[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":56},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-06-15T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124144","Burgerlijk Wetboek","art. 3:94",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124145","art. 7:11 lid 1",[30,41,49],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1229","ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","ecli-nl-rblim-2026-5759","","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12202038 \\ CV EXPL 26-2292\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Afzali,\n\ntegen\n\n [persoon 2] H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [bedrijf] ,\n\ngemachtigde: mr. J.W.J. Schoonbrood.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het exploot van dagvaarding d.d. 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord met productie 1, tevens eis in reconventie; - de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n [persoon 1] is bezitter van een personenauto van het merk: Mercedes, model: E200 CDI met (Roemeens) kenteken: [kenteken] (hierna: ‘de auto’). De eigendom van de auto berust bij haar partner, de heer [persoon 3] . [persoon 1] heeft met haar partner een bruikleenovereenkomst gesloten op grond waarvan [persoon 1] de auto mag gebruiken.\n\n2.2.. \n [persoon 1] heeft de auto op 19 december 2025 bij [bedrijf] achtergelaten voor een inspectie.\n\n2.3.. \n [bedrijf] heeft een inspectie uitgevoerd en vastgesteld dat een nieuwe motor nodig was. [bedrijf] heeft [persoon 1] hiertoe een aanbieding gedaan, welke [persoon 1] te duur vond. Partijen zijn overeengekomen dat [persoon 1] zelf een passende motor zou zoeken. De auto is op het terrein van [bedrijf] blijven staan.\n\n2.4.. Nadat [persoon 1] een nieuwe motor had gevonden verzocht zij [bedrijf] om garantie te verlenen op de door hem te verrichten werkzaamheden. [bedrijf] heeft dit geweigerd, waarna [persoon 1] heeft besloten de werkzaamheden elders te laten uitvoeren.\n\n2.5.. \n [persoon 1] verzocht afgifte van de auto. [bedrijf] weigerde afgifte totdat een bedrag van € 500,00 exclusief btw (€ 605,00 inclusief btw) voor de verrichte werkzaamheden alsmede een bedrag van € 50,00 per dag aan stallingskosten zouden zijn betaald.\n\n2.6.. Op 4 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] bezocht en een voorstel gedaan tot betaling van € 300,00 ter finale kwijting. [bedrijf] heeft dit voorstel afgewezen.\n\n2.7.. Op 26 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] aangeschreven en afgifte van de auto verzocht. [bedrijf] heeft hier op 26 maart 2026 en op 31 maart 2026 op gereageerd en aangegeven dat hij niet tot afgifte overgaat zolang zijn vorderingen niet zijn voldaan. Op 1 april 2026 heeft [persoon 1] nogmaals schriftelijk afgifte van de auto gevorderd, onder aankondiging dat bij het uitblijven daarvan een kortgedingprocedure zou worden gestart. [bedrijf] heeft [persoon 1] op 12 april 2026 gesommeerd om de diagnosekosten en de stallingskosten te betalen.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [persoon 1] vordert - samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, om [bedrijf] :\n\nI. [bedrijf] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto en deze auto aan [persoon 1] , als bezitter, af te geven;\n\nII. te bevelen om binnen dezelfde termijn de in de auto aanwezige persoonlijke documenten van [persoon 1] aan haar af te geven en gelijktijdig schriftelijk te bevestigen dat (a) geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd, en (b) de auto zich in dezelfde stat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1] ;\n\nIII. te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname van de staat van de auto en een inventarisatie van de aanwezige onderdelen\u002Finhoud door een door eiseres in te schakelen gerechtsdeurwaarder, die daarvan proces-verbaal van constatering mag opmaken, een en ander bij afgifte;\n\nIV. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan de gevorderde bevelen te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom en\u002Fof maximumbedrag;\n\nV. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [persoon 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon 1] heeft als bezitter van de auto recht op afgifte daarvan. De gevorderde kosten voor inspectie zijn evident disproportioneel en niet overeengekomen. Ook zijn er geen afspraken gemaakt over stallingskosten of toepasselijke algemene voorwaarden. [bedrijf] heeft derhalve geen (opeisbare) vordering op [persoon 1] op basis waarvan hij zich kan beroepen op retentierecht.