[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":55,"total":16,"page":25,"limit":115},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2025-12-23T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,37,40,43,46,49,52],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122313","Burgerlijk Wetboek","art. 6:203",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122342","Verordening","art. 4",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"122343","art. 2:9",{"provisionId":34,"code":35,"article":36,"count":25},"122344","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 150",{"provisionId":38,"code":23,"article":39,"count":25},"122348","art. 6:166",{"provisionId":41,"code":35,"article":42,"count":25},"122402","art. 157 lid 2",{"provisionId":44,"code":35,"article":45,"count":25},"122403","art. 151 lid 2",{"provisionId":47,"code":23,"article":48,"count":25},"122532","art. 7:228",{"provisionId":50,"code":23,"article":51,"count":25},"122534","art. 7:228 lid 2",{"provisionId":53,"code":35,"article":54,"count":25},"123267","art. 24",[56,67,74,81,89,98,107],{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":61,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":65,"updatedAt":66},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.986Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":71,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":65,"updatedAt":73},"368","ECLI:NL:GHARL:2026:4228","ecli-nl-gharl-2026-4228","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.361\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 314333\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant]\n\n2. [appellante]\n\ndie beiden wonen in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. A.A. Bos\n\nen\n\n [geïntimeede]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. D.A. IJpelaar\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 16 april 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] en [appellante] hebben een vakantiewoning op [eiland] van [geïntimeede] gekocht. Zij kregen de financiering niet rond en uiteindelijk heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst ontbonden en op basis daarvan aanspraak gemaakt op betaling van een boete van € 65.000 door [appellant] en [appellante] .\n\n2.2. \n [geïntimeede] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] en [appellante] hoofdelijk worden veroordeeld om de boete aan [geïntimeede] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Daarnaast heeft [geïntimeede] gevorderd dat [appellant] en [appellante] de kosten van het geding voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat die vorderingen alsnog worden afgewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeede] alsnog worden afgewezen. Nadat de relevante feiten zijn besproken, zal het hof uitleggen hoe het tot zijn oordeel is gekomen.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. \n [geïntimeede] is eigenaar van een vakantiewoning, plaatselijk bekend als [adres] op [eiland] (hierna: de vakantiewoning). Zij heeft die woning te koop aangeboden. [naam4] B.V. (hierna: [naam4] ) trad voor haar op als verkoopbemiddelaar.\n\n3.2. \n [geïntimeede] heeft met [appellant] en [appellante] op 16 augustus 2023 een koopovereenkomst met betrekking tot de vakantiewoning gesloten. De koopprijs was € 650.000.\n\n3.3. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat:\n\n“Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: op 6 oktober 2023 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van maximaal€ 455.000,-(…) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. (…). Koper verplicht zich al het redelijk mogelijke te doen ten einde het hierboven bedoelde te verkrijgen. Indien aanspraak wordt gedaan op hierboven genoemde ontbindende voorwaarden dient koper er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via de gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub b. wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat de afwijzing van de geldverstrekkende instelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. (…)”\n\n3.4. In artikel 15 van de koopovereenkomst staat:\n\n“(…)\n\n2. Indien een van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van een of meer van zijn verplichtingen is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:\n\n(…)\n\nb. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (10%) van de koopprijs.(…)”\n\n3.5. \n [naam1] van [naam2] ! Pensioenen en Hypotheken B.V., gevestigd op [eiland] (hierna: [naam2] !) heeft voor [appellant] en [appellante] bemiddeld bij het tot stand brengen van een hypothecaire geldlening. Hij heeft op 21 september 2023 via de e-mail een financieringsaanvraag gedaan bij [bank1] op [eiland] .3.6. \n [appellant] en [appellante] hebben in een e-mail van 3 oktober 2023 aan [naam4] onder andere geschreven:\n\n“We hebben net met [naam1] gesproken. De bank op [eiland] heeft de financiering goedgekeurd. Dat is echt heel fijn.”\n\n3.7. \n [naam2] ! heeft op 6 oktober 2023 aan [naam4] geschreven:\n\n“Hierbij willen wij u op de hoogte stellen van de beslissing van de familie [appellant] om de aankoop van het pand [adres] (…) in te trekken op basis van de ontbindende voorwaarde zoals vastgelegd in Artikel 5 van genoemde koopovereenkomst. Helaas is het niet gelukt om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor het bedrag van Euro 455.000.”\n\n3.8. \n [appellant] en [appellante] hebben een dag later aan [naam4] geschreven dat ze tot hun spijt van de koop moeten afzien omdat ze een financiële tegenvaller hebben gehad waardoor de koop niet kan doorgaan. [naam4] schrijft daarop op dezelfde datum:\n\n“Beste Roelie,\n\nZoals vanochtend telefonisch is besproken bevestigde jij nogmaals (…) dat de financiering op [eiland] van € 455.000,- t.b.v. de aankoop van [adres] akkoord is, maar dat jullie als gevolg van de afwijzing van een tweede financiering bij de Rabobank in Nederland toch van de verkoop zouden willen afzien.”\n\n3.9. \n [naam3] , Interim Retail Manager bij [bank1] heeft op 9 oktober 2023 in een e-mail aan [naam2] ! geschreven:\n\n“We hereby inform you that the mortgage request for Mr. [appellant] for the financing of [adres] has been declined as it does not sufficiently meet our credit criteria.”\n\n3.10. In een e-mail van 19 oktober 2023 heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst met [appellant] en [appellante] ontbonden en aanspraak gemaakt op de contractuele boete van 10% van de verkoopprijs, dus op € 65.000.\n\n3.11. Op 30 oktober heeft de advocaat van [bank1] , mr. Braam, aan de advocaat van [appellant] en [appellante] bevestigd dat hun financieringsaanvraag voor een geldlening van Fl. 850.000 (het hof begrijpt: het equivalent van € 455.000) door [bank1] niet was goedgekeurd.\n\n3.12. Op 17 april 2024 is aan [appellant] en [appellante] een brief van de advocaat van [geïntimeede] betekend waarin hij hen sommeert om binnen acht dagen de koopovereenkomst na te komen door de woning alsnog af te nemen. In deze brief is [appellant] en [appellante] ook de contractuele boete aangezegd voor het geval door hen niet aan de sommatie zou worden voldaan.\n\n4. De beoordeling\n\nMochten [appellant] en [appellante] na 3 oktober 2023 nog een beroep op de ontbindende voorwaarde doen?\n\n4.1. Volgens [geïntimeede] is met de mededeling van [appellant] en [appellante] in de e-mail van 3 oktober 2023, zoals die hierboven in overweging 3.6 is weergegeven, de ontbindende voorwaarde uitgewerkt en konden [appellant] en [appellante] er daarna geen beroep meer op doen. Het hof begrijpt [geïntimeede] zo, dat [appellant] en [appellante] hun recht om dat te doen met die mededeling hebben verwerkt. Het hof gaat hier niet in mee.\n\n4.2. Voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking (een bijzondere vorm van de in artikel 6:248 lid 2 BW geregelde beperkende werking van redelijkheid en billijkheid) is in een geval als hier aan de orde, vereist de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid als gevolg waarvan bij [geïntimeede] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [appellant] en [appellante] hun recht om zich te beroepen op de ontbindende voorwaarde niet meer geldend zouden maken. Ook zou rechtsverwerking aan de orde kunnen zijn als door toedoen van [appellant] en [appellante] de positie van [geïntimeede] als wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als zij hun recht om de ontbindende voorwaarde in te roepen alsnog ten opzichte van [geïntimeede] zouden kunnen uitoefenen.\n\n4.3. Degene die een beroep op rechtsverwerking doet (in dit geval [geïntimeede] ) dient te stellen en zo nodig bewijzen dat en waarom van een van de hiervoor genoemde gevalstypen sprake is.\n\n4.4. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeede] daarin niet geslaagd. Aan de enkele mededeling die [appellant] en [appellante] op 3 oktober 2023 aan [naam4] hebben gedaan, mocht [geïntimeede] , mede gelet op de losse en summiere formulering ervan en het feit dat deze niet verwijst naar de ontbindende voorwaarde, niet het vertrouwen ontlenen dat op die voorwaarde door hen geen beroep meer zou worden gedaan. Voor een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen is in een zaak als de onderhavige meer nodig en dat ‘meer’ is door [geïntimeede] niet aangevoerd. Dat [geïntimeede] in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn benadeeld doordat enkele dagen na het genoemde mailtje door [appellant] en [appellante] wel een beroep op de ontbindende voorwaarde is gedaan, is gesteld noch gebleken Andere omstandigheden die een beroep op de rechtsverwerking zouden kunnen dragen, zijn evenmin door [geïntimeede] aan de orde gesteld.\n\nWaren [appellant] en [appellante] te laat met het inroepen van de ontbindende voorwaarde?\n\n4.5. \n\nOp grond van artikel 5 van de koopovereenkomst moest de mededeling dat de ontbindende voorwaarde werd ingeroepen uiterlijk de eerste werkdag na 6 oktober 2023 door [geïntimeede] of haar makelaar zijn ontvangen. Zoals [geïntimeede] ook heeft erkend, was dat niet\n\n7 oktober 2023, zoals de rechtbank heeft aangenomen, maar 9 oktober 2023. Dat is hier van bepalend belang: [naam2] ! heeft [naam4] op 6 oktober 2023 bericht dat het niet gelukt is om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor € 455.000. [appellant] en [appellante] hebben dit zelf op 7 oktober 2023 ook aan [naam4] laten weten. De e-mail van [bank1] heeft [geïntimeede] , zo blijkt uit de memorie van antwoord, op 9 oktober 2023 ontvangen. [appellant] en [appellante] hebben dan ook tijdig een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde en eveneens tijdig de afwijzing van [bank1] aan [geïntimeede] gestuurd.4.6. Dan blijft de vraag over of artikel 5 van de koopovereenkomst vereist dat de mededeling van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en het bericht van afwijzing door de geldverstrekker op hetzelfde moment moeten worden gestuurd, zoals de rechtbank heeft overwogen. Bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst als de onderhavige komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij hierbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Hierbij kunnen omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het sluiten van de overeenkomst een rol spelen, maar ook omstandigheden die zich daarna tussen partijen hebben voorgedaan.\n\n4.7. Het staat vast dat [appellant] en [appellante] enerzijds en [geïntimeede] anderzijds voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op 16 augustus 2023 niet met elkaar hebben gesproken over de inhoud en de omvang van het financieringsvoorbehoud, behalve dan dat het financieringsvoorbehoud in de overeenkomst moet worden opgenomen. Partijen hebben ook niet onderhandeld over de tekst van het financieringsvoorbehoud.\n\n4.8. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat niets meer en niets minder dan dat beide berichten (dus zowel de mededeling dat een beroep op de ontbindende voorwaarde wordt gedaan als de afwijzing van de geldverstrekker) uiterlijk op de eerste werkdag na 6 oktober 2023 (dus op 9 oktober 2023) door [geïntimeede] of haar makelaar moeten zijn ontvangen. Niet valt in te zien waarom die mededelingen gelijktijdig moeten worden gedaan, wil het inroepen van de ontbindende voorwaarde effect kunnen hebben. De ratio van de bepaling is immers dat de verkoper uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen termijn weet dat de koper de ontbindende voorwaarde inroept met als onderbouwing de afwijzende mededeling van de geldverstrekker en dat is hier gebeurd. Niet ter discussie staat dat het beroep op de ontbindende voorwaarde tijdig zou zijn gedaan als alle relevante mededelingen tegelijkertijd (pas) op 9 oktober 2023 zouden zijn gedaan. Ook in dat licht is er geen reden om aan te nemen dat niet aan de eisen van artikel 5 is voldaan wanneer een van die mededelingen een paar dagen aan de andere is voorafgegaan.\n\nKwalificeert het toesturen van de e-mail van 9 oktober 2023 door [bank1] aan [naam2] ! als “goed gedocumenteerd”?\n\n4.9. Volgens [geïntimeede] was de mededeling van [appellant] en [appellante] niet goed gedocumenteerd, omdat – zo begrijpt het hof – de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] niet aan [appellant] en [appellante] is verstuurd maar aan [naam2] !. Volgens [geïntimeede] verlangt artikel 5 van de koopovereenkomst dat “tenminste de door aanvrager van de bank ontvangen afwijzing” wordt overgelegd.\n\n4.10. Zoals hiervoor al is overwogen, moet het hof deze bepaling uitleggen aan de hand van de Haviltex-maatstaf en hebben partijen over deze bepaling niet onderhandeld.\n\n4.11. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat dat [appellant] en [appellante] schriftelijk en goed gedocumenteerd mededeling moeten doen van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en dat onder “goed gedocumenteerd” wordt verstaan dat de afwijzing van een geldverstrekkende instelling aan verkoper moet worden overgelegd. Verder zijn geen eisen gesteld aan de afwijzing van de geldverstrekker, bijvoorbeeld inhoudende dat de afwijzing rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] moet zijn gestuurd en door hen moet zijn ontvangen. Dat dit wel de bedoeling zou zijn is in deze zaak ook bepaald niet logisch, omdat de contacten met Orca Bank altijd via [naam2] ! zijn gelopen. Zij heeft de financieringsaanvraag ingediend met de daarbij behorende stukken en heeft dus ook de afwijzing ontvangen.\n\n4.12. Naar het oordeel van het hof volgt uit artikel 5 van de koopovereenkomst dan ook niet dat de afwijzing alleen goed gedocumenteerd is wanneer deze rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] is gestuurd.\n\n4.13. Voor zover [geïntimeede] vindt dat de mededeling dat de ontbindende voorwaarde wordt ingeroepen niet goed gedocumenteerd is, omdat het een “eenregelige, niet aan hen gerichte, mail van een bankmedewerker met een onduidelijke positie” betreft, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat uit het overgelegde uittreksel uit de kamer van koophandel van [bank1] blijkt dat Giselle Groilo “Proxy holder” is met als “Title description” Interim Retail Manager, en kennelijk in die hoedanigheid bevoegd was om [bank1] te vertegenwoordigen. Dat [bank1] de hypotheekaanvraag inderdaad heeft afgewezen, staat bovendien niet ter discussie.\n\nStonden andere omstandigheden het inroepen van de ontbindende voorwaarde in de weg?\n\n4.14. \n [geïntimeede] heeft nog aangevoerd dat [appellant] en [appellante] wel degelijk de aankoop van de vakantiewoning konden financieren, maar dat het feit dat ze de koopovereenkomst wilden ontbinden een andere reden had. Dit is echter in tegenspraak met de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] , zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat.\n\n4.15. \n [geïntimeede] vindt daarnaast dat [appellant] en [appellante] niet al het redelijkerwijs mogelijke hebben gedaan om een bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening te verkrijgen. De financieringsaanvraag is op 21 september 2023 gedaan en dat was volgens [geïntimeede] te laat, omdat de aanvraag daardoor niet op tijd is goedgekeurd door de bank. Naar het oordeel van het hof gaat ook dit argument niet op. Nog daargelaten dat [appellant] en [appellante] onweersproken hebben gesteld dat zij in de periode van 16 augustus 2023 tot 21 september 2023 bezig zijn geweest met het verzamelen van alle benodigde informatie die nodig was voor het opstellen van de financieringsaanvraag, verliest [geïntimeede] met deze stelling uit het oog dat [bank1] kennelijk genoeg tijd heeft gehad om de aanvraag te beoordelen en daarover een beslissing te nemen. Zij heeft deze immers afgewezen, en die afwijzing is tijdig doorgegeven.\n\nConclusie\n\n4.16. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat [appellant] en [appellante] op tijd en op de juiste manier aan [geïntimeede] hebben meegedeeld dat zij een beroep willen doen op de ontbindende voorwaarde en dat zij dus geen 10% van de verkoopprijs aan [geïntimeede] verschuldigd zijn geworden.\n\n4.17. Het hoger beroep slaagt dus. Omdat [geïntimeede] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeede] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.4.18. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 15 januari 2025 en beslist dat de vorderingen van [geïntimeede] worden afgewezen;\n\n5.2. veroordeelt [geïntimeede] tot terugbetaling aan [appellant] en [appellante] van alles wat [appellant] en [appellante] op grond van het vonnis van 15 januari 2025 aan [geïntimeede] \u002Fhebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] en [appellante] tot aan de dag van terugbetaling;\n\n5.3. \n\nveroordeelt [geïntimeede] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.352,00 aan griffierecht\n\n€ 2.428,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2,00 procespunten x het toepasselijke tarief VI € 1.214,00)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] in hoger beroep:\n\n€ 827,00 aan griffierecht\n\n€ 145,45 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeede]\n\n€ 4.704,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV € 2.352,00)\n\n5.