[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":154},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},15,{"min":18,"max":19},"2024-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122730","Wetboek van Strafrecht","art. 39",1,[27,38,46,54,62,70,78,87,96,105,113,120,129,138,146],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1222","ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","ecli-nl-rbnne-2026-2624","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18.289851.25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.\n\nHet openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar opzettelijk, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) diverse breuken van het aangezicht, inclusief het neusbeen, beide oogkassen, beide jukbeenderen en de rechterzijde van de bovenkaak en\u002Fof bloed onder het harde hersenvlies en\u002Fof bloed onder de zachte hersenvliezen en\u002Fof een gebroken tongbeen, schildkraakbeen en\u002Fof ringkraakbeen en\u002Fof meerdere letsels\u002Fhuidverkleuringen in de hals en\u002Fof ander inwendig en\u002Fof uitwendig letsel, heeft toegebracht, door meermalen fors geweld uit te oefenen, te weten door (onder meer) te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof te stampen en\u002Fof te knijpen en\u002Fof te drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, terwijl het door hem gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer] , althans een persoon, als gevolg heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de primair ten laste gelegde moord en veroordeling gevorderd voor de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Er kan een bewezenverklaring volgen van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak moord\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van voorbedachte rade. Zo verklaart verdachte dat hij enkel de stem en de beelden in zijn hoofd wilde stoppen, waarvan hij meende dat het slachtoffer die naar hem stuurde. Hij wilde het slachtoffer aanpakken, maar verklaart niet dat hij van plan was het slachtoffer te doden. Het is ook niet gebleken dat verdachte een voorwerp heeft meegenomen of heeft gebruikt bij het plegen van het geweld, wat zou kunnen duiden op een planmatige aanpak. Verder verklaart verdachte dat het geweld is gestopt omdat hij moe was. Hij is toen naar huis gegaan en op dat moment leefde het slachtoffer nog. Hij wist niet dat het slachtoffer dood was. Dat verdachte is gestopt met het plegen van geweld terwijl het slachtoffer nog leefde, is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor moord.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.068, d.d. 17 april 2026 opgemaakt door drs. P.M.I. van Driessche, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 27 oktober 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten slaan en\u002Fof stompen en schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en in\u002Fop\u002Ftegen de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nSubsidiair Doodslag.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de twee Pro Justitia-rapporten, gedateerd 12 maart 2026 en 9 maart 2026, opgesteld door drs. A. Banaei Kashani, psychiater en dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog.\n\nBeide deskundigen stellen bij verdachte een psychische stoornis vast in de vorm van schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine.\n\nDe psychiater beschrijft in het rapport dat verdachte ten tijde en in de aanloop tot het feit psychotisch was. Verdachte was de greep op de realiteit kwijt en heeft in blinde woede en onder invloed van forse psychotische ontregeling het slachtoffer om het leven gebracht. Ook al gebruikte verdachte amfetamine, wat de psychose wel heeft verergerd en onderhouden, primair is dit veroorzaakt door zijn schizofrenie. Omdat verdachte zodanig de grip op de realiteit kwijt was, kon van hem niet worden verwacht dat hij grip had op zijn gebruik. Geadviseerd wordt om verdachte het feit niet toe te rekenen omdat hij volledig heeft gehandeld vanuit zijn psychotische belevingen en hij daardoor geen controle heeft kunnen hebben over zijn gedrag en gedachten.\n\nDe psycholoog komt tot eenzelfde advies. Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn sterk aanwezige, vanuit de schizofrenie voortkomende psychotische belevingen en overtuigingen. Het betreffen overtuigingen waarvan hij ook nu nog geen afstand ervaart.\n\nDe rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen verenigen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en oordeelt dat het bewezenverklaarde vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan hem kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege zal worden\n\nopgelegd. De duur van deze maatregel is ongemaximeerd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.\n\nOordeel van de rechtbank toerekeningsvatbaarheid\n\nBij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van psychiater drs. A. Banaei Kashani d.d. 12 maart 2026 en van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge d.d. 9 maart 2026, het reclasseringsrapport d.d. 27 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in een psychotische toestand het slachtoffer met fors geweld om het leven gebracht. Daarmee heeft hij het slachtoffer, die verdachte in het geheel niet kende, zijn kostbaarste bezit -zijn leven-ontnomen. En moeten de nabestaanden, met name zijn moeder, tante en nicht, zonder hem verder leven, wat voor hen een groot gemis is en veel verdriet veroorzaakt.\n\nHet advies van de deskundigen\n\nIn de eerder vermelde Pro Justitia-rapportages adviseren de deskundigen om aan verdachte een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Om het hoog ingeschatte recidiverisico te beperken is een intensieve en langdurige behandeling en begeleiding van verdachte in een kliniek noodzakelijk, gelet op de chronische, hardnekkige en ernstige problematiek waar hij mee kampt. Het ontbreekt verdachte volledig aan inzicht en tot op heden is het, ondanks (medicamenteuze) hulpverlening, niet gelukt om stabilisatie te bereiken en tot gedragsverandering te komen. De psychotische stoornis van verdachte dient optimaal behandeld te worden waarbij abstinentie van middelen noodzakelijk is. Daarbij is het belangrijk dat verdachte niet wordt overschat en wordt er geadviseerd om te waken voor schijnaanpassing. Verdachte kan bij een kort gesprek een adequate en stabiele indruk maken; pas bij doorvragen verzandt hij in uitspraken die duidelijk wijzen op psychotische ontregeling.\n\nStevige en duidelijke kaders zijn nodig om stabilisatie en gedragsverandering te bereiken en om een gedegen risicomanagement uit te voeren. Verdachte wordt, gezien zijn ontregelde psychotische toestandsbeeld en zijn verlies van de realiteit, niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden, ook al zou hij dat willen.\n\nOndanks de depotmedicatie heeft verdachte nog steeds psychotische belevingen, is er een gebrek aan inzicht, ontbreekt er bij verdachte besef voor wat hij heeft gedaan, is er een hoog recidiverisico en heeft hij onvoldoende openheid gegeven tijdens de eerdere behandeling. Derhalve wordt niet geadviseerd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen. Een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege is volgens hen het enige passende kader.\n\nOordeel van de rechtbank maatregel\n\nDe rechtbank stelt op grond van de hiervoor al genoemde psychiatrische en psychologische rapportages vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer\n\npersonen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel.\n\nGelet op het advies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen aan verdachte. De maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de TBS niet in duur is beperkt.\n\nBenadeelde partij\n\n[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 17.500,00 aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat deze vordering moet worden toegewezen. Het slachtoffer is als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [benadeelde partij] heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat zij de moeder van het slachtoffer is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar. Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij] te betalen:\n\nhet bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft affectieschade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.818Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"1533","ECLI:NL:GHARL:2026:4287","ecli-nl-gharl-2026-4287","2026-07-01T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003848-25\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 1 september 2025 met parketnummer 18-143157-25 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 17 juni 2026 en de zitting bij de politierechter.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;\n\noplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (te weten een contactverbod jegens aangeefster, haar kinderen, ouders en zus en een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] ) voor de duur van 5 jaren;\n\ndadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel;\n\ntoewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. K. Boonstra, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 1 september 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod;\n\neen contactverbod jegens aangeefster;\n\neen locatieverbod voor [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [dorp] .\n\nDe politierechter heeft een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] , opgelegd en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 986,02 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering.\n\nHet hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen (ongewenst) op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof bij de woning van haar ouders en\u002Fof vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en\u002Fof aan te bellen en\u002Fof zijn auto vóór en\u002Fof op de oprit van die woningen te parkeren, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] en\u002Fof haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en\u002Fof meermalen te appen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging moet de ten laste gelegde periode worden opgesplitst in tweeën. In de periode van 11 augustus 2024 tot 5 oktober 2024 is volgens de raadsman geen sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, omdat verdachte na het gesprek bij het [Instantie] niet doorhad dat hij helemaal geen contact meer mocht zoeken met aangeefster.\n\nIn de periode vanaf 05 oktober 2024 waren – aldus de raadsman – de aard en frequentie van de gedragingen van verdachte dermate gering dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster geen sprake was. Daarbij was geen sprake van wederrechtelijkheid, nu verdachte alleen contact zocht met aangeefster in het belang van zijn contact met de kinderen. De raadsman heeft in dit kader wetsgeschiedenis aangehaald waaruit blijkt dat in dergelijke situaties terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).\n\nHet hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte en aangeefster hebben tot begin 2024 een relatie gehad. Uit deze relatie zijn kinderen geboren. Op 5 augustus 2024 hebben verdachte en aangeefster bij het [Instantie] (hierna: [Instantie] ) een gesprek gehad in aanwezigheid van medewerkers van het [Instantie] en van [instantie 2] vanwege de zorgen rondom het gezin. Tijdens dat gesprek is op advies van het [Instantie] afgesproken dat verdachte aangeefster en de kinderen met rust zou laten voor de periode van een jaar. Verdachte heeft daar die dag mee ingestemd.\n\nOndanks deze toezegging heeft verdachte in de periode daarna regelmatig contact gezocht met aangeefster. Hij kwam bij haar huis en nam contact op met haar, haar zoon en haar ouders. Op 5 oktober 2024 heeft de politie een stopgesprek met verdachte gehouden waarin aan verdachte nadrukkelijk is uitgelegd dat hij geen contact meer moest zoeken met aangeefster en dat hij voor het treffen van een omgangsregeling contact op diende te nemen met zijn advocaat. Na dit gesprek blijft het korte tijd rustig blijft, maar vanaf eind oktober nemen de contactpogingen van verdachte richting aangeefster en haar omgeving weer toe.\n\nOp 1 december 2024 staat verdachte weer voor de woning van aangeefster. De politie komt ter plaatse en besluit verdachte aan te houden op verdenking van stalking. Na deze aanhouding ontvangt de politie geen meldingen meer van aangeefster over contactpogingen. Wel neemt nu haar vader regelmatig contact op met de politie omdat verdachte hem belt en berichten stuurt en bij hem thuis aanbelt. De laatste melding dateert van 16 juni 2025.\n\nVerdachte heeft op de zitting van het hof alle contact(poging)en erkend, maar daarbij aangegeven dat hij dat niet als strafbaar ziet omdat hij in gesprek wilde met aangeefster over de omgang met de kinderen. Zijn raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet begreep dat hij in het geheel geen contact met aangeefster mocht opnemen, ook niet via haar vader.\n\nHet hof verwerpt het verweer dat verdachte niet begrepen zou hebben dat aangeefster geen contact met hem wenste. Naar het oordeel van het hof was het gesprek bij het [Instantie] het eerste moment waarop het voor verdachte volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster niet gediend was van contact. Het enkele feit dat verdachte het – volgens eigen verklaring: later – niet eens was met het standpunt van aangeefster en de afspraak die daarom bij dit gesprek is gemaakt, maakt immers niet dat hij dat standpunt niet begreep. Vervolgens is zowel bij het stopgesprek op 5 oktober 2024 als door de aanhouding van verdachte op 1 december 2024 telkens opnieuw duidelijk gemaakt aan verdachte dat hij aangeefster met rust moet laten. Ondanks al deze momenten is verdachte bewust contact blijven opnemen met aangeefster en\u002Fof haar omgeving. Naar het oordeel van het hof is hiermee het opzet van verdachte wettig en overtuigend bewezen.\n\nVerder overweegt het hof dat – hoewel de frequentie van de gedragingen van verdachte op het eerste gezicht beperkt lijkt – de aard en intensiteit van deze gedragingen maakt dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte is onder andere meerdere keren bij aangeefster en haar familie aan de deur geweest. Dit is een zeer indringende manier van contact zoeken, omdat verdachte zich hiermee in de directe omgeving van aangeefster bevindt en omdat deze fysieke vorm van contact zoeken de continue vrees voor een volgend contact met zich brengt.\n\nTot slot is het hof van oordeel dat sprake is van een wederrechtelijke inbreuk. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard vrij snel na het [Instantie] -gesprek een advocaat te hebben ingeschakeld om het contact met zijn kinderen te kunnen behouden\u002Fherstellen. Verdachte had omgang met de kinderen via deze juridische weg moeten bewerkstelligen. Het verweer van de raadsman dat in situaties omtrent omgang met kinderen terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging, schuift het hof terzijde. De wetsgeschiedenis waarnaar de raadsman verwijst, ziet op de situatie waarin tussen ouders van kinderen een omgangsregeling bestaat en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer erin bestaat dat een verdachte contact zoekt omdat de andere ouder zich niet aan deze omgangsregeling houdt. Van zo’n situatie is in onderhavige zaak geen sprake.\n\nAl met al is het hof van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De reden waarom verdachte herhaaldelijk contact met aangeefster en haar omgeving bleef zoeken (contact willen met de kinderen) doet daar niet aan af.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. De door verdachte op de terechtzitting bij de politierechter van 1 september 2025 afgelegde verklaring:\n\nIk ben in de ten laste gelegde periode naar de woning van aangeefster (het hof begrijpt: te [dorp] ) en die van haar ouders gegaan en heb daar de auto geparkeerd. Bij aangeefster heb ik ook op de ramen geklopt. Ik heb naar aangeefster en haar vader gebeld en aan hen WhatsApp-berichten verstuurd.\n\n2. De door verdachte op de terechtzitting van het hof van 17 juni 2026 afgelegde verklaring:\n\nIk heb steeds contact gezocht met aangeefster en haar omgeving om tot een gesprek te komen over de omgang met de kinderen. Het klopt dat de afspraak gemaakt is op 5 augustus 2024 bij het [Instantie] dat ik een jaar lang afstand zou houden van aangeefster en de kinderen.\n\nIk heb vrij snel na het gesprek bij het [Instantie] een advocaat ingeschakeld.\n\n3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024328914 d.d. 7 maart 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :\n\nAangifte van stalking, [adres 1] te [dorp] , gemeente [gemeente] .\n\nIk doe aangifte van stalking door mijn ex-vriend [verdachte] . Ik heb begin 2024 de relatie verbroken. Op 5 augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden bij het [Instantie] vanwege alle zorgelijkheden (o.a. bij [slachtoffer] en mij). Dit gesprek heeft plaatsgevonden in bijzijn van [Instantie] , [instantie 2] , [verdachte] en mijzelf. Daar is geadviseerd door [Instantie] (en [verdachte] heeft daar ook in toegestemd) dat hij mij en de kinderen 1 jaar met rust zou laten, dus tot 5 augustus 2025.\n\nOmdat [verdachte] mij ondanks de afspraken die bij het [Instantie] zijn gemaakt toch bleef lastigvallen door bij mijn huis te komen, is er een afspraak op locatie gemaakt op mijn woning. Nadien ging contacten en langskomen door. Hij vraagt aan anderen, o.a. mijn ouders waar ik ben en waar de kinderen zijn. Hij kwam [voor het [Instantie] en stopgesprek] en ook op andere momenten aan de deur. Hij klopt of bonkt verscheidene malen op de deur en ramen, parkeert soms zijn auto op onze oprit of voor het huis en loopt weg om vervolgens terug te komen.\n\nOp 5 oktober 2024 heeft er een stopgesprek door de politie plaatsgevonden met [verdachte] . Hem is daarbij verteld dat hij moet stoppen met mij lastigvallen en dat hij zich moet houden aan de afspraken die er gemaakt zijn met de hulpverlening. Sinds 30 oktober nemen de contactpogingen weer toe, naar mij en ook mijn vader wordt gebeld. Hierna begint het langskomen weer.\n\n4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant] :\n\nIk, [verbalisant] , sprak op zaterdag 5 oktober 2024 op het politiebureau met\n\n [verdachte] . Ik heb duidelijk aan [verdachte] uitgelegd dat hij diende te stoppen\n\nmet het bezoeken van de woning van [slachtoffer] aan [adres 1] te [dorp] . Ook\n\nheb ik [verdachte] meerdere keren uitgelegd dat hij op geen enkele wijze contact moest\n\nzoeken met [slachtoffer] en dat hij via zijn advocaat de mogelijkheden moest verkennen\n\nvan een omgangsregeling.\n\n5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 2] :\n\nOp zondag 1 december 2024 werd een melding uitgegeven dat de ex van de bewoonster van de [adres 1] te [dorp] bij haar voor de deur zou staan en op de ramen had gebonkt. Ambtshalve is mij bekend, dat op genoemd adres [slachtoffer] met haar twee minderjarige\n\nkinderen woonachtig is. Ambtshalve is mij bekend dat [slachtoffer] onlangs aangifte heeft\n\ngedaan van stalking door haar ex-vriend, genaamd [verdachte] . [verdachte] zou in een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] zitten.\n\nTer plaatse in [adres 1] zag ik genoemd voertuig voor de woning [adres 1]\n\nstaan. Ik zag dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] alleen in het voertuig en op\n\nde bestuurderstoel zat. Na overleg met de Officier van Dienst Politie [naam] werd besloten om [verdachte] op heterdaad aan te houden ter zake stalking.\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2025, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] :\n\nOp 7 januari 2025 ontving [slachtoffer] (dit is de vader van aangeefster) een WhatsApp bericht van [verdachte] , met de tekst: [7-1 15:42] [verdachte] : Als jij als vader en opa nu jezelf eens afvraag hoe [slachtoffer] de jongens bij me weg hou al 7 maanden lang, dan mag je mij\n\nooit vertellen of dat juist is. [slachtoffer] heeft niet gereageerd op deze whatsapp.\n\nOp 8 februari 2025 om 10.44 uur ontving [slachtoffer] een telefoontje van nummer:\n\n [telefoonnummer] , dit is het telefoon nummer van [verdachte] . Hierop heeft hij niet gereageerd. De telefonische oproep staat in de historie als: 8 feb. 10:44 (gemiste oproep).\n\nOp 24 februari 2025 komt [verdachte] bij [slachtoffer] aan de deur. En vraagt of [slachtoffer] met [slachtoffer] wil praten over de kinderen.\n\nOp 17 maart 2025 15.20 uur was [verdachte] weer aan de deur. Bewoners waren niet thuis.\n\nOp 19 maart 2025 15.56 uur was [verdachte] aan de deur. Is niet opengedaan.\n\nOp 10 april 2025 ontving [slachtoffer] wederom een WhatsApp: [10-4 14:13] [verdachte]\n\n : Beste [slachtoffer] , zou je [slachtoffer] erop willen attenderen dat de jongens ook nog een oma in [plaats] hebben waar het heel slecht mee gaat, en die toch ook nog graag [slachtoffer] een x zou willen zien. Wederom van telefoonnummer: [telefoonnummer] .\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :\n\nOp 14 mei 2025 stelde [slachtoffer] per e-mail de wijkagent in kennis dat [verdachte]\n\nwederom bij zijn woning aan [adres 2] te [dorp] is geweest.\n\nOp maandag 16 juni om 15.46 uur was een 112 melding gedaan door [slachtoffer] . Op 16 juni 2025 TP [het hof begrijpt: ter plaatse] gegaan aan [adres 2] . Op dit adres staan vader en moeder [slachtoffer] ingeschreven, samen met dochter [slachtoffer] en haar kinderen.\n\nDochter [slachtoffer] heeft een ex, [verdachte] . Deze stond op dat moment voor de woning.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen ongewenst op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en bij de woning van haar ouders en vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en aan te bellen en zijn auto vóór en op de oprit van die woningen te parkeren;\n\n- die [slachtoffer] en haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en meermalen te appen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en te dulden.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nbelaging.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 9 maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Na de relatiebreuk heeft verdachte aangeefster tegen haar uitdrukkelijke wil telefonisch benaderd, zich bevonden bij haar woning en contact gezocht met haar directe omgeving. