[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-dordrecht-violent-crime-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":47,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},59,"Dordrecht","nl","dordrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-02T00:00:00.000Z","2026-04-16T00:00:00.000Z",[],[22,33,40],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1379","ECLI:NL:RBROT:2026:7864","ecli-nl-rbrot-2026-7864","","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F087549-25\n\nDatum uitspraak: 16 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. G.A.J. Purperhart\n\nOfficier van justitie: mr. H.H. Balk\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.V. van Blitterswijk\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een mishandeling. De volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nPrimair:\n\nhij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en\u002Fof traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht door\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen en\u002Fof te slaan\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan een ander, te weten [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof geschopt,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nmeer subsidiair\n\nhij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen en\u002Fof te slaan,\n\nterwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle varianten van het ten laste gelegde feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik het slachtoffer heb geslagen en geschopt. Het slachtoffer kwam daardoor ten val. Het klopt ook dat ik het slachtoffer heb geslagen en geschopt toen hij op de grond lag.\n\n2. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb de man zeker twee keer goed geraakt met mijn rechter vuist in zijn gezicht.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nOp 4 september 2024 kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse op de parkeerplaats bij [winkelcentrum] in Capelle aan den IJssel ter hoogte van de Albert Heijn. Wij zagen dat er meerdere mensen bij een voertuig stonden. Wij zagen dat in dit voertuig een man zat en zagen dat deze man een wond op zijn hoofd had en dat er bloed uit kwam. Ook zagen wij dat de man glazig uit zijn ogen keek en wij roken een alcohol lucht. Ik, verbalisant, vroeg de man op een op naam gesteld identiteitsbewijs. De man overhandigde mij een op naam gesteld identiteitsbewijs. De man betrof: ----- [slachtoffer]\n\n4. Verklaring van de getuige [getuige 1]\n\nToen liep ik naar de auto op de parkeerplaats van [winkelcentrum] , bij de Albert Heijn, was het al begonnen tussen een oudere man en een jongere man. Ze gingen vechten. Toen ik in de auto zat zag ik dat de oude man meerdere keren op zijn hoofd werd geschopt. De oude man lag op de grond. Het tegen het hoofd schoppen zag ik uit de linker zijkant van de auto en dat geluid hoorde ik ook echt zelfs in de auto. Er is 6 of 7 keer geschopt denk ik. Of dat allemaal tegen het hoofd was durf ik niet met zekerheid te zeggen.\n\n5. Verklaring van de getuige [getuige 2]\n\nIk ging boodschappen ging doen bij de AH. Het slachtoffer lag op zijn zij op de grond met zijn handen voor zijn gezicht en werd tegen zijn achterkant op zijn rug geschopt en naar mijn idee tegen zijn gezicht geslagen. Verdachte ging met zijn knie bovenop hem zitten en bleef hem slaan.\n\n6. Verklaring van de getuige [getuige 2]\n\nIk ging boodschappen doen bij de Albert Heijn bij het [winkelcentrum] . Een blanke man (rechtbank: slachtoffer) en een getinte man (rechtbank: verdachte) stonden tegenover elkaar. Ik zag dat het slachtoffer meerdere klappen kreeg richting het hoofd en bovenlichaam. Het slachtoffer viel vervolgens naar de grond en de tegenpartij (rechtbank: verdachte) bleef slaan en schoppen naar het slachtoffer. Er is ook geschopt tegen het lijf van het slachtoffer. Hij raakte hem waar hij hem raken kon.\n\n7. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring\n\n18-11-24, betreffende [slachtoffer] .