernstig verslaafd aan amfetamine. Zonder adequate behandeling en begeleiding zal haar toestand verder verslechteren, zal zij zich verder verwaarlozen en gevaarlijk gedrag blijven vertonen. Vanwege de ernstige psychische problematiek en het hoge recidiverisico is langdurige en intensieve (klinische gevolgd door ambulante) behandeling nodig. De verdachte heeft weinig ziekte-inzicht en eerdere hulp heeft niet tot gedragsverandering geleid. Behandeling van de psychotische stoornis en abstinentie van middelen zijn noodzakelijk. Geadviseerd wordt de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd haar een GVM op te leggen om langdurig toezicht mogelijk te maken na beëindiging van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank heeft voorts acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. G.J.H. Poncin, GZ-psycholoog, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 11 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nBij de verdachte is sprake van schizofrenie. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van een stimulantium, een stoornis in het gebruik van cannabis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Gezien de chronisch aanwezige pathologie is het aannemelijk dat deze ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en kan er worden gesproken van een gelijktijdsheidsverband. Het is aannemelijk dat de verdachte vanuit haar eigen paranoïde, psychotische en onrealistische belevingswereld heeft gehandeld. Hier speelde het amfetaminegebruik als een katalysator op de reeds aanwezige psychotische problematiek. Het advies van de rapporteur is dan ook om de ten laste gelegde feiten in een tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Er is geen probleeminzicht en eerdere behandeling heeft nauwelijks effect gehad. Het kleine sociale netwerk van de verdachte is niet bij machte om haar de sturing en ondersteuning te bieden die zij behoeft om stabiel te kunnen functioneren. De verdachte beschikt buiten detentie niet over werk of een adequate dagbesteding\u002Fstructuur. De rapporteur acht een langdurige, intensieve behandeling geïndiceerd die start met een klinische opname, van waaruit wordt gewerkt aan het vergroten van het probleeminzicht, het leren omgaan met de pathologie en het opbouwen van beschermende factoren. Bovengenoemd interventieadvies kan het beste worden vormgegeven binnen een tbs met voorwaarden. Ook wordt geadviseerd om een GVM op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsrapport tbs met voorwaarden van 9 juni 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.\n\nDe rapporteur schat het recidiverisico als hoog in. De verdachte is meerdere malen in beeld gekomen bij de GGZ en er is sprake geweest van zorgmachtigingen wegens onbegrepen gedrag. De verdachte gebruikt langdurig amfetamine. Er is geen sprake van ziekte-inzicht of probleembesef. De verdachte is van mening dat er niets met haar aan de hand is. Behandeling vindt zij niet nodig. Wel geeft zij aan zich aan de voorwaarden te zullen houden, mocht zij daartoe veroordeeld worden. Vanwege de psychiatrische problematiek, in combinatie met overmatig middelengebruik (hetgeen een psychose kan luxeren), het ontbreken van beschermende factoren (buiten contact vader) en agressief gedrag in de voorgeschiedenis (hetgeen niet geleid heeft tot justitiecontact), schat de reclassering het risico op delictgedrag in als hoog. Vanwege het ontbreken van probleembesef en ziekte-inzicht en daarmee tevens intrinsieke motivatie voor behandeling, schat de reclassering het risico op onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld. Uit de Pro Justitia rapportages komt naar voren dat langdurige behandeling en ondersteuning noodzakelijk wordt geacht. De verdachte heeft inmiddels ingestemd met een klinische opname en het gebruik van medicatie. De reclassering acht een tbs met voorwaarden haalbaar, mede gelet op de extrinsieke motivatie.\n\nDe reclassering adviseert dan ook een tbs met voorwaarden met de onderstaande voorwaarden: • Geen strafbaar feit plegen • Meewerken aan reclasseringstoezicht • Meewerken aan een time-out • Niet naar het buitenland reizen • Opname in een zorginstelling • Ambulante behandelverplichting • Meewerken aan begeleid wonen • Verbod op het gebruik van verdovende middelen • Meewerken aan bewindvoering • Contactverbod met de aangevers • Locatieverbod (met elektronisch toezicht indien van toepassing)\n\nDe op te leggen straf en maatregel\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daarbij heeft de rechtbank tevens in overweging genomen dat het van belang is dat de verdachte eerder aan haar behandeling in het kader van de hierna nog te bespreken tbs-maatregel kan beginnen.\n\nEen en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenpassend en geboden is.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.\n\nDe rechtbank neemt verder de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.\n\nDe rapporteurs adviseren een tbs met voorwaarden en concluderen dat er onvoldoende andere mogelijkheden zijn om de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De rechtbank acht gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen de eigen constatering van de rechtbank ter terechtzitting van 16 juni 2026 dat bij de verdachte elk ziektebesef en -inzicht ontbreekt, een tbs met voorwaarden passend en ook noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs-maatregel dat de begane feiten (met uitzondering van de bewezenverklaarde vernieling) misdrijvenzijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten zeer ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist.\n\nDe rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij wel twijfels heeft over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden en over of de verdachte zich aan de gestelde voorwaarden zal houden. De verdachte heeft immers geen ziekte-inzicht en probleembesef. Zij heeft ter zitting ook verklaard dat zij een tbs-maatregel niet nodig vindt, omdat zij naar haar eigen mening niets mankeert. Zij zal echter wel meewerken als de maatregel door de rechtbank aan haar wordt opgelegd. De rechtbank zal de tbs met voorwaarden aan de verdachte opleggen omdat de rechtbank het onverantwoord vindt om de verdachte zonder enige behandeling, begeleiding of toezicht terug te laten keren in de maatschappij.\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van dagvaarding II feit 1sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.\n\nOmdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank, gelet op artikel 38 lid 6 Sr bepalen dat de op te leggen tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank zal ook de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen, zodat de officier van justitie na beëindiging van de tbs-maatregel, indien nodig, de mogelijkheid heeft toereikende maatregelen te nemen, teneinde recidive te kunnen voorkomen.\n\nAan de wettelijke vereisten van artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van de Pro Justitia rapporteurs en het rapport van de reclassering.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nGelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n [aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.467,10, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.\n\n [broer van aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 629,51, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair afwijzing van de vorderingen verzocht, dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de verzochte vrijspraak.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman subsidiair verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu een wettelijke grondslag ontbreekt, dan wel de wettelijke grondslag onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de benadeelde partij matiging van het gevorderde bedrag verzocht. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster] heeft de raadsman subsidiair afwijzing verzocht, nu de gevorderde materiële schade onvoldoende is onderbouwd.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 467,10.\n\nOmdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen:\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 253,62 met ingang van 28 oktober 2023;\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 190,51 met ingang van 24 november 2025;\n\n- ten aanzien van een bedrag van € 22,97 met ingang van 11 maart 2026.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal en ziet daarom geen aanleiding om de gevorderde schade te matigen.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.467,10, bestaande uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor de onder bij dagvaarding I en dagvaarding II onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,\n\ntot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .\n\nTen aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster]\n\nDe vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 629,51.\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen.\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 augustus 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [broer van aangeefster] .