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar angstgevoelens teweeggebracht.\n\nVerdachte heeft zich niets aangetrokken van de duidelijke signalen op drie momenten in de bewezenverklaarde periode en telkens toch weer contact gezocht met aangeefster. Op de zitting van zowel de politierechter als het hof heeft verdachte een eigen versie van de feiten naar voren gebracht en ontkend wederrechtelijk te hebben gehandeld. Het hof heeft tijdens het verhoor van verdachte op de zitting herhaaldelijk geprobeerd verdachte het belang van wederkerigheid van relaties en interacties te doen inzien. Verdachte heeft daarbij een onvermogen getoond om zich in de situatie van een ander in te leven en in te zien wat de impact en gevolgen zijn van zijn handelen.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte van 07 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten veelal van andere aard en\u002Fof langer geleden gepleegd. Het hof weegt dit niet mee in de strafoplegging.\n\nVerder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft kennis genomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 22 augustus 2025. De reclassering schrijft over een zwak probleeminzicht, zwakke impulscontrole, zwakke coping vaardigheden en narcistische en antisociale trekken bij verdachte. Verdachte zou slecht in staat zijn om conflicten adequaat op te lossen. Het middelengebruik van verdachte is volgens de reclassering delict gerelateerd. De reclassering adviseert oplegging van een voorwaardelijke straf, met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden.\n\nGelet op het hiervoor overwogene acht het hof van belang en noodzakelijk aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. Deze dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAlles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke straf zal het hof de volgende bijzondere voorwaarden verbinden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod.\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod)\n\nNaast bovengenoemde bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering ook het opleggen van een contactverbod jegens aangeefster en een gebiedsverbod voor het adres van aangeefster. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het contactverbod ook geldt jegens de kinderen van aangeefster, haar ouders en haar zus en dat het gebiedsverbod geldt voor het hele dorp [dorp] . Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verboden worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor overwogen omstandigheden waaronder dit is begaan, is het naar het oordeel van het hof noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, te weten een contactverbod jegens de volgende personen:\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\nen een gebiedsverbod voor de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente] .\n\nZoals hiervoor overwogen toont verdachte geen enkel inzicht in (de gevolgen van) zijn handelen. Daarnaast weegt het hof mee dat omtrent de omgang met de kinderen een civiele procedure gaande is. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard die procedure als onlosmakelijk verbonden te beschouwen met deze strafzaak. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster, haar kinderen en\u002Fof haar familie. Het hof zal de vrijheidsbeperkende maatregel dan ook dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.236,02 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 986,02. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.\n\nOp de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Ten aanzien van de materiële schade (reiskosten) overweegt het hof dat de vordering is onderbouwd met een overzicht van reiskosten naar de psycholoog.\n\nTen aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in de persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezenverklaarde gevoelens van onveiligheid en spanning ervoer, een verminderde eetlust en concentratie had en psychische klachten kreeg. Hiervoor is de benadeelde partij naar de huisarts gegaan, die haar heeft doorverwezen naar en psycholoog. De benadeelde partij is gestart met EMDR-therapie en de behandeling is na enige tijd geïntensiveerd. Verder is de benadeelde partij niet in staat om (volledig) te werken en merkt ze dat ook haar kinderen spanningsklachten hebben. De vordering is onderbouwd met medische verklaringen en een verslaglegging van de psycholoog.\n\nDe verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding betwist. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de therapie die aangeefster volgt niet alleen ziet op behandeling van trauma naar aanleiding van het bewezenverklaarde, zodat niet de gehele schade kan worden toegewezen. Het hof overweegt dat het bewezenverklaarde de directe aanleiding is geweest voor het starten van de therapie en dat de benadeelde partij haar vordering goed heeft onderbouwd. In het licht hiervan heeft de verdediging de vordering tot schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd betwist.\n\nHet hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte in de persoon is aangetast, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding.\n\n Het hof heeft zich voor het oordeel over de hoogte van de immateriële schade gebaseerd op de bandbreedtes uit de Rotterdamse Schaal. De eerste bandbreedte ziet op tamelijk ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader minder frequent en dreigend is dan bij ernstige belaging. Aan tamelijk ernstige belaging wordt in de Rotterdamse Schaal een immaterieel schadebedrag tot € 2.000,00 gekoppeld. De tweede bandbreedte ziet op ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader frequenter en intensiever is en waarbij verschillende communicatiemiddelen worden gebruikt om de benadeelde te benaderen. Aan ernstige belaging wordt een immaterieel schadebedrag van € 2.000,00 tot € 5.000,00 gekoppeld.\n\nNaar het oordeel van het hof is onderhavig geval een grensgeval tussen tamelijk ernstige en ernstige belaging. Het hof zal daarom de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 2.000,00.\n\nVerdachte moet de schade vergoeden. Het hof wijst dit deel van de vordering daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nHet hof kan in deze procedure van het overige deel van de gevorderde schade niet vaststellen dat deze veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dat deel van de vordering De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebiedsverbod.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Verdachte volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waar verdachte aan zal werken deze te behalen. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen veertien dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres 4] te [plaats] .\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet gebruikt. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.\n\n- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:\n\nvoor de duur van 3 jaren zich niet bevindt in de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente]\n\nvoor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\ntenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd. Als de reclassering dit noodzakelijk vindt, kan worden besloten dat het contact in het bijzijn van hulpverleners, te bepalen door de reclassering, dient plaats te vinden.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 juni 2025.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4287","2026-07-13T00:29:25.743Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"472","ECLI:NL:RBNNE:2026:2635","ecli-nl-rbnne-2026-2635","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18-077555-25\n\nTussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 30 juli 2019 tot en met 15 november 2023 te Leeuwarden, althans in Nederland, afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in het bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft en\u002Fof die afbeeldingen heeft verspreid, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\n- het met een penis en\u002Fof een voorwerp penetreren van de vagina en\u002Fof mond en\u002Fof anus van een\n\npersoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (afbeeldingen 1,2,3,4,5,6,7,8,9,10,11,26) en\u002Fof\n\n- het (laten) betasten en\u002Fof spreiden van de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof billen van een persoon die\n\nkennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (afbeeldingen 12,13,14,15) en\u002Fof\n\n- het drukken van een (stijve) penis en\u002Fof mond tegen\u002Fbij de vagina van een persoon die kennelijk de\n\nleeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (afbeeldingen 16,17, 21,22) en\u002Fof\n\n- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar\n\nnog niet heeft bereikt, waarbij door de stand van de camera en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose van die persoon nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld worden gebracht (afbeeldingen 18,19,20) en\u002Fof\n\n- het masturberen (dicht) bij het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet\n\nhad bereikt\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit, zowel voor kort gezegd het bezit als het verspreiden van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op de gegevensdragers van verdachte dergelijk materiaal is aangetroffen en heeft verwezen naar het technisch onderzoek dat aan deze gegevensdragers is verricht. Uit het onderzoek blijkt dat verdachte kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en een deel daarvan via een door hem aangemaakt Instagram-account heeft verspreid.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.\n\nTen aanzien van het bezit van het kinderpornografisch materiaal heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Verdachte stelt zich niet bewust te zijn geweest van de aanwezigheid van het kinderpornografisch materiaal op de gegevensdragers, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het bezit van kinderpornografisch materiaal. Daarnaast is het onduidelijk of de in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen benaderbaar waren voor de gebruiker en of het videos of fotos betrof. Ook om die reden ontbreekt het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op het bezit van kinderpornografisch materiaal.\n\nTen aanzien van het verspreiden van het kinderpornografisch materiaal heeft de raadsman aangevoerd dat hiervoor geen bewijs aanwezig is in het dossier. Het is onbekend wat de inhoud is van de link waarover in een gesprek met [accountnaam] is gesproken. Bovendien zijn er geen videos ten laste gelegd.\n\nGelet op vorenstaande verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken van zowel het ten laste gelegde bezit van als verspreiden van kinderpornografisch materiaal.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft op de zitting van 5 juni 2026 deze strafzaak behandeld en op dezelfde dag is het onderzoek gesloten. Tijdens de beraadslaging in raadkamer is de rechtbank echter gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank overweegt hierover het volgende.\n\nOp onder verdachte in beslag genomen gegevensdragers een telefoon, tablet en notebook zijn blijkens het procesdossier in totaal 630 kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Volgens het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] (p. 113 e.v. van het procesdossier) waren 57 van de kinderpornografische afbeeldingen benaderbaar voor de gebruiker. In het belang van de waarheidsvinding acht de rechtbank het noodzakelijk dat de politie in een aanvullend proces-verbaal over de onderstane vragen nader verklaart:\n\nZijn de in de tenlastelegging genummerde afbeeldingen die op de gegevensdragers zijn aangetroffen zonder verdere handelingen benaderbaar voor de gebruiker?\n\nBevinden zich onder de in de tenlastelegging genummerde afbeeldingen ook één of meer van de acht\n\nkinderpornografische videos die in het proces-verbaal van bevindingen (p. 28 e.v. van het procesdossier) genoemd worden?\n\nHeropening onderzoek\n\nGelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie opdracht geven teneinde de politie een aanvullend proces-verbaal te laten opstellen en antwoord te geven op de bij de rechtbank levende vragen.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\n- heropenthet onderzoek ter terechtzitting;\n\n- geeft opdracht aan de officier van justitieom een aanvullend proces-verbaal door de politie te laten\n\nopstellen en stelt daartoe de stukken in handen van de officier van justitie;\n\n- schorsthet onderzoek ter terechtzitting vooronbepaalde tijd, welke schorsing in verband met de\n\nklemmende reden dat het onderzoek nog niet is afgerond en het zittingsrooster van de rechtbank een eerdere voortzetting niet toelaat, langer is dan één maand maar niet langer dan drie maanden;\n\n- beveelt de oproeping van verdachte, met afschrift aan zijn raadsman, tegen het tijdstip waarop het\n\nonderzoek ter terechtzitting wordt hervat.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. H.K. de Haan rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.\n\nMr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2635","2026-07-13T00:28:32.181Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":61},"1459","ECLI:NL:GHARL:2026:4363","ecli-nl-gharl-2026-4363","2026-06-10T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003740-20\n\nUitspraakdatum: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 oktober 2018 met het parketnummer\n\n18-850004-16 in de strafzaak tegen de verdachte\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nwonende in [land] ,\n\nblijkens de gegevens die het gerechtshof heeft verkregen in het kader van de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026.\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.\n\nHet onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 17 januari 2023 en 10 juni 2026.\n\nHet gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVerder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, is aangevoerd, zakelijk weergegeven inhoudende dat de raadsman zich refereert aan het oordeel van het gerechtshof over de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van vandaag en dat de raadsman niet gemachtigd is door zijn cliënt en daarom nu inhoudelijk niets over de zaak kan zeggen.\n\nTevens heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen mr. M. Molenaar, de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] , heeft aangevoerd.\n\nDe ontvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet gerechtshof heeft onmiddellijk na het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026 uitspraak gedaan. De beslissing van het gerechtshof is toen mondeling gemotiveerd.\n\nDeze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:\n\nDoor of namens de verdachte zijn geen bezwaren opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. Het gerechtshof ziet zelf geen redenen die een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep noodzakelijk maken. Het gerechtshof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.\n\nDit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4363","2026-07-13T00:29:22.108Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":66,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":36,"updatedAt":69},"1462","ECLI:NL:GHARL:2026:4284","ecli-nl-gharl-2026-4284","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003741-20\n\nUitspraakdatum: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nOntnemingszaak\n\nVerkorte beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 mei 2019 met het parketnummer\n\n18-850004-16 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in de zaak van\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ngeboren op [geboortedag] in [geboorteplaats] ,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nwonende in [land] ,\n\nblijkens de gegevens die het gerechtshof heeft verkregen in het kader van de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026.\n\nHet hoger beroep\n\nDe betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de hierboven genoemde beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.\n\nHet onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 17 januari 2023 en 10 juni 2026.\n\nHet gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalingsverplichting aan de Staat zal vaststellen op € 197.342,13.\n\nVerder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, is aangevoerd, zakelijk weergegeven inhoudende dat de raadsman zich refereert aan het oordeel van het gerechtshof over de betekening van de oproeping van de betrokkene tegen de zitting van vandaag en dat de raadsman niet gemachtigd is door zijn cliënt en daarom nu inhoudelijk niets over de zaak kan zeggen.\n\nDe beslissing waartegen het hoger beroep is gericht\n\nHet hoger beroep is gericht tegen de hierboven genoemde beslissing van de rechtbank.\n\nIn die beslissing heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op\n\n€ 232.240,14.\n\nHet gerechtshof verenigt zich niet met deze beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het gerechtshof die beslissing en doet het gerechtshof opnieuw recht.\n\nDe vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel\n\nHet openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 577.962,-. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.\n\nOp de zitting van de rechtbank van 21 maart 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalings-verplichting aan de Staat zal worden vastgesteld op € 317.880,17.\n\nOp de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals de rechtbank dat - op basis van de transacties via de bankrekening van de gedupeerden - heeft vastgesteld, op een aantal punten dient te worden gecorrigeerd. Dit omdat in zeven gevallen van oplichting weliswaar het in de tenlastelegging genoemde bedrag is ontfutseld aan de gedupeerden, maar een deel van dat bedrag of het gehele bedrag niet bij de betrokkene terecht is gekomen door interventies van de bank met betrekking tot de betaalrekening van die gedupeerden. In zeven gevallen is volgens de advocaat-generaal het oplichtingsbedrag niet het bedrag dat op de tenlastelegging in de strafzaak bij de afzonderlijke oplichtingsfeiten onder feit 1 is opgenomen (en bewezen verklaard):\n\nbij [naam 1] niet € 12.000,00, maar € 3.000,00;\n\nbij [naam 2] niet € 3.750,00, maar € 1.750,00;\n\nbij [naam 3] niet € 7.000,00, maar € 3.500,00;\n\nbij [naam 4] niet € 13.100,00, maar € 500,00;\n\nbij [naam 5] niet € 11.500,00, maar nihil;\n\nbij [naam 6] niet € 10.000,00, maar nihil;\n\nbij [naam 7] € 11.500,00, maar € 10.500,00,\n\ndit alles op basis van de afzonderlijke aangiftes van de genoemde personen.\n\nDe vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof\n\nHet gerechtshof heeft onmiddellijk na het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026 uitspraak gedaan. De beslissing van het gerechtshof is toen mondeling gemotiveerd.\n\nDeze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:\n\nDe betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2018 veroordeeld voor onder meer oplichting van 37 personen en medeplegen van oplichting van 4 personen.\n\nUit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat de betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald.\n\nOp grond van wettige bewijsmiddelen schat het gerechtshof dat voordeel op een bedrag van € 197.243,13. Dit bedrag is gebaseerd op de volgende berekening.\n\nDe correctie op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, zoals de advocaat-generaal die heeft opgevoerd, is juist. Het gerechtshof heeft die correctie gecontroleerd in raadkamer tijdens een schorsing van het onderzoek en correct bevonden. Dit houdt in dat de volgende berekening dient te worden gemaakt:\n\nTer zake van feit 1 dient op het door de rechtbank vastgestelde oplichtingsbedrag van\n\n€ 262.720,17 in mindering te worden gebracht een bedrag van € 43.600,00.\n\nHet bruto bedrag (zonder aftrek van door de betrokkene gemaakte kosten) dat de betrokkene heeft verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 1 bedraagt dan € 262.720,17 - € 43.600,00 = € 219.120,17.\n\nHet netto bedrag (met aftrek van door de betrokkene gemaakte kosten, geschat op 20% van het bruto bedrag) dat de betrokkene heeft verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 1 bedraagt dan € 174.702,13.\n\nDaarbij dient te worden opgeteld het (netto) oplichtingsbedrag dat door de betrokkene is verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 2, te weten € 22.640,00.\n\nDit levert op een door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel van € 197.243,13.\n\nDe verplichting tot betaling aan de Staat\n\nHet gerechtshof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op het hiervoor genoemde bedrag.\n\nGijzeling\n\nHet gerechtshof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 540 dagen.\n\nWetsartikelen\n\nDe maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van de procedure.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 197.342,13 (honderdzevenennegentigduizend driehonderdtweeënveertig euro en dertien cent).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van\n\n€ 197.342,13 (honderdzevenennegentigduizend driehonderdtweeënveertig euro en dertien cent).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet betaling op 540 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4284","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.235Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":77},"462","ECLI:NL:RBNNE:2026:2637","ecli-nl-rbnne-2026-2637","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18-216297-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ,\n\nthans gedetineerd te [instelling] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rosema, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand\u002Fwoning, gelegen aan [adres] , door open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een deurmat, althans met een brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voorgenoemde pand\u002Fwoning en\u002Fof de inboedel van voorgenoemde pand\u002Fwoning en\u002Fof nabijgelegen woning(en) en\u002Fof de inboedel van de nabijgelegen woning(en) te duchten was;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk en\n\nwederrechtelijk een deurmat en\u002Fof de portiek aan [adres] , in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt;\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het dossier bevat een verklaring van een forensisch medewerker van de politie, waarin de medewerker stelt dat door de brand geen gevaar voor goederen is ontstaan. Uit het proces-verbaal blijkt dat er geen directe objecten in de nabijheid stonden waarop de brand had kunnen overslaan. Naast deze verklaring blijkt nergens anders uit het dossier dat de brand zich had kunnen uitbreiden. Verdachte heeft verklaard dat hij geen brandversnellers heeft gebruikt.