[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-housing-regulation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":32},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},108,"housing-regulation-nl","Housing Regulation","NL","2026-07-08T16:56:56.568Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-05-15T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1205","ECLI:NL:RBNHO:2026:4956","ecli-nl-rbnho-2026-4956","","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 25\u002F3036\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiser] en [eiseres] , uit Velserbroek, eisers\n\n(gemachtigde: mr. H. Temel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem\n\n(gemachtigde: S. Liefting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om aan eisers een last onder dwangsom op te leggen. De last strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, die eruit bestaat dat de woning aan de [adres] in [plaats] wordt gebruikt voor prostitutie of als seksinrichting. Eisers zijn het niet eens met de last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de last onder dwangsom in stand kan blijven.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom aan eisers heeft mogen opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het college heeft op 30 april 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.\n\n2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en [naam 1] namens het college.\n\n2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht (uiterlijk) zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat is er gebeurd?3.1. Eisers zijn eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Eisers verhuren deze woning aan derden. Vanaf 15 december 2023 was de woning verhuurd aan [naam 2] .\n\n3.2. Het college heeft meldingen ontvangen over mogelijke prostitutie in de woning en over overlast. Op 19 december 2023 heeft het Prostitutie Controle Team een controle uitgevoerd in de woning. Aanleiding voor die controle was onder andere een advertentie op een website, waarin seksuele handelingen tegen betaling werden aangeboden. Het team constateerde dat er prostitutie plaatsvond in de woning. Ten tijde van de controle stonden in de Basisregistratie geen personen ingeschreven op het adres van de woning. De bevindingen zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 20 december 2023.\n\n3.3. De burgemeester heeft de woning vervolgens voor een periode van drie maanden gesloten. De woning was gesloten in de periode vanaf 19 december 2023 tot 19 maart 2024. De beslissing van de burgemeester was onder meer gebaseerd op de toen geldende Algemene plaatselijke verordening. Artikel 3:3, eerste lid, van die verordening bevatte een verbod om zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt en beroep tegen ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder nummer HAA 24\u002F6718. De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 19 september 2025 ongegrond verklaard.\n\n3.4. \n\nHet college heeft met het primaire besluit op 30 april 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, om herhaling van overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Het college heeft eisers gelast om er per direct voor te zorgen dat de woning niet meer wordt gebruikt voor prostitutie of als seksinrichting. Eisers moeten een dwangsom betalen als de woning toch daarvoor wordt gebruikt. De dwangsom voor de eerste constateerde overtreding bedraagt € 15.000,-. De dwangsom voor de tweede overtreding is\n\n€ 20.000,-, de dwangsom voor de derde overtreding is € 25.000,-. Eisers hoeven geen dwangsom te betalen als zij de last naleven. Bij brief van 25 oktober 2024 heeft het college aangegeven dat het primaire besluit op een aantal punten wordt gewijzigd.\n\n3.5. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. Het college heeft advies ingewonnen bij de commissie bezwaarschriften. De commissie adviseerde aan het college om het besluit tot oplegging van de last te herroepen. De afdeling Veiligheid en Handhaving van de gemeente Haarlem heeft daarna aan het college geadviseerd om het advies van de commissie niet te volgen of om de motivering van het besluit aan te vullen. Op grond van dit (contraire) advies heeft het college in het bestreden besluit van 28 mei 2025 de last in stand gelaten.\n\n3.6. \n\nOp 7 februari 2025 heeft het college aan eisers een boete opgelegd, vanwege overtreding van de Huisvestingswet\u002FHuisvestingsverordening. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt.\n\nOmvang van het geding?