\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 36f, 38, 38a, 38z, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van dagvaarding I\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 1\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is\n\nen\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 2\n\nopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;\n\nten aanzien van dagvaarding II feit 3\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;\n\nstelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:\n\ndat de veroordeelde:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n- geen strafbare feiten zal plegen;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n de medewerking aan huisbezoeken;\n\n zich melden bij en zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk;\n\n de reclassering helpen aan een actuele foto waarop het gezicht van de veroordeelde herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n de reclassering inzicht geven in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n zich niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die\n\n contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n- als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Kliniek (FPK) of een andere soortgelijke instelling met een hoger beveiligingsniveau. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n- niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal reizen zonder toestemming van de reclassering;\n\n- zich laat opnemen in en behandelen door FPK Fivoor, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor de plaatsing verantwoordelijke instantie, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens deze zorginstelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Indien overbruggingszorg noodzakelijk is, verleent zij hieraan haar medewerking;\n\n- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, zich onder behandeling stelt van een forensisch polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, zolang de reclassering of die zorginstelling noodzakelijk acht. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;\n\n- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering en\u002Fof de instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;\n\n- meewerkt aan bewindvoering\n\n- zich onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, speeksel- of urineonderzoek De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.;\n\n- op geen enkele wijze contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:\n\n [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1966\n\n [broer van aangeefster] , geboren op [geboortedatum 3] 1971;\n\n [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 4] 1954;\n\n- zich niet bevindt in de gebieden:\n\n Gebied 1: [straatnaam 2] \u002F [straatnaam 3] \u002F [straatnaam 4] en het gebied tussen deze straten te Den Haag;\n\n Gebied 2: [straatnaam 5] \u002F [straatnaam 6] \u002F [straatnaam 7] \u002F [straatnaam 8] \u002F de [straatnaam 1] en het gebied tussen deze straten te Den Haag,\n\nzolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze voorwaarde;\n\nbeveelt dat bovengenoemde maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;\n\nlegt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;\n\nwijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.467,10 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente tot de dag waarop deze vordering is betaald over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:\n\n- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;\n\n- € 190,51 vanaf 24 november 2025;\n\n- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;\n\n- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,\n\ntot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 629,51 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [broer van aangeefster];\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van[broer van aangeefster];\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,\n\nmr. J.L.E. Bakels, rechter,\n\nmr. J. Schaaf, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18664","2026-07-13T00:29:13.753Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":62,"updatedAt":109},"279","ECLI:NL:RBDHA:2026:17355","ecli-nl-rbdha-2026-17355","2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummers: 09\u002F307278-25 en 96\u002F210973-21 (tul)\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres]\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 februari 2026 (pro forma) en 12 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.C. Vingerling naar voren is gebracht. Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. R.G. van der Laan namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1 hij op of omstreeks 14 november 2025 te Den haag, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met het volle gewicht op de borst en\u002Fof buik te gaan staan, - de nek vast te pakken en\u002Fof de keel dicht te knijpen, - met de vuist meermaals tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof - met een (honkbal)knuppel met kracht tegen het lichaam te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 14 november 2025 te Den haag, [aangeefster] heeft mishandeld, door - met het volle gewicht op de borst en\u002Fof buik te gaan staan, - de nek vast te pakken en\u002Fof de keel dicht te knijpen, - met de vuist meermaals tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof - met een (honkbal)knuppel met kracht tegen het lichaam te slaan.\n\n2 hij op of omstreeks 14 november 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen \"Laat me met rust kankerwijf, ik maak je dood\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\n3 hij op of omstreeks 5 april 2025 te 's-Gravenhage [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] (meermlen) tegen het lichaam, te slaan en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, te snijden\u002Fsteken en\u002Fof aan de haren te trekken.\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair onder 1 tenlastegelegde, met dien verstande dat hij het op de borst\u002Fbuik staan en het dichtknijpen van de keel niet bewezen acht.\n\nVoorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, met dien verstande dat niet precies kan worden vastgesteld met welke woorden de verdachte de aangeefster heeft bedreigd.\n\nTen slotte heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat het steken met ‘althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp’ niet kan worden bewezen.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de primair onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bepleit. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot het slaan en het aan de haren trekken gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en zich met betrekking tot de handelingen met een mes dan wel een scherp of puntig voorwerp op het standpunt gesteld dat deze niet kunnen worden bewezen.\n\n3.3.. Vrijspraak\n\n3.3.1.. Ten aanzien van het primair onder 1 tenlastegelegde\n\nOp basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting constateert de rechtbank dat de verdachte de aangeefster meermaals met een vuist heeft geslagen op haar hoofd. Evenwel kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte de overige aan hem ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd.\n\nOvereenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te komen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\n3.3.2.. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde\n\nDe rechtbank stelt vast dat er behoudens de verklaring van de aangeefster, geen andere wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn die de verbale bedreiging van de aangeefster op 14 november 2025 ondersteunen.\n\nGelet hierop kan het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend worden bewezen en zal de rechtbank de verdachte hiervan vrijspreken.\n\n3.3.3.. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde\n\nDuidelijk is dat de politie op 5 april 2025 in de woning is geweest waar de verdachte en de aangeefster zich destijds bevonden, maar dat toen geen letsel bij de aangeefster is gezien door de politie. De getuige [getuige] heeft eerst bij de politie en later bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wel fors letsel bij de aangeefster had waargenomen na afloop van het incident. Bij zijn verhoor bij de politie geeft [getuige] echter te kennen dat gecorrigeerd moet worden dat sprake was van snijletsel.\n\nDe rechtbank ziet hierin een onverklaarbare tegenstrijdigheid. Daar komt bij dat [getuige] op een wezenlijk onderdeel – al dan geen snijletsel – wisselend heeft verklaard.\n\nDit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er weliswaar aanknopingspunten zijn voor een mishandeling, maar dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een dergelijk feit op 5 april 2025 heeft begaan. De rechtbank is dan ook met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, waardoor zij de verdachte ook hiervan zal vrijspreken.\n\n3.4.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025386867, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t\u002Fm 95).\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 11-12):\n\n Pleegdatum: 14 november 2025\n\nIk heb al drie jaar een relatie met mijn vriend [verdachte] . Hij woont aan de [adres] .