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.P. Lunter, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Dit betekent dat grieven 1 en 3 slagen en dat [appellant] en [appellante] geen belang meer hebben bij grief 2.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4228","2026-07-13T00:28:26.381Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":78,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":65,"updatedAt":80},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","2026-07-13T00:28:41.943Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":65,"updatedAt":88},"784","ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","ecli-nl-rbnne-2026-2524","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer: 11884450 \\ CV EXPL 25-5043\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2],\n\nen\n\n3. [eiser sub 3],\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiser sub 2 en 3] , 4. [eiser sub 4],\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 4] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\ngedaagden samen te noemen: de huurders,\n\ngemachtigde: mr. D. F. Briedé,\n\ntegen\n\nRECREATIECENTRUM DE HOLLE POARTE B.V.,\n\nte Makkum,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: De Holle Poarte,\n\ngemachtigde: mr. S.J. van Susante.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en vermeerdering van eis - de conclusie van dupliek in reconventie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. Eisers huren een staanplaats op veld [nummer] van Recreatiecentrum De Holle Poarte te Makkum. De Holle Poarte wil het veld herstructureren en heeft - met inachtneming van de Recron-voorwaarden - de huurovereenkomsten met 50 huurders, waaronder eisers, opgezegd tegen 30 september 2026. De huurders stellen kortgezegd dat de opzegging in strijd is met Europese consumentenrecht en met de redelijkheid en billijkheid. Er wordt volgens de huurders onvoldoende rekening gehouden met de door hen gedane investeringen in de kampeermiddelen en de (financiële) gevolgen die de opzegging voor hen heeft. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte de huurovereenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd en dat er geen aanleiding bestaat om op grond van de redelijkheid en billijkheid anders te oordelen en\u002Fof een aanvullende vergoeding aan de huurders toe te komen. De kantonrechter legt dat oordeel hierna uit.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\n3.1.. De huurders huren staanplaatsen op De Holle Poarte te Makkum. Het gaat hier om plaatsen op veld [letter] [eiser sub 4] huurt sinds 15 augustus 1997 staanplaats [staanplaats 1] , [eiser sub 2 en 3] huurt sinds 2011 staanplaats [staanplaats 2] en [eiser sub 1] huurt sinds 3 april 2023 staanplaats [staanplaats 3] . Huurders hebben bedragen variërend van € 20.000,00 tot € 37.500,00 besteed aan de aanschaf (overname) van kampeermiddelen (caravan\u002Fchalet).\n\n3.2.. Van de huurovereenkomst met [eiser sub 4] is geen schriftelijke overeenkomst voorhanden. In de schriftelijke overeenkomsten met [eiser sub 1] en [eiser sub 2 en 3] zijn de Recron-voorwaarden van toepassing verklaard. De Recron-voorwaarden bepalen onder meer:\n\n Artikel 11: Beëindiging door de ondernemer\n\n 1. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk beëindigen indien:\n\n (…..)\n\n h. de ondernemer een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is.\n\n 2. (…..)\n\n3. Bij opzegging wegens herstructurering zoals vermeld onder sub h van het eerste lid dient de ondernemer een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen voor afloop van het lopende overeenkomstjaar.\n\n(,,,,,)\n\nArtikel 12: Herstructurering\n\n (…..)\n\n3. In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan te bieden, tenzij het kampeermiddel gezien de leeftijd van het kampeermiddel en\u002Fof de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.\n\n(…..)\n\n5. a. Indien sprake is van een verplaatsbaar kampeermiddel en een minimaal\n\n gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, heeft de recreant de plaats te ontruimen en heeft hij recht op een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten indien hij de plaats heeft ontruimd overeenkomstig artikel 15 lid 1. (…..)\n\n6. De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van het kampeermiddel als bedoeld in lid 5 onder a (…..) bedraagt € 1.482. (…..)\n\n7. (…..) De laatste 6 maanden van de opzegtermijn van één jaar kan de recreant gratis gebruik maken van de plaats. (…..)\n\n3.3.. In november 2023 heeft De Holle Poarte haar plannen voor een herstructurering van de camping aan de huurders bekend gemaakt en in een informatiebijeenkomst op 16 maart 2024 heeft zij haar plannen toegelicht. Blijkens de versie van 1 maart 2025 betreft de herstructurering de jaarplaatsen [nummer] t\u002Fm [nummer] en [nummer] t\u002Fm [nummer] . Deze jaarplaatsen voor chalets en stacaravans zullen worden gewijzigd in kampeervelden bestaande uit gras voor 40 toeristische kampeerplekken (waarvan acht met privé-sanitair) voor tenten, toercaravans of campers. Het herstructureringsplan vermeld voorts:\n\nGezien de gestegen en veranderende vraag, willen we daarom het toeristisch kamperen op onze camping graag anders indelen en in omvang uitbreiden. Tegelijkertijd is het [letter] -terrein naar onze mening erg verouderd en zijn de kleine, smalle jaarplaatsen niet meer van deze tijd, waardoor er op dit terreingedeelte naar onze mening veel ruimte voor verbetering is.\n\nBij het plan zijn ook een plattegrond en sfeerbeelden van de nieuwe situatie gevoegd.\n\n3.4.. Bij brief van 28 maart 2025 heeft De Holle Poarte de huurovereenkomsten met de huurders opgezegd op grond van artikel 11, lid 1 aanhef en h van de Recron-voorwaarden tegen 1 oktober 2026 in verband met de voorgenomen herstructurering van de camping. Daarbij is een vergoeding aangeboden op grond van de Recron-voorwaarden, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van € 1.920,00 indien de staanplaats leeg en opgeruimd wordt opgeleverd. Daarnaast heeft De Holle Poarte aangeboden het staangeld over de laatste zes maanden van de huurperiode te restitueren bij tijdige en lege oplevering.\n\n3.5.. Het betreft de beëindiging van huurovereenkomsten voor vaste plaatsen op slechts een deel van het gehele terrein, te weten veld [letter] Daarbij gaat het om in totaal 50 huurders, waarvan 47 hebben ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomsten en de staanplaatsen hebben ontruimd\u002Fzullen ontruimen.\n\n3.6.. Bij brief van 23 april 2025 is namens de huurders bezwaar gemaakt tegen de opzegging. De Holle Poarte heeft hier bij brief van 8 mei 2025 op gereageerd.\n\n4. De vorderingen\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eisers] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nvoor zover Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn:\n\n1. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte onrechtmatig heeft gehandeld door bij aanvang van de huurovereenkomsten voor staanplaatsen met consument-huurders op onevenwichtige wijze voorwaarden te stellen, en\u002Fof zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken door geen rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurders;\n\n2. te verklaren voor recht dat de huuropzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de huurovereenkomst dient voort te duren;\n\n3. voor het geval de opzegging in stand blijft of er opnieuw wordt opgezegd, of terugkeer van de huurder feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is aan de huurder(s) schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.\n\nvoor zover Recron-voorwaarden (analoog) van toepassing zijn:\n\nprimair:\n\n4. te verklaren voor recht dat de artikelen 11 lid 1 sub h, 11 lid 2-3 en 12 van de Recron-voorwaarden (herstructurering en beëindiging door de ondernemer) oneerlijke bedingen zijn in de zin van artikel 6:233 sub a BW juncto Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG, en deze bepalingen te vernietigen wegens strijd met dwingendrechtelijke consumentenbescherming;\n\nsubsidiair:\n\n5. voor zover de artikelen niet volledig worden vernietigd, te verklaren voor recht dat genoemde bepalingen in dit concrete geval oneerlijk zijn en derhalve buiten toepassing blijven, met als gevolg dat beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte op grond van herstructurering ongeldig is;\n\nmeer subsidiair:\n\n6. voor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte rechtsgeldig wordt geacht, te bepalen dat De Holle Poarte gehouden is tot volledige schadevergoeding van de door huurders gedane investeringen, nu het beding leidt tot een ongerechtvaardigde verschuiving van de financiële lasten van de ondernemer naar de consument, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;\n\nuiterst subsidiair:\n\n7. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is een billijke en evenredige compensatie te betalen aan de huurder(s) bij beëindiging wegens herstructurering, waarbij de tegemoetkoming zoals voorzien in artikel 12 lid 6 Recron (€ 1.482 \u002F\n\n€ 2.233) buiten toepassing blijft, voor zover deze kennelijk onredelijk is en strijdig met de vereisten van evenwicht en proportionaliteit uit Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG;\n\nproceskosten\n\n8. De Holle Poarte te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.\n\n4.2.. De Holle Poarte voert verweer. De Holle Poarte concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.4.. \n\nDe Holle Poarte vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met de huurders per 30 september 2026 is opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel (jegens De Holle Poarte) op de betreffende jaarplaats verblijven, met veroordeling van de huurders in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nBij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie heeft De Holle Poarte haar eis vermeerderd met een veroordeling van elk van de huurder om de door hen gehuurde staanplaats, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop of elders op Recreatiecentrum De Holle Poarte bevinden respectievelijk bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te verlaten en ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, of een gedeelte van een dag dat elk van de huurders in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van\n\n€ 20.000,00, althans een dwangsom die de kantonrechter in goede justitie rechtmatig acht.\n\n4.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Holle Poarte, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Holle Poarte in de kosten van deze procedure.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\nDe vorderingen en de vermeerdering van eis\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. De huurders hebben geen conclusie van repliek in conventie genomen, maar gelet op hun verweer tegen de reconventionele vordering van De Holle Poarte, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij hun vorderingen in conventie onverkort handhaven.\n\n5.2.. De Holle Poarte heeft bij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie haar eis vermeerderd met ontruiming door de huurders van de door hen gehuurde staanplaatsen. De kantonrechter zal deze eisvermeerdering toestaan, nu huurders hierdoor niet in hun verdediging zijn geschaad. Uit de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 1 oktober zijn geëindigd vloeit immers de verplichting van de huurders tot ontruiming van het gehuurde voort.\n\nPrejudiciële vragen\n\n5.3.. Huurders hebben drie prejudiciële vragen geformuleerd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Er is niet sprake van een procedure waarin een rechtsvraag aan de orde is die ook de afhandeling van vele vergelijkbare geschillen kan bevorderen. Daarvoor zijn de procedures te casuïstisch en is de uitkomst afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.\n\nHuurovereenkomsten voor onbepaalde tijd\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomsten niet zijn aangegaan met het doel om voor één bepaalde periode te gelden en dan te eindigen. Het gaat daarentegen om huurovereenkomsten die jaarlijks automatisch worden verlengd, die in de praktijk vele jaren tot tientallen jaren plegen te blijven bestaan en die op grond van de toepasselijke contractuele voorwaarden alleen door opzegging door de huurder of verhuurder kunnen eindigen. De huurovereenkomsten hebben daarmee het karakter van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. De huurders sluiten ook niet jaarlijks een nieuwe overeenkomst met De Holle Poarte, althans dit is gesteld noch gebleken. De aan de huurders in eigendom toebehorende caravans en chalets blijven ook gewoon op de kavels staan.\n\nToetsingsmaatstaf opzegging\n\n5.5.. De huurovereenkomsten tussen de huurders en Holle Poarte hebben betrekking op de huur van onbebouwde grond (staanplaatsen voor caravans en chalets). De wettelijke regelingen die aan huurders bijzondere bescherming bieden, zoals huurbescherming en\u002Fof ontruimingsbescherming bij de huur van woonruimte en\u002Fof bedrijfsruimte, zijn op deze huurovereenkomsten niet van toepassing. Wel zijn van toepassing de algemene regels uit de huurtitel van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aangevuld met de gewone regels van het verbintenissenrecht.\n\n5.6.. Dit betekent dat op de beëindiging van de huurovereenkomsten artikel 7:228 BW van toepassing is. Volgens lid 2 van dit artikel eindigt een huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd, door opzegging met een opzegtermijn van tenminste één maand. Artikel 7:228 BW is echter van regelend recht. Dat betekent dat partijen over het beëindigen van de huurovereenkomst andere afspraken kunnen maken, waarbij zij afwijken van artikel 7:228 BW.\n\n5.7.. \n\nVoor zover de Recron-voorwaarden van toepassing zijn - waarover hierna meer - dan zijn in dit geval partijen in artikel 11 van de deze voorwaarden overeengekomen dat De Holle Poarte de huurovereenkomst kan opzeggen wanneer zij een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is. Bij die opzegging wegens herstructurering dient De Holle Poarte een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen.\n\nDe Recron-voorwaarden\n\n5.8.. Vast staat de er geen schriftelijke overeenkomst is met [eiser sub 4] . Dat bij het sluiten van de overeenkomst met [eiser sub 4] de Recron-voorwaarden van toepassing zijn verklaard, kan dan ook niet worden vastgesteld. Gelet op de datum waarop de overeenkomst met [eiser sub 4] is gesloten, kan in ieder geval worden vastgesteld dat dit niet de Recron-voorwaarden zijn zoals die in werking zijn getreden per 1 maart 2016. Dat deze voorwaarden bepalen dat ze ook van toepassing zijn op lopende contracten, maakt dat niet anders. Desalniettemin is ook [eiser sub 4] regelmatig (bij de verlenging van de huurovereenkomst) over de Recron-voorwaarden geïnformeerd, zoals De Holle Poarte gemotiveerd heeft onderbouwd. Zo staat een verwijzing naar de Recron-voorwaarden op de jaarlijkse facturen, zodat [eiser sub 4] met de inhoud van de door De Holle Poarte gehanteerde Recron-voorwaarden bekend wordt verondersteld. Dat brengt echter nog geen toepasselijkheid met zich.\n\n5.9.. Op de overeenkomsten met [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] zijn de Recron-voorwaarden wel van toepassing verklaard, zij het dat het in de overeenkomst met [eiser sub 2 en 3] uitsluitend is geschied in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats'. Met het verweer van [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] dat de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn omdat deze niet ter hand zijn gesteld, miskennen zij dat een wederpartij ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden is als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker (De Holle Poarte) begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende. De Recron-voorwaarden zijn dus wel van toepassing.\n\n5.10.. Het niet ter hand stellen van de Recron-voorwaarden zou kunnen leiden tot vernietigbaarheid van (een) beding(en) in die voorwaarden. Zowel [eiser sub 2 en 3] als [eiser sub 1] hebben echter in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' verklaart te hebben ontvangen en kennis te hebben genomen van de op het recreatiebedrijf geldende regels, zoals de Recron-voorwaarden. Nu [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] deze koopovereenkomsten hebben ondertekend, levert die verklaring in die overeenkomst dwingend bewijs op dat zij de Recron-voorwaarden hebben ontvangen. Het is aan [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] om tegenbewijs aan te dragen, maar [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hun stelling dat zij de Recron-voorwaarden desondanks niet hebben ontvangen onderbouwen. Het beroep op vernietigbaarheid omdat de Recron-voorwaarden niet ter hand zouden zijn gesteld gaat dan ook niet op.\n\n5.11.. Dat een redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233 onderdeel b en artikel 6:234 BW, sluit niet uit dat in een concreet geval sprake is van strijd met het transparantievereiste, wat kan leiden tot het oordeel dat een beding oneerlijk is en vernietigbaar op grond van art. 6:233 onderdeel a BW.