\n\nS Informatie ontvangen van IJsselland Ziekenhuis afdeling kaakchirurgie, betreffende een bezoek aan de polikliniek aldaar op 05-09-2024. O Bij lichamelijk en beeldvormend onderzoek werd gezien: - Huidbeschadigingen in het aangezicht (aantal, precieze locatie en afmetingen niet nader gespecificeerd); - Een breuk van de hoek van de onderkaak aan de linkerzijde, waarbij de boven- en onderkaak niet meer recht op elkaar stonden, E Bij lichamelijk onderzoek was tevens sprake van een verminderd gevoel in de onderlip. Er werd op 05-09-2024 een operatie uitgevoerd waarbij de breuk van de kaak werd hersteld met een metalen plaat en vier schroeven. Betrokkene kreeg antibiotica en een zacht dieet voorgeschreven. Na de operatie vond een controle plaats op de polikliniek. De breuk was genezende en de kaken stonden weer recht op elkaar, wel was er nog sprake van het verminderde gevoel in de onderlip. Ook was er niet voldoende weefsel over de plaat en schroeven heen gegroeid waardoor dit bloot lag. Er zal later een operatie moeten plaatsvinden om de plaat en schroeven te verwijderen. P De genezingsduur betreft tenminste zes weken, ten tijde van opstellen van dit rapport is de behandeling nog niet afgerond. Er bestaat een kans op blijvend letsel (verminderd gevoel aan de onderlip).\n\n8. Schriftelijk stuk, aanvullend verhoor aangever [aangever]\n\nOp 27 februari 2025 werd door mij gehoord de aangever. Ik kan niet goed kan praten. Ik heb nog steeds een plaat in mijn kaak. Ik heb de hele tijd het gevoel dat de helft van mijn gezicht verdoofd is. Ik heb sinds een paar dagen een ontsteking op de plaats waar de plaat zit.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nVast staat dat de verdachte de aangever tegen het hoofd en het gezicht, dat een onderdeel van het hoofd is, en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen. Het geweld was zo hard dat de aangever hierdoor is gevallen. Toen hij op de grond lag, is de verdachte nog doorgegaan met schoppen en slaan. Hij is pas opgehouden toen zijn toenmalige partner hem wegtrok.\n\nDe aangever heeft hierdoor letsel aan zijn gezicht en een gebroken kaak opgelopen waaraan hij moest worden geopereerd. Uit de (medische) stukken blijkt dat de aangever direct na de operatie kampte met zenuwschade in zijn gezicht, welke schade ook maanden na het incident nog niet was hersteld. Op de terechtzitting heeft de aangever verteld dat het gevoel aan die kant van zijn gezicht nu – zo’n anderhalf jaar later – nog steeds niet terug is en dat hij een tweede operatie heeft moeten ondergaan om de plaat en schroeven te laten verwijderen. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\nGezien de aard van het letsel, de noodzaak van medische behandelingen en het nog niet volledige herstel merkt de rechtbank het letsel aan als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het opgelopen traumatisch hersenletsel niet bewezen. De verdachte wordt daarvan partieel vrijgesproken.\n\nOpzet\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat het opzet op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De vraag is dus of de verdachte daar wel voorwaardelijk opzet op heeft gehad. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.\n\nUit de diverse verklaringen volgt dat de verdachte de aangever meerdere keren met kracht tegen het gezicht en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen, ook toen hij op de grond lag. Het hoofd – en meer in het bijzonder het gezicht – is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Als men daar met kracht op slaat en tegenaan schopt en daar zelfs mee doorgaat terwijl het slachtoffer weerloos op de grond ligt, zoals de verdachte heeft gedaan, is naar algemene ervaringsregels de kans dat dit slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk. Door op deze wijze te handelen, heeft de verdachte deze kans ook bewust aanvaard. Daarmee is het voorwaardelijk opzet op het zwaar lichamelijk letsel gegeven.\n\nDe verdediging heeft daarnaast bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De aangever bleef alsmaar de confrontatie met de verdachte opzoeken en haalde als eerste uit. De verdachte mocht zich hiertegen verweren.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.\n\nMet de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Uit het dossier blijkt dat de aangever de verdachte aan het uitdagen was, de confrontatie met hem opzocht en ook als eerste uithaalde. Echter, uit het dossier blijkt ook dat de aangever onder invloed was en missloeg. Onder die omstandigheden bestond voor de verdachte geen noodzaak meerdere keren te slaan en te schoppen en daarmee door te gaan toen de aangever op de grond lag. Bovendien bevond de verdachte zich niet in een kleine ruimte waaruit hij moeilijk weg kon, maar op de rijbaan van een parkeerplaats buiten op straat. Daarmee had de verdachte de mogelijkheid zich van de situatie te distantiëren door weg te lopen, zoals hij eerst ook deed, of in zijn auto te gaan zitten (en weg te rijden). Hij had dus anders kunnen en moeten reageren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was zich tegen de aanranding te verdedigen en zijn handelen ook niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het beroep op (putatief) noodweer wordt derhalve verworpen.