[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-drug-law-enforcement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":61,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},41,"drug-law-enforcement-nl","Drug Law Enforcement","NL","2026-07-08T16:53:39.763Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,46,53],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1886","ECLI:NL:RBNNE:2026:2595","ecli-nl-rbnne-2026-2595","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.169979.23\n\nbeslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 03 juli 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nin de zaak tegen\n\n[veroordeelde]\n\nveroordeelde,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nProcesverloop\n\nDe officier van justitie heeft op 27 mei 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 23.628,42 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.169979.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2026. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en haar raadsvrouw mr. E. Dussel, advocaat te Groningen, gehoord. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte over de alternatieve herkomst van sommige bedragen niet concreet en verifieerbaar is. Daarom kunnen de door verdachte genoemde bedragen niet in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag.\n\nStandpunt van de raadsvrouw en de veroordeelde\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk is dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Het enkele feit dat een deel van de opbrengsten uit de cocaïnehandel van de medeverdachte op de rekening van veroordeelde is gestort, rechtvaardigt niet de conclusie dat het voordeel door haar is genoten.\n\nSubsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het bedrag moet worden gematigd. Allereerst heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment illegale inkomsten op haar rekening zijn gestort. De bedragen van voor die periode moeten in mindering worden gebracht. De raadsvrouw heeft ook bepleit dat de bedragen die van de spaarrekening van verdachte afkomstig zijn moeten worden afgetrokken van het bedrag. Dat geldt ook voor de bedragen die zien op uitjes met vriendinnen. Verder heeft de raadsvrouw gesteld dat het voordeel moet worden verdeeld tussen verdachte en de medeverdachte.\n\nTen slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte al financiële consequenties heeft ondervonden, omdat haar goederen in beslag zijn genomen. Zij heeft erop gewezen dat geen dubbeltelling mag plaatsvinden.\n\nBeoordeling\n\nGrondslag voor ontneming\n\nDe rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 19 juni 2026 in de zaak met parketnummer 18.169979.23 veroordeeld ter zake medeplegen van gewoontewitwassen. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door haar gepleegde strafbare feit.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\nhet rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 492 e.v. van voornoemd dossier.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat veroordeelde geen voordeel zou hebben genoten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde mede heeft geprofiteerd van de drugsopbrengsten van de\n\nmedeveroordeelde. Zij voerden een gezamenlijke huishouding en hebben door de illegale inkomsten comfortabel geleefd. Veroordeelde heeft dus ook voordeel genoten.\n\nDe rechtbank verwerpt ook het verweer dat het voordeel zou moeten worden verdeeld tussen veroordeelde en de medeveroordeelde. Veroordeelde en de medeveroordeelde voerden weliswaar een gezamenlijke huishouding, maar de rechtbank vindt het redelijk dat het geld dat op de rekening van veroordeelde is binnengekomen als haar voordeel kan worden aangemerkt en het geld dat op de rekening van de medeveroordeelde is binnengekomen als zijn voordeel. De rechtbank weegt mee dat door veroordeelde niet gemotiveerd is aangegeven welk bedrag voor rekening van de medeveroordeelde zou moeten komen.\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat veroordeelde reeds in haar vermogen is getroffen door het beslag, als volgt. Er rust conservatoir beslag op de goederen. Dat beslag dient ter verhaal van de ontnemingsmaatregel. Bij de executie van de maatregel zal de waarde van het beslag worden afgetrokken van het ontnemingsbedrag. De stelling van de raadsvrouw dat er een dubbeltelling plaats zou vinden door het beslag, mist feitelijke grondslag.\n\nDe rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbare feit wordt geschat. Uit die stukken volgt dat verdachte 23.628,42 voordeel heeft genoten.\n\nVeroordeelde is veroordeeld voor gewoontewitwassen in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023. De bedragen die voor 23 juli 2020 op haar rekening zijn gestort, zoals opgenomen in het overzicht van ontvangen overboekingen op pagina 590 e.v. van het dossier, zal de rechtbank daarom in mindering brengen op het ontnemingsbedrag. Het betreft een bedrag van 1.385,32.\n\nVoor het overige heeft de raadsvrouw ten aanzien van een aantal door haar genoemde overboekingen bepleit dat daarvoor een legale herkomst bestaat. De rechtbank stelt vast dat verdachte hier pas eerst ter zitting mee is gekomen en dat zij haar verklaring niet nader heeft onderbouwd of gespecificeerd. Daarmee is geen sprake van een concrete, verifieerbare en op voorhand niet onaannemelijke alternatieve verklaring, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.\n\nHet voorgaande leidt tot de volgende berekening: 23.628,42 - 1.385,32 = 22.243,10\n\nDe rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 22.243,10voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.\n\nToepassing van de wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslissing\n\nStelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op22. 243,10.