\n\n5.12.. Bij de beoordeling of daarvan sprake is stelt de kantonrechter voorop dat de Recron-voorwaarden zijn opgesteld door ondernemersorganisatie Recron en de Consumentenbond. Gelet op de betrokkenheid van de Consumentenbond dient als uitgangspunt te gelden dat de belangen van de consumenten met deze voorwaarden voldoende zijn geborgd. De kantonrechter volgt huurders niet in hun stelling dat de Consumentenbond zich inmiddels heeft gedistantieerd van deze voorwaarden omdat deze niet zouden voldoen aan de vereisten van Europese richtlijnen. Uit de door huurders overgelegde productie blijkt dat de Consumentenbond stopt met tweezijdige algemene voorwaarden omdat deze overbodig zijn geworden doordat de wettelijke rechten van consumenten de laatste jaren sterk zijn uitgebreid. Nu de Consumentenbond wel betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden, acht de kantonrechter de belangen van de huurders voldoende gewaarborgd door deze voorwaarden. Desalniettemin zal de kantonrechter het beroep van de huurders op de Europese consumentenbescherming en de implementatie van de desbetreffende richtlijnen in de Nederlandse wetgeving hierna bespreken.\n\nEuropese consumentenbescherming\n\n5.13.. De huurders doen een beroep op de wettelijke rechten van de consumenten. De huurders beroepen zich op de Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG (oneerlijke handelspraktijken), de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (oneerlijke bedingen) en de Richtlijn 2011\u002F83EU (informatie bij consumentenovereenkomsten). Volgens huurders ontbreekt in de huurovereenkomst een deugdelijk en transparant opzegbeding, hetgeen in verband met de aanzienlijke financiële belangen van de huurders en de bekendheid van De Holle Poarte met de aard van de investeringen bijzonder problematisch is. Ook de Recron-voorwaarden bieden geen evenwichtige opzegregeling die rekening houdt met de financiële belangen van de huurders.\n\n5.14.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe huurders hebben zich in algemene bewoorden beroepen op de regels van het Europees consumentenrecht zonder specifiek aan te geven welke bepalingen in de overeenkomst en\u002Fof de Recron-voorwaarden nietig of vernietigbaar zijn. De kantonrechter zal (ambtshalve) toetsen of er sprake is van strijd met voormelde richtlijnen. Daarbij zal de kantonrechter aansluiten bij recente jurisprudentie op dit punt in vergelijkbare zaken over de opzegging van huurovereenkomsten van staanplaatsen op recreatieparken.\n\n5.15.. Richtlijn 93\u002F13 EEG bepaalt in artikel 3 lid 1 dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien dit beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Deze regel is geïmplementeerd in artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In deze procedure staat niet ter discussie dat de huurders consument zijn en dat De Holle Poarte een professionele partij is in de zin van deze Richtlijnen. Beoordeeld dient te worden of het contractuele evenwicht tussen De Holle Poarte als professionele partij en huurders als consumenten aanzienlijk is verstoord met de in artikel 11 van de Recron-voorwaarden opgenomen opzeggingsregeling. Daarvan is niet gebleken. Vast staat immers dat de wet de huurder in gevallen als deze geen huurbescherming biedt. Als in dit geval de opzeggingsregels uit de Recron-voorwaarden niet zouden gelden, zou teruggevallen moeten worden op regelend recht. Onderdeel van dit regelend recht is artikel 7:228 lid 2 BW. Het gaat hier namelijk om een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en de huur heeft betrekking op een onroerende zaak (de staanplaats) zonder gebouw. Er is volgens die regeling alleen de verplichting om, kort gezegd, een huurtermijn van een maand in acht te nemen. De kantonrechter volgt de huurders niet voor zover zij stellen dat de wettelijke regeling een impliciet beding behelst, dat een ernstige verstoring van het contractuele evenwicht oplevert.\n\n5.16.. In dit geval bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 e.v. opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. Huurders hebben onvoldoende onderbouwd waarom de opzeggingsregeling niettemin oneerlijk is. Daarbij verwijst de kantonrechter nogmaals naar de betrokkenheid van de Consumentenbond bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden. Evenmin valt in te zien waarom het opzeggingsbeding als zodanig is aan te merken als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van Richtlijn 2025\u002F29EG (en artikel 6:193a e.v. BW). Waarom sprake zou zijn van onjuiste of misleidende informatie hebben huurders ook niet nader toegelicht.\n\n5.17.. Het beroep van huurders op de Richtlijn informatieplichten wordt evenmin gevolgd. Deze richtlijn, in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 6:230h lid 2, aanhef en onder f BW, is niet van toepassing op overeenkomsten voor het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerend goed of rechten op onroerend goed. Bij de huurovereenkomst op grond van een jaarplaats op een camping verkrijgt de huurder op grond van een overeenkomst het gebruiksrecht op een onroerende zaak, zodat de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten niet van toepassing zijn in deze situatie.\n\n5.18.. Het betoog dat de opzeggingsregeling nietig of vernietigbaar is in verband met Europese consumentenbescherming zoals neergelegd in de diverse richtlijnen en de Nederlandse wetgeving, wordt daarom verworpen.\n\nOpzegging conform de Recron-voorwaarden\n\n5.19.. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. De kantonrechter zal bij de beoordeling dan ook tot uitgangspunt nemen de vraag of De Holle Poarte bij de opzegging van de huurovereenkomsten het bepaalde in artikel 11 van de Recron-voorwaarden in acht heeft genomen.\n\n5.20.. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte voldoende heeft aangetoond dat zij ten tijde van de opzegging serieuze, concrete plannen had voor herstructurering van het terrein en dat zij daartoe de staanplaatsen nodig had. Dat er belemmeringen zijn die aan de realisatie van de herstructurering in de weg staan of zouden kunnen staan, is niet gebleken. Daarbij acht de kantonrechter met name van belang dat het uitsluitend een interne inrichting van een deel van het terrein (veld F) betreft, waarbij 50 vaste staanplaatsen ruimte moeten maken voor toeristische kampeerplekken. Dat De Holle Poarte bepaalde bouwactiviteiten uit de vergunningaanvraag heeft verwijderd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Bovendien heeft De Holle Poarte gemotiveerd toegelicht dat bepaalde bouwwerken vergunningsvrij geplaatst kunnen worden en dat zij voor infrastructurele werkzaamheden (zekerheidshalve) een vergunning heeft aangevraagd. Uit de correspondentie met de gemeente blijkt ook genoegzaam dat er geen nadere vergunningsvereisten zijn die aan de realisatie in de weg staan of zouden kunnen staan. De huurders hebben ook niet nader onderbouwd waarom de plannen van De Holle Poarte desondanks niet voldoende concreet en\u002Fof niet uitvoerbaar zouden zijn.\n\n5.21.. De Holle Poarte heeft niet alleen de in de Recron-voorwaarden genoemde termijn van een jaar in acht genomen, zij heeft de huurders reeds in november 2023 geïnformeerd over de herstructureringsplannen, waardoor zij bijna drie jaar de tijd hebben (gehad) om te anticiperen op de gevolgen van de opzegging. Daarnaast heeft De Holle Poarte de huurders de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12 van de Recron-voorwaarden aangeboden.\n\n5.22.. De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de opzegging is geschied overeenkomstig de Recron-voorwaarden.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n5.23.. In het Goglio-arrest (ECLI:NL:HR:2018:141) over duurovereenkomsten heeft de Hoge Raad overwogen dat indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen òf dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.\n\n5.24.. Dat de huurders belang hebben bij een ongewijzigde situatie, mede omdat zij met veel plezier om De Holle Poarte verblijven en ze de nodige kosten hebben gemaakt voor de aanschaf van hun kampeermiddel, staat niet ter discussie. Dat betekent echter niet dat De Holle Poarte handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de huurovereenkomsten conform de Recron-voorwaarden op te zeggen omdat ze wenst over te gaan tot herstructurering van een deel van de camping.\n\n5.25.. Het betoog van de huurders dat het herstructureringsplan geen 'voldoende zwaarwegende grond' oplevert, zal de kantonrechter als ongegrond passeren. Anders dan de huurders menen is daarvoor niet vereist dat er sprake is van een dwingende noodzaak zoals veiligheidstekorten, milieuvervuiling, structureel verval of een overheidsopdracht. Dat voor opzegging van een duurovereenkomst een noodsituatie vereist zou zijn, zoals de huurders betogen, blijkt niet uit vaste jurisprudentie hierover. Ook wanneer het recreatiebedrijf uit commerciële overwegingen haar bedrijfsvoering wenst aan te passen aan de ontwikkelingen in de toeristensector, dan staat haar dat in beginsel vrij. Wel moeten haar herstructureringsplannen voldoende concreet en uitvoerbaar zijn en dient zij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft De Holle Poarte hier aan voldaan.\n\n5.26.. Bij een overeenkomst als deze kan het voorkomen dat de partij tot wie de opzegging is gericht, met het oog op het voortduren van de overeenkomst investeringen heeft gedaan welke niet enkel worden gecompenseerd door, of verdisconteerd in een bepaalde opzegtermijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen, ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn, de eisen van redelijkheid en billijkheid nopen tot toekenning van een schadevergoeding. Volgens huurders brengt de redelijkheid en billijkheid met zich dat De Holle Poarte een gepast aanbod tot betaling van schadevergoeding heeft te doen. De huurders hebben investeringen in hun kampeermiddel gedaan en De Holle Poarte heeft dit bevorderd en ervan geprofiteerd, aldus huurders.\n\n5.27.. De kantonrechter is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid geen eisen voortvloeien waaraan De Holle Poarte niet heeft voldaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen rechtvaardigt de door De Holle Poarte voorgenomen herstructurering van haar terrein en de daarbij gehanteerde opzegtermijn de opzegging van de overeenkomst. Deze voorgenomen herstructurering acht de kantonrechter voldoende zwaarwegend en de opzegtermijn alleszins redelijk. Bovendien heeft De Holle Poarte de huurders een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten aangeboden. De kantonrechter volgt de huurders niet in hun betoog dat deze schadeloosstelling onvoldoende is. Het gaat om in beginsel verplaatsbare chalets en caravans die in eigendom toebehoren aan de huurders. Dat het kampeermiddel van [eiser sub 4] door zijn technische\u002Fconstructieve staat niet meer verplaatsbaar zou zijn, zoals van de zijde van huurders gesteld, kan De Holle Poarte niet worden tegengeworpen. Dat de door de huurders betaalde prijs voor de kampeermiddelen mede is bepaald door, en onlosmakelijk is verbonden met de staanplaats zelf, kunnen de huurders De Holle Poarte evenmin tegenwerpen. Dat De Holle Poarte daarvan zou hebben geprofiteerd, zoals de huurders aanvoeren, is door De Holle Poarte gemotiveerd betwist. De huurders hebben ook niet nader toegelicht op welke wijze De Holle Poarte betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de prijs die de huurders voor hun kampeermiddel hebben betaald, anders dan dat De Holle Poarte in het verleden wel hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met behoud van staanplaats. Dat het voor de huurders lastig is om voor hun kampeermiddel een andere plek te vinden en dat een verhuizing kosten met zich brengt, betekent echter niet dat De Holle Poarte verplicht is in deze kosten bij te dragen of anderszins een hogere vergoeding aan de huurders te betalen dan in de Recron-voorwaarden staat vermeld (geïndexeerd naar het prijspeil van 2025 een bedrag van € 1.920).\n\n5.28.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat De Holle Poarte beschikbaar gekomen vervangende plekken op de camping aan de huurders heeft aangeboden. Dat De Holle Poarte daarbij voorrang heeft gegeven aan huurders van wie het kampeermiddel wel voldeed aan de richtlijnen van De Holle Poarte, levert, anders dan huurders stellen, geen willekeur op. Gelet op de leeftijd en uitstraling van het kampeermiddel van de huurders heeft De Holle Poarte aangegeven dat het kampeermiddel niet voor verplaatsing in aanmerking komt, maar dat de huurders een chalet dienen te plaatsen dat voldoet aan de richtlijnen van De Holle Poarte. De huurders hebben niet betwist dat hun kampeermiddel alle ten minste 30 jaar zijn en dat deze qua uitstraling niet voldoen aan de richtlijnen van De Holle Poarte. Evenmin hebben zij betwist dat De Holle Poarte een gerechtvaardigd belang heeft bij een goede uitstraling van de camping in zijn geheel. Dat de huurders niet in staat zijn om een nieuw of jong-gebruikt kampeermiddel aan te schaffen, maakt echter niet dat de opzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n5.29.. Met betrekking tot [eiser sub 1] overweegt de kantonrechter tot slot dat zij weliswaar redelijk recent (in 2023) het kampeermiddel heeft gekocht, maar [eiser sub 1] heeft niet betwist dat er op dat moment geen herstructureringsplannen met betrekking tot veld [letter] waren. De Holle Poarte kan dan ook niet verweten worden dat zij [eiser sub 1] daarover niet heeft geïnformeerd. Voorts acht de kantonrechter van belang dat zowel in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' en in het 'Mietvertrag' is verwezen naar de Recron-voorwaarden. In de Recron-voorwaarden staat uitdrukkelijk vermeld dat de koopprijs van het kampeermiddel niet meer kan zijn dan de waarde van het kampeermiddel zelf, dus zonder de grond, zonder vergoeding van het plekje, de ligging en het uitzicht. Dat De Holle Poarte op enige wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser sub 1] , is niet gebleken. Er bestaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen aanleiding om, ondanks de relatief korte periode dat [eiser sub 1] van haar kampeermiddel en staanplaats heeft kunnen genieten, een hogere schadevergoeding toe te kennen.\n\n5.30.. Het door de huurders gedane beroep artikel 6:248 BW slaagt dan ook niet.\n\nMisbruik van recht\u002Fonrechtmatige daad\n\n5.31.. Uit de overwegingen over de rechtsgeldigheid van de door Holle Poarte gedane opzeggingen volgt dat er geen sprake is van misbruik van recht. Evenmin hebben de huurders bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat er binnen de contractuele relatie sprake is van een onrechtmatig handelen van De Holle Poarte jegens de huurders.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de alle vorderingen van de huurders, die er enerzijds op gericht zijn de rechtsgeldigheid van de opzegging van de huurovereenkomsten aan te tasten en anderzijds om een financiële schadevergoeding te bewerkstelligen, zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.33.. De huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n632,50\n\nvoorts in reconventie\n\nEinde huurovereenkomst en ontruiming\n\n5.34.. De Holle Poarte vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 30 september 2026 zijn opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de betreffende jaarplaats verblijven. Bij vermeerdering van eis heeft De Holle Poarte daarnaast ontruiming van de gehuurde jaarplaatsen gevorderd. Nu er sprake is van een rechtsgeldige opzegging en de huurders geen aanspraak kunnen maken op een (schade)vergoeding die de aangeboden vergoeding op grond van de Recron-voorwaarden overstijgt, zijn de vorderingen toewijsbaar.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.35.. De veroordeling van huurders om de gehuurde staanplaatsen te ontruimen zal daarbij uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De huurders hebben zich daartegen verzet, waarbij zij hebben verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2025, waarbij het hof oordeelde dat het recreatiebedrijf jegens bepaalde huurders schadeplichtig was op grond van onrechtmatige daad en dat ontruiming pas mocht plaatsvinden na betaling van de schadevergoeding. Van een vergelijkbare situatie is echter geen sprake. Voorts hebben de huurders nog verwezen naar een tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2024, waarbij een belangenafweging is uitgevallen in het voordeel van de recreanten. Ook deze vergelijking gaat niet op, omdat in die zaak het recreatiebedrijf nog geen concrete plannen voor de betreffende staanplaatsen had zodat haar belang bij ontruiming van de staanplaatsen beperkt was. Bovendien bevond in die zaak de procedure in hoger beroep zich inmiddels in een vergevorderd stadium. In het onderhavige geval, waarbij er wel concrete plannen zijn en 47 van de 50 staanplaatsen wel per 1 oktober 2026 zullen zijn ontruimd, weegt naar het oordeel van de kantonrechter het belang bij De Holle Poarte om haar herstructureringsplannen te kunnen verwezenlijken zwaarder dan het belang van de huurders dat zich feitelijk vertaalt in een financieel belang.\n\nDwangsom\n\n5.36.. Met betrekking tot de door De Holle Poarte gevorderde dwangsom, die de huurders disproportioneel vinden, overweegt de kantonrechter tot slot dat hij deze zal matigen tot een bedrag van € 100,00 per dag dat de huurders na betekening van dit vonnis per 1 oktober 2026 in gebreke blijven met de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaatsen. Uiteraard zijn [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] slechts gehouden de door henzelf gehuurde staanplaats te ontruimen. De kantonrechter zal hier een maximum aan verbinden van € 5.000,00. De kantonrechter acht dit een voldoende prikkel voor nakoming.\n\nProceskosten\n\n5.37.. \n\nDe huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op\n\n€ 253,00 (0,5 x 2 punten x € 253,00) aan salaris gemachtigde.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin reconventie\n\n6.3.. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] per 30 september 2026 is opgezegd en dat zij vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de desbetreffende jaarplaatsen verblijven,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] om de door hen gehuurde staanplaatsen, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026 te verlaten en te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen,\n\n6.5.