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nPrimair:\n\nhij op of omstreeks4 september 2024 te Capelle aan den IJssel\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en\u002Fof traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht door\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fofhet lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fofhet lichaam te schoppen en\u002Fofte slaan3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair: zware mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op noodweer in paragraaf 2.3.2. verworpen. Nu geen sprake was van een noodweersituatie kan ook geen sprake zijn van noodweerexces. Dit verweer wordt daarom ook verworpen.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een taakstraf op te leggen van 180 uren, al dan niet gedeeltelijk voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, of anders een voorwaardelijke gevangenisstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer meermalen te schoppen en te slaan, onder andere tegen zijn gezicht. Dit is een ernstig feit, dat onder meer heeft geleid tot een kaakbreuk, waarvoor een operatie noodzakelijk was, en zenuwschade. Het slachtoffer heeft door de mishandeling veel pijn gehad, kon zekere periode niet werken en heeft beperkingen gehad bij onder meer het praten. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer verklaard dat hij nog steeds last heeft van wat hem die dag is aangedaan. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich op klaarlichte dag op de parkeerplaats van een winkelcentrum zo agressief heeft gedragen. Hij heeft zich niet laten weerhouden door omstanders die riepen ermee te stoppen en is er pas mee opgehouden toen zijn toenmalige partner hem wegtrok. Dit soort geweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving, met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld en omwonenden.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zie de rechtbank aanleiding om het overgrote gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank de verdachte daarnaast veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 18.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering aangezien dit overige deel ziet op een eventueel hoger beroep.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Verder heeft de verdediging met een beroep op de Rotterdamse schaal toewijzing van een lager bedrag (€ 7.500,-) bepleit.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. Hij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.\n\nDe vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aanleiding van het incident. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.5.4.2.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 september 2024.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 89 dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 3.000,-als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van zijn vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 3.000,-te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal30dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\nGedaan op de terechtzitting van 2 april 2026.\n\n Pagina’s 31-37.\n\nPagina’s 6-8.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\n Pagina’s 19-20.\n\n Pagina’s 17-18\n\n Pagina 14.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7864","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:18.842Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1381","ECLI:NL:RBROT:2026:7865","ecli-nl-rbrot-2026-7865","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F347237-25\n\nDatum uitspraak: 16 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1972 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. E.B. Jobse\n\nOfficier van justitie: mr. S.E. Poutsma\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging. Hij wordt veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt aan hem een 38v-maatregel inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij] opgelegd, die direct uitvoerbaar is. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (feit 1, impliciet primair) dan wel een (zware) mishandeling (feit 1 impliciet subsidiair en subsidiair) en een bedreiging (feit 2).