\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat dit beroep enkel gaat over de beslissing van het college op het bezwaar dat eisers hebben ingediend tegen de last onder dwangsom. Het boetebesluit is geen onderwerp van dit beroep.\n\nWat is het toetsingskader?5.1. Als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n5.2. Voor de heroverweging van een besluit met herstelsancties geldt dat de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Daarvoor moet het bestuursorgaan bij de heroverweging feiten en omstandigheden betrekken die hebben geleid tot het eerdere besluit, maar ook nieuwe ontwikkelingen. De heroverweging kent bij dit soort besluiten dus een tweeslag. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing in primo destijds terecht zijn besluit heeft genomen. Nieuwe ontwikkelingen mag het bestuursorgaan alleen meenemen voor zover doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen niet verzetten.\n\n5.3. Een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding kan worden opgelegd indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. Bij de beantwoording van de vraag of een last strekt tot voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen spelen verschillende omstandigheden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien een rol. Het gaat om omstandigheden die een beeld geven van de mate van continuïteit in de aan orde zijnde overtredingen, zoals de aard van de overtreding, de mate van overeenkomst - bijvoorbeeld wat betreft de plaats ervan - met de eerdere geconstateerde overtredingen en het tijdsverloop sinds die overtreding.\n\nWat heeft het college aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd?\n\n6. Volgens het college is het gebruik van de woning voor prostitutie en als seksinrichting in strijd met het omgevingsplan en de Omgevingswet (hierna: Ow). Eisers hebben zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit verricht. Daardoor hebben zij gehandeld in strijd met artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet.\n\n6.1. Het college wijst erop dat op grond van artikel 1.1. van de Omgevingswet en de daarbij behorende bijlage onder “omgevingsplanactiviteit” onder meer wordt verstaan ‘een activiteit inhoudende een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan’. Prostitutie en de uitoefening van een seksinrichting is in strijd met het omgevingsplan. Het college wijst op artikel 4.1. en 4.4. van het bestemmingsplan Frans Hals\u002F Patrimonium en artikel 28.1, aanhef en onder van het bestemmingsplan Reparatieplan Haarlem 2020. Deze bestemmingsplannen maken deel uit van het omgevingsplan. Het gebruik van de woning voor prostitutie en als seksinrichting valt niet onder de bestemming die op het perceel van de woning rust (‘gemengd-1’).\n\n6.2. Ook het laten verrichten van een omgevingsplanactiviteit wordt volgens het college aangemerkt als een verboden gedraging. Dit betekent dat het voor het handelen in strijd met het omgevingsplan voldoende is als eisers als eigenaren de woning door iemand anders laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan. Daarmee overtreden zij zelf artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet. Eisers hebben niet aangetoond dat zij niet wisten en niet konden weten van de overtreding in de woning.\n\n6.3. Het gevaar voor herhaling bestaat volgens het college uit de omstandigheid dat eisers niet hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht ten aanzien van de manier waarop zij de woning hebben laten gebruiken door anderen. Zij hebben onvoldoende zorgvuldig onderzoek (screening) gedaan naar de toenmalige huurder. Verder hebben zij geen toezicht gehouden en geen controles verricht die zagen op het feitelijk gebruik van de woning. Eisers hanteren nog steeds geen aantoonbaar en concreet systeem van toezicht en daadwerkelijke controles op dat gebruik. Dat de huurovereenkomst is ontbonden, is een reactie achteraf terwijl van eisers als eigenaren en verhuurders verwacht mag worden dat zij er preventief op toezien dat de woning niet in strijd met de geldende wet- en regelgeving wordt gebruikt. Het college wijst erop dat bij nieuwe huurders dezelfde overtreding kan plaatsvinden als eisers nog steeds te weinig doen om dat te voorkomen.\n\nIs er gevaar voor herhaling van de overtreding?7.1. Eisers bestrijden dat er gevaar voor herhaling is. Volgens hen hebben zich na het besluit van 30 april 2024 feiten en omstandigheden voorgedaan waardoor er geen gevaar meer is voor herhaling van de overtreding. Op de zitting hebben eisers erop gewezen dat de woning aan een Spaans stel is verhuurd, direct nadat de woning weer open was. De woning is toen verhuurd voor ruim een jaar. Daarna is de woning aan een ander Spaans stel verhuurd en die huurovereenkomst loopt nog steeds door. Eisers geven aan bij het aangaan van de huurovereenkomst extra controles te hebben uitgevoerd. Zij hebben erop toegezien dat de huurders in de Basisregistratie Personen op dit adres zijn ingeschreven en zij hebben een verhuurdersverklaring en arbeidsovereenkomst ingezien. Eisers hebben ook extra borg gevraagd. Eisers gaan regelmatig - eens per twee weken - langs bij de woning. Er zijn geen nieuwe meldingen meer ontvangen sinds de sluiting, aldus eisers.