[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-mental-health-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":52},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},67,"mental-health-law-nl","Mental Health Law","NL","2026-07-08T16:54:19.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-01-15T00:00:00.000Z","2026-01-22T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122613","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 802",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122614","Burgerlijk Wetboek","art. 1:431 lid 1",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122615","art. 1:450 lid 1",[34,45],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"896","ECLI:NL:GHARL:2026:401","ecli-nl-gharl-2026-401","","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003917-25\n\nUitspraakdatum: 22 januari 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2025 met parketnummer 16-160266-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-091091-21, in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ( [land] ),\n\nop dit moment verblijvende in [instelling] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nHet hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 8 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:\n\nhet niet-ontvankelijk verklaren van verdachte in het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 2;\n\nbevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 467 dagen, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege (hierna genoemd als tbs met dwangverpleging) van ongemaximeerde duur; en\n\ntoewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Bruns, hebben aangevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep feit 2\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van feit 2. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak van feit 2.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:\n\nvrijspraak van feit 2;\n\nbewezenverklaring van de feiten 1 primair en 3;\n\noplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest;\n\noplegging van tbs met dwangverpleging;\n\nafwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging; en\n\nonttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.\n\nHet hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd ten aanzien van feit 2. Aan verdachte is – voor zover nog in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 11 mei 2024 te [plaats] [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, te steken naar het lichaam van die [aangever] , en\u002Fof met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nabijheid van (het lichaam van) die [aangever] (een) zwaaiende en\u002Fof stekende beweging(en) te maken;\n\nfeit 3\n\nhij op of omstreeks 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht en tegen de hals\u002Fnek te geven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsmiddelen\n\nHet hof past de volgende bewijsmiddelentoe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof kan zich in het grootste deel van de bewijsmiddelen van de rechtbank vinden. Het hof heeft zich daarom bij de gebruikte bewijsmiddelen zoveel mogelijk aangesloten bij de bewijsmiddelen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\n1. De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van het hof van 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik op 11 mei 2024 op de [straatnaam 1] in [plaats] was met de scooter en dat aangever [aangever] daar ook was. Ik liep naar de coffeeshop toe. Ik heb aangever ergens bij de coffeeshop gezien. Aangever was uit zijn auto en rende naar zijn auto. Ik stond met mijn scooter op de parkeerplaats bij de uitgang van de parkeerplaats. Hij reed om mij heen. Ik ben naar hem toe gerend.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgenomen op pagina 32 en 33 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVanavond (het hof begrijpt: 11 mei 2024)zat ik met mijn vriendin en schoonzusje in mijn auto. Wij stonden op de parkeerplaats naast de coffeeshop geparkeerd op de [straatnaam 2] (het hof begrijpt: in [plaats] ). Ik zag dat de man naar ons toe kwam rijden op een scooter. Ik zag dat hij naar mijn bestuurderszijde aangereden kwam waar ik zat. Ik zag dat hij een mes pakte vanuit zijn broek. Ik zag dat hij hem met zijn rechterhand trok en meteen een stekende beweging in mijn richting maakte. Ik zag dat hij op dat moment praktisch tegen mijn portier aanstond. Gelukkig had ik mijn auto stationair lopen waardoor ik meteen gas gaf om weg te kunnen vluchten. Daardoor kon ik erger voorkomen, want anders had het mes mij zeker geraakt. Ik kan het mes als volgt omschrijven: groot keukenmes, lemmet ongeveer 18 à 20 centimeter.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever] , opgenomen op pagina 35 en 36, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :\n\nVan mijn auto waren de ramen van de bestuurder en die van de passagier naast de bestuurder geopend. De deuren waren gesloten. De man (het hof begrijpt: verdachte) stond aan de bestuurderskant en leunde met zijn rechterheup tegen de middenstijl van de auto. Dat is ongeveer ter hoogte van de gordel van de bestuurder. Ik schrok dat hij zo dichtbij stond. Hij trok het mes ergens bij zijn broeksband vandaan. Vervolgens maakte hij met het mes een stekende beweging richting mij. Deze beweging was een rechte beweging waarbij de man zijn arm strekte en dus met de punt van het mes richting mij stak. Het mes stak hij door de opening van het raam die ontstaan was omdat ik mijn raam naar beneden had. Hij kon maar één stekende beweging maken, omdat ik vervolgens meteen vol gas kon geven om we te rijden. Ik zag wel in de spiegel dat hij op zijn scooter stapte en achter ons aan wilde rijden.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :\n\nVraag van de raadsvrouw van verdachte: We hebben camerabeelden van de parkeerplaats in het dossier zitten. Daarop is te zien dat u lopend weggaat bij de auto, maar dat u even later terug naar de auto rent. Waarom rende u?