\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\n1 hij op of omstreeks 18 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd, althans gedurende enige tijd de keel heeft dichtgeknepen en\u002Fof - aan\u002Fbij de haren heeft beetgepakt en\u002Fof (daarbij) met haar hoofd en\u002Fof schouder tegen een muur heeft geslagen en\u002Fof - op\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof lichaam heeft gestompt en\u002Fof - op\u002Ftegen haar lichaam heeft geschopt en\u002Fof - een knietje op\u002Ftegen haar hoofd (slaap) heeft gegeven terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 18 december 2025 te Rotterdam [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal te wurgen, althans gedurende enige tijd de keel dicht te knijpen en\u002Fof - aan\u002Fbij de haren beet te pakken en\u002Fof (daarbij) met haar hoofd en\u002Fof schouder tegen een muur te slaan en\u002Fof - op\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof lichaam te stompen en\u002Fof - op\u002Ftegen haar lichaam te schoppen en\u002Fof - een knietje op\u002Ftegen haar hoofd (slaap) te geven terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\n2 hij op of omstreeks 18 december 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die aan die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen -zakelijk weergegeven- dat hij verdachte die [slachtoffer] dood ging maken en\u002Fof dat hij haar ging slaan en\u002Fof dat hij haar van het balkon ging gooien, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag en dat hij wordt veroordeeld voor de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld voor de onder 2 ten laste gelegde bedreiging.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor beide ten laste gelegde feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak (feit 1 impliciet primair en feit 2)\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.\n\nDe verdachte zal ook worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd door te zeggen dat hij haar zou gaan doodmaken, haar zou gaan slaan en haar van het balkon zou gooien. De verdachte heeft dit ontkend. Naar het oordeel van de rechtbank zit in het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs voor de bedreiging voor zover het betreft het hiervoor genoemde doodmaken en van het balkon gooien. Het dossier bevat als ondersteunend bewijsmiddel voor de bedreiging slechts de verklaring van de buurman, [getuige] . Hij heeft verklaard dat hij de verdachte hoorde schreeuwen en dat de verdachte “(..) ik ga je slaan(..)” heeft gezegd. Dat kan dus bewezen worden verklaard. De woorden ‘ik ga je slaan’ leveren echter geen strafbare bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling op. Nu er voor de andere ten laste gelegde uitlatingen – die op zich zelf, mits bewezen, wel een strafbare bedreiging zouden kunnen opleveren – geen steunbewijs is, zal de verdachte worden vrijgesproken van de bedreiging.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring (feit 1 impliciet subsidiair) en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering. Een weergave van letselfoto’s is als bijlage 1 bijgevoegd bij dit vonnis.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]\n\nPlaats delict: [adres 2] te Rotterdam\n\nPleegdatum\u002Ftijd: Tussen 18 december 2025 20:44 uur en 18 december 2025 21:15 uur.\n\nOp 18 december 2025 hoorden wij een persoon die ons opgaf te zijn:\n\nVoornamen: [voornamen aangeefster]\n\nAchternaam: [achternaam aangeefster]\n\nIk ben mishandeld door mijn ex-partner, [verdachte] . [verdachte] is de man die met mij in de woning was toen de politie hier kwam en wie uw collega's net hebben aangehouden. [verdachte] en ik waren zeven maanden samen en we zijn nu ongeveer een maand uit elkaar. We gingen uit elkaar omdat hij steeds agressiever werd.\n\n Ik ben vandaag door [verdachte] gewurgd, hij deed dit drie keer erg stevig, waarbij dit elke keer ongeveer een paar seconde duurde. Hierdoor kon ik geen adem halen. Hierna pakte hij mij bij mijn haren en sloeg hij mij tegen de muur. Nu heb ik een schaafwond op mijn linkerarm en linkerschouder, ik laat dit u nu even zien. Daarna sloeg hij mij met zijn vuist tegen mijn wang. Ik kan mijn gezicht niet bewegen. Ik voel overal pijn. Als ik praat voel ik pijn aan de zijkant van mijn hoofd, maar ik heb op het moment het meeste last van mijn lip. Na de klappen schopte [verdachte] mij met zijn knie tegen mijn slaap. Dit was aan de rechterzijde van mijn slaap. Ik hoorde hem zeggen dat hij mij ging doodmaken, ik zou dood gaan. Hij kwam dronken thuis en vroeg mij of ik verder met hem wilde in de relatie. Toen ik dit afwees, hoorde ik dat hij zei dat hij mij wilde doodmaken en van het balkon wilde gooien. We stonden namelijk naast het balkon en ik zag dat hij de balkondeur opendeed. Hij pakte me bij mij haren en probeerde mij naar het balkon te trekken. Ik zette mijn been in de deurpost om mezelf niet mee te laten sleuren, waarna we samen op de grond vielen. Hier op de grond ligt nog een haarpluk van mij, ik wijs u deze nu aan.