\n\nLegt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 22.243,10 (zegge: tweeëntwintigduizend tweehonderddrieënveertig euro en tien eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 222 dagen.\n\nWijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.\n\nDeze uitspraak is gegeven door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2595","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:43.802Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1887","ECLI:NL:RBNNE:2026:2593","ecli-nl-rbnne-2026-2593","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.169979.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Dussel, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nzij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2019 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 23.628,42 euro),\n\nSub b\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf\n\n- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nzij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het bewijs volgt uit het feit dat de drugs is aangetroffen in de woning van verdachte en zij heeft verklaard dat er soms cocaïne van haar in de woning lag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kan worden verklaard. Zij heeft ten aanzien van de periode aangevoerd dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment haar rekening is gebruikt om de inkomsten uit drugsverkoop wit te wassen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 2\n\nDe rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat de aangetroffen drugs niet van haar, maar van de medeverdachte was. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte cocaïne verhandelde. De drugs is aangetroffen in een Smintdoosje onder het matras. Op die plek zijn ook twee dealertelefoons van de medeverdachte aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank het aannemelijk dat de drugs van de medeverdachte was en dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze drugs in haar woning. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat zij de drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nVeroordeling feit 1\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant.\n\nMet betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.\n\nUit de financiële bevindingen en de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat haar rekening is gebruikt voor het witwassen van een deel van de opbrengst van de verkoop van drugs door de medeverdachte. De verdachte overboekingen op de rekening van verdachte hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat uit bijlage 3 bij de financiële bevindingen volgt dat vanaf 23 juli 2020 bedragen op de rekening van verdachte zijn overgeboekt die aan de hiervoor genoemde kenmerken voldoen en waarvan dus buiten redelijke twijfel kan worden aangenomen dat deze een criminele herkomst hebben. De rechtbank neemt die datum als startpunt van de periode. De rechtbank acht dus niet bewezen dat de bedragen die voor 23 juli 2020 op de rekening zijn gestort van misdrijf afkomstig zijn. Het betreft een bedrag van 1.385,32.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nzij in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 22.243,10)\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf\n\n- en zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\n1. medeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat een taakstraf een passende afdoening is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 7 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van 3 jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Zij heeft samen met de medeverdachte het geld witgewassen dat hij met cocaïnehandel heeft verdiend. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Witwassen is een ernstig feit.\n\nDe rechtbank neemt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) als uitgangspunt. Daaruit volgt dat een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een taakstraf passend is.\n\nNaast de aard en de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit haar strafblad volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat zij sinds haar aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.\n\nUit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert, omdat interventies of toezicht niet nodig is. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.\n\nDe rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Zij heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor het door haar gepleegde feit.\n\nDe rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat haar zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie redelijk. De rechtbank vindt een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\neen taakstraf voor de duur van 120 uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 2 maanden zal worden toegepast.\n\nBeveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2593","2026-07-13T00:29:43.848Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"1888","ECLI:NL:RBNNE:2026:2597","ecli-nl-rbnne-2026-2597","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.050574.23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 03 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),\n\nSub b\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf\n\n- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 17 juli 2023 te Onstwedde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nOntvankelijkheid van het openbaar ministerie (feit 3)\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 3 niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, omdat het bezit van cocaïne impliciet ook al is ten laste gelegd onder feit 2.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van feit 3.