[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-consumer-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":57,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},29,"consumer-law-nl","Consumer Law","NL","2026-07-08T16:53:14.161Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-09-10T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1256","ECLI:NL:RBNHO:2026:7709","ecli-nl-rbnho-2026-7709","","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Bewind\n\nlocatie Alkmaar\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11884838 \\ CV EXPL 25-3312\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVerstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nProfile Tyrecenter Groet B.V.,mede handelend onder de naam Profile Tyrecenter Den Helder\n\nte Den Helder\n\nde eisende partij\n\ngemachtigde: mr. G. David\n\ntegen\n\n [gedaagde]\n\nte [plaats]\n\nde gedaagde partij\n\nniet verschenen\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Bij tussenvonnis van 21 januari 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing van de algemene voorwaarden\n\n2.1.. Uit de akte blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden consumenten van Vereniging VACO’ (hierna: de algemene voorwaarden).\n\n2.2.. Artikel 8 onder c van de algemene voorwaarden betreft een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt: ‘c. Ingeval van wanbetaling van de consument heeft de VACO-leverancier het recht om aan de consument vanaf het moment van verzuim wettelijke rente in rekening te brengen. De consument is tevens incassokosten verschuldigd indien aan een schriftelijke aanmaning van de VACO-leverancier met een termijn van minimaal 14 dagen door de consument geen gehoor wordt gegeven, de incassokosten bedragen minimaal € 40,- en maximaal € 6.775,-, het exacte bedrag van de incassokosten vermeldt de VACO-leverancier in de aanmaning.’\n\n2.3.. Hoewel het beding enigszins onduidelijk is geformuleerd omdat in het algemeen spraakgebruik de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt wordt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel) en de term ‘incassokosten’ in de wettelijke regeling ook niet voorkomt, blijkt uit de formulering van het beding voldoende dat de eisende partij heeft beoogd om daarmee aan te sluiten bij de wettelijke regeling. Daarom wordt er niet afgeweken van de wettelijke regeling en is het beding niet onredelijk bezwarend. De kantonrechter volgt de eisende partij dan ook in haar standpunt dat het beding niet oneerlijk is.\n\n2.4.. Het beding is ook een rentebeding. Dat gedeelte van het beding is door de kantonrechter getoetst en evenmin oneerlijk bevonden.\n\nWat is toewijsbaar?\n\n2.5.. Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 1.455,23 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 1.819,04 x 0.80).\n\n2.6.. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 218,28.\n\n2.7.. De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.2.8.. De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.673,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.455,23 vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;3.2.. \n\nveroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 120,78;\n\ngriffierecht € 385,00;\n\nsalaris gemachtigde € 217,00;\n\n3.3.. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst de vordering voor het overige af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7709","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:12.390Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1430","ECLI:NL:RBNHO:2026:7436","ecli-nl-rbnho-2026-7436","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12049496 \\ CV EXPL 26-165\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde stichting I RESPECT ANIMALS (SIRA)\n\ngevestigd te Lisserbroek,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: SIRA,\n\ngemachtigde: [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [eiser] heeft via SIRA een herdershond genaamd Sombra gekocht voor een bedrag van € 535,00. In de koopovereenkomst staat (onder meer): “(…) Koper verklaart tevens:* Bekend en akkoord te zijn met de op deze overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden en verklaart een kopie van de voorwaarden en het en herroepingsformulier te hebben ontvangen.\n\n(…) Indien sprake is van een verkoop op afstand attenderen wij u op uw herroepingsrecht: U heeft recht op 14 dagen bedenktijd voor het retourneren, zonder opgaaf van redenen vanaf het moment van overdracht van de hond.”2.2.. In de plaatsingsvoorwaarden staat (voor zover relevant):\n\n“Herroeping\n\nDe wet ziet een dier helaas als een ding en daarmee kunt u dus gebruik maken van uw herroepingsrecht.\n\nUitleg herroepingsrecht: U heeft het recht om binnen een termijn van 14 dagen zonder opgave van redenen de overeenkomst te herroepen vanaf de datum van overdracht.\n\nOm gebruik te maken van uw herroepingsrecht kunt u het product (het dier) inclusief het ingevulde en ondertekende herroepingsrecht binnen uiterlijk 14 dagen na de overdracht dat u een beroep doet op uw herroepingsrecht terugsturen\u002Fgeven.