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] ieder om aan De Holle Poarte een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de hoofdveroordeling onder 6.4. met betrekking tot de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaats voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n6.6.. veroordeelt de huurders in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt de huurders tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vermeerderd met de kosten van betekening als de huurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2. en 6.4 tot en met 6.7. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n471\n\n Artikel 6: 232 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 6: 233 BW\n\n Artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)\n\n vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3191), Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7084) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026;1465).\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:3191\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:7991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","2026-07-13T00:28:47.915Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":65,"updatedAt":97},"1245","ECLI:NL:GHARL:2026:2351","ecli-nl-gharl-2026-2351","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.945\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 18250503\n\narrest in kort geding van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Universitair Medisch Centrum Groningen\n\ngevestigd in Groningen\n\nverder: UMCG\n\n2. Ommelander Ziekenhuis Groningen B.V.\n\ngevestigd in Scheemda\n\nverder: OZG\n\ndie hoger beroep hebben ingesteld\n\nbij de rechtbank: gedaagden\n\nhierna tezamen: UMCG c.s.\n\nadvocaat: mr. J.I. Krikke te Amsterdam\n\nen\n\nStichting Treant Ziekenhuiszorg\n\ngevestigd in Hoogeveen\n\ngevoegde partij aan de zijde van UMCG c.s.\n\nbij de rechtbank: gedaagde\n\nhierna: Treant\n\nadvocaat mr. L.C. Bredeveld te Amsterdam\n\ntegen\n\nChipSoft B.V.\n\ngevestigd in Amsterdam\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld\n\nbij de rechtbank: eiseres\n\nhierna: Chipsoft\n\nadvocaat: mr. K.E.L. van Haastrecht te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nUMCG c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) op 6 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit\n\nde dagvaarding in hoger beroep van 16 februari 2026;\n\nde memorie van grieven van 17 februari 2026;\n\nde incidentele conclusie tot voeging van Treant van 24 februari 2026;\n\nde memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 3 maart 2026;\n\nhet arrest in het schorsingsincident van 3 maart 2026. Het hof verwijst naar dat arrest voor het procesverloop in dat incident;\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van 10 maart 2026;\n\neen akte overlegging producties van UMCG c.s. van 10 maart 2026;\n\neen akte tot wijziging van eis van Chipsoft van 10 maart 2026;\n\nde brief van 11 maart 2026 waarbij UMCG c.s. zich verzetten tegen die wijziging van eis;\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 maart 2026 is gehouden.\n\nPartijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\nUMCG heeft in 2015 haar elektronisch patiëntendossier (EPD) aanbesteed en gegund aan EPIC. OZG en Treant willen aansluiten bij dit systeem. Volgens Chipsoft kan dit niet zonder nieuwe aanbesteding door UMCG van het hele dan ontstane regionale EPD. De voorzieningenrechter heeft Chipsoft gevolgd en UMCG op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag verboden om op de ingeslagen weg voort te gaan.\n\nHet hof is van oordeel dat de aanbesteding uit 2015 ook de optie van een regionaal EPD omvatte en komt tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter, ook op het punt of OZG als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Daarmee kan het vonnis van de voorzieningenrechter niet in stand blijven.\n\nHet hof zal deze beslissingen hierna toelichten, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. UMCG is één van de acht universitair medische centra in Nederland. Als academisch ziekenhuis houdt UMCG zich onder meer bezig met patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.\n\n3.2. UMCG heeft op 4 oktober 2015 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor een eigen elektronisch patiëntendossier (EPD) met de naam ‘Nieuw EPD UMCG’. Een EPD is een digitaal systeem waarin zorgverleners medische gegevens van patiënten bewaren, zoals diagnoses, behandelingen en medicatie. Deze aanbesteding omvatte het selecteren en contracteren van een EPD-leverancier voor het UMCG als enige opdrachtgever.\n\n3.3. \n\nDeze aanbesteding bevatte enkele wensen die zagen op samenwerking met andere instellingen.\n\nWens 77 luidde:\n\n\"Het UMCG streeft naar intensievere regionale samenwerking. Dit zal tot gevolg hebben dat activiteiten binnen een behandelingstraject over verschillende instellingen uitgevoerd worden; het UMCG voert slechts een gedeelte van de behandeling uit. Het EPD zal mogelijk in een later stadium in een ander regionaal ziekenhuis uitgerold worden. Hoe kan het EPD met betrekking tot zorg die over meerdere zorginstellingen verdeeld is, omgaan met medische facturatie? Ga bij de beantwoording in op: (. . .)\n\nc. op welke wijze kunnen meerdere zelfstandige entiteiten gebruik maken van het EPD, waarbij de medische informatie van beide entiteiten binnen de vigerende regelgeving zichtbaar is [in, hof] de andere entiteiten, maar sprake is van een zelfstandig Registreren-Samenvatten-Afleiden Declareren proces. (. . .)\n\ng. bovenstaande vragen bezien vanuit de situatie dat de andere entiteit geen gebruik maakt van hetzelfde EPD als het UMCG én de situatie dat de andere entiteit wel gebruik maakt van hetzelfde EPD als het UMCG:\n\nh. indien gebruik gemaakt wordt van eenzelfde EPD over meerdere entiteiten; de mogelijkheden bij één installatie voor meerdere instellingen dan wel één installatie per instelling (. . .)\"\n\nen wens 87:\n\n\"Welke architectuur adviseert Inschrijver rekening houdend met een eventueel\n\ndoorgroeiscenario dat aansluit bij de wens om de regionale samenwerking te intensiveren?\n\nGa bij de beantwoording in op:\n\na. na implementatie in UMCG uitrol in de andere instelling.\n\nb. het naderhand samenvoegen van 2 installaties dan wel ontvlechten van 1 installatie\n\nc. tools ter ondersteuning van voorgaande twee punten\n\nd. overig.\"3.4. Chipsoft heeft ingeschreven op die aanbesteding uit 2015. De opdracht is uiteindelijk gegund aan EPIC Den Bosch B.V. (verder: Epic) De initiële looptijd van deze overeenkomst en bijhorende Service Level Agreement (SLA) betrof 15 jaar. Deze verloopt medio 2029, tenzij deze wordt verlengd.\n\n3.5. OZG is het streekziekenhuis van Noord- en Oost-Groningen, als opvolgster van de ziekenhuizen in Delfzijl en Winschoten. OZG is sinds december 2015 een 100%-dochter van UMCG, maar fungeert als volledig zelfstandig ziekenhuis.\n\n3.6. Treant exploiteert een algemeen ziekenhuis met een drietal locaties in Oost- Groningen en Zuidoost Drenthe, namelijk Rafajah Stadskanaal, Bethesda Hoogeveen en Scheper Emmen.\n\n3.7. OZG en Treant hebben een EPD-systeem dat is geleverd en wordt onderhouden door Nexus. Nexus heeft aangekondigd in 2027 met deze dienstverlenging te stoppen. Na het uittreden van Nexus en een andere leverancier zijn er voor IT-diensten betreffende het EPD nog twee spelers op de Nederlandse markt: Chipsoft met een marktaandeel van ruim meer dan 50 % van de ziekenhuizen en Epic (met een Amerikaans moederbedrijf) dat een aantal grotere ziekenhuizen onder contract heeft.\n\n3.8. Sinds augustus 2024 is Chipsoft in gesprek geweest met Treant voor een nieuw ziekenhuis-informatiesysteem en een EPD. Chipsoft heeft op 5 december 2024 een offerte aan Treant uitgebracht. Begin 2025 gaf Treant aan ook met onder andere UMCG in gesprek te zijn en een regio-EPD te onderzoeken. Ook aan Chipsoft is de vraag voorgelegd naar een regionaal EPD met het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen en\u002Fof het Martiniziekenhuis in Groningen die beide een door Chipsoft geleverd EPD hebben. In de loop van 2025 heeft Treant tweemaal verzocht aan Chipsoft om het aanbod in de vorm van een direct ondertekenbare overeenkomst te gieten en de gestanddoeningstermijn van het aanbod te verlengen. De tweede keer is dat verlengd tot 1 december 2025.\n\n3.9. \n\nOp 5 oktober 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder: Vooraankondiging 1) als bedoeld in artikel 4.16 van de Aanbestedingswet (Aw) gedaan. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\n “Aankondiging vrijwillige transparantie vooraf. UMCG levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Deze vrijwillige aankondiging overeenkomstig artikel 4.16 van de Aanbestedingswet betreft het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de overeenkomst met Epic Den Bosch B.V. (Epic) voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Dit voornemen ziet op de opdracht die door UMCG is gegund naar aanleiding van de Europese aanbesteding die bekend is gemaakt onder [nummer] . Het aansluiten van de andere ziekenhuizen op deze aanbestede opdracht is mogelijk op basis van de oorspronkelijke uitvraag. In die uitvraag is voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking, waarvoor het EPD van de inschrijver bij voorkeur geschikt zou moeten zijn. Die samenwerking wenst UMCG nu te bewerkstelligen.\n\nDeze wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van Epic. De ziekenhuizen die voornemens zijn aan te sluiten, zijn niet aanbestedingsplichtig. (…)\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 1 Euro.\n\n(…)\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels.\n\nAndere rechtvaardiging: De opdracht is eerder aanbesteed. In die aanbesteding is reeds voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding in verband met een (regionale) samenwerking.\n\nDe toepassing van deze optie komt overigens ten goede aan partijen die niet\n\naanbestedingsplichtig zijn. Het volume van UMCG wijzigt niet.”\n\n3.10. Op 14 november 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder: Vooraankondiging 2) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gepubliceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\n“De opdracht betreft de aansturing en realisatie van het programma “Implementatie SCN”. Het betreft de planvorming, de regievoering op de uit te voeren werkzaamheden, de rapportage over voortgang, risicomanagement en budgetuitnutting, het management van de informatiestromen. E.e.a. is samen te brengen in de rollen programmadirectie, centraal programmamanagement “verandermanagement” en Programma Management Office. Gezien de complexiteit van het programma “Implementatie SCN” is adequate sturing en monitoring op de programmamanagementprocessen (financieel management, risicomanagement, informatievoorziening en rapportage) een noodzakelijke voorwaarde. Betreft het realiseren van een Epic Connect omgeving in de periode december 2025 tot en met juli 2027.\n\n(…)\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 3.160.500 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging:\n\nDe ervaringen van Pragus zijn noodzakelijk voor een succesvolle realisatie van de EPIC-connect. Op dit moment zijn er geen partijen in Nederland actief met de benodigde ervaring. AW2012 art. 2.32 lid 1b2 stelt dat als de mededinging om technische gronden ontbreekt, wat in deze situatie het geval is, het gegrond is om een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging te starten.”\n\n3.11. Epic Connect wordt door Epic als volgt omschreven:\n\n“Epic Connect is een programma waarmee grote zorgorganisaties die al met het Elektronische Patiëntendossier (EPD) van Epic werken, hun EPD-infrastructuur kunnen uitbreiden naar kleinere, onafhankelijke ziekenhuizen, klinieken en huisartsenpraktijken. Het is een strategische samenwerkingsvorm waarbij de kleinere zorgverlener (de 'partner') gebruikmaakt van het systeem van een grotere instelling (de 'host').”\n\n3.12. Chipsoft heeft bij brief (per mail verzonden op 26 november 2025) UMCG vragen gesteld over het gezamenlijke EPD, ook bekend as Share Care Noord. UMCG heeft daar op 1 december 2025 op gereageerd in die zin dat de voorgenomen samenwerking al was geadresseerd in de aanbesteding uit 2015, dat de termijn om te protesteren inmiddels is verlopen en dat UMCG ervan uitgaat dat Chipsoft geen gerechtelijke stappen zal ondernemen.\n\n3.13. Bij dagvaarding van 3 december 2025 heeft Chipsoft het kort geding aanhangig gemaakt waarvan dit hoger beroep.\n\n3.14. Op 12 december 2025 heeft zij UMCG c.s., Treant en de bestuurder van Treant gedagvaard in een bodemprocedure.\n\n4. De beslissing van de voorzieningenrechter\n\n4.1. \n\nChipsoft heeft bij de voorzieningenrechter, kort gezegd, gevorderd dat het UMCG c.s. wordt verboden om uitvoering te geven aan wat is omschreven in de Vooraankondigingen 1 en 2 op straffe van verbeurte van een dwangsom en te bepalen dat, als UMCG en OZG hiermee verder willen, zij hiervoor een Europese Aanbestedingsprocedure moeten uitschrijven.\n\nDaarnaast heeft Chipsoft een aantal vorderingen tot het in het geding brengen van contractsstukken en andere documenten ingesteld (zogenaamde inzagevorderingen).\n\n4.2. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen tegen Treant en haar bestuurder afgewezen omdat Treant geen aanbestedende dienst is. Ook de inzagevorderingen zijn afgewezen omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt, waarbij ook een rol speelt dat dezelfde vorderingen ook in de bodemprocedure zijn ingesteld.\n\n4.3. \n\nDe voorzieningenrechter heeft OZG wel als aanbestedende dienst aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft de in de Vooraankondigingen 1 en 2 omschreven opdrachten aangemerkt als een wezenlijke wijziging ten opzichte van de in 2015 gegunde opdracht aan EPIC en geoordeeld dat UMCG deze opdrachten niet zonder nieuwe aanbesteding mocht verstrekken. De beide aankondigingen voldoen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de eisen van artikel 4:16 Aw, zodat het beroep van UMCG dat Chipsoft te laat tegen Vooraankondiging 1 is opgekomen, niet opgaat.\n\nDe voorzieningenrechter heeft UMCG en OZG verboden om uitvoering te geven aan beide vooraankondigingen, hen geboden om die vooraankondigingen in te trekken, hen geboden om, als zij de opdrachten omschreven in de vooraankondigingen alsnog willen verstrekken, zij deze Europees moeten aanbesteden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag met een maximum van € 2.000.000,-.\n\n5. De beoordeling in hoger beroep\n\nDe vorderingen in hoger beroep\n\n5.1. UMCG c.s. vorderen dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van Chipsoft alsnog worden afgewezen, onder veroordeling van Chipsoft in de kosten van de procedure in beide instanties. Zij hebben daartoe 11 bezwaren (grieven) tegen het vonnis geformuleerd.\n\n5.2. Treantvordert als gevoegde partij eveneens dat de vorderingen van Chipsoft alsnog worden afgewezen, ‘kosten rechtens’.\n\n5.3. Chipsoftheeft in hoger beroep haar vordering gewijzigd bij de memorie van antwoord tevens van grieven in incidenteel appel. Daarna heeft zij haar vordering andermaal gewijzigd. Op de mondelinge behandeling heeft het hof die laatste wijziging, als in strijd met de twee-conclusieregel, niet toegestaan. De eerste wijziging van eis, die op het juiste tijdstip is gedaan, is als zodanig wel toelaatbaar. UMCG c.s. hebben zich daartegen ook niet verzet.\n\n5.4. \n\nDie vordering komt, verkort weergegeven, neer op het volgende:\n\nonvoorwaardelijk\n\nDat het hof, onder instandlating van het dictum in het vonnis, oordeelt dat OZG kwalificeert als aanbestedende dienst, UMCG en OZG in strijd hebben gehandeld met artikel 4.17 van de Aw en het handelen van UMCG en OZG kwalificeert als onrechtmatige daad.\n\nIn geval een of meer grieven van UMCG c.s. zouden slagen\n\nUMCG c.s. op grond van artikel 22 Rv beveelt een aantal nader omschreven documenten in het geding te brengen, dan wel UMCG c.s. veroordeelt om op grond van artikel 194\u002F195 Rv kopieën van die documenten te verstrekken en een zitting te bepalen waarop de advocaten van partijen kunnen toelichten waarom bepaalde informatie al dan niet mag worden ingezien en dat het hof bepaalt welke passages dan zwart gelakt kunnen worden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag met een maximum van 2.500.000,-.\n\nAlles onder veroordeling van UMCG c.s. in de proceskosten van beide instanties.\n\nChipsoft heeft daartoe vijf grieven in incidenteel appel tegen het vonnis van de voorzieningenrechter voorgedragen.\n\nTreant wordt toegelaten als gevoegde partij5.5. Het hof stelt vast dat de afwijzing van de vorderingen van Chipsoft tegen Treant en\u002Fof haar bestuurder in deze procedure niet voorliggen. Chipsoft heeft tegen die beslissing afzonderlijk hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroepwaren ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof nog geen memories genomen.\n\n5.6. Chipsoft heeft zich tegen de voeging van Treant aan de zijde van UMCG c.s. niet verzet. Het hof zal de vordering van Treant om zich te mogen voegen aan de zijde van UMCG c.s., als op de wet gegrond, toewijzen.\n\nThematische bespreking van de grieven5.7. Het hof zal hierna de grieven en vorderingen van partijen onderwerpsgewijs bespreken.\n\nHet spoedeisend belang5.8. In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. Het hof is van oordeel dat Chipsoft een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen die betrekking hebben op het geen uitvoering mogen geven aan de opdrachten genoemd in de beide Vooraankondigingen.\n\n5.9. Voor de subsidiaire vorderingen tot het verstrekken van informatie ligt dat anders. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Tegen dat oordeel heeft Chipsoft geen voldoende kenbare grief voorgedragen en ook niet voldoende toegelicht wat haar spoedeisend belang bij die vorderingen, die ook in de bodemprocedure zijn ingesteld, is. De beoordeling welke stukken UMCG c.s. in het geding moeten brengen in die bodemprocedure en in hoeverre het beroep van UMCG c.s. op geheimhouding\u002F vertrouwelijkheid opgaat, kan, in geval het hof tot een ander oordeel komt dan de voorzieningenrechter, ook beter in die procedure plaatsvinden. Chipsoft heeft niet toegelicht waarom het hof daar, op dan wel na een afzonderlijke zitting, in dit kort geding over zou moeten beslissen, voordat de rechtbank in de bodemprocedure daarover een beslissing heeft genomen.\n\nOZG is geen aanbestedende dienst5.10. Chipsoft heeft aangegeven dat de beslissing van de voorzieningenrechter dat Treant niet als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, ook in het later aanhangig gemaakte hoger beroep van Chipsoft tegen Treantniet zal worden aangevochten.\n\n5.11. UMCG c.s. hebben wel het oordeel van de voorzieningenrechter dat OZG in dit geval als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt, aangevochten.\n\n5.12. \n\nHet begrip aanbestedende dienst is gedefinieerd in artikel 1 van de Aw, dat weer een uitwerking vormt van artikel 2 van de Europese richtlijn 2014\u002F24 EU.\n\nIn dit geval gaat het erom of OZG kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling als in artikel 1.1 van de AW omschreven, namelijk:\n\nI. een instelling die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard,\n\nII. die rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan:\n\nIII.\n\nde activiteiten in hoofdzaak door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling worden gefinancierd,\n\nhet beheer is onderworpen aan toezicht door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling of\n\nde leden van het bestuur, het leidinggevend of toezichthoudend orgaan voor meer\n\ndan de helft door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling zijn aangewezen;\n\n5.13. Voor het OZG staat vast dat het rechtspersoonlijkheid heeft – waarmee aan de tweede (cumulatieve) voorwaarde is voldaan – en dat UMCG de bestuursleden en leden van de raad van toezicht benoemt, zodat daarmee voldaan is aan de derde (cumulatieve) voorwaarde, namelijk aan het onder III sub c geformuleerde derde alternatief. De vraag is nog of het OZG voldoet aan de eerste (cumulatieve) voorwaarde namelijk dat het OZG specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard.\n\n5.14. De vraag of een algemeen ziekenhuis als aanbestedende dienst kan worden aangemerkt, toegespitst op het criterium of het voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van commerciële aard, is aan de orde geweest in de Amphia-zaak, waarin de voorganger van de hiervoor genoemde richtlijn 2014\u002F24 aan de orde was. Daarin heeft de Hoge Raadoverwogen dat bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, moet worden gelet op alle relevante elementen, rechtens en feitelijk, zoals de omstandigheden waaronder de betrokken instelling is opgericht en de voorwaarden waaronder zij werkzaam is. Daarbij moet worden bedacht dat het ontbreken van concurrentie geen noodzakelijk element is van de definitie van het begrip publiekrechtelijke instelling. Het bestaan van een sterke concurrentie kan weliswaar erop wijzen dat geen sprake is van een andere behoefte van algemeen belang dan van industriële of commerciële aard, maar wettigt op zichzelf niet deze conclusie. Aan die conclusie kan bijdragen dat de betrokken instelling, ook al heeft deze geen winstoogmerk, werkt op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, alsmede dat zij zelf het economische risico van haar activiteiten draagt.\n\n5.15. \n\nIn de daarop gevolgde verwijzingszaakis geoordeeld dat Amphia niet aan de derde voorwaarde als hiervoor onder 5.12 omschreven voldeed en in volgende rechterlijke uitspraken over algemene ziekenhuizen is steeds aangenomen dat zij niet als aanbestedende diensten kwalificeerden omdat niet is voldaan aan een van de alternatieven van die derde voorwaarde, waarbij dan de vraag of voldaan is aan voorwaarde I in het midden kon blijven. Het hof is van oordeel dat, ook al wijst de statutaire doelstelling van het OZG op het voldoen aan de behoefte van algemeen belang van het bieden van gezondheidszorg in Oost-Groningen, de wijze waarop daaraan uitvoering moet worden gegeven niet afwijkt van die van alle andere algemene ziekenhuizen in Nederland, die moeten voldoen aan de tucht van de markt en moeten werken op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit. In het licht van de door de Hoge Raad in het Amphia-arrest betrokken uitspraken van het Europese hof is dit een aanwijzing dat het OZG als algemeen ziekenhuis voorziet in een algemene behoefte, maar van commerciële aard. OZG en UMCG hebben ter zitting van het hof toegelicht dat het OZG haar eigen verliezen moet dragen en dat die op geen enkele wijze worden gedragen of afgedekt door UMCG. UMCG heeft alleen bij de start van het OZG een commerciële lening aan OZG verstrekt die moeten worden afgelost.\n\nHet hof is daarom voorshands van oordeel dat het OZG niet voldoet aan de eerste cumulatieve voorwaarde voor het zijn van een aanbestedingsplichtige publiekrechtelijke instelling.\n\n5.16. Het hof deelt niet de opvatting van Chipsoft dat de omstandigheid dat OZG als een dochteronderneming van UMCG moet worden beschouwd, zij alleen al om die reden als aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. Het hof verwijst naar de vaste jurisprudentie van het HvJ EU dat een onderneming niet reeds zelf als een aanbestedende dienst worden beschouwd omdat zij door een aanbestedende dienst is opgericht of omdat haar activiteiten worden gefinancierd met financiële middelen afkomstig uit de door een aanbestedende dienst verrichte activiteiten.Voor zover de aanbestedende dienst zonder de activiteiten van die dochteronderneming zijn eigen activiteit niet kan uitoefenen, en deze dochteronderneming zich bij het vervullen van behoeften van algemeen belang laat leiden door andere dan economische overwegingen, moet die dochteronderneming wel zelf als een publiekrechtelijke instelling worden aangemerkt.Daarvan is echter geen sprake. Het is niet zo dat het UMCG zonder OZG haar eigen activiteiten niet kan uitoefenen. Voor de gedachtegang van de voorzieningenrechter dat OZG zou zijn opgericht als vehikel voor het UMCG om onder haar eigen aanbestedingsplicht uit te komen, ontbreekt in het dossier en het verhandelde ter zitting elke aanwijzing.\n\n5.17. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat OZG niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling en bijgevolg evenmin als een aanbestedende dienst. De tegen het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter gerichte grieven van UMCG c.s. slagen in zoverre en de vordering van Chipsoft om uitdrukkelijk te bepalen dat OZG een aanbestedende dienst is kan niet worden toegewezen, nog daargelaten dat in kort geding geen verklaring voor recht kan worden afgegeven.\n\nHet beroep van UMCG op artikel 4.16 eerste lid Aw gaat niet op5.18. UMCG heeft betoogd dat Chipsoft niet binnen de in artikel 4.16 lid 1 onder c Aw genoemde termijn van 20 dagen na het plaatsen van Vooraankondiging 1 op Tendernet heeft geprotesteerd en daarom niet meer de inmiddels op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic kan aanvechten.\n\n5.19. \n\nArtikel 4.15 Aw bepaalt dat een overeenkomst die ten onrechte niet is aanbesteed, vernietigd kan worden. Artikel 4.16 Aw maakt daarop uitzondering, namelijk als de aanbestedende dienst, kort gezegd, een juiste vooraankondiging heeft geplaatst die betrekking heeft op een overeenkomst die de aanbestedende dienst wil aangaan waarvan zij meent dat gunning mogelijk is zonder aanbesteding.\n\nHet hof deelt op zich het standpunt van Chipsoft dat een dergelijke vooraankondiging moet voldoen aan de eisen van artikel 4.17 Aw en dat daarbij alleen gekeken mag worden naar de tekst van de vooraankondiging zelf en dat niet van belang is of een marktpartij over bijzondere kennis beschikt over de overeenkomst die de aanbestede dienst wil sluiten omdat die marktpartij deel heeft genomen aan een eerdere aanbesteding die de aanbestedende dienst heeft uitgeschreven. De vooraankondiging is immers bedoeld voor alle marktpartijen – ongeacht of die aan een eerdere aanbesteding hebben meegedaan – en die marktpartijen moeten uit de vooraankondiging kunnen afleiden of deze juist is en of het zinvol is om deze aankondiging aan te vechten.\n\n5.20. Het hof stelt vast dat de vooraankondiging en wat UMCG heeft meegedeeld over de inhoud van de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst met Epic, niet op elkaar aansluiten. In de Vooraankondiging 1 is opgenomen dat de waarde van de met Epic te sluiten overeenkomst 1 euro bedraagt. Uit wat UMCG over de inhoud van de overeenkomst die op 11 november 2025 met Epic is gesloten heeft meegedeeld blijkt dat deze overeenkomst erin voorziet dat UMCG voor het verstrekken van de (sub)licenties aan Treant en OZG bedragen aan Epic moet betalen van vele miljoenen. Het is dan wel de bedoeling van UMCG dat deze bedragen door Treant en OZG aan UMCG vergoed worden – waarbij het verder de bedoeling is dat de overeenkomst van 11 november 2025 betreffende Treant nog gewijzigd wordt in die zin dat Treant een eigen licentie krijgt en daarvoor rechtstreeks aan Epic gaat betalen – maar dat neemt niet weg dat de mededeling in Vooraankondiging 1 niet overeenkomt met de op 11 november 2025 gesloten overeenkomst. Daarom verwerpt het hof het beroep van UMCG dat Chipsoft de overeenkomst van 11 november 2025 niet meer zou kunnen aanvechten en in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\nHet gebruik mogen maken van het EPD van UMCG door Treant levert geen wezenlijke wijziging op5.21. Vervolgens moet het hof oordelen of het gebruik mogen maken van het EPD door Treant een wezenlijke wijziging oplevert van de opdracht die UMCG in 2015 heeft aanbesteed.\n\n5.22. Het hof beantwoordt die vraag in dit kort geding, anders dan de voorzieningenrechter, voorshands ontkennend. UMCG had in de aanbesteding uit 2015 een aantal wensen geformuleerd die zagen op regionale samenwerking en de mogelijkheid dat het EPD van UMCG ook in regionale ziekenhuizen zou worden uitgerold. Het hof heeft de wensen 77 en 87 waarin dit het meest pregnant is verwoord hiervoor onder 3.3 geciteerd, maar ook in de wensen 73 tot en met 75 komt deze vraag aan de orde. Epic heeft in die aanbesteding een product aangeboden waarbij zowel volledige integratie als strikte scheiding tussen meerdere instellingen kan worden gerealiseerd.\n\n5.23. Het hof oordeelt dat het gebruik maken van een optie waarom in de aanbesteding in 2015 is gevraagd, niet als een wezenlijke wijziging van de opdracht tot het realiseren van het EPD van UMCG kan worden aangemerkt. Het EPD van het UMCG zelf wijzigt daardoor niet. De programmatuur van dat EPD moet in zoverre worden aangepast dat, in de woorden van UMCG, een deurtje moet worden opengezet waardoor niet-aanbestedingsplichtige instellingen buiten het UMCG ook van de programmatuur van het EPD van UMCG gebruik kunnen maken. Het openzetten van die figuurlijke deur en de daarmee gemoeide kosten merkt het hof aan als een niet-wezenlijke wijziging in de zin van artikel 2.163g Aw. Het hof merkt daarbij op dat daarbij bepalend is dat Treant zelf geen aanbestedende dienst is en dat de kosten van de invoering van het Epic - EPD bij Treant geheel door Treant zullen worden gedragen en ook rechtstreeks bij Treant door Epic in rekening worden gebracht zoals UMCG en Treant ter zitting hebben meegedeeld. De omvang van de opdracht uit 2015 wijzigt niet doordat een niet-aanbestedingsplichtig ziekenhuis via een licentie gebruik kan maken van het EPD van UMCG. Als een aanbestedingsplichtige instelling, zoals een ander academisch ziekenhuis via een licentie aan zou willen sluiten op het EPD van het UCMG, dan zou dit niet langs deze weg kunnen worden gerealiseerd omdat in dat geval de ‘scope’ van de opdracht uit 2015 wel wijzigt.\n\n5.24. Van een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de aanbesteding uit 2015 is naar het voorshandse oordeel van het hof ook sprake als de aansluiting van Treant op het EPD van UMCG financieel geheel via UMCG zou lopen, wat dus klaarblijkelijk de opzet was in het contract zoals dat op 11 september 2025 is gesloten. Een dergelijk vormgegeven contract kwalificeert dan ook niet als een ‘niet-wezenlijke wijziging’ als bedoeld in artikel 2.163g Aw van de oorspronkelijke aanbesteding uit 2015. Voor zover UMCG nog heeft betoogd dat de overeenkomst van 11 november 2025 in de oorspronkelijke vorm wel zou kwalificeren als passend binnen een herzieningsclausule als bedoeld in artikel 2:163c Aw, gaat dit betoog niet op. Van een herzieningsclausule ‘avant la lettre’ als in dat artikel bedoeld –-waarbij geldt dat de in dat artikel opgesomde eisen cumulatief gelden–is in de aanbesteding uit 2015 geen sprake geweest.\n\n5.25. Het hof oordeelt derhalve dat een overeenkomst waarin ten behoeve van Treant de optie wordt benut uit de aanbesteding uit 2015 dat een ander ziekenhuis kan aansluiten op het EPD van UMCG. geen wezenlijke wijziging inhoudt van die in 2015 aanbestede opdracht, op voorwaarde dat wordt overeengekomen dat Treant zelf alle kosten van het gebruik van het EPD van het UMCG – daaronder nadrukkelijk begrepen de kosten van de licentie van Epic – en de kosten van de invoering van een nieuw EPD op haar werkvloer draagt en dat de daarmee gepaard gaande vergoedingen die Treant moet betalen niet via UMCG lopen.\n\nDe positie van OZG5.26. Voor OZG geldt, als de overeenkomst op dezelfde wijze zou vorm krijgen als de overeenkomst met Treant wanneer die in de hiervoor bedoelde zin is aangepast, hetzelfde als het hof hiervoor over Treant heeft aangegeven.\n\n5.27. UMCG en OZG hebben de overeenkomst echter op andere wijze vormgegeven, namelijk door UMCG een sublicentie bij Epic aan te laten schaffen die door OZG kan worden gebruikt en waarvan UMCG de kosten doorbelast aan OZG. UMCG heeft ter zitting aangegeven dat deze optie goedkoper is voor OZG. Volgens UMCG komt dit door de (buitengewoon gecompliceerde) prijsstelling van Epic waarbij een sublicentie goedkoper is dan een licentie omdat bij een sublicentie de patiëntenaantallen van beide ziekenhuizen bij elkaar mogen worden opgeteld en bij hogere patiëntenaantallen de component voor het aantal patiënten die Epic meeneemt in haar prijsstelling lager uitvalt dan bij een zelfstandige licentie voor OZG.\n\n5.28. Het hof oordeelt dat het op die wijze vormgeven van de overeenkomst niet valt onder artikel 2:163g lid 1 Aw en daarmee wel onder lid 2. Het onderbrengen van een geheel tweede ziekenhuis onder hetzelfde contract betekent een aanzienlijke verruiming van de opdracht zoals die in 2015 is aanbesteed. Het OZG was ten tijde van die aanbesteding ook nog geen dochteronderneming van UMCG zodat ook het betoog dat in de aanbesteding in 2015 sprake was van de mogelijkheid van sublicenties aan gelieerde ondernemingen niet opgaat voor zover dat ziet op het OZG. Het hof volgt op dit punt het standpunt van Chipsoft dat de bepalingen in de aanbesteding 2015 over sublicenties, betrekking hebben op ondernemingen binnen danwel vanuit het UMCG zelf en niet op een compleet nieuw algemeen ziekenhuis waarvan UCMG de aandelen houdt.\n\n5.29. Dit betekent dat het contract van 11 november 2025 als omschreven door UCMG voor zover dat ziet op het verlenen van een sublicentie aan OZG, moet worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de aanbesteding uit 2015.\n\n5.30. \n\nUMCG c.s. hebben zich bereid verklaard om, als het hof dat nodig vindt, het contract betreffende OZG op dezelfde wijze aan te passen als dat met Treant gaat gebeuren. In dit kort geding staat het hof voor de vraag of Chipsoft een voldoende spoedeisend belang heeft bij het afdwingen van een dergelijke contractsaanspassing.\n\nHet hof oordeelt van niet. Het achterliggende belang van Chipsoft is dat zij wil dat UMCG haar eigen EPD opnieuw aanbesteedt, inclusief de aansluitingen daarop van Treant en OZG. Het hof is van oordeel dat dit niet nodig is en dat aansluiting van regionale ziekenhuizen op het EPD van UMCG onder de aanbesteding van 2015 al mogelijk is. Het gevolg van aanpassing van het contract met Epic betreffende OZG in het verlenen van een zelfstandige licentie aan OZG heeft – uitgaande van de juistheid van de mededelingen daarover van UMCG c.s. – tot gevolg dat OZG meer moet betalen aan Epic, de grote concurrent van Chipsoft. Bij een dergelijke voorziening heeft Chipsoft geen belang, laat staan een spoedeisend belang.\n\nChipsoft heeft geen belang bij de opdracht genoemd in Vooraankondiging 25.31. Vooraankondiging 2 heeft betrekking op de implementatie van de overeenkomsten die voortvloeien uit Vooraankondiging I. Ook in dit geval is de mededeling waar het gaat om het bedrag waar de opdracht over gaat allesbehalve helder. Het genoemde bedrag van € 3.160.500 euro ligt ruim boven de aanbestedingsdrempel van € 225.000,- zodat de mededeling dat het bedrag gemoeid met die opdracht onder het drempelbedrag ligt, zonder toelichting niet begrijpelijk is. Tijdens de zitting bij het hof is door UMCG toegelicht dat de opdracht vooral ziet op de implementatie van het Epic- EPD bij Treant en OZG – het begeleiden van de medewerkers van beide ziekenhuizen in de overgang van Nexus naar Epic – en op de migratie van de bestaande patiëntendossiers uit de Nexus-omgeving naar Epic. Voor een klein deel ziet deze opdracht op de aanpassingen aan het EPD bij UMCG (het openzetten van “de deur’ in de programmatuur voor de beide andere ziekenhuizen). Alleen dat laatste moet UMCG betalen en het daarmee gemoeide bedrag blijft ruim blijft ruim onder de aanbestedingsdrempel, aldus UMCG.