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat de wijze van tenlastelegging waarvoor het openbaar ministerie in deze zaak heeft gekozen niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. In het bijzonder is geen sprake van een situatie van dubbele vervolging als bedoeld in artikel 68 Wetboek van Strafrecht, nu van een voorafgaande onherroepelijke veroordeling voor hetzelfde feit geen sprake is. Zoals hierna bij de bewezenverklaring zal blijken, komt de rechtbank bovendien niet toe aan de bewezenverklaring van het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde (bezit cocaïne), omdat zij het\n\nimpliciet primair ten laste gelegde (drugs dealen) bewezen acht. Het bezit van cocaïne wordt dus niet zowel onder feit 2 als onder feit 3 bewezen verklaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, bewezen kunnen worden verklaard. De raadsman heeft aangevoerd dat voor wat betreft de pleegperiode van feit 1 (witwassen) aansluiting moet worden gezocht bij de pleegperiode van feit 2 (drugs dealen). Verder heeft de raadsman gesteld dat het witgewassen bedrag moet worden verminderd met de bedragen die verdachte van zijn familieleden heeft ontvangen.\n\nOordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nIeder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 360 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 december 2022, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 januari 2023, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] ;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2023, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;\n\neen kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 juli 2023, opgenomen op pagina 454 e.v. van voornoemd dossier;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 9 augustus 2023, opgenomen op pagina 484 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten.\n\nBewijsoverweging\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank overweegt het volgende over de periode van witwassen. Uit het proces-verbaal van financiële bevindingen volgt dat in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 548 verdachte Tikkie-betalingen op de rekening van verdachte zijn gestort. Verdachte heeft bekend dat het merendeel van deze bedragen betalingen waren voor drugs. Deze Tikkie-betalingen hebben specifieke kenmerken: het zijn ronde bedragen, veel namen van betalers komen meerdere keren terug, er is sprake van eenrichtingsverkeer, het zijn aannemelijke bedragen voor drugsverkoop en geen aannemelijke bedragen voor de omschrijvingen en er wordt vaak gebruik gemaakt van dezelfde omschrijving. De rechtbank stelt vast dat een deel van de verdachte Tikkie-betalingen vóór 27 januari 2020 zijn overgemaakt, dus voor de start van de pleegperiode van feit 2. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van die bedragen buiten redelijke twijfel vast staat dat dit betalingen voor drugs waren, omdat die betalingen precies passen bij de hiervoor genoemde kenmerken. Voor al deze betalingen geldt dus dat het niet anders kan dan dat het hiermee verkregen geld onmiddellijk uit misdrijf afkomstig is.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de bedragen van familieleden moeten worden afgetrokken van het bewezenverklaarde bedrag. Volgens vaste jurisprudentie geldt immers dat in het geval dat van misdrijf afkomstige bedragen zijn vermengd met legale vermogensbestanddelen, het vermengde vermogen behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aan de orde zijn kan worden aangemerkt als mede of deels uit misdrijf afkomstig.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 geld heeft witgewassen en dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, dat sprake is van medeplegen.\n\nFeit 2\n\nVerdachte heeft bekend dat hij tot de inval op 17 juli 2023 heeft gehandeld in cocaïne, maar hij heeft aangegeven dat hij de pleegperiode niet precies weet. De rechtbank neemt als startpunt van de periode de verklaring van getuige [getuige 1] (opgenomen als bewijsmiddel 3), waaruit blijkt dat hij vanaf 27 januari 2020 meermalen bedragen heeft overgeboekt naar de rekening van verdachte ter betaling van cocaïne. De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in cocaïne heeft gehandeld.\n\nFeit 3\n\nVoor wat betreft de drugs die is aangetroffen tijden de doorzoeking op 17 juli 2023 heeft verdachte ter zitting aangegeven dat het zijn drugs betrof en dat de medeverdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die drugs. De rechtbank acht daarom het medeplegen van dit feit niet bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij in de periode van 1 februari 2018 tot en met 17 juli 2023 te Onstwedde tezamen en in vereniging met een ander, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van een totale waarde van ongeveer 75.763,86 euro),\n\nheeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\n\ngebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf\n\n- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;\n\n2\n\nhij in de periode van 27 januari 2020 tot en met 17 juli 2023 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3\n\nhij op 17 juli 2023 te Onstwedde opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft over feit 1 opgemerkt dat het handelen van verdachte niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, maar slechts als eenvoudig witwassen, omdat uit het dossier niet blijkt dat zijn gedragingen gericht waren op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in het geval van artikel 420bis sub b van het Wetboek van Strafrecht verhullingshandelingen niet relevant zijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, zoals in deze zaak, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen of de criminele herkomst te verhullen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.