\"\n\n2. Proces-verbaal van politie, bevindingen\n\nOp donderdag 18 december 2025, omstreeks 20.45 uur, kregen wij van een medewerker van\n\nhet Operationeel Centrum Rotterdam het verzoek om te gaan naar [adres 2] in\n\nRotterdam. Hier zou een buurtbewoner hebben gehoord dat er een ruzie gaande was. Er\n\nwaren harde geluiden en geschreeuw te horen o.a. au.\n\nOp 18 december 2025, om 20.55 uur, kwamen wij ter plaatse aan [adres 2] in Rotterdam. Wij belden aan en zagen dat de voordeur werd geopend door een vrouw. Wij, verbalisanten, zagen direct dat de vrouw bloed op en rondom haar mond had. De vrouw maakte ook een angstige indruk. Wij zetten een stap naar voren en zagen dat er een man achter de vrouw stond. Wij betraden hierdoor direct de woning en scheidden de man en vrouw van elkaar.\n\nDe vrouw bleek later genaamd te zijn: --- [slachtoffer] . De man bleek later genaamd te zijn; --- [verdachte]\n\nIk, verbalisant [verbalisant] , vroeg direct aan [slachtoffer] of er meer personen in de woning waren. Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat zij enkel met [verdachte] in de woning was. Ik liep samen met [slachtoffer] naar de slaapkamer. Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat haar ex-partner haar had geslagen. Ik zag dat [slachtoffer] angstig was: [slachtoffer] was aan het trillen en zij had een gesloten houding doordat zij haar armen om zich heen had geslagen. Ik vroeg [slachtoffer] om tegen de muur te gaan staan zodat ik foto's van haar en haar letsel kon maken.\n\nIk zag dat [slachtoffer] tegen de muur stond en ik zag het volgende: - een verdikking, blauw van kleur, op de linkerwang; - een rode plek op de linkerzijde van de hals; - een bebloede onderlip; - rode vlekken\u002Fplekken en schaafwonden aan de rechterzijde (onder) van de hals; - een rode vlek\u002Fplek in het midden van de hals; - rode plekken\u002Fschaafwonden ter hoogte van het sleutelbeen, aan de rechterzijde; - een blauwe plek op de linker bovenarm aan de binnenkant; - bloed en verdikking aan de binnenkant van de bovenlip; - meerdere schaafwondjes op de linker elle boog en - een blauwe plek op de rechter bovenarm aan de binnenkant. Wij hoorden [slachtoffer] het volgende verklaren: 'Ik ben twee keer in mijn buik geslagen. Ik ben gewurgd en heb een schop tegen mijn slaap gekregen. Ik heb erg veel pijn in mijn gezicht en lip. Ik heb hoofdpijn en alles doet zeer.' Ik, verbalisant vroeg aan het slachtoffer waarom zij rode plekken in haar nek en hals had. Ik hoorde [slachtoffer] verklaren dat zij door [verdachte] gewurgd was. Ik hoorde [slachtoffer] verklaren dat zij drie keer stevig bij haar nek was vastgepakt. Dat dit elke keer enkele seconden duurde. Het slachtoffer was hierdoor duizelig.\n\n3. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring\n\nS\n\nMEN via politie zuidplein geweld op de hals casus\n\n23-24u op kantoor FARR\n\nO\n\nFoto's [bestandsnaam 1] t\u002Fm [bestandsnaam 2]\n\nForensisch lichtfoto's; FARR NFS [bestandsnaam 3] t\u002Fm [bestandsnaam 4] .\n\nlinker wang bloeduitstorting ca 5cm dsnd.\n\nLinker schouder opp schaafverwonding ca. 3 cm dsnd\n\nGehele hals bandvormige rode huidverkleuring en verdikking.\n\nop borst aan rechter kant thv sleutelbeen en eronder 2 bloeduitstortingen resp. 2cm en 2cm dsnd.\n\nOp binnenzijde armen bdzd bloeduitstortingen (links 2stukt 5x4cm en 2x3 cm en rechts een 2x1cm grootte.\n\nOp beide linker elleboog twee krasverwondingen ca 4 cm groot en evenwijdig.\n\nOp rechter elleboog opp. schaafverwonding met hierin twee bastverwondingen in gebied van ca. 2cm dsnd.\n\nE\n\nBloeduitstortingen en schaafverwondingen, krasverwondingen en barstverwondingen.\n\ntevens Aanwijzingen middels forensisch licht voor bloedophoping diepere huidlagen passen bij inwerkend geweld op de hals\n\nP\n\nGenezingsduur 2 weken.\n\nIngestuurd naar SEH IKazia voor onderzoek aangezicht.\n\nEr is door politie een VT melding gedaan.\n\n4. Proces-verbaal van de politie, aanvullend verhoor [aangeefster]\n\nToen [verdachte] binnenkwam heeft hij heeft hij gevraagd of hij hier mag blijven en of we samen verder kunnen. Ik zei nee want je hebt me te vaak pijn gedaan. Toen schopte hij mij tegen mijn borstkas. Ik heb ook een hele schoenafdruk op mijn borstkas staan. Toen begon de hele ruzie. Toen [verdachte] mij wurgde, was ik heel erg bang. Ik was bang dat hij mij iets aan zou doen. Ik ben nog steeds bang voor mijn leven. Hij heeft gezegd dat hij mij sowieso gaat doden.