[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-environmental-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2021-06-07T00:00:00.000Z","2021-11-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123816","Algemene wet bestuursrecht","art. 4:6",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1465","ECLI:NL:RBNHO:2021:9943","ecli-nl-rbnho-2021-9943","","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 20\u002F5621\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2021 in de zaak tussen\n\n [eiser], te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Q.W.J. de Ruijter),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder\n\n(gemachtigde: J. Benz).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 8 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om de woningen in het pand aan [straat] [# 1] , [# 2] , [# 3] , [# 4] , [# 5] , [# 6] , [# 7] , [# 8] , [# 9] , [# 10] en [# 11] (de woningen) bij de reguliere geluidsaneringsprojecten te betrekken, dan wel voor de woningen een separaat saneringstraject te starten en indien noodzakelijk de woningen te voorzien van geluidwerende voorzieningen, met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.\n\nIn het besluit van 8 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, met aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 7 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Feiten en omstandigheden1.1.. Eiser heeft op 2 mei 2018 verzocht om de woningen bij de reguliere geluidsaneringsprojecten te betrekken dan wel voor de woningen een separaat saneringstraject te starten en indien noodzakelijk de woningen te voorzien van geluidwerende voorzieningen.\n\n1.2.. Verweerder heeft bij brief van 27 juni 2018 gereageerd op dat verzoek en aan eiser bericht dat de woningen terecht niet als saneringswoningen zijn gemeld. De brief bevat geen rechtsmiddelenclausule.\n\n1.3.. Eiser heeft op 8 december 2018 opnieuw verzocht om de woningen aan te merken als saneringswoningen. Verweerder heeft bij e-mail van 17 januari 2019 aan eiser bericht dat zijn vraag is doorgezonden aan de Omgevingsdienst Noord-Holland. De omgevingsdienst reageert op de vraag van eiser met de mededeling dat de woningen terecht niet gemeld zijn als saneringswoningen.\n\n1.4.. Eiser heeft op 1 maart 2019 een aanvraag ingediend om de woningen aan te merken als saneringswoningen. Eiser heeft daarbij een voor [straat] [# 3 t\u002Fm #7] - [#8 t\u002Fm # 11] verleende bouwvergunning van 17 juni 1988overgelegd en een door ‘ [bedrijf] B.V.’ uitgevoerd onderzoek dat is neergelegd in een memo van bevindingen van 4 december 2018. Daarop is beslist zoals dat onder het procesverloop is opgenomen.\n\n2. Primair besluit2.1.. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat met het verzoek van eiser van 1 maart 2019 sprake is van een herhaald verzoek ten opzichte van de eerdere aanvraag van 2 mei 2018. Er zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld in het herhaalde verzoek. Verweerder heeft het daarom met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Verder staat onder het kopje ‘ten overvloede’ dat verweerder ‘uit coulance’ een toelichting geeft waarom de argumenten van eiser geen aanleiding geven om de woningen te betrekken bij een geluidsaneringsproject.\n\n3. Standpunten van partijen3.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 27 juni 2018 een (eerder) besluit is in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Aan de brief ligt een aanvraag ten grondslag waarop beslist is en waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Dat onder die brief geen rechtsmiddelenclausule staat doet daar niet aan af.\n\nVerder stelt verweerder dat er geen nieuwe feiten naar voren zijn gebracht. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en stelt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.Verweerder is van opvatting dat de door eiser overgelegde bouwvergunning uit 1988 niet aangemerkt kan worden als nieuw feit omdat het dateert van voor het eerdere besluit. Dat door eiser op een later moment kennis is genomen van een reeds bestaande vergunning kan niet als een nieuw feit worden aangemerkt want de vergunning bestond al langere tijd. Bovendien is bij de eerdere beoordeling door verweerder al rekening gehouden met deze bouwvergunning. Verder is voor verweerder niet duidelijk met welke intentie de memo van bevindingen is ingediend omdat het inhoudelijk overeenkomt met het eerdere verzoek.