\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiaire feit, vernieling, wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025188702 d.d. 15 juli 2025, inhoudend de verklaring van [naam] ;\n\n3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 juli 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;\n\n4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 16 juli 2025, opgenomen op pagina 12\n\ne.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .\n\nBewijsoverweging\n\nMet betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met opzet brand heeft gesticht in de portiek van een pand gelegen aan de [adres] te Leeuwarden door met een aansteker een deurmat in brand te steken. Als gevolg daarvan is schade ontstaan aan de deur van de meterkast, waarvan zich fotos in het dossier bevinden. Uit de verklaring van de bevelvoerder van de brandweer volgt dat als de brand de brand was uitgeslagen en niet op tijd was geblust er een ramp had kunnen ontstaan, omdat het een oud pand betreft. Volgens de bevelvoerder van de brandweer, welke tijdens de brand op 15 juli 2025 ook aanwezig was, was er daarom absoluut gevaar voor goederen. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, waarbij gevaar voor goederen te duchten is geweest. De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 juli 2025 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht in een pand, gelegen aan de [adres] , door open vuur (middels een aansteker) in aanraking te brengen met een deurmat, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voorgenoemde pand en de inboedel van voorgenoemde pand en nabijgelegen woningen en de inboedel van de nabijgelegen woningen te duchten was.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nprimairopzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nStandpunt van de officier van justitie en de verdediging\n\nDe officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig ontoerekeningsvatbaar was en daarom dient worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe conclusie van de psychiaters luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van de psychische stoornis schizofrenie, een psychotische stoornis met akoestische hallucinaties en waanideeën. Tevens heeft verdachte een stoornis in het gebruik van amfetamine en cocaïne. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De psychiaters adviseren het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen, omdat hij ten tijde van het bewezen verklaarde in een psychose verkeerde en hierdoor niet meer in staat was de realiteit te toetsen en zijn wil en gedrag in vrijheid te bepalen.\n\nDe psycholoog heeft geen advies uitgebracht omtrent de (on)toerekeningsvatbaarheid van het ten laste gelegde.\n\nDe rechtbank kan zich met de gemotiveerde conclusie van de psychiaters ten aanzien van de ontoerekeningsvatbaarheid verenigen en neemt deze over. De denk- en belevingswereld van verdachte was voorafgaand aan en ten tijde van het ten laste gelegde in belangrijke mate, zo niet volledig bepaald door zijn psychische stoornis. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat hij niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: tbs met voorwaarden) zal worden opgelegd met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De tbs met voorwaarden dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) moet worden opgelegd, omdat dit noodzakelijk is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen en goederen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte voor het subsidiaire feit (enkel) ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, bij een veroordeling ten aanzien van het primaire feit, ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen en aan verdachte tbs met daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden dient te worden opgelegd. De voorwaarden kunnen direct uitvoerbaar worden verklaard. Ten aanzien van de GVM heeft de raadsvrouw betoogd dat oplegging hiervan disproportioneel is en derhalve moet worden afgewezen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van 5 en 7 februari 2026, het reclasseringsadvies van 28 april 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens een psychose schuldig heeft gemaakt aan een opzettelijke brandstichting. Verdachte heeft in een pand in de binnenstad van Leeuwarden met een aansteker een deurmat in de brand gestoken. De brand had zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Opzettelijke brandstichting waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is betreft een ernstig feit.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de Pro Justitia-rapportages, opgemaakt door psycholoog M. Overduin en psychiaters K.N. Broek en M.K. van der Vlis, en van het reclasseringsadvies.\n\nAdvies psycholoog en psychiaters\n\nZowel de psycholoog als de psychiaters rapporteren dat verdachte heeft geweigerd (geheel) mee te werken aan het onderzoek. De psycholoog stelt dat zij op basis van de weigerende houding van verdachte geen uitspraken kan doen over de geestelijke stoornissen die bij verdachte bestaan en de relatie hiermee tot het onderhavige delict. Wel concludeert de psycholoog dat vanuit de beschikbare informatie een zorgwekkend beeld over verdachte ontstaat. Verdachte is langdurig in zorg bij de GGZ in verband met psychotische problematiek waarvoor hij al jaren medicamenteus behandeld wordt.\n\nDe conclusie van de psychiaters luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van de psychische stoornis schizofrenie, een psychotische stoornis met akoestische hallucinaties en waanideeën. Tevens heeft hij een stoornis in het gebruik van amfetamine en cocaïne.\n\nVerdachte had op het moment van het ten laste gelegde vanuit zijn schizofrenie een psychotisch toestandsbeeld, waarin hij in zijn hoofd de stem van Mehmed hoorde en meende dat hij door hem werd beïnvloed middels voodoo en een chip in zijn hoofd. Deze beleving veroorzaakte bij verdachte zodanige psychische lijdensdruk dat hij wilde dat het zou stoppen. Hij was boos en wanhopig en zag het stichten van een brand in een portiek als enige manier om de stemmen te doen stoppen, waarmee hij meende Mehmed te waarschuwen. Door de verstoorde realiteitstoetsing als gevolg van het psychotische toestandsbeeld was verdachte niet in staat de gevaren en mogelijke gevolgen van de brandstichting in te schatten en te overzien, waardoor hij deze handeling niet als gevaarlijk beschouwde. Mogelijk had verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde middelen gebruikt, maar de psychiaters menen dat dit niet van (doorslaggevend) belang is geweest voor het ten laste gelegde, omdat verdachte ook zonder middelengebruik psychotisch is. Omdat zijn oordeelsvermogen zeer ernstig was verstoord en hij de mogelijke gevolgen van zijn handelingen niet kon overzien, adviseren onderzoekers om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen. Zolang de psychotische overtuigingen van verdachte niet afnemen blijft de mogelijkheid bestaan dat hij opnieuw zal handelen vanuit dezelfde verstoorde realiteitsbeleving. Op basis van deze overwegingen schatten de psychiaters het risico op recidive in als hoog als verdachte een psychotisch toestandsbeeld heeft. Bij adequate behandeling, abstinentie van middelen en passende begeleiding kan het risico lager worden, waarbij wel rekening gehouden moet worden met zijn blijvende kwetsbaarheid voor psychotische ontregeling. Het advies van de psychiaters is\n\nom verdachte te behandelen in het kader van een tbs met voorwaarden.\n\nAdvies reclassering\n\nDe reclassering heeft een rapportage over verdachte opgemaakt op 28 april 2026. De reclassering rapporteert, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende. Er is enig ziektebesef bij verdachte aangaande het psychotische toestandsbeeld, welke naar zijn zeggen sinds 2012 aanwezig is, maar het ziekte-inzicht ontbreekt. Verdachte erkent de psychotische symptomen en wil hiervoor ook behandeling zodat het stopt. Hij erkent echter niet dat zij onderdeel zijn van een psychiatrische stoornis.\n\nHet contact met de GGZ ambulant, het gebruik van medicatie en het begeleid wonen is onvoldoende gebleken om te komen tot een stabiele situatie. Verdachte is niet behandeltrouw en stelt zich zorgmijdend op, waarmee hij zich onttrekt aan behandeling en begeleiding. Klinische behandeling voor de psychiatrische- en verslavingsproblematiek gevolgd door een geleidelijke uitstroom, naar ambulante behandeling in combinatie met beschermd wonen, ziet de reclassering als noodzakelijk vanwege de ernst van de problematiek en recidive risico. Daarbij zal ook gezocht moet worden naar effectieve medicamenteuze behandeling.\n\nAls beschermende factoren ziet de reclassering dat verdachte onder bewind staat, meerdere jaren binnen de maatschappelijke opvang woont, contact heeft met de GGZ en open staat voor klinische behandeling.\n\nVerdachte kan worden opgenomen binnen de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) te [plaats]. Vanuit reclasseringsoogpunt is er enige twijfel of behandeling op het niveau van een FPA passend is. Indien noodzakelijk kan alsnog worden opgeschaald naar een FPK. De beoogde FPA heeft aangegeven dat zij voldoende behandelmogelijkheden zien en voldoende structuur kunnen bieden. Desondanks ziet de reclassering dit als aandachtspunt.\n\nGelet op zijn ambivalente motivatie en houding ten opzichte van behandeling, medicatie inname en begeleiding acht de reclassering een stevig forensisch kader noodzakelijk. Verdachte blijkt open te staan voor een klinische behandeling vanuit tbs met voorwaarden. Binnen de huidige structuur van de PI is stabiliteitsgroei zichtbaar ten aanzien van het psychosociale functioneren. Verdachte heeft niet eerdere een forensische (klinische) GGZ-behandeling gehad. Derhalve ziet de reclassering een behandeltraject vanuit tbs met voorwaarden als passend. De voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\nDaarnaast adviseert de reclassering een GVM op te leggen.\n\nDe maatregel tbs met voorwaarden\n\nOmdat verdachte vanwege de psychose waarin hij verkeerde ten tijde van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan verdachte geen straf worden opgelegd. Wel bestaat de mogelijkheid om de maatregel van tbs op te leggen. De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen. De verdediging heeft hier, bij bewezenverklaring van het primaire feit, ook om verzocht. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde brandstichting een misdrijf is waarvoor op grond van artikel 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is.\n\nDe rechtbank neemt de onderbouwde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot haar eigen oordeel. Uit de rapportages van de psychiaters blijkt dat tijdens het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose. Als gevolg hiervan leed verdachte aan wanen en hallucinaties. Hij was boos en wanhopig en zag het stichten van brand als enige oplossing voor het stoppen van de stemmen in zijn hoofd. Zijn waarneming, denken en handelen werden ten tijde van het ten laste gelegde volledig bepaald door dit psychotische toestandsbeeld.\n\nDe psychiaters achten het recidiverisico hoog. Het belangrijkste risico voor recidive is dat verdachte (opnieuw) psychotisch wordt. De deskundigen concluderen dat een intensieve behandeling noodzakelijk is om het recidiverisico terug te dringen. De behandeling moet gericht zijn op het laten verbleken van de huidige psychose en het voorkomen van een nieuwe psychotische ontregeling. Speerpunt binnen deze behandeling van de schizofrenie is de behandeling met antipsychotica, maar er zou ook gedacht moeten worden aan psycho-educatie over psychotische stoornissen en therapie waarbij verdachte leert omgaan met de akoestische hallucinaties. Als hij voldoende is gestabiliseerd is een delict-analyse geïndiceerd.\n\nDaarnaast is behandeling van het middelengebruik noodzakelijk. Binnen een behandeling zal bepaald moeten worden welke begeleiding hij nodig heeft en wat voor soort woonvorm geschikt voor hem is, met aandacht voor dagbesteding en zijn netwerk. Voor genoemde behandeling is een behandeling met een klinisch begin het meest passend. Het advies van de psychiaters is om verdachte te behandelen in het kader van een tbs met\n\nvoorwaarden.\n\nDe reclassering schat de kans op recidive in als hoog en komt eveneens tot de conclusie dat eerst een klinische behandeling noodzakelijk is. De reclassering adviseert daarom een tbs met voorwaarden op te leggen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de hierboven besproken rapporten heeft verdachte te maken met zodanige problematiek dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Het risico op recidive op de lange termijn wordt door alle deskundigen ingeschat als hoog als passende behandeling (inclusief medicamenteuze behandeling) en begeleiding ontbreken.\n\nVerdachte heeft zich ter terechtzitting op 12 mei 2026 bereid verklaard mee te werken aan de geformuleerde voorwaarden. Het voorgaande maakt dat aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank de oplegging van de tbs met voorwaarden passend en noodzakelijk. De rechtbank zal de maatregel met de daarbij in het dictum vermelde voorwaarden opleggen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nGelet op het belang van behandeling van verdachte en de bescherming van de maatschappij ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 38, zesde lid Sr en zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden bevelen.\n\nMaatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om een GVM op te leggen, gezien de ernst en ingrijpendheid van de tbs-maatregel die al wordt opgelegd. Een GVM vormt een ingrijpende maatregel die de rechtbank in het onderhavige geval niet passend en noodzakelijk acht.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a en 157 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel\n\nten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:\n\ndat veroordeelde zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\ndat veroordeelde meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\nVeroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;\n\nVeroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien;\n\nVeroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\nVeroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;\n\nVeroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;\n\nVeroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\nVeroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\nVeroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;\n\n3. dat veroordeelde, als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, voor een time-out kan worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n4. dat veroordeelde niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;\n\n5. dat veroordeelde zich laat opnemen in en behandelen door GGZ Friesland, locatie [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start\n\nop 26 mei 2026. Veroordeelde dient op de opnamedag (26 mei 2026) door DV&O te worden vervoerd naar de kliniek.De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en\u002Fof andere bijkomende problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n6. dat veroordeelde zich gedurende de terbeschikkingstelling laat behandelen door een forensische GGZ-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;\n\n7. dat veroordeelde zich houdt aan de voorschriften van de medicatie (antipsychotica) en meewerkt aan controles;\n\n8. dat veroordeelde gedurende de terbeschikkingstelling verblijft binnen de maatschappelijke opvang van Wender te Emmen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start op een door de reclassering nader vast te stellen startmoment. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering\n\nopstelt.\n\n9. dat veroordeelde geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n10. dat veroordeelde geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles (urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof speekseltest). De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n11. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;\n\n12. dat veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk, op de wijze die de reclassering aangeeft.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering de veroordeelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.\n\nBeveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nHeft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 26 mei 2026, op het moment dat verdachte door DV&O naar de FPA te [plaats] kan worden gebracht.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.\n\nMr. C.A.M. Veenbaas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2637","2026-07-13T00:28:31.586Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":36,"updatedAt":86},"975","ECLI:NL:GHARL:2026:800","ecli-nl-gharl-2026-800","2026-02-10T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000723-25\n\nUitspraakdatum: 10 februari 2026\n\nTEGENSPRAAKONTNEMINGSZAAK\n\nTussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 februari 2025 met parketnummer 18-245590-21 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen\n\n [Naam Verdachte] ,\n\ngeboren op [Geboortedatum] 1984 in [Geboorteplaats] ,\n\nverblijvende aan [Adres] .\n\nHoger beroep\n\nBetrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nHet hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 januari 2026 en wat op de zitting van de rechtbank Noord-Nederland besproken is.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank inhoudende een betalingsverplichting aan de Staat van € 270.682,28. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, hebben aangevoerd.\n\nVerduidelijking LFO-rapport\n\nTijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft het rapport’ berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling’ (opgesteld door de politie met nr. [Kenmerk 1] , d.d. [Kenmerk 1] ) als uitgangspunt voor haar vaststellingen genomen. Deze ‘ontnemingsrapportage’ is in belangrijke mate gebaseerd op het proces-verbaal van de Landelijke eenheid, dienst landelijke operationele samenwerking, landelijk forensisch servicecentrum, landelijke faciliteit ontmantelen (hierna: LFO) van 8 november 2021, dossierpagina’s 356 e.v. Het LFO maakt op pagina 361 en 379 melding van een aangetroffen kartonnen deksel met daarop een tekst. Het LFO duidt een en ander als “handgeschreven administratie” en “vermoedelijk opbrengst proces”. In de ontnemingsrapportage wordt vervolgens gesteld dat uit het proces-verbaal van het LFO naar voren komt “dat er op de locatie [Locatie] naar schatting zeker 3 maal eerder amfetamine-olie is gedestilleerd. Het gaat hier om 195 + 171 + 152,5 liter = in totaal 518.5 liter amfetamine olie. (…) Deze aantallen werden aangetroffen op een notitie welke in het drugslaboratorium werd aangetroffen.”\n\nDe verdediging heeft betoogd dat uit de beschreven notitie niet de hiervoor genoemde conclusies in verband met het aantal geproduceerde liters amfetamine-olie kunnen worden getrokken. Onduidelijk is waar de getallen op zien. Met name is onduidelijk waarom het om liters zou gaan en op welke (grond)stoffen de getallen zouden zien. Ter zitting heeft betrokkene zelf verklaard dat de hoeveelheden die in de notitie opgenomen zijn, de mogelijke maximale opbrengst zou kunnen zijn, wanneer alle chemicaliën tot amfetamine-olie zouden zijn verwerkt en er geen zou zijn geweest van een ‘mislukte batch’. Nu daarvan volgens betrokkene wel sprake was, kan een en ander niet de conclusie dragen dat het gaat om geproduceerde liters amfetamine olie.\n\nDe duiding van de getallen op de aangetroffen deksel is naar het oordeel van het hof cruciaal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof kan op basis van de nu beschikbare informatie niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wat de betekenis is van de aangetroffen getallen. Het hof vindt het daarom noodzakelijk zich nader voor te laten lichten door het LFO over de aangetroffen notitie. Daarbij wil het hof in het bijzonder worden voorgelicht over de vraag\n\nop basis waarvan het LFO de “handgeschreven administratie” bestempelt als “vermoedelijk opbrengst proces”\n\nop welke wijze de op de deksel weergegeven getallen in het in de ontnemingsrapportage beschreven productieproces van amfetamine-olie passen en\n\nop welke (grond)stoffen en eenheden die getallen mogelijk zien en\n\nhoe waarschijnlijk het is dat de getallen zien op de eenheid ‘liter’.\n\nGelet op het voorgaande bepaalt het hof dat het onderzoek wordt heropend en de stukken in handen van de advocaat-generaal worden gesteld met de opdracht het LFO een nader proces-verbaal van bevindingen op te laten stellen, met inachtneming van het bovenstaande.\n\nOnderzoekswensen\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting van het hof verzocht een tweetal getuigen te horen, te weten:\n\n [Medeverdachte 1] ;\n\n [Medeverdachte 2] .\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat deze getuigen betrokken waren bij de amfetamineproductie en op de hoogte zouden moeten zijn van de mate van betrokkenheid van betrokkene, en de al dan niet gerealiseerde hoeveelheid van het eindproduct amfetamine-olie. Daarnaast kunnen zij verklaren over de door het openbaar ministerie gehanteerde berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het horen van de twee getuigen moet worden afgewezen, omdat de noodzaak tot het horen niet is gebleken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof toetst het verzoek tot het horen van de getuigen aan het noodzakelijkheidscriterium. In het licht van de onderbouwing van het verzoek op de zitting van het hof, en de vragen die zijn gerezen over de duiding van de tekst op de kartonnen deksel, acht het hof het horen van de getuigen noodzakelijk. Het hof wijst toe het verzoek tot het horen van de getuigen\n\n- [Getuige 1] en\n\n- [Getuige 2]\n\nHet hof merkt hierbij op dat de getuigen pas moeten worden gehoord nadat een nader proces-verbaal van het LFO beschikbaar is gekomen.