\n\n5. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [getuige]\n\nIk en mijn vriendin zaten op de bank en hoorde en man schreeuwen. Het geschreeuw kwam van de boven buren. Ik kon de man verstaan. Ik hoorde hem in Pools zeggen. (..) Ik ga je slaan. (..) Ik hoor vaker ruzie tussen de man en vrouw. Normaal schreeuwen ze tegen elkaar en maken ze ruzie maar vanavond was het heftiger. Vanavond hoorde ik geschreeuw en direct daarna gebonk. Het leek alsof er iemand op de grond werd gegooid. Ik hoorde de boven buurvrouw schreeuwen: au en stop. Ik hoorde haar ook huilen. Het geluid stopte en de ruzie was over.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nOp 18 december 2025 komt de politie ter plaatse bij de woning van [aangeefster] (hierna: de aangeefster), nadat buurtbewoners melding maken van een ruzie waarbij harde geluiden en geschreeuw was te horen met onder andere het woord ‘au’. Als de aangeefster de voordeur opent zien de verbalisanten een angstige vrouw met bloed rondom haar mond. De enige andere persoon in de woning is de verdachte. Ter plaatse en in haar aangifte verklaart de aangeefster dat de verdachte haar die avond heeft mishandeld, waarbij hij onder andere meermalen haar keel heeft dichtgeknepen, haar tegen het gezicht heeft gestompt en haar tegen het lichaam heeft geschopt. Deze verklaring vindt steun in de getuigenverklaring van de buurman [getuige] , de FARR-verklaring, de bevindingen van de verbalisanten over de situatie ter plaatse en de toestand van de aangeefster, en de verschillende foto’s van het gezicht en het lichaam van de aangeefster, die zowel ter plaatse als de volgende dag door de politie zijn genomen. Uit de FARR-verklaring en de foto’s blijkt dat bij aangeefster meerdere letsels en bloeduitstortingen zijn vastgesteld, waaronder (onderhuids) letsel aan de hals, en dat het vastgestelde letsel past bij de toedracht zoals beschreven door aangeefster. De rechtbank heeft daarom geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar die avond heeft mishandeld.\n\nDe rechtbank gaat voorbij aan de lezing van de verdachte dat hij de aangeefster slechts van achteren met zijn armen heeft vastgepakt om haar te kalmeren nadat zij – blijkbaar zonder duidelijke aanleiding – door de woning begon te springen, dat zij snel blauwe plekken krijgt en dat zij zichzelf heeft verwond terwijl hij haar in zijn armen vast had. Dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario acht de rechtbank onaannemelijk, nu het geheel op zichzelf staat en geen enkele steun vindt in het procesdossier.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte de aangeefster in het gezicht heeft gestompt, tegen haar lichaam heeft geschopt, haar met haar hoofd en schouder tegen de muur heeft geslagen en meerdere keren gedurende enige tijd haar keel heeft dichtgeknepen. De rechtbank kwalificeert dit handelen van verdachte als een poging tot zware mishandeling, nu het meerdere keren gedurende enige tijd dichtknijpen van de hals naar algemene ervaringsregels ook de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Omdat zijn handelingen niet daadwerkelijk tot zwaar letsel hebben geleid, kwalificeert de rechtbank het als een poging.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks18 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] ,van het leven te beroven, althanszwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) die [slachtoffer] - meermalen,althans eenmaal heeft gewurgd, althansgedurende enige tijd de keel heeft dichtgeknepen en\u002Fof-aan\u002Fbij de haren heeft beetgepakt en\u002Fof(daarbij) met haar hoofd en\u002Fof schouder tegen een muur heeft geslagen en\u002Fof-op\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof lichaamheeft gestompt en\u002Fof-op\u002Ftegen haar lichaam heeft geschopten\u002Fof- een knietje op\u002Ftegen haar hoofd (slaap) heeft gegeventerwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 (impliciet) subsidiair: poging tot zware mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nDe raadsman heeft in het kader van de strafbaarheid van de verdachte bij pleidooi opgemerkt dat het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer. Volgens vaste jurisprudentie is het aan de verdediging de feitelijke grondslag van een straf- of rechtvaardigingsgrond aannemelijk te maken. Nu de verdachte zelf