\n\n7.2. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. De rechtbank volgt het college namelijk in het standpunt dat eisers geen aantoonbaremaatregelen hebben getroffen om herhaling van de overtreding te voorkomen. Eisers stellen weliswaar dat zij extra maatregelen hebben genomen, maar hebben geen stukken overgelegd waar dat uit blijkt. Eisers verhuren de woning nog steeds aan derden, maar hebben het door hen geschetste systeem van controle van de huurders bij het aangaan van de overeenkomst en het toezicht op het gebruik van de woning niet inzichtelijk gemaakt met onderbouwing. De enkele stelling van eisers hierover is onvoldoende voor de conclusie dat er geen gevaar voor herhaling meer zou zijn. Tegenover die niet onderbouwde stelling van eiser staat de motivering van het college dat er wel vrees voor herhaling bestaat. In het bestreden besluit heeft het college het advies van de afdeling Veiligheid en Handhaving overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dat advies helder gemotiveerd dat er vrees voor herhaling is. De rechtbank verwijst daarvoor naar overweging 6.3 van deze uitspraak.\n\nIs het beginsel van de evenredigheid geschonden?\n\n8. Eisers stellen dat zij onevenredig hard worden geraakt door het besluit, waardoor de maatregel disproportioneel is. Er hebben geen verdere incidenten plaatsgevonden in of rondom de woning.\n\n8.1. De rechtbank overweegt dat eisers onvoldoende (concreet) onderbouwd hebben waarom zij onevenredig had geraakt worden door dit besluit. Op de zitting hebben eisers op dit punt naar voren gebracht dat er geen vrees voor herhaling is, maar zoals hiervoor al werd overwogen kan dat standpunt van eisers niet gevolgd worden. Daarnaast is op de zitting verklaard dat eisers geraakt worden door de omstandigheid dat er een last onder dwangsom wordt opgelegd terwijl er niets aan de hand is. De rechtbank wijst erop dat het hier gaat om een last die strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding van wetgeving waar eisers zich hoe dan ook aan te houden hebben. De rechtbank ziet daarom niet in hoe het gebruik van de woning door de last onevenredig wordt beperkt. Bovendien kunnen eisers na verloop van tijd om intrekking van de last vragen. Dat hebben zij tot nu toe niet gedaan, ondanks hun (niet onderbouwde) stelling dat er niets aan de hand is en dat zij maatregelen hebben genomen. De rechtbank kan zich voorstellen dat eisers desondanks op enigerlei wijze toch geraakt worden door de last, maar eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij onevenredighard geraakt worden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDubbel gestraft?9.1. Eisers stellen dat zij door het dwangsombesluit weer gestraft worden voor hetzelfde feit. De woning is gesloten geweest, eisers hebben een dwangsom opgelegd gekregen en er is een boete opgelegd.\n\n9.2. Het college betoogt dat het bestreden besluit volledig los staat van het besluit van de burgemeester om de woning tijdelijk te sluiten. Bovendien ligt daar een andere juridische overtreding aan ten grondslag. Daarbij komt dat de last onder dwangsom geen punitieve sanctie is maar een herstelmaatregel. De last is bedoeld om herhaling van de overtreding te voorkomen.\n\n9.3. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om bestuursrechtelijke maatregelen, niet om ‘straffen’. Bovendien gaat het om verschillende overtredingen, namelijk overtreding van artikel 3:3 van de Apv (de woningsluiting), overtreding van artikel 5.1 onder a van de Omgevingswet\u002Fbestemmingsplan (de last onder dwangsom) en overtreding van de Huisvestingswet\u002FHuisvestingsverordening (de boete). Het gaat dus om drie verschillende bestuursrechtelijke maatregelen, opgelegd door de burgemeester respectievelijk het college.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat last onder dwangsom in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.W. Neleman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nZie de uitspraak van 28 oktober 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:2571","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4956","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:09.876Z",20]