[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-civil-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":50,"limit":51},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},130,"civil-law-nl","Civil Law","NL","2026-07-08T16:57:41.332Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1479","ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","ecli-nl-rbnho-2026-7457","","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 12055610 \\ CV EXPL 26-209\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde stichting\n\nStichting voor Educatie en Beroepsonderwijs (ook genoemd ROC Nova College)\n\ngevestigd te Haarlem\n\neiseres\n\nverder te noemen: Nova College\n\ngemachtigde: [gemachtigde] B.V.\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1], 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2],\n\ngedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden]\n\ngedaagde sub 1 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 2.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - het mondelinge antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] zijn vennoten in de vennootschap onder firma “[bedrijf]” (hierna: de vof).2.2.. Gedaagde sub 1 heeft zich via de website van het Nova College aangemeld voor de VAVO voor het studiejaar 2024-2025 (hierna: de opleiding).2.3.. Op 15 oktober 2024 heeft gedaagde sub 1 verzocht om de factuur met betrekking tot de studiekosten op naam van de vof te laten stellen. In dat verband heeft hij namens de vof een ‘machtiging voor de betaling van cursusgeld door werkgever of instantie’ ondertekend.2.4.. De vof heeft de factuur onbetaald gelaten.2.5.. De vof is per 21 mei 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.3. Het geschil\n\n3.1.. Nova College vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 833,92, vermeerderd met de (verdere) rente en de proceskosten.3.2.. Nova College legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de vof tekort is geschoten in haar betalingsverplichting.3.3.. Gedaagde sub 1 erkent de hoofdsom, maar betwist dat zijn broer (gedaagde sub 2) de vordering moet betalen. Ook betwist hij de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.4. De beoordeling\n\nDe ambtshalve toetsing van het consumentenrecht\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat de onderwijsovereenkomst tussen Nova College en gedaagde sub 1 in beginsel onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU (betreffende consumentenrechten) valt. Met de beslissing tot inschrijving ontstaat tussen instelling en student een overeenkomst waarbij voor beide partijen rechten en plichten ontstaan, zoals die in onder andere de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding en het studentenstatuut zijn vermeld. Dit betekent dat de bepalingen van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Dat de overeenkomst op grond van de Les- en cursusgeldwet verplicht tot inschrijving maakt dit niet anders. Nova College is een handelaar in de zin van artikel 6:230g sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voornoemde richtlijnen zijn van toepassing op alle handelaren, ongeacht of zij publiek of privaat zijn.\n\n4.2.. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.\n\nAmbtshalve toetsing van informatieplichten\n\n4.3.. De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of Nova College de nodige informatie aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst online is gesloten, zijn de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW van toepassing.\n\n4.4.. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voort dat Nova College heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.\n\nAmbtshalve toetsing van algemene voorwaarden:Algemene verkoopvoorwaarden Nova\n\n4.5.. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen, die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. In artikel 3.2 van de algemene voorwaarden staat een rente- en incassobeding opgenomen:\n\n“3.2. Indien een Opdrachtgever in verzuim is, is deze de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) over het openstaande bedrag verschuldigd. Daarnaast is Nova bij verzuim van de Opdrachtgever gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.\n\n4.6.. Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.\n\nDe verdere beoordeling\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde sub 1 op 11 november 2024 namens de vof een derdenmachtiging heeft ondertekend. Daarmee heeft hij rechtsgeldig verklaard dat de vof het cursusgeld voor de opleiding van gedaagde sub 1 zal betalen. Bij een vof zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor alle bedrijfsschulden. Dat blijft ook zo na opheffing van de vof.\n\n4.8.. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 volledig bevoegde vennoten van de vof zijn. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagden] dat gedaagde sub 2 slechts als ‘stille vennoot’ aan de onderneming zou zijn verbonden. Dat betekent dat niet alleen gedaagde sub 1, maar ook zijn broer (gedaagde sub 2) kan worden aangesproken voor de volledige schuld van de vof aan Nova College. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) toewijsbaar is.\n\n4.9.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden (gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) afgewezen.4.10.. De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Nova College van € 711,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 672,00 vanaf 17 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;5.2.. \n\nveroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Nova College tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 146,14\n\ngriffierecht € 350,00\n\nsalaris gemachtigde € 288,00 ;\n\n5.3.. \n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Zie artikel 2 sub c van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG overweging 16 van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU\n\n Artikel 17 Wetboek van Koophandel.