\n\nAntwoord getuige: Ik herkende hem (het hof begrijpt: verdachte). Ik heb eerder een voorval met hem gehad. Ik wilde daar gewoon weg. Hij stond bij de uitgang met een scooter. Ik reed richting de uitgang, want dat is de enige uitgang van de parkeerplaats. Ik rijd weg en hij volgt met de scooter. Ik moest stoppen voor het verkeer. Ik zag hem op een gegeven moment naast mij staan. Hij stak de auto in en ik gaf toen een beste berg gas.\n\n5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige1] , opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige1] :\n\nOp 11 mei 2024 was ik samen met mijn vriend [aangever] en mijn zusje [getuige2] op pad in de auto van [aangever] . [aangever] bestuurde het voertuig, ik zat op de bijrijdersstoel en mijn zusje [getuige2] zat achterin op de achterbank. Wij bevonden ons op de parkeerplaats naast de coffeeshop aan de [straatnaam 1] in [plaats] . Wij reden van de parkeerplaats af, in de richting van de [straatnaam 1] te [plaats] . Op dit moment zag ik een persoon (het hof begrijpt: verdachte)op een snorfiets achter ons aanrijden. Ik zag dat de persoon richting ons voertuig liep en tegelijkertijd een mes uit zijn broeksband haalde. Ik zag dat de persoon met een dreigende houding en met getrokken mes in zijn rechterhand, richting de bestuurderszijde van ons voertuig liep. Ik zag dat de persoon op een gegeven moment een stekende beweging met dit mes maakte in de richting van [aangever] . De persoon stak met zijn mes door het geopende raam van [aangever] heen. Ik zag dat de steekbeweging met het mes in de richting van de borst van [aangever] wendde. Ik denk dat het mes op het heftigste moment ongeveer vijftien centimeter van de borst van [aangever] verwijderd was. Ik kan het mes van de persoon als volgt omschrijven: een keukenmes, ongeveer 30 centimeter lang inclusief handvat.\n\n6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige bij de\n\nrechter-commissaris van 21 januari 2025, los opgenomen in het strafdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige2] :\n\nIk heb gezien dat de man (het hof begrijpt: verdachte) een mes in zijn handen had en dat hij wilde steken. Ik heb het mes gezien, maar heel snel. Het ging snel.Feit 3\n\n1. De verklaring van verdachte op de zitting van de rechtbank van 22 augustus 2025, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:\n\nHet klopt dat ik die medewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) klappen heb gegeven.\n\n2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer 030084608, opgenomen op pagina 97 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer 030084608:\n\nOp 19 mei 2024 was ik werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Op een\n\ngegeven moment liep Ergün (het hof begrijpt: verdachte), langs mijn collega, [dienstnummer1] , toen hij hem naderde gaf hij hem een bodycheck, hiermee bedoel ik dat hij langs hem heenliep en expres tegen zijn schouder aanliep. Wij ging met z'n drieën naar de cel. Mijn collega, [dienstnummer1] , stond in de deuropening van de cel en sprak de gedetineerde aan op zijn gedrag. Ik zag dat de gedetineerde dichter bij hem ging staan. Geheel onverwachts gaf de\n\ngedetineerde hem twee vuistslagen in zijn gezicht. Ik zag dat hij dit deed met zijn rechtervuist. Ik zag dat hij mijn collega op zijn gezicht raakte net onder zijn oog.\n\n3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant] , opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als bevindingen:\n\nMedewerker (het hof begrijpt: de medewerker met nummer [dienstnummer1]) kreeg meerdere klappen te verduren op zijn aangezicht en hals. Als gevolg daarvan had de medewerker er een opgezwollen jukbeen en lip aan overgehouden. Ook had de medewerker een bebloede lip en bloed in zijn mond. Ook zijn de gevolgen voor de medewerker dat hij last heeft van zijn nek.\n\n4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer [dienstnummer2] , opgenomen op pagina 99 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige onder nummer [dienstnummer1] :\n\nIk was werkzaam in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] . Geheel onverwachts zag ik dat de gedetineerde (het hof begrijpt: verdachte) uithaalde naar mijn collega met nummer [dienstnummer1] . Ik zag dat hij hem sloeg, ik denk dat het twee keer was. Ik zag dat hij mijn collega in zijn gezicht raakte. Ik zag later dat mijn collega een schram net onder zijn oog had.\n\nBewijsoverweging\n\nIn hoger beroep is het strafrechtelijke verwijt aan verdachte een poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging (feit 1) en een mishandeling (feit 3). Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Verdachte verklaart te zijn bedreigd door aangever. Hij ontkent dat hij een mes bij zich had en geprobeerd heeft verdachte te steken.\n\nDe raadsvrouw voert geen verweer over feit 3. De verdediging laat de beslissing hierover aan het hof.\n\nHet hof oordeelt dat de rechtbank in het vonnis bij de beslissingen over de feiten de juiste afweging heeft gemaakt. Het hof baseert de bewijsoverwegingen dan ook grotendeels op de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast.\n\nFeit 1 primair\n\nFeit 1 primair is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 11 mei 2024 opzettelijk geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door te steken met een mes naar het lichaam van aangever.\n\nHet hof heeft op basis van de inhoud van het dossier bij de beoordeling van dit feit de volgende feiten – waaronder de context – in overweging genomen. Aangever zat als bestuurder in zijn auto. Hij stond met zijn auto op de parkeerplaats bij een coffeeshop in [plaats] . De ramen van de auto waren geopend vanwege de warmte die dag. Verdachte was met zijn scooter ook op deze parkeerplaats. Aangever herkende verdachte van een eerdere confrontatie. Aangever wilde met zijn auto wegrijden vanaf de parkeerplaats om weg te komen. Bij het wegrijden moest aangever even wachten en stilstaan. Vervolgens kwam verdachte op een naar de auto van aangever toe en stond daar dreigend, hij haalde uit zijn broekband een groot keukenmes. Door het openstaande raam van de auto heen maakte verdachte met dit mes een stekende beweging in de richting van het lichaam aangever. De verklaringen over deze gebeurtenissen van aangever en de personen die bij aangever in de auto zaten komen in essentie overeen.