[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-employment-contract-termination-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},156,"employment-contract-termination-nl","Employment Contract Termination","NL","2026-07-08T17:00:45.330Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-06-11T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124105","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 283",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124109","Burgerlijk Wetboek","art. 7:673 lid 9",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"124110","art. 6:106 lid 1",[34,45,54],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1248","ECLI:NL:RBLIM:2026:5188","ecli-nl-rblim-2026-5188","","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12136542 \\ AZ VERZ 26-43\n\nBeschikking van 11 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\ngemachtigde: mr. N. Soro,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon.\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [werknemer] en [werkgever] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van [werknemer] en het schrijven van [werkgever] dat ontvangen is per e-mail op 20 mei 2026 en dat de kantonrechter heeft opgevat als verweerschrift.\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. [werkgever] heeft zich per e-mail van 20 mei 2026 hiervoor afgemeld en is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen [werknemer] ter toelichting op zijn standpunten ter zitting naar voren heeft gebracht.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren [datum] 1968, is op 4 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [werkgever] , in de functie van “Sloper I”, met een loon van € 3.158,27 bruto per maand, exclusief emolumenten. De arbeidsovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor de duur van twaalf maanden en vervolgens op 4 november 2025 verlengd voor nog eens twaalf maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bouw en Infra van toepassing verklaard.\n\n2.2.. Naast de werkzaamheden die [werknemer] in loondienst voor [werkgever] verrichtte, had hij een eenmanszaak als glazenwasser. Eind 2024 heeft [werknemer] in zijn privésituatie blijvend letsel aan zijn knie opgelopen waardoor hij genoodzaakt was de eenmanszaak stop te zetten. Door het wegvallen van dit inkomen kon [werknemer] de lease van de rolstoelbus voor zijn (stief)dochter, die beperkingen heeft, niet meer betalen.\n\n2.3.. Medio 2025 heeft [werknemer] zijn nijpende financiële situatie met de heer [leidinggevende], leidinggevende bij [werkgever] , besproken en verzocht om een lening dan wel voorschot op zijn loon. [werkgever] heeft daar negatief op gereageerd. De rolstoelbus is vervolgens openbaar geveild maar bracht aanzienlijk minder op dan de koopsom waardoor voor [werknemer] een schuld ontstond, waarvoor hij een betalingsregeling heeft kunnen treffen.\n\n2.4.. \n\nOp 12 januari 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 12 januari 2026 heeft [werkgever] vermeld:\n\n“(…) Ondanks eerdere waarschuwingen merken wij onvoldoende verbetering in uw functioneren en werkhouding. Er blijven meldingen en klachten binnenkomen over uw werktempo, het correct registreren van uw uren, uw houding en motivatie. Uw leidinggevenden hebben herhaaldelijk zorgen geuit over uw bijdrage aan het team en de uitvoering van uw taken. Gezien het herhaaldelijke gebrek aan verbetering zijn wij genoodzaakt uw dienstverband te beëindigen. (…)”\n\n2.5.. Door het wegvallen van zijn inkomen bij [werkgever] is [werknemer] nog verder in de financiële problemen geraakt. Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de betalingsregeling inzake de rolstoelbus. Ook is er een huurachterstand ontstaan met betrekking tot de door [werknemer] gehuurde rolstoelvriendelijke woning. [werknemer] leasede tevens een camper maar ook aan die betalingsverplichting kon hij niet meer voldoen.\n\n2.6.. Sinds medio maart 2026 werkt [werknemer] via een uitzendbureau.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [werknemer] berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst en verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding toe te kennen en om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [werknemer] voert aan dat de redenen die [werkgever] voor het ontslag op staande voet heeft gegeven voornamelijk zien op disfunctioneren en dat levert geen dringende reden in de zin van de wet op. Bovendien betwist [werknemer] de verwijten die hem worden gemaakt ten aanzien van zijn functioneren. Hij heeft voorafgaand aan het ontslag op staande voet nooit een officiële waarschuwing van [werkgever] ontvangen en [werkgever] heeft aan hem ook nooit een concreet en reëel verbetertraject aangeboden. Op 4 november 2025 is zijn arbeidsovereenkomst nog voor een jaar verlengd. Dat zou niet gebeurd zijn als hij niet goed functioneerde, aldus [werknemer] .\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [werknemer] moeten worden afgewezen. [werkgever] voert – samengevat – aan dat sprake is van structureel en verwijtbaar disfunctioneren, het niet opvolgen van redelijke instructies van de werkgever en het uitblijven van verbetering ondanks herhaalde waarschuwingen en geboden ondersteuning en dat dit dringende redenen zijn die het ontslag op staande voet rechtvaardigen. [werkgever] voert tevens aan dat zij meerdere voorstellen heeft gedaan om [werknemer] in staat te stellen zijn functioneren te verbeteren maar [werknemer] heeft expliciet aangegeven hier geen gebruik van te willen maken, aldus [werkgever] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werknemer] aanspraak kan maken op de door hem verzochte billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. Voor het antwoord op die vraag is bepalend of het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is of niet.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is een uiterste maatregel die, gelet op de verstrekkende gevolgen, slechts gegeven mag worden als sprake is van een dringende reden. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is een partij in dat geval bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen vanwege die dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Onder een dringende reden moet worden verstaan zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.\n\nDringende reden\n\n4.3.. Voor de beoordeling van de vraag of een dringende reden aanwezig is, zijn de aan [werknemer] meegedeelde redenen, die staan vermeld in de ontslagbrief van 12 januari 2026, maatgevend. De door [werkgever] genoemde redenen komen erop neer dat [werkgever] niet tevreden was over de manier waarop [werknemer] zijn functie vervulde. Hoe [werknemer] precies zijn functie vervulde en wat daaraan niet deugde, is niet duidelijk geworden aangezien de ontslagbrief uitblinkt in vaagheid op dat punt. Het niet voldoende functioneren of disfunctioneren is daarbij op zichzelf niet voldoende voor een dringende reden voor ontslag op staande voet, nog daargelaten dat [werknemer] betwist dat hij niet goed functioneerde en dat hij stelt dat hij de door [werkgever] overgelegde waarschuwingen met betrekking tot zijn functioneren – die ook vaag zijn en geen concrete verwijten bevatten – nooit heeft ontvangen. Waarom op 12 januari 2026 ineens de maat vol was voor [werkgever] en overgegaan moest worden tot een ontslag op staande voet, heeft zij niet nader toegelicht. Het door [werkgever] geschetste beeld van een disfunctionerende werknemer kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter in elk geval niet als een zodanige daad, eigenschap of gedraging van [werknemer] , dat van [werkgever] redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bepaald is in de wet. Het had op de weg van [werkgever] gelegen, nu zij van mening was dat het functioneren van [werknemer] ondermaats was, om dat concreet te onderbouwen en vervolgens de daarvoor geëigende paden te bewandelen. De wetvereist in een dergelijk geval van een werkgever dat hij de werknemer een serieuze en reële gelegenheid tot verbetering biedt, zoals een concreet verbeterplan dat tussentijds wordt geëvalueerd, en dat de werkgever duidelijk maakt dat bij gebreke van verbetering ontslag zal volgen.