\n\n Artikel 18 Wetboek van Koophandel.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:23.013Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1382","ECLI:NL:RBNHO:2026:7433","ecli-nl-rbnho-2026-7433","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12107095 \\ CV EXPL 26-1044\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: IP Nederland Incasso & Juristen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, NINA CARE B.V.,\n\ngevestigd te Haarlem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Nina Care,\n\nverschenen bij haar directeur, [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Nina Care tot betaling van € 2.245,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.\n\n2.2.. \n [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Nina Care tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, op grond waarvan Nina Care een au pair zou leveren aan [eiser]. Er is sprake van een blijvende onmogelijkheid aan de zijde van Nina Care, aangezien de IND de vergunning van het au-pair-bureau heeft ingetrokken. [eiser] vordert daarom terugbetaling van de Self Match Fee (€ 1.705,00) en de verzekering (€ 540,00).2.3.. Nina Care heeft de vordering erkend, maar beroept zich op haar slechte financiële situatie en acute liquiditeitsdruk. Er maken meerdere schuldeisers aanspraak op betaling. Nina Care heeft daarom bewust gekozen voor een uniforme refundregeling met als uitgangspunt gelijke behandeling van schuldeisers. Nina Care verzoekt dan ook om de zaak aan te houden teneinde ruimte te bieden voor een collectieve oplossing, de toewijzing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel een betalingsregeling of nadere termijn te bepalen die aansluit bij de bestaande refundregeling.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Nina Care heeft de vordering tot betaling van de hoofdsom erkend, zodat deze in beginsel voor toewijzing gereed ligt.\n\n3.2.. De kantonrechter stelt vast dat Nina Care op dit moment niet in staat van faillissement verkeert. Dat betekent dat het [eiser] vrijstaat om zijn individuele vordering direct op te eisen. Hij hoeft dus niet te wachten op een collectieve oplossing en is ook niet gebonden aan de door Nina Care eenzijdig opgestelde rangregeling (refundregeling).\n\n3.3.. Nina Care heeft om een betalingsregeling verzocht. [eiser] heeft aangegeven dat hij geen betalingsregeling wil treffen. De wet biedt de kantonrechter niet de mogelijkheid om Nina Care toch een betalingsregeling op te leggen. Dat betekent dat zij het gehele bedrag aan [eiser] moet betalen. De vordering van [eiser] wordt dan ook integraal toegewezen.\n\n3.4.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 407,47 worden toegewezen.\n\n3.5.. Nina Care is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.053,17\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt Nina Care om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.317,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.245,00, met ingang van 3 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,4.2.. veroordeelt Nina Care om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 407,47 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n4.3.. veroordeelt Nina Care in de proceskosten van € 1.053,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Nina Care niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7433","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.003Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"1894","ECLI:NL:RBNHO:2026:3891","ecli-nl-rbnho-2026-3891","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375029 \u002F KG ZA 26-86\n\nVonnis in kort geding van 16 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1],\n\nwonende te [plaats 1], 2. [eiser 2],\n\nwonende te [plaats 2], 3. [eiser 3],\n\nwonende te [plaats 1],\n\n4. [eiser 4],\n\nwonende te [plaats 3],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\nadvocaat: mr. T.G. Griffith,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd te [plaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\nadvocaat: mr. R.J.A.M. Besselink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 13 producties. - de producties 1 t\u002Fm 9 van de VvE - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 - de pleitnota van [eisers] - de pleitnota van de VvE.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 zijn verschenen [eisers], vergezeld van de echtgenote van [betrokkene 1] en bijgestaan door mr. Griffith voornoemd en namens de VvE [betrokkene 2] (bestuurder), bijgestaan door mr. Besselink voornoemd.\n\n1.3.. Nadat partijen het woord gevoerd hebben is de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden voor de duur van twee weken in afwachting van uitlating namens [eisers] over de gewenste voortgang van de zaak.\n\n1.4.. Bij brief van 1 april 2026 heeft mr. Griffith meegedeeld dat partijen ondanks serieuze inspanningen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en verzocht om vonnis te wijzen.\n\n1.5.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] zijn allen eigenaar van een appartementsrecht in het appartementengebouw [naam] te [plaats 2] en derhalve lid van de VvE.\n\n2.2.. De VvE is op 30 november 2020 opgericht bij akte van ondersplitsing in appartementsrechten. Het beheer van de VvE wordt sinds de oprichting verzorgd door [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]).\n\n2.3.. Op 8 oktober 2025 heeft een algemene ledenvergadering (ALV) plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering zijn onder meer besluiten genomen tot benoeming van nieuwe bestuursleden, de aanstelling van [bedrijf 2] als nieuwe beheerder van de VvE, aanstelling van [betrokkene 3] voor tuinonderhoud, aanschaf van een weersensor, het lidmaatschap van VvE Belang, de aanschaf van nieuwe mededelingenborden, het afschalen van Intersafe, de af te sluiten nieuwe verzekering en het aanstellen van een nieuw schoonmaakbedrijf.