\n\nHet dossier, meer specifiek daarin: de camerabeelden, geeft geen enkel aanknopingspunt voor de verklaring van verdachte, namelijk dat aangever verdachte zou hebben bedreigd op de parkeerplaats. Het hof heeft ook geen enkele reden om aan de verklaringen van aangever en de getuigen te twijfelen. Aangever is direct na het incident gehoord door de politie. De getuigen beschrijven dat het incident erg snel verliep. Dat kan heel goed verklaren waardoor er wat de details in de verklaringen betreft onderlinge verschillen zitten tussen deze verklaringen. Het hof heeft daarnaast gezien dat aangever en de getuigen, die zich voor en achter in de auto van aangever bevonden, ieder voor zich vanuit eigen gezichtspunt verklaren. Het hof ziet geen aanwijzingen dat onderling is afgestemd tussen aangever en de getuigen en het hof vindt deze verklaringen dan ook betrouwbaar.\n\nVervolgens is het de vraag of verdachte met zijn handelen geprobeerd heeft om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien. Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en\u002Fof het uitzicht op (volledig) herstel.\n\nHet hof oordeelt dat de aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het steken van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte trok een groot keukenmes uit zijn broeksband en maakte meteen daarop met dat grote mes een stekende beweging richting de borst van aangever, die achter het stuur van zijn op dat moment net stilstaande auto zat. Aangever heeft direct gas gegeven om weg te komen. Het mes heeft de borst van aangever genaderd tot een afstand van 15 centimeter. In en om de borststreek zitten vitale delen van het lichaam. Wanneer deze geraakt worden, kan dat zwaar lichamelijk letsel opleveren. Ondanks dat heeft verdachte gehandeld zoals hij heeft gedaan. Het hof heeft in aanmerking genomen dat verdachte op een zeer agressieve wijze een groot mes in de auto heeft gestoken in de directe nabijheid van de borstkas van aangever. Op basis van hoe de gedragingen van verdachte eruitzien, stelt het hof vast dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof verwerpt het verweer van de verdediging.\n\nFeit 3\n\nFeit 3 is wettig en overtuigend bewezen. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 19 mei 2024 een medewerker van de P.I. [plaats] heeft mishandeld door hem twee vuistslagen in het gezicht te geven. Hierdoor had de medewerker het volgende letsel opgelopen: een opgezwollen lip en jukbeen, een bebloede lip en bloed in de mond, een schram in het gezicht en last van de nek.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1\n\nprimairhij op 11 mei 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes heeft gestoken naar het lichaam van die [aangever] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 3\n\nhij op 19 mei 2024 te [plaats] een medewerker van de Penitentiaire Inrichting te [plaats] met het [dienstnummer1] heeft mishandeld door hem meerdere vuistslagen in het gezicht te geven.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is van 10 februari 2025 tot 21 maart 2025 voor zes weken opgenomen en geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hierover is op 14 mei 2025 een Pro Justitia rapport uitgebracht, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nVerdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het PBC-onderzoek. Desondanks hebben de onderzoekers zich een indruk kunnen vormen van de psychische toestand van verdachte. Dit werd mogelijk door de uitvoerige observaties van de groepsleiding in het PBC, het forensisch milieurapport met informatie over zijn eerdere delicten en detentie en de gegevens uit het eerdere PBC-onderzoek van 2020. Ook de klinische indrukken van de onderzoekers waren, hoewel beperkt, informatief.\n\nHet PBC-rapport houdt onder andere in dat bij verdachte sprake is van een samenhangend beeld van beperkingen op meerdere gebieden: ze stellen een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken vast. Deze stoornissen zijn chronisch van aard en waren hoogstwaarschijnlijk ook aanwezig tijdens het plegen van de tenlastegelegde feiten. Het is ondenkbaar dat zijn psychotische symptomen, gestoorde agressiehuishouding, beperkt verstandelijk functioneren en\u002Fof persoonlijkheidspathologie geen rol zou kunnen hebben gespeeld. De rapporteurs komen tot het advies om de ten laste gelegde feiten in ieder geval verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Deze waren ook aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed bij de bewezenverklaarde feiten. Daarom kunnen de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.\n\nHet hof acht verdachte overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nDe aard en de ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. In beide gevallen is verdachte zonder enige aanleiding onverwachts en ernstig over de schreef gegaan door ineens geweld te gebruiken. Bij beide feiten heeft verdachte de slachtoffers angst aangejaagd en gezorgd voor een gevoel van onveiligheid. Dit soort feiten hebben vaak een grote en langdurige impact op de slachtoffers en op eventuele omstanders. Aangever [aangever] (feit 1) is er zonder letsel vanaf gekomen, maar dit had heel anders kunnen aflopen. In zijn aangifte beschrijft hij dat hij een tijd angstig is geweest, zich soms niet veilig voelde en dat het feit hem ook wakker heeft gehouden. Bij feit 2 is het kwalijk dat het slachtoffer een medewerker van de P.I. is. Hij deed gewoon zijn werk en heeft daarbij door toedoen van verdachte letsel aan zijn gezicht overgehouden.