\n\n4.4.. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de door [werkgever] aangedragen feiten en omstandigheden geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.\n\nGefixeerde schadevergoeding\n\n4.5.. Doordat [werknemer] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 12 januari 2026 is de arbeidsovereenkomst beëindigd zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is [werkgever] daarvoor een vergoeding verschuldigd aan [werknemer] die gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.\n\n4.6.. Uit artikel 1.2 van de arbeidsovereenkomst volgt dat bij opzegging de wettelijke opzegtermijn geldt. In de arbeidsovereenkomst is verder bepaald dat opzegging niet hoeft te gebeuren tegen het einde van de kalendermaand. Rekening houdende met een maand opzegtermijn zou de arbeidsovereenkomst, bij een opzegging op 12 januari 2026, dus eindigen op donderdag 12 februari 2026. Artikel 1.6.3 van de toepasselijke cao (versie 2025-2027) schrijft echter voor dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van een bouwplaatswerknemer, zoals [werknemer] , dient te gebeuren tegen het einde van een kalenderweek en dat de feitelijke beëindiging plaatsvindt op een maandag. Hiermee rekening houdende, concludeert de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst van [werknemer] bij een regelmatige opzegging op 12 januari 2026 geëindigd zou zijn op maandag 16 februari 2026.\n\n4.7.. \n [werknemer] heeft – onweersproken – gesteld dat hij maandelijks structureel overwerk verrichtte en gemiddeld een bedrag van € 433,60 bruto per maand aan overwerkvergoeding ontving, hetgeen hij heeft onderbouwd door de overgelegde loonstroken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een gemiddeld brutoloon van € 3.591,87 exclusief vakantietoeslag.\n\n4.8.. Over de maand januari 2026 heeft [werkgever] een bedrag van € 1.622,18 aan [werknemer] voldaan zodat voor die maand nog een bedrag van € 1.969,69 bruto door [werkgever] resteert te betalen. In de periode van 1 tot en met 16 februari 2026 was er sprake van elf van de twintig werkdagen in die maand zodat over die periode € 1.975,53 brutoloon verschuldigd was, namelijk 11\u002F20e deel van het maandloon inclusief overwerkvergoeding. Vermeerderd met de vakantietoeslag van 8% bedraagt de totale gefixeerde schadevergoeding € 4.260,84 bruto.\n\n4.9.. De wettelijke rente over dit bedrag zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 12 januari 2026.\n\nTransitievergoeding\n\n4.10.. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.\n\n4.11.. De kantonrechter dient ambtshalve de hoogte van de transitievergoeding vast te stellen.Bij de berekening daarvan moet hier worden uitgegaan van een fictieve einddatum van 16 februari 2026, omdat het gaat om de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Verder wordt ook in deze berekening uitgegaan van een gemiddelde maandelijkse overwerkvergoeding van € 433,60 bruto zoals onweersproken gesteld door [werknemer] . Ten slotte wordt in de berekening 8% vakantietoeslag over het loon en de overwerkvergoeding meegenomen. Uitgaande van deze gegevens bedraagt de transitievergoeding € 1.662,40 bruto. [werkgever] zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag.\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 12 februari 2026.\n\nBillijke vergoeding\n\n4.13.. Artikel 7:681 lid 1 onder a BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarvan is hier sprake omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n4.14.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding heeft de Hoge Raadeen aantal uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Daarbij kan de kantonrechter de vraag in aanmerking nemen of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had kunnen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd.\n\n4.15.. Uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding is in de eerste plaats de inkomensschade die [werknemer] leidt als gevolg van het ontslag op staande voet, omdat die schade een gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] en daaraan toegerekend kan worden.\n\n4.16.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat zij niet tevreden was over het functioneren van [werknemer] . Een ontslag op die grond verlangt echter eerst het aanbieden van een verbetertraject. In het geval [werkgever] aan [werknemer] een verbetertraject had aangeboden, had het voor de hand gelegen dat dit traject een aantal maanden in beslag zou hebben genomen. Mogelijk had [werknemer] daarmee zijn baan kunnen behouden en zo niet, dan had ook het aanvragen van een ontslag op die grond nog behoorlijk wat tijd in beslag kunnen nemen. Nu heeft [werknemer] plots een nieuwe baan moeten zoeken. Weliswaar heeft hij sinds medio maart 2026 een nieuwe baan gevonden maar dat is werk via een uitzendbureau en dus vrij onzeker, terwijl hij, bij het voortduren van zijn dienstverband bij [werkgever] , mogelijk had kunnen rekenen op een stabiel inkomen tot 4 november 2026. Ter zitting heeft [werknemer] nog toegelicht dat hij meer dan zestig sollicitaties heeft moeten versturen voordat hij deze baan heeft kunnen vinden en dat zijn positie op de arbeidsmarkt dus niet erg rooskleurig is. Verder speelt bij de begroting van de billijke vergoeding een rol dat [werkgever] op oneigenlijke wijze een traject van disfunctioneren uit de weg is gegaan, door op onhoudbare grond een ontslag op staande voet te geven. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het gegeven dat [werknemer] zijn nijpende financiële positie en privésituatie bij [werkgever] heeft aangekaart en dat [werkgever] desondanks, op een ongeldige grond, naar het uiterste middel van het ontslag op staande voet heeft gegrepen.\n\n4.17.. Bij het bepalen van de billijke vergoeding wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [werknemer] de gefixeerde (schade)vergoeding toegewezen krijgt, zijnde het loon over de opzegtermijn van iets meer dan een maand. Dat is immers een gestandaardiseerde vergoeding voor het gemiste inkomsten over de duur van de opzegtermijn en komt in mindering op de factor inkomensschade als onderdeel van de billijke vergoeding.\n\n4.18.. Gelet op al het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen van € 23.275,32 bruto, gelijk aan het brutoloon over zes maanden, vermeerderd met de gemiddelde maandelijkse overwerkvergoeding en 8 % vakantietoeslag.\n\n4.19.. \n [werkgever] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 23.275,32 bruto. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nProceskosten\n\n4.20.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.21.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.260,84 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.662,40 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 23.275,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 sub d BW.\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n ECLI:NL:HR:2025:365.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1286.\n\n Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n ECLI:NL:HR:2017:1187.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5188","2026-05-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:12.055Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":43,"updatedAt":53},"1257","ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","ecli-nl-rblim-2026-4905","2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12098846 \\ AZ VERZ 26-27\n\nBeschikking van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werkgever] BV,\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] bc,\n\ntegen\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek met bijlagen 1 tot en met 27 - de door [werkgever] overgelegde aanvullende bijlagen 9 tot en met 15\n\n- de spreekaantekeningen van de heer Wassen\n\n- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren op [datum] 1967, is sinds 1 november 1998 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is Management- en P&O assistente met een loon van € 4.840,01 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag).\n\n2.2.. De werkzaamheden van [werknemer] bestaan uit directiesecretariaat, HR-administratie en wagenparkbeheer. Daarnaast is zij vertrouwenspersoon binnen [werkgever] .\n\n2.3.. In het functioneringsverslag 2023\u002F2024 heeft de (toenmalige) leidinggevende van [werknemer] haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een lage score gegeven. Verder staat er bij “Focuscompetenties” het volgende vermeld:\n\n“Focus besproken tijdens Functioneringsgesprek:\n\nReflectie en communicatie: Zoals aangegeven de communicatie met sommige medewerkers gaat niet altijd vlekkeloos. Dit wil niet zeggen dat je niet duidelijk moet communiceren dat dingen bv niet kunnen, maar het is de toon die de muziek maakt en dit is soms wat te aanvallend, wat sommige medewerkers erg afschrikt.”\n\n2.4.. In het functioneringsverslag 2024\u002F2025 heeft de (huidige) leidinggevende van [werknemer] , de heer [leidinggevende] (hierna; [leidinggevende] ), haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een midden score gegeven. Verder heeft [leidinggevende] [werknemer] op sommige competenties een hogere score gegeven dan [werknemer] zichzelf had gegeven.\n\n2.5.. Op 6 augustus 2025 heeft [werkgever] voor [werknemer] een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. [werkgever] heeft hierin aangevoerd dat de functie van [werknemer] is komen te vervallen doordat de werkzaamheden voor het wagenpark binnen een andere afdeling zijn ondergebracht en haar andere werkzaamheden onder collega’s zijn verdeeld.\n\n2.6.. Op 13 augustus 2025 is het bedrijfsaccount van [werknemer] in opdracht van de heer [directeur] (hierna: [directeur] ), directeur bij [werkgever] , vergrendeld.\n\n2.7.. \n [werknemer] heeft zich op 14 augustus 2025 ziek gemeld.\n\n2.8.. Het UWV heeft op 15 december 2025 geweigerd om toestemming te geven om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen. In deze beslissing staat - onder meer - het volgende:\n\n“Financiële situatie\n\n(…)\n\nUit de overgelegde cijfers maken wij op dat bij werkgever in de jaren 2022 tot en met 2024 er sprake is geweest van een negatief bedrijfsresultaat. Werkgever heeft nagelaten de verzochte 26-weken prognoses resultatenrekening van de onderneming bij gewijzigd en ongewijzigd beleid te overleggen. (…) Het is ons onduidelijk welk resultaat werkgever precies beoogt te bewerkstelligen met het voorgenomen ontslag van werknemer en of deze maatregel in verhouding staat tot de resultaten.\n\nHet is ons daarnaast niet duidelijk geworden aan de hand van de uitleg van werkgever en de door hem overgelegde stukken, waarom er op dit specifieke moment dient te worden ingegrepen en waarom het verval van de functie van de werknemer noodzakelijk en doelmatig is. (…) Waarom een besparing specifiek op de functie van werknemer zou moeten zien, volgen wij niet uit de stukken. Daarnaast is gebleken dat nieuwe werknemers zijn aangenomen na indiening van de ontslagaanvraag. Ook op de afdeling van werknemer. Een en ander draagt niet bij aan het inzicht tot noodzaak van het verval van de arbeidsplaats van werknemer.\n\n(…)\n\nOntslagvolgorde\n\n(…)\n\nNaar onze mening is niet helder onderbouwd wat de functie van werknemer is en wat haar taken zijn. Werknemer heeft verschillende stukken overgelegd waaruit haar functie en de invulling daarvan blijken. Werkgever heeft echter nagelaten de invulling van de functie met consistente stukken te onderbouwen. Onduidelijk blijft daarom of er sprake is van een unieke functie of een duobaan en of het afspiegelingsbeginsel had moeten worden toegepast. (…)”\n\nEindoordeel\n\nWij vinden dat er geen redelijke grond voor het ontslag van werknemer is.”\n\n2.9.. De bedrijfsarts heeft in zijn terugkoppeling van de spreekuren van 29 oktober 2025, 17 december 2025 en 26 januari 2026 geadviseerd om mediation te starten omdat het arbeidsconflict in de weg staat aan re-integratie.\n\n2.10.. \n [werkgever] heeft op 6 februari 2026 een offerte voor mediation ondertekend.\n\n2.11.. \n [werkgever] heeft op 13 februari 2026 het ontbindingsverzoek ingediend.\n\n2.12.. De bedrijfsarts heeft [werkgever] op 9 maart 2026 in de terugkoppeling van het spreekuur het volgende laten weten:\n\n“In het vorige consult in mediation geadviseerd, naar ik heb vernomen heeft dit nog niet plaatsgevonden.”\n\n3. Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek\n\n3.1.. \n [werkgever] verzoekt - na intrekking van het primaire verzoek en na hernummering -:\n\nprimair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), met toekenning van de transitievergoeding en zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nsubsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van disfunctioneren (d-grond), zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van de combinatiegrond (i-grond), met toekenning van de wettelijke cumulatievergoeding;\n\nuiterst subsidiair: indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werknemer] wordt ontbonden, de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto toe te wijzen en de verzochte billijke vergoeding aanzienlijk te matigen;\n\nde verzochte werkelijke advocaatkosten af te wijzen en de proceskosten te begroten conform het liquidatietarief.\n\n3.2.. \n [werkgever] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt doordat er grote twijfels zijn over de integriteit van [werknemer] . Zowel bij [directeur] als bij de directieleden, het MT en de HR-afdeling is geen vertrouwen meer in [werknemer] . Daardoor kan van [werkgever] niet meer worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Verder is [werknemer] meerdere keren gewaarschuwd dat er een gebrek is aan integriteit en dat zij niet met vertrouwelijke informatie om kan gaan. Ondanks deze waarschuwingen heeft dit niet tot enige verbetering in haar functioneren geleid. Ook moesten haar werkzaamheden ten aanzien van het wagenparkbeheer steeds worden gecontroleerd omdat die niet juist waren uitgevoerd. Daardoor is eveneens sprake van disfunctioneren van [werknemer] .\n\n3.3.. \n [werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding primair moet worden afgewezen. [werknemer] voert aan - samengevat - dat sprake is van een opzegverbod omdat zij al voor de officiële ziekmelding van 14 augustus 2025 spanningsklachten had door de samenwerking met [directeur] . Verder is de verstoring van de arbeidsverhoudingen door [werkgever] veroorzaakt doordat [werkgever] onaangekondigd en onverwacht haar account heeft geblokkeerd, heeft verzocht haar te ontheffen als vertrouwenspersoon en op oneigenlijke gronden een procedure bij het UWV is gestart. [werknemer] betwist verder dat sprake zou zijn van disfunctioneren. De waarschuwingen waarnaar [werkgever] verwijst, heeft [werknemer] nooit ontvangen. Bovendien heeft zij altijd goede functioneringsbeoordelingen gekregen.\n\n3.4.. \n\nVoor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] om:\n\nI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. voor zover de ontbinding plaatsvindt op de i-grond, de maximale cumulatievergoeding toe te kennen;\n\nV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVII. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.5.. \n\n [werknemer] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor het geval het ontbindingsverzoek van [werkgever] wordt afgewezen of het verzoek door [werkgever] wordt ingetrokken. Voor dat geval verzoekt zij:\n\nI. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van 7:671c BW onder toekenning van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling van het verzoek\n\nDe zaak in het kort\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Die is echter niet het gevolg van enig handelen van [werknemer] , maar juist van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] . Daarom zal aan [werknemer] niet alleen een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto, maar ook een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto worden toegewezen, uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2026. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nOpzegverbod\n\n4.3.. \n [werknemer] stelt dat sprake is van een opzegverbod. