[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-lelystad-child-custody-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":28,"total":16,"page":24,"limit":55},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},71,"Lelystad","nl","lelystad",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},3,{"min":18,"max":18},"2026-06-04T00:00:00.000Z",[20,25],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"123013","Burgerlijk Wetboek","art. 1:247 lid 4",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"123037","art. 1:247 lid 3",[29,40,47],{"id":30,"ecli":31,"slug":32,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":34,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":39},"1043","ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","ecli-nl-rbmne-2026-3854","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607887 \u002F FL RK 26-280\n\nZorgregeling\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. J.B. Streefkerk,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. M. Falkena.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 2 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de vader van 12 maart 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 12 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder van 2 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 9 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 28 april 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n1.3. De moeder heeft tijdens de zitting een persoonlijke brief voorgelezen, welke – zoals tijdens de zitting is afgesproken – op 7 mei 2026 namens de moeder door mr. Falkena is ingediend.\n\n1.4. De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft daar op 4 mei 2026 met de rechter over gesproken.\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.\n\n2.4. De ouders hebben in het ouderschapsplan van 15 februari 2019, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 2019, afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft sinds 2 februari 2026 feitelijk bij de vader.\n\n2.6. \n\nBij beschikking van 12 mei 2021 van deze rechtbank is het ouderschapsplan van\n\n15 februari 2019 en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2019 – ten aanzien van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling – gewijzigd in die zin dat:\n\nmet ingang van 30 april 2021 zal tussen [minderjarige] en vader een zorgregeling gelden waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen een weekend bij vader verblijft van vrijdag uit school (14:00 uur) tot en met dinsdagochtend naar school. In de week erop zal vader [minderjarige] op maandag op school halen en dan blijft hij bij hem tot dinsdagochtend naar school;\n\nde vakanties worden als volgt verdeeld: de vakanties van één week worden niet\n\nverdeeld, de overeengekomen zorgregeling loopt dan door. Voor vakanties die twee weken duren, geldt dat deze bij helfte verdeeld worden. Indien [minderjarige] in een vakantie van twee weken de eerste week bij vader is, dan is dat vanaf vrijdag om 14.00 uur uit school. Deze eerste week eindigt derhalve op de vrijdag erna om 14.00 uur. Vader brengt [minderjarige] alsdan naar moeder zodat [minderjarige] om 14.00 uur bij de moeder is;\n\nvoor de meivakantie 2021 is afgesproken dat [minderjarige] de eerste week bij vader is en de tweede week bij moeder;\n\nten aanzien van de zomervakantie en kerstvakantie geldt dat deze eveneens bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat ieder jaar [minderjarige] wisselend eerste kerstdag bij de ene ouder is, tweede kerstdag bij de andere ouder, ongeacht de week waarin de zorgregeling plaatsvindt. De jaarwisseling zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder waarbij hij eerste kerstdag heeft doorgebracht. Voor 2020 geldt dat [minderjarige] van 21 tot en met 27 december bij vader zal zijn, tweede kerstdag bij moeder, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de moeder zal zijn en op 27 december 12:00 uur weer bij de vader. De tweede week van de kerstvakantie (28 december tot en met 3 januari) zal [minderjarige] bij de moeder zijn, maar op Oudejaarsdag om 11:00 uur naar de vader gaan en op Nieuwjaarsdag om 12.00 uur weer bij de moeder zijn. Voor 2021 geldt het tegenovergestelde: [minderjarige] zal eerste kerstdag en de jaarwisseling bij moeder zijn en tweede kerstdag bij vader. De zomervakantie 2021 zal bij helfte verdeeld worden waarbij [minderjarige] de eerste drie weken bij moeder is in de laatste drie weken bij vader, het wisselmoment is vrijdag 14.00 uur. Als locatie voor de overdracht wordt de woning van moeder aangehouden;\n\ntijdens de vakanties die twee of meer weken duren, zal de ouder waar [minderjarige] verblijft hem in de gelegenheid stellen in ieder geval twee maal per week met de andere ouder te telefoneren. Die andere ouder zal de telefoon correct opnemen en als het moment van telefoneren niet uitkomt dat direct uitleggen. De oproep zal niet beëindigd worden zonder dat er verbinding lot stand is gekomen;\n\nten aanzien van de vorderingen van [minderjarige] op school of op sport, zijn de vader en de\n\nmoeder zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van deze informatie. Zij zullen dus\n\nniet bij elkaar die informatie vragen. Gesprekken op school worden niet gezamenlijk\n\nbezocht. Ieder zal een eigen afspraak met school maken;\n\nhet is ouders niet toegestaan zonder nader overleg dan wel zonder gegronde reden eenzijdig de zorgregeling stop te zetten.