\n\n3.3.. \n [bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , subsidiair te bepalen dat afgifte van de auto uitsluitend plaatsvindt tegen betaling van de openstaande vorderingen dan wel tegen adequate zekerheidsstelling en meer subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrecht in goede justitie passend acht, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n [bedrijf] voert daartoe het volgende aan. [bedrijf] beroept zich op zijn retentierecht. [persoon 1] heeft de auto aangeboden ter diagnose en [bedrijf] heeft werkzaamheden verricht ter vaststelling van de technische gebreken aan de auto. Nu hierover geen prijsafspraak is gemaakt heeft [bedrijf] hiervoor recht op een redelijk loon. Ook heeft de auto vanaf 19 december 2025 op het terrein van [bedrijf] gestaan waardoor hij deze bedrijfsruimte niet heeft kunnen gebruiken voor andere voertuigen en werkzaamheden. [persoon 1] heeft de auto niet tijdig opgehaald ondanks verzoeken daartoe. Het is derhalve redelijk dat [bedrijf] aanspraak maakt op stallingsvergoeding. [bedrijf] houdt de auto onder zich totdat betaling van deze openstaande vorderingen plaatsvindt dan wel daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld.\n\n3.5.. Op zijn beurt vordert [bedrijf] in reconventie - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [persoon 1] tot betaling van diagnosekosten ad € 605,00 inclusief btw en stallingskosten ad € 8.200,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede veroordeling in de proceskosten.\n\n3.6.. \n [persoon 1] voert verweer.\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de kantonrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en het toetsingskader\n\n4.2.. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt daarbij een spoedeisend belang heeft. Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is hierop vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\n4.3.. Het spoedeisend belang van de vordering in conventie vloeit voort uit de aard daarvan, nu [persoon 1] inmiddels geruime tijd geen beschikking meer heeft over die auto en de daarin aanwezige persoonlijke documenten. In reconventie vordert [bedrijf] betaling voor haar werkzaamheden en stalling van de auto op haar terrein alvorens de auto af te willen geven. Gezien de hierdoor ontstane, inmiddels maanden durende, impasse en de verwevenheid van beide vorderingen, acht de kantonrechter ook de vorderingen van [bedrijf] in reconventie ontvankelijk wegens spoedeisendheid.\n\nDiagnose- en stallingskosten\n\n4.4.. \n [persoon 1] heeft op 19 december 2025 haar defecte auto doen afslepen naar [bedrijf] , teneinde [bedrijf] in ieder geval de oorzaken van dit defect te laten onderzoeken. [bedrijf] heeft de auto vervolgens ook onderzocht, de aard van het defect vastgesteld en [persoon 1] daarover geïnformeerd. Daarmee staat vast dat tussen partijen ter zake een overeenkomst van opdracht is gesloten. Partijen verschillen verder van mening over de omvang van de verrichtte werkzaamheden, de tussen hen gemaakte afspraken en de verschuldigdheid van loon en van stallingskosten.\n\n4.5.. \n [bedrijf] heeft op grond van de wet recht op loon voor de door hem verrichtte werkzaamheden.Partijen hebben voorafgaand aan het onderzoek geen afspraak gemaakt over de hoogte van dat loon. Bij het ontbreken van een prijsafspraak is [persoon 1] in ieder geval een op de gebruikelijke wijze berekend of redelijk loon verschuldigd.[persoon 1] stelt dat door [bedrijf] minimale werkzaamheden zijn verricht en dat de inspectie, in haar bijzijn, slechts enkele minuten heeft geduurd. [bedrijf] betwist dat de inspectie in het bijzijn van [persoon 1] heeft plaatsgevonden en stelt dat het onderzoek 10 tot 11 uren zou hebben geduurd. [bedrijf] vordert in reconventie derhalve een bedrag van € 605,00 inclusief btw aan loon voor verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. \n [bedrijf] heeft geen factuur en\u002F of specificatie van diens werkzaamheden ingebracht. Gezien de betwisting door [persoon 1] mocht dat wel van hem worden verwacht. De aard en omvang van die werkzaamheden komt daarmee niet vast te staan. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing acht de kantonrechter het eerder door [persoon 1] aangeboden bedrag van € 300,00 exclusief btw een redelijk loon voor het door [bedrijf] verrichte onderzoek. Dit bedrag zal dan ook in reconventie aan diagnosekosten worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [bedrijf] vordert in reconventie verder een bedrag van € 8.200,00 aan stallingskosten voor de tijd dat de auto op zijn terrein heeft gestaan. [bedrijf] stelt dat hij heeft aangegeven dat als de auto door hem gerepareerd zou worden [persoon 1] geen stallingskosten verschuldigd zou zijn en dat in het andere geval er stallingskosten van € 50,00 per dag in rekening zouden worden gebracht. [persoon 1] betwist dat partijen hebben gesproken over stallingskosten. Ook hier geldt dat [bedrijf] haar vorderingen niet heeft onderbouwd met een factuur of iets dergelijks. Daarmee is niet komen vast te staan dat er afspraken zijn gemaakt over kosten voor het stallen van de auto. De kantonrechter wijst deze vordering in reconventie daarom af.\n\nAfgifte van de auto en persoonlijke eigendommen aan [persoon 1] en dwangsom\n\n4.8.. \n [persoon 1] vordert in conventie afgifte van de auto door [bedrijf] . [bedrijf] heeft niet betwist dat [persoon 1] als bezitter van de auto recht heeft op afgifte daarvan, zij het na betaling van de kosten. Nu in reconventie betaling door [persoon 1] van € 300,00 exclusief BTW wordt toegewezen, zal de kantonrechter de vordering tot afgifte van de auto toewijzen, met dien verstande dat [bedrijf] tot afgifte van de auto moet overgaan nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW aan loon heeft betaald.\n\n4.9.. \n [persoon 1] vordert verder in conventie [bedrijf] te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname (door een gerechtsdeurwaarder) van de staat van de auto en een inventarisatie daarvan, alsookschriftelijk te bevestigen dat geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd en dat de auto zich in dezelfde staat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1]. Deze vorderingen zullen worden afgewezen wegens gebrek aan enig gesteld belang. Na afgifte van de auto door [bedrijf] kan indien dan nog gewenst een deurwaarder een dergelijk proces-verbaal opstellen. Daar is de medewerking van [bedrijf] niet voor nodig. Daarbij zal van zelf blijken of de auto zich in dezelfde staat bevindt als bij afgifte door [persoon 1] .\n\n4.10.. Ook vordert [persoon 1] in conventie veroordeling van [bedrijf] tot betaling van een dwangsom voor de tijd dat hij in gebreke blijft met het voldoen aan de veroordelingen in dit vonnis. [bedrijf] vindt de dwangsom, mede gelet op de leeftijd en de beperkte waarde van de auto, exorbitant hoog. De kantonrechter zal evenwel de gevorderde dwangsom toewijzen als hierna in het dictum aangegeven, te meer nu [bedrijf] deze pas verschuldigd wordt als hij in gebreke blijft met voldoening aan de veroordelingen nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW heeft betaald.\n\nProceskosten\n\n4.11.. In conventie is [bedrijf] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [persoon 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [bedrijf] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.13.. In reconventie is [persoon 1] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.009,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [bedrijf] om, binnen 24 uur na ontvangst van [persoon 1] van het in reconventie aan [bedrijf] toegewezen bedrag zoals hierna opgenomen onder 5.7, aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto (merk: Mercedes, model E200CDI, (Roemeens) [kenteken] en [chassisnummer] en deze auto aan [persoon 1] af te geven, alsook de in de auto aanwezige persoonlijke documenten,\n\n5.2.. veroordeelt [bedrijf] om aan [persoon 1] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.3.. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [persoon 1] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 300,00 exclusief btw,\n\n5.8.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Artikel 7:405 lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Artikel 7:405 lid 2 Burgerlijk Wetboek.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.143Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1680","ECLI:NL:RBLIM:2026:5453","ecli-nl-rblim-2026-5453","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 11999112 \\ CV EXPL 25-5321\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij] B.V.,\n\nte [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij],\n\ngemachtigde: DAS Rechtsbijstand,\n\ntegen\n\nBREAK-AWAY.CC B.V. M.H.O.D.N. BREAKAWAY LIMBURG B.V.,\n\nte Sint Geertruid, Eijsden-Margraten,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Breakaway,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 4, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek met productie 5, - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisende partij] heeft voor Breakaway diverse boekhoudkundige werkzaamheden verricht.