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zich op 14 augustus 2025 ziek heeft gemeld en dat deze datum na de datum van de indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV op 6 augustus 2025 ligt. Het ontbindingsverzoek is vervolgens tijdig na afwijzing van de ontslagaanvraag ingediend, zodat [werknemer] zich ingevolge het bepaalde in artikel 7:670 eerste lid onder b BW jo 7:671 b lid 7 BW niet op het opzegverbod kan beroepen.\n\n4.4.. \n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 februari 2022onder rechtsoverweging 3.5.3. inderdaad geoordeeld dat artikel 7:671b lid 7 BW ruimte laat voor een ontbinding op de a-grond als de werknemer al eerder, doch na de ontslag aanvraag bij het UWV, ziek is geworden. Echter, [werkgever] verzoekt niet langer ontbinding op de a-grond, maar op andere gronden. In dat geval geldt het opzegverbod wegens ziekte onverkort.\n\nNiettemin kan de kantonrechter een door de werkgever ingediend ontbindingsverzoek verzoek toewijzen, indien:\n\n- het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft; of\n\n- sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin het in het belang van [werknemer] wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit het hierboven weergegeven feitenrelaas blijkt immers dat de bedrijfsarts meerdere malen heeft benoemd dat sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts dringt al maanden aan om dat conflict (middels mediation) op te lossen, maar [werkgever] heeft daarmee niets gedaan. [werknemer] heeft ook zelf in haar voorwaardelijk tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Daarnaast heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat terugkeer bij [werkgever] niet meer mogelijk is. Onder die omstandigheden komt het de kantonrechter voor dat het niet (meer) in het belang van [werknemer] is om voortzetting van het dienstverband na te streven.\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden\n\n4.6.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.7.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. [werknemer] heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat een voortzetting daarvan niet meer mogelijk is. Zij heeft ook zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht als voorwaardelijk tegenverzoek. Herplaatsing van [werknemer] ligt daarmee ook niet in de rede.\n\nDe transitievergoeding wordt toegewezen\n\n4.8.. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\nDe billijke vergoeding\n\nErnstig verwijtbaar handelen van [werkgever]\n\n4.9.. De kantonrechter ziet aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.4.10.. \n [werkgever] heeft voorafgaand aan het ontbindingsverzoek een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV om bedrijfseconomische redenen. De toestemming om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen is door het UWV geweigerd, onder meer omdat de aanvraag onvoldoende onderbouwd was. Vervolgens heeft [werkgever] een ontbindingsverzoek ingediend waarbij zij oorspronkelijk als primaire grond de bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond) had aangevoerd. Deze grond heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daar heeft [werkgever] ook verklaard dat zij voor de route van het UWV had gekozen om daarna met [werknemer] te kunnen onderhandelen over een minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.11.. Niet alleen heeft [werkgever] , na indiening van de ontslagaanvraag, geen onderhandelingen met [werknemer] gevoerd, zij heeft in haar verzoekschrift ook geen onderbouwing van de bedrijfseconomische omstandigheden gegeven en heeft net zo makkelijk deze grond op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daarmee is duidelijk dat de bedrijfseconomische noodzaak een farce is geweest en [werkgever] om andere redenen de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wenste te beëindigen. Dat blijkt ook uit de stukken die [werkgever] - na lang aandringen - aan het UWV heeft verstrekt (en niet allemaal bij het verzoekschrift heeft overgelegd) en de motivering van het UWV van de afwijzing van de ontslagaanvraag.\n\n4.12.. Vast staat dat [werkgever] van [werknemer] af wil. Dat is door [werkgever] ook met zoveel woorden erkend. Als reden daarvoor heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling aangevoerd dat “ [werknemer] vanwege haar hechte relatie als directiesecretaresse van de vorige bestuurder van [werkgever] , niet zonder meer gehandhaafd kon worden in een vertrouwelijke positie aan het directiesecretariaat van een organisatie in herstel.” Zoals onder rechtsoverweging 4.6 reeds is overwogen, kan een arbeidsovereenkomst alleen ontbonden worden als er sprake is van een in de wet genoemde grond. De door [werkgever] aangevoerde werkelijke reden valt niet onder een van de in de wet genoemde gronden.\n\n4.13.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van disfunctioneren en een (door toedoen van [werknemer] ) verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter merkt op dat veel feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek op deze gronden ten grondslag zijn gelegd, niet zijn onderbouwd met concrete voorbeelden of voorvallen. Zo benoemt [werkgever] als reden voor de verstoring van de arbeidsverhouding de door [werknemer] aangehaalde citaten van collega’s in haar UWV-verweer. Op welke citaten [werkgever] doelt, is niet duidelijk geworden. Ook zou het gaan om “tal van incidenten” die de verstoorde relatie met [directeur] duidelijk maken en dat er “oeverloze gesprekken” met [werknemer] zijn geweest. Uit dit alles leidt [werkgever] af dat [werknemer] een onbetrouwbare werknemer zou zijn. Om welke incidenten het zou gaan en waar de gesprekken over zijn gevoerd, heeft [werkgever] niet nader onderbouwd. Bovendien volgt uit de functioneringsverslagen dat [werknemer] in haar langdurige dienstverband (van zevenentwintig jaar) nimmer negatieve beoordelingen heeft ontvangen.\n\n4.14.. \n\n [werkgever] beroept zich verder op een waarschuwing, die zij op 26 november 2024 aan [werknemer] zou hebben gestuurd, en op een brief van 12 februari 2025.In de brief van 26 november 2024 staat - voor zover van belang - :\n\n“In dit gesprek is het voorval van woensdag 6 november jl. met jou besproken. Op deze woensdag heeft er een gesprek plaats gevonden tussen [directeur] , [naam 1] en jouwzelf omtrent oproer over de teambuilding activiteit van het management op 22 november aanstaande. Aanleiding van dit gesprek was een gesprek wat jij [werknemer] eerder die dag hebt gevoerd met [naam 2] .\n\nIn dit gesprek met [naam 2] zou onder meer zijn aangegeven dat de activiteit gevaarlijk zou zijn en dat “niemand er zin in zou hebben”. Deze strekking heeft ook [directeur] bereikt, waarna deze met jullie in gesprek is gegaan op zijn kantoor. Ook in dit gesprek met [directeur] zou gezegd zijn dat “niemand er zin in zou hebben”.\n\n(…)\n\nTevens blijkt uit jou verhaal dat [naam 2] het onderwerp van de teambuilding aangesneden zou hebben, echter blijkt na verificatie hiervan dat jij diegene bent die het onderwerp gestart is met [naam 2] , met daarin een behoorlijke kleur over wat je van de teambuildingsactiviteit vond, en dat je hiermee een bepaalde boodschap wilde overbrengen.\n\nBinnen jouw rol ben je onderdeel van het HR team. Bij een dergelijke rol wordt verwacht dat je op een positieve manier en constructieve manier spreekt over de organisatie en dat je onderwerpen discreet behandeld. Hierbij hoort dan ook geen stemming makerij of je mening over “vertrouwelijke” dan wel directie aangelegenheden ventileren binnen de organisatie.\n\nVoor bovenstaande ontvang je dan ook een officiële waarschuwing en willen we met stipt benadrukken dat dergelijk gedrag niet passend is binnen de rol maar ook niet binnen de [werkgever] organisatie.\n\nWe gaan ervan uit dat je gedrag hierin een positieve draai aanneemt en dat een dergelijke situatie als bovenstaande zich niet meer zal voortdoen.”