\n\n2.7. De ouders hebben geprobeerd om samen afspraken te maken tijdens een mediationtraject. Het mediationtraject is echter vroegtijdig beëindigd.\n\n2.8. \n\nBij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van\n\n30 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt om:\n\nprimair\n\nde hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;\n\nte bepalen dat [minderjarige] – nadat contactherstelgesprekken tussen moeder en [minderjarige] hebben plaatsgevonden –één keer in de twee weken vanaf vrijdag 19:30 uur tot maandag 19:30 uur bij de moeder verblijft en de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nde kinderalimentatie op nihil wordt gesteld;\n\nsubsidiair\n\n- te bepalen dat [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de vader verblijft en de andere helft van de tijd bij de moeder verblijft met als wisselmoment vrijdag 19.30 uur;\n\nmeer subsidiair\n\neen beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nZorgregeling4.1. De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus: na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt.\n\nDe rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.2. Waar [minderjarige] eerder het grootste deel van de tijd bij de moeder verbleef, verblijft hij sinds februari bij de vader en is hij in een kortgeding procedure voorlopig aan de vader toevertrouwd. Ondanks verschillende pogingen van de ouders om samen afspraken te maken, is dit nog niet gelukt. Binnenkort zullen de ouders gaan werken aan hun onderlinge communicatie met systeemtherapie bij [naam] . De rechtbank vindt dit verstandig, omdat de communicatie nu regelmatig via [minderjarige] verloopt en daar heeft hij last van. In de tussentijd hebben zowel [minderjarige] als de ouders al wel behoefte aan duidelijkheid over de zorgregeling. De rechtbank zal om die reden een definitieve zorgregeling vaststellen.\n\n4.3. De rechtbank is van oordeel dat een co-ouderschapsregeling – waarbij [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijft – het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarmee sluit de rechtbank zich aan bij de Raad, die dit tijdens de zitting ook heeft geadviseerd. Een co-ouderschap past goed bij het uitgangspunt in de wet dat er sprake moet zijn van ‘gelijkwaardig ouderschap’.Gelijkwaardig ouderschap betekent dat beide ouders een rol van betekenis in [minderjarige] ’s leven spelen, en zorg- en opvoedtaken verrichten. Dat is belangrijk voor [minderjarige] identiteitsontwikkeling.. Het is niet gebleken dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. Dat de ouders allebei een andere opvoedstijl hebben, is geen reden om van een co-ouderschap af te zien. Verschillende opvoedstijlen kunnen elkaar namelijk ook aanvullen en daarmee juist van meerwaarde zijn voor een kind. Een mooi voorbeeld is huiswerk; dit is tijdens de zitting besproken. De moeder houdt, zo heeft ze verteld, meer in de gaten of [minderjarige] wel zijn huiswerk doet. Ze zit hem achter zijn broek aan als dat nodig is. De vader laat dit meer los; hij vindt dat [minderjarige] moet leren dat er gevolgen zijn als hij zijn huiswerk niet maakt, en dat leert hij het beste door het gewoon maar eens te ervaren. Dat zijn allebei manieren om [minderjarige] te helpen: het is juist goed als [minderjarige] van allebei een stukje meekrijgt. De ouders kunnen bovendien tijdens het hulpverleningstraject afspraken maken over hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan en elkaar hierbij én in hun waarde laten, én ondersteunen waar nodig. Wanneer dit lukt, kan er op termijn hopelijk ook meer flexibiliteit in de zorgregeling komen. Een voorbeeld hiervan is dat [minderjarige] bijvoorbeeld een keer in de week dat hij bij de vader is bij de moeder kan avondeten of andersom. Dat past ook bij de leeftijd van [minderjarige] , waarbij steeds wat meer autonomie voor hem fijn is.\n\n4.4. De zorgregeling zal in de periode tot en met de zomervakantie van dit jaar worden opgebouwd, zodat [minderjarige] kan wennen aan de nieuwe situatie en de ouders in de tussentijd kunnen werken aan de communicatie. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vakantieregeling ongewijzigd blijft. De vakantie van [minderjarige] en de moeder naar Indonesië zal dus gewoon kunnen doorgaan en [minderjarige] zal ook tijd met de vader kunnen doorbrengen. De wisselmomenten van de week-op-week-afregeling zullen plaatsvinden op vrijdag om19.30. uur, zoals door de vader is verzocht.\n\nHoofdverblijfplaats4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en zal daarom het verzoek van de vader afwijzen. Er wordt de komende periode toegewerkt naar co-ouderschap, waardoor [minderjarige] evenveel tijd bij de moeder als bij de vader doorbrengt. Een wijziging is daarom niet nodig, wat betekent dat [minderjarige] bij de moeder ingeschreven kan blijven staan.\n\nKinderalimentatie4.6. De rechtbank zal een beslissing op het verzoek over de kinderalimentatie aanhouden in afwachting van de verweertermijn. De reden daarvoor is dat toen de zitting werd gepland, de verweertermijn nog niet was verstreken, zodat dit verzoek niet inhoudelijk op de zitting kon worden behandeld. De rechtbank wil over uiterlijk zes weken van de ouders bericht krijgen hoe het verder moet in deze procedure en of voor de kinderalimentatie een nieuwe zitting nodig is of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende zorgregeling vast:\n\nopbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;\n\ndefinitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de beslissing over kinderalimentatie aan voor de duur van zes weken, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3854","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:00.929Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":46},"1056","ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","ecli-nl-rbmne-2026-3856","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Lelystad\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F607393 \u002F FL RK 26-234\n\nOmgang\n\nBeschikking van 4 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. A. Patist,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. K. Benchaïb.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 23 februari 2026;\n\nhet bericht van de vader van 19 maart 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 24 april 2026;\n\nhet verweerschrift (met bijlagen) van de vader op de zelfstandige tegenverzoeken van de moeder met daarin een aantal tegenverzoeken van 30 april 2026;\n\nhet bericht (met bijlagen) van de moeder van 5 mei 2026;\n\nhet bericht (met bijlage) van de vader van 6 mei 2026.\n\n1.2. \n\nDe verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van\n\n7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader en zijn advocaat;\n\nde moeder en haar advocaat;\n\n [A.] , als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.\n\n2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n2.3. \n [minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.4. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem moeten nemen.\n\n2.5. Er is geen ouderschapsplan. Dat betekent dat de ouders niet samen afspraken hebben gemaakt over de zorg voor [minderjarige]\n\n2.6. Bij beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank is – voor zover van belang in deze procedure – de volgende (opbouwende) zorgregeling vastgesteld, waarbij:\n\nde zorgregeling met ingang van 20 mei 2024 voor vier weken wordt opgebouwd waarbij twee keer per week omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] . Iedere maandag heeft de vader van 13.00 tot 16.00 uur omgang met [minderjarige] in de woning van de moeder in [plaats 3] . Iedere vrijdag brengt de moeder [minderjarige] om 12.00 uur bij de vader in [plaats 1] , waarna zij [minderjarige] om 15.00 uur weer ophaalt bij de vader thuis;\n\nmet ingang van 17 juni 2024 heeft [minderjarige] elke maandag van 13.00 tot 16.00 uur omgang met de vader in of rond [plaats 3] . Omdat [minderjarige] nog erg jong is en het slecht weer kan zijn tijdens de omgang hebben de ouders afgesproken dat het in overleg mogelijk is dat de omgang bij de moeder thuis plaatsvindt. De vader dient dit tijdig met de moeder te overleggen;\n\n [minderjarige] iedere vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur bij de vader verblijft. De moeder brengt [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader thuis in [plaats 1] en de vader brengt [minderjarige] om 18.00 uur terug bij de moeder thuis in [plaats 3] ;\n\nde wisselmomenten op maandag en vrijdagmiddag vinden plaats bij de moeder thuis en het wisselmoment op vrijdagochtend vindt plaats bij de vader thuis.\n\n2.7. Bij vonnis in kort geding van 6 augustus 2024 van deze rechtbank is – samengevat – de moeder veroordeelt tot het nakomen van de zorgregeling zoals vastgesteld bij de hiervoor genoemde beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding per dag of gedeelte van een dag, tot een maximum van € 5.000,-.