\n\nTen aanzien van [Getuige 1] , geldt dat dat het verhoor niet hoeft te worden georganiseerd wanneer deze getuige vooraf, al dan niet via zijn raadsman, laat weten zich op zijn verschoningsrecht te beroepen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nHeropent het onderzoek en schorst dat onderzoek direct voor onbepaalde tijd.\n\nStelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met de opdracht LFO een nader proces-verbaal te laten opmaken zoals hiervoor omschreven.\n\nStelt de stukken aansluitend in handen van de raadsheer-commissaris om als getuigen te horen: [Getuige 1] en [Getuige 2]\n\nBepaalt dat het onderzoek wordt voortgezet op een nog te bepalen zitting.\n\nBeveelt dat betrokkene wordt opgeroepen tegen het nog te bepalen tijdstip en de raadsvrouw van betrokkene hierover tijdig wordt geïnformeerd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. M.B. de Wit en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 februari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:800","2026-02-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.156Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":36,"updatedAt":95},"896","ECLI:NL:GHARL:2026:401","ecli-nl-gharl-2026-401","2026-01-22T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003917-25\n\nUitspraakdatum: 22 januari 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2025 met parketnummer 16-160266-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-091091-21, in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ( [land] ),\n\nop dit moment verblijvende in [instelling] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nHet hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:\n\nhet niet-ontvankelijk verklaren van verdachte in het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 2;\n\nbevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 467 dagen, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege (hierna genoemd als tbs met dwangverpleging) van ongemaximeerde duur; en\n\ntoewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Bruns, hebben aangevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep feit 2\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak van feit 2.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:\n\nvrijspraak van feit 2;\n\nbewezenverklaring van de feiten 1 primair en 3;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van tbs met dwangverpleging;\n\nafwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging; en\n\nonttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.\n\nHet hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd ten aanzien van feit 2. Aan verdachte is – voor zover nog in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, te steken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) te maken;\n\nfeit 3\n\nhij op of omstreeks 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht en tegen de hals\u002Fnek te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsmiddelen\n\nHet hof past de volgende bewijsmiddelentoe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof kan zich in het grootste deel van de bewijsmiddelen van de rechtbank vinden. Het hof heeft zich daarom bij de gebruikte bewijsmiddelen zoveel mogelijk aangesloten bij de bewijsmiddelen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\n1. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik op 11 mei 2024 op de [straatnaam 1] in [plaats] was met de scooter en dat aangever [aangever] daar ook was. Ik liep naar de coffeeshop toe. Ik heb aangever ergens bij de coffeeshop gezien. Aangever was uit zijn auto en rende naar zijn auto. Ik stond met mijn scooter op de parkeerplaats bij de uitgang van de parkeerplaats. Hij reed om mij heen. Ik ben naar hem toe gerend.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgenomen op pagina 32 en 33 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVanavond (het hof begrijpt: 11 mei 2024)zat ik met mijn vriendin en schoonzusje in mijn auto. Wij stonden op de parkeerplaats naast de coffeeshop geparkeerd op de [straatnaam 2] (het hof begrijpt: in [plaats] ). Ik zag dat de man naar ons toe kwam rijden op een scooter. Ik zag dat hij naar mijn bestuurderszijde aangereden kwam waar ik zat. Ik zag dat hij een mes pakte vanuit zijn broek. Ik zag dat hij hem met zijn rechterhand trok en meteen een stekende beweging in mijn richting maakte. Ik zag dat hij op dat moment praktisch tegen mijn portier aanstond. Gelukkig had ik mijn auto stationair lopen waardoor ik meteen gas gaf om weg te kunnen vluchten. Daardoor kon ik erger voorkomen, want anders had het mes mij zeker geraakt. Ik kan het mes als volgt omschrijven: groot keukenmes, lemmet ongeveer 18 à 20 centimeter.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever] , opgenomen op pagina 35 en 36, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVan mijn auto waren de ramen van de bestuurder en die van de passagier naast de bestuurder geopend. De deuren waren gesloten. De man (het hof begrijpt: verdachte) stond aan de bestuurderskant en leunde met zijn rechterheup tegen de middenstijl van de auto. Dat is ongeveer ter hoogte van de gordel van de bestuurder. Ik schrok dat hij zo dichtbij stond. Hij trok het mes ergens bij zijn broeksband vandaan. Vervolgens maakte hij met het mes een stekende beweging richting mij. Deze beweging was een rechte beweging waarbij de man zijn arm strekte en dus met de punt van het mes richting mij stak. Het mes stak hij door de opening van het raam die ontstaan was omdat ik mijn raam naar beneden had. Hij kon maar één stekende beweging maken, omdat ik vervolgens meteen vol gas kon geven om we te rijden. Ik zag wel in de spiegel dat hij op zijn scooter stapte en achter ons aan wilde rijden.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :\n\nVraag van de raadsvrouw van verdachte: We hebben camerabeelden van de parkeerplaats in het dossier zitten. Daarop is te zien dat u lopend weggaat bij de auto, maar dat u even later terug naar de auto rent. Waarom rende u?\n\nAntwoord getuige: Ik herkende hem (het hof begrijpt: verdachte). Ik heb eerder een voorval met hem gehad. Ik wilde daar gewoon weg. Hij stond bij de uitgang met een scooter. Ik reed richting de uitgang, want dat is de enige uitgang van de parkeerplaats. Ik rijd weg en hij volgt met de scooter. Ik moest stoppen voor het verkeer. Ik zag hem op een gegeven moment naast mij staan. Hij stak de auto in en ik gaf toen een beste berg gas.\n\n5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige1] , opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige1] :\n\nOp 11 mei 2024 was ik samen met mijn vriend [aangever] en mijn zusje [getuige2] op pad in de auto van [aangever] . [aangever] bestuurde het voertuig, ik zat op de bijrijdersstoel en mijn zusje [getuige2] zat achterin op de achterbank. Wij bevonden ons op de parkeerplaats naast de coffeeshop aan de [straatnaam 1] in [plaats] . Wij reden van de parkeerplaats af, in de richting van de [straatnaam 1] te [plaats] . Op dit moment zag ik een persoon (het hof begrijpt: verdachte)op een snorfiets achter ons aanrijden. Ik zag dat de persoon richting ons voertuig liep en tegelijkertijd een mes uit zijn broeksband haalde. Ik zag dat de persoon met een dreigende houding en met getrokken mes in zijn rechterhand, richting de bestuurderszijde van ons voertuig liep. Ik zag dat de persoon op een gegeven moment een stekende beweging met dit mes maakte in de richting van [aangever] . De persoon stak met zijn mes door het geopende raam van [aangever] heen. Ik zag dat de steekbeweging met het mes in de richting van de borst van [aangever] wendde. Ik denk dat het mes op het heftigste moment ongeveer vijftien centimeter van de borst van [aangever] verwijderd was. Ik kan het mes van de persoon als volgt omschrijven: een keukenmes, ongeveer 30 centimeter lang inclusief handvat.\n\n6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige2] :\n\nIk heb gezien dat de man (het hof begrijpt: verdachte) een mes in zijn handen had en dat hij wilde steken. Ik heb het mes gezien, maar heel snel. Het ging snel.Feit 3\n\n1. De verklaring van verdachte op de zitting van de rechtbank van 22 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik die medewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) klappen heb gegeven.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer 030084608, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer 030084608:\n\nOp 19 mei 2024 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Op een\n\ngegeven moment liep Ergün (het hof begrijpt: verdachte), langs mijn collega, [dienstnummer1] , toen hij hem naderde gaf hij hem een bodycheck, hiermee bedoel ik dat hij langs hem heenliep en expres tegen zijn schouder aanliep. Wij ging met z'n drieën naar de cel. Mijn collega, [dienstnummer1] , stond in de deuropening van de cel en sprak de gedetineerde aan op zijn gedrag. Ik zag dat de gedetineerde dichter bij hem ging staan. Geheel onverwachts gaf de\n\ngedetineerde hem twee vuistslagen in zijn gezicht. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervuist. Ik zag dat hij mijn collega op zijn gezicht raakte net onder zijn oog.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant] , opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als bevindingen:\n\nMedewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) kreeg meerdere klappen te verduren op zijn aangezicht en hals. Als gevolg daarvan had de medewerker er een opgezwollen jukbeen en lip aan overgehouden. Ook had de medewerker een bebloede lip en bloed in zijn mond. Ook zijn de gevolgen voor de medewerker dat hij last heeft van zijn nek.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer [dienstnummer2] , opgenomen op pagina 99 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer [dienstnummer1] :\n\nIk was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Geheel onverwachts zag ik dat de gedetineerde (het hof begrijpt: verdachte) uithaalde naar mijn collega met nummer [dienstnummer1] . Ik zag dat hij hem sloeg, ik denk dat het twee keer was. Ik zag dat hij mijn collega in zijn gezicht raakte. Ik zag later dat mijn collega een schram net onder zijn oog had.\n\nBewijsoverweging\n\nIn hoger beroep is het strafrechtelijke verwijt aan verdachte een poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging (feit 1) en een mishandeling (feit 3). Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Verdachte verklaart te zijn bedreigd door aangever. Hij ontkent dat hij een mes bij zich had en geprobeerd heeft verdachte te steken.\n\nDe raadsvrouw voert geen verweer over feit 3. De verdediging laat de beslissing hierover aan het hof.\n\nHet hof oordeelt dat de rechtbank in het vonnis bij de beslissingen over de feiten de juiste afweging heeft gemaakt. Het hof baseert de bewijsoverwegingen dan ook grotendeels op de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\nFeit 1 primair is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 11 mei 2024 opzettelijk geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door te steken met een mes naar het lichaam van aangever.\n\nHet hof heeft op basis van de inhoud van het dossier bij de beoordeling van dit feit de volgende feiten – waaronder de context – in overweging genomen. Aangever zat als bestuurder in zijn auto. Hij stond met zijn auto op de parkeerplaats bij een coffeeshop in [plaats] . De ramen van de auto waren geopend vanwege de warmte die dag. Verdachte was met zijn scooter ook op deze parkeerplaats. Aangever herkende verdachte van een eerdere confrontatie. Aangever wilde met zijn auto wegrijden vanaf de parkeerplaats om weg te komen. Bij het wegrijden moest aangever even wachten en stilstaan. Vervolgens kwam verdachte op een naar de auto van aangever toe en stond daar dreigend, hij haalde uit zijn broekband een groot keukenmes. Door het openstaande raam van de auto heen maakte verdachte met dit mes een stekende beweging in de richting van het lichaam aangever. De verklaringen over deze gebeurtenissen van aangever en de personen die bij aangever in de auto zaten komen in essentie overeen.\n\nHet dossier, meer specifiek daarin: de camerabeelden, geeft geen enkel aanknopingspunt voor de verklaring van verdachte, namelijk dat aangever verdachte zou hebben bedreigd op de parkeerplaats. Het hof heeft ook geen enkele reden om aan de verklaringen van aangever en de getuigen te twijfelen. Aangever is direct na het incident gehoord door de politie. De getuigen beschrijven dat het incident erg snel verliep. Dat kan heel goed verklaren waardoor er wat de details in de verklaringen betreft onderlinge verschillen zitten tussen deze verklaringen. Het hof heeft daarnaast gezien dat aangever en de getuigen, die zich voor en achter in de auto van aangever bevonden, ieder voor zich vanuit eigen gezichtspunt verklaren. Het hof ziet geen aanwijzingen dat onderling is afgestemd tussen aangever en de getuigen en het hof vindt deze verklaringen dan ook betrouwbaar.\n\nVervolgens is het de vraag of verdachte met zijn handelen geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien. Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en\u002Fof het uitzicht op (volledig) herstel.\n\nHet hof oordeelt dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het steken van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte trok een groot keukenmes uit zijn broeksband en maakte meteen daarop met dat grote mes een stekende beweging richting de borst van aangever, die achter het stuur van zijn op dat moment net stilstaande auto zat. Aangever heeft direct gas gegeven om weg te komen. Het mes heeft de borst van aangever genaderd tot een afstand van 15 centimeter. In en om de borststreek zitten vitale delen van het lichaam. Wanneer deze geraakt worden, kan dat zwaar lichamelijk letsel opleveren. Ondanks dat heeft verdachte gehandeld zoals hij heeft gedaan. Het hof heeft in aanmerking genomen dat verdachte op een zeer agressieve wijze een groot mes in de auto heeft gestoken in de directe nabijheid van de borstkas van aangever. Op basis van hoe de gedragingen van verdachte eruitzien, stelt het hof vast dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nFeit 3\n\nFeit 3 is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 19 mei 2024 een medewerker van de P.I. [plaats] heeft mishandeld door hem twee vuistslagen in het gezicht te geven. Hierdoor had de medewerker het volgende letsel opgelopen: een opgezwollen lip en jukbeen, een bebloede lip en bloed in de mond, een schram in het gezicht en last van de nek.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 3\n\nhij op 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht te geven.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is van 10 februari 2025 tot 21 maart 2025 voor zes weken opgenomen en geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hierover is op 14 mei 2025 een Pro Justitia rapport uitgebracht, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nVerdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het PBC-onderzoek. Desondanks hebben de onderzoekers zich een indruk kunnen vormen van de psychische toestand van verdachte. Dit werd mogelijk door de uitvoerige observaties van de groepsleiding in het PBC, het forensisch milieurapport met informatie over zijn eerdere delicten en detentie en de gegevens uit het eerdere PBC-onderzoek van 2020. Ook de klinische indrukken van de onderzoekers waren, hoewel beperkt, informatief.\n\nHet PBC-rapport houdt onder andere in dat bij verdachte sprake is van een samenhangend beeld van beperkingen op meerdere gebieden: ze stellen een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken vast. Deze stoornissen zijn chronisch van aard en waren hoogstwaarschijnlijk ook aanwezig tijdens het plegen van de tenlastegelegde feiten. Het is ondenkbaar dat zijn psychotische symptomen, gestoorde agressiehuishouding, beperkt verstandelijk functioneren en\u002Fof persoonlijkheidspathologie geen rol zou kunnen hebben gespeeld. De rapporteurs komen tot het advies om de ten laste gelegde feiten in ieder geval verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Deze waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed bij de bewezenverklaarde feiten. Daarom kunnen de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.\n\nHet hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nDe aard en de ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. In beide gevallen is verdachte zonder enige aanleiding onverwachts en ernstig over de schreef gegaan door ineens geweld te gebruiken. Bij beide feiten heeft verdachte de slachtoffers angst aangejaagd en gezorgd voor een gevoel van onveiligheid. Dit soort feiten hebben vaak een grote en langdurige impact op de slachtoffers en op eventuele omstanders. Aangever [aangever] (feit 1) is er zonder letsel vanaf gekomen, maar dit had heel anders kunnen aflopen. In zijn aangifte beschrijft hij dat hij een tijd angstig is geweest, zich soms niet veilig voelde en dat het feit hem ook wakker heeft gehouden. Bij feit 2 is het kwalijk dat het slachtoffer een medewerker van de P.I. is. Hij deed gewoon zijn werk en heeft daarbij door toedoen van verdachte letsel aan zijn gezicht overgehouden.\n\nDe persoon van verdachte\n\nHet hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 10 december 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Uit zijn strafblad is een patroon van geweld af te leiden. Dit geweld was ook regelmatig gericht tegen mensen die hun werk uitoefenden. Daarnaast is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het bezit van steekwapens.\n\nUit het PBC-rapport van 14 mei 2025 volgt dat in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een fors agressieregulatieprobleem. Agressief gedrag lijkt soms psychotisch gemotiveerd: vanuit achterdocht en gevoelens van angst en dreiging. Op andere momenten lijkt zijn beperkt verstandelijk functioneren een rol te spelen en loopt de spanning op vanuit onbegrip en gebrek aan overzicht op situaties. Ook zijn gebrekkige frustratietolerantie, moeite met grenzen en onvermogen om zijn agressie te reguleren speelt vaak een rol. En er is geregeld sprake van instrumenteel, meer intentioneel geweld, vanuit wraakzucht (vergelding) of verheerlijking van geweld.\n\nVolgens de deskundigen is bij verdachte sprake van chronische, onbehandelde en meervoudige psychische problematiek. Behandeling, eventueel inclusief het instellen op psychofarmaca, is noodzakelijk om het risico op recidive te verkleinen. Voor een gerichte behandeling is nadere diagnostiek nodig naar de aard en ernst van de psychopathologie, evenals naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek.\n\nDe rapporteurs van het PBC spreken van een hoog risico op herhaling. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt zonder behandeling van de psychische problemen als hoog ingeschat. Ook het risico dat verdachte zich na detentie opnieuw gaat bewapenen wordt als hoog ingeschat. Gelet op de forse psychopathologie in combinatie met aanwijzingen voor verheerlijking van geweld, wordt de kans op escalatie in nog ernstigere delicten ook als hoog ingeschat.\n\nDe behandeling van verdachte zal zich moeten richten op het verminderen van psychotische klachten met medicatie en structuur, het aanleren van emotieregulatie- en sociale vaardigheden, het terugdringen van middelengebruik en het bieden van intensieve begeleiding passend bij zijn verstandelijke beperking en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek.\n\nVerdachte toont geen ziektebesef of -inzicht, ook niet in hoger beroep. Dit zal de behandeling naar verwachting bemoeilijken. Zijn psychische toestand is op dit moment instabiel, met een hoog risico op plotseling en ernstig geweld richting anderen. Om deze redenen is plaatsing in een klinische, sterk gestructureerde forensische setting met zeer hoog beveiligingsniveau en expertise op het gebied van verstandelijke beperking noodzakelijk.\n\nVoor het uitvoeren van de beschreven interventieadviezen achten de deskundigen tbs met dwangverpleging noodzakelijk.\n\nDe reclassering sluit zich in het rapport van 10 juni 2025 aan bij de door het PBC geadviseerde tbs met dwangverpleging. De reclassering acht toezicht, behandeling en begeleiding van verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet haalbaar. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Het verleden van verdachte met ernstige geweldsdelicten, de complexe problematiek, het beperkte probleeminzicht, het gewelddadige verloop van zijn detenties en zijn weigerende houding, in combinatie met de aanwijzingen voor het verheerlijken van geweld maakt dat de reclassering ernstige zorgen heeft over de risico's voor derden. Zij zijn dan ook van mening dat een tbs maatregel met voorwaarden onvoldoende veiligheid en kader biedt en sprake is van een hoog afbreukrisico.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen.\n\nOplegging gevangenisstraf\n\nDe strafoplegging van de rechtbank ziet het hof ook als passend en noodzakelijk. Hierbij heeft het hof met name de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de omstandigheid dat verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het feit dat het slachtoffer van feit 3 een medewerker van de P.I. is meegewogen. Hierbij houdt het hof – net als de rechtbank – in strafverminderende zin rekening met het gegeven dat de feiten, zoals hiervoor onder ‘Strafbaarheid van verdachte’ is overwogen, in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. In wat door de raadsvrouw is aangevoerd over de op te leggen gevangenisstraf ziet het hof geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf.\n\nGelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof net als de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.\n\nDe tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.\n\nOplegging Tbs-maatregel met dwangverpleging\n\nHet hof stelt voorop dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, in de zin dat:\n\nsprake is van een tbs-waardig delict: de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is een misdrijf waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld;\n\nis vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van dit delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken;\n\nde veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium); en\n\nhet hof beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.