\n\nRond 08:30 uur ben ik zelfstandig naar hem toe gefietst.\n\nIk heb aangeklopt en hij deed vervolgens open.\n\nIk wist dat hij mij ging slaan doordat hij dit vaker deed en precies op dezelfde manier. Daarom hield ik mijn ogen dicht. Hierdoor voelde ik dat hij met zijn rechtervuist tegen mijn hoofd. Het letsel is te zien aan de linkerzijde van het hoofd, specifiek mijn linkeroog sloeg. Door de schik deed ik mijn ogen open en hierdoor kan ik mij ook niet herinneren hoe vaak er is geslagen. Hij sloeg telkens.\n\n2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 25):\n\nOp 14 november 2025 was ik, verbalisant, samen met\n\ncollega belast met noodhulp surveillance. Door het Operationeel\n\nCentrum Den Haag werden wij gestuurd naar de [adres] .\n\nTer plaatse zag ik een vrouw buiten de woning staan. Ik zag direct dat haar linkeroog dik en opgezwollen was.\n\nIk hoorde haar zeggen dat haar vriend nog in de woning zat op de [adres] .\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 november 2025, voor zover inhoudende (p. 34):\n\nIk was belast met een onderdeel in het opsporingsonderzoek van de mishandeling van aangeefster [aangeefster] die had plaatsgevonden op 14 november 2025.\n\nOp 15 november 2025 kwam aangeefster [aangeefster] aan de balie van bureau de Jan Hendrikstraat.\n\n Ik zag toen aangeefster [aangeefster] opstond en mijn richting op liep dat er rondom haar oog een blauw, rood en geel kleurige bloeduitstorting zat. Ik zag dat haar oog ook wat opgezwollen was.\n\n4. Het proces verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt op 14 november 2025, voor zover inhoudende (p. 56):\n\nOp 14 november 2025 werd door mij op de locatie [adres]\n\n , aangehouden als verdachte:\n\nVoornamen: [voornaam]\n\nAchternaam: [achternaam]\n\nGeboortedatum: [geboortedatum 1] 1996\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats]\n\nTer plaatse zag ik dat melder een verwonding had op haar hoofd.\n\n3.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank is met betrekking tot het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nhij op 14 november 2025 te Den Haag, [aangeefster] heeft mishandeld, door met de vuist meermaals tegen het hoofd te slaan.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De strafoplegging\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met de aangeefster.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen gevangenisstraf van langere duur dient te worden opgelegd dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner door met zijn vuist meermaals tegen haar hoofd te slaan. Hierbij ging het naar het oordeel van de rechtbank om fors huiselijk geweld, hetgeen bij het slachtoffer heeft geresulteerd in fysiek letsel en angstgevoelens. De verdachte heeft met zijn handelen een onveilige situatie geschapen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2018 is veroordeeld voor mishandeling.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek en substantiële zorgen op diverse leefgebieden. Hoewel het recidiverisico volgens de reclassering niet goed kan worden ingeschat, adviseert zij – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en ter bescherming van het slachtoffer – aan de verdachte een meldplicht, ambulante behandeling, een voorwaarde met betrekking tot beheersing van het middelengebruik en een contactverbod met het slachtoffer op te leggen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte zich op het moment dat hij het bewezen verklaarde feit beging in een kwetsbare periode in zijn leven bevond door ernstige problemen binnen zijn familie en dat er aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.\n\nDe rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, groot 21 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten mevrouw [aangeefster] .\n\nUit het dossier volgt dat de aangeefster en de verdachte relatieproblemen hadden en de verdachte – zelfs nadat aan hem een contactverbod was opgelegd als schorsingsvoorwaarde – wederom contact heeft gehad met de aangeefster. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. De vordering van de benadeelde partij\u002Fde schadevergoedingsmaatregel\n\n7.1. De vordering van de benadeelde partij\n\nMevrouw [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.\n\n7.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd, maar heeft zich ten aanzien van het bedrag waarmee dat dient te gebeuren gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n7.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen gebruikelijk is bij een eenvoudige mishandeling als uitgangspunt moet worden genomen bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij.\n\n7.4. Het oordeel van de rechtbank\n\n7.4.1.. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering en namens de verdachte ter betwisting daarvan is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.\n\nDe rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000, volledig bestaand uit immateriële schade. Verder zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\n7.4.2.. Proceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n7.4.3.. Schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft bij vordering van 22 januari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 96\u002F210973-21 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 20 november 2023 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.\n\nTer terechtzitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt met de officier van justitie en de raadsman vast dat de zaak waaruit de vordering tot tenuitvoerlegging is voortgevloeid, een geheel andersoortig feitencomplex betreft dan in de onderhavige zaak aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primaironder 1, onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiaironder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nmishandeling;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) DAGEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 21 (EENENTWINTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgesteldeproeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179, 254 AH Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;\n\n- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een PsyQ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde diagnostiek te laten plaatsvinden en zich te laten behandelen voor traumaverwerking, emotieregulatie. Daarnaast zal de behandeling zich richten op delictanalyse en -preventie. De zorgverlener bepaalt in samenspraak met de reclassering de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met mevrouw [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1995, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;\n\ngeeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.\n\ndadelijke uitvoerbaarheid\n\nbeveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nvoorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;\n\nde vordering van de benadeelde partij\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.000 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan mevrouw [aangeefster] ;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;\n\nde schadevergoedingsmaatregel\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van\n\n€ 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,ten behoeve van mevrouw [aangeefster] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.\n\nde vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf\n\nwijst af de (schriftelijke) vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96\u002F210973-21.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E.C. Kole, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. L. Anemaet, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17355","2026-07-13T00:28:22.312Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":62,"updatedAt":117},"671","ECLI:NL:RBDHA:2026:17352","ecli-nl-rbdha-2026-17352","2026-05-27T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 09-131355-24 en 09-219014-25 (ttz. gev.)\n\nDatum uitspraak: 27 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte](hierna: de verdachte),\n\n geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteland] , Nederlandse Antillen,\n\n BRP-adres: [adres 1] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 13 mei 2026 (sluiten onderzoek).\n\nDe officier van justitie in deze zaak is mr. L. Kooijmans en de raadsman van de verdachte is mr. F.C. Knoef te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 11 mei 2026 verschenen.