\n\n5.32. Al deze implementatiewerkzaamheden kunnen niet door Chipsoft gedaan worden omdat zij daarvoor nooit toestemming krijgt van Epic. Dat heeft Chipsoft ook erkend. Dit betekent dat zij geen zelfstandig belang heeft bij toetsing van Vooraankondiging 2 en een verbod tot het sluiten van een de overeenkomst van UMCG c.s. met Pragus. Alleen als geoordeeld zou worden dat de in Vooraankondiging 1 voorziene overeenkomst met Epic niet gesloten zou mogen worden, heeft Chipsoft belang bij het niet kunnen sluiten van de uitvoeringsovereenkomst met Pragus. In het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat UMCG weliswaar niet de overeenkomst met Epic had mogen sluiten in de op 11 november 2025 overeengekomen vorm, maar dat de overeenkomst, in aangepaste vorm, wel toelaatbaar is. Daarmee heeft Chipsoft geen belang meer bij toetsing van Vooraankondiging 2. UMCG c.s. hebben er terecht op gewezen dat op grond van de wetsgeschiedenisalleen benadeelde partijen tegen een gunningsbeslissing op kunnen komen en dat is Chipsoft niet waar het de voorgenomen gunning aan Pragus is. Dit betekent dat het hof niet hoeft in te gaan op de vraag of er ook andere marktpartijen dan Pragus zijn die een dergelijke implementatieopdracht kunnen uitvoeren.\n\nHet incidenteel appel van Chipsoft slaagt niet5.33. \n\nChipsoft heeft in haar incidenteel appel betoogd dat OZG ook als aanbestedende dienst in de Vooraankondigingen 1 en 2 had moeten worden vermeld. Dat betoog gaat niet op, gelet op wat het hof hiervoor onder rov. 5.16 heeft overwogen.\n\nVervolgens stelt Chipsoft dat het handelen van UMCG c.s. moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad omdat sprake is van een omzeilingsconstructie van de Aanbestedingwet. Het hof heeft onder rov 5.16 al geoordeeld dat de oprichting van OZG niet als een omzeilingsconstructie kan worden aangemerkt. Het hof heeft ook al geoordeeld dat voor zover UMCG in strijd met de Aanbestedingswet heeft gehandeld, dat een onvoldoende grondslag oplevert voor de door Chipsoft gevraagde voorzieningen. Een verklaring voor recht dat het UMCG in strijd met de Aanbestedingswet en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, kan in kort geding niet worden gegeven.\n\nDe vorderingen die Chipsoft in het onvoorwaardelijke deel van haar incidenteel appel heeft ingesteld, zijn dan ook niet toewijsbaar.\n\n5.34. \n\nAangezien het principaal appel (gedeeltelijk) slaagt komt het hof ook toe aan de beoordeling van het voorwaardelijke deel van het incidentele appel van Chipsoft.\n\nWat de vorderingen tot het verstrekken van informatie door UMCG c.s. betreft, heeft het hof hiervoor onder 5.9 al geoordeeld dat het spoedeisend belang bij die vorderingen onvoldoende is gebleken. Die vorderingen kunnen, zoals ook de voorzieningenrechter al had geoordeeld, beter worden beoordeeld in de incidenten die Chipsoft heeft opgeworpen in de bodemprocedure. In die procedure kunnen ook de overeenkomst met Epic van 11 november 2025 en de daarin nog aan te brengen wijzigingen nader worden beoordeeld. Het hof is in het voorgaande ervan uitgegaan dat UMCG c.s. het hof daarover ter zitting juist hebben voorgelicht. Mocht blijken dat zij op die zitting een onjuist beeld hebben geschetst, dan kan dat in de bodemprocedure voor UMCG c.s. nadelige consequenties hebben.\n\nDe slotsom en de proceskosten5.35. Het principaal appel is deels terecht voorgedragen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vorderingen van Chipsoft alsnog afwijzen, behalve het gebod tot het intrekken van de onjuiste vooraankondigingen, waaraan UMCG inmiddels heeft voldaan. Ook de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Chipsoft worden afgewezen. Aangezien UMCG onjuiste vooraankondigingen heeft gepubliceerd en haar stellingen in hoger beroep deels zijn verworpen, ziet het hof aanleiding om de proceskosten in eerste aanleg en in principaal appel te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten moeten dragen. Dat geldt ook voor de kosten van Treant als tussenkomende partij, die door hetzelfde advocatenkantoor als UMCG c.s. wordt bijgestaan.\n\n5.36. In incidenteel appel merkt het hof Chipsoft aan als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal haar in de daarop gevallen kosten veroordelen, te begroten op een bedrag aan salaris advocaat voor UMCG c.s. te berekenen op 2 punten maal factor 0,5 naar tarief II van het toepasselijke liquidatietarief, per saldo neerkomende op € 1290,-., nog te vermeerderen met de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. Die veroordeling kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland (Groningen) van 6 februari 2026, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en wijst de vorderingen van Chipsoft af, behoudens de veroordeling onder 5.2 van dat vonnis die wordt bekrachtigd;\n\n6.2. veroordeelt Chipsoft tot betaling van de proceskosten van UMCG c.s. in incidenteel hoger beroep, begroot op € 1.290,- aan salaris van de advocaat van UMCG c.s. en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbankvoorzieningenrechter en het principaal hoger beroep bij het hof;\n\n6.4. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.M.A. Wind en A.A. van Rossum en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n bekend onder zaaknummer 200.365.627\u002F01v\n\n Zie vorige noot\n\n HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872\n\n Gerechtshof Arnhem 18 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG4586\n\n HvJ EU 15 januari 1998, Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., C44\u002F96, EU:C:1998:4, punt 39, onder meer herhaald in HvJ EU 5 oktober 2017, LitSpecMed, ECLI:EU:C:2017:736 rov 34.\n\n Zie het in de vorige noot aangehaalde arrest LitSpecMed rov 48\n\n MvT, Kamerstukken II 2015\u002F16 34329 3 pagina 94\n\n MvT, Kamerstukken Il 2008\u002F09, 32027 nr 3, pag. 8","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2351","2026-04-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.896Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":65,"updatedAt":106},"1164","ECLI:NL:GHARL:2026:2279","ecli-nl-gharl-2026-2279","2026-04-07T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.347.807\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle 10843775\n\narrest van 7 april 2026\n\nin de zaak van\n\nNRG Compleet B.V.\n\ndie is gevestigd in Zwolle\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de rechtbank optrad als eisende partij in conventie en verweerster in reconventie\n\nhierna: NRG\n\nadvocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. V.O.F. SFC Kampen\n\ndie is gevestigd in Kampen\n\nen haar vennoten:2. [geïntimeerde2]\n\ndie woont in [woonplaats1]3. [geïntimeerde3]\n\ndie woont in [woonplaats1]4. [geïntimeerde4]\n\ndie woont in [woonplaats2]5. [geïntimeerde5]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nen bij de rechtbank optraden als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie\n\nhierna in enkelvoud: SFC Kampen\n\nadvocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. NRG heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 18 juni 2024 heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep;\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 20 januari 2025;\n\nde memorie van grieven;\n\nde memorie van antwoord.\n\n1.2. \n\nOp 20 november 2025 heeft een inhoudelijke mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. NRG en SFC Kampen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan NRG aan SFC Kampen een zonnepanelensysteem zou leveren en aanleggen. Voordat de zonnepanelen werden geleverd, heeft SFC Kampen de overeenkomst opgezegd. NRG is het daar niet mee eens en maakt aanspraak op een contractuele boete. Volgens SFC Kampen is zij geen boete verschuldigd, omdat NRG tijdens de onderhandelingen heeft toegezegd dat SFC Kampen de overeenkomst kosteloos kon opzeggen, onder meer als geen financiering werd gekregen. SFC Kampen heeft de boete niet betaald.\n\n2.2. NRG heeft bij de kantonrechter in conventie gevorderd SFC Kampen te veroordelen tot betaling van de contractuele boete (€ 19.427,85), de wettelijke handelsrente (tot dagvaarding € 1.441,12) en de buitengerechtelijke kosten (€ 969,28). Dit leidt tot het gevorderde bedrag van € 21.838,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding.\n\n2.3. SFC Kampen heeft in reconventie drie verklaringen voor recht gevorderd, waarvan één subsidiair. SFC Kampen heeft primair gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat (A) SFC Kampen de overeenkomst terecht kosteloos heeft opgezegd en aan NRG niets meer is verschuldigd en (B) artikel 3.8 van de Leveringsvoorwaarden van NRG is vernietigd, dan wel deze te vernietigen. Subsidiair heeft SFC Kampen gevorderd dat (C) voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst tussen partijen op grond van dwaling rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze te vernietigen en (D) NRG wordt veroordeeld tot betaling van € 12.667,99 aan schadevergoeding.\n\n2.4. De kantonrechter heeft geoordeeld dat tussen partijen is overeengekomen dat als de financiering niet rond zou komen SFC Kampen de overeenkomst kosteloos kon opzeggen. De door SFC Kampen primair onder A in reconventie gevorderde verklaring is daarom toegewezen. De andere vorderingen van SFC Kampen zijn afgewezen. Ook de vordering van NRG in conventie is afgewezen. NRG is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van SFC Kampen in conventie. In reconventie zijn de proceskosten gecompenseerd.\n\n2.5. NRG is in hoger beroep gekomen en wil dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen en de toegewezen vordering van SFC Kampen alsnog wordt afgewezen met veroordeling van SFC Kampen in de proceskosten.\n\n2.6. Het hof is van oordeel dat NRG op de boete aanspraak kan maken. Het hof zal daarom het vonnis vernietigen, de vordering van NRG grotendeels toewijzen en de vorderingen van SFC Kampen afwijzen. Na de feiten te hebben vastgesteld, zal het hof de redenen geven die tot deze beslissing hebben geleid.\n\n3. De feiten\n\n3.1. NRG is een onderneming gespecialiseerd in de handel en bemiddeling van energie gerelateerde producten en diensten, waaronder zonnepanelen.\n\n3.2. SFC Kampen is eigenaar van een bedrijfshal aan de Handelsstraat 1A in Kampen, waarin zij een sport- en fitnesscentrum exploiteert.\n\n3.3. De heer [naam1] is als zelfstandig ondernemer werkzaam bij Energy Company. [naam1] heeft onder meer SFC Kampen jaarlijks geadviseerd over energieovereenkomsten. Ook heeft [naam1] (in ieder geval) contacten met NRG.\n\n3.4. In oktober 2021 zijn NRG en SFC Kampen door tussenkomst van [naam1] met elkaar in contact gekomen over het leveren en plaatsen van zonnepanelen op het dak van de bedrijfshal van SFC Kampen.\n\n3.5. Dat contact heeft geleid tot een gesprek op 5 november 2021 op het kantoor van SFC Kampen. Bij deze bespreking waren aanwezig de heer [naam2] (projectmanager bij NRG), de heer [geïntimeerde2] (vennoot van SFC Kampen) en [naam1] .\n\n3.6. Na dat gesprek heeft NRG op 8 november 2021 aan SFC Kampen een offerte toegezonden. NRG zal niet alleen 366 zonnepanelen met een omvormer leveren en plaatsen, maar ook ten behoeve van SFC Kampen de SDE (Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie)-subsidie aanvragen. Het geoffreerde bedrag is € 129.519,- exclusief btw. Op 12 november 2021 heeft [geïntimeerde2] de offerte van NRG ondertekend en iedere pagina geparafeerd. Daarmee is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen.\n\n3.7. \n\nIn de overeenkomst is vermeld dat SFC Kampen met de ondertekening ook akkoord gaat met de Leveringsvoorwaarden van NRG. Artikel 3.8 van de Leveringsvoorwaarden bevat een boeteclausule, luidende:\n\n“Indien wederpartij om welke reden dan ook geen gebruik zal maken van de diensten van NRG Compleet B.V. en\u002Fof de overeenkomst […] annuleert tussen NRG Compleet B.V. en wederpartij is de wederpartij een boete verschuldigd aan NRG Compleet B.V. De boete bedraagt 15% van de totale overeenkomst […] prijs. Deze prijs staat vermeld in de overeenkomst […] die is afgesloten tussen NRG Compleet B.V. en wederpartij.”\n\n3.8. NRG heeft de getekende overeenkomst op 12 november 2021 aan SFC Kampen gemaild en gemeld dat NRG de SDE-subsidie zal aanvragen.\n\n3.9. Eerst op 29 juni 2022 heeft NRG de SDE-subsidie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aangevraagd. In de beschikking van 17 augustus 2022 is de SDE-subsidie voor een periode van 15 jaar (juli 2023 t\u002Fm juni 2038) toegekend. Deze beschikking heeft NRG op 10 oktober 2022 aan SFC Kampen toegezonden.\n\n3.10. NRG heeft SFC Kampen voor de externe financiering van het aankoopbedrag geattendeerd op Bankkraft. Bankkraft is een tussenpersoon voor het verkrijgen van externe financiering bij banken en andere private partijen. SFC Kampen heeft zich vervolgens tot Bankkraft gewend.\n\n3.11. In de e-mail van 8 december 2022 heeft NRG aan SFC Kampen gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de financieringsaanvraag. Doordat een reactie uitbleef, heeft NRG SFC Kampen bij e-mails van 2 januari 2023 en 10 januari 2023 gevraagd op de e-mail van 8 december 2022 te reageren.\n\n3.12. \n\nIn de e-mail van 23 februari 2023 heeft NRG opnieuw naar de stand van zaken gevraagd. In deze e-mail staat:\n\n“Het is inmiddels februari 2023 en we weten helaas nog niets concreets over dit project. Wij begrijpen dat u bezig bent met het financiering van het project maar helaas hebben we tot nu toe geen terugkoppeling gehad. Kunt u mij concreet toelichten wat nu de stand van zaken is? (…)”\n\n3.13. \n\nOp 28 februari 2023 heeft SFC Kampen de volgende e-mail aan NRG gestuurd:\n\n“Met Dhr [geïntimeerde2] en u is een gesprek geweest, die geleid heeft tot een onaangename afronding.\n\nMiddels deze weg willen wij dan ook aangegeven dat we niet verder gaan met jullie. Dit is Dhr. [naam1] ook kenbaar gemaakt dat dit absoluut geen goede match is.”\n\n3.14. Uit de per e-mail verzonden brief van 1 maart 2023 blijkt dat NRG de e-mail van SFC Kampen van 28 februari 2023 heeft opgevat als een opzegging van de overeenkomst. NRG heeft er op gewezen dat SFC Kampen in dat geval een contractuele boete verschuldigd is en heeft aan SFC Kampen gevraagd de opzegging te heroverwegen.\n\n3.15. \n\nIn reactie op deze brief heeft SFC Kampen laten weten bij de opzegging te blijven. In deze reactie wordt onder meer op het volgende gewezen. De externe financiering bleek niet via “een eigen bank” van NRG te gaan, maar SFC Kampen is door NRG verwezen naar Bankkraft die een tussenpersoon bleek te zijn. Inmiddels is bij externe financiering een (veel) hogere rente verschuldigd dan ten tijde van het tekenen van de overeenkomst. Volgens SFC Kampen was NRG onbereikbaar voor overleg over de zonnepanelen, de SDE-subsidie en de rente. Dit heeft SFC Kampen ertoe gebracht op te merken:\n\n“Alles bij elkaar heeft voor een onbestemd gevoel gezorgd over jullie bedrijf en doen besluiten het contract op te zeggen.”\n\n3.16. NRG heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 3.8 van de Leveringsvoorwaarden bij factuur van 3 april 2023 € 19.427,85 in rekening gebracht. SFC Kampen heeft deze factuur onbetaald gelaten.\n\n4. Het oordeel van het hof\n\nOmvang appel\n\n4.1. In de memorie van grieven komt NRG met negen Romeins genummerde grieven tegen het vonnis van de kantonrechter op. De eerste grief, waarin NRG een gedeelte in haar conclusie van antwoord in reconventie wil herroepen, heeft NRG ter zitting ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.\n\n4.2. SFC Kampen is niet (in incidenteel appel) opgekomen tegen de afwijzing van haar primaire vordering onder B voor recht te verklaren dat artikel 3.8 van de Leveringsvoorwaarden is vernietigd, althans deze te vernietigen en haar subsidiaire vordering voor recht te verklaren dat de overeenkomst op grond van dwaling rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze op die grond te vernietigen en NRG te veroordelen € 12.667,99 aan schadevergoeding te betalen. De kantonrechter heeft deze vorderingen inhoudelijk beoordeeld in de rechtsoverwegingen 5.4 t\u002Fm 5.11 van het vonnis. Dit betekent dat het hof van de juistheid van die beslissingen heeft uit te gaan, zodat de overeenkomst rechtsgeldig is en op die overeenkomst de Leveringsvoorwaarden van NRG van toepassing zijn.\n\n4.3. Het hof zal de grieven hierna thematisch behandelen.\n\nVordering NRG, verweer SFC Kampen met betrekking tot financiering en oordeel kantonrechter\n\n4.4. NRG vordert SFC Kampen te veroordelen tot betaling van de op grond van artikel 3.8 van de Leveringsvoorwaarden verschuldigde boete.\n\n4.5. SFC Kampen heeft tegen deze vordering onder meer het verweer gevoerd dat NRG bij de totstandkoming van de overeenkomst de toezegging heeft gedaan dat SFC Kampen de overeenkomst kosteloos kan opzeggen in het geval SFC Kampen de financiering voor de levering en aanleg van de zonnepanelen niet rond kan krijgen. Volgens SFC Kampen heeft zij de overeenkomst op deze grond opgezegd, zodat daarmee de overeenkomst is geëindigd.\n\n4.6. NRG betwist dat zij deze toezegging aan SFC Kampen heeft gedaan en dat SFC Kampen op deze grond de overeenkomst heeft opgezegd.\n\n4.7. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 5.2 van het vonnis (mede) op basis van de ter zitting afgegeven verklaring van [naam1] aangenomen dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat op de bespreking van 5 november 2021 door [naam2] en\u002Fof [naam1] is toegezegd dat indien de financiering niet rond zou komen SFC Kampen de overeenkomst kon opzeggen. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 5.3 van het vonnis geoordeeld dat die toezegging boven de boeteclausule in de Leveringsvoorwaarden gaat. Zonder daaraan een expliciete overweging te wijden, gaat de kantonrechter ervan uit dat SFC Kampen op deze grond de overeenkomst heeft opgezegd. Volgens de kantonrechter kan NRG geen aanspraak op de contractuele boete maken.\n\n4.8. De grieven van NRG zijn vooral gericht tegen deze twee overwegingen in het vonnis. Ook in het geval het hof veronderstellenderwijs aanneemt dat NRG een dergelijke toezegging heeft gedaan dan wel een door [naam1] gedane toezegging van deze strekking niet heeft weersproken, kan het verweer van SFC Kampen niet slagen. Het hof licht dat hieronder toe.