\n\nHet hof schat het herhalingsgevaar en daarmee het gevaar dat verdachte vormt voor de veiligheid van anderen als hoog in. De rapporteurs van het PBC hebben aangegeven dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. De deskundigen achten tbs met dwangverpleging noodzakelijk voor de behandeling en begeleiding van verdachte om het hoge recidiverisico af te wenden. Het hof acht de conclusies van de deskundigen navolgbaar en zal deze volgen.\n\nAnders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de tbs-maatregel de enige maatregel is die de mogelijkheid geeft om het gevaar dat van verdachte uitgaat en het bijbehorende recidiverisico te beperken. Oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals voorgesteld door de raadsvrouw volstaat niet om het recidiverisico op een verantwoorde wijze te beperken. De oplegging van de tbs-maatregel is daarvoor de enige en passende mogelijkheid.\n\nAlles overwegende gelast het hof de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt het hof dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe totale duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd nu verdachte wordt veroordeeld voor een misdrijf d dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De tbs-maatregel kan daarmee langer duren dan 4 jaar.\n\nOplegging van tbs bij vreemdelingen\n\nDe rechtbank overweegt in het vonnis van 5 september 2025 als volgt over het verweer van de raadsvrouw over de oplegging van tbs bij vreemdelingen:\n\n“Oplegging van een tbs-maatregel is verenigbaar met de status van ongewenst vreemdeling. Ook bij vreemdelingen kan sprake zijn van een noodzaak tot behandeling in een tbs-kader ter beveiliging van de maatschappij. De achterliggende doelstelling bij een tbs-maatregel – om de verpleegde voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving – impliceert niet noodzakelijk dat deze terugkeer zou dienen plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. De\n\nre-integratie kan ook gericht zijn op terugkeer in het land van herkomst, in dit geval [land] .\n\nDe rechtbank acht het van groot belang dat aan verdachte de tbs maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat verdachte — bij een onbehandelde invrijheidstelling en repatriëring naar [land] — na enige tijd weer terugkeert naar Nederland en dus in Nederland een gevaar vormt voor de maatschappij. Verdachte woont immers sinds zijn zestiende in Nederland, zijn vader woont hier ook en verdachte spreekt de Nederlandse taal goed.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat het vinden van een passende voorziening in [land] lastig kan zijn. Per geval zullen de autoriteiten moeten bepalen of de algemeen beschikbare zorg in de ontvangende staat toereikend en passend is om de stoornis(sen) te behandelen. Het vinden van passende zorg voor verdachte in [land] is echter niet uitgesloten, dat volgt ook niet uit het door de raadsvrouw aangehaalde rapport van de RSJ. Er bestaat dan ook een reële kans op repatriëring. De kans dat verdachte langer op repatriëring moet wachten dan nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.”\n\nDe rechtbank heeft een juiste afweging gemaakt. Het hof neemt deze overwegingen over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nDe oplegging van een tbs-maatregel aan verdachte als ongewenst verklaarde vreemdeling heeft gevolgen voor de tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel. Zo zal verdachte niet in aanmerking komen voor resocialisatie in de Nederlandse samenleving in de vorm van verloven.\n\nDit zal echter afgewogen moeten worden tegen het belang van de samenleving om beschermd te worden tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. ‘De samenleving’ is niet beperkt tot de grenzen van Nederland en ziet op een bredere groep personen. Het gaat bij de oplegging van een tbs-maatregel om het beschermen van de mensen om een verdachte heen waarmee verdachte in aanraking kan komen. Het gaat om bescherming van personen waar dan ook.\n\nUit de PBC-rapporten volgt dat – ondanks het beperkte onderzoek dat vanwege de weigering van verdachte kon worden uitgevoerd – de deskundigen concluderen dat verdachte vanwege zijn psychische problematiek zonder behandeling een gevaar is voor andere personen. Op de zitting van het hof van 8 januari 2026 is gebleken dat verdachte sinds oktober 2025 anti-psychotische medicatie krijgt via dwangmedicatie in detentie. Verdachte heeft medicatie en doeltreffende behandeling nodig om te voorkomen dat hij weer in agressief gedrag vervalt, zo blijkt uit het PBC-rapport. Verdachte heeft geen\n\nziekte-inzicht en stelt zich niet open voor medicatie en behandeling. Op de zitting van het hof bevestigt verdachte dat uitdrukkelijk door te verklaren dat niet echt is vastgesteld dat hij psychische problemen heeft en dat hij bijvoorbeeld in [land] geen medicatie wil en zal gebruiken.\n\nHet voorgaande maakt dat het hof in het geval van verdachte geen andere mogelijkheid ziet om de samenleving voldoende te beschermen dan door het opleggen van de tbs-maatregel. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.\n\nBeslag\n\nOp de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van het onder hem in beslag genomen mes (goednummer 3345526). Het is daarom niet meer nodig dat het hof een beslissing neemt over dit mes.\n\nVordering tot tenuitvoerlegging\n\nIn de zaak met parketnummer 01-091091-21 is verdachte op door de rechtbank veroordeeld.\n\nAan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden, nu verdachte tijdens de proeftijd van deze voorwaardelijke straf nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. In principe moet deze vordering toegewezen worden, nu verdachte gewaarschuwd was en toch nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof zal deze vordering echter toch niet toewijzen. Verdachte heeft in deze strafzaak lange tijd in voorarrest gezeten. Deze periode overstijgt ruimschoots de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof op zal leggen. Daarnaast overweegt het hof dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt. Een tbs-behandeling is (doorgaans) effectiever als de periode tussen het plegen van de strafbare feiten en de aanvang van de behandeling niet lang duurt. Gelet op het genoemde lange voorarrest, acht het hof het niet opportuun om verdachte eerst de voorwaardelijk opgelegde straf te laten ondergaan, voordat de tbs-behandeling begint.\n\nHet hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en\u002Fof maatregel is gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Midden-Nederland van 29 november 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2022, parketnummer 01-091091-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. J. Dolfing en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 januari 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 juni 2024, genummerd 2024148560 en 024159493, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit\n\nprocessen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:401","2026-01-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.503Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":36,"updatedAt":104},"838","ECLI:NL:GHARL:2026:588","ecli-nl-gharl-2026-588","2026-01-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.769\u002F01\n\nbeslissing van 15 januari 2026\n\nop het verzoek van:\n\n [naam 1] ,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het wrakingsincident,\n\nhierna: verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmrs. L.T. Wemes, F. van der Maden en R. Godthelp\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,\n\nverweerders in het wrakingsincident,\n\nhierna: verweerders.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. \n\nBij de afdeling strafrecht van dit hof is onder parketnummer 21-005292-22 een\n\nstrafzaak aanhangig waarin verzoeker verdachte is.\n\n1.2. Op 15 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling in die zaak plaatsgevonden voor de meervoudige strafkamer (hierna: de strafzitting). Op de strafzitting waren aanwezig verzoeker, een advocaat-generaal, verweerders en een griffier.\n\n1.3. Na de inleiding van de strafzitting door de voorzitter heeft verzoeker te kennen gegeven een verweer te willen voeren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De voorzitter heeft daarop meegedeeld dat dit verweer, gelet op het stadium waarin de procedure zich bevond, bij pleidooi kon worden gevoerd. Nadat de strafkamer dit standpunt na een korte schorsing heeft gehandhaafd, heeft verzoeker de behandelende raadsheren gewraakt.\n\n1.4. De voorzitter heeft daarop de behandeling van de strafzaak geschorst. Het van de strafzitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.\n\n1.5. Verweerders hebben niet in de wraking berust.\n\n1.6. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 15 januari 2026 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze mondelinge behandeling verschenen. Namens verweerders is mr. L.T. Wemes verschenen. Ook de advocaat-generaal is verschenen.\n\n1.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn verzoek mondeling toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier.\n\n1.8. Na de behandeling ter zitting heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan. De schriftelijke motivering van deze beslissing wordt hierna weergegeven.\n\n2. De beoordeling van het verzoek\n\nDe ontvankelijkheid van het verzoek\n\n2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ook overigens ontvankelijk, met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.\n\nDe gronden van het wrakingsverzoek\n\n2.2. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek gebaseerd op wat hij zelf aanduidt als een cumulatie van schendingen van zijn fundamentele verdedigingsrechten, waardoor volgens hem sprake is van een objectieve schijn van partijdigheid en geen sprake (meer) kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat hij het wrakingsverzoek niet baseert op één enkele beslissing, maar op de opeenstapeling daarvan.\n\n2.3. Kort samengevat en zakelijk weergegeven heeft verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een opeenstapeling van ingrepen in zijn verdediging, bestaande uit:\n\nhet niet mogen voeren van een preliminair verweer over de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, terwijl dit volgens verzoeker was gebaseerd op nieuwe feiten;\n\nhet volgens verzoeker structureel uithollen van zijn verdediging in een digitale zaak, doordat hij zijn verweer niet digitaal of visueel mocht voeren;\n\nhet kunstmatig samenvoegen van strafzaken en feitencomplexen;\n\nhet afwijzen van getuigenverzoeken;\n\nhet laat verstrekken van processtukken;\n\nde toepassing van de persrichtlijn, die volgens verzoeker leidt tot ongelijkheid en censuur;\n\nde context van zijn positie als klokkenluider, waardoor volgens hem sprake is van politieke vervolging.\n\nVolgens verzoeker heeft deze cumulatie tot gevolg dat de objectieve schijn van partijdigheid is ontstaan.\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\n2.4. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. De aangevoerde omstandigheden zien volgens hem op procedurele beslissingen, die binnen de wettelijke kaders en geldende richtlijnen zijn genomen en waaruit geen vooringenomenheid blijkt. Voor zover het verzoek ziet op eerdere beslissingen, waaronder de afwijzing van getuigenverzoeken, is het bovendien niet tijdig gedaan.\n\nHet standpunt van de verweerders\n\n2.5. Verweerders hebben geconcludeerd tot afwijzing. Mr. L.T. Wemes heeft namens hen toegelicht dat het door verzoeker gewenste verweer bij pleidooi kon worden gevoerd en dat verzoeker vooraf in de gelegenheid is gesteld digitaal materiaal aan te leveren. Het gebruik van eigen apparatuur voor het tonen van dat digitale materiaal is om veiligheidsredenen niet toegestaan. Volgens verweerders volgt uit geen van de aangevoerde omstandigheden dat sprake is van partijdigheid.\n\nDe inhoudelijke beoordeling van het verzoek\n\n2.6. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft eenieder – voor zover hier van belang – recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.\n\n2.7. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat dit het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.\n\n2.8. De wrakingskamer stelt voorop dat het wrakingsverzoek zijn directe aanleiding vindt in de beslissing van de strafkamer om het door verzoeker gewenste verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet als preliminair verweer toe te staan.\n\n2.9. Deze beslissing betreft een procedurele beslissing die is genomen in het licht van het stadium waarin de strafzaak zich bevond. Verzoeker is er daarbij op gewezen dat hij het verweer wél naar voren kan brengen, zij het niet aan het begin van de mondelinge behandeling, maar bij pleidooi. Uit deze beslissing of de bewoordingen waarin zij is vervat, blijkt geen oordeel over de schuld of onschuld van verzoeker en geen gesloten houding ten aanzien van zijn verweren. De wrakingskamer ziet hierin geen aanwijzing voor (de schijn van) partijdigheid. Evenmin is sprake van een beperking van het recht van verzoeker om dit verweer aan de orde te stellen.\n\n2.10. De wrakingskamer overweegt verder dat wraking niet kan dienen als verkapt rechtsmiddel tegen een onwelgevallige procedurele beslissing. De wrakingskamer beoordeelt niet de juistheid van dergelijke beslissingen. Dit is slechts anders indien de beslissing of de motivering daarvan, naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.\n\n2.11. Voor zover verzoeker zijn wrakingsverzoek mede baseert op eerdere beslissingen of een eerdere wrakingsprocedure, overweegt de wrakingskamer dat deze procedure niet is bedoeld om eerdere beslissingen of eerdere wrakingsuitspraken opnieuw ter discussie te stellen. Wraking kan daarvoor niet worden gebruikt.\n\n2.12. De door verzoeker aangevoerde punten over de wijze waarop hij zijn verweer digitaal of audiovisueel wilde presenteren en over het oproepen van getuigen betreffen eveneens procedurele beslissingen die tot de bevoegdheid van de zittingsrechter behoren. Dat verzoeker deze beslissingen ervaart als ingrijpend of als een beperking van zijn verdediging, is onvoldoende om daaruit objectief de schijn van partijdigheid af te leiden.\n\n2.13. Voor zover verzoeker zijn wrakingsverzoek mede baseert op de afwijzing van getuigenverzoeken en andere procedurele beslissingen die reeds in een eerder stadium van de strafzaak zijn genomen, geldt bovendien dat deze wrakingsgronden niet onverwijld naar voren zijn gebracht. Wrakingsgronden moeten worden aangevoerd zodra zij bekend zijn. In zoverre is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.\n\n2.14. Ten aanzien van de gelijktijdige behandeling van strafzaken geldt dat het gelijktijdig behandelen van zaken als zodanig geen aanwijzing oplevert voor (de schijn van) partijdigheid. De wrakingskamer ziet geen grond om aan te nemen dat deze keuze verband houdt met een vooringenomen opstelling jegens verzoeker.\n\n2.15. Wat verzoeker heeft aangevoerd over de toepassing van de persrichtlijn en de voorwaarden voor audiovisuele verslaggeving, levert evenmin een aanwijzing op voor (de schijn van) partijdigheid. Deze richtlijnen zijn langdurig voorbereid en gelden algemeen. Dat in dit geval uitsluitend geaccrediteerde journalisten audiovisuele opnamen mogen maken, treft verzoeker niet vanwege zijn persoon. De behandelende zittingscombinatie heeft daarop geen doorslaggevende invloed.\n\n2.16. Voor het overige, mede gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd, ziet de wrakingskamer evenmin aanleiding om te oordelen dat sprake is van feiten of omstandigheden die duiden op enige vooringenomenheid of objectief gezien die schijn wekken. Het verzoek tot wraking moet dan ook worden afgewezen.\n\n2.17. De wrakingskamer ziet in het voorgaande en gelet op een eerder door verzoeker gedaan wrakingsverzoek aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak dat berust op dezelfde gronden niet in behandeling zal worden genomen.\n\n3. De beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart het wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk;\n\nwijst voor het overige het verzoek tot wraking van mrs. L.T. Wemes, F. van der Maden en R. Godthelp af;\n\nbepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker in deze strafzaak dat berust op dezelfde gronden als in deze wrakingsprocedure aan de orde zijn, niet in behandeling zal worden genomen;\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. J.J. Beswerda, W.F. Boele en C. Coster, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026;\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).\n\nVoorzitter Griffier\n\nmr. J.J. Beswerda mr. I.E. van Zalen","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:588","2026-02-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.488Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":112},"505","ECLI:NL:RBNNE:2026:2638","ecli-nl-rbnne-2026-2638","2026-01-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18\u002F264427-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 31 december 2025 (sluiting van het onderzoek).\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Groningen en\u002Fof Roden en\u002Fof Drachten en\u002Fof Appingedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 194 tvs en\u002Fof soundbars, althans meerdere tvs en soundbars, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023016680 d.d. 12 september 2023, inhoudend de verklaring van [naam] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nzij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, 194 tvs en soundbars, toebehorend aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor de oplegging van enkel een voorwaardelijke straf.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte, die werkzaam was bij het bedrijf [bedrijf] , heeft zich gedurende 2,5 maand samen met een andere oud-werknemer schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal tvs en soundbars van voornoemd bedrijf. Hoewel de rechtbank onderkent dat medeverdachte hierbij een initiërende en organiserende rol heeft gehad, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank eveneens een\n\nessentiële rol gespeeld in het geheel. Verdachte had het vertrouwen van de eigenaren van het bedrijf, had dan ook toegang tot alle systemen van het bedrijf en was daardoor in staat om via haar werkaccount de valse bestellingen en de valse etiketten aan te maken waarmee de goederen werden verzonden. Zonder die toegang en de handelingen die verdachte heeft verricht hadden de diefstallen niet kunnen plaatsvinden. Door haar handelwijze heeft verdachte het vertrouwen dat de eigenaren van het bedrijf, die zij al van jongs af aan kende, in haar hadden op grove wijze geschaad. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij uit gevoelens van verliefdheid voor medeverdachte heeft gehandeld. De rechtbank heeft oog voor deze omstandigheid, maar is van oordeel dat dit verdachte niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid. De rechtbank neemt het verdachte daarbij in het bijzonder kwalijk dat zij ook na haar uitdiensttreding op 1 januari 2023 haar handelwijze heeft voortgezet. Verdachte heeft door samen met medeverdachte een groot aantal goederen te stelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf] . Ter zitting is gebleken dat de opbrengsten van de gestolen goederen enkel ten gunste van medeverdachte kwamen en dat verdachte hiervan niet heeft geprofiteerd. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft het bedrijf grote financiële schade geleden. De rechtbank weegt in positieve zin mee dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. Zij heeft al geruime tijd geleden haar excuses aangeboden aan de eigenaren van het bedrijf en zij heeft met hen een civiele schikking ter hoogte van 110.000,00 getroffen voor de door het bedrijf geleden schade.\n\nDeze schikking heeft zij inmiddels ook voldaan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt.\n\nOp te leggen straf\n\nNaar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de schade aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de 125.000,00 en 250.000,00 is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke detentie voor de duur van negen tot twaalf maanden.\n\nDe rechtbank zal bij de strafbepaling echter met de volgende feiten en omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden en legt aan verdachte geen (on)voorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank kent bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte op 27 maart 2023 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 december 2025. Het tijdsverloop bedraagt daarmee ruim 2 jaar en 8 maanden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De overschrijding van de redelijke termijn is op geen enkele wijze aan verdachte toe te rekenen. Verdachte is bovendien na deze feiten niet meer in aanraking gekomen met justitie. Ten slotte heeft verdachte haar leven op orde en het is niet wenselijk dat een gevangenisstraf dit doorkruist. Wel is de rechtbank, anders dan door de raadsman is bepleit, van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van een behoorlijke duur op zijn plaats is. Het enkel opleggen van een geheel voorwaardelijke straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Alles afwegend legt de rechtbank een werkstraf op waarvan het onvoorwaardelijk deel hoger is dan door de officier van justitie is geëist. Dit vanwege de rol die verdachte heeft gespeeld bij het plegen van deze feiten. Anderzijds ziet de rechtbank geen aanleiding om naast een onvoorwaardelijke taakstraf ook nog een voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Verdachte heeft haar leven op orde en heeft de schade die zij heeft aangericht afgehandeld. De rechtbank heeft ziet dan ook geen aanleiding dat gevreesd moet worden dat verdachte opnieuw de fout zal in gaan.\n\nGelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.\n\nBeveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2638","2026-07-13T00:28:33.883Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":117,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":119},"518","ECLI:NL:RBNNE:2026:2639","ecli-nl-rbnne-2026-2639","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18\u002F264403-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 31 december 2025 (sluiting van het onderzoek).