\n\nDe persoon van verdachte\n\nHet hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 10 december 2025. Daaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Uit zijn strafblad is een patroon van geweld af te leiden. Dit geweld was ook regelmatig gericht tegen mensen die hun werk uitoefenden. Daarnaast is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het bezit van steekwapens.\n\nUit het PBC-rapport van 14 mei 2025 volgt dat in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een fors agressieregulatieprobleem. Agressief gedrag lijkt soms psychotisch gemotiveerd: vanuit achterdocht en gevoelens van angst en dreiging. Op andere momenten lijkt zijn beperkt verstandelijk functioneren een rol te spelen en loopt de spanning op vanuit onbegrip en gebrek aan overzicht op situaties. Ook zijn gebrekkige frustratietolerantie, moeite met grenzen en onvermogen om zijn agressie te reguleren speelt vaak een rol. En er is geregeld sprake van instrumenteel, meer intentioneel geweld, vanuit wraakzucht (vergelding) of verheerlijking van geweld.\n\nVolgens de deskundigen is bij verdachte sprake van chronische, onbehandelde en meervoudige psychische problematiek. Behandeling, eventueel inclusief het instellen op psychofarmaca, is noodzakelijk om het risico op recidive te verkleinen. Voor een gerichte behandeling is nadere diagnostiek nodig naar de aard en ernst van de psychopathologie, evenals naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek.\n\nDe rapporteurs van het PBC spreken van een hoog risico op herhaling. Het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst wordt zonder behandeling van de psychische problemen als hoog ingeschat. Ook het risico dat verdachte zich na detentie opnieuw gaat bewapenen wordt als hoog ingeschat. Gelet op de forse psychopathologie in combinatie met aanwijzingen voor verheerlijking van geweld, wordt de kans op escalatie in nog ernstigere delicten ook als hoog ingeschat.\n\nDe behandeling van verdachte zal zich moeten richten op het verminderen van psychotische klachten met medicatie en structuur, het aanleren van emotieregulatie- en sociale vaardigheden, het terugdringen van middelengebruik en het bieden van intensieve begeleiding passend bij zijn verstandelijke beperking en mogelijke persoonlijkheidsproblematiek.\n\nVerdachte toont geen ziektebesef of -inzicht, ook niet in hoger beroep. Dit zal de behandeling naar verwachting bemoeilijken. Zijn psychische toestand is op dit moment instabiel, met een hoog risico op plotseling en ernstig geweld richting anderen. Om deze redenen is plaatsing in een klinische, sterk gestructureerde forensische setting met zeer hoog beveiligingsniveau en expertise op het gebied van verstandelijke beperking noodzakelijk.\n\nVoor het uitvoeren van de beschreven interventieadviezen achten de deskundigen tbs met dwangverpleging noodzakelijk.\n\nDe reclassering sluit zich in het rapport van 10 juni 2025 aan bij de door het PBC geadviseerde tbs met dwangverpleging. De reclassering acht toezicht, behandeling en begeleiding van verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet haalbaar. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Het verleden van verdachte met ernstige geweldsdelicten, de complexe problematiek, het beperkte probleeminzicht, het gewelddadige verloop van zijn detenties en zijn weigerende houding, in combinatie met de aanwijzingen voor het verheerlijken van geweld maakt dat de reclassering ernstige zorgen heeft over de risico's voor derden. Zij zijn dan ook van mening dat een tbs maatregel met voorwaarden onvoldoende veiligheid en kader biedt en sprake is van een hoog afbreukrisico.\n\nHet hof sluit zich aan bij deze bevindingen van de gedragsdeskundigen.\n\nOplegging gevangenisstraf\n\nDe strafoplegging van de rechtbank ziet het hof ook als passend en noodzakelijk. Hierbij heeft het hof met name de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de omstandigheid dat verdachte in het verleden veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het feit dat het slachtoffer van feit 3 een medewerker van de P.I. is meegewogen. Hierbij houdt het hof – net als de rechtbank – in strafverminderende zin rekening met het gegeven dat de feiten, zoals hiervoor onder ‘Strafbaarheid van verdachte’ is overwogen, in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. In wat door de raadsvrouw is aangevoerd over de op te leggen gevangenisstraf ziet het hof geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf.\n\nGelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof net als de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.\n\nDe tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.\n\nOplegging Tbs-maatregel met dwangverpleging\n\nHet hof stelt voorop dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, in de zin dat:\n\nsprake is van een tbs-waardig delict: de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is een misdrijf waarop meer dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld;\n\nis vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van dit delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een beperkt intellectueel vermogen, chronisch psychotische problematiek, problemen met emotie- en agressieregulatie, problematisch cannabis- en alcoholgebruik en pathologische persoonlijkheidstrekken;\n\nde veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium); en\n\nhet hof beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.\n\nHet hof schat het herhalingsgevaar en daarmee het gevaar dat verdachte vormt voor de veiligheid van anderen als hoog in. De rapporteurs van het PBC hebben aangegeven dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. De deskundigen achten tbs met dwangverpleging noodzakelijk voor de behandeling en begeleiding van verdachte om het hoge recidiverisico af te wenden. Het hof acht de conclusies van de deskundigen navolgbaar en zal deze volgen.