\n\n4.15.. In de brief van 12 februari 2025 staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:\n\n“Pro activiteit rondom wagenpark beheer:\n\n [werknemer] is vaak afwachtend. Rondom wagenparkbeheer taken moet er door [directeur] vaak meerdere keren actief gestuurd worden alvorens er actie wordt ondernomen. Opdrachten die worden uitgevoerd zijn vaak onvolledig of niet uitgevoerd zoals bedoeld.\n\n(…)\n\nFaciliterende rol en geen beleidsrol:\n\n [werknemer] heeft vaak de neiging om beleidsbeslissingen in twijfel te trekken, zonder hieromtrent ook maar de vraag te stellen wat ertoe heeft geleid dat deze beslissing is genomen.\n\nDaarbij ventileert zij haar mening hierover openlijk en niet altijd op de juiste plek of bij de juiste personen.\n\nGesproken over dat zij onderdeel is van het HR team en dat hier discretie is gevraagd. (…) Besproken is dat dit de tweede keer is dat zij hieromtrent wordt aangesproken en dat bij de derde keer er naar een andere oplossing gekeken dient te worden.\n\nGeregeld eerder weg:\n\nGeconstateerd is dat [werknemer] vaak eerder weg is als directie ook niet meer aanwezig is.\n\n(…)”\n\n4.16.. \n [werknemer] betwist dat de inhoud van de brief van 12 februari 2025 met haar is besproken. Bovendien heeft zij de ontvangst van de beide brieven betwist. [werkgever] heeft vervolgens twee foto’s van een beeldschermovergelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de betreffende brieven als een bijlage in pdf-bestand door de heer [leidinggevende] per e-mail naar [werknemer] zouden zijn verstuurd. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nog steeds stellig betwist dat zij deze brieven heeft ontvangen. Zij heeft aangevoerd dat [leidinggevende] in november 2024 tegen haar gezegd heeft dat hij juist géén schriftelijke waarschuwing naar haar zou sturen. Ook voert zij aan dat het opvallend is dat beide brieven niet zijn opgenomen in haar personeelsdossier (dat zij heeft opgevraagd). Daarnaast heeft zij opgemerkt het vreemd te vinden dat blijkens de foto’s van de beide e-mails een bestand is meegestuurd van 726 KB, terwijl de brieven van 26 november 2024 en 12 februari 2025 qua lengte van tekst verschillen. [werkgever] heeft over deze laatste opmerking aangevoerd dat pdf’s van documenten met hetzelfde aantal pagina’s altijd evenveel KB’s hebben en zich ontstemd getoond over de insinuatie dat de screenshots zouden zijn gemanipuleerd.\n\n4.17.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de bewijslast dat een verklaring de andere partij heeft bereikt, rust op degene die zich op die verklaring beroept. Nu [werknemer] betwist dat beide brieven haar hebben bereikt, rust de bewijslast op [werkgever] . Middels de overgelegde foto’s van het beeldscherm met daarop twee e-mailberichten waar een bijlage is bijgevoegd, heeft [werkgever] dat bewijs niet geleverd. In de eerste plaats valt op dat de e-mail waar de brief van 26 november 2024 zou zijn bijgevoegd, is verstuurd op 25 november 2024, de dag ervoor. Het bijgevoegde document heeft een grootte van 726 KB. Ondanks het feit dat in de brief staat dat het een officiële waarschuwing betreft, is de brief niet opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] . De e-mail waarmee de brief van 12 februari 2025 aan [werknemer] zou zijn gestuurd, is verstuurd op 17 februari 2025. In deze brief staat dat hij zal worden opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] , maar dat is niet gebeurd. Op de foto van de e-mail is te zien dat een pdf-document als bijlage wordt meegestuurd. Ook dit document heeft een grootte van 726 KB. De stelling van [werkgever] dat elke pdf hetzelfde aantal KB’s heeft naarmate het aantal pagina’s hetzelfde zijn, wordt niet gevolgd, nu dit niet juist is. De kantonrechter heeft beide brieven ingescand en naar zichzelf verstuurd. De brief van 26 november 2024 was 81 KB en de brief van 12 februari 2025 was 70 KB. Dat bij beide\n\ne-mails een document is gevoegd met precies evenveel KB, roept dus wel degelijk vragen op.\n\n4.18.. Al met al heeft [werknemer] de ontvangst van beide brieven voldoende gemotiveerd betwist. [werkgever] heeft bewijs aangeboden dat [werknemer] beide brieven wel heeft ontvangen, maar aan dat bewijsaanbod wordt voorbij gegaan. Ook al zou [werknemer] deze brieven wel hebben ontvangen, dan nog zouden de door [werkgever] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het ontbindingsverzoek van [werkgever] toe te wijzen. Uit deze brieven blijkt immers allerminst dat er sprake zou zijn van disfunctioneren.\n\n4.19.. \n [werknemer] heeft haar visie gegeven op het gebeuren dat aanleiding gaf tot de “waarschuwing” van 26 november 2024. Die visie komt erop neer dat zij een leidinggevende binnen [werkgever] heeft geadviseerd om zijn zorgen (in verband met zijn medische conditie) over een door de directie geplande teambuildingsactiviteit met de directeur te bespreken. [directeur] heeft kennelijk een andere lezing van deze gebeurtenis en beschouwde dit advies als stemmingmakerij en het ongeoorloofd uiten van vertrouwelijke directieaangelegenheden en vond het nodig daarvoor een waarschuwing te geven. Nu dit gebeuren het enige concrete voorbeeld is dat door [werkgever] is gegeven over het “niet integere gedrag van [werknemer] ” en volstrekt onvoldoende is om die aantijging te onderbouwen, zal de kantonrechter hier verder niet op in gaan.\n\n4.20.. De brief van 12 februari 2025 blinkt wederom uit in vaagheden en kan derhalve ook buiten bespreking worden gelaten. [directeur] is zelf niet op de mondelinge behandeling verschenen. [leidinggevende] , de direct leidinggevende van [werknemer] wel. Wat betreft het verwijt in de brief van 12 februari 2025 dat [werknemer] veelvuldig eerder vertrekt als de directie weg is, heeft hij verklaard dat hij dat niet heeft opgemerkt, behalve op momenten dat [werknemer] een fysiotherapeut moest bezoeken.\n\n4.21.. \n [werknemer] heeft verslagen van haar functioneringsgesprekken overgelegd. Daar blijkt uit dat zij steeds goed heeft gefunctioneerd en dat de hiervoor genoemde “waarschuwingen” daar ook niet zijn besproken. Dit alles maakt dat [werkgever] op geen enkele manier hard heeft weten te maken dat [werknemer] niet goed zou hebben gefunctioneerd.\n\n4.22.. Uit de overgelegde stukken blijkt duidelijk dat de arbeidsverhouding pas is verstoord door het handelen van [werkgever] en in haar pogingen om [werknemer] uit dienst te krijgen. Zo is in opdracht van [directeur] op 13 augustus 2025 het bedrijfsaccount van [werknemer] geblokkeerd. Daarnaast heeft [werknemer] onweersproken gesteld dat [directeur] vervolgens de ondernemingsraad heeft benaderd met het verzoek om [werknemer] per direct uit de functie van vertrouwenspersoon te ontheffen en dat hij de IT-afdeling heeft gevraagd om het account van [werknemer] te doorzoeken op mogelijk belastend materiaal. Zowel de ondernemingsraad als de IT-afdeling hebben de aan hen gerichte verzoeken afgewezen, omdat elke aanleiding of noodzaak daartoe ontbrak. De noodzaak om [werknemer] te ontslaan is kennelijk alleen gelegen in de persoonlijke antipathie van [directeur] jegens [werknemer] .\n\n4.23.. Tot slot heeft [werkgever] , in strijd met de duidelijke adviezen van de bedrijfsarts, geweigerd om (tijdig) mediation te starten om, in ieder geval, een poging te ondernemen om de lucht te klaren en een oplossing te vinden voor de - niet op feiten gestoelde - antipathie van [directeur] tegen [werknemer] .\n\n4.24.. Uit het voorgaande volgt dat [werkgever] van [werknemer] af wil en vanaf augustus 2025 aanstuurt op haar vertrek, zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is. [werkgever] schroomt niet om [werknemer] te beschuldigen van niet integer gedrag, zonder één concreet voorbeeld te noemen, heeft in de UWV procedure in strijd met de waarheid aangevoerd dat de functie van [werknemer] zou komen te vervallen (terwijl [werkgever] intussen al een andere persoon in plaats van [werknemer] had aangenomen) en heeft geen enkele poging gedaan om met [werknemer] in gesprek te komen. Dergelijk gedrag is geen “schoonheidsfoutje” zoals [werkgever] stelt, maar kwalificeert zonder meer als ernstig verwijtbaar. [werkgever] dient dan ook aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen.\n\nDe hoogte van de billijke vergoeding\n\n4.25.