[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-youth-care-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":58,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},62,"youth-care-nl","Youth Care","NL","2026-07-08T16:54:05.600Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-05-26T00:00:00.000Z","2026-05-29T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,50],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1936","ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","ecli-nl-rbdha-2026-17504","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F706017 \u002F JE RK 26-926\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\nhierna tezamen ook te noemen: de kinderen.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nStichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Op 29 mei 2026 heeft mr. S. van der Harg, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht wordt gesteld van de gecertificeerde instelling tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde gecertificeerde instelling gemachtigd is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 mei 2026 om 17:00 uur;\n\nde behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet mondelinge verzoek van de Raad op 29 mei 2026;\n\nhet schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.2.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daartoe overweegt de kinderrechter dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen. De kinderen zijn gisteren (28 mei 2026) van huis weggelopen en naar de basisschool van [minderjarige 2] gegaan, waarna ze hebben aangegeven zich thuis niet veilig te voelen. De kinderen zijn vervolgens op het politiebureau gesproken door medewerkers van Veilig Thuis en het Crisis Interventie Team (CIT). Beide kinderen hebben aangegeven mishandeld en bedreigd (onder andere met de dood) te worden door de vader. Zij durven niet terug naar huis (bij de moeder), omdat zij zich ook onveilig voelen in het netwerk. De vader zit op dit moment vast voor verhoor vanwege een aangifte van mishandeling door de meerderjarige zus van de kinderen. Gelet op de forse zorgen die er zijn over de veiligheid van de kinderen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat er met spoed een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Ook is een langere uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk, zodat goed kan worden onderzocht hoe de opvoedsituatie van de kinderen eruit ziet en wat er nodig is om de kinderen veilig terug te laten keren naar huis. De kinderrechter zal het spoedverzoek daarom toewijzen.4.3.. De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n4.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;\n\n5.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 mei 2026 tot 12 juni 2026;5.3.. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. \n\nhoudt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van\n\n8 juni 2026om09.00 uur;\n\n5.5.. gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:\n\nde Raad;\n\nde moeder en de aan haar toe te wijzen advocaat;\n\nde vader;\n\nde gecertificeerde instelling;\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17504","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:46.301Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"604","ECLI:NL:RBDHA:2026:17468","ecli-nl-rbdha-2026-17468","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F704951 \u002F JE RK 26-804\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats\n\nin de zaak van\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de pleegoma],\n\nhierna te noemen: de pleegoma,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door een tolk in de Hongaarse taal;\n\n- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n- de pleegoma.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De gecertificeerde instelling verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft bij haar pleegoma en haar twee zusjes verblijven in een gezinshuis. [minderjarige] heeft al langer de wens om bij haar zusjes te wonen. De afgelopen periode is met alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma als de jeugdbeschermer, besloten dat dit ook in het belang is van [minderjarige] . Voor de gecertificeerde instelling weegt het belang van family life en de situatie dat de zussen samen kunnen opgroeien zwaar. Dit is essentieel voor de identiteitsontwikkeling van een kind, het gevoel van verbondenheid en emotionele stabiliteit. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat zij zich eenzaam voelt bij pleegoma. De gezinshuisouders (en de betrokken gedragswetenschapper) hebben realistisch zicht op de risico’s die de overplaatsing met zich meebrengt. Dit risico ligt met name in de verzorgende rol die [minderjarige] op zich kan nemen ten opzichte van haar zusjes – zij heeft eerder parentificatie laten zien – en de verandering in de gezinsdynamiek in het gezinshuis. Het is daarom belangrijk dat de overplaatsing plaatsvindt met een duidelijke opbouw, met intensieve begeleiding en duidelijk afspraken over de rollen, grenzen en verwachtingen. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat de afgelopen periode de opbouw boven verwachting goed is verlopen. Verder is het van belang dat de pleegoma, nu zij een belangrijk hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , een structurele rol blijft behouden in het leven van [minderjarige] door vaste contactmomenten en logeerweekenden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De vader kan instemmen met de wijziging van het verblijf. Hij vindt het heel fijn dat de drie kinderen samen gaan verblijven in één huis.\n\n4.2.. De pleegoma heeft naar voren gebracht dat zij kan instemmen met het verzoek. Het belangrijkste voor de pleegoma is dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij op de plek is, waar zij het allerliefste is. De afgelopen periode heeft [minderjarige] al veel in het gezinshuis verbleven en op dit moment is er ongeveer een 50\u002F50 verdeling tussen het gezinshuis en de pleegoma. Als [minderjarige] in het gezinshuis verblijft, zal zij wel nog één keer in de drie weken een weekend naar de pleegoma toe gaan, als de gezinshuisouders hun ‘vrije weekend’ hebben. Daarnaast is [minderjarige] altijd welkom om langs te komen.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegoma wordt opgevoed en verzorgd, waardoor er op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek toestemming van de kinderrechter vereist is om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen.\n\n5.2.. Uit de toelichting op het verzoek en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat het de bedoeling is dat [minderjarige] niet langer bij de pleegoma zal wonen, maar in het gezinshuis, waar ook haar twee zusjes wonen, zal gaan verblijven. Hoewel dit niet met zoveel woorden door de gecertificeerde instelling is verzocht, zal de kinderrechter, nu er sprake is van een andere categorie machtiging, het verzoek zo opvatten dat tegelijkertijd wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening.\n\n5.3.. De kinderrechter zal toestemming geven voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en zal in het verlengde daarvan een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor een gezinsgerichte voorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.4.. \n [minderjarige] heeft tegen zowel de pleegoma als de jeugdbeschermer de wens geuit dat zij graag bij haar zusjes wil wonen en opgroeien. Dit heeft zij ook aan de kinderrechter verteld. Uit de stukken volgt dat de pleegoma ziet dat [minderjarige] zich eenzaam voelt en moeite heeft met aansluiting bij haar leeftijdsgenoten. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] haar ontwikkeling is dat zij in het gezinshuis gaat verblijven. De zusjes hebben bij een uithuisplaatsing recht op family life en dienen in principe samen geplaatst te worden, tenzij er sterke contra-indicaties zijn voor het samen plaatsen van de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat deze contra-indicaties bij [minderjarige] niet aan de orde zijn. Net als de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van mening dat de overplaatsing kan bijdragen aan de identiteits- en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast hebben alle betrokkenen, zowel de gezinshuisouders, de pleegoma en de gecertificeerde instelling dezelfde (positieve) visie over de overplaatsing en erkennen zij ook de risico’s die dit met zich meebrengt. Het is goed om te horen dat de gefaseerde opbouw naar het gezinshuis tot nu toe positief (en zelfs boven verwachting) verloopt. De kinderrechter heeft er voldoende vertrouwen in dat alle betrokken partijen steeds zorgvuldig blijven monitoren wat er nodig is voor [minderjarige] , of haar zusjes, om de plaatsing in goede banen te leiden. Daarbij is het ook zeer helpend dat het contact tussen de gezinshuisouders en de pleegoma goed is en er korte lijntjes zijn tussen hen. Verder heeft de overplaatsing geen dusdanige invloed op het contact tussen [minderjarige] en de vader en heeft de vader uitdrukkelijk aangegeven achter het samen plaatsen van de kinderen te staan. Ter zitting heeft de kinderrechter de vader nog wel op het hart gedrukt dat het ontzettend belangrijk is – zoals zij ook in de vorige beschikking heeft opgeschreven – dat hij de bezoekafspraken met [minderjarige] nakomt. [minderjarige] heeft de kinderrechter namelijk verteld dat zij er veel last van heeft als de vader zijn afspraken afzegt. De kinderrechter doet hierom nogmaals een uitdrukkelijk beroep op de vader om de bezoekafspraken na te komen. Ten slotte is het positief, nu de pleegoma een stabiel hechtingsfiguur is voor [minderjarige] , dat de pleegoma ook na de overplaatsing nog structureel betrokken blijft in het leven van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is kinderrechter van oordeel dat de overplaatsing het meest in het belang van [minderjarige] is.