\n\nAnders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de tbs-maatregel de enige maatregel is die de mogelijkheid geeft om het gevaar dat van verdachte uitgaat en het bijbehorende recidiverisico te beperken. Oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals voorgesteld door de raadsvrouw volstaat niet om het recidiverisico op een verantwoorde wijze te beperken. De oplegging van de tbs-maatregel is daarvoor de enige en passende mogelijkheid.\n\nAlles overwegende gelast het hof de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt het hof dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe totale duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd nu verdachte wordt veroordeeld voor een misdrijf d dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De tbs-maatregel kan daarmee langer duren dan 4 jaar.\n\nOplegging van tbs bij vreemdelingen\n\nDe rechtbank overweegt in het vonnis van 5 september 2025 als volgt over het verweer van de raadsvrouw over de oplegging van tbs bij vreemdelingen:\n\n“Oplegging van een tbs-maatregel is verenigbaar met de status van ongewenst vreemdeling. Ook bij vreemdelingen kan sprake zijn van een noodzaak tot behandeling in een tbs-kader ter beveiliging van de maatschappij. De achterliggende doelstelling bij een tbs-maatregel – om de verpleegde voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving – impliceert niet noodzakelijk dat deze terugkeer zou dienen plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. De\n\nre-integratie kan ook gericht zijn op terugkeer in het land van herkomst, in dit geval [land] .\n\nDe rechtbank acht het van groot belang dat aan verdachte de tbs maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de samenleving tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat verdachte — bij een onbehandelde invrijheidstelling en repatriëring naar [land] — na enige tijd weer terugkeert naar Nederland en dus in Nederland een gevaar vormt voor de maatschappij. Verdachte woont immers sinds zijn zestiende in Nederland, zijn vader woont hier ook en verdachte spreekt de Nederlandse taal goed.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat het vinden van een passende voorziening in [land] lastig kan zijn. Per geval zullen de autoriteiten moeten bepalen of de algemeen beschikbare zorg in de ontvangende staat toereikend en passend is om de stoornis(sen) te behandelen. Het vinden van passende zorg voor verdachte in [land] is echter niet uitgesloten, dat volgt ook niet uit het door de raadsvrouw aangehaalde rapport van de RSJ. Er bestaat dan ook een reële kans op repatriëring. De kans dat verdachte langer op repatriëring moet wachten dan nodig, weegt niet op tegen de noodzaak van behandeling en bescherming van de maatschappij tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat.”\n\nDe rechtbank heeft een juiste afweging gemaakt. Het hof neemt deze overwegingen over. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nDe oplegging van een tbs-maatregel aan verdachte als ongewenst verklaarde vreemdeling heeft gevolgen voor de tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel. Zo zal verdachte niet in aanmerking komen voor resocialisatie in de Nederlandse samenleving in de vorm van verloven.\n\nDit zal echter afgewogen moeten worden tegen het belang van de samenleving om beschermd te worden tegen het gevaar dat van verdachte uitgaat. ‘De samenleving’ is niet beperkt tot de grenzen van Nederland en ziet op een bredere groep personen. Het gaat bij de oplegging van een tbs-maatregel om het beschermen van de mensen om een verdachte heen waarmee verdachte in aanraking kan komen. Het gaat om bescherming van personen waar dan ook.\n\nUit de PBC-rapporten volgt dat – ondanks het beperkte onderzoek dat vanwege de weigering van verdachte kon worden uitgevoerd – de deskundigen concluderen dat verdachte vanwege zijn psychische problematiek zonder behandeling een gevaar is voor andere personen. Op de zitting van het hof van 8 januari 2026 is gebleken dat verdachte sinds oktober 2025 anti-psychotische medicatie krijgt via dwangmedicatie in detentie. Verdachte heeft medicatie en doeltreffende behandeling nodig om te voorkomen dat hij weer in agressief gedrag vervalt, zo blijkt uit het PBC-rapport. Verdachte heeft geen\n\nziekte-inzicht en stelt zich niet open voor medicatie en behandeling. Op de zitting van het hof bevestigt verdachte dat uitdrukkelijk door te verklaren dat niet echt is vastgesteld dat hij psychische problemen heeft en dat hij bijvoorbeeld in [land] geen medicatie wil en zal gebruiken.\n\nHet voorgaande maakt dat het hof in het geval van verdachte geen andere mogelijkheid ziet om de samenleving voldoende te beschermen dan door het opleggen van de tbs-maatregel. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.\n\nBeslag\n\nOp de zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van het onder hem in beslag genomen mes (goednummer 3345526). Het is daarom niet meer nodig dat het hof een beslissing neemt over dit mes.\n\nVordering tot tenuitvoerlegging\n\nIn de zaak met parketnummer 01-091091-21 is verdachte op door de rechtbank veroordeeld.\n\nAan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal vordert de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden, nu verdachte tijdens de proeftijd van deze voorwaardelijke straf nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. In principe moet deze vordering toegewezen worden, nu verdachte gewaarschuwd was en toch nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof zal deze vordering echter toch niet toewijzen. Verdachte heeft in deze strafzaak lange tijd in voorarrest gezeten. Deze periode overstijgt ruimschoots de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het hof op zal leggen. Daarnaast overweegt het hof dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt. Een tbs-behandeling is (doorgaans) effectiever als de periode tussen het plegen van de strafbare feiten en de aanvang van de behandeling niet lang duurt. Gelet op het genoemde lange voorarrest, acht het hof het niet opportuun om verdachte eerst de voorwaardelijk opgelegde straf te laten ondergaan, voordat de tbs-behandeling begint.