\n\nTerugbetaling\n\nIn geval van een herroeping ontvangt u alle gemaakte kosten door het asiel inclusief leveringskosten en heenzending, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 14 dagen nadat u heeft aangegeven gebruik te willen maken van het herroepingsrecht.\n\nU heeft maximaal 14 dagen de tijd om het product (het dier) te retourneren aan Stichting I Respect Animals nadat u dat kenbaar heeft gemaakt.\n\nU draagt zelf de kosten voor de retourzending.\n\nDeze kosten bedragen €450,00 inclusief btw (retour Spanje of Portugal) en worden verrekend met de aankoopsom.”2.3.. Op 14 november 2025 heeft [betrokkene] (medewerkster van SIRA) aan [eiser] geschreven:\n\n“Goedemorgen, ben je wakker? Ze hebben me net gebeld van de dierenarts waar Sombra was. Gisterenmiddag toen ze haar aan me meegaven, was een van de medewerkers die er vandaag wel is, er niet. Hij heeft me gezegd dat ze twee kleine bultjes op haar buik heeft. Dat toen ze werd gered, ze dermatitis had en door het krabben heeft ze die bultjes gekregen, maar tot nu toe waren ze niet teruggekomen. En de medewerker van de dierenarts heeft gezien dat ze gisteren begonnen terug te komen. Hij heeft mij er niets over gezegd omdat hij dacht dat ik haar vandaag pas zou meenemen en hij het me dan wilde vertellen.\n\nJe weet dat ik de dingen graag goed doe. Hij heeft gezegd dat hij vanmorgen een verslag voor me maakt. Ik vind het niet prettig om honden te sturen die iets hebben zonder het te zeggen ☹. Als je wilt kan ik met het transport praten en haar ophalen, en wanneer ze helemaal genezen is kan ze reizen. Maar mijn dierenarts zegt dat het vanzelf weer opgenomen wordt.\n\nHet spijt me, het schijnt door het krabben te komen en het zal vanzelf weer wegtrekken, maar ik doe de dingen graag goed. Als ik Sombra moet ophalen, ga ik, geen probleem. Het spijt me echt dat ik het niet heb opgemerkt, je weet dat ik dingen altijd graag goed doe.”\n\n2.4.. \n [eiser] heeft de koopovereenkomst nog dezelfde dag ontbonden met een beroep op haar herroepingsrecht.2.5.. SIRA heeft een bedrag van € 85,00 aan [eiser] gerestitueerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] stelt dat zij recht heeft op volledige terugbetaling van het aankoopbedrag van de hond, en vordert daarom veroordeling van SIRA tot betaling van € 450,00.\n\n3.2.. SIRA voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Zij voert aan dat Sombra zich ten tijde van de herroeping reeds in transit naar Nederland bevond. [eiser] is conform de ondertekende overeenkomst en bijbehorende voorwaarden verantwoordelijk voor de kosten van de retourzending.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar (SIRA) en een consument ([eiser]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de bepalingen van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat houdt onder meer het volgende in.\n\nOp grond van artikel 6:230m lid 1 onder h BW moet de consument erop worden gewezen dat hij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Daarbij moet worden gewezen op de voorwaarden, termijn en modaliteiten voor het herroepingsrecht en dient het modelformulier verstrekt te worden. Daarnaast moet de consument op grond van artikel 6:230m lid 1 onder i BW worden gewezen op de kosten van terugzending van zaken bij ontbinding.\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het herroepingsrecht tijdig heeft ingeroepen. Dat betekent dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en [eiser] in beginsel recht heeft op volledige terugbetaling van het aankoopbedrag van de hond. Het antwoord op de vraag of sprake is van dwaling en of non-conformiteit, kan dan ook in het midden blijven.\n\n4.3.. De volgende vraag die voorligt, is of [eiser] de retourkosten van € 450,- aan SIRA dient te vergoeden. SIRA heeft in dit verband verwezen naar de plaatsingsvoorwaarden, waarin staat dat de koper bij retourzending verantwoordelijk is voor de kosten daarvan (zie 2.2). De kantonrechter overweegt daarover als volgt.\n\n4.4.. Op grond van het Tiketa-arrestmag precontractuele informatie (zoals informatie over de kosten bij retourzending) weliswaar in de (algemene) voorwaarden worden opgenomen, maar dan moet de consument daar wel op actieve wijze zijn of haar goedkeuring aan verlenen en moet die informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze ter kennis van de consument worden gebracht. Dat betekent dat de consument erop moet worden gewezen dát (en waar) deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. [eiser] is tijdens het aankoopproces onvoldoende concreet gewezen op het feit dat (en waar) voormelde informatie over de kosten bij retour in de plaatsingsvoorwaarden te vinden is. Ook is in de schriftelijke koopovereenkomst geen informatie (en\u002Fof een concrete verwijzing naar een onderdeel van de plaatsingsvoorwaarden) te vinden over de kosten in het geval van een retourzending. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de retourkosten niet zijn verschuldigd. De conclusie is dan ook dat SIRA de retourkosten ten onrechte heeft verrekend met de te ontvangen terugbetaling.