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\nInkomensschade\n\n4.26.. Gelet op het ruim zeventwintigjarige dienstverband van [werknemer] bij [werkgever] en het feit dat altijd sprake is geweest van goede functioneringsverslagen (hetgeen [werkgever] ook niet heeft betwist), is de kantonrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat, indien [werkgever] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, [werknemer] niet tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn gebleven bij [werkgever] , met bijbehorend salaris en pensioenopbouw. Dat [werknemer] nog maar drie tot vijf jaar bij [werkgever] zou hebben gewerkt, zoals [werkgever] op de zitting heeft betoogd, is verder niet onderbouwd.\n\n4.27.. Verder stelt [werknemer] dat zij met haar leeftijd van (inmiddels) 59 jaar en een eenzijdig curriculum vitae met maar één werkgever, bovengemiddeld lang werkloos zal blijven, waardoor zij aanspraak zal moeten maken op de maximale duur van de werkloosheidsuitkering. En bij een nieuwe baan zal zij een aanzienlijk lager salaris moeten accepteren van 50% van haar huidige salaris. De kantonrechter acht dit een redelijke veronderstelling. [werkgever] betwist dit weliswaar en voert aan dat [werknemer] 65% tot 80% van haar laatstverdiende salaris zou kunnen verdienen, maar een verdere onderbouwing, bijvoorbeeld door de overlegging van vacatures, is achterwege gebleven.\n\n4.28.. \n [werknemer] stelt dat haar inkomensverlies tot haar pensioen neerkomt op een bedrag van (€ 501.812,00 - (€ 88.339,00 aan WW + € 188.179,00 aan een lager te verdienen loon) =) € 230.438,00 bruto. In deze berekening heeft [werknemer] evenwel een fout gemaakt, aangezien de uitkomst van deze som € 225.294,00 bruto bedraagt.\n\nPensioenschade\n\n4.29.. Met de gestelde pensioenschade van € 103.872,00 bruto wordt bij de vaststelling van de billijke vergoeding geen rekening gehouden. Op de loonstroken is te zien dat de pensioenpremie volledig van het brutoloon wordt betaald. In veel gevallen is het mogelijk om vrijwillig pensioensparen voort te zetten. De compensatie van het inkomensverlies biedt [werknemer] de mogelijkheid om voor deze vrijwillige voortzetting te kiezen. In dat geval heeft [werknemer] geen pensioenschade. [werknemer] heeft onvoldoende onderbouwd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat zij wel pensioenschade zal lijden.\n\nImmateriële component\n\n4.30.. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding mag ook de mate van de ernstige verwijtbaarheid worden meegewogen en de gevolgen die dat voor de werknemer heeft gehad. [werknemer] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende haar dienstverband van 27 jaar steeds met enorme toewijding en loyaliteit voor [werkgever] heeft gewerkt en vergroeid was met de organisatie. Door de wijze waarop zij thans aan de kant wordt gezet, voelt zij zich aangetast en ervaart zij psychische klachten. Ook heeft zij geen afscheid heeft kunnen nemen van collega’s doordat haar bedrijfsaccount per direct was geblokkeerd. De kantonrechter rekent [werkgever] de wijze waarop zij [werknemer] heeft geprobeerd eruit te werken na haar lange vlekkeloze staat van dienst zwaar aan en is van oordeel dat dit in de billijke vergoeding tot uitdrukking dient te komen.\n\nConclusie\n\n4.31.. Alles afwegend zal de kantonrechter in totaal een billijke vergoeding toekennen van € 240.000,00 bruto. Anders dan [werknemer] heeft verzocht, wordt het gehele bedrag bruto toegekend, omdat de immateriële component is verzocht en wordt toegewezen als onderdeel van de billijke vergoeding ex art 7:671b lid 9 onder c BW en niet op grondslag van het bepaalde in artikel 6:106 BW. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.32.. \n [werknemer] heeft verzocht om een vergoeding van de volledig door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten, omdat deze kosten uitsluitend het gevolg zijn van de handelswijze van [werkgever] . Het gaat in totaal om een bedrag van € 13.387,61 inclusief btw. Daarbij verwijst [werknemer] naar de bij het verweerschrift overgelegde urenspecificatie. [werknemer] doet daarvoor een beroep op de New Hairstyle beschikkingop grond waarvan de mogelijkheid bestaat de kosten voor de rechtsbijstand te baseren op artikel 7:611 BW in verbinding met artikel 6:96 BW. [werkgever] betwist dat deze kosten daarvoor in aanmerking komen. Volgens [werkgever] gaat het om kosten gemaakt voor het verweer in de UWV-procedure waarvoor geen kostenveroordeling bestaat, zodat deze kosten niet gekwalificeerd kunnen worden als buitengerechtelijke kosten. Ook is de drempel voor vergoeding van de werkelijke kosten niet gehaald. Tot slot heeft [werkgever] in het buitengerechtelijk traject reeds een vergoeding in advocaatkosten voorgesteld, hetgeen is afgewezen.\n\n4.33.. De kantonrechter overweegt dat uit bovenstaande beoordeling van het ontbindingsverzoek genoegzaam blijkt dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zich daarmee niet als een goed werkgever heeft gedragen. [werkgever] heeft eerst een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend met een flinterdun dossier waarin elke onderbouwing ontbrak waarom [werknemer] - als enige werknemer - [werkgever] zou moeten verlaten. Ook heeft [werkgever] [werknemer] zonder deugdelijke reden afgesloten van haar account zodat [werknemer] pardoes thuis kwam te zitten. Tot slot heeft [werkgever] geweigerd de adviezen van de bedrijfsarts te volgen om mediation in te zetten en stevende zij af op een beëindiging van het dienstverband. Dat [werknemer] zich in deze periode heeft voorzien van juridische bijstand om zich te verweren tegen de wijze waarop met haar werd omgegaan, is het directe gevolg van deze onzorgvuldige handelwijze van [werkgever] jegens haar. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om [werkgever] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze juridische bijstand, voorafgaand aan deze verzoekschriftprocedure, op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. [werknemer] heeft deze kosten immers gemaakt om te trachten om buiten rechte tot een redelijke oplossing te komen en om het nog verder oplopen van de schade voor haarzelf te voorkomen of te beperken.\n\n4.34.. \n [werknemer] heeft ter onderbouwing van het door haar verzochte bedrag een urenspecificatie van haar gemachtigde overgelegd met daarop het aantal gewerkte uren en het overeengekomen uurtarief. Die onderbouwing is afdoende en niet door [werkgever] betwist. Het bedrag van € 13.387,61 inclusief btw zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking.\n\nDe einddatum\n\n4.35.. Nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] , zal de proceduretijd niet in mindering worden gebracht. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van de geldende opzegtermijn van vier maanden worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026. Dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\n [werkgever] krijgt de gelegenheid om haar verzoek in te trekken\n\n4.36.. Omdat de kantonrechter voornemens is aan [werknemer] , bij toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werkgever] , een billijke vergoeding toe te wijzen, moet de kantonrechter [werkgever] de gelegenheid geven haar verzoek in te trekken.[werkgever] krijgt tot en met 4 juni 2026 om haar verzoek in te trekken.\n\n4.37.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.38.. Ook als [werkgever] het verzoek intrekt, zal [werkgever] de proceskosten van [werknemer] moeten betalen.\n\n5. De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek\n\n5.1.. \n\nAls [werkgever] haar verzoek tijdig intrekt, is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [werknemer] te ontbinden. Op grond van hetgeen bij de beoordeling van het verzoek van [werkgever] is overwogen, is de arbeidsverhouding tussen partijen door ernstig verwijtbaar gedrag van [werkgever] namelijk dusdanig duurzaam verstoord dat deze zo spoedig mogelijk dient te eindigen.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal in geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werknemer] worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026.