\n\n2.2.. In 2023 en 2024 heeft [eisende partij] in verband met deze werkzaamheden onder andere onder andere de volgende facturen aan Breakaway gestuurd:\n\n€ 605,00 factuur 22 augustus 2023,\n\n€ 199,65 factuur 18 november 2023,\n\n€ 750,20 factuur 16 december 2023,\n\n€ 254,10 factuur 15 januari 2024,\n\n€ 868,18 factuur 24 februari 2024.\n\n2.3.. Breakaway heeft de bovenstaande facturen van in totaal € 2.677,13 onbetaald gelaten.\n\n2.4.. Op 11 januari 2024 heeft Breakaway aan [eisende partij] een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:\n\n“Na lang nadenken heb ik besloten om vanaf 1 januari 2024 de boekhouding zelf te gaan doen, inclusief btw-aangifte en de jaarrekening. (…) Ik waardeer alle ondersteuning die jullie tot nu toe hebben geboden. Jullie werk was absoluut van waarde, maar ik merk dat ik moeite had met het gebrek aan direct inzicht in mijn cijfers.”\n\n2.5.. Bij brief van 3 en 26 april 2024 en 24 september 2024 heeft de incassogemachtigde van [eisende partij] Breakaway gesommeerd om tot betaling van de openstaande facturen van in totaal € 2.677,13 over te gaan, waarbij Breakaway € 392,71 aan incassokosten in het vooruitzicht zijn gesteld als zij niet binnen vijf dagen na ontvangst van de brief zou betalen. Het betreffende bedrag is niet binnen de door [eisende partij] gestelde termijn betaald.\n\n2.6.. Bij e-mail van 1 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eisende partij] Breakaway verzocht om het bedrag van € 2.677,13 aan onbetaalde facturen binnen veertien dagen na ontvangst te betalen.\n\n2.7.. Breakaway heeft nadat zij daartoe meermaals is gesommeerd de facturen niet betaald, waarna zij is gedagvaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Breakaway tot betaling van € 3.181,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 over\n\n€ 2.677,13, € 392,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Breakaway in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Het bedrag van € 3.181,86 kan als volgt worden gespecificeerd:\n\n€ 2.677,13 aan onbetaalde facturen (hierna: de hoofdsom),\n\n€ 504,83 aan rente tot en met 8 juli 2025.\n\n3.3.. \n [eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat Breakaway toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst van opdracht. Breakaway heeft tot op heden nagelaten om de achterstand in betalingen te voldoen.\n\n3.4.. Break-Away voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij].\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De vraag die in dit geschil centraal staat, is of [eisende partij] aanspraak kan maken op betaling van de aan Breakaway verzonden facturen van in totaal € 2.677,13, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter komt tot het oordeel dat Breakaway de facturen van [eisende partij], de rente en de buitengerechtelijke incassokosten moet betalen. Hierna zal worden toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nOvereenkomst\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat Breakaway met [eisende partij] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten voor onder andere het verzorgen van de administratie van Breakaway.\n\nTekortkoming in de nakoming\n\n4.3.. Allereerst moet worden beoordeeld of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van Breakaway.[eisende partij] stelt dat dat het geval is, omdat Breakaway de facturen van 22 augustus 2023 en 18 november 2023 tot en met 24 februari 2024 niet heeft betaald. De kantonrechter oordeelt daartoe als volgt.\n\n4.4.. \n\nTussen partijen is overeengekomen dat [eisende partij] onder andere de boekhouding voor Breakaway doet. Op basis daarvan heeft [eisende partij] een vijftal facturen gestuurd voor in totaal\n\n€ 2.677,13. Breakaway heeft deze facturen onbetaald gelaten. In beginsel levert dit een tekortkoming in de betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst op. Breakaway dient immers voor de geleverde diensten van [eisende partij] te betalen. Breakaway stelt echter dat zij de facturen niet hoeft te betalen, omdat zij gedurende de samenwerking meerdere malen aan [eisende partij] heeft medegedeeld dat zij niet tevreden is over de samenwerking. Zij geeft aan dat de communicatie slecht was, stukken te laat of niet werden aangeleverd en dat zij geen inzicht kreeg in haar eigen boekhouding. Op 11 januari 2024 heeft Breakaway per e-mail aan [eisende partij] medegedeeld dat zij per 1 januari 2024 haar eigen boekhouding gaat doen. Zij stelt dat zij vervolgens zeer hoge en onvoldoende gespecificeerde facturen van [eisende partij] heeft ontvangen. Volgens haar was niet duidelijk om welke werkzaamheden het ging, over welke periode de werkzaamheden zijn uitgevoerd en om hoeveel uren het ging. [eisende partij] betwist de stelling van Breakaway en stelt dat Breakaway in februari 2024 voor het eerst geklaagd over het door [eisende partij] verrichte werk. Door pas dan te klagen heeft, volgens [eisende partij], Breakaway de klachtplicht als bedoeld in art. 6:89 BW geschonden, te weten om binnen bekwame tijd te protesteren tegen een gebrek in de door [eisende partij] verrichte prestatie. Zij heeft nooit eerder geklaagd of [eisende partij] in gebreke gesteld, waardoor zij hem nooit de gelegenheid heeft geboden om werkzaamheden te herstellen, aldus [eisende partij]. Bovendien heeft Breakaway in de e-mail van 11 januari 2024 nog te kennen geeft dat zij de ondersteuning van [eisende partij] waardeerde en het verrichte werk absoluut van waarde was.\n\n4.5.. Breakaway heeft zich vervolgens bij conclusie van dupliek tegen het beroep op de klachtplicht verweerd door te stellen dat zij tijdens de samenwerking meerdere keren per e-mail, telefonisch en in gesprekken heeft aangegeven dat zij niet tevreden was over de samenwerking. Dit heeft Breakaway echter niet nader onderbouwd, met bijvoorbeeld afdrukken van die e-mails, data van gesprekken met bij naam te noemen personen. De kantonrechter gaat daar dan ook verder aan voorbij, zodat [eisende partij] met succes een beroep doet op het schenden van de klachtplicht. Het gevolg van het achterwege laten van een dergelijk protest is dat Breakaway haar recht heeft verwerkt bezwaren op te werpen tegen het door [eisende partij] verrichtte werk. De gevorderde hoofdsom komt derhalve voor volledige toewijzing in aanmerking.\n\n4.6.. Voor zover Breakaway stelt door de gestelde tekortkomingen van [eisende partij] voor een bedrag van € 1.379,10 aan schade te hebben geleden, kan de kantonrechter dit verweer niet volgen. Breakaway heeft haar stellingen tegenover de ontkenning daarvan door [eisende partij] niet of nauwelijks gemotiveerd en onderbouwd. Breakaway heeft aan deze stellingen ook geen (juridische) gevolgen verbonden die kunnen rechtvaardigen dat zij de facturen van [eisende partij] niet hoeft te betalen.\n\n4.7.. Ook als het verweer van Breakaway als een beroep op ontbinding, opschorting of verrekening zou worden opgevat, kan het niet tot de door Breakaway gewenste gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering van [eisende partij] leiden. Door de betwisting van [eisende partij] ligt het op de weg van Breakaway om haar stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door te laten zien waarom de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd zoals overeengekomen. De stelling dat de communicatie slecht was, stukken te laat of niet werden aangeleverd en dat zij geen inzicht kreeg in haar eigen boekhouding en daardoor werk zelf heeft moeten verrichten is, zonder nadere toelichting, onvoldoende, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van gebrekkig werk. Er kan namelijk niet worden vastgesteld waaruit de gestelde tekortkomingen van [eisende partij] precies bestaan en wat de gevolgen daarvan zijn, en evenmin of Breakaway daardoor schade heeft geleden en zo ja, welke. Het beroep van Breakaway op een tekortkoming in de nakoming slaagt daarom niet.\n\n4.8.. De conclusie van het voorgaande is, dat Breakaway zal worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 2.677,13.\n\nRente\n\n4.9.. Omdat Breakaway in verzuim is met de betaling van de facturen, zal de tot en met 8 juli 2025 gevorderde wettelijke handelsrente van € 504,83 als onbetwist worden toegewezen.\n\n4.10.. Naar het oordeel van de kantonrechter zal de gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 2.677,13 echter pas worden toegewezen vanaf 9 juli 2025 in plaats van de gevorderde 8 juli 2025. Door [eisende partij] is immers al een bedrag van € 504,83 aan wettelijke handelsrente tot en met 8 juli 2025 gevorderd, waardoor ook pas weer vanaf dat moment opnieuw rente kan worden gevorderd.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.11.. \n [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 392,71 worden toegewezen.