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nDagvaarding 1 (09-131355-24)\n\n1\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhave en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [aangever 1] in de auto te duwen en\u002Fof in te sluiten, en\u002Fof tegen de achterbank te drukken en\u002Fof te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en\u002Fof\n\n- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op\u002Ftegen de knie en\u002Fof het hoofd van die [aangever 1] te zetten, althans op die [aangever 1] te richten;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld\n\n [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een bril en\u002Fof huissleutels en\u002Fof een pinpas en\u002Fof een pincode en\u002Fof een pakje sigaretten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), door\n\n- aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en\u002Fof tegen\u002Fop het hoofd en\u002Fof de knie van die [aangever 1] te zetten, althans door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [aangever 1] te richten en\u002Fof\n\n- tegen die [aangever 1] te zeggen \"Geef je telefoon, pinpas,pincode, huissleutels en sigaretten\" en\u002Fof \"Maak je zakken leeg\", althans woorden van gelijke strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 24 februari 2024 te ’s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken;\n\nDagvaarding 2 (09-219014-25)\n\nhij op of omstreeks 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit\n\n- het duwen en\u002Fof vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en\u002Fof\n\n- het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en\u002Fof\n\n- het een of meermaals trappen tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [aangever 2] , en\u002Fof\n\n- het een of meermaals slaan tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [aangever 2] .\n\n3. De bewijsbeslissing\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft - op gronden als verwoord in haar schriftelijk requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - op in de schriftelijke pleitnota weergegeven gronden - primair vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding 1 onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde omdat, aldus de raadsman, de verklaringen van de aangever niet betrouwbaar zijn en, ook los hiervan, niet kan worden bewezen dat de verdachte de door de aangever genoemde “verdachte 2” is. Mocht de rechtbank de verklaringen wel betrouwbaar achten en bewezen achten dat de verdachte “verdachte 2” is geweest, dan heeft de raadsman zich voor wat betreft de (verdere) bewijsvraag (subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het bij dagvaarding 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOp specifieke (bewijs)verweren wordt hierna - voor zover relevant - ingegaan.\n\n3.3. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.\n\n3.4. Bewijsoverwegingen\n\n3.4.1. Dagvaarding 1 (09-131355-24)\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn en dus niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Hij meent dat er door de onjuiste verklaring van de aangever over het in bewaring geven van € 180,- aan “ [naam 1] ”, het gegeven dat hij zelf verklaart soms dingen te zien die er niet zijn en herinneringen heeft aan het bezoeken van plaatsen terwijl hij er niet is geweest, in combinatie met het gegeven dat “ [naam 1] ”, een belangrijke getuige die volgens aangever bij de tenlastegelegde gebeurtenissen aanwezig was, niet is gevonden, concrete redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Nu de verdenkingen van alle feiten in de kern zijn gebaseerd op de verklaringen van de aangever, moet de verdachte van deze feiten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat in strafzaken als uitgangspunt geldt dat aangiftes en andere verklaringen kritisch en zorgvuldig worden bezien. Verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen kleine verschillen voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar. Dat verklaringen - op onderdelen of op detailniveau - niet geheel overeenkomen, kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties ontstaan door hetgeen zij hebben waargenomen, of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.\n\nAnders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangever als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en daarom voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De door de aangever afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende consistent, accuraat en volledig geweest. De rechtbank stelt vast dat de aangever op verschillende momenten door de politie is gehoord en dat hij op hoofdlijnen telkens hetzelfde heeft verklaard. Dat de aangever in eerste instantie heeft verklaard dat hij € 180,- aan “ [naam 1] ” in bewaring had gegeven en daar later op terug is gekomen, doet daar niet aan af. Dat het de politie niet is gelukt in contact te komen met “ [naam 1] ”, leidt evenmin tot de conclusie dat de verklaringen van de aangever onvoldoende betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Zo is de aangever, direct nadat hij door de verdachten uit de auto werd gelaten, in shock (of in ieder geval ontdaan) aangetroffen door een onafhankelijke getuige (de melder) op straat. Die getuige heeft bovendien verklaard dat de aangever op dat moment aan het bellen was met (zo bleek later) zijn moeder, en dat hij al snel begreep dat de aangever ontvoerd was en dat zijn spullen (bril, sleutels en pinpas) waren weggenomen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat de verklaringen van de aangever ook steun vinden in de Snapchatgesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft gevoerd met de aangever en met de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Hieruit blijkt onder andere dat de aangever en [medeverdachte 1] een afspraak hadden om hasj te (ver)kopen en dat [medeverdachte 1] van plan was om de bankrekening van iemand te legen die om 18:00 uur bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag zou zijn. Dan zou [medeverdachte 1] , in zijn woorden, een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) op die persoon richten zodat hij zijn pas zou afstaan. Tot slot zijn de weggenomen goederen van aangever aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest.\n\nBetrokkenheid van de verdachte\n\nDe raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat hij de door de aangever als “verdachte 2” beschreven verdachte is.\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe aangever heeft als volgt verklaard. Op 24 februari 2024 omstreeks 18.00 uur had hij met [medeverdachte 1] afgesproken bij station Laan van Nieuw Oost-Indië in Den Haag om hasj te kopen. Toen de aangever naar de auto liep waar [medeverdachte 1] naast stond, is hij door [medeverdachte 1] op de achterbank van de auto geduwd en werd gelijk het portier dichtgedaan. In de auto zaten (naast de aangever) drie jongens: [medeverdachte 2] (verdachte 3) zat achter het stuur, [medeverdachte 1] (verdachte 1) ging rechts van de aangever op de achterbank zitten, nadat hij de aangever de auto had ingeduwd, en verdachte 2, door de aangever omschreven als een man van 16 jaar oud met een donkere huidskleur en vermoedelijk van Antilliaans of Surinaamse afkomst, zat al in de auto. Tijdens de autorit haalde [medeverdachte 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) uit zijn broeksband en gaf dit aan verdachte 2. Verdachte 2 richtte het vuurwapen meerdere malen op de aangever. [medeverdachte 1] pakte vervolgens de bril van de aangever af. Ook moest de aangever zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten aan [medeverdachte 1] afgeven en zijn (bank)apps openen, terwijl verdachte 2 het vuurwapen tegen zijn hoofd gedrukt hield. Vervolgens moest de aangever - onder dreiging van het vuurwapen - zijn pincode afstaan. Hierna heeft [medeverdachte 1] met de pinpas van de aangever € 450,- gepind. De aangever heeft vervolgens zijn telefoon teruggekregen van [medeverdachte 1] .\n\nDe van de aangever afgepakte bril en de weggenomen pinpas en sleutels zijn op 25 februari 2024 aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres 2] , waar [medeverdachte 1] eerder die dag was geweest. Volgens [medeverdachte 3] waren er die bewuste avond drie jongens in haar woning geweest, onder wie een persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”. Zij beschrijft [bijnaam] als een man jonger dan 18 jaar met een donkere huidskleur en lang rastahaar.\n\nOp de telefoon van [medeverdachte 1] is een Snapchatgesprek van 24 februari 2024 aangetroffen, waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afspreken om iemand met een “p” (de rechtbank begrijpt: een pistool) van zijn geld te beroven. Er werd afgesproken dat [medeverdachte 1] door [medeverdachte 2] zou worden opgehaald op het adres [adres 2] en dat “ [bijnaam] ” ook mee zou komen. De buit zouden zij met zijn drieën verdelen.\n\nOp basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en “ [bijnaam] ” een plan hadden gemaakt om iemand te beroven en dat dit plan ook daadwerkelijk is uitgevoerd.\n\nUit het dossier leidt de rechtbank verder af dat in één van de uitgeluisterde Teliogesprekken van [medeverdachte 1] (gevoerd vanuit de penitentiaire inrichting) het telefoonnummer van “ [bijnaam] ” met [medeverdachte 1] werd gedeeld door een onbekend gebleven persoon. Het telefoonnummer dat in het gesprek werd genoemd is [telefoonnummer] .\n\nUit de verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat er voorafgaand aan het incident op 24 februari 2024 contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer] , oftewel het telefoonnummer van de persoon met de bijnaam “ [bijnaam] ”.\n\nUit het dossier volgt dat de verdachte in de politiesystemen staat geregistreerd als de mogelijke gebruiker van genoemd telefoonnummer. Dit gevoegd bij het feit dat de verdachte past in het signalement dat de aangever van “verdachte 2” en [medeverdachte 3] van “ [bijnaam] ” hebben verstrekt, brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid als gebruiker van genoemd telefoonnummer kan worden aangemerkt.