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een gezinsgerichte voorziening;\n\n6.2.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 28 mei 2026 tot 9 oktober 2026, zijnde het einde van de ondertoezichtstelling.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17468","2026-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.913Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"619","ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","ecli-nl-rbdha-2026-15461","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705617 \u002F JE RK 26-883\n\nDatum uitspraak: 28 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nRaad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [de minderjarige] ,\n\nadvocaat mr. mr. J. Looman uit Wassenaar.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder 1] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 1] ,\n\nen\n\n [de moeder 2] ,\n\nhierna te noemen: [de moeder 2] ,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna ook tezamen te noemen: de ouders.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 4 juni 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 21 mei 2026 en de hierin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 28 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [de minderjarige] met haar advocaat;\n\n- de ouders;\n\n- [naam 1] , namens de Raad;\n\n [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;\n\nde ambulante opvoedondersteuner van Impegno, [naam 3] , als toehoorder.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van haar advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De kinderrechter heeft op verzoek van [de minderjarige] de inhoud van het gesprek vertrouwelijk gehouden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de minderjarige] verblijft bij [instelling] .\n\n2.2.. De kinderrechter verwijst voor een weergave van de overige feiten naar de beschikking van 21 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de resterende duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.\n\n3.2.. Er zijn al langere tijd grote zorgen bestaan over de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] . [de minderjarige] vertoont fors zelfbepalend gedrag, loopt veelvuldig weg, houdt zich niet aan de afspraken en accepteert geen grenzen. Daarnaast zijn er signalen dat [de minderjarige] contacten heeft met meerderjarige mannen waarmee zij seksuele handelingen zou verrichten in ruil voor wiet en vapes en zijn er signalen dat zij zichzelf beschadigt. Aangezien de thuissituatie niet langer houdbaar was, verblijft [de minderjarige] sinds oktober 2025 bij Ipse de Bruggen. Bij Ipse de Bruggen, waar [de minderjarige] voorheen verbleef, zijn de zorgen de afgelopen periode echter steeds verder toegenomen. [de minderjarige] loopt ’s nachts steeds vaker weg en is dan nachten achtereen weg. Op die momenten is het onduidelijk met wie en waar zij is. [de minderjarige] brengt zichzelf in gevaarlijke en risicovolle situaties en zij lijkt vaker onder invloed te zijn van drugs en\u002Fof alcohol. Ook zijn er signalen dat in haar omgeving cocaïne wordt gebruikt. Er zijn tevens ernstige zorgen over haar sociale netwerk. [de minderjarige] en haar vriendje zouden samen een scooter hebben gestolen en zich hierop verplaatsen zonder helm en zonder rijbewijs. Ook zijn er zorgen dat [de minderjarige] beelden van zichzelf deelt op sociale media waarop zij seksuele handelingen uitvoert. Bij [de minderjarige] ontbreekt het aan probleeminzicht en zij is niet aanspreekbaar op haar gedrag. Hiernaast gaat zij ook niet meer naar school. De ouders zijn op dit moment wel bereid, maar niet, althans onvoldoende, in staat om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Ook op de open groep lukt het niet meer om [de minderjarige] te begrenzen in haar gedrag en haar veiligheid voldoende te waarborgen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is nodig om zicht te houden op de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] , regie te voeren over de (in te zetten) hulpverlening voor [de minderjarige] en de ouders te ondersteunen bij de beslissingen die genomen moeten worden in [de minderjarige] haar belang. Daarnaast is een gesloten plaatsing noodzakelijk omdat dit op dit moment de enige manier is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en [de minderjarige] tot rust te laten komen en te stabiliseren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De