\n\nVerweerder concludeert daarom dat sprake is van een herhaalde aanvraag en dat deze aanvraag vereenvoudigd kon worden afgedaan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Wat betreft het kopje ‘ten overvloede’ stelt verweerder dat dit een onverplichte voorlichting is wat niet kan worden opgevat worden als een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.\n\n3.2.. \n\nEiser betwist dat sprake is van een herhaald verzoek. Aan eiser is niet bekend gemaakt dat de brief van 27 juni 2018 een appellabel besluit is. De brief is opgevat als een ambtelijke reactie, mede omdat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt. Eiser heeft nu juist het verzoek van 1 maart 2019 ingediend met als doel een appellabel besluit te krijgen. Verder heeft eiser na 27 juni 2018 regelmatig contact gehad met een medewerker van verweerder en maakt daaruit op dat sprake was van ‘dossiervorming’ en nog geen besluit was genomen. Ten slotte wijst eiser op het besluit van 9 mei 2017 waarmee verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat geen rechtsbescherming openstaat tegen het besluit tot vaststelling van het saneringsprogramma.\n\nVerder heeft eiser de memo van bevindingen ingediend met als doel het verstrekken van informatie waarom de woningen alsnog als saneringswoningen dienen te worden aangemeld. Bij de eerdere aanvraag van 2 mei 2018 beschikte eiser nog niet over de bouwvergunning van 1988, reden waarom het verzoek op basis van nieuwe informatie is gedaan. Volgens eiser is daarmee sprake van nieuwe feiten en omstandigheden.\n\nIn de laatste plaats voert eiser aan dat zijn verzoek op inhoudelijke gronden is afgewezen. Dat verweerder dit ‘ten overvloede’ heeft gemeld doet daaraan niet af. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdelingen voert aan dat omdat het verzoek op inhoudelijke gronden is afgewezen, de bestuursrechter het bestreden besluit dient te toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit op dat verzoek.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nInhoudelijke heroverweging of toepassing 4:6 Awb?4.1.. De rechtbank stelt vast dat het uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. De keuze die het bestuursorgaan in het voorliggende geval maakt is van belang voor het toetsingskader dat de rechtbank zal hanteren.\n\n4.2.. Verweerder heeft in het primaire besluit onder het kopje ‘ten overvloede’ toegelicht waarom de argumenten in het verzoek van eiser van 1 maart 2019 geen aanleiding geven om de woningen te betrekken bij een (regulier) geluidssaneringsproject. Volgens eiser heeft verweerder daarmee inhoudelijk gereageerd op zijn verzoek. De rechtbank volgt dat standpunt niet omdat uit de opbouw van het besluit blijkt dat het verzoek vereenvoudigd wordt afgedaan. Onder het eerste kopje ‘herhaald verzoek’ wordt artikel 4:6 van de Awb genoemd met daarna een uiteenzetting waarom sprake is van een herhaalde aanvraag. Onder het afsluitende kopje ‘conclusie’ staat dat de aanvraag afgewezen wordt onder verwijzing naar het besluit van 27 juni 2018. Het besluit is daarmee niet opgebouwd aan de hand van inhoudelijk dragende argumenten en uit de termen ‘coulance’ en ‘ten overvloede’ blijkt duidelijk dat het daarin opgenomen standpunt een extraatje is. De rechtbank is daarom van oordeel dat wat verweerder ten overvloede heeft overwogen niet maakt dat geen sprake is van vereenvoudigde afdoening. Het toetsingskader is dus in dit geval artikel 4:6 Awb.\n\n4.3.. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de aanvrager is gehouden om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Lid 2 bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.\n\nIs er sprake van een eerder besluit?4.4.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de brief van 27 juni 2018 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat in de brief van 27 juni 2018 duidelijk wordt gerefereerd aan het verzoek van eiser van 2 mei 2018. Uit de brief blijkt dat ook gereageerd wordt op dat verzoek omdat het begint met ‘in antwoord op uw brief’. Bovendien staat in het besluit dat de woningen niet op de saneringslijst staan en niet in aanmerking komen voor de subsidieregeling.Om deze reden zijn de woningen niet opgenomen in het ontwerp-saneringsprogramma, zo luidt het besluit. En als conclusie staat in het besluit datde woningen terecht niet zijn aangemeld als saneringswoningen. Hiermee heeft verweerder afwijzend op het verzoek gereageerd. Hiermee is de brief van 27 juni 2018 gericht op rechtsgevolg en dus een besluit.