\n\n2.8. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank vernietigt en de volgende zorgregeling vastgesteld:\n\nde opbouwperiode\n\n- in week 14 heeft [minderjarige] omgang met de vader op maandagmiddag 31 maart 2025 van14.00. uur tot 17.00 uur in [plaats 3] en op vrijdag 4 april 2025 van 10.00 uur tot 18.00 uur in [plaats 1] ;\n\n [minderjarige] zal drie keer in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zaterdagmiddag 15.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 11 april 2025, vrijdag 25 april 2025 en vrijdag 9 mei 2025;\n\ndaarna zal [minderjarige] drie keer in de weekenden in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 23 mei 2025, vrijdag 6 juni 2025 en vrijdag 20 juni 2025;\n\nvanaf week 15 heeft [minderjarige] daarnaast omgang met de vader op de maandagen in de oneven weken van 14.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op 7 april 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\nde definitieve zorgregeling\n\n [minderjarige] verblijft met ingang van het weekend dat start op vrijdag 4 juli 2025 eens in de veertien dagen een weekend bij de vader van vrijdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur;\n\ndaarnaast heeft [minderjarige] eens in de veertien dagen omgang met de vader op de maandagen van 9.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op maandag 14 juli 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;\n\nde ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt na aanvulling van zijn verzoeken – samengevat – de rechtbank te bepalen dat:\n\nZorgregeling vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat\n\n- [minderjarige] vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat steeds per drie weekenden, twee weekenden van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten bij de vader is, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] naar de moeder terugbrengt;\n\n2026 (als [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no van 24 april 2026 tot en met 1 mei 2026;\n\no in week 1, 3 en 4 van de zomervakantie 2026 zoals het schema schoolvakanties geldt in de gemeente [gemeente] ;\n\no of de eerste week of de tweede week van de kerstvakantie;\n\n2027 (in de periode voordat [minderjarige] naar de basisschool gaat)\n\n- [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:\n\no gedurende één week in de voorjaarsvakantie;\n\no week 1, 3 en 4 van de zomervakantie;\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat (na de zomervakantie van 2027)\n\nprimairde vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld en de ouders in september van ieder jaar afspraken maken voor het dan volgende schooljaar;\n\nsubsidiairindien en voor zover het niet lukt om de schoolvakanties in september van ieder jaar in onderling overleg te verdelen:\n\no dat zal gelden dat de vader in de oneven jaren (waarmee bedoeld het jaar waarin de afspraken in september gemaakt zouden moeten worden) de eerste keuze heeft en de moeder in de even jaren, waarbij in elk geval zal gelden dat de zomervakantie wordt opgedeeld in twee perioden van drie weken;\n\no voor de tweeweekse schoolvakanties (mei en kerst), zal gelden dat elk van de ouders de gelegenheid heeft om één week met [minderjarige] door te brengen;\n\no in de schoolvakanties die één week duren de reguliere zorgregeling doorloopt, tenzij één van de ouders gedurende die week op vakantie wil met [minderjarige] ;\n\nfeestdagen\n\noud en nieuw: jaarlijks wisselend;\n\nSinterklaas (5 december): jaarlijks wisselend;\n\nKoningsdag: jaarlijks wisselend;\n\nMoederdag: bij moeder;\n\nVaderdag: bij vader;\n\nKerst: het ene jaar verblijft [minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij de ene ouder en van tweede kerstdag om 9.00 uur bij de andere ouder en dit het andere jaar andersom is;\n\nOud en Nieuw: [minderjarige] verblijft bij de ouder waar hij dat jaar op tweede kerstdag verbleef;\n\nverjaardag [minderjarige] : de reguliere zorgregeling doorloopt;\n\nOverige bijzondere dagen\n\n- te bepalen dat er te allen tijde de mogelijkheid is dat [minderjarige] op bijzondere dagen, zoals familieaangelegenheden, bruiloften, jubilea en uitvaarten, hij deze kan bijwonen en dus wordt afgeweken van de reguliere zorgregeling;\n\ndan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt;\n\nin alle gevallen de moeder te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat deze moeten worden afgewezen. De moeder wil dat de ouders naar een Parallel Solo Ouderschap traject via de gemeente [gemeente] worden doorverwezen en in dat kader de regeling zoals opgenomen in het door de moeder opgestelde concept ouderschapsplan als uitgangspunt wordt genomen voor het uitbreiden van de zorgregeling in de vakanties en feestdagen in de toekomst.