\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Groningen en\u002Fof Roden en\u002Fof Drachten en\u002Fof Appingedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 194 tvs en\u002Fof soundbars, althans meerdere tvs en soundbars, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023016680 d.d. 12 september 2023, inhoudend de verklaring van [naam] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, 194 tvs en soundbars, toebehorend aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaren.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte, die werkzaam was bij het bedrijf [bedrijf] , heeft zich gedurende 2,5 maand samen met een andere oud-werknemer schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal tvs en soundbars van voornoemd bedrijf. Verdachte heeft hierbij een initiërende en organiserende rol gehad. Hij koos de\n\nproducten uit en regelde de adressen waar deze moesten worden geleverd, waarna medeverdachte via haar werkaccount de valse bestellingen plaatste en valse etiketten aanmaakte waarmee de goederen werden verzonden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de verliefde gevoelens die medeverdachte destijds voor verdachte had. Verdachte heeft door samen met medeverdachte een groot aantal goederen te stelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf] . Ter zitting is gebleken dat de opbrengsten van de gestolen goederen enkel ten gunste van verdachte kwamen en dat medeverdachte hiervan niet heeft geprofiteerd. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft het bedrijf grote financiële schade geleden. Hoewel verdachte door de civiele rechter een jaar geleden is veroordeeld schadevergoeding te betalen aan [bedrijf] , is hij tot op heden nog niet overgegaan tot betaling daarvan. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij, zij het al wat langer geleden, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een aantal vermogensdelicten. Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt.\n\nOp te leggen straf\n\nNaar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de schade aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de 125.000,00 en 250.000,00 is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke detentie voor de duur van negen tot twaalf maanden.\n\nDe rechtbank zal bij de strafbepaling echter met de volgende feiten en omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden en legt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank kent bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte op 22 mei 2023 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 december 2025. Het tijdsverloop bedraagt daarmee bijna 2 jaar en 7 maanden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De overschrijding van de redelijke termijn is op geen enkele wijze aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de eerdere veroordeling van verdachte voor vermogensdelicten dateert uit april 2019 en dat deze veroordeling feiten betrof uit 2017, dus al van langer geleden. Gelet daarop acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet meer passend en zal de rechtbank de eis van de officier van justitie voor wat betreft het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden niet volgen. In plaats daarvan zal de rechtbank de maximale taakstraf opleggen, zoals door de raadsman is bepleit.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Gelet op de ouderdom van de zaak ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd te beperken tot twee jaren.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.\n\nBepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\neen taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagenzal worden toegepast.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2639","2026-07-13T00:28:34.408Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":125,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":127,"parsedAt":36,"updatedAt":128},"1206","ECLI:NL:GHARL:2025:7260","ecli-nl-gharl-2025-7260","2025-11-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof W 200.360.123\u002F01\n\nbeslissing van 17 november 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [wraker]\n\npostadres te Hengelo,\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoeker,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden,\n\nraadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht van het hof is onder parketnummer 21-001730-25 een strafzaak aanhangig tegen verzoeker.1.2. Op 3 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof. Aanwezig waren mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting en F. van der Maden, raadsheren en mr. L. Kiemel, griffier. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal. Ook verzoeker was aanwezig, vergezeld door de heer [naam] Namens de benadeelde partij [naam 1] was mr. J. Bouwhuis verschenen. Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling de voorzitter en raadsheren gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. De raadsheren hebben niet in de wraking berust. Mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden hebben bij verweerschrift van respectievelijk 16 oktober 2025, 14 oktober 2025 en 20 oktober 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Verder is ter griffie op 14 oktober 2025 een reactie van de advocaat-generaal op het wrakingsverzoek binnengekomen. Daarnaast is op 29 oktober 2025 een e-mail van verzoeker ontvangen met daarbij verschillende bijlagen, waaronder een nadere motivering van het wrakingsverzoek en een reactie op de verweerschriften van de raadsheren.1.5. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 3 november 2025 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen. Zoals van tevoren in hun verweerschriften aangeven waren de gewraakte raadsheren niet bij de zitting aanwezig. Verzoeker heeft het verzoek mondeling toegelicht.2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2025 heeft verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat het hof weigerde om ter zitting een beslissing te nemen op het verzoek om door verzoeker genoemde stukken uit het dossier te schrappen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker toegelicht dat hij nog meer gronden wilde aanvoeren maar daar geen gelegenheid voor heeft gekregen omdat werd gezegd dat de griffier alles al had genoteerd. Verzoeker heeft voorafgaand aan de strafzitting een e-mail gestuurd met daarin meerdere punten die hij van belang vindt voor zijn zaak, namelijk het verzoek een getuige te horen, onderzoek te doen naar ambtsmisbruik van een agent, het opvragen van de rittenstaat van de ambulance en ten slotte op te vragen hoeveel meldingen zijn gedaan over de benadeelde partij. Verzoeker wilde de kans om ter terechtzitting alles te bespreken en wil kunnen anticiperen op de beslissing op zijn verzoeken. Verzoeker heeft verder nog aangevoerd dat, bij het bekijken van de filmbeelden, een van de raadsheren benoemde wat zij zag. Volgens verzoeker kon die waarneming niet kloppen. Het standpunt van verweerders2.3. \n\nDe raadsheren hebben geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Daartoe hebben zij aangegeven dat de beslissing om bij arrest op het verzoek tot schrappen van stukken uit het dossier te beslissen, een procedurele beslissing is. Het getuigt van zorgvuldigheid om de zaak eerst volledig te bespreken, voordat het hof zich uitspreekt over het verzoek. Niet duidelijk is waarom verzoeker hieruit kan afleiden dat het hof partijdig is, of met deze beslissing die schijn heeft gewekt.\n\nHet standpunt van de belanghebbende2.4. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Niet is gebleken van een persoonlijke overtuiging of gedraging van een raadsheer. Evenmin is gebleken van een objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid van raadsheren ontbreekt. De inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.5. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.6. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.2.7. Vrees voor vooringenomenheid kan ontleend worden aan de inhoud van een rechterlijke beslissing, maar is in een dergelijk geval slechts objectief gerechtvaardigd indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing is genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.2.8. \n\nDe strafkamer van het hof moet nog beslissen over de onderzoekswensen van verzoeker en over de vraag of bepaalde stukken van het bewijs moeten worden uitgesloten. De weigering om hier ter zitting een beslissing over te nemen, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Dat verzoeker graag had gezien dat reeds ter zitting was beslist, zodat hij daarop had kunnen anticiperen, maakt dit niet anders. Het hof moet een beslissing nemen als onderzoekswensen zijn ingediend. Dat daar tijd voor wordt genomen en daar niet al tijdens een zitting op wordt beslist, is niet zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Dat een van de raadsheren benoemde iets op beeldopnamen te zien wat volgens verzoeker niet klopte, is dat evenmin. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek daarom afwijzen.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nwijst het verzoek tot wraking van mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden af.\n\nDeze beslissing is gegeven door mrs. L.G. Wijma, J.H. Kuiper en L. van Dijk, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7260","2025-11-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.912Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":133,"fullText":134,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":136,"parsedAt":36,"updatedAt":137},"713","ECLI:NL:GHARL:2025:8761","ecli-nl-gharl-2025-8761","2025-10-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer gerechtshof W200.359.527\u002F01\n\nbeslissing van 8 oktober 2025\n\nop het verzoek van:\n\n [naam] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker in het wrakingsincident\n\nhierna: verzoeker,\n\nadvocaat: mr. B.J. de Pree, kantoorhoudend te Utrecht,\n\ndat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\nmr. L.G. Wijma,\n\nraadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht van het hof is onder parketnummer 21-002526024 een strafzaak aanhangig tegen verzoeker.1.2. Op 24 september 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof. Aanwezig waren mr. E. de Witt, voorzitter, en mrs. L.G. Wijma en M.J.F. van der Wolf, raadsheren. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. M. Klappe, advocaat-generaal. Verder waren aanwezig verzoeker en diens raadsman, mr. B.J. de Pree. Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling mr. L.G. Wijma gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. Mr. L.G. Wijma heeft per e-mailbericht van 1 oktober 2025 de griffier van de wrakingskamer te kennen gegeven dat hij berust in de wraking.\n\n2. De beoordeling van het verzoek2.1. \n\nNu mr. L.G. Wijma heeft berust in de wraking, heeft verzoeker bereikt wat met een wrakingsverzoek wordt beoogd, namelijk dat de gewraakte raadsheer de zaak niet meer behandelt. De wrakingskamer komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Verzoeker is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof (wrakingskamer):\n\nverklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. J.H. Kuiper, voorzitter van de wrakingskamer, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8761","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.328Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":142,"parsedAt":36,"updatedAt":145},"881","ECLI:NL:GHARL:2025:2164","ecli-nl-gharl-2025-2164","2025-04-09T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002640-24\n\nUitspraak d.d.: 9 april 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juni 2024 met parketnummer 16-306213-22 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nverblijvende te [verblijfadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte voor de onder 1 primair (voor doodslag) en onder 2 (bedreiging) tenlastegelegde feiten;\n\nontslag van alle rechtsvervolging van verdachte ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals die ook zijn opgelegd door de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 7 juni 2024, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel, met bepaling dat die terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is als die wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;\n\noplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nDaarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 19.516,03 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 4.226,46 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nten aanzien van het beslag: onttrekking aan het verkeer van het alarmpistool en het stroomstootwapen en teruggave aan de rechthebbende van de overige inbeslaggenomen goederen.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. Y. Moszkowicz, en de advocaat van de benadeelde partijen, mr. F.J.M. Hamers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 7 juni 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld, de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en daarbij de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opgelegd.\n\nTen aanzien van de benadeelde partijen heeft de rechtbank:\n\n de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 19.516,03, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 4.226,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank het inbeslaggenomen stroomstootwapen onttrokken aan het verkeer en ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen teruggave aan de rechthebbende gelast.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze heeft beslist, maar zal het vonnis vernietigen, omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt en een andere beslissing neemt over de duur van de gijzeling in verband met de schadevergoedingsmaatregel en het beslag voor wat betreft het alarmpistool.\n\nOmdat het hof de bewijsmotivering in het vonnis deels volgt, zal het hof hierna telkens de passages uit het vonnis aanhalen waarmee het zich verenigt en telkens aanduiden op welke punten het tot een ander oordeel komt.\n\nHet hof komt, ondanks die gewijzigde bewezenverklaring, tot een aan het vonnis gelijkluidende kwalificatie van het bewezenverklaarde. Ook het oordeel over de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, over de oplegging van de maatregel en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gelijk aan de beslissingen van de rechtbank.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland\n\n [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] een medicijn althans een (genees)middel toe te dienen en\u002Fof geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in het schildkraakbeen, heeft toegebracht, door geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten, terwijl het feit op 30 november 2022 te [plaats] de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek hek erin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" en\u002Fof En je vader is ook zo dood gegaan he.’’ en\u002Fof ‘’ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.’’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door op die [slachtoffer] te gaan zitten ten gevolge waarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van verdachte voor zowel het onder 1 primair en het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde, in die zin dat verdachte veroordeeld wordt voor de onder 1 primair impliciet tenlastegelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor alle tenlastegelegde feiten en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.\n\nMet betrekking tot het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier niet kan worden bewezen dat verdachte een medicijn heeft toegediend aan het slachtoffer [slachtoffer] (hierna verder: [slachtoffer] ) en dat uit toxicologisch onderzoek volgt dat de in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen olanzapine niet de doodsoorzaak van [slachtoffer] is geweest.\n\nDe raadsman heeft daarnaast meerdere alternatieve scenario’s naar voren gebracht. Eén van\n\ndeze alternatieve scenario’s houdt in dat het op basis van de inhoud van het procesdossier\n\nwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] zelf het in haar bloed aangetroffen middel buspiron heeft ingenomen, ten gevolge waarvan zij zou zijn overleden. Een ander alternatief scenario betreft de mogelijkheid dat [slachtoffer] is overleden door intoxicatie door middel van een koolmonoxidevergiftiging.\n\nMet betrekking tot de ten laste gelegde geweldshandelingen (wurgen, smoren en\n\nversmachten) in het onder feit 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft de raadsman het navolgende bepleit. Niet kan worden uitgesloten dat het breukje in het schildkraakbeen is ontstaan door reanimatiehandelingen of samen met de blauwe plekken is ontstaan op het moment dat [slachtoffer] na de schermutseling in de keuken op de grond is gevallen of later, toen zij naast het bed is gevallen, en dat het letsel dus geen enkel verband houdt met door verdachte toegepast geweld en het overlijden van [slachtoffer] een week later. Daarnaast heeft hij bepleit dat het aangetroffen letsel niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr kan worden gedefinieerd.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat het causale verband tussen het eventuele handelen van verdachte en het latere overlijden van [slachtoffer] onvoldoende vast is komen te staan en dat verdachte geen opzet heeft gehad op haar dood. Uit de gedragingen die wel bewezen kunnen worden verklaard, kan niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op voornoemde gevolgen heeft aanvaard.\n\nTot slot heeft de raadsman met betrekking tot de onder feit 1 primair ten laste gelegde moord gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor voorbedachte raad.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 2 (bedreiging) betoogd dat verdachte weliswaar de woorden heeft uitgesproken die in de tenlastelegging staan, maar dat bij [slachtoffer] daardoor niet redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat deze bewoordingen daadwerkelijk zouden worden waargemaakt. Van een strafrechtelijke bedreiging is dus geen sprake geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak moord\u002Fvoorbedachte raad\n\nHet hof heeft overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Het is het hof niet gebleken dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft beraden op het genomen besluit om zijn echtgenote te doden en dat hij dus niet zou hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van moord, zoals onder 1 primair is tenlastegelegd.\n\nVaststelling van de feiten\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis over de vaststelling van de feiten, het onderdeel ‘toedienen van het medicijn’ en de oorzaak van de reanimatiebehoeftige toestand het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVaststelling van de feiten\n\nOp 23 november 2022 omstreeks 02:17 uur is bij de meldkamer een melding binnengekomen van verdachte dat hij zich samen met zijn vrouw (hierna: [slachtoffer] ) in hun woning in [plaats] bevond. [slachtoffer] zou een overdosis hebben gehad en op dat moment bewusteloos zijn. Als de politie enkele minuten later ter plaatse komt, wordt [slachtoffer] in de slaapkamer naast het bed in een reanimatiebehoeftige toestand aangetroffen. De hulpdiensten zijn daar gestart met de reanimatie van [slachtoffer] , waarna zij is overgebracht naar het ziekenhuis in [plaats] . Vervolgens is [slachtoffer] op 30 november 2022 in het ziekenhuis overleden.\n\nUit een geluidsopname die verdachte heeft gemaakt in de avond van 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur en uit de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte en [slachtoffer] die avond een handgemeen hebben gehad en dat verdachte toen [slachtoffer] bij haar keel heeft vastgepakt. Ook is verdachte op [slachtoffer] gaan zitten, waarna [slachtoffer] heeft aangegeven dat zij moeite had met ademhalen. Hoewel [slachtoffer] na deze geweldshandelingen nog aanspreekbaar lijkt te zijn, moet zij ergens tussen dit moment en het moment enkele uren later waarop de politie ter plaatse kwam (omstreeks 02:20 uur) in een reanimatiebehoeftige toestand zijn terechtgekomen.\n\nPartiële vrijspraak: toedienen medicijn\n\nDe rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar een geneesmiddel toe te dienen. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel ‘toedienen van een medicijn, althans een geneesmiddel’.\n\nOorzaak reanimatiebehoeftige toestand\n\nUit het rapport van de patholoog volgt dat zowel stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals kunnen hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] . Uit het rapport van de toxicoloog blijkt dat een bijdrage van buspiron aan het overlijden niet kan worden geconcludeerd noch kan worden uitgesloten. Nu de oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden (en het overlijden) van [slachtoffer] niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de rechtbank ondanks deze onzekerheid tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag kan komen.\n\nHet hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAlternatieve scenario’s\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof twee alternatieve scenario’s aangevoerd. Die zijn ook aangevoerd in eerste aanleg. De rechtbank heeft in haar vonnis over het eerste alternatieve scenario ‘inname buspiron door [slachtoffer] ’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVan belang is allereerst dat in het bloed van [slachtoffer] buspiron en het omzettingsproduct hydroxybuspiron zijn aangetoond. Het scenario dat de verdediging heeft benoemd is dat [slachtoffer] een toxische hoeveelheid buspiron kan hebben ingenomen.\n\nDe gemeten concentratie (van ongeveer 0,0020 mg\u002F1) is een therapeutisch (werkzame) concentratie. Het bewustzijn\u002Fgedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand dus waarschijnlijk (therapeutisch) beïnvloed door het aanwezige buspiron. Hoeveel hoger de concentratie was ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden kan volgens de deskundige moeilijk worden ingeschat, omdat de omzetting en uitscheiding van buspiron tussen personen verschilt en beïnvloed kunnen zijn tijdens de ziekenhuisopname.