\n\nHeeft SFC Kampen opgezegd wegens ontbreken van externe financiering?\n\n4.9. \n\nBij e-mail van 28 februari 2023 heeft SFC Kampen de overeenkomst opgezegd. NRG heeft gezien haar reactie op 1 maart 2023 deze e-mail ook als zodanig opgevat.\n\nIn de e-mail van 28 februari 2023 staat niet met zoveel woorden dat de grond voor de opzegging is het niet kunnen verkrijgen van financiering. In de e-mail wordt gemeld dat “een gesprek” tussen partijen “tot een onaangename afronding” heeft geleid en dat ook [naam1] heeft laten weten dat er “absoluut geen goede match is”. Deze bewoordingen duiden er meer op dat verstoorde verhoudingen voor SFC Kampen de reden is geweest de overeenkomst op te zeggen. Dit wordt ondersteund door de reactie van SFC Kampen op de brief van NRG van 1 maart 2023. In die reactie verwijt SFC Kampen NRG dat er geen “eigen bank” van NRG was die de financiering zou verzorgen, dat NRG SFC Kampen slechts heeft verwezen naar een tussenpersoon (Bankkraft), dat een (veel) hogere rente bij externe financiering moet worden betaald dan het geval was toen de overeenkomst werd getekend en dat NRG voor SFC Kampen onbereikbaar was voor overleg. Al deze omstandigheden – waarbij niet expliciet is gewezen op het ontbreken van mogelijkheden voor externe financiering – geeft SFC Kampen volgens haar reactie “een onbestemd gevoel … over jullie bedrijf” en heeft SFC Kampen “doen besluiten het contract op te zeggen.”\n\n4.10. Hieruit blijkt dat SFC Kampen de overeenkomst niet op voor NRG kenbare wijze heeft opgezegd wegens het ontbreken van externe financiering. Ervan uitgaande dat (alleen) op die grond de overeenkomst kon worden opgezegd, is de door SFC Kampen gedane opzegging niet rechtsgeldig geweest.\n\nKon SFC Kampen geen externe financiering krijgen?\n\n4.11. Het hof voegt daaraan toe dat zelfs al zou worden aangenomen dat SFC Kampen op grond van het ontbreken van externe financiering de overeenkomst heeft opgezegd, SFC Kampen onvoldoende heeft onderbouwd dat zij geen externe financiering kon krijgen. Het volgende is daarvoor redengevend.\n\n4.12. \n\nSFC Kampen heeft ter onderbouwing van haar stelling een verklaring van de heer [naam3] , werkzaam bij Bankkraft, overgelegd die in een e-mail van 6 juni 2023 is vastgelegd. [naam3] verklaart:\n\n“Hierbij de bevestiging dat ik voor SFC Kampen VOF geen passende financiering heb kunnen vinden voor het gevraagde bedrag van € 130.000. (…)”4.13. \n\nNRG heeft gemotiveerd betwist dat SFC Kampen geen financiering kon krijgen. Volgens haar was voor SFC Kampen externe financiering mogelijk, maar heeft SFC Kampen er zelf voor gekozen om het project af te blazen.\n\nNRG heeft in dat verband allereerst gewezen op de door SFC Kampen in de memorie van antwoord weergegeven e-mail van [naam2] van NRG aan [naam3] van Bankkraft van 8 januari 2025. In deze e-mail – waarvan de juistheid door SFC Kampen niet gemotiveerd is betwist – heeft [naam2] vastgelegd wat tussen hen die dag in een telefoongesprek is besproken. In deze e-mail staat onder meer:\n\n“Zoals eerder door jou aangegeven in 2022\u002F2023 was de financiering destijds in een vergevorderd stadium, waarbij alleen de definitieve goedkeuring van SFC Kampen nog ontbrak. SFC Kampen heeft uiteindelijk zelf de financiering geannuleerd vanwege de destijds geldende rentetarieven. Je had SFC Kampen twee verschillende kredietopties aangeboden: één krediet met een rente van circa 2,5% voor de eerst € 50.000 van de investering en een tweede krediet met een rente van circa 8% voor het resterende bedrag van de investering.”\n\nIn de tweede plaats heeft NRG aangevoerd dat externe financiering voor een zonnepanelenproject waarvoor SDE-subsidie is afgegeven bij allerlei marktpartijen goed mogelijk is.\n\n4.14. \n\nNaar aanleiding van deze gemotiveerde betwisting heeft SFC Kampen geen verdere onderbouwing van haar stelling gegeven. Zo heeft SFC Kampen niet gesteld, laat staan met stukken onderbouwd, bij welke financieringsinstellingen externe financiering is aangevraagd en tot welke uitkomst die aanvragen hebben geleid.\n\nBovendien wordt in de door SFC Kampen overgelegde verklaring van Bankkraft over “passende financiering” gesproken. SFC Kampen heeft niet toegelicht wat onder “passende” financiering moet worden verstaan en of NRG dat als zodanig heeft begrepen. Ook heeft SFC Kampen geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij die “passende” financiering niet kon krijgen.\n\n4.15. \n\nGelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat SFC Kampen onvoldoende heeft onderbouwd dat zij geen financiering kon verkrijgen. Daarmee is niet komen vast te staan dat de voorwaarde voor kosteloze opzegging is vervuld.\n\nKon SFC Kampen om andere redenen dan geen financiering de overeenkomst beëindigen?\n\n4.16. SFC Kampen heeft de stelling betrokken dat haar zou zijn toegezegd dat zij ook om andere redenen dan het niet verkrijgen van financiering de overeenkomst mocht beëindigen. Voor de juistheid van deze stelling bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Weliswaar heeft [naam1] deze woorden in de mond genomen in zijn verklaring bij de kantonrechter, maar de toelichting die hij geeft ziet alleen op het niet verkrijgen van financiering. In dat licht levert ook de bij de mondelinge behandeling in hoger beroep ingenomen stelling van SFC Kampen dat met de door Bankkraft genoemde rentetarieven geen rendement uit het zonnesysteem zou kunnen behalen geen toerekende grond op om de overeenkomst zonder instemming van NRG op te zeggen.\n\nBoete\n\n4.17. Nu de door SFC Kampen gedane opzegging niet rechtsgeldig is, blijft de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde Leveringsvoorwaarden in stand. Op grond van artikel 3.8 van de Leveringsvoorwaarden is SFC Kampen de boete verschuldigd.\n\n4.18. De hoogte van de gevorderde boete is niet betwist, en een beroep op matiging ligt niet voor, zodat het hof dit bedrag zal toewijzen.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.19. NRG heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 969,28 voldoet aan het in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. SFC Kampen heeft de verschuldigdheid van het bedrag en de hoogte daarvan ook niet betwist. Dit betekent dat het gevorderde bedrag zal worden toegewezen. Het gevorderde bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de eerst dienende dag bij de kantonrechter.\n\nWettelijke (handels)rente\n\n4.20. NRG heeft over de gevorderde boete de wettelijke handelsrente gevorderd. SFC Kampen heeft daartegen geen verweer gevoerd. Uit artikel 24 Rv volgt evenwel dat de rechter de toewijsbaarheid van de vordering met toepassing van de juiste rechtsopvatting moet onderzoeken en beslissen op de grondslag van de feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd.\n\n4.21. De boete is te beschouwen als een (gefixeerde) schadevergoeding. Over een schadevergoeding is geen handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd. Het hof zal dit deel van de vordering afwijzen. Nu NRG wettelijke handelsrente heeft gevorderd, moet worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur. Deze komt op de voet van artikel 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.\n\nProceskosten\n\n4.22. Het hoger beroep slaagt. Uit doelmatigheidsoverwegingen zal het hof het gehele vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.\n\n4.23. Omdat SFC Kampen in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten van NRG zowel in hoger beroep als bij de kantonrechter (in conventie en reconventie) veroordelen. Vanwege de samenhang tussen de conventionele en reconventionele vordering beperkt het hof in reconventie het aantal punten tot 1. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover.De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.24. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 18 juni 2024;\n\nopnieuw rechtdoende:\n\n5.2. veroordeelt SFC Kampen tot betaling van:\n\n€ 19.427,85 aan boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2023 tot aan de dag van betaling;\n\n€ 969,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2023 tot aan de dag van betaling;\n\n5.3. veroordeelt SFC Kampen tot betaling van de volgende proceskosten van NRG tot aan de uitspraak van de kantonrechter in conventie:\n\n€ 1.384,- aan griffierecht\n\n€ 113,29 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan SFC Kampen\n\n€ 1.086,- aan salaris van de advocaat van NRG (2 punten x tarief € 543,-);\n\n5.4. \n\nveroordeelt SFC Kampen tot betaling van de volgende proceskosten van NRG tot aan de uitspraak van de kantonrechter in reconventie:\n\n- € 406,- aan salaris van de advocaat van NRG (1 punten x tarief € 406,-);\n\n5.5. veroordeelt SFC Kampen tot betaling van de volgende proceskosten van NRG in hoger beroep:\n\n€ 2.175,- aan griffierecht\n\n€ 117,70 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan SFC Kampen\n\n€ 5.010,- aan salaris van de advocaat van NRG (3 punten x tarief III);\n\n5.6. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n5.7. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.8. wijst af het meer of anders door NRG gevorderde;\n\n5.9. wijst af de vorderingen van SFC Kampen.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, J.H. Kuiper en M.M.A. Wind, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n7 april 2026.\n\n HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710, in het bijzonder conclusie AG Valk onder nr 3.19\n\n HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70.\n\n HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2279","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.663Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":60,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":111,"summary":60,"language":7,"source":62,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":65,"updatedAt":114},"714","ECLI:NL:GHARL:2025:8616","ecli-nl-gharl-2025-8616","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.345.483\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Nederland 226421\n\narrest van 23 december 2025\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ( [appellante] )\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. H. Veldman\n\nen\n\n [geïntimeerde] ( [geïntimeerde]\n\ndie gevestigd is in [vestigingsplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.J. Loos\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering van eis\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juli 2025 is gehouden\n\nNa een aanhouding van de zaak voor minnelijk overleg hebben partijen laten weten dat een regeling niet is bereikt en hebben zij verzocht om arrest. Daarop heeft het hof de zaak bepaald voor arrest.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of er tussen [geïntimeerde] en de heer [naam1] , de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante] , een overeenkomst van geldlening is gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [naam1] een bedrag van ruim € 150.000 heeft uitgeleend, of dat sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] , de DGA van [geïntimeerde] , en [naam1] . Als sprake was van een overeenkomst van geldlening speelt verder nog de vraag of die lening inmiddels ook opeisbaar is geworden.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten\n\n3.1. \n [appellante] was de echtgenote van de inmiddels overleden heer [naam1] (hierna: [naam1] ). [geïntimeerde] en [naam1] waren bevriend.\n\n3.2. \n\nIn 1996 heeft [naam1] samen met zijn ex-echtgenote een boerderij gekocht in Sorbey\n\n(Frankrijk). In 2004 heeft hij de naastgelegen grond erbij gekocht om daar nog twee\n\nwoonhuizen te realiseren voor de verkoop (hierna: het project).\n\n3.3. \n [naam1] is in 2006 gescheiden van zijn ex-echtgenote. [naam1] is daarna getrouwd met [appellante] .\n\n3.4. \n\nOmdat [naam1] onvoldoende financiële middelen had om het project te financieren\n\nheeft [geïntimeerde] in de periode van 28 april 2005 tot en met 8 november 2010 meerdere keren\n\ngeld overgemaakt naar [naam1] ten behoeve van het project in Sorbey. In totaal gaat het om\n\neen bedrag van € 153.365,92.\n\n3.5. \n\nOp 19 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [naam1] de volgende overeenkomst opgesteld\n\nen ondertekend:\n\n‘ [geïntimeerde] heeft aan ( [naam1] een bedrag van € 153365,92 (zegge\n\nhonderddrieenvijftigduizenddriehonderdvijfenzestig Euro en 92 cent) geleend tegen een\n\nrente percentage van 4 % per annum.\n\nHet totale leenbedrag beslaat uit de volgende deelbedragen:\n\n(…)\n\n [naam1] verplicht zich bij deze tot volledige terugbetaling van het geleende bedrag, inclusief de uit hoofde van deze lening verschuldigde rente. De totale aflossing zal niet later plaatshebben dan op de datum van verkoop van voornoemd project.\n\n [naam1] heeft het recht om op ieder moment, het nog verschuldigde deel van de originele\n\nleenbedrag te voldoen. Zulks zonder bijbetaling van verdere kosten.\n\n [geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en\n\nverschuldigde rente direct op te eisen.’\n\n3.6. De overeenkomst was opgesteld door [geïntimeerde] . In een begeleidende mail van eveneens 19 juli 2011 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [naam1] bericht: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”.3.7. \n [naam1] is in juni 2018 overleden. Het project was toen nog niet af. [appellante] is zijn enig erfgename en zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.\n\n3.8. \n\nOp 27 september 2018 heeft [geïntimeerde] een brief naar [appellante] gestuurd. In die brief heeft [geïntimeerde] een aantal afspraken vastgelegd die hij met [appellante] zou hebben gemaakt over de geldlening en het project. Die afspraken behelzen dat [geïntimeerde] [appellante] zal assisteren bij de verkoop van het project, “zodat [geïntimeerde] bij een succesvolle transactie uit de gerealiseerde verkoopsom kan worden voldaan”. In de afspraken is in dat verband vastgelegd dat [appellante] aan [geïntimeerde] een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht verleent ten behoeve van een verkoop van het project aan een derde. Verder is onder meer vastgelegd:\n\n“5. In geval van een verkooptransactie, zal de Geldlening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk worden afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het Project. De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht.\n\n6. Indien en voor zover de opbrengst van het Project hoger is dan het bedrag dat u uit hoofde van de Geldlening aan ons verschuldigd bent, is [geïntimeerde] , bovenop\n\nde uit hoofde van de Geldlening verschuldigde bedragen gerechtigd tot 50% van het surplus.”\n\n De brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.9. \n\nNa de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft [appellante] op 1 juni 2025 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000,- voldaan als aflossing op de lening. Na die betaling heeft [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellante] geschreven dat het openstaande bedrag van de lening inclusief rente € 200.899,20 bedraagt. Verder schrijft hij in die brief onder meer:\n\n“Na onderling overleg besluiten we afspraak 7 van de onderhavige leenovereenkomst. als volgt te wijzigen\n\nIndien en voor zover de opbrengst van de verkoop van het Project lager is dan het bedrag dat u aan ons verschuldigd bent uit hoofde van de Geldlening maar wij schriftelijk akkoord zijn gegaan met de verkoopsom, zal de gehele opbrengst van\n\nde verkoop aan ons toekomen en zal het restant van het nog te vorderen bedrag van de Geldlening (met de daarover verschuldigde rente) worden gekwijt.”\n\nOok die brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.\n\n3.10. Op 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een Whatsapp bericht gestuurd dat hij een geïnteresseerde partij heeft gevonden die het project wil afmaken en die de lening wil overnemen voor maximaal € 100.000. Op 13 september 2022 heeft hij hierover telefonisch contact met [appellante] . In dat gesprek verlangt [geïntimeerde] van [appellante] nog een aanvullende betaling van € 25.000. [appellante] weigert in dat gesprek die betaling te doen. Zij bevestigt die weigering in een e-mail van 5 oktober 2022. Volgens haar is een aanvullende betaling in strijd met de gemaakte afspraken\n\n3.11. \n\n [geïntimeerde] is bij brief van 27 oktober 2022 overgegaan tot opeising van de geldlening en heeft [appellante] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag van de geldlening vermeerderd met rente ad € 211.985,62.\n\nIn deze sommatie schrijft [geïntimeerde] onder meer:\n\n‘Gezien de plotselinge wijziging in uw houding jegens ons, na ons laatste gesprek van 13 september 2022 jl., is bij ons het gerechtvaardigd vermoeden gerezen dat, ondanks piëteit en geduld van onze zijde, geen sprake meer zal zijn van een minnelijke afwikkeling en volledige aflossing van de Geldlening. Om die reden zijn wij genoodzaakt het openstaande bedrag van de Geldlening, in overeenstemming met de overeenkomst van 19 juli 2011, per direct geheel op te eisen.’\n\n3.12. Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij pas tot betaling over zal gaan als het project verkocht is.\n\n3.13. Op 28 november 2022 heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] [appellante] nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.\n\n3.14. \n\nBij brief van 9 december 2022 heeft [appellante] op de sommatie gereageerd en laten weten niet tot betaling over te gaan. Ook heeft zij in deze brief de nietigheid van de\n\novereenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 ingeroepen vanwege een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden.\n\n3.15. \n [appellante] is niet tot betaling overgegaan, ook niet nadat de advocaat van [geïntimeerde] haar op 16 maart 2023 nogmaals gesommeerd heeft tot betaling van € 218.978,32.\n\n4. 