\n\nDat het besluit van 27 juni 2018 niet is voorzien van een rechtsmiddelenclausule maakt dat niet anders. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het al dan niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule niet van doorslaggevende betekenis voor het bepalen van het besluitkarakter. Dat na dit besluit nog contact is geweest tussen eiser en verweerder maakt dit evenmin anders. Dat verweerder heeft gesteld dat tegen het besluit tot vaststelling van het saneringsprogramma geen rechtsbescherming open staat, wat daar ook van zij, maakt ook niet dat de brief van 27 juni 2018 geen besluit is, omdat de vaststelling van het saneringsprogramma een apart besluit is dat in de onderhavige procedure niet voor ligt.\n\nZijn er nieuwe feiten en\u002Fof veranderde omstandigheden aangevoerd?4.5.. \n\nDe aanvrager is gehouden de nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in zijn aanvraag te vermelden. Van nieuw gebleken feiten of omstandigheden is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede als het gaat om bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een nieuwe toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Voldoende is dat de als nieuw aangevoerde feiten of omstandigheden bij de vorige beschikking niet bekend waren. Niet noodzakelijk is dat de feiten of omstandigheden dateren van na het tijdstip van de vorige beschikking.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de bouwvergunning al bij het vorige besluit bij verweerder bekend was. Dit blijkt uit het besluit van 27 juni 2018 waarin staat dat dossieronderzoek is gedaan waaruit de bouwvergunning van 1988 naar voren is gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze bouwvergunning niet aangemerkt kan worden als nieuw feit en de daarop gebaseerde bevindingen eveneens niet. De memo is weliswaar opgesteld na het eerdere besluit, maar vermeld geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.\n\n4.6.. Ingevolge artikel 4:6, tweede lid van de Awb kan het bestuursorgaan de aanvraag, als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.\n\nIs het evident onredelijk om niet terug te komen op het eerdere besluit?4.7.. \n\nOngeacht het oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij de herhaalde aanvraag vereenvoudigd af kon doen, kan de rechtbank aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het evident onredelijk is om niet terug te komen op het besluit van 27 juni 2018.\n\nDe woningen van eiser komen – kort gezegd – niet in aanmerking voor de subsidieregeling, omdat verweerder deze woningen in de jaren ’90 niet op de saneringslijst heeft geplaatst. Verweerder heeft de woningen van eiser niet op de saneringslijst gezet, omdat uit onderzoek is gebleken dat er in 1988 een bouwvergunning is verleend voor de verbouw van de woningen. In deze bouwvergunning zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van de geluidwering van de gevel en het dak. Verweerder gaat er dus vanuit dat de woningen in 1988 – bij de verbouwing – al zijn aangepast wat betreft de geluidwering. Hierdoor kwamen de woningen in de jaren ’90 niet in aanmerking voor plaatsing op de saneringslijst. Eiser heeft nu kanttekeningen geplaatst bij de in de bouwvergunning opgenomen voorschriften, echter de rechtbank overweegt dat de bouwvergunning – met de daarin opgenomen voorschriften –in rechte vast staat. De door eiser gemaakte kanttekeningen kunnen nu dus geen aanleiding meer zijn om anders te onderdelen of tot de conclusie leiden dat het evident onredelijk is om niet terug te komen op dit eerdere besluit.\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Hesselink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2021.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Ook de voor [straat] [# 3 t\u002Fm #7] - [#8 t\u002Fm # 11] verleende bouwvergunningen van 25 juni 1945 en 13 juni 1959 zijn onderzocht maar de rechtbank begrijpt dat deze niet van belang zijn voor deze zaak.