\n\nNu namens verdachte is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] door inname van een toxische concentratie Buspiron om het leven is gekomen, wijst de rechtbank op de inhoud van het rapport van de forensisch toxicoloog van 29 februari 2024 naar aanleiding van aanvullende vragen die de rechtbank heeft gesteld. Daaruit volgt dat het in theorie mogelijk is dat de[toen] gemeten buspironconcentratie van ongeveer 0,0020 mg\u002Fl bloed ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden een toxische concentratie is geweest. Het kan echter ook nog steeds een therapeutische concentratie zijn geweest. Verder wordt uitgelegd dat in de literatuur voor zover bekend geen gevallen zijn beschreven waarbij personen reanimatiebehoeftig zijn geworden door inname van buspiron of zijn overleden door (overdosering met) buspiron.[…] De rechtbank acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden.\n\nHet hof overweegt dat, nu niet aannemelijk is geworden dat buspiron de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest, het voor het oordeel van het hof niet relevant is of [slachtoffer] zelf deze medicatie heeft ingenomen of dat de medicatie op andere wijze (zoals toegediend door verdachte) in haar bloed is gekomen.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis omtrent het alternatieve scenario ‘koolstofmonoxide’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe rechtbank vindt eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een koolmonoxidevergiftiging in een reanimatiebehoeftige toestand terecht is gekomen en uiteindelijk is overleden. Hiervoor bestaan geen aanwijzingen. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat er in de nacht van 23 november 2022 - direct na het aantreffen van [slachtoffer] - en de daaropvolgende dag meerdere politiefunctionarissen voor langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest ten behoeve van het verrichten van (forensisch) onderzoek. Het had dan ook voor de hand gelegen dat één of meerdere van deze personen onwel zouden zijn geworden in het geval er daadwerkelijk sprake was geweest van hoge koolmonoxide waarden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niets gebleken.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nGeweldshandelingen en causaliteit\n\nVervolgens staat het hof voor de vraag of verdachte in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 opzettelijk de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 is overleden.\n\nDe rechtbank heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoorop staan de bevindingen uit het forensische dossier. De forensisch patholoog komt tot de conclusie dat de krachtinwerking op de hals van [slachtoffer] , in de vorm van stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals, wat heeft geleid tot een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, kan hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] .\n\nDaar komen op basis van de bewijsmiddelen in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten bij. In de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 bevond verdachte zich samen met [slachtoffer] in hun gezamenlijke woning. Er zijn geen aanwijzingen dat er die avond nog andere personen aanwezig zijn geweest in de woning. Verdachte heeft daarover ook niets verklaard. Verdachte en [slachtoffer] hadden in de periode voorafgaand aan 23 november 2022 relatieproblemen en hadden het voornemen om van elkaar te scheiden. Verdachte verkeerde daarbij al langere tijd, ook in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, in de waan dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen met ketamine. Uit de geluidsopname blijkt dat verdachte [slachtoffer] hiervan beschuldigde, dat [slachtoffer] dit bleef ontkennen en dat verdachte gefrustreerd raakte. Ook heeft verdachte tijdens de opname meerdere keren tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar dood wilde maken. Verder blijkt uit de geluidsopname dat hij dusdanig geweld tegen haar gebruikte dat zij in haar adem werd belemmerd.\n\nBij [slachtoffer] is enkele uren later, kort nadat zij in reanimatiebehoeftige toestand is\n\naangetroffen, letsel vastgesteld; er zijn verspreid over haar lichaam meerdere\n\nbloeduitstortingen geconstateerd. Over deze blauwe plekken verklaart de schouwarts dat een aantal, maar zeker niet alle, verklaard kunnen worden door medisch handelen in het AMC.\n\nDaarnaast was [slachtoffer] een relatief jonge vrouw en hebben de patholoog en schouwarts gerapporteerd dat zij gezond was. Ook kon er volgens voornoemde deskundigen geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand worden vastgesteld en was er waarschijnlijk geen sprake van natuurlijk overlijden. (…)\n\nHet hof neemt ook deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Volgens het forensische rapport van drs. D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog, was sprake van een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, die veroorzaakt is door stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking, met zwelling in de omliggende wekedelen. Het is daarnaast volgens de patholoog zeer onwaarschijnlijk dat deze breuk het gevolg is van reanimatiehandelingen.\n\nHet hof constateert dat het letsel typerend is voor verwurgingshandelingen. Daar komt bij dat uit een geluidsopname blijkt dat verdachte eerder die dag al tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij haar om het leven zou brengen. Op die geluidsopname is onder meer het volgende te horen:\n\nM (het hof begrijpt: verdachte): Nee, nee ik maak je van kant hoor\n\nV(het hof begrijpt: [slachtoffer] ): Ja nou… dat\n\nM: Nee, nee. [slachtoffer] luister, ik maak je van kant, echt woar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.\n\nUit de geluidsopname blijkt niet dat verdachte op het moment van dat handgemeen al de keel van [slachtoffer] vastgepakt heeft. Op dezelfde geluidsopname is te horen dat verdachte en [slachtoffer] na het handgemeen normaal met elkaar spraken. Het hof gaat er daarom vanuit dat het letsel aan het schildkraakbeen niet toen al is ontstaan maar dat er daarna een incident moet zijn geweest waarbij [slachtoffer] kennelijk zodanig is verwurgd dat een breuk is ontstaan in haar schildkraakbeen en zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt. Daarnaast zijn rondom haar ogen en op meerdere plaatsen op haar lichaam blauwe plekken aangetroffen. Dergelijke verwondingen, en vooral de hoeveelheid ervan, dragen bij aan de overtuiging van het hof dat een later incident moet hebben plaatsgevonden, waarbij ook dit letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.\n\nVerdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, voor zover hij weet, geen andere mensen binnen in de woning zijn gekomen. Het is het hof niet gebleken dat er andere mensen in de woning waren die nacht.\n\nHet hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat [slachtoffer] door verwurgingshandelingen van verdachte in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen. Die gedragingen zijn in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg, te weten het overlijden van [slachtoffer] .\n\nVoorts is het hof van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte kunnen worden toegerekend. Zonder zijn handelingen zou [slachtoffer] niet in een reanimatiebehoeftige toestand zijn gekomen en zou zij niet in een zodanige toestand zijn geraakt dat haar nabestaanden de moeilijke, maar medisch en ethisch navolgbare beslissing hebben genomen de apparatuur die haar in leven hield uit te laten zetten.\n\nOpzet\n\nDe gedragingen van verdachte zijn zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] , dat dit naar het oordeel van het hof vol opzet op het dodelijk letsel bij haar oplevert. Verdachte heeft de keel van [slachtoffer] kennelijk zo lang en met zodanige kracht dichtgeknepen dat zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt en daardoor letsel heeft opgelopen. Het dichtknijpen van de keel op de wijze waarop verdachte dat gedaan heeft, is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat de verdachte haar met deze handeling heeft willen doden. Deze wens heeft verdachte tijdens het handgemeen in de keuken, dat auditief is opgenomen, zelfs meermalen uitgesproken. Het hof is daarom van oordeel, anders dan de rechtbank, dat de verdachte zogenaamd vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nConclusie\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat verdachte zich op 23 november 2022 in [plaats]\n\nschuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , zoals hierna weergegeven.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoor een succesvolle vervolging ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging\n\nplaatsvindt met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nAnders dan in de meeste zaken waarin bedreiging wordt ten laste gelegd, kan het slachtoffer hier niet navertellen of zij angstig was door de gedragingen van verdachte. Maar uit de geluidsopnames kan dit wel worden afgeleid. Niet in geschil is dat verdachte meerdere keren tegen [slachtoffer] heeft gezegd \"ik maak je van kant\" en \"het is een dikke overdosis he. (..) Ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" of woorden van die strekking. Die woorden in combinatie met de omstandigheden dat verdachte op [slachtoffer] zat en zij moeilijk kon ademen, moet bij [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees hebben opgewekt dat verdachte zijn aangekondigde voornemen om [slachtoffer] ‘van kant te maken’ zou uitvoeren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van bedreiging, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daaraan toe dat de vrees bij [slachtoffer] ook duidelijk te horen is in haar eigen bewoordingen, zoals op de geluidsopname te horen is. Onder andere zegt [slachtoffer] : ‘ik ben ook bange veur joe’en ‘ik ben echt bange veur joe’‘hoe jij nou mij behandelt’.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof is aldus van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof heeft, anders dan de rechtbank, niet kunnen vaststellen dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte op [slachtoffer] is gaan zitten en daarmee uitwendige druk op haar borstkas heeft uitgeoefend waardoor haar ademhaling enige tijd zou zijn belet of belemmerd. Die handelingen vonden kennelijk plaats ten tijde van de eerdergenoemde geluidsopname. Het hof acht, zoals hiervoor is uiteengezet, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met kracht de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dicht heeft gehouden, ten gevolge waarvan zij is overleden.\n\nHet hof komt tot de volgende bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, te weten dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft\n\nberoofd, door geweld toe te passen op [slachtoffer] door met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en dicht te houden, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden.\n\nEn ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek heb ik\n\nerin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\", \"En je vader is ook zo\n\ndood gegaan he.\" en \"Ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je\n\necht van kant. Ik maak je echt van kant.\" en door op die [slachtoffer] te gaan zitten, ten gevolge\n\nwaarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nZowel de raadsman als de advocaat-generaal hebben gesteld dat het hof de verdachte in geval van een bewezenverklaring van een of beide feiten dient te ontslaan van alle rechtsvervolging. Het hof kan verdachte de feiten namelijk als gevolg van een psychische stoornis niet toerekenen.\n\nArtikel 39 Sr luidt sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) op 1 januari 2020:\n\n“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”\n\nDe rechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.\n\nDe rechtbank heeft het volgende overwogen (cursief opgenomen).\n\nOver verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:\n\n- een Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek van 17 april 2023, opgemaakt door dr. S. Dragt , psychiater (hierna ook: de psychiater);\n\n- een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 22 februari 2023, opgemaakt door E.I.J. Peeters , GZ-psycholoog (hierna ook: de psycholoog).\n\nDe psycholoog en psychiater stellen vast dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie. Daarnaast komt de psychiater tot de conclusie dat eveneens sprake is van een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Sinds de zomer van 2022 was er sprake van toenemende paranoïde symptomen, mogelijk geluxeerd door medicatie ontrouw en (deels door) chronisch cannabisgebruik. Deze paranoïde symptomen bestonden uit achterdocht jegens zijn vrouw, waarbij hij steeds meer overtuigd raakte van het feit dat zij hem wilde vergiftigen. Verdachte handelde in de avond van het tenlastegelegde volledig vanuit deze paranoïde waan. Zowel de psycholoog als de psychiater concluderen daarom dat de ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nHet hof verbetert de motivering van de rechtbank als volgt.\n\nHet hof stelt vast dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij verdachte sprake was van een floride paranoïde psychose die wordt geclassificeerd als schizofrenie. Het hof acht aannemelijk geworden dat deze stoornis van verdachte tot gevolg heeft gehad dat hij de wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten niet kon begrijpen.\n\nNet als de rechtbank acht het hof verdachte ontoerekeningsvatbaar en zal het verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nOplegging van maatregelen\n\nDe raadsman van verdachte heeft, in het geval dat het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht aan verdachte geen maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen recidiverisico bestaat zolang verdachte zijn medicatie slikt en dat het enorme belang van het blijvend gebruiken van zijn medicijnen hem duidelijk is geworden tijdens de behandeling die al heeft plaatsgevonden. Mocht het hof dit standpunt passeren dan is bepleit dat wordt volstaan met het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden, zoals ook door de rechtbank is opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien hiervan het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nErnst van de feitenVerdachte heeft zich in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vrouw ( [slachtoffer] ). Nadat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, heeft hij haar in hun gezamenlijke woning om het leven gebracht door haar te wurgen[…]. Het kan daarbij niet anders dan dat [slachtoffer] in de laatste minuten van haar leven doodsangsten heeft uitgestaan. Dat dit feit is gepleegd juist door haar partner - iemand die je per definitie zou moeten kunnen vertrouwen - in hun gezamenlijke woning - een plek waar je bij uitstek veilig zou moeten zijn - maakt het allemaal nog wranger. In het dossier komt naar voren dat verdachte volledig handelde vanuit een paranoïde waan, waardoor verdachte er al langere tijd van overtuigd was dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen. Dat verdachte, terwijl hij in een dergelijke waan verkeert, kennelijk in staat is om zulk extreem geweld toe te passen, is zeer zorgelijk.\n\nAan de nabestaanden van [slachtoffer] , waaronder haar zus en haar moeder, is onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Zij hebben het afgelopen anderhalf jaar enorm geleden. Sinds de dood van [slachtoffer] heerst bij de moeder een enorm verdriet, waardoor zij nog maar een schim van zichzelf is. De zus van [slachtoffer] zit met vele vragen over wat er is gebeurd; vragen waarop zij, omdat verdachte geen openheid van zaken geeft en blijft ontkennen dat hij iets met het overlijden van [slachtoffer] te maken heeft, waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen. Ook andere nabestaanden zullen met deze vragen blijven zitten. Natuurlijk zijn niet alleen de zus en moeder van [slachtoffer] geraakt door haar gewelddadige dood. Dit geldt ook voor anderen, zoals de buren, vriendinnen en andere bekenden van [slachtoffer] . Daarnaast is ook de samenleving geschokt door dit soort feiten.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte, naast de[…]genoemde rapportages van de psychiater en psycholoog, kennisgenomen van:\n\n- een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie ('strafblad') van 16 april 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;\n\n- een reclasseringsadvies van 9 juni 2023, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;\n\n- een voortgangsverslag schorsingstoezicht, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Verslavingsreclassering Inforsa.\n\nRapportages psychiatrisch en psychologisch onderzoek\n\nDe psychiater en psycholoog komen in hun rapportages tot de volgende conclusies. Het recidiverisico wordt geheel bepaald door de (ernstige en chronische) psychotische stoornis en wordt ingeschat als matig in het geval verdachte geen adequate behandeling krijgt. Geadviseerd wordt om de psychotische stoornis van verdachte te behandelen in een klinische setting, onder andere door verdachte in te stellen op medicatie. De verwachting is dat deze behandeling ten minste enkele maanden zal duren en dat aansluitend ambulante vervolgbehandeling nodig is. Hieruit volgend wordt een behandeling (van voldoende lengte) in een gedwongen kader noodzakelijk geacht en oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden geadviseerd. De inschatting is dat verdachte zal meewerken aan behandeling binnen dit kader en dat dit kader het recidiverisico voldoende zal terugdringen. De deskundigen geven daarnaast oplegging van een GVM in overweging, zodat deze maatregel eventueel aansluitend op de tbs-maatregel ten uitvoer kan worden gelegd en toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie en behandeltrouw.\n\nReclasseringsadvies\n\nUit het reclasseringsadvies van 9 juni 2023 volgt dat de reclassering het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden inschat als gemiddeld. De reclassering acht behandeling in een langdurige, forensische setting in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk. De reclassering adviseert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Ten slotte geeft de reclassering ter overweging mee om een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel. Een GVM biedt de mogelijkheid om toezicht te kunnen houden op de inname van medicatie, daar verdachte zijn ziektebeeld ontkent en in het verleden zonder overleg de inname van zijn medicatie heeft gestaakt.\n\nDe op te leggen maatregelen\n\nBij het bepalen van de maatregel(en) houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze feiten door verdachte zijn begaan. De rechtbank houdt ten slotte nadrukkelijk rekening met de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nTbs-maatregel met voorwaarden\n\nOmdat verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan een maatregel aan verdachte worden opgelegd.[…]\n\nVoor de rechtbank staat vast dat het in het belang is van en ter bescherming van de\n\nmaatschappij, maar zeker en misschien nog wel meer in het belang van verdachte zelf, dat hij de noodzakelijke en passende hulpverlening krijgt. Uit het voortgangsverslag blijkt ook dat hij baat heeft bij de inmiddels gestarte behandelgesprekken. Uit de deskundigenrapporten volgt duidelijk dat verdachte een intensieve behandeling van ten minste enkele maanden nodig heeft in een kliniek om het recidiverisico terug te dringen en de deskundigen adviseren een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank onder\n\ndeze omstandigheden een tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend en\n\nnoodzakelijk. De rechtbank overweegt dat wordt voldaan aan de eisen die de wet aan oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden stelt, te weten:\n\n- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;\n\n- op het door hem begane misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.\n\nDe rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen, zoals vermeld in het dictum. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.[…]\n\nGeen gemaximeerde terbeschikkingstelling\n\nDe maatregel zal worden opgelegd wegens doodslag. Dit heeft te gelden als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden\n\nNu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank tevens bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nOplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)\n\nVerdachte heeft onder invloed van zijn ziekte een zeer zwaar en uiteindelijk dodelijk\n\ngeweldsdelict gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bescherming van de samenleving vereist dat toereikende maatregelen genomen worden om recidive te voorkomen. Aangezien er op dit moment een matig risico op recidive bestaat en voorkomen moet worden dat dit na ommekomst van de (eindige) tbs-maatregel met voorwaarden tot onveiligheid voor de samenleving leidt, is de rechtbank van oordeel dat de door de reclassering geadviseerde GVM moet worden opgelegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat een tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd.Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en het in de rapportages geschatte matige recidiverisico indien verdachte geen adequate behandeling krijgt. De rechtbank acht het van belang dat na het beëindigen van de tbs-maatregel toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat oplegging van deze maatregel in dit geval aangewezen is. Na afloop van de opgelegde tbs-maatregel kan beoordeeld worden in hoeverre het recidiverisico nog aanwezig is en of en zo ja, welke voorwaarden moeten worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van een recentere reclasseringsrapportage, gedateerd 12 maart 2025, en hetgeen ter terechtzitting van het hof is verklaard door de deskundige [naam] van de reclassering.\n\nTer zitting heeft de deskundige verklaard dat extern risicomanagement nodig is om het medicijngebruik van verdachte te monitoren. Hij merkte daarbij op dat het contact met verdachte reactief is en verdachte in het begin zeer passief was. Inmiddels maakt verdachte een ontwikkeling door en geniet hij een aantal vrijheden. [naam] concludeert dat verdachtes behandeling voorspoedig verloopt, maar dat er zorgen zijn over de intrinsieke motivatie van verdachte omtrent zijn medicijngebruik, zeker als hij zelfstandig zou gaan wonen. Verdachte is nog steeds een stressgevoelig persoon en zelfstandig wonen zou daarom een te grote stap zijn.