\n\n4.5.. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen.\n\n4.6.. SIRA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n148,04\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\nTotaal\n\n€\n\n241,04\n\n4.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt SIRA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 450,00,\n\n5.2.. veroordeelt SIRA in de proceskosten van € 241,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SIRA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SIRA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n HvJ EU 24 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:112.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7436","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.705Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"990","ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","ecli-nl-rbnho-2026-7233","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11210520 \\ CV EXPL 24-4951\n\nUitspraakdatum: 17 juni 2026\n\nTussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n[eiser 1][eiser 2]\n\n[eiser 3]allen wonende te [plaats]\n\neisers\n\ngemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nSingapore Airlines Ltd.\n\ngevestigd te Singapore\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers)\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 27 augustus 2025;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van de vervoerder;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.2. Inleiding2.1.. In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en dat alle beslissingen in deze procedure worden aangehouden in afwachting van het oordeel van het Hof.\n\n2.2.. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de formulering van de prejudiciële vragen die de kantonrechter in het tussenvonnis heeft voorgesteld. Eisers en de vervoerder hebben daarop bij akte gereageerd. In dit vonnis zal de kantonrechter de definitieve vragen formuleren en het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing te nemen .3. De feiten3.1.. Eisers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport (hierna: de luchthaven), via Singapore, naar Cebu City, Filipijnen, met vluchtcombinatie SQ323 en SQ8556.3.2.. In de periode april 2022 tot eind 2022 had de luchthaven te kampen met een personeelstekort bij de beveiligingsbalies. Hierdoor ontstonden lange wachtrijen op de luchthaven, die tot buiten de terminal reikten.3.3.. De luchthaven heeft daarom vanaf juni 2022 haar capaciteit voor het aantal vertrekkende passagiers beperkt. Van deze capaciteitsbeperking heeft zij via Airport Coordination Netherlands (hierna: ACNL) mededeling gedaan aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen.3.4.. ACNL heeft in opdracht van de luchthaven een maximumaantal vertrekkende passagiers per dag per luchtvaartmaatschappij opgelegd. Ook de vervoerder moest als gevolg hiervan op 11 juli 2022 het aantal vertrekkende passagiers beperken.3.5.. Het aantal boekingen voor vlucht SQ323 van Amsterdam naar Singapore van 11 juli 2022 (hierna: de vlucht) overschreed het maximumaantal passagiers dat door ACNL was opgelegd. De vervoerder heeft aan de reductieverplichting van ACNL voldaan door het aantal boekingen voor de vlucht in kwestie te verminderen. De vlucht is niet geannuleerd.3.6.. Op 30 juni 2022 zijn de bevestigde boekingen van eisers voor de vlucht geannuleerd en zijn zij geïnformeerd dat zij niet mee mochten vliegen met de vlucht.3.7.. Eisers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.3.8.. De vervoerder heeft niet uitbetaald.4. Het geschil\n\n4.1.. Eisers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.4.2.. Eisers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof. Eisers stellen dat de vervoerder hen vanwege een instapweigering op de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.4.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden.Hij stelt zich op het standpunt dat de verplichting van de luchthaven om het aantal passagiers op de vlucht te beperken, geldt als een redelijke grond voor de instapweigering.5. De beoordeling\n\n5.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.5.2.. Zowel de vordering van eisers als het verweer van de vervoerder zijn direct en uitsluitend gebaseerd op de Verordening. Er zijn geen nationale bepalingen op de zaak van toepassing.5.3.. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een instapweigering die recht geeft op compensatie in de zin van de Verordening, moet in dit geval uitsluitend worden beoordeeld of de vervoerder redelijke gronden had om eisers de instap te weigeren.Deze redelijke gronden kunnen onder meer redenen zijn die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging of ontoereikende reisdocumenten.Het Hof heeft geoordeeld dat het hierbij gaat om een niet-limitatieve lijst.5.4.. Een relevante nationale uitspraak betreft het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2024.Daarin oordeelde deze dat een door de luchthaven opgelegde doelstelling om het aantal passagiers te verminderen, een grond voor instapweigering betrof die te maken had met de veiligheid op de luchthaven en daarmee een redelijke grond voor een instapweigering was.5.5.. Eisers stellen dat geen sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Zij voeren aan dat het bij redelijke gronden moet gaan om redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen. In dit geval was het niet aan eisers toerekenbaar dat zij niet in mochten stappen. De vervoerder stelt dat wel sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Hij voert aan dat de door ACNL doorgevoerde capaciteitsbeperking in het belang van de veiligheid op de luchthaven was en hem niet kan worden verweten.5.6.. De kantonrechter ziet zowel aanknopingspunten voor de conclusie dat de uitleg die eisers voorstaan juist is, als voor de conclusie dat de uitleg die de vervoerder voorstaat juist is. Het Hof heeft over de context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening geoordeeld dat de bedoeling van de Uniewetgever was om het aantal passagiers dat tegen hun wil niet aan boord mocht gaan te verminderen, en dat deze daarom elke verwijzing heeft weggelaten naar de reden waarom een luchtvaartmaatschappij een passagier niet aan boord laat gaan.Tegen die achtergrond heeft het Hof de zienswijze dat enkel de gevallen van overboeking onder het begrip instapweigering vallen afgewezen, omdat die tot gevolg heeft dat passagiers die zich in een niet aan hen toerekenbare situatie zoals overboeking om economische redenen bevinden, elke vorm van bescherming verliezen.5.7.. Eveneens heeft het Hof geoordeeld dat een reorganisatie in vluchten vanwege buitengewone omstandigheden niet vergelijkbaar is met die welke uitdrukkelijk in artikel 2, sub j, van verordening nr. 261\u002F2004 zijn vermeld, aangezien deze niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen.In het licht hiervan heeft het Hof, onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak dat uitzonderingen op bepalingen die rechten verlenen aan passagiers strikt moeten worden uitgelegd,geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een luchtvaartmaatschappij zich kan bevrijden van haar verplichting tot compensatie bij instapweigering op de grond dat deze weigering voortvloeit uit de reorganisatie van haar vluchten wegens buitengewone omstandigheden.Dit pleit er naar het oordeel van de kantonrechter voor om het begrip ‘redelijke gronden’ strikt uit te leggen, in die zin dat daarvan alleen sprake is in het geval van redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen.5.8.. De hiervoor weergegeven context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening laten echter de mogelijkheid open van een uitleg waarbij een reden die niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen, maar ook niet verwijtbaar is aan de vervoerder, geldt als een redelijke grond als bedoeld in artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening. Een instapweigering die voortvloeit uit een aan de vervoerder door de leiding van een luchthaven opgelegde verplichting om het aantal passagiers in verband met de veiligheid te beperken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar aan de vervoerder. Van een instapweigering in de zin van voormelde bepaling zou in gevallen als deze alleen sprake zijn indien geoordeeld moet worden dat de instapweigering niettemin aan de vervoerder moet worden toegerekend.5.9.. Gelet op het bovenstaande rijst de vraag hoe de begrippen ‘instapweigering’ en ‘redelijke gronden’ in de zin van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening moeten worden uitgelegd, meer specifiek of daarvan sprake kan zijn als een luchtvaartmaatschappij een passagier de instap weigert op een vlucht omdat de luchthaven hem in verband met de veiligheid op de luchthaven heeft verplicht om het aantal passagiers op die dag te verminderen.5.10.. Zoals hierboven is toegelicht volgt het antwoord niet uit de bestaande rechtspraak van het Hof en is de juiste uitleg van de Verordening niet evident. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de uitleg van de artikelen 2 en 4 van de Verordening.\n\n5.11.. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing De kantonrechter:6.1.. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wege van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:\n\n1. Verzet artikel 2 aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 4 van de Verordening zich tegen een uitleg waarbij van ‘instapweigering’ die recht geeft op compensatie sprake is in alle gevallen waarin de redenen van instapweigering niet toerekenbaar zijn aan de passagiers die tegen hun wil de toegang tot een vlucht is geweigerd?\n\nIndien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:\n\n2. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden verwijtbaar zijn aan de luchtvaartmaatschappij?\n\nIndien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt:\n\n3. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden aan de luchtvaartmaatschappij moeten kunnen worden toegerekend?6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 2 aanhef en onder j, artikel 4 lid 3 en artikel 7 lid 1 aanhef en onder c van de Verordening.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 26 oktober 2023, C-238\u002F22, ECLI:EU:C:2023:815, punt 39.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 30.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628, ro. 4.10.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 20 en 21.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 24.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 33.\n\n HvJEU 22 december 2008, C-549\u002F07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 38.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","2026-07-13T00:28:57.807Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"1899","ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","ecli-nl-rbnho-2025-15617","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11334484 \\ CV EXPL 24-6944\n\nUitspraakdatum: 10 september 2025\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n1. [eiser 1],\n\n2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats]\n\neisers\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de passagiers\n\ngemachtigde: [gemachtigde] L.L.B.\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nTuristik Hava Tasimacilik Anonim Sirketihandelend onder de naamCorendon Airlines,\n\ngevestigd te Antalya (Turkije)\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. B.S. Friedberg\n\nDe zaak in het kort\n\nDe vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer slaagt niet. De passagiers waren er niet van op de hoogte dat de vervoerder hen voor het uitbrengen van de dagvaarding had gecompenseerd. Zij hebben de vervoerder daarom ook nadat hij hen had gecompenseerd meermaals aangeschreven met het verzoek tot compensatie. De vervoerder heeft de passagiers pas na het uitbrengen van de dagvaarding geïnformeerd over de verrichte betaling. De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding:\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de conclusie van repliek;\n\n- de conclusie van dupliek; - de akte eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 7 september 2022 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Antalya (Turkije), met vlucht XC1922 (hierna: de vlucht).2.2.. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.2.3.. De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De passagiers vorderen – na wijziging van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - de wettelijke rente over € 800,00 vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.3.2.. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Nu de vervoerder reeds heeft gecompenseerd, vordert de passagier betaling van de wettelijke rente over de compensatie, rente en kosten.3.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat hij niet kan worden gehouden tot betaling van de proceskosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.4.2.. De wettelijke rente over de bij dagvaarding gevorderde compensatie is toewijsbaar zoals gevorderd.4.3.. De vervoerder voert aan dat hij rauwelijks is gedagvaard, zodat de passagiers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de gevorderde proceskosten. De vervoerder heeft de passagiers op 21 maart 2024 gecompenseerd, waarna zij op 5 september 2024 deze procedure zijn gestart.4.4.. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van rauwelijks dagvaarden. Uit de door de passagiers overgelegde stukken volgt dat zij de vervoerder ná 21 maart 2024 meermaals hebben aangeschreven met het verzoek tot betaling van compensatie over te gaan, waaruit naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval volgt dat de passagiers niet op de hoogte waren van de uitbetaling door de vervoerder. Ontvangst van deze aanschrijvingen is door de vervoerder niet betwist. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om na ontvangst van een van deze aanschrijvingen contact op te nemen met (de gemachtigde van) de passagiers, om zo deze gerechtelijke procedure te voorkomen. Omdat hij dit heeft nagelaten, komen de proceskosten in beginsel voor zijn rekening. Hetgeen partijen hebben aangevoerd omtrent het opgegeven referentienummer behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.4.5.. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.4.6.. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.4.7.. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 120,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 7 september 2022 en over € 120,00 vanaf 5 september 2024 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;5.2.. \n\nveroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:\n\ndagvaarding € 135,97; griffierecht € 218,00; salaris gemachtigde € 270,00;\n\nvermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;5.1.. \n\nwijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15617","2026-01-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.453Z",1,20]