helemaal niet heeft verklaard dat hij heeft gehandeld uit noodweer en de raadsman ook verder niet heeft toegelicht waaruit de gestelde aanwijzingen voor (putatief) noodweer zouden bestaan, is er geen begin van aannemelijkheid. De rechtbank acht dus het feit en de verdachte strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, alsmede oplegging van een 38v-maatregel inhoudende een contactverbod met [aangeefster] .4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft zijn (toenmalige) vriendin [aangeefster] in haar woning aangevallen. De verdachte is daarmee zonder noemenswaardige aanleiding over gegaan tot excessief geweld. Uit haar verklaringen en haar vordering als benadeelde partij blijkt dat dit voor het slachtoffer een zeer beangstigend incident is geweest. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het dossier geeft aanleiding te vermoeden dat het geweld alleen is gestopt omdat de politie ter plaatse kwam doordat buren alarm sloegen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk, maar niet recentelijk, is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nReclasseringsrapport\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 18 maart 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering kan het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet inschatten. Gelet op de aard van het ten laste gelegde zouden eventuele risico-verhogende factoren gelegen kunnen zijn in de leefgebieden relaties, middelengebruik en het psychosociaal functioneren, waarbij bij het laatste gedacht moet worden aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen ervan. De verdachte is niet eerder bekend met huiselijk geweld. De verdachte zegt dat hij beperkt drinkt en alleen bij gelegenheden. Tot een paar jaar geleden zou hij amfetamine gebruikt hebben. Door de ontkennende houding van de verdachte kan de reclassering geen concrete uitspraken doen over delictgerelateerde factoren of een verband leggen tussen de tenlastelegging en de diverse leefgebieden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden. Gezien de aard van de tenlastelegging adviseert zij wel een contact- en locatieverbod.4.3.3.. \n\nOplegging straf en maatregel\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank verder in negatieve zin mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, terwijl er wel sprake is van divers letsel. Ook weegt de rechtbank mee dat uit onderzoek is gebleken dat hij tijdens het incident flink onder invloed was van alcohol. Alles overziend komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 120 dagen.\n\nTer beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren opgelegd, met 2 weken hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden. Deze maatregel houdt in een contactverbod met aangeefster [aangeefster] .\n\nDe rechtbank beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefster. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij twee vorderingen ingediend waarin zij (bij elkaar opgeteld) verzoekt om € 5.000,- als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Indien dit niet wordt gevolgd heeft de verdediging verzocht de schade te schatten op hoogstens enkele honderden euro’s.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade. Die vordering ligt niet voor onmiddellijke toewijzing gereed. De behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.\n\nDe vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard, omdat de vordering voor het meerdere onvoldoende is onderbouwd. Zo kan onder meer niet worden vastgesteld dat de aangeefster psychisch letsel heeft opgelopen door het incident. Wel staat vast dat de benadeelde partij divers letsel heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Bij het bepalen van de hoogte van het toegewezen bedrag is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.5.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 18 december 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2.3.4. is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nlegt de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar, inhoudende dat de verdachte:\n\n- op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] 1979;\n\nbepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;\n\ntoepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nbeveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 2.000,-als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van haar vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 2.000,-te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal20dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Pagina’s 