\n\n3.3. Bij wijze van een zelfstandig verzoek verzoekt de moeder om:\n\nvanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, vervalt de vrijdag 09:00–17:00 uur bij vader en zal de aanvangstijd van de weekendregeling aangepast worden naar een tijd na schooltijd, in alle redelijkheid en in overleg, rekening houdend met de te reizen afstand;\n\nmet ingang van de datum dat [minderjarige] de schoolgaande leeftijd bereikt, zullen vakantieperiodes geleidelijk ingevuld worden en worden opgebouwd in aantal overnachtingen bij vader, waarbij [minderjarige] leeftijd, ontwikkeling en gewenningsperiode in acht genomen worden;\n\nten aanzien van de feestdagen geldt dat deze worden gedeeld zoveel mogelijk aansluiting zoekende bij de weekendregeling die geldt.\n\n3.4. De vader is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de moeder en vindt dat deze moeten worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De rechtbank zal het volgende beslissen:\n\nde beslissing over de zorgregeling en de definitieve beslissing over de verdeling van de vakantie- en feestdagen zal voor de duur van negen maanden worden aangehouden in afwachting van het Parallel Solo Ouderschapstraject;\n\ner zal een voorlopige verdeling van de vakantie- en feestdagen gelden, welke luidt als volgt:\n\no verjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no zomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\no herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\no Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\no kerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van 26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\no voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.\n\n4.2. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.\n\n4.3. In de wet staat dat beide ouders het recht op en de verplichting tot gelijkwaardig ouderschap hebben.Dat betekent niet dat de zorg altijd 50\u002F50 verdeeld moet worden. Wel brengt het mee dat de ouders allebei een gelijkwaardige positie hebben en een daarbij passende rol voor [minderjarige] moeten kunnen vervullen. Ook staat in de wet dat de ouders de verplichting hebben om de bang van hun kind met de andere ouder te bevorderen.Dit wettelijke kader vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van de verzoeken van de ouders.\n\n4.4. De achtergrond van deze wettelijke bepalingen is dat het in zijn algemeenheid in het belang van de identiteitsontwikkeling van een kind is dat het met beide ouders goed contact heeft. Dat geldt ook voor [minderjarige] . Het lukt de ouders op dit moment echter niet om op een goede manier aan hun wettelijke verplichting te voldoen. Zij houden allebei veel van hun zoon, maar blijven – tegen het belang van [minderjarige] in – verwikkeld in een voortdurende strijd over wanneer [minderjarige] bij welke ouder verblijft. De oorzaak hiervoor lijkt te zijn dat er veel tussen de ouders is gebeurd in het verleden en dat dit hen in de weg blijft staan. Allebei hebben ze hier in de processtukken en tijdens de zitting over verteld. De grootste zorg van de vader is daarbij dat de moeder hem uit het leven van [minderjarige] duwt. Hij heeft het gevoel dat hij ieder extra moment met [minderjarige] moet bevechten, omdat de moeder hem geen ruimte gunt in het leven van [minderjarige] . De moeder maakt zich op haar beurt ook zorgen. Zij voelt zicht door de vader geïntimideerd omdat hij zich dwingend en bepalend opstelt, en geen enkel oog heeft voor haar zorgen over [minderjarige] . De zorgen komen er, verkort weergegeven, op neer dat de moeder betwijfelt of de vader wel rekening houdt met wat voor [minderjarige] het beste is.4.5. Deze strijd tussen de ouders is niet goed voor [minderjarige] . Hij is nu nog jong, maar krijgt al veel mee, en dat zal als hij ouder wordt alleen maar meer worden. Het is belangrijk dat de ouders alles op alles zetten om dit anders te gaan doen en zich daarbij te richten op wat zijzelf – niet de ander, maar zijzelf – kunnen doen. De ouders hebben tijdens de zitting verteld dat zij allebei nog altijd bereid om aan de slag te gaan met het Parallel Solo Ouderschapstraject. De rechtbank wil de ouders de kans geven om dit hulpverleningstraject aan te gaan, zodat zij kunnen werken aan de onderliggende problematiek en zij zich – los van elkaar – kunnen ontwikkelen en zij weer gaan handelen in het belang van [minderjarige] . Om deze reden zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen over de definitieve zorgregeling en verdeling van de vakantie- en feestdagen, maar deze beslissing nog negen maanden uitstellen. In de tussentijd blijft de reguliere zorgregeling gelden zoals deze nu is. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om hier nu – in het belang van [minderjarige] – een wijziging in aan te brengen. De strijd tussen de ouders is, zoals toegelicht, op zichzelf heel zorgelijk en gaat ten koste van de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] , maar het is niet gebleken dat het bij één van de ouders los hiervan onveilig is of dat één van hen niet goed voor [minderjarige] kan zorgen. De rechtbank wil van de ouders over uiterlijk negen maanden bericht krijgen over hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.\n\nVoorlopige vakantie- en feestdagenregeling4.6. In de tussentijd zal de rechtbank wel een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vaststellen (tot en met de voorjaarsvakantie 2027), zodat hier de komende periode – terwijl ouders met hulpverlening aan de slag gaan – in ieder geval duidelijkheid over is en dit de strijd hierover hopelijk vermindert. De rechtbank heeft hiervoor geschetst hoe deze voorlopige vakantie- en feestdagenregeling eruit zal zien. De rechtbank is tot de hiervoor genoemde regeling gekomen, omdat zij het in het belang vindt van [minderjarige] dat hij meer (en kwalitatieve) tijd met zijn vader kan doorbrengen. Om die reden vindt de rechtbank het goed dat [minderjarige] ook naast de reguliere zorgregeling tijd met zijn vader heeft, end at daar een concrete opbouw in plaatsvindt. De moeder heeft verteld dat zij op zichzelf niet tegen een opbouw is, maar zij wil wel dat deze in (hele) kleine stappen plaatsvindt. De rechtbank vindt een geleidelijke opbouw ook belangrijk, maar vindt tegelijkertijd dat het nu wel tijd is voor iets langere periodes van [minderjarige] bij zijn vader. Een 50\u002F50 verdeling zou daarbij een duidelijk en logisch doel zijn – de moeder heeft ook gezegd dat zij daar uiteindelijk ook wel naartoe zou willen. Op dit moment is dat nog een te grote stap. Feit blijft dat dit voor grote weerstand zorgt bij de moeder en dat [minderjarige] hier – al dan niet bewust – het nodige van meekrijgt, terwijl het juist zo belangrijk is dat de moeder [minderjarige] emotionele toestemming geeft in het contact met de vader. Hier kan de hulpverlening bij gaan helpen. Omdat [minderjarige] nog jong is, is in de zomervakantie een ‘pauze’ ingebouwd. Hij is twee keer 5 dagen bij zijn vader, zodat hij op die manier kan wennen aan het idee om langere tijd aaneengesloten bij de vader door te brengen.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. stelt de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast:\n\nverjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nzomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;\n\nherfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\nSinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;\n\nkerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van\n\n18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van\n\n26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;\n\n- voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;\n\n- de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;\n\n5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3. houdt de (verdere) beslissing over de definitieve zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling aan voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomst van het Parallel Solo Ouderschapstraject, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:\n\nof meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;\n\nof een nieuwe zitting nodig is;\n\nof de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Art. 1:247 lid 4 BW.\n\n Art. 1:247 lid 3 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3856","2026-07-13T00:29:01.899Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":38,"updatedAt":54},"1107","ECLI:NL:RBMNE:2026:3902","ecli-nl-rbmne-2026-3902","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F612516 \u002F JL RK 26-351\n\nDatum uitspraak: 4 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een spoedwijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\nSAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,\n\ngevestigd in Almere,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),\n\nover\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026, mee in de beoordeling.\n\n1.2.. De kinderrechter heeft op 4 juni 2026 telefonisch mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont met zijn broer [naam] bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 januari 2027.\n\n2.4.