\n\n2.4.. \n\nVoor bepaalde besluiten werd volgens het bestuur het vereiste quorum niet behaald.\n\nOp 27 oktober 2025 is een tweede ALV gehouden waarin de betreffende agendapunten opnieuw ter stemming zijn gebracht.\n\n2.5.. Twee eigenaren hebben als de zogenoemde controlecommissie de rechtsgeldigheid van de uitgebrachte stemmen gecontroleerd. Zij hebben geconcludeerd dat een aantal stemmen als ongeldig moet worden beschouwd, vanwege ontbrekende handtekeningen op volmachten, ontbrekende handtekeningen op de presentielijst en onvoldoende koppeling tussen de stem en een geldig vertegenwoordigd appartementsrecht. De twee eigenaren hebben in een e-mail van 9 november 2025 de gevolgen voor de genomen besluiten als volgt weergegeven:\n\nOm de besluitvorming zorgvuldig en transparant af te ronden, wordt voorgesteld om onderscheid te maken tussen besluiten waarbij de ongeldige stemmen geen materiële invloed hebben op de uitslag, en besluiten waarbij dit wel het geval is.\n\nBesluiten die kunnen worden vastgesteld (minder dan 5.000 tegenstemmen):\n\nNieuwe bestuursleden\n\nNieuwe beheerder ([bedrijf 2])\n\nTuinonderhoud [betrokkene 3]\n\nWeersensor\n\nLidmaatschap VvE Belang\n\nNieuwe mededelingenborden\n\nBesluiten die opnieuw besluitvorming vereisen (invloed van ongeldige stemmen):\n\nIntersafe\n\nNieuwe verzekering\n\nSchoonmaakbedrijf\n\n2.6.. Op 11 november 2025 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden en heeft een groot deel van de bestuursleden, zijnde [eisers], hun taken per direct neergelegd. Op 12 november 2025 heeft [bedrijf 1] de eigenaren per brief hierover geïnformeerd.\n\n2.7.. Op 16 maart 2026 is op een ALV [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) benoemd tot bestuurder.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisers] vorderen - samengevat –voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. aanstelling van [bedrijf 2], althans een beheerder, als tijdelijk bestuur van de VvE voor een termijn van twee jaar, althans een termijn de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, totdat in een ALV definitief over de aanstelling van een bestuur kan worden gestemd;\n\nII. te bepalen dat de voorgedragen bestuursleden, althans onder meer de volgende bestuursleden [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10], voorlopig geen deel zullen uitmaken van het nieuw te vormen bestuur;\n\nIII. te bepalen dat voorlopig geen ALV-vergadering zal plaatsvinden, althans dat tijdens de vergadering geen besluiten kunnen worden genomen over de benoeming van bestuursleden;\n\nIV. te bepalen dat de rechtsgeldige besluiten (tot benoeming van nieuwe bestuursleden, de aanstelling van [bedrijf 2] als nieuwe beheerder van de VvE, aanstelling van [betrokkene 3] voor tuinonderhoud, aanschaf van een weersensor, lidmaatschap VvE Belang, aanschaf van nieuwe mededelingenborden) die tijdens de ALV vergadering van 8 oktober 2025 zijn genomen, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zullen worden uitgevoerd;\n\nV. te bepalen dat de rechtsgeldige besluiten (tot het afschalen van Intersafe, de af te sluiten nieuwe verzekering en het aanstellen van een nieuw schoonmaakbedrijf) die tijdens de ALV vergadering van 8 oktober 2025 zijn genomen, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zullen worden uitgevoerd;\n\nVI. de VvE te veroordelen om binnen 14 dagen opdracht te geven aan [bedrijf 1] om tijdelijk de taken neer te leggen en overdracht te doen aan [bedrijf 2] van onder andere de boekhouding en alles wat daarbij hoort opdat een VvE-beheerder haar taken naar behoren kan uitvoeren;\n\nVII. een dwangsom op te leggen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft met de nakoming van het onder I tot en met VI gevorderde, met een maximum van € 50,000,-;\n\nVIII. de VvE te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na het vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n3.2.. \n [eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De rechtsgeldig genomen besluiten op de ALV van 8 en 27 oktober 2025 dienen te worden uitgevoerd. ***\n\n3.3.. VvE voert verweer. VvE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. VvE voert het volgende aan.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. \n [eisers] hebben in de dagvaarding van 9 maart 2026 gesteld dat zij spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen omdat een goed functionerend bestuur van de VvE ontbreekt en er onduidelijkheid bestaat over het financieel beheer, wat risico’s meebrengt voor de leden van de VvE. Daarbij hebben zij aangevoerd dat een nog te plannen ALV zal plaatsvinden met leden die nauw verbonden zijn met het voormalig bestuur en dat uitvoering van rechtsgeldige besluiten uitblijft.\n\n4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 is aan de orde geweest dat [betrokkene 2] in een op 16 maart 2026 gehouden ALV met overgrote meerderheid van stemmen is benoemd tot nieuwe voorzitter van de VvE. Dit betekent dat ten tijde van de mondelinge behandeling op rechtsgeldige en democratische wijze was voorzien in het bestuur van de VvE, zodat [eisers] niet langer spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vorderingen. Dat [eisers] het mogelijk niet eens zijn met de benoeming van deze nieuwe bestuurder, maakt dit niet anders.\n\n4.4.. Beide partijen zijn er momenteel het meest bij gebaat dat de onderlinge communicatie binnen de VvE weer in meer normale banen gebracht zal worden, op de wijze als in de statuten voorzien. Aan [betrokkene 2] moet enige tijd gegund worden om dat doel te bereiken.\n\n4.5.. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang.\n\n4.6.. \n [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n1604","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3891","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.205Z",1,20]