[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-inheritance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":32},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505","","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.957Z",20]