4. De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n\n [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 218.978,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding.\n\n [appellante] heeft in reconventie gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst van 19 juli 2011 is verjaard en dat de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 nietig zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 25.000.\n\n4.2. De rechtbank heeft in conventie verklaard voor recht dat tussen partijen de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 218.978,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.\n\n4.3. Op 10 juli 2024 is [geïntimeerde] overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning en het loon van [appellante] .5. 5. De vorderingen in hoger beroep\n\n [appellante] vordert in hoger beroep, na vermeerdering van eis, dat het vonnis van de rechtbank in conventie wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat onverschuldigd blijkt te zijn betaald.\n\n6. 6. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nInleiding\n\n6.1. Tegen de vermeerdering van eis door [appellante] in hoger beroep – de vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald - is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daar ook ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat ook op die vordering beslist zal worden.\n\n6.2. \n [appellante] heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis dat in reconventie is gewezen. De afwijzing van haar beroep op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] uit de overeenkomst van 19 juli 2011 en de afwijzing van haar beroep op de nietigheid van de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 zijn daarmee onherroepelijk. Dat geldt ook voor haar vordering tot terugbetaling van € 25.000.\n\n6.3. \n\nHet hof zal beslissen dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 wel van kracht is, maar dat die op sommige punten afwijkt van wat [naam1] en [geïntimeerde] eerder hadden afgesproken. Partijen zijn aan die eerdere afspraken gebonden, in het bijzonder de afspraak dat geen rente is verschuldigd over de hoofdsom. Maar ook aan de afspraak dat het geld uit de verkoop van de woningen moest komen. In lijn met die laatste afspraak heeft [geïntimeerde] op 27 september 2018 en 1 juni 2021 bindende nadere afspraken gemaakt met [appellante] , waaruit volgt dat de leningsovereenkomst nog niet opeisbaar is.\n\nDe grieven van [appellante] tegen het vonnis slagen daarmee ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal gedeeltelijk anders worden beslist. [geïntimeerde] wordt daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van wat onder het beslag door haar is betaald.\n\nHierna zal worden toegelicht hoe het hof tot zijn beslissingen is gekomen.\n\nde motivering van de beslissing\n\n6.4. \n [appellante] heeft drie bezwaren (grieven) naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis. In die grieven snijdt zij de volgende kwesties aan:\n\na) is er op 19 juli 2011 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , of ging het in werkelijkheid om een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project; b) als sprake is van een geldleningsovereenkomst, is die lening dan wel opeisbaar, nu volgens [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 27 september 20218 is vastgelegd dat aflossing van de lening alleen aan de orde is bij verkoop van het project; c) als sprake is van een geldlening, is daarover dan wel rente verschuldigd, nu door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is verklaard dat de oorspronkelijke afspraak was dat [naam1] alleen terug hoefde te betalen wat hij geleend had?\n\n Daarnaast voert [appellante] aan dat inmiddels al diverse bedragen zijn uitgewonnen onder het executoriale beslag. Volgens [appellante] dienen die nu als onverschuldigd betaald aan haar terugbetaald te worden. Het hof zal hieronder op deze kwesties ingaan.\n\nde geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 is geldig6.5. \n [appellante] heeft niet betwist dat de overeenkomst door [naam1] is ondertekend. De overeenkomst heeft daarmee te gelden als een onderhandse akte waaraan dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de in die overeenkomst opgenomen verklaringen van [geïntimeerde] en [naam1] (artikel 157 lid 2 Rv). Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de overeenkomst is opgenomen, maar kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.\n\n6.6. Volgens [appellante] is dat laatste het geval, want zij stelt dat in werkelijkheid sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] en [naam1] . Ter onderbouwing van die stelling beroept [appellante] zich op correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] voorafgaand aan, maar ook na die overeenkomst. De overeenkomst betrof volgens [appellante] een schijnhandeling die kennelijk was bedoeld om schulden van [geïntimeerde] aan zijn Holding weg te werken in het zicht van de koop van een woning door [geïntimeerde] .\n\n6.7. \n\n [appellante] kan worden toegegeven dat in correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] verschillende malen wordt gesproken over een project waarin zij gezamenlijk deelnemen.\n\nDie correspondentie levert echter nog niet het tegenbewijs op dat [naam1] en [geïntimeerde] niet bedoeld hebben met de overeenkomst van 19 juli 2011 daadwerkelijk een geldleningsovereenkomst te sluiten; een overeenkomst waarbij de geldverstrekking door [geïntimeerde] en zijn Holding is vastgelegd als een lening door [geïntimeerde] aan [naam1] .6.8. \n\nUit die correspondentie komt namelijk ook naar voren dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] onduidelijkheid over bestond hoe de geldverstrekkingen te beschouwen waren: als (risicodragende) investering of als geldlening en dat zij daarover contact hebben gehad met elkaar. Zo schrijft [geïntimeerde] in een mail van 22 juni 2010 aan [naam1] : “Even iets anders [naam1] . Heb jij de bouw in Frankrijk ondergebracht in een apart bedrijfje van ons samen of staat alles nog op jouw persoonlijke naam? De reden dat ik dit vraag is een belastingtechnische. Als de transacties vanuit mijn Holding in een apart investeringsbedrijf ( van jou en mij) komen is het een investering: als jij het daar allemaal nog op jouw persoonlijke naam hebt staan, is het een lening. Daar moeten we op korte termijn naar kijken, zodat e.e a. niet spaak gaat lopen met de belastingen alhier.”\n\nIn antwoord daarop schrijft [naam1] op 15 augustus 2010: “Als we een CSI aangaan in Fr. zijn we voordelig uit in Fr. Boekhoudkundig zitten we voorlopig goed door geld wat niet van mij is als schuld op te nemen.”\n\n6.9. Vast staat dat het project altijd op naam is blijven staan van [naam1] en dat het niet is gekomen van de oprichting van een gezamenlijk (investerings)bedrijf. Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat, hoewel [naam1] en [geïntimeerde] onderling ook hebben gesproken over een gezamenlijk project, zij hebben besloten de geldverstrekkingen te gieten in de vorm van een overeenkomst van geldlening en dat zij daarbij (kennelijk) hebben besloten om die te zetten op naam van [naam1] en [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] duidelijkheid nodig had over de titel waaronder de gelden aan [naam1] ter beschikking waren gesteld vanwege de door hem voorgenomen koop van een woning, brengt daar geen verandering in.\n\n6.10. De stelling dat [geïntimeerde] het doel van de ter beschikking gestelde gelden heeft veranderd van een risicodragende investering in een lening om in het zicht van de aankoop van die woning zijn schuld aan zijn Holding te verminderen, is door [geïntimeerde] weersproken. [appellante] heeft die stelling verder niet onderbouwd en is ook niet bijzonder aannemelijk in het licht van de correspondentie dat de mogelijkheid bestond om de samenwerking te gieten in een CSI (in welk geval geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een investering). Bovendien, ook als het een (risicodragende) investering zou zijn geweest, had [geïntimeerde] schulden aan zijn Holding kunnen verminderen door de investering op naam van zijn Holding te zetten.\n\n6.11. \n\nDe correspondentie ontzenuwt daarmee niet de dwingende bewijskracht van de overeenkomst van geldlening. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd die dat tegenbewijs wel kunnen opleveren.\n\nIntegendeel, ook [appellante] lijkt er, voordat het in deze zaak tot een procedure kwam, niet aan getwijfeld te hebben dat sprake was van een geldlening. Zij heeft immers ingestemd met het maken van aanvullende afspraken uitgaande van de geldleningsovereenkomst. Dat die aanvullende afspraken tot stand zouden zijn gekomen onder invloed van wilsgebreken is een stelling die zij in hoger beroep niet langer inneemt. Ook heeft zij nog een aflossing op de lening verricht van € 25.000, waar zij in hoger beroep niet langer de terugbetaling van vordert. Kennelijk heeft ook [naam1] bij leven [appellante] er niet over geïnformeerd dat geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een risicodragende investering, wat wel voor de hand had gelegen als van een geldlening in werkelijkheid geen sprake zou zijn geweest.\n\n6.12. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van 19 juli 2011 een reële overeenkomst van geldlening betreft, welke nu geldt tussen [geïntimeerde] en [appellante] .\n\nhet uitgeleende bedrag volgens de overeenkomst van geldlening is echter niet opeisbaar6.13. Het hof is wel met [appellante] van oordeel dat het bedrag uit de overeenkomst van geldlening van 19 juli 2011 nog niet opeisbaar is.\n\n6.14. \n\nTijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] verklaard: “Het geld moest uit de verkoop van de woningen komen. Dat is vanaf het begin af aan altijd de onderliggende afspraak geweest”. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011:“even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daarmee kennelijk ook op de afspraak dat het geld voor het terugbetalen van de lening moest komen uit de verkoop van het project. De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 behelst in lijn hiermee dat de geleende geldsom zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van het project. Daarbij zijn ook nadere afspraken vastgelegd over wat [geïntimeerde] aanvullend nog toekomt als de gerealiseerde verkoopopbrengst hoger is dan de geleende som. In de nadere aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 is daarnaast vastgelegd welke (verminderde) aanspraken op terugbetaling [geïntimeerde] heeft als de verkoopopbrengst waarmee [geïntimeerde] heeft ingestemd minder bedraagt dan de geleende som. De gerealiseerde verkoopopbrengst is volgens deze nadere afspraken dus mede bepalend voor de betalingsverplichtingen en -aanspraken die kunnen voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.\n\nDe aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 moet daarmee worden begrepen als (ook) een afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het moment waarop de geleende som opeisbaar zal zijn, te weten bij verkoop van het project; zij hield kennelijk in dat de datum van opeisbaarheid van de lening verschoof van “niet later dan uiterlijk op de datum van de verkoop van het project”naar “uit de gerealiseerde verkoopopbrengst”.In ieder geval had [appellante] dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [appellante] dat ook van meet af aan zo begrepen heeft.\n\n6.15. Daar doet niet aan af dat in de aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 is bepaald: “De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht”en dat in de overeenkomst van 19 juli 2011 is bepaald: “[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en verschuldigde rente direct op te eisen.”Zoals gezegd, heeft [geïntimeerde] in de mail van 11 juli 2011 geschreven dat de schriftelijke overeenkomst niet bedoelde een wijziging aan te brengen in de oorspronkelijke afspraken. En de oorspronkelijke afspraak was dat het geld moest komen uit de verkoop van het project. Bovendien, als [geïntimeerde] het anders bedoelde dan als door [appellante] is opgevat, had het op haar weg als opsteller van de aanvullende bepalingen gelegen om dat voldoende duidelijk te maken. Als zij bedoelde dat lening ook na het maken van die nadere afspraken te allen tijde door haar opgeëist zou kunnen worden, had zij dat expliciet in de nadere afspraken moeten vermelden. Het alleen indirect kenbaar maken van die bedoeling, door te verwijzen naar de overeenkomst van 19 juli 2011, is in het licht van de nader gemaakte afspraken en de e-mail van 11 juli 2011 onvoldoende.6.16. \n\n [geïntimeerde] heeft verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst van 27 september 2018 nu niet meer geldt. Van (een geldige buitengerechtelijke) ontbinding van die overeenkomst en de daarin vastgelegde afspraken is niet gebleken en die wordt in deze procedure ook niet gevorderd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat [appellante] doelbewust haar verplichtingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van het project niet nakomt, maar zij heeft daar geen verbintenisrechtelijke gevolgen aan verbonden.\n\nDaarbij wordt opgemerkt dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die verdere verkooppogingen heeft gestaakt nadat [appellante] had geweigerd om nog een aanvullend bedrag van € 25.000,- te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet duidelijk kunnen maken uit welke (contractuele) verplichting een gehoudenheid van [appellante] daartoe zou volgen.\n\ngeen rente verschuldigd over de geldlening\n\n6.17. \n [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat partijen in eerste instantie hadden afgesproken dat [naam1] over de door [geïntimeerde] en zijn Holding ter beschikking gestelde bedragen geen rente verschuldigd zou zijn. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daar volgens hem op. Zij heeft voor haar rentevordering echter aangevoerd dat [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2021 er zelf voor heeft getekend dat de openstaande schuld nog € 200.899,20 bedroeg. Dat bedrag was berekend inclusief rente. Daarmee heeft [appellante] die rente zelf aanvaard, aldus [geïntimeerde] .6.18. De stelling dat [appellante] zelf de verschuldigdheid van rente over de lening heeft aanvaard, wordt verworpen. Uit niets blijkt dat [appellante] toen al de wetenschap had dat [naam1] en [geïntimeerde] , in afwijking van de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011, waren overeengekomen dat alleen het bedrag in hoofdsom verschuldigd was en dat daarover geen rente berekend zou worden. [geïntimeerde] was vanwege die afspraak niet gerechtigd om aan [appellante] een bedrag voor te leggen waarin wel rente was berekend. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] [appellante] zou kunnen houden aan haar instemming met het door de holding in strijd met die afspraak berekende bedrag van de openstaande schuld. Zij is dus geen rente verschuldigd over het bedrag in hoofdsom.\n\n [geïntimeerde] dient aan [appellante] terug te betalen van wat onder het beslag uitgewonnen is\n\n6.19. De slotsom uit het vorenstaande is dat de veroordeling van [appellante] om een geldbedrag te betalen aan [geïntimeerde] zal worden vernietigd. Daaruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van geldbedragen die onder het executoriale beslag zijn uitgewonnen, slaagt. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat tot die verplichting tot terugbetaling niet behoort het bedrag van € 25.000 dat [appellante] op 1 juni 2021 aan [geïntimeerde] heeft betaald. De terugbetaling van dat bedrag is al bij de rechtbank gevorderd en afgewezen en daartegen heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.\n\nbewijsaanbiedingen\n\n6.20. \n\nPartijen hebben over en weer bewijs aangeboden van hun stellingen door het horen van getuigen.\n\n [appellante] heeft aangeboden [geïntimeerde] te horen over de stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Aan dat aanbod gaat het hof voorbij. [appellante] heeft in dit verband geen concreet te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld waarover [geïntimeerde] als getuige kan verklaren.\n\nVoor het overige hebben de aanbiedingen van partijen geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien zij zouden komen vast te staan, leiden tot een ander oordeel.\n\nslotsom\n\n6.21. Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis in conventie zal om redenen van proceseconomie geheel vernietigd worden.\n\n6.22. Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in hoger beroep, zal het hof bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).6.23. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1. vernietigt het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juni 2024, en beslist:\n\n7.2. verklaart voor recht dat tussen partijen de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is, met dien verstande dat: a) over het uitgeleende bedrag geen contractuele rente verschuldigd is; b) de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag pas opeisbaar is bij verkoop van het project; c) de omvang van die verplichting nader wordt bepaald door wat partijen daarover aanvullend hebben afgesproken in de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021;\n\n7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al wat door haar is betaald aan [geïntimeerde] op grond van het door [geïntimeerde] onder haar gelegde executoriale beslag;\n\n7.4. verklaart deze veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;7.5. wijst af wat meer of anders is gevorderd;7.6. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, in beide instanties. Voor de procedure bij de rechtbank geldt deze beslissing alleen voor de procedure in conventie.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n23 december 2025.\n\n Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8616","2025-12-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.367Z",20]