\n\nHet hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en\u002Fof maatregel is gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Midden-Nederland van 29 november 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2022, parketnummer 01-091091-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. J. Dolfing en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 januari 2026.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 juni 2024, genummerd 2024148560 en 024159493, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit\n\nprocessen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:401","2026-01-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.503Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":43,"updatedAt":51},"835","ECLI:NL:GHARL:2026:212","ecli-nl-gharl-2026-212","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.634\u002F01\n\n(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 11504206 (bewind) en 11504211 (mentorschap))\n\nbeschikking van 15 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. C.J.H. Anker te Rotterdam.\n\nAls overige belanghebbenden zijn aangemerkt:\n\n1. Stichting Vivium Zorggroep(Vivium Zorggroep) ,\n\ngevestigd in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. M.F. Mooibroek te Utrecht,\n\n2. [bewindvoerder] (de bewindvoerder),\n\nhandelend onder de naam [naam 2], gevestigd te [plaats 2] ,\n\n3. [mentor] (de mentor),\n\nhandelend onder de naam [naam 3],\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\n4. [naam 4] (de zoon),\n\ndie woont in [plaats 4] .\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\n Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummers 11504206 en 11504211.2. De procedure in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 4 juni 2025;\n\n- een brief van de bewindvoerder van 5 augustus 2025 met bijlage(n);\n\n- een brief van de mentor van 10 augustus 2025;\n\n- het verweerschrift van Vivium Zorggroep met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens Vivium Zorggroep van 27 november 2025;\n\n- een journaalbericht namens de betrokkene van 28 november 2025;\n\n- twee e-mailberichten namens de betrokkene van 5 december 2025;\n\n- een journaalbericht namens de betrokkene van 9 december 2025;\n\n- een journaalbericht namens Vivium Zorggroep van 10 december 2025 met bijlage(n).2.2. De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. De betrokkene en haar advocaat hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen vanuit de zorginstelling waar de betrokkene verblijft. Fysiek ter zitting waren aanwezig:\n\n- [naam 5] , directeur van Vivium Zorggroep , bijgestaan door mr. Mooibroek;\n\n- de bewindvoerder;\n\n- de mentor.3. De feiten3.1. De betrokkene is geboren op [geboortedag] 1938. Zij verblijft sinds 8 juli 2025 op grond van een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet zorg en dwang (Wzd) in [plaats 2] in verpleeghuis [naam 6] van Vivium Zorggroep .3.2. Vivium Zorggroep heeft – als de instelling die de betrokkene op dat moment ambulante begeleiding bood – de kantonrechter op 22 januari 2025 verzocht een bewind in te stellen over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de betrokkene, met benoeming van [plaats 1] tot bewindvoerder, en een mentorschap in te stellen over de betrokkene, met benoeming van [mentor] tot mentor.3.3. Bij de bestreden beschikking, van 4 maart 2025 (zaaknummer 11504206), zijn de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en is [plaats 1] , handelend onder de naam [naam 2] , tot bewindvoerder benoemd. Bepaald is, conform artikel 1:436 derde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat het bewind wordt ingeschreven in het openbare Centrale Curatele- en bewindregister.3.4. Bij de bestreden beschikking van 4 maart 2025 (zaaknummer 11504211) is een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene en is [mentor] , handelend onder de naam [naam 3] , tot mentor benoemd.4. De omvang van het geschil4.1. De betrokkene is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. De betrokkene stelt dat het beginsel van wederhoor is geschonden en dat er geen gronden zijn voor het instellen van bewind en mentorschap. De betrokkene verzoekt het hof beide beschikkingen te vernietigen en opnieuw beschikkende de verzoeken tot het instellen van een bewind en een mentorschap alsnog af te wijzen.4.2. Vivium Zorggroep voert verweer en verzoekt het hof om het hoger beroep van de betrokkene af te wijzen. De bewindvoerder en de mentor sluiten zich daarbij aan.5. De motivering van de beslissing Schending van het recht van hoor en wederhoor in eerste aanleg5.1. De betrokkene stelt dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, omdat het bewind en het mentorschap zijn ingesteld zonder de betrokkene en overige belanghebbenden daarover te horen.5.2. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de kantonrechter de verzoeken heeft toegewezen en dat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat uit de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zal zijn ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.5.3. Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt aan de belanghebbenden een afschrift van het verzoekschrift en van de daarbij behorende bescheiden toegezonden en worden de belanghebbenden opgeroepen voor een mondelinge behandeling, tenzij de rechter aanstonds een beschikking geeft waarbij hij zich onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst. Het toewijzen van een verzoek zonder mondelinge behandeling kan plaatsvinden bij verzoeken van eenvoudige aard, waar geen verweer te verwachten valt.5.4. Naar het oordeel van het hof zijn verzoeken tot het instellen van bewind of mentorschap in beginsel geen verzoeken die zonder mondelinge behandeling door een rechter kunnen worden toegewezen. Uitgangspunt is dat een belanghebbende op een dergelijk verzoek wordt gehoord. Het gaat immers om ingrijpende maatregelen, waarbij behoedzaamheid op zijn plaats is. Om te kunnen beoordelen of aan de gronden voor het instellen van een bewind of mentorschap is voldaan, moet de rechter zich een oordeel vormen over de lichamelijke en geestelijke toestand van de betrokkene. Daarbij moet de rechter op grond van artikel 802 en 809 lid 1 en 2 Rv de betrokkene in de gelegenheid stellen zijn mening kenbaar te maken. Dit is in eerste aanleg niet gebeurd en daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een schending van het recht van hoor en wederhoor van (onder andere) de betrokkene. De eerste grief is in zoverre terecht voorgesteld. Herstel van de schending van het recht van hoor en wederhoor in hoger beroep5.5. Het hoger beroep heeft een herstellende functie en dit betekent dat de schending van het recht op hoor en wederhoor in hoger beroep kan worden hersteld.5.6. De betrokkene heeft zich echter op het standpunt gesteld dat zij ook in hoger beroep haar mening niet naar voren heeft kunnen brengen op de wijze die de artikelen 802 en 809 Rv voorschrijft, omdat zij met haar advocaat via een videoverbinding aan de zitting heeft deelgenomen, terwijl de overige belanghebbenden fysiek op de zitting aanwezig waren. De betrokkene verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2025, waaruit volgt dat de rechter de betrokkene in beginsel in fysieke aanwezigheid hoort en dat slechts in bijzondere omstandigheden deelname aan de mondelinge behandeling via een videoverbinding toelaatbaar is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is volgens de betrokkene geen sprake.* De feitelijke gang van zaken rondom de digitale deelname van de betrokkene aan de zitting5.7. Het hof heeft op 27 november 2025 een journaalbericht ontvangen van Vivium Zorggroep met het verzoek de zitting digitaal te laten plaatsvinden, dan wel op de locatie waar de betrokkene woont, dit omdat de behandelaren van de betrokkene hebben aangegeven dat de betrokkene vanuit medisch perspectief niet in staat is om naar Leeuwarden af te reizen en de mentor is het daar mee eens. Vivium Zorggroep gaf aan dat dit verzoek in overleg met de advocaat van de betrokkene is gedaan.5.8. Het hof heeft vervolgens de betrokkene, via haar advocaat, in de gelegenheid gesteld om haar mening over dit verzoek naar voren te brengen en heeft de advocaat van de betrokkene verzocht om ook bij de overige belanghebbenden na te gaan wat hun mening is over dit verzoek.5.9. \n\nDe advocaat van de betrokkene heeft het hof bij journaalbericht van 28 november 2025 het volgende bericht:\n\n“ Dezerzijds akkoord met een digitale oproep voor cliënte. Uiteraard is dat voor de bewindvoerder ook akkoord, zij hebben tenslotte het verzoek daartoe ingediend.”5.10. Bij e-mail van 5 december 2025 in de ochtend heeft de secretaresse van de advocaat van de betrokkene het hof bericht dat de bewindvoerder en de mentor akkoord zijn met het digitaal horen van de betrokkene en dat van de zoon geen contactgegevens beschikbaar zijn, zodat hij niet kan worden benaderd.5.11. De griffier van het hof heeft op 5 december 2025 in de ochtend telefonisch aan alle belanghebbenden doorgegeven dat de betrokkene aan de zitting mag deelnemen via een videoverbinding, onder de voorwaarde dat haar advocaat bij de betrokkene op locatie aanwezig is. De secretaresse van de advocaat van de betrokkene heeft aangegeven dat zij bij de advocaat van de betrokkene zal navragen of dat akkoord is.5.12. Bij e-mail van 5 december 2025 in de middag heeft de secretaresse van de advocaat van de betrokkene het volgende bericht: “ Mr. Anker is ermee akkoord om zelf de zitting bij cliënte bij te wonen. (…)”5.13. \n\nOp 9 december 2025 in de middag heeft het hof vervolgens een journaalbericht met bijlage van de advocaat van de betrokkene ontvangen, waarin wordt aangegeven dat de betrokkene toch niet akkoord is met de gang van zaken waarbij enkel de betrokkene en haar advocaat digitaal deelnemen aan de zitting.\n\n* Legitimiteit van de digitale deelname5.14. De rechter die van een partij een verzoek ontvangt om via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling te mogen deelnemen, dient steeds na te gaan of dat verzoek een legitiem doel dient en of deelname op afstand van die partij op zodanige wijze kan worden georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Hierbij kunnen ook de aard van de procedure en de hoedanigheid van de verzoekende partij van belang zijn. De rechter dient een eventueel bezwaar van een andere partij in zijn beoordeling te betrekken en daarop gemotiveerd te beslissen.5.15. In procedures over de instelling van een bewind en\u002Fof mentorschap hoort de rechter de betrokkene in beginsel in fysieke aanwezigheid. In een geval waarin ervan moet worden uitgegaan dat de betrokkene in staat is zijn mening kenbaar te maken, is slechts in bijzondere omstandigheden toelaatbaar dat de betrokkene via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelneemt, ongeacht of die wijze van deelname op bezwaren stuit bij de andere partij(en).5.16. Het hof stelt voorop dat door de behandelaren van de betrokkene is aangegeven dat de betrokkene vanuit medisch perspectief niet in staat was om naar Leeuwarden af te reizen om de zitting fysiek bij te wonen. Naar het oordeel van het hof diende het verzoek dat Vivium Zorggroep op 27 november 2025 bij het hof heeft ingediend daarom een legitiem doel, namelijk het bewerkstelligen dat de betrokkene ondanks haar medische beperkingen toch aan de mondelinge behandeling van haar hoger beroep zou kunnen deelnemen, door die zitting digitaal te laten plaatsvinden, dan wel fysiek op de locatie waar de betrokkene woont. In dat kader heeft het hof aan partijen voorgesteld om de betrokkene met haar advocaat via een videoverbinding digitaal te laten deelnemen aan de mondelinge behandeling, waar de overige belanghebbenden fysiek aanwezig zouden kunnen zijn (een zogenaamde hybride zitting). Het hof