\n\n5.2.. De transitievergoeding van € 48.212,29 bruto en een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto zullen in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen.\n\n5.3.. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\n5.4.. Verder zullen de buitengerechtelijke kosten van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking.\n\n5.5.. Nu aan [werknemer] een lagere billijke vergoeding wordt toegewezen dan zij heeft verzocht, zal zij eveneens in de gelegenheid worden gesteld om haar tegenverzoek in te trekken en wel tot en met 18 juni 2026.\n\n5.6.. Als [werknemer] haar verzoek niet intrekt, zal [werkgever] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.7.. Als [werknemer] haar verzoek (ook) intrekt, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen, voor wat betreft het tegenverzoek, ieder hun eigen proceskosten dragen. Beide partijen hebben dan immers hun verzoeken ingetrokken.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n6.1.. stelt [werkgever] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 4 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werknemer] ,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.5.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.6.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.7.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.8.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.9.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.10.. verklaart onderdeel 6.9. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nop het tegenverzoek (voor het geval [werkgever] haar verzoek uiterlijk op 4 juni 2026 intrekt)\n\n6.11.. stelt [werknemer] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 18 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werkgever] ,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.12.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.13.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.14.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.15.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.16.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.17.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.18.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.19.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\n ECLI:NL:HR:2022:276\n\n Artikel 7:671b lid 6 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie productie 5 van [werkgever] .\n\n Producties 12 en 13 van [werkgever] .\n\n Artikel 150 Rv jo artikel 3:37 lid 3 BW.\n\n Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.\n\n Artikel 7:686a lid 6 BW.\n\n Artikel 7:686a lid 1 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.439Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":43,"updatedAt":61},"1661","ECLI:NL:RBLIM:2026:6145","ecli-nl-rblim-2026-6145","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12061346 \\ AZ VERZ 26-5\n\nBeschikking van16april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. A.A.M. Hoogveld,\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] V.O.F.,\n\nte [plaats 2] ,\n\n2. [verweerder 2], vennoot van [verweerder 1] ,\n\n3. [verweerder 3], vennoot van [verweerder 1] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verweerders] ,\n\ngemachtigde: mr. M.A. Krak.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 51\n\n- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 4\n\n- het gewijzigd verzoek ex artikel 283 Rv juncto artikel 130 Rv\n\n- de aanvullende bijlagen 52a tot en met 57d van [verzoekster] van 12 maart 2026\n\n- de aanvullende bijlagen 58 tot en met 60 van [verzoekster] van 17 maart 2026\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Hoogveld\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Krak\n\n- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de aanvullende stukken toegelaten, behoudens het als bijlage 59 overgelegde e-mailbericht van de Arbeidsinspectie.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoekster] , geboren [datum] 1998, is in 2023 uit Oekraïne gevlucht en verblijft in een opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen in [plaats 2] .\n\n2.2.. \n [verweerder 1] richt zich op het wassen, stomen en strijken van bedrijfskleding en bed- en tafellinnen voor hotels, horeca en verzorgingstehuizen. [verweerder 1] is een familiebedrijf dat door de heer [verweerder 2] , mevrouw [verweerder 3] en hun [zoon] en [dochter] wordt gerund.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is met ingang 20 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van één jaar tot 20 november 2025) in dienst getreden bij [verweerder 1] , in de functie van vouwmedewerker met een loon van € 2.184,00 bruto per maand.Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Textielverzorging van toepassing.\n\n2.4.. Tussen [verzoekster] en [zoon] heeft onder meer de navolgende WhatsAppcommunicatie plaatsgevonden op 16 april 2025, 2 mei 2025, en 12 juni 2025 (de berichten met de 2 vinkjes achter het tijdstip zijn afkomstig van [verzoekster] , de andere berichten van [zoon] ):\n\n2.4.1. 16. april 2025:\n\n2.4.2. 2. mei 2025:\n\n2.4.3. 12. juni 2025:\n\n2.5.. Op 13 juni 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld.\n\n2.6.. Later die dag heeft [verweerders] per e-mail aan [verzoekster] bericht dat zij om haar moverende redenen de goedkeuring van de verlofaanvraag van 1 september 2025 tot 21 september 2025 intrekt.\n\n2.7.. Op 14 juni 2025 heeft [verweerders] per e-mail aan al haar medewerkers bericht:\n\n“(….) heeft mevrouw [verzoekster] zich ziek gemeld. (…) Deze ziekmelding heeft o.a. tot gevolg dat wij haar vakantieverlof hebben ingetrokken en haar contract niet gaan verlengen. (…)”\n\n2.8.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2025 heeft [verweerders] aan [verzoekster] het volgende meegedeeld:\n\n“(…) Als u zich ziek voelt dient u naar de huisarts te gaan. De bedrijfsarts wordt ingeschakeld om te kijken welke werkzaamheden wel mogelijk voor u zijn, die bepaald niet of u ziek bent. (…)”\n\n2.9.. Even later heeft [verweerders] nogmaals aan [verzoekster] gemaild dat haar aanvankelijk goedgekeurde verlofaanvraag ingetrokken wordt en dat haar contract niet verlengd zal worden.\n\n2.10.. Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 heeft [verweerders] in de persoon van de heer [verweerder 2] om 08:14 uur aan [verzoekster] meegedeeld:\n\n“(…) Hierbij verzoek ik u mij vandaag mede te delen of wij u voor komende week kunnen inplannen. Uw 3 weken rust zitten er immers op. (…)”\n\n2.11.. Later die dag heeft de heer [verweerder 2] aan [verzoekster] bericht:\n\n“(…) Op uw verzoek hebben wij heden onze arbodienst ingeschakeld met het verzoek een afspraak met u in te plannen met de bedrijfsarts. Omdat e.e.a. nog enkele weken kan duren zal ik u vrijdag 4 Juli opnieuw vragen of wij u vanaf volgende week weer kunnen verwachten op het werk of dat u instemt met een vaststellingsovereenkomst. (…) Vrijdag 4 juli heeft u namelijk de 3 weken rust gehad die uw huisarts u heeft opgedragen (…)”\n\n2.12.. \n\nIn het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van 3 juli 2025\n\nstaat voor zover relevant vermeld:\n\n“(…) [verzoekster] is momenteel volledig arbeidsongeschikt (…) [verzoekster] is momenteel nog niet in staat te starten met reintegratie. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval.\n\n2.13.. Bij e-mailbericht van 29 juli 2025 heeft het Juridisch Loket namens [verzoekster] aan de heer [verweerder 2] meegedeeld:\n\n“(…) ervaart mevrouw druk vanuit uw kant om het werk te hervatten. (…) Dergelijke druk is in strijd met de wet. Indien een werknemer ziek is en de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat re-integratie (nog) niet kan plaatsvinden, dan mag u als werkgever geen druk uitoefenen om toch te komen werken. Ik verzoek u dringend hiermee te stoppen.\n\nDaarnaast is er een ernstige kwestie gemeld: (…) [verzoekster] voelt zich geïntimideerd door uw zoon, de heer [zoon] . Zij heeft mij inzage gegeven in WhatsApp-berichten waarin hij onder meer aandringt om samen iets te gaan eten of drinken, ondanks dat zij duidelijk heeft aangegeven dit niet te willen en het professioneel te willen houden. (…) Dergelijke berichten, in de context van een machtsverhouding, zijn ontoelaatbaar en kwalificeren als intimidatie. Mevrouw ervaart hierdoor angst en stress, wat inmiddels tot medische klachten heeft geleid. Ook hierop verzoek ik u - en specifiek de heer [zoon] - dringend dit gedrag per direct te staken.