\n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat verdachte het geld niet enkel heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar ook heeft overgedragen en omgezet. De rechtbank is verder van oordeel dat er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft immers betalingen voor drugs ontvangen met misleidende of versluierende omschrijvingen, waarbij hij ook gebruik heeft gemaakt van de rekening van medeverdachte en hij heeft autos die hij kocht met contanten op naam van anderen geregistreerd.\n\nVerdachte heeft ter zitting over dit laatste verklaard dat hij dit deed om te verhullen dat het geld niet legaal was.\n\nDe rechtbank acht het bewezenverklaarde feit onder 1 daarom strafbaar en te kwalificeren als witwassen.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van het maken van een gewoonte van het plegen van witwassen\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Hij heeft gepleit voor oplegging van een forse taakstraf en een voorwaardelijk gevangenisstraf. De raadsman heeft verder gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 16 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nVerdachte wordt veroordeeld voor drie strafbare feiten. Hij heeft zich gedurende een periode van ongeveer drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan grootschalige cocaïnehandel. Verdachte heeft cocaïne verstrekt aan een grote hoeveelheid gebruikers, waaronder minderjarigen. Verder heeft verdachte cocaïne aanwezig gehad. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast veroorzaakt de criminaliteit die met de handel het bezit van harddrugs gepaard gaat schade en overlast voor de samenleving.\n\nHet geld dat verdachte met het dealen heeft verdiend, heeft hij samen met de medeverdachte witgewassen. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Ook witwassen is een ernstig feit.\n\nVoor zulke ernstige, ondermijnende feiten is in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Dit blijkt onder meer uit de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Bij het handelen in drugs voor een periode van 6 tot 12 maanden, is volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden het uitgangspunt. Verdachte heeft zich drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne. Daarnaast heeft hij zich ook nog schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen, waarvoor een gevangenisstraf van tussen de 5 en 9 maanden het uitgangspunt is. De rechtbank is daarom van oordeel dat een taakstraf, zoals door de raadsman voorgesteld, geen recht doet aan de ernst van de feiten.\n\nNaast de aard en de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij sinds zijn aanhouding niet meer in aanraking is gekomen met justitie.\n\nUit het reclasseringsrapport volgt dat de reclassering een aantal indicaties ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden adviseert. Verder blijk uit het rapport dat verdachte geen gestructureerde dagbesteding of inkomsten heeft.\n\nDe rechtbank heeft besloten het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, niet te volgen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 tot 23 jaar oud en de rechtbank ziet geen grond om van het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast af te wijken. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan geraffineerde feiten en bovendien is een opvoedkundige aanpak niet aan de orde in deze zaak.\n\nDe rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in strafverminderende zin mee. Hij neemt verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde feiten.\n\nDe rechtbank houdt ten slotte rekening met het tijdsverloop. Het heeft na de aanhouding van verdachte op 17 juli 2023 bijna 3 jaar geduurd voordat zijn zaak op zitting is behandeld. De redelijke termijn is fors overschreden.\n\nDe rechtbank vindt de strafeis in beginsel passend. De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop en het feit dat verdachte na 17 juli 2023 niet meer in aanraking is gekomen met justitie aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient ter voorkoming dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.\n\nBepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2597","2026-07-13T00:29:43.906Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":50,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":52},"1889","ECLI:NL:RBNNE:2026:2598","ecli-nl-rbnne-2026-2598","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18.050574.23\n\nbeslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 03 juli 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nin de zaak tegen\n\n[veroordeelde]\n\nveroordeelde,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .\n\nProcesverloop\n\nDe officier van justitie heeft op 27 mei 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 75.763,86 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.050574.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2026. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en zijn raadsman mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, gehoord. Het openbaar\n\nministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte over de alternatieve herkomst van sommige bedragen niet concreet en verifieerbaar is. Daarom kunnen de door verdachte genoemde bedragen niet in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag.\n\nStandpunt van de raadsman en de veroordeelde\n\nDe raadsman en de veroordeelde hebben verzocht dat het te ontnemen bedrag wordt verminderd met de bedragen die veroordeelde van familieleden en vrienden heeft ontvangen, omdat dat geen drugsbetalingen betreffen. Het betreft de betalingen van [naam 1] (moeder), [naam 2] (vriendin van moeder), [naam 3] (stiefmoeder), [naam 4] (tante), [naam 5] (docent), [naam 6] (ex-vriendin) en [naam 7] (vriend).