\n\n Uitspraak van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:390.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2169.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:663.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2330.\n\nZie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, met ECLI:NL:RVS:2017:1632","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:9943","2021-11-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:22.359Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"1475","ECLI:NL:RBNHO:2021:4343","ecli-nl-rbnho-2021-4343","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 20\u002F3159\n uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2021 in de zaak tussenVattenfall Power Generation Netherlands B.V. te Diemen, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Kaajan)\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. H.J.M. Besselink).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel: Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.te Nijmegen (gemachtigde: J.G. Vollenbroek) enanderen,allen te Diemen,\n\n(gemachtigde: drs. J.G. Vollenbroek).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (de Wnb-vergunning) voor de bouw en exploitatie van een biomassacentrale (BMC) en voor de wijziging van de aardgasgestookte centrales DM33 en DM34 en voor de HWC van de inrichting aan de Overdiemerweg 35 te Diemen.\n\nEiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021. Namens eiseres zijn verschenen drs. [naam 1] (projectmanager), drs. [naam 2] (specialist milieu en vergunningen), mr. [naam 3] (advocaat in dienstbetrekking), bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Voorts was [naam 4] aanwezig namens RoyalHaskoningDHV.\n\nVerweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig M. Blondelle-Zuidema en A. Speekenbrink.\n\nDerde-partij is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Tevens zijn verschenen mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .\n\nDe zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van derde-partij en het beroep van de vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland met nummers HAA 20\u002F3165 en HAA 20\u002F3175.\n\nOverwegingen\n\nInleiding1.1. Eiseres (hierna: Vattenfall) is voornemens binnen de bestaande inrichting op het perceel Overdiemerweg 35 te Diemen een biomassacentrale (hierna: BMC) te bouwen en in gebruik te nemen. Op het perceel exploiteert Vattenfall twee gascentrales (DM33 en DM 34) en een hulpwarmtecentrale (HWC) die bestaat uit vijf ketels. Ten behoeve van de realisatie en ingebruikname van de BMC heeft Vattenfall een Wnb-vergunning gevraagd.\n\n1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan Vattenfall de gevraagde Wnb-vergunning verleend, onder het stellen van voorschriften. De vergunning ziet op de gehele inrichting en voorziet specifiek in de oprichting en ingebruikneming van de BMC en de wijziging van de gascentrales (verlaging van de jaarvracht van DM33) en HWC ten behoeve van de bouw en exploitatie van de BMC.\n\n1.3. \n\nHet dictum van het bestreden besluit luidt als volgt:\n\n“1. De vergunning van 15 september 2015 (625102\u002F674741) voor het gebruik van de aargasgestookte centrale van DM33 aan de Overdiemerweg 35 te Diemen wordt gecorrigeerd op een tweetal punten:\n\na. de maximale NOₓ-emissie van de DM33 wordt gecorrigeerd van 1.024,92 ton NOₓ per jaar naar 788,40 ton per jaar; en\n\nb. de maximale NOₓ-emissie per ketel (HWC 4 en HWC 5) bedraagt 24.53 ton per jaar.\n\n2. Wij verlenen Vattenfall Power Generation Netherlands B.V. hierbij een vergunning conform artikel 2.7, tweede lid Wnb voor de bouw en exploitatie van een biomassacentrale en voor de exploitatie en wijziging van de aargasgestookte centrales DM33 en DM34 en voor de HWC van de inrichting van Vattenfall aan de Overdiemerweg 35 te Diemen. De beschrijving van het project in de aanvraag, inclusief de aangeleverde AERIUS Calculator berekeningen, maakt onderdeel uit van deze vergunning.\n\nDe eerder op 25 mei 2010 afgegeven vergunning Nb-wet met kenmerk PNH 2010-31324 voor de eenheid DM34 en de op 15 september 2015 op grond van de Nb-wet afgegeven vergunning met kenmerk PNH 525102\u002F674741 voor de eenheid DM33, inclusief de HWC, komen te vervallen op het moment dat de onder punt 2 van dit besluit genoemde biomassacentrale in gebruik wordt genomen en onderhavig besluit onherroepelijk is.