2-10\n\nPagina’s 28-40\n\n Pagina 11\n\n Pagina’s 18-22\n\n Pagina’s 23-24","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7865","2026-07-13T00:29:18.963Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1386","ECLI:NL:RBROT:2026:7869","ecli-nl-rbrot-2026-7869","Rechtbank RotterdaMZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F347549-25\n\nDatum uitspraak: 2 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.E. Pennings\n\nOfficier van justitie: mr. X.C. van Balen\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van diefstal met geweld. Wel wordt hij veroordeeld voor openlijke geweldpleging. De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij tezamen en in vereniging diefstal met geweld heeft gepleegd (primair), dan wel dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd (subsidiair).\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en\u002Fof een geldbedrag van €270, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, - tegen het lichaam te duwen, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof - die [slachtoffer] naar de grond te werken en\u002Fof tegen de grond te gooien;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, openlijk, te weten op de Sint-Luciastraat en\u002Fof op de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, - tegen het lichaam te duwen, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof - die [slachtoffer] naar de grond te werken en\u002Fof tegen de grond te gooien;2. Vrijspraak \u002F Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar dat hij moet worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak en bewezenverklaring\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal met geweld niet is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.\n\nBewezen is dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks21 december 2025 te Rotterdam,althans in Nederland,openlijk, te weten op de Sint-Luciastraat en\u002Fofop de Lijnbaan,in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof een voor het publiek toegankelijkeplaats,in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen,althans eenmaal,- tegen het lichaam te duwen, -in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althanstegen het lichaam te slaan, -in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althanstegen het lichaam te schoppen en\u002Fof- die [slachtoffer] naar de grond te werkenen\u002Fof tegen de grond te gooien;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nSubsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft het slachtoffer samen met een ander zonder noemenswaardige aanleiding geslagen en geschopt. Dit alles vond plaats op de openbare weg. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld zorgt voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden en de proceshouding van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft betuigd, zelf al professionele (psychische) hulp heeft gezocht en mede daardoor zijn leven inmiddels goed op orde heeft. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij voor het primair ten laste gelegde feit € 270,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe benadeelde partij moet, gelet op de gerekwireerde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. In plaats daarvan moet de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 270,- worden toegewezen als vergoeding van immateriële schade voor het subsidiair ten laste gelegde.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft geen vergoeding voor immateriële schade gevorderd, waardoor hij ook in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard..5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële en immateriële schade\n\nDe rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij zo begrepen, dat hij vergoeding vraagt van het geldbedrag dat van hem zou zijn gestolen. De rechtbank merkt dit dan ook aan als een verzoek tot vergoeding van materiële schade en zal deze ook zo beoordelen. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal van enig geldbedrag. De benadeelde partij vordert geen vergoeding van immateriële schade. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de verdachte aansprakelijk is voor eventuele immateriële schade. Er is daarom geen plaats voor toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2.3.2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;\n\nbepaalt dat 40 uur van deze taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7869","2026-07-13T00:29:19.213Z",1,20]