achtte de aanwezigheid van de advocaat van de betrokkene op de locatie bij de betrokkene een vereiste, onder meer om daarmee te waarborgen dat er geen sprake was van ongeziene beïnvloeding van de betrokkene door anderen. Uit de feitelijke gang van zaken zoals hiervoor vermeld, blijkt dat de advocaat van de betrokkene daar aanvankelijk ook mee heeft ingestemd en pas op 9 december 2025 bezwaren hiertegen naar voren heeft gebracht. Ter zitting heeft de advocaat van de betrokkene toegelicht dat hij niet had begrepen dat de zitting hybride zou zijn; hij was ervan uitgegaan dat de zitting volledig digitaal zou plaatsvinden. Daarmee had hij wel akkoord kunnen gaan. Wat daar verder ook van zij, het hof heeft de bezwaren die namens de betrokkene op 9 december 2025 naar voren zijn gebracht beoordeeld en is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden van dit geval het toelaatbaar maken dat de betrokkene via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelneemt. Artikel 802 Rv brengt weliswaar mee dat als de betrokkene in staat is haar mening kenbaar te maken, maar niet in staat is zich naar het gerechtsgebouw te begeven, zoals hier het geval is, zij in beginsel op haar verblijfplaats wordt ondervraagd, maar bij die manier van ondervragen is de betrokkene niet in de gelegenheid om te reageren op wat er op de zitting door de overige belanghebbenden naar voren wordt gebracht. Het hof is van oordeel dat met de wijze waarop de betrokkene nu is gehoord, voor deze betrokkene beter tegemoet is gekomen aan haar recht van hoor en wederhoor dan als zij voorafgaand aan de zitting fysiek zou zijn gehoord op de locatie waar zij woont, met een terugkoppeling daarvan op de zitting. De wijze waarop de zitting is verlopen maakt dat het hof vindt dat de betrokkene haar mening over de voorliggende verzoeken voldoende naar voren heeft kunnen brengen. De videoverbinding was goed, de betrokkene heeft de vragen van het hof kunnen beantwoorden en zij heeft kunnen reageren op wat ter zitting naar voren is gebracht. De advocaat van de betrokkene heeft in zijn slotwoord ter zitting ook zelf betoogd dat de betrokkene haar standpunt coherent naar voren heeft gebracht. De deelname op afstand is gelet op het vorenstaande op zodanige wijze georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Het hof vindt het dan ook niet nodig om de betrokkene alsnog fysiek op haar woonlocatie te horen. De schending van het recht van hoor en wederhoor in eerste aanleg is op deze wijze in hoger beroep voldoende hersteld. Het hof zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het bewind en het mentorschap5.17. Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren\n\na. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel\n\nb. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.\n\n5.18. Ingevolge artikel 1:450 lid 1 BW kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.5.19. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij in staat is haar eigen vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen en dat daarom de verzoeken tot het instellen van een bewind over haar goederen en tot het instellen van een mentorschap moeten worden afgewezen. Uit de stukken blijkt echter dat bij de betrokkene in 2022 door een geriater beginnende dementie als gevolg van alzheimer is vastgesteld, met mogelijk onderliggend een psychiatrische component, en dat zij ook arteritis temporalis heeft. In mei 2025 heeft Vivium Zorggroep verzocht om een rechterlijke machtiging te verlenen voor onvrijwillige opname en verblijf van de betrokkene in verpleeghuis [naam 6] in [plaats 2] . De betrokkene vertoonde ongeremd gedrag en leek de consequenties van haar gedrag niet te overzien. Ondanks begeleiding door een casemanager in de thuissituatie, en inzet van het intensieve thuiszorgteam, verbeterde dit gedrag niet. De betrokkene had waangedachten, vergat regelmatig te eten, had voedsel dat over datum was in huis, nam haar medicatie niet op tijd in, en vertoonde hinderlijk gedrag in winkels en door meerdere keren per dag naar hulpverleners en instanties te bellen. Ook was sprake van onbetaalde rekeningen en werd ongeopende post in haar huis aangetroffen. Op 10 juni 2025 is de gevraagde rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname en verblijf verleend en Vivium Zorggroep heeft inmiddels verlenging van die machtiging verzocht. De betrokkene is in verband hiermee op 13 mei 2025 en op 7 november 2025 onderzocht door aan Vivium Zorggroep verbonden specialisten ouderengeneeskunde. Deze hebben geconcludeerd dat de betrokkene niet in staat is haar belangen voldoende te behartigen en dat zij met haar gedrag ernstig nadeel voor zichzelf en anderen veroorzaakt. Het hof heeft de zorgen zoals hiervoor vermeld ter zitting aan de betrokkene voorgehouden. De betrokkene ontkent de feiten zoals door Vivium Zorggroep , de bewindvoerder en de mentor naar voren gebracht grotendeels en zij vindt dat zij in staat is om voor zichzelf te zorgen en terug te keren naar haar woning in [plaats 5] . Hieruit blijkt dat de betrokkene, zoals de specialisten ouderengeneeskunde ook naar voren hebben gebracht, onvoldoende probleembesef en ziektebesef heeft. Naar het oordeel van het hof is, alles in aanmerking nemend, voldoende vast komen te staan dat de betrokkene als gevolg van haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat is om ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Dat maakt dat aan de gronden voor het instellen van een bewind over de goederen die haar (zullen) toebehoren en het instellen van een mentorschap is voldaan. Het hof zal beide bestreden beschikkingen daarom bekrachtigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11504206;\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 4 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11504211.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. J.G. Knot en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:212","2026-07-13T00:28:50.312Z",20]