\n\nWanneer binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning de biomassaketel niet in bedrijf is genomen, kan de vergunning door de ODNHN worden ingetrokken.\n\nDit besluit treedt op de dag na de datum van verzending in werking.”\n\nCrisis- en herstelwet\n\n2. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met categorie 1, onder 1.1, van bijlage I, van de Crisis- en herstelwet is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op deze procedure.\n\nMaximaal aantal draaiuren\n\n3. Het beroep van eiseres is gericht tegen het aan de Wnb-vergunning verbonden voorschrift 5, en dan met name tegen de daarin opgenomen term “gezamenlijk”. Met het voorschrift wordt substantieel en ongemotiveerd afgeweken van de aanvraag, aldus eiseres. De aanvraag voorziet in een inzet van 5600 uur per jaar voor elk van de vijf ketels die onderdeel uitmaken van de HWC. De aanvraag is na het indienen daarvan weliswaar verschillende keren aangepast, maar geen van de aanpassingen voorziet in een beperking van het aantal draaiuren per ketel van de HWC.\n\n4. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de redactie van voorschrift 5 onjuist is en dat het beroep om die reden gegrond zou moeten worden verklaard. Tot een gegrondverklaring van het beroep komt het volgens verweerder ook omdat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 januari 2021moet worden geconcludeerd dat voor Vattenfall in de onderhavige situatie geen vergunningplicht meer geldt. De Wnb-vergunning is derhalve ten onrechte verleend en had moeten worden geweigerd omdat deze niet nodig is. Het bestreden besluit onder 2. (de verleende vergunning) moet dan ook worden vernietigd. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd in deze zin zelf in de zaak te voorzien. Het bestreden besluit onder 1. wordt door de beroepen niet geraakt en kan in stand blijven, aldus verweerder.\n\n5.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in de hiervoor genoemde beroepen met nummers HAA 20\u002F3165 en HAA 20\u002F3175, gaat verweerder er met zijn verzoek om de genoemde beroepen gegrond te verklaren en het bestreden besluit onder 2. (de verleende vergunning) te vernietigen er aan voorbij dat niet slechts sprake is van een aanvraag voor het in werking hebben van een BMC op basis van intern salderen, waarvoor inmiddels geen vergunning meer is vereist, maar ook van aanvragen waarin wordt gevraagd jaarlasten van diverse emissies en deposities van stoffen terug te brengen ten opzichte van de vergunde situatie in 2010 en 2015 alsmede dat deze emissies en deposities worden vastgelegd in een overzichtelijke en geïntegreerde Wnb-vergunning. Deze geïntegreerde Wnb vergunning zal, naar de rechtbank aanneemt, als referentie gaan gelden ten opzichte van eventuele hierna volgende wijzigingen in de bedrijfsvoering of aanvragen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van het besluit onder 2. vanwege de uitspraak van de Afdeling hiervoor genoemd.\n\n5.2. Omdat verweerder heeft erkend dat het aan de Wnb-vergunning verbonden voorschrift 5 onjuist is, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 5. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door een nieuw voorschrift 5 aan de Wnb-vergunning te verbinden zoals in het dictum bepaald. De rechtbank bepaalt verder dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.\n\ngriffierechten en proceskosten\n\n6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.\n\n7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 5;\n\n- verbindt aan het bestreden besluit het volgende voorschrift 5: “Het aantal draaiuren van elk van de vijf ketels van de HWC afzonderlijk bedraagt maximaal 5600 uur per jaar”;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1068,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2021.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Voorschrift 5 luidt: Het aantal draaiuren van de vijf ketels van de HWC bedraagt gezamenlijk maximaal 5600 uur per jaar\n\n ECLI:NL:RVS:2021:71","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2021:4343","2021-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.829Z",20]