\n\nDe verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 24 februari 2024 thuis was. Uit de onderzochte verkeersgegevens van de telefoon met voormeld telefoonnummer - aldus in gebruik bij de verdachte - blijkt echter dat er op die bewuste dag verplaatsingen hebben plaatsgevonden vanaf de omgeving [straatnaam 1] te Rijswijk naar de omgeving [straatnaam 2] te Den Haag. De politie concludeert op basis hiervan, en de rechtbank volgt die conclusie, dat de verdachte bij het voorval betrokken kan zijn omdat de verplaatsingen binnen de tijdlijn van het incident passen.\n\nDe hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien,\n\ngevoegd bij de omstandigheid dat de verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd die moet leiden tot een andere uitleg van de inhoud van die bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte één van de jongens is geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Er is sprake van een voortgezette handeling.\n\n3.4.2. Dagvaarding 2 (09-219014-25)\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever heeft geschopt, maar dat dit uit zelfverdediging was. De rechtbank ziet in het dossier, waarin zich ook camerabeelden van het incident bevinden, echter geen reden om aan te nemen dat er sprake was van een noodweersituatie waarin de verdachte zichzelf mocht verdedigen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\n3.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\nDagvaarding met parketnummer 09-131355-24\n\n1\n\nhij op 24 februari 2024 te 's-Gravenhage en Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [aangever 1] in de auto te duwen en in te sluiten, en tegen de achterbank te drukken en te beletten dat die [aangever 1] de auto kon verlaten en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de kniete richtenenophet hoofd van die [aangever 1] te zetten;\n\n2\n\nhij op 24 februari 2024 te ‘s-Gravenhage en\u002Fof Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en huissleutels en een pinpas en een pincode en een pakje sigaretten, dieaan die [aangever 1] toebehoorden, door aan die [aangever 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en tegen het hoofd van die [aangever 1] te zetten, en tegen die [aangever 1] te zeggen \"Geef je telefoon, pinpas, huissleutels en sigaretten\" en\u002Fof \"Maak je zakken leeg\", althans woorden van gelijke strekking;\n\n3\n\nhij op 24 februari 2024 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag,\n\ndat aan [aangever 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich\n\nwederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas waartoe hij niet gerechtigd was die te gebruiken.\n\nDagvaarding met parketnummer 09-219014-25\n\nhij op 22 maart 2025 te 's-Gravenhage op de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit\n\n- het duwen en vastpakken van die [aangever 2] waardoor die [aangever 2] op de grond belandde, en\n\n- het tegen de grond houden van die [aangever 2] , en\n\n- het meermaals trappen tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] , en\n\n- het meermaals slaan tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2] .\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De op te leggen straffen\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 76 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangevers.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, gevorderd.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast eventueel een voorwaardelijke jeugddetentie - zonder bijzondere voorwaarden - als stok achter de deur of een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De verdediging heeft zich ten aanzien van de omvang van een eventuele taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feitenDe verdachte heeft zich op 24 februari 2024, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan een wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en gekwalificeerde diefstal. Het slachtoffer is een auto ingeduwd en door de verdachten gedurende enige tijd in die auto vastgehouden. Gedurende de autorit hebben zij een (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp op het slachtoffer gericht en hem gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, pinpas, huissleutels en pakje sigaretten en tot het openen van zijn (bank)apps. Ook hebben zij het slachtoffer onder bedreiging van het (op een) vuurwapen (gelijkend) voorwerp gedwongen om zijn pincode af te staan, waarna zij met de afgeperste pinpas en pincode de bankrekening van het slachtoffer hebben leeggehaald.\n\nDe verdachten hebben met hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid, psychische integriteit en het eigendomsrecht van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. Dit blijkt ook uit de aangifte, waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich gedurende de autorit erg onveilig voelde en in paniek was. Ook in de periode na het incident heeft hij zich angstig en onveilig gevoeld. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent hem dit aan.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich op 22 maart 2025, samen met zijn vader, schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Daarbij hebben zij het slachtoffer onder andere tegen de grond gehouden en hem meermaals tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt. De verdachten hebben met hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het incident heeft bovendien plaatsgevonden op de openbare weg, meer specifiek op de trambaan. Niet alleen waren daardoor omstanders daarvan ongewild getuige, maar ook had dit tot gevaarlijke situaties kunnen leiden. Feiten als deze dragen bij aan gevoelens van angst en onrust in de samenleving.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet eerder is veroordeeld voor feiten soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nPersoon van de verdachte\n\nOver de persoon van de verdachte zijn verschillende rapportages opgemaakt, maar deze zijn niet langer actueel. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, bespreken wat de deskundigen ter zitting over de verdachte naar voren hebben gebracht.\n\nDe deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft naar voren gebracht dat de Raad geen aanvullend onderzoek heeft kunnen doen. De Raad onthoudt zich daarom van een strafadvies en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe deskundige van Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft aangevoerd dat de verdachte goed heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die waren verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis en zich goed aan de afspraken heeft gehouden. De jeugdreclassering blijft bij het eerder uitgebrachte advies dat een jeugdreclasseringsmaatregel niet langer nodig is en dat een werkstraf een passende straf is.\n\nRedelijke termijn\n\nDe redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) is die termijn met 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.\n\nStrafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor diefstal met geweld\u002Fafpersing een taakstraf van 60 uur dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie opgenomen. Bij openlijke geweldpleging tegen personen geldt als uitgangspunt een taakstraf van 40 uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. Als omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting worden onder andere in het bijzonder genoemd; de aard en ernst van het geweld, bedreiging met\u002Fgebruik van een wapen, de plaats van het delict en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Voor een wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd door een minderjarige, bestaan geen oriëntatiepunten. In de regel worden hiervoor forse straffen opgelegd.\n\nIn dit geval weegt de rechtbank ten aanzien van de bij dagvaarding 1 bewezenverklaarde feiten in strafverzwarende zin mee dat sprake is van medeplegen. Ook acht de rechtbank strafverzwarend dat het slachtoffer is bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp).\n\nMet betrekking tot de openlijke geweldpleging acht de rechtbank strafverzwarend dat deze heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan ongewild getuige zijn geweest. Als strafverzwarend weegt de rechtbank verder mee dat de verdachte fors geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt.\n\nIn strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1) sinds 10 juli 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Ook houdt de rechtbank (zoals reeds overwogen) rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en past zij artikel 63 Sr toe.\n\nGezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank\n\n- conform de eis van de officier van justitie - oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 44 dagen) passend en geboden vindt. Een gedeelte daarvan, namelijk 76 dagen, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [aangever 2] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-219014-25 (dagvaarding 2). Anders dan gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank, gezien het tijdsverloop, geen aanleiding om aan de verdachte ook een contactverbod met het slachtoffer [aangever 1] , het slachtoffer in de zaak met parketnummer 09-131355-24 (dagvaarding 1), op te leggen.