\n\nHet hof heeft hetgeen door de deskundige ter zitting is verklaard ook betrokken in zijn oordeel. Het hof heeft op basis van deze verklaring bevestigd gezien dat het recidivegevaar nog steeds aanwezig is. Hoewel dat gevaar door de deskundigen niet als hoog wordt ingeschat, betreft het wel een (matig) risico voor een zeer ernstig feit. Het hof schat het gevaar dat verdachte opnieuw zeer ernstige feiten pleegt daarom nog groot genoeg in om oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk te doen zijn.\n\nIn hoger beroep heeft verdachte opnieuw verklaard zich aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te zullen houden, mocht het hof die voorwaarden stellen.\n\nHet hof zal vaststellen dat de tbs met voorwaarden ingegaan is op 7 juni 2024, nu de rechtbank deze maatregel en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van de benadeelde partijen het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe vordering van [benadeelde 1]\n\nMateriële schade\n\nTen aanzien van de gestelde materiële schade(bedragen) overweegt de rechtbank het volgende.\n\nKosten voor lijkbezorging\n\nDe schade voor zover die betrekking heeft op de kosten voor lijkbezorging komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Nu de benadeelde partij geen bedrag heeft gevorderd voor de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de ring met vingerafdruk (as-sieraad), maar enkel voor de kosten van de urn, zal het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 769,01 in zijn geheel worden toegewezen.\n\nKosten verblijf ziekenhuis\n\nDe rechtbank overweegt dat het hier geen verplaatste schade betreft, maar schade die de moeder van [slachtoffer] stelt zelf te hebben geleden ten gevolge van het handelen van verdachte. De moeder en zus van [slachtoffer] behoorden tot de kring van directe naasten van [slachtoffer] . Gelet op de toestand waarin [slachtoffer] verkeerde als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit jegens haar, acht de rechtbank het voorstelbaar en redelijk dat haar moeder en zus in de directe nabijheid van [slachtoffer] wilden zijn. De moeder van [slachtoffer] heeft daarvoor reis- en verblijfskosten moeten maken. Ten aanzien van de gevorderde kosten die zijn gemaakt voor eten en drinken tijdens het verblijf in het ziekenhuis (€ 141,26) en de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt van en naar het ziekenhuis (€ 845,76) geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat de benadeelde partij een hotelverblijf heeft geboekt en vervolgens heeft geannuleerd, omdat zij bij nader inzien toch liever in haar vertrouwde omgeving wilde slapen, dient volgens de rechtbank niet voor rekening van verdachte te komen. De vordering ten aanzien van deze post (€ 260,-) zal daarom worden afgewezen.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nImmateriële schade (affectieschade)\n\nHet vorderen van affectieschade in het strafproces is sinds 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van een door een misdrijf overleden slachtoffer. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit) per categorie nabestaanden vaste bedragen opgenomen. De ouders van een door misdrijf overledene komen op grond van artikel 6:108, lid 4 sub c BW in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De hoogte van de door de moeder van [slachtoffer] gevorderde schadevergoeding (€ 17.500,-) is in overeenstemming met het Besluit en zal door de rechtbank worden toegewezen.[…]\n\nConclusie\n\nAl met al betekent dit dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade (affectieschade) tot een totaalbedrag van € 19.256,03 zal toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het (als vergoeding voor immateriële en materiële schade samen toe te wijzen) bedrag van € 19.256,03, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nDe vordering van [benadeelde 1] (in hoedanigheid van erfgenaam)\n\nDe benadeelde partij vordert hier schade van het [slachtoffer] en doet dit in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] . De raadsman heeft betwist dat zij erfgenaam is. De advocaat van de benadeelde partij heeft laten weten dat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat de benadeelde partij erfgenaam is, maar dat verdachte zelf een onwaardige erfgenaam is op grond van artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\nDe rechtbank overweegt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde 1] de hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] heeft. Ook dat verdachte een onwaardige erfgenaam is, kan nu niet worden vastgesteld omdat daarvoor een onherroepelijke veroordeling ter zake van het ombrengen van de overledene vereist is. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat deze bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nDe vordering van [benadeelde 2]\n\nMateriële schade (kosten voor lijkbezorging)\n\nTen aanzien van de schadepost ‘kosten voor lijkbezorging’ overweegt de rechtbank dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 4.226,46 zal in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan\n\nverdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag van € 4.226,46, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAanvullend overweegt het hof dat het, anders dan de rechtbank, het aantal dagen gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel op nul dagen zal vaststellen, nu een eventuele gijzeling de door het hof noodzakelijk geachte en voortdurende behandeling op een onwenselijke manier zal kunnen doorkruisen.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het beslag het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nBlijkens een \"Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met\n\nstrafrechtelijke beslagtitel' van 21 september 2023 is beslag gelegd op:\n\n1 1 STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n2 1 STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n3 1 STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n4 1 STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n5 1 STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n6 1 STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n7 1 STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n8 1 STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n9 1 STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n10 1 STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n11 1 STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n12 1 STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n13 1 STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n14 1 STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n15 1 STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n16 1 STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n17 1 STK Geldkist, nummer G3093980;\n\n18 1 STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n19 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n20 1 STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\n(…)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal het in beslag genomen stroomstootwapen, hierboven genoemd onder 18, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Het in beslag genomen voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nTeruggave aan de rechthebbende(n)\n\nDe rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen zoals hiervoor omschreven onder 1 tot en met 17, 19 en 20 aan degene(n) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) van deze voorwerpen kan\u002Fkunnen worden aangemerkt.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nBlijkens het dossier is ook een alarmpistool, goednummer G3093927, inbeslaggenomen. Het hof zal deze onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:\n\n1. Verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat verdachte:\n\n* zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt waar en hoe vaak dat nodig is;\n\n* zich houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n* de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, die nodig is\n\nvoor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n* meewerkt aan huisbezoeken;\n\n* inzicht geeft aan de reclassering in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door\n\nandere instellingen of hulpverleners;\n\n* zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;\n\n* meewerkt aan en het geven van toestemming voor het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n2. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, zal verdachte meewerken aan de indicatiestelling of plaatsing.\n\n4. Verdachte laat zich - na afloop van de klinische behandeling - behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. Het innemen van medicatie kan onderdeel zijn van de begeleiding.\n\n5. Verdachte verblijft - na afloop van de klinische behandeling - in een nader te bepalen instelling voor beschermd\u002Fbegeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor\n\nhem heeft opgesteld.\n\n6. Als de reclassering dat nodig acht en verdachte daarmee instemt, zal verdachte voor een time-out worden opgenomen in Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n7. Verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt door middel van urine- en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n9. Verdachte geeft inzicht in zijn financiële situatie en conformeert zich aan de afspraken die met de reclassering worden gemaakt ten aanzien van zijn financiën.\n\n10. Verdachte geeft openheid omtrent zijn sociale contacten met betrekking tot familie, vrienden en kennissen.\n\nGeeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden bij de uitvoering van de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden in mindering zal worden gebracht.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n1. STK Alarmpistool, nummer G3093927.\n\nGelast de teruggaveaan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n1. STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n1. STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n1. STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n1. STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n1. STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n1. STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n1. STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n1. STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n1. STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n1. STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n1. STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n1. STK Geldkist, nummer G3093980; 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n1. STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,\n\nmr. J. Hielkema en mr. E.C.M. Wolfert, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.I. Buitenhuis, griffier,\n\nen op 9 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:2164","2026-07-13T00:28:52.668Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":150,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":152,"parsedAt":36,"updatedAt":153},"772","ECLI:NL:GHARL:2024:3277","ecli-nl-gharl-2024-3277","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000613-22\n\nUitspraak d.d.: 8 mei 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2022 met parketnummer 16-289945-21 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte voor het tenlastegelegde feit tot een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft verdachte bij vonnis van 25 januari 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld voor het tenlastegelegde feit - mishandeling - tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen en\u002Fof door een nekklem aan te leggen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft verzocht om het beroep op noodweer te verwerpen. Indien al uitgegaan zou worden van een noodweersituatie, dan is er volgens de advocaat-generaal geen sprake van een rechtmatige verdediging. De advocaat-generaal heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte kon en moest weglopen en dat niet heeft gedaan, waardoor verdachte is meegegaan in een fysieke confrontatie met aangever.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en heeft in dat kader vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Volgens de raadsman moest verdachte zich verdedigen tegen de aanval van aangever en heeft verdachte gehandeld binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De raadsman heeft naar voren gebracht dat aangever begon met slaan, waardoor verdachte aangever bij zijn keel heeft gepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn spullen uit de auto wilde halen en handelde uit zelfverdediging nadat aangever begon te slaan. Verdachte erkent dat hij aangever bij zijn keel heeft gepakt, maar ontkent dat hij daarin heeft geknepen. Verdachte betwist ook dat het letsel in de nek van aangever door zijn handelen is ontstaan.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nWettelijk kader noodweer\n\nVooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Voor de beoordeling daarvan is onder meer van belang of de aan het verweer strekkende tot noodweer ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voor het hof aannemelijk zijn geworden.\n\nWat betreft culpa in causa en noodweer(exces) moet het volgende worden vooropgesteld. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel bij voorbeeld van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)\n\nFeiten en omstandigheden\n\nIn het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2021, waarin de camerabeelden van dit incident in stills zijn weergegeven en beschreven. Bij de beoordeling van het verweer van de verdediging gaat het hof, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden en stelt deze vast.\n\nOp 15 oktober 2021 is verdachte, samen met zijn broer - [naam broer] - en een vriend - [naam vriend] - bij het bergingsbedrijf [naam bergingsbedrijf] in [plaats] , omdat de auto van verdachte daar naartoe is gebracht. Verdachte is naar het bergingsbedrijf gekomen om spullen uit zijn auto te halen. Aangever [slachtoffer] is autoberger bij dat bedrijf en geeft aan dat zij even moeten wachten, omdat hij eerst andere klanten moet helpen. Verdachte en de twee anderen zijn het daar niet mee eens en willen direct de spullen uit de auto gaan halen. Vervolgens besluiten zij - tegen de regels van het bedrijf in - om achter aangever aan te lopen richting de loods waar de auto staat. Aangever is met het oog daarop voornemens om de politie te bellen en staat op dat moment in een halletje, waarvan hij de deur sluit. De broer van verdachte - [naam broer] - wil voorkomen dat de deur wordt gesloten, waardoor er bij die deur tussen aangever en [naam broer] een worsteling ontstaat. Door die worsteling is het raam van die deur gebarsten. Verdachte mengt zich vervolgens in die worsteling en op een gegeven moment staat de deur naar buiten weer open. Ondanks dat de deur weer openstaat, blijven verdachte en zijn broer in het halletje staan. Tussendoor is de tevens aanwezige [naam vriend] meerdere keren naar een andere ruimte gelopen. Opnieuw ontstaat er in het halletje een (verhitte) discussie tussen aangever, verdachte en diens broer [naam broer] . Verdachte pakt dan zijn telefoon erbij en besluit deze op aangever te richten om hem te filmen en\u002Fof te fotograferen. In reactie daarop pakt aangever de telefoon uit verdachtes hand en gooit deze weg. Daarna ontstaat er een handgemeen tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte aangever bij zijn keel pakt en deze heeft dichtgeknepen. Aangever pakt verdachte vervolgens vast aan zijn kleding bij zijn hals en daarna hebben beiden elkaar vast bij de nek en geeft aangever verdachte een klap. Terwijl aangever slaat, blijft verdachte hem bij zijn nek vasthouden. Verdachte en aangever blijven in een worsteling, totdat [naam vriend] erbij komt en ingrijpt. Vervolgens is verdachte met zijn gezelschap alsnog - tegen de regels en instructies in - de spullen uit de auto gaan pakken en zijn ze vertrokken.\n\nAangever heeft van dit incident aangifte gedaan en had ten gevolge van dit incident last van zijn adamsappel en zichtbaar letsel aan zijn nek, waarvan foto’s zijn opgenomen in het dossier. Ten aanzien van het letsel stelt het hof vast dat het letsel dat aangever heeft opgelopen past bij de hiervoor beschreven handeling van verdachte, waarbij hij aangever bij zijn nek vast pakt. Het hof acht het, mede gelet op de beschrijving van de camerabeelden, niet aannemelijk geworden dat dit letsel door de eerdere worsteling of anderszins is ontstaan.\n\nBeoordeling beroep op noodweer\n\nUit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat er, nadat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte, een kort moment van relatieve rust is zonder uitoefening van geweld. Vervolgens is het aangever geweest die de telefoon van verdachte afpakt en weggooit. In zoverre is er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een goed van verdachte.\n\nVerdachte heeft als reactie op deze gedraging vervolgens aangever bij zijn keel gepakt en deze dichtgeknepen.\n\nMet betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van deze gedragingen succesvol een beroep kan doen op noodweer overweegt het hof als volgt. Verdachte, zijn broer en vriend luisterden niet naar aangever en hebben zich niet gehouden aan de algemene regels die golden binnen het bedrijf. Op het moment dat verdachtes auto - na berging daarvan - op dat bedrijf staat, is het bedrijf daarvoor verantwoordelijk. Bovendien heeft aangever aanwijzingen gegeven en verdachte en zijn gezelschap gevraagd om even te wachten, waaraan door hen geen gehoor is gegeven. Verdachte wilde zijn spullen uit de auto halen en was niet bereid om daarvoor te wachten. Vervolgens volgden zij aangever naar de andere ruimte en ontstaat er in de hal uiteindelijk een worsteling. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte, samen met de twee anderen, dwingend was in zijn wens om zijn spullen uit zijn auto te halen en ook dat hij weinig boodschap had aan de binnen het bedrijf van aangever geldende regels en de door aangever gegeven instructies. Verdachte had tussendoor ook steeds de gelegenheid om naar buiten te gaan en te wachten maar heeft er desondanks bewust voor gekozen om in het halletje te blijven staan. Op een gegeven moment besluit verdachte dan om aangever - zonder diens toestemming en terwijl aangever in de uitoefening van zijn functie is - met zijn telefoon visueel vast te leggen. Verdachte heeft dat gedaan met de kennelijke wens om aangevers gedrag te sturen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij dat heeft ingezet als een in zijn ogen “legitiem wapen”. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen escalerende handelingen van verdachte zijn geweest, tijdens een al gespannen situatie en nadat er eerder al een worsteling bij de deur heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer ten aanzien van de telefoon uitgelokt.\n\nGelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, de uiterlijke verschijningsvorm en in het bijzonder de wijze van handelen en het provocerende gedrag van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte zelf een prominent aandeel heeft gehad in zowel het ontstaan als in het laten escaleren van de situatie. Het hof merkt daarbij op dat verdachte de confrontatie eenvoudig had kunnen vermijden door naar de aanwijzingen van aangever te luisteren en rustig (buiten) te wachten totdat hij aan de beurt was, zelfs nog nadat de deur naar buiten weer opnieuw open stond. Verdachte was echter niet bereid om te wachten, luisterde niet en is direct de discussie met aangever aangegaan. Bovendien is verdachte bewust binnen blijven staan en heeft hij - tijdens de al gespannen situatie - zijn telefoon doelbewust als middel ingezet om zijn zin te krijgen en daarmee zelf (en opnieuw) de confrontatie met aangever opgezocht. Naar het oordeel van het hof is er daarom in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden, waarbij de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het kunnen slagen van een beroep op noodweer. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en zal dit daarom verwerpen.\n\nConclusie\n\nGelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het tenlastegelegde feit - mishandeling - wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] , door hem bij zijn keel vast te pakken en deze dicht te knijpen. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien versterkt dergelijk handelen de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof merkt daarbij op dat dit feit heeft plaatsgevonden bij een bedrijf, waar aangever - terwijl hij in de uitoefening was van zijn functie - door verdachte is mishandeld. Verdachte had in plaats daarvan naar de aanwijzingen van aangever moeten luisteren en niet zijn zin moeten doordrukken.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) mishandelingen. Dat heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij momenteel fulltime werkzaam is als kok en bezig is met een overstap naar de zorg om als persoonlijk begeleider met jongeren te gaan werken. Verdachte heeft hiervoor een opleiding afgerond en heeft voor de uitoefening van die functie onlangs een ‘Verklaring Omtrent het Gedrag’ (VOG) ontvangen. Verder heeft verdachte naar voren gebracht dat hij een relatie heeft, dat hij geen schulden heeft en dat er geen bijzonderheden zijn met betrekking tot middelengebruik.\n\nTen aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de LOVS-oriëntatiepunten te volgen. De raadsman heeft primair verzocht om een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair om aan verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen.\n\nMet betrekking tot het verzoek van de raadsman om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze situatie geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Het hof zal dat verzoek daarom niet volgen.\n\nVoorts stelt het hof vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is, mede gelet op de op te leggen straf, van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.\n\nAlles afwegende, acht het hof voor dit feit het opleggen van een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. G.A. Versteeg, voorzitter,\n\nmr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.F. Bijlsma, griffier,\n\nen op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:3277","2024-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.369Z",20]