advocaat van [de minderjarige] heeft naar voren gebracht dat hij de zorgen begrijpt. Beide moeders zijn erg betrokken en [de minderjarige] is een lief meisje en het is van belang dat zij weer rust en stabiliteit krijgen zodat een passend hulpverleningstraject kan worden gestart, om uiteindelijk weer tot de situatie te komen dat [de minderjarige] terug naar huis kan. Wel is het zorgelijk dat er zorgen worden uitgesproken over het rondgaan van filmpjes van [de minderjarige] waarop zij seksuele handelingen zou verrichten en dat [de minderjarige] mogelijk met meerderjarige mannen zou omgaan, terwijl er geen duidelijke bron voor deze zorgen in het rapport wordt vermeld en dat deze ook niet ter zitting kan worden genoemd. Dit is temeer vervelend omdat [de minderjarige] ontkent dat hier sprake van is.\n\n4.2.. De ouders hebben ingestemd met het verzoek. Zij maken zich zorgen om [de minderjarige] en hopen dat zij snel de hulp krijgt die zij nodig heeft.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.2.. De kinderrechter overweegt daartoe dat er al lange tijd ernstige zorgen zijn over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] , en dat deze in de afgelopen periode zelfs fors zijn toegenomen. [de minderjarige] gaat niet naar school, loopt weg en is soms nachten lang weg waarbij onduidelijk is met wie en waar zij is. Ook gebruikt zij middelen en alcohol. Hoewel [de minderjarige] ontkent dat er sprake zou zijn van (seksueel) contact met meerderjarige mannen en filmpjes hiervan, lijken er in ieder geval sprake te zijn van situaties waar [de minderjarige] haar veiligheid en ontwikkeling in gevaar komen en waarvan het noodzakelijk is dat er meer zicht op komt en onderzoek naar gedaan wordt. De kinderrechter ziet dat de ouders liefdevol en betrokken zijn, maar dat de band tussen hen en [de minderjarige] verstoord is, en gunt het hen dat zij weer als gezin liefdevol contact kunnen hebben om zo toe te werken naar een veilige thuisplaatsing. Tot die tijd is het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken blijft en de noodzakelijke hulpverlening inzet voor [de minderjarige] . De komende periode is de gesloten plaatsing noodzakelijk met als doel de veiligheid te waarborgen, stabiliteit te creëren en passende behandeling mogelijk te maken.\n\n5.3.. Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de resterende duur van drie maanden en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juni 2026 tot 21 augustus 2026;\n\n6.3.. verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15461","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.559Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":31,"updatedAt":57},"1700","ECLI:NL:RBDHA:2026:17298","ecli-nl-rbdha-2026-17298","RECHTBANK DEN HAAG\n\nJeugd- en Zorgrecht\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705130 \u002F JE RK 26-831\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\n'sGravenhage,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. C.M. Emeis uit Den Haag.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden Haaglanden,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 13 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.\n\n1.2.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;\n\n- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 25 mei 2026.\n\n1.3.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- [minderjarige] met haar advocaat;\n\n- [naam 1] namens de Raad;\n\n [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;\n\neen pedagogisch medewerker vanuit [zorginstelling] is door de kinderrechter aangemerkt als informant.\n\nDe vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast zij wel juist zijn opgeroepen.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover - in het bijzijn van haar advocaat en de pedagogisch medewerker - een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .\n\n2.2.. Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 13 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Sinds november 2025 onttrekt zij zich structureel aan toezicht vanuit haar ouders, school, hulpverlening en verblijfslocaties en laat zij zich onvoldoende begrenzen. [minderjarige] liep herhaaldelijk langdurig weg en geeft geen openheid over waar zij verbleef of met wie zij was. [minderjarige] is door de politie aangetroffen met een mes op zak. Er is een reëel risico dat [minderjarige] wordt beïnvloed, ingezet of uitgebuit door anderen. Zij is betrapt bij winkeldiefstallen en brandstichting en heeft zelf aangegeven drugs te hebben gedeald. [minderjarige] gaat al langere tijd niet naar school, onder meer doordat zij niet meer welkom is na meerdere dreigincidenten. Zij heeft geen passende dagbesteding en geen stabiel dag- en nachtritme. Er zijn zorgen over