\n\nBeoordeling\n\nGrondslag voor ontneming\n\nDe rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 3 juli 2026 in de zaak met parketnummer 18.050574.23 veroordeeld ter zake van onder meer gewoontewitwassen in vereniging en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 594 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;\n\nhet rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 489 e.v. van voornoemd dossier.\n\nDe rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat. Uit die stukken volgt dat verdachte 75.763,86 voordeel heeft genoten.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de overgeboekte bedragen waarvan verdachte ter zitting heeft aangegeven dat deze van familieleden afkomstig zijn, moeten worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag. De rechtbank vindt dat kan worden aangenomen dat die bedragen een legale herkomst hebben, ook zonder nadere onderbouwing. Dat is ook in lijn met het rapport waaruit volgt dat in beginsel wordt\n\nuitgegaan van een legale herkomst bij ontvangen bedragen van familieleden.\n\nDe bedragen die zijn overgeboekt door [naam 2] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] zal de rechtbank niet in mindering brengen op het bedrag. Voor deze bedragen geldt dat de alternatieve herkomst, waarover verdachte overigens pas op zitting voor het eerst heeft verklaard, niet concreet en verifieerbaar is.\n\nGelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende bedragen op het te ontnemen bedrag in mindering brengen:\n\n- [ naam 1] : 175,00 (22 juni 2021)\n\n- [ naam 3] : 1.000,00 (13 september 2022)\n\n- [ naam 4] : 1.000,00 (12 februari 2019)Totaal 2.175,00\n\nHet voorgaande leidt tot de volgende berekening: 75.763,86 - 2.175,00 = 73.588,86\n\nDe rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 73.588,86voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.\n\nToepassing van de wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslissing\n\nStelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op73. 588,86\n\nLegt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van\n\n73.588,86 (zegge: drieënzeventigduizend vijfhonderdachtendertig euro en zesentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 735 dagen.\n\nWijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.\n\nDeze uitspraak is gegeven door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.\n\nMr. Doorn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2598","2026-07-13T00:29:43.986Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":30,"updatedAt":60},"837","ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","ecli-nl-rbnne-2026-2590","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1957\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker en verzoeksters uit plaats]\n\n(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm)\n\nen\n\nde burgemeester van Stadskanaal\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Krul)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nStichting Lefierstatutair gevestigd te Midden-Groningen, de woningbouwstichting\n\n(gemachtigde: [naam ] en mr. S. Bosma)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning plaatselijk bekend [adres] (de woning). Verzoekster heeft die woning gehuurd van de woningbouwstichting. Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning aan [adres] en de daarbij behorende ruimten en voorzieningen te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden. De sluiting gaat in op 29 mei 2026 om 10.00 uur en duurt tot 29 augustus 2026 om 10.00 uur. Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester de woning gesloten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in en bij de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren. Het gaat om 0,98 gram 4-CMC, 0,48 gram 2-MMC, 3,57 gram 2-MMC en 2,14 gram hasjiesj. De totale hoeveelheid aangetroffen harddrugs\u002Flijst I- en lijst IA-middelen bedraagt daarmee 5,03 gram, volgens de burgemeester. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De woningbouwstichting heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van de woningbouwstichting.\n\n2.3.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers, op verzoek van de voorzieningenrechter, haar pleitnotitie ingediend.\n\n2.4.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verweerder, op verzoek van de voorzieningenrechter, het proces-verbaal van bevindingen van bijzonder opsporings ambtenaar [verbalisant] ingediend. Dat proces-verbaal is door [verbalisant] gesloten en ondertekend op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n3. [verzoeker] en [verzoekster] hebben de voorzieningenrechter primair verzocht om onverwijld een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst, zodat de woning niet zal worden gesloten voordat dat besluit onherroepelijk is of is beslist op het bezwaar of een door de voorzieningenrechter bepaalde datum is bereikt, met veroordeling van de gemeente in de kosten die [verzoeker] en [verzoekster] in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Subsidiair hebben zij verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit van 26 mei 2026.\n\nHeeft [verzoeker] een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat licht hij toe.\n\n5.1.. \n\nDe voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vast staat dat [verzoeker] , anders dan [verzoekster] , geen huurovereenkomst heeft met de derde-partij. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] momenteel gedetineerd is. De sluiting van de woning duurt drie maanden. Naar verwachting zal de detentie langer duren dan drie maanden, omdat uit de bestuurlijke rapportage gedateerd 10 maart 2026 is op te maken dat de detentieperiode negen maanden zal duren, gerekend vanaf februari 2026. Daaruit volgt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter zal hieraan geen conclusie verbinden, omdat er geen twijfel bestaat over het spoedeisend belang van [verzoekster] . Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?\n\n6. Verzoekers betogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Volgens hen was het volledige dossier niet beschikbaar op het moment dat de zienswijze naar voren kon worden gebracht. Zij verbinden hieraan de conclusie dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 4:8 van de Awb en het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor.\n\n6.1.. \n\nDe voorzieningenrechter laat in het midden of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de door verzoekers genoemde bepalingen, omdat die gebreken niet dusdanig zijn dat daarin aanleiding is gelegen om een voorlopige voorziening te treffen. Bovendien geldt dat een eventueel gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase.\n\nDe voorzieningenrechter betrekt daarbij dat, zoals inmiddels is gebleken uit de NFI rapportage, tussen partijen niet in geschil is dat er 5,03 gram is aangetroffen van middelen die op lijst I en lijst IA van de Opiumwet staan.\n\nWas de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?\n\n7. Niet in geschil is dat de volgende middelen zijn aangetroffen:\n\n0,48 gram van een kristalachtig poeder, dat 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n3,57 gram van een kristalachtig poeder en een brokvormige substantie die 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n0,98 gram van een brokvormige witte substantie, dat 4-CMC bevat (clefedron).\n\n2-MMC valt onder lijst IA van de Opiumwet onder de stofgroep ‘Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’. 4-CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 g overschrijdt, mocht de burgemeester in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij was daarom bevoegd om de woning te sluiten.\n\n8. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld conform de “Beleidsregels sluiting en heropening panden\u002Fwoningen Stadskanaal 2025”.\n\nWas de sluiting van de woning noodzakelijk?\n\n9. Verzoekers voeren aan dat van daadwerkelijke handel vanuit de woning niet is gebleken, dat van concrete overdrachten niet is gebleken, noch van structurele aanloop of overlast. Volgens hen heeft de burgemeester volstaan met een verwijzing naar algemene wijkproblematiek, antecedenten en niet-verstrekte informatie.\n\n9.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de politie naar aanleiding van meldingen de woning heeft betreden. Bij het betreden van de woning werden harddrugs en weegschaaltjes aangetroffen. Volgens de burgemeester is het hiermee aannemelijk dat de meldingen over drugshandel inderdaad kloppen. Verzoekers hebben verklaard dat er geen harddrugs in de woning aanwezig was, toch is er vijf gram aangetroffen. Daarnaast heeft hij in het bestreden besluit erop gewezen dat uit (pagina 2 van) de bestuurlijke rapportage volgt dat [adres] in de wijk [wijk] ligt en dat deze omgeving bij de politie bekend staat als sociaal kwetsbaar, met problematiek gerelateerd aan verdovende middelen en alcohol. In de rapportage is vermeld dat de politie in de periode december 2024 tot december 2025 in totaal 373 keer is ingezet voor incidenten in de wijk [wijk] en dat in de afgelopen twee jaar 302 incidenten aan [adres] zijn geregistreerd. Volgens de politie blijkt hieruit dat een groot deel van de incidenten in de wijk [wijk] zich afspeelt aan [adres] en dat [adres] een van de meest kwetsbare straten in de gemeente Stadskanaal is.\n\n9.2.. Naar voorlopig oordeel heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning noodzakelijk was, gelet op de aangetroffen harddrugs, de weegschaaltjes en de kwetsbaarheid van [adres], blijkend uit de cijfers over politie-inzet in de wijk [wijk] in de periode december 2024 tot december 2025. Daarbij wordt nog gewezen op de MMA meldingen, de overlastmeldingen van woningstichting Lefier en de rapportage van de BOA’s.\n\nWas de sluiting van de woning geschikt?\n\n10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van het verzoekschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd aanleiding geeft om de geschiktheid van de sluiting van de woning te toetsen.\n\nWas de sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Verzoekers voeren aan dat hun belangen groot zijn. Zij hebben verwezen naar artikel 8 van het EVRM. Volgens hen is niet gebleken van een acute verstoring van de openbare orde die onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk maakt. Daarnaast verliezen verzoekers gedurende drie maanden hun woning.\n\n11.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet aanvoeren om welke reden de sluiting van hun woning hen onevenredig zwaar raakt. Indien zij hulp nodig hebben om vervangende woonruimte te krijgen, dan kan de burgemeester daar samen met hulpverlenende organisaties in ondersteunen. Echter, de burgemeester heeft hiervan geen verzoek ontvangen.\n\n11.2.. Naar voorlopig oordeel is de sluiting van de woning niet onevenwichtig. Niet is gebleken van een bijzondere binding van verzoekers met de woning. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de woningbouwvereniging ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij aanleiding heeft gezien de huurovereenkomst met verzoekster buitengerechtelijk te ontbinden. Bij de kantonrechter zal worden gevraagd om ontruiming van de woning. Als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, dan gaat de ontruiming door. De woningbouwvereniging voert een zero tolerance-beleid ten aanzien van een overtreding van de Opiumwet zoals hier aan de orde. Zo nodig zal daarom worden gevraagd om een ontbinding door tussenkomst van de burgerlijke rechter, aldus de woningbouwvereniging.\n\n12. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen, omdat het naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.441Z",1,20]