\n\nProces- en nakosten\n\n4.12.. Breakaway is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,35\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.268,85\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.14.. De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Breakaway om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 3.181,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.677,13, met ingang van 9 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Breakaway om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 392,71 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt Breakaway in de proceskosten van € 1.268,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Breakaway niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt Breakaway tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\nArtikel 6:74 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5453","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.207Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":55},"1682","ECLI:NL:RBLIM:2026:5452","ecli-nl-rblim-2026-5452","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12102489 \\ CV EXPL 26-848\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nBILLINK FINANCE B.V. h.o.d.n. BILLINK,\n\nte Gouda,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Billink,\n\ngemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 februari 2026 met producties 1 tot en met 5 - de schriftelijke weergave van het antwoord met ongenummerde producties - de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis met producties 6 tot en met 9 - de conclusie van dupliek met ongenummerde producties.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. Billink vordert - samengevat en na eisvermeerdering - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 96,42 (€ 56,31 aan hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en € 0,11 aan wettelijke rente tot aan de dag van dagvaarding), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten.\n\n2.2.. Billink legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft op 16 januari 2025 via de webwinkel “[webwinkel]” (hierna: de webwinkel) in totaal 12 producten besteld. Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing. [gedaagde] heeft bij het afrekenen van de online bestelling gekozen voor de betaalmogelijkheid “achteraf betalen” via Billink. Door deze keuze werd de vordering op [gedaagde] tot betaling van de koopprijs direct door de webwinkel in eigendom overgedragen aan Billink middels cessie ex artikel 3:94 BW. Billink heeft op 16 januari 2025 een factuur verstuurd voor een totaalbedrag van € 278,33. De betaling diende plaats te vinden vóór 30 januari 2025. [gedaagde] heeft twee producten gehouden en de rest van de bestelling geretourneerd. Voor de producten die [gedaagde] gehouden heeft, is zij een bedrag verschuldigd van € 46,39. [gedaagde] is daarnaast de retourkosten van € 9,92 verschuldigd. [gedaagde] is dus in totaal € 56,31 aan hoofdsom verschuldigd. Billink heeft meerdere aanmaningen verstuurd, maar [gedaagde] heeft niet betaald. [gedaagde] dient dan ook de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente te betalen.\n\n2.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij alle 12 ontvangen producten tijdig heeft geretourneerd. [gedaagde] heeft bevestigingen van die retournering ontvangen van de webwinkel en deze bevestigingen overgelegd. Uit die bevestigingen volgt dat de webwinkel de producten op 11 februari 2025 heeft ontvangen en op 13 februari 2025 de retourzending verwerkt heeft. [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 per e-mail een betalingsherinnering ontvangen van Billink. [gedaagde] ging ervan uit dat de retourzending nog verwerkt moest worden en achtte deze e-mail daarom niet relevant. Volgens [gedaagde] heeft zij op 24 februari 2026 contact gehad met Billink en toen werd aan haar medegedeeld dat er geen probleem was met haar dossier. [gedaagde] voert aan dat zij verder nooit aanmaningen heeft ontvangen, maar dat dit wellicht kan komen omdat zij in de tussentijd verhuisd is. Volgens [gedaagde] is zij rauwelijks gedagvaard.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing informatieverplichtingen en bedingen in algemene voorwaarden\n\n3.1.. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar (de webwinkel) en een consument ([gedaagde]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de essentiële wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW worden voldaan. De kantonrechter oordeelt, gelet op de stellingen van Billink en de bij de dagvaarding overgelegde producties, dat is voldaan aan de voornoemde verplichtingen.\n\n3.2.. Billink vordert betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen of in de algemene voorwaarden een oneerlijke rente- of bikbeding is opgenomen. De kantonrechter merkt op dat in de overgelegde algemene voorwaarde geen rente- of bikbeding is opgenomen.