\n\nIn de aard en ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een\n\ntaakstraf in de vorm van een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte ook nog concrete gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. De rechtbank vindt een werkstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.\n\n7. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel\n\n7.1.. \n [aangever 1] (dagvaarding 1, parketnummer 09-131355-24)\n\n [aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling gevorderd.\n\n7.1.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.1.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen indien de verdachte voor het onder feit 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld.\n\n7.1.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 450,-, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 450,-, bestaande uit materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.\n\nProceskostenveroordeling\n\nNu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 450,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] .\n\nGelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.\n\n7.2.. \n [aangever 2] (dagvaarding 2, parketnummer 09-219014-25)\n\n [aangever 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mevrouw [naam 2] van Slachtofferhulp Nederland, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 676,92, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 91,92 aan materiële schade en € 585,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.\n\n7.2.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.2.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het aandeel van de benadeelde partij in de vechtpartij en het gevorderde bedrag aan immateriële schade om die reden te matigen.\n\n7.2.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 91,92, en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.\n\nImmateriële schade\n\nArtikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval.\n\nBij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de normschending, het letsel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen dat, kort gezegd, bestaat uit pijn aan zijn nek en rug.\n\nDe rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(a) Herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden’ een bedrag tussen de € 1.450,00 tot € 2.675,00 genoemd. Het voorgaande in ogenschouw genomen en gelet op het geringe letsel van de benadeelde partij, zal de rechtbank de vergoeding voor geleden immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 250,-.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van\n\n€ 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.\n\nProceskostenveroordeling\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en\u002Fof proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 341,92, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] .\n\nGelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.\n\n8. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:\n\n 36f, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij:\n\ndagvaarding 1 met parketnummer 09-131355-24 onder feit 1, feit 2 en feit 3;\n\ndagvaarding 2 met parketnummer 09-219014-25;\n\ntenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert deze als:\n\nin de zaak met parketnummer 09-131355-24\n\nde voortgezette handeling van:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nen\n\nafpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nen\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang\n\ntot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;\n\nin de zaak met parketnummer 09-219014-25\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;\n\nverklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nstraffen\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen jeugddetentievoor de duur van120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;\n\nbeveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank begroot op 44 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt, dat een gedeelte van die straf, te weten 76 (ZESENZEVENTIG) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij optwee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nen onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:\n\n1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect en ook niet via sociale media - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008;\n\n veroordeelt de verdachte voorts tot:\n\neen taakstraf, bestaande uit eenwerkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van60 (ZESTIG) UREN;\n\nbeveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN;\n\nde vorderingen van de benadeelde partijen\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1]hoofdelijk toe tot een bedrag van € 450,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag van € 450,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;\n\nbepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;\n\nveroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2]gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 341,92 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag van € 341,92, bestaande uit € 91,92 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;\n\nbepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;\n\nverklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;\n\nde schadevergoedingsmaatregelen\n\nlegt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;\n\nlegt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 341,92, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;\n\nbepaalt de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen;\n\nbepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen door de verdachte of door zijn mededader(s) aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van de verschuldigde bedragen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;\n\nhet bevel tot voorlopige hechtenis\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,\n\nmr. E.E. Schotte, kinderrechter,\n\nen mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,\n\nin tegenwoordigheid van\n\nmr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17352","2026-07-13T00:28:42.366Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":122,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":124,"parsedAt":62,"updatedAt":125},"451","ECLI:NL:GHDHA:2026:549","ecli-nl-ghdha-2026-549","Rolnummer: 22-000022-24\n\nParketnummer: 09-021859-23\n\nDatum uitspraak: 10 april 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,\n\nadres: [adres] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan elf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder bijzondere voorwaarden. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tot slot is een beslissing genomen omtrent de vordering benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 21 mei 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of en een andere feitelijkheid, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer] , te weten\n\n- het (onverhoeds en\u002Fof met kracht) brengen en\u002Fof duwen en\u002Fof houden van zijn penis in de vagina van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) het (heen en weer) bewegen van zijn penis in of uit de vagina van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het (onverhoeds en\u002Fof met kracht) brengen en\u002Fof duwen en\u002Fof houden van zijn vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) het (heen en weer) bewegen van zijn vinger(s) in of uit de vagina van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het (meermalen) betasten van de billen (in de richting van de vagina) van [het slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte:\n\n- op de bovenbenen van [het slachtoffer] zat waardoor [het slachtoffer] geen, althans weinig bewegingsvrijheid had en\u002Fof\n\n- de bovenbenen van [het slachtoffer] vastpakte en\u002Fof\n\n- doorging met voornoemde handelingen, terwijl [het slachtoffer] (meerdere malen) had aangegeven dat zij dit niet wilde en\u002Fof\n\n- ( meermalen) voorbij is gegaan aan de verbale en\u002Fof non-verbale signalen van verzet\u002Fweerstand van [het slachtoffer] .