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 juni 2019 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: in het ouderschapsplan is vastgelegd dat [minderjarige] en [naam] elke dinsdag- en donderdagmiddag na school door vader worden opgehaald, bij hem zouden eten en om 18.30 uur weer thuis zouden zijn bij moeder. Daarnaast zouden zij om het weekend van vrijdagmiddag tot zondag 17.00 uur bij vader verblijven. Alle overige doordeweekse ochtenden, evenals de maandag- en woensdagmiddagen en om de week de vrijdagmiddag wanneer het het weekend van moeder is, verblijven de kinderen bij moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 17 juni 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waar het [minderjarige] betreft te wijzigen, in die zin dat de reguliere zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] per direct stopgezet wordt. Ook verzoekt de GI te bepalen dat het contact tussen de vader en [minderjarige] , voor zover mogelijk, plaatsvindt onder regie van de GI, waarbij de GI in afstemming met de betrokken hulpverlening bepaalt op welke wijze en op welk moment contactherstel kan plaatsvinden. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter kan de onder 2.4. genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.De kinderrechter kan deze beslissing nemen zonder de belanghebbenden voorafgaand te horen.Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter zal de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] opschorten voor de duur van vier weken en houdt het overige deel van het verzoek aan. Hierna wordt uitgelegd waarom zij deze beslissing neemt.\n\n4.2.. Er zijn al langere tijd zorgen over spanningen in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Al bij beschikking van 16 december 2025 is de vastgestelde zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader opgeschort tot 26 februari 2026. Hierna heeft de vader meegewerkt aan een plan vanuit [bedrijf] voor gefaseerd contactherstel.\n\n4.3.. Hoewel het contactherstel in eerste instantie positief leek te verlopen, zijn er tijdens de speltherapie nieuwe signalen van angst vanuit [minderjarige] voor zijn vader naar voren gekomen. Daarnaast zijn de zorgen over de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] toegenomen. De moeder is recent getrouwd met haar nieuwe partner, waarop [minderjarige] aangaf niet meer naar zijn vader te willen, omdat hij een nieuwe vader heeft. Vanuit de hulpverlening is vervolgens een nieuw plan opgesteld zodat het voor [minderjarige] duidelijk wordt dat ook het contact met zijn eigen vader moet worden hersteld. Hoewel het belangrijk is dat [minderjarige] voor dit contactherstel emotionele toestemming van de moeder krijgt, mist de GI bij vader de wil om aan te sluiten bij wat zijn zoon nodig heeft. Naast dit alles, heeft op 20 mei 2026 een incident plaatsgevonden. [minderjarige] zou in verband met de aankomende feestdagen langer bij de vader moeten verblijven. Gezien het nieuwe plan voor contactherstel was het nog niet realistisch om [minderjarige] vier dagen bij de vader te laten verblijven, waardoor de GI de vader had verzocht om in te stemmen een pauze in de uitbreiding van de omgang. De vader heeft niet ingestemd met dit verzoek en stond bij het schoolplein om [minderjarige] op te halen. [minderjarige] is vervolgens weggerend. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat de overdrachtsmomenten zelf ook niet altijd positief verlopen. Tijdens deze momenten ontstaat er vanwege het filmen door de vader nog meer spanning bij [minderjarige] . Daarnaast zorgt de vader er niet altijd voor dat [naam] als hij bij vader is deelneemt aan de speltherapie. Ook laat hij verstek gaan bij sportactiviteiten en is zijn huiswerk niet altijd op orde. Tot slot heeft [naam] last van de spanningen rond de contacten tussen [minderjarige] en vader. Wat op zichzelf ook reden tot zorg is.\n\n4.4.. Gezien deze zorgen is het volgens de hulpverlening noodzakelijk dat het contactherstel geborgd en gefaseerd opgebouwd zal worden. Hiervoor is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij meer ruimte krijgt om hieraan te werken. Echter, de vader blijft vasthouden aan de zorgregeling die is vastgelegd bij beschikking van 17 juni 2019. De kinderrechter acht het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat het contactherstel op zijn tempo zal plaatsvinden. Dat lijkt op dit moment niet het tempo van de vastgelegde zorgregeling te zijn. Daarom schort de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] op tot 2 juli 2026.\n\n4.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] wordt opgeschort tot 2 juli 2026;5.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.3.. roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.A. Pot van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het gerechtsgebouw aan Stationsplein 15 te Lelystad,op 16 juni 2026 om 15:45 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op\n\n09 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 809 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3902","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:04.397Z",20]