\n\nDe hoofdsom\n\n3.3.. De stelling van [gedaagde] dat zij rauwelijks gedagvaard is wordt bij de beoordeling van de hoofdsom onbesproken gelaten. Mocht sprake zijn van rauwelijks dagvaarden, dan kan dit hoogstens gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling.\n\n3.4.. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een bestelling heeft geplaatst bij de webwinkel ter waarde van € 278,33 en dat [gedaagde] daarbij heeft gekozen voor achteraf betalen, waarbij de vordering over is gegaan op Billink. Ook staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de bestelde producten heeft ontvangen. Dit maakt dat het risico voor de producten overeenkomstig artikel 7:11 lid 1 BW vanaf het moment van ontvangst bij [gedaagde] ligt. In het geschil is of [gedaagde] alle producten heeft geretourneerd. Mocht dat zo zijn, dan is [gedaagde] niets meer verschuldigd aan Billink.\n\n3.5.. \n [gedaagde] stelt dat zij alle 12 producten geretourneerd heeft. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [gedaagde] om te stellen en te onderbouwen dat zij de volledige bestelling retour heeft gezonden en dat de bestelling ook volledig is ontvangen door de webwinkel. Zoals [gedaagde] ook al zelf aankaart, kan [gedaagde] dat niet omdat in de bevestigingen van de webwinkel geen specifieke producten genoemd zijn. Billink heeft daarentegen na het uitbrengen van de dagvaarding navraag gedaan bij de webwinkel en deze heeft bevestigd dat 10 van de 12 producten geretourneerd zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Billink van € 46,39 met betrekking tot de twee niet geretourneerde producten toewijsbaar is.\n\n3.6.. Voorts moet worden beoordeeld of [gedaagde] de retourkosten ter hoogt van € 9,92 aan Billink dient te vergoeden. Op grond van artikel 6:230s lid 2 BW draagt de consument de kosten van het terugzenden van de zaak, tenzij de handelaar heeft nagelaten de consument mede te delen dat hij deze kosten moet dragen. Uit het door Billink overgelegde voorbeeld van het bestelproces (productie 1) blijkt dat op de website onder “Retourneren” het volgende is opgenomen: “Servicepoint EUR 2,99 incl. eerste 3 items + EUR 0,99 per extra item”. De webwinkel heeft er dan ook op gewezen dat de consument de retourkosten moet dragen. Op grond van het voorgaande worden de gevorderde retourkosten toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n3.7.. Billink vordert de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de factuur (30 januari 2025). [gedaagde] verkeert vanaf voornoemde datum in verzuim en [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.\n\nBuitenrechtelijke incassokosten\n\n3.8.. Billink vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Billink heeft op 3 februari 2025 aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde] erkent deze aanmaning te hebben ontvangen. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 40,00 worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n3.9.. Volgens [gedaagde] heeft zij na de aanmaning van 3 februari 2025 niets meer vernomen van Billink en is zij een jaar later dan ook rauwelijks gedagvaard. Billink betwist dit. Uit de door Billink overgelegde stukken blijkt dat Billink meerdere e-mails heeft verstuurd aan het bekende e-mailadres van [gedaagde]. Billink heeft daarnaast op 27 maart 2025 een laatste aanmaning per post verstuurd naar het bij Billink bekende adres te [plaats 2]. Billink heeft een uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) overgelegd als productie 7 en daaruit volgt dat [gedaagde] op 29 september 2025, dus een half jaar na de laatste aanmaning, is verhuisd naar een adres te [plaats 1]. De kantonrechter kan op grond van het voorgaande dan ook niet concluderen dat [gedaagde] rauwelijks gedagvaard is. Er is dan ook geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 237 Rv dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. [gedaagde] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Billink worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n127,08\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n86,00\n\n(2 punten × € 43,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n21,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n373,58\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Billink te betalen een bedrag van € 96,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 46,39, met ingang van 4 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 373,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5452","2026-07-13T00:29:33.311Z",20]