het eetgedrag, zelfbeeld, de emotieregulatie en het probleeminzicht van [minderjarige] . [minderjarige] doet suïcidale uitspraken en heeft aangegeven thuis mishandeld te worden, wat de vader en de moeder ontkennen. De moeder lijkt handelingsverlegen en onvoldoende in staat te zijn om [minderjarige] te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. Binnen het vrijwillig kader is er veel hulpverlening ingezet. Eerdere plaatsingen binnen het open kader hebben onvoldoende veiligheid geboden, omdat [minderjarige] daar weg is gelopen. Een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp is noodzakelijk om [minderjarige] in een veilige en beschermde setting tot rust te laten komen en te stabiliseren. Daarnaast moet onderzocht worden waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt en welke hulpverlening passend is zodat er toegewerkt kan worden naar een open setting. Het is belangrijk dat [minderjarige] open is over wat zij heeft meegemaakt en hulpverlening aanvaardt. Daarna kan er mogelijk gewerkt worden aan de relatie tussen [minderjarige] en haar ouders.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Door en namens [minderjarige] is ingestemd met de voorlopige ondertoezichtstelling. Zij vindt het goed dat er een jeugdbeschermer uitzoekt welke hulp zij nodig heeft en wat er ingezet kan worden. Namens [minderjarige] heeft de advocaat zich met betrekking tot de gesloten machtiging gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. [minderjarige] wil niet thuis wonen, maar begrijpt niet waarom zij gelijk gesloten geplaatst moet worden. Het gaat goed met haar en [minderjarige] gaat op [zorginstelling] elke dag naar school. Zij wil naar een open plek die goed bij haar past en [minderjarige] zal hier elke dag naar school gaan. [minderjarige] liep weg, omdat zij overdag niet naar school kon en thuis probleem had met haar ouders. [minderjarige] denkt dat een gesloten plaatsing averechts werkt, omdat zij geïrriteerd wordt als zij te weinig naar buiten kan om haar energie kwijt te raken. De advocaat heeft aangevuld dat als aan [minderjarige] te veel regels worden opgelegd en haar vrijheid te veel wordt beperkt, dit escalerend werkt.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Er zijn zorgen over [minderjarige] op meerdere leefgebieden. Zo zijn er zorgen over haar wegloopgedrag, het netwerk van [minderjarige] en de risicovolle situaties waarin zij terecht komt. Daarnaast heeft [minderjarige] zorgelijke uitspraken gedaan over suïcide en wat zij heeft meegemaakt in de thuissituatie. Het is noodzakelijk dat er nader onderzocht wat er in de thuissituatie van [minderjarige] en tijdens de periodes dat zij weg is gelopen is gebeurd. Daarnaast is het noodzakelijk dat er met [minderjarige] wordt gesproken over waar haar gedrag vandaan komt en welke hulpverlening passend voor haar kan zijn. Het is positief dat [minderjarige] heeft aangegeven hulpverlening te willen en dagelijks weer naar school zou willen gaan. Het is noodzakelijk dat er de komende periode een jeugdbeschermer betrokken is die een band met [minderjarige] op kan bouwen, goed naar haar kan luisteren, en onderzoekt welke hulpverlening passend is.\n\n5.3.. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.\n\n5.4.. De vader en de moeder van [minderjarige] zijn momenteel niet in staat om haar te begrenzen en haar veiligheid te waarborgen. In het vrijwillig kader heeft [minderjarige] meermaals op open groepen verbleven, maar is zij hier steeds weggelopen. Er zijn grote zorgen over waar en met wie [minderjarige] dan is en in welke onveilige situaties zij zich begeeft. Hoewel [minderjarige] zelf aangeeft dat zij er altijd voor zorgt dat zij niet in onveilige situaties terecht komt, overziet zij de risico’s onvoldoende. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] binnen het gesloten kader veilig is en kan stabiliseren. Het is belangrijk dat zij hier passende ondersteuning, begeleiding en dagbesteding heeft. Het van belang dat [minderjarige] open is naar de jeugdbeschermer en de hulpverleners en dat zij laat zien dat zij zich aan de regels van de groep kan houden. [minderjarige] kan dan verdere vrijheden opbouwen en laten zien dat zij met verantwoordelijkheid om kan gaan zodat er toegewerkt kan worden naar een passende vervolgplek,\n\n5.5.. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 13 augustus 2026. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 13 augustus 2026.5.6.. De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026;\n\n6.2.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 mei 2026 tot 13 augustus 2026.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:257 BW.\n\n Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17298","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.254Z",1,20]