\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf door de duur van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk met proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de aangeefster, gevorderd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op of omstreeks21 mei 2020 te 's-Gravenhage,althans in Nederland,door geweldof een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of eneen andere feitelijkheid, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan vaneen of meerhandelingen diebestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer] , te weten\n\n- het (onverhoeds en\u002Fof met kracht) brengen en\u002Fof duwen en\u002Fofhouden van zijn penis in de vagina van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) het (heen en weer) bewegen van zijn penis in of uit de vagina van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het (onverhoeds en\u002Fof met kracht) brengen en\u002Fof duwen en\u002Fofhouden van zijn vinger(s)in de vaginaen\u002Fof tussen de schaamlippenvan [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) het (heen en weer)bewegen van zijn vinger(s)in of uit de vagina van [het slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het (meermalen) betasten van de billen (in de richting van de vagina) van [het slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeneen andere feitelijkheid hierin dat verdachte:\n\n- op de bovenbenen van [het slachtoffer] zat waardoor [het slachtoffer] geen, althans weinig bewegingsvrijheid had en\u002Fof\n\n- de bovenbenen van [het slachtoffer] vastpakte en\u002Fof\n\n- doorging met voornoemde handelingen, terwijl [het slachtoffer] (meerdere malen)had aangegeven dat zij dit niet wilde en\u002Fof\n\n- (meermalen)voorbij is gegaan aan de verbale en\u002Fofnon-verbale signalen van verzet\u002Fweerstand van [het slachtoffer] .\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nNadere bewijsoverweging\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit, en hiertoe aangevoerd dat er seks heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [het slachtoffer] , maar dat daarbij geen sprake is geweest van dwang.\n\nJuridisch kader\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet zo’n verklaring voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Die steun hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging, maar de tenlastelegging in haar geheel moet die steun krijgen. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.\n\nBetrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster\n\n [het slachtoffer] heeft op 28 februari 2022 aangifte gedaan tegen de verdachte wegens verkrachting. Aan deze aangifte ging een informatief gesprek met de zedenpolitie vooraf. Zowel tijdens dit gesprek als in haar aangifte heeft de aangeefster gedetailleerd verklaard over wat er volgens haar is voorgevallen. Zij heeft beschreven hoe zij en de verdachte bij haar thuis kwamen na een dag aan het strand, dat de verdachte seksuele toenadering zocht en dat zij aangaf geen seks te willen omdat zij pijn had vanwege haar verbrande huid. Nadat de verdachte aanbood haar rug in te smeren met aftersun kwamen zij op haar bed terecht, waar zij op haar buik ging liggen terwijl de verdachte op haar bovenbenen zat. De verdachte begon haar in te smeren en kwam steeds dichter bij haar vagina. Hij gebruikte de aftersun als een soort glijmiddel. De aangeefster probeerde de verdachte weg te duwen, maar hij heeft haar desondanks met zijn vinger en penis gepenetreerd. Zij gaf nogmaals aan dat zij dat niet wilde en probeerde hem weg te duwen, maar dat lukte haar niet. Op enig moment wist zij zich om te draaien zodat zij op haar rug kwam te liggen. De verdachte pakte haar benen en penetreerde haar nogmaals. Hij kwam klaar en stopte, waarna zij moest huilen.\n\nAldus heeft de aangeefster gedetailleerd verklaard over de volgens haar door de verdachte verrichte seksuele handelingen en de concrete toedracht. Haar verklaringen, te weten de aangifte en het voorafgaande informatieve gesprek, zijn ook consistent. Daarnaast heeft zij kort na de betreffende dag in grote lijnen hetzelfde verklaard tegenover een vriendin en de moeder van die vriendin, de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Ook blijkt uit de informatie in het dossier dat de aangeefster psychologische hulp heeft gezocht en dat hetgeen zij aan haar behandelaar heeft verteld over het gebeurde, overeenkomt met wat zij tegenover de politie heeft verklaard en tegenover de genoemde [getuige 1] en [getuige 2] .\n\nGelet hierop ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Voor zover de verdachte heeft gesuggereerd dat de aangeefster een valse aangifte heeft gedaan uit wraak nadat hij was vreemdgegaan en hun relatie was geëindigd, acht het hof dit op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het hof neemt daartoe mede in aanmerking dat de aangeefster al kort na het gebeurde daarover heeft verklaard tegenover [getuige 1] en [getuige 2] , op een moment dat de verdachte nog niet was vreemdgegaan en hun relatie nog niet was geëindigd.\n\nSteunbewijs\n\nDe verklaring van de aangeefster vindt in belangrijke mate steun in de verklaring van de verdachte zelf. Hoewel de verdachte heeft ontkend dat hij seks heeft gehad met de aangeefster tegen haar wil, komt zijn verklaring op relevante onderdelen overeen met de verklaringen van de aangeefster. Net als de aangeefster heeft de verdachte verklaard dat zij na een dag aan het strand samen naar het huis van de aangeefster gingen, dat de aangeefster door de zon verbrand was, dat hij heeft aangeboden haar rug in te smeren met aftersun, dat zij op haar buik op het bed ging liggen en dat hij op haar bovenbenen ging zitten om haar rug in te smeren. Eveneens net als de aangeefster heeft de verdachte verklaard dat het glibberig was door de aftersun, dat hij de aangeefster van achteren vaginaal heeft gepenetreerd met zijn vinger en daarna zijn penis en dat de aangeefster na afloop van de seks huilde. Daarmee geeft de verklaring van de verdachte naar het oordeel van het hof niet alleen steun aan de seksuele handelingen waarover de aangeefster heeft verklaard, maar ook aan de concrete omstandigheden waaronder die volgens haar hebben plaatsgevonden. Dat de aangeefster na afloop van de seks huilde vanwege de pijn van haar verbrande huid, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesuggereerd, acht het hof onaannemelijk. Eerder had zij daarom niet gehuild, terwijl de verdachte haar bovendien had ingesmeerd met aftersun, die een verkoelende werking heeft.\n\nSteun voor de verklaring van de aangeefster biedt ook de (transcriptie van de) heimelijke geluidsopname die de aangeefster heeft gemaakt van een gesprek tussen haar en de verdachte. In dat gesprek antwoordt de verdachte op de vraag van de aangeefster waarom hij zonder toestemming zijn penis in haar vagina heeft gebracht: “ik neem aan dat ik niet dacht, ik dacht niet aan mijn actie”. Op de vraag van de aangeefster of hij wel weet dat hij haar heeft verkracht, reageert de verdachte met “ja”. Het hof ziet hierin een bevestiging dat de verdachte tegen de wil van de aangeefster seksuele handelingen heeft verricht bij haar. De later afgelegde verklaring van de verdachte dat hij op deze wijze heeft geantwoord omdat hij nog verliefd was op de aangeefster, het contact wilde voortzetten en daarom heeft gezegd wat hij dacht dat zij wilde horen, acht het hof niet geloofwaardig. Niet valt in te zien dat de verdachte in strijd met de waarheid een zodanig ernstig verwijt zou toegeven.\n\nVoor de verklaring van de aangeefster kan tot slot steun worden gevonden in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , voor zover zij hebben verklaard over de emotionele toestand van de aangeefster toen deze aan hen, kort na de gebeurtenissen op 21 mei 2020, vertelde over de verkrachting. Zij hebben verklaard dat de aangeefster van streek dan wel in tranen was.\n\nHet hof concludeert dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.\n\nDwang\n\nUit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte, terwijl de aangeefster op haar buik lag en hij op haar bovenbenen zat, onverhoeds zijn vinger in haar vagina heeft gebracht. Hoewel de aangeefster aangaf dit niet te willen en zijn hand wegduwde, heeft de verdachte daarna onverhoeds zijn penis in haar vagina gebracht. De aangeefster probeerde de verdachte daarop weg te duwen, maar dit lukte haar niet. Toen de aangeefster zich wist om te draaien en probeerde weg te komen, heeft de verdachte haar benen vastgepakt en haar opnieuw gepenetreerd. Aldus heeft de verdachte de aangeefster in een door hem gecreëerde situatie gebracht waarin zij zich niet kon verzetten tegen de seksuele handelingen en zij deze dus – tegen haar wil – heeft moeten ondergaan. De verdachte is daarbij voorbijgegaan aan voor hem duidelijk kenbare verbale en non-verbale signalen van de aangeefster dat zij de seksuele handelingen niet wilde. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte de aangeefster door geweld en een andere feitelijkheid heeft gedwongen deze seksuele handelingen te dulden.\n\nConclusie\n\nHet hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nverkrachting.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zijn toenmalige vriendin verkracht. Na een dag op het strand zijn zij samen naar haar woning gegaan. Toen de verdachte in de badkamer toenadering zocht, heeft het slachtoffer kenbaar gemaakt geen seks te willen, omdat zij pijn had aan haar door de zon verbrande lichaam. De verdachte bood daarop aan haar rug in te smeren met aftersun. Nadat het slachtoffer op haar buik op het bed was gaan liggen, is de verdachte op haar bovenbenen gaan zitten. Tijdens het insmeren heeft hij zijn handen geleidelijk richting haar vagina bewogen en is hij eerst met zijn vinger en vervolgens met zijn penis haar vagina binnengedrongen, terwijl het slachtoffer meermalen aangaf dit niet te willen. Door aldus te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook heeft hij op grove wijze het vertrouwen beschaamd dat het slachtoffer in hem als haar partner stelde, nota bene in haar eigen woning. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en uitsluitend zijn eigen bevrediging voorop heeft gesteld.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven langdurige psychische schade (kunnen) ondervinden. Dat is in dit geval niet anders geweest, zo blijkt uit de slachtofferverklaring en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Daaruit komt naar voren dat het slachtoffer als gevolg van de verkrachting behandelingen heeft ondergaan en nog steeds ondergaat bij een psycholoog.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van die straf aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting met betrekking tot overtreding van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opgenomen. Het hof acht dat ook in deze zaak in beginsel een passende straf. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven het hof geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de verdachte na de verkrachting zelf heeft gehuild, acht het hof – anders dan de rechtbank – geen strafmatigende omstandigheid. Dat huilen doet immers op geen enkele wijze af aan de ernst van het feit en de impact die het feit heeft gehad op het slachtoffer. Evenmin kan uit dat huilen worden afgeleid dat de verdachte het laakbare van zijn handelen heeft ingezien; integendeel, hij heeft het feit ontkend en aldus geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Een kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit.\n\nAls strafmatigend neemt het hof wel in aanmerking dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden in de fase van het hoger beroep. De verdachte is op 29 december 2023 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank, terwijl het dossier bij het hof is binnengekomen op 6 maart 2025 en dit arrest wordt gewezen op 10 april 2026. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van twee jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim drie maanden en de inzendtermijn is met ruim zes maanden overschreden.\n\nHet hof zal daarom – in plaats van de hiervoor genoemde gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden opleggen als passend en geboden. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet het hof geen aanleiding.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.\n\nAnders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Inmiddels zijn bijna zes jaren verstreken sinds het bewezenverklaarde. Niet is gebleken dat recent nog sprake is geweest van enig contact of een poging daartoe tussen de verdachte en het slachtoffer.\n\nVordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 70.239,47.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDit bedrag bestaat uit € 60.239,47 aan materiële schade, opgebouwd uit de volgende schadeposten:\n\na. studievertraging: € 54.503,75;\n\nb. wettelijk collegegeld: € 5.269,92;\n\nc. reiskosten in verband met de psychologische zorg: € 374,80;\n\nd. factuur voor het opvragen van de medische gegevens bij [psychiaterpraktijk] : € 91.\n\nDe rest van de vordering bestaat uit € 10.000,- aan immateriële schade.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft verzocht om ten aanzien van de materiële schade de schadepost c niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de schadeposten a, b, d en de immateriële schade heeft de advocaat-generaal verzocht om deze toe te wijzen vermeerderd met de rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht van de materiële schade de schadepost c af te wijzen bij gebreke van voldoende onderbouwing en schadeposten a en b niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat een causaal verband tussen de gebeurtenissen op 21 mei 2020 en de klachten die hebben geleid tot studievertraging niet eenvoudig kan worden vastgesteld, nu daarvoor ook andere mogelijke oorzaken zijn aan te wijzen. Voorts heeft de raadsman verzocht de immateriële schade te matigen tot € 5.000,-, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal.\n\nHet oordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nGelet op hetgeen door de raadsman ter betwisting tegen de vordering is aangevoerd, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de gestelde studievertraging waarvoor onder de posten a en b schadevergoeding is gevorderd in voldoende causaal verband staat tot het bewezenverklaarde feit. Het overweegt daartoe als volgt.\n\nUit de zich in het dossier bevindende stukken van een psycholoog verbonden aan [psychologenpraktijk] en van een psychiater en een psycholoog verbonden aan [psychiaterpraktijk] blijkt dat de benadeelde partij psychische klachten heeft, dat zij is gediagnostiseerd met PTSS en dat langdurige traumabehandeling is aangewezen. De verkrachting komt in deze stukken naar voren als een van de oorzaken van de psychische problemen. Ook blijkt dat de benadeelde partij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van haar psychische klachten. Het hof is dan ook van oordeel dat enig causaal verband tussen de verkrachting en de studievertraging kan worden vastgesteld. Echter, uit de informatie van de behandelaars blijkt ook dat de benadeelde partij te kampen heeft met meerdere andere traumatische gebeurtenissen, zowel in haar jeugd als in haar verdere leven, die het beloop van haar psychische klachten negatief hebben beïnvloed. Gelet daarop kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden vastgesteld dat de verkrachting de enige oorzaak van de studievertraging is. Ook de andere traumatische gebeurtenissen lijken een rol te hebben gespeeld. Omdat het hof van oordeel is dat de verkrachting wel degelijk een belangrijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de psychische klachten en dus een mede-oorzaak is geweest van de studievertraging, zal het hof de geleden materiële schade schattenderwijs vaststellen op € 15.000,-. In het overig gevorderde bedrag zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu nader onderzoek naar de gegrondheid daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Indien de aangeefster vergoeding van dit overige bedrag wil, dient zij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.\n\nHet hof zal de benadeelde partij in schadepost c niet-ontvankelijk verklaren, nu door de verdediging is betwist dat deze kosten zijn gemaakt en deze niet zijn onderbouwd met stukken.\n\n Tot slot wijst het hof schadepost d toe, nu deze niet is betwist door de verdediging.\n\nVoorgaande betekent dat de gevorderde materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 15.091,-. Wat betreft de gevorderde wettelijke rente heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat deze pas zou moeten toegewezen vanaf het ontstaan van de schade. De benadeelde partij heeft geen datum genoemd. Aangezien de schadepost collegegeld gedurende een periode is ontstaan en de schadepost studievertraging bestaat uit toekomstige schade (als gevolg van het later actief worden op de arbeidsmarkt), is niet nauwkeurig een datum aan te wijzen waarop de schade is ontstaan. Het hof zal daarom de wettelijke rente over het bedrag van € 15.000,- toewijzen vanaf de datum van het indienen van de vordering in eerste aanleg, zijnde 22 november 2023. Over het bedrag van € 91,- zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 20 september 2023, zijnde 14 dagen na de factuurdatum.\n\nImmateriële schade\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. Zij heeft immers te kampen met psychische klachten, die in belangrijke mate het gevolg zijn van het bewezenverklaarde. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarbij gekeken naar het bedrag dat wordt genoemd onder ‘15.1.c Seksuele misdrijven’, te weten een bedrag tussen de € 2.500 en de € 7.500. In deze categorie gaat het doorgaans om een eenmalige verkrachting in de situatie dat de dader en de benadeelde een relatie hadden. Naar het oordeel van het hof leent de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nHet hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nConclusie\n\nHet hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 21.091,-, bestaande uit € 15.091,- aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 21.091,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de data en bedragen zoals hiervoor genoemd, ten behoeve van [het slachtoffer] .\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (éénentwintig) maanden.\n\nVordering van [de benadeelde partij]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 21.091,00 (éénentwintigduizend éénennegentig euro) bestaande uit € 15.091,00 (vijftienduizend éénennegentig euro) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 21.091,00 (éénentwintigduizend éénennegentig euro) bestaande uit € 15.091,00 (vijftienduizend éénennegentig euro) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 128 (honderdachtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade over een bedrag van € 15.000,- op 22 november 2023 en over een bedrag van € 91,- op 20 september 2023.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2020.\n\nDit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffiers mr. T. Kherad en mr. I.L. Vollering.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:549","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.984Z",20]