\n\nVerder is er op 8 juli een aangetekende brief verstuurd met betrekking tot de loonvordering van 143 ORT-uren die nog niet zijn uitbetaald. Tot op heden is hier geen enkele reactie op gekomen. Graag verneem ik van u of en wanneer u van plan bent dit alsnog uit te betalen. (…)\n\nIk wil ook melden dat meerdere Oekraïense dames die bij u werkzaam zijn juridische hulp hebben gezocht wegens vergelijkbare ervaringen (….)”\n\n2.14.. \n\nIn het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van\n\n5 augustus 2025 staat voor zover relevant vermeld:\n\n“(…) [verzoekster] is momenteel volledig arbeidsongeschikt als gevolg van een medische aandoening. Oorzaak is met name gelegen in werkgerelateerde aspecten. (…) Op dit moment is betrokkene nog niet in staat over de werkgerelateerde zaken die er spelen het gesprek aan te gaan.\n\nNaar ik heb vernomen wil betrokkene in overleg met de werkgever verlof opnemen, hiervoor is medisch geen bezwaar. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval. (…)”\n\n2.15.. Bij e-mailbericht van 6 augustus 2025heeft mevrouw [verweerder 3] aan [verzoekster] meegedeeld dat het aangevraagde verlof niet wordt verleend, de goedkeuring van het eerder door [verzoekster] aangevraagde verlof is ingetrokken en zij dus geen toestemming heeft voor vakantie of verblijf in het buitenland. [verzoekster] wordt verzocht bereikbaar en beschikbaar te blijven en haar wordt meegedeeld dat indien zij toch met vakantie gaat dit gevolgen zal hebben voor haar loon en kan leiden tot arbeidsrechtelijke stappen.\n\n2.16.. Bij e-mailbericht van 17 augustus 2025 heeft de heer [verweerder 2] meegedeeld dat er bewijs is dat [verzoekster] in het buitenland verblijft, dat er maatregelen zullen worden genomen en dat het zonder toestemming opnemen van verlof haar zwaar aangerekend zal worden.\n\n2.17.. Bij e-mailbericht van 18 augustus 2025 heeft de heer [verweerder 2] meegedeeld dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd verzuim en daarmee haar verplichtingen als werknemer zoals opgenomen in artikel 7:660a BW heeft geschonden en de gevolgen voor haar zijn.\n\n2.18.. Tijdens het spreekuur van 1 september 2025 oordeelt de bedrijfsarts dat de situatie onveranderd is.\n\n2.19.. Bij e-mailbericht van 10 september 2025 en aangetekende brief van 29 september 2025 heeft [verweerders] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.\n\n2.20.. \n [verzoekster] ontvangt vanaf 21 november 2025 een ziektewetuitkering van het UWV.\n\n2.21.. Op 2 december 2025 heeft een medewerker van het Juridisch Loket naar aanleiding van signalen, ontvangen van verschillende Oekraïense vrouwen die bij [verweerders] werkzaam zijn, bij de Arbeidsinspectie melding gedaan van onderbetaling, arbeidsuitbuiting, intimidatie, bedreiging en grensoverschrijdend gedrag bij [verweerders] .De melding wordt ondersteund door [opvanglocatie] [plaats 3] , de opvanglocaties waar de Oekraïense werknemers verblijven. Naar aanleiding hiervan is de Arbeidsinspectie een onderzoek gestart. Het onderzoek loopt momenteel nog.\n\n2.22.. \n [verzoekster] heeft op 20 januari 2026 onderhavig verzoekschrift ingediend.\n\n2.23.. \n [verweerders] heeft op 7 maart 2026 de transitievergoeding en de onregelmatigheidstoeslag (de ORT: de toeslag voor werk op zaterdagen en feestdagen) aan [verzoekster] betaald, te weten een bedrag van in totaal € 5.876,55.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt - na wijziging van haar verzoek - de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verklaren voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en\u002Fof nagelaten en dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen [verweerders] verschuldigd is op grond van artikel 7:658 BW en\u002Fof 7:611 BW, voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de door [verweerders] veroorzaakte en\u002Fof verergerde thans bekende ziekten c.q. arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] ;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van (primair) een billijke vergoeding van € 50.000,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, onder overlegging van een bruto\u002Fnetto specificatie, althans voor zover de vergoeding (mede) wordt toegekend op de grondslag van artikel 7:658 BW en\u002Fof 7:611 BW te bepalen, dat voor zover de door [verzoekster] geleden schade (nog) niet volledig is vast te stellen, de zo mogelijk reeds vast te stellen schade ten laste van [verweerders] toe te wijzen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen om aan [verzoekster] een immateriële schadevergoeding te voldoen van € 30.000,00 netto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van € 1.310,40 over de toeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van het gewijzigd verzoekschrift tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto\u002Fnetto specificatie;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto\u002Fnetto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het opeisbaar worden van de toegewezen geldelijke vorderingen;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [verzoekster] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat het verzoek onder 1) primair is gebaseerd op artikel 7:673 lid 9 BW en subsidiair op artikel 7:658 BW. Het verzoek onder 2) moet zo worden begrepen dat de verzochte vergoeding van € 50.000,00 primair wordt verzocht als billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen en subsidiair wordt verzocht bij wijze van een voorschot op de schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW. In dat laatste geval wordt verzocht de schade reeds zoveel mogelijk vast te stellen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure. De onder 3) verzochte immateriële schadevergoeding wordt zowel op basis van de primaire als de subsidiaire grondslag verzocht.\n\n3.3.. \n [verweerders] voert verweer en vindt dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover relevant worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVooraf\n\n4.1.. Het verzoekschrift richt zich tegen [verweerder 1] V.O.F. Het verweerschrift is ingediend namens [verweerders] Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat het verweerschrift zo gelezen dient te worden dat dit is ingediend namens de vennootschap onder firma en dat de gemachtigde optreedt namens de vennootschap onder firma en haar vennoten.\n\nHet primaire verzoek om voor recht te verklaren dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld\n\nHet toetsingskader\n\n4.2.. Uitgangspunt is dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt. Het staat daarmee een werkgever in beginsel vrij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. De kantonrechter kan op grond van artikel 7:673 lid 9 BW een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt wel een billijke vergoeding toekennen als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. In de wetsgeschiedenis zijn als voorbeelden van ernstige verwijtbaarheid genoemd:\n\n- een aan de werkgever te verwijten verstoorde arbeidsverhouding;\n\n- de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd;\n\n- arbeidsongeschiktheid van de werknemer als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.\n\nGrondslag van het (primaire) verzoek en het verweer van [verweerders]\n\n4.3.. \n [verzoekster] stelt dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Daaraan legt zij kort gezegd ten grondslag dat zij tijdens haar dienstverband bij [verweerders] werd geïntimideerd, gepest en vernederd en dat [zoon] , die binnen [verweerders] een leidinggevende functie bekleedt, zich grensoverschrijdend jegens haar heeft gedragen. Verder stelt [verzoekster] dat het loon structureel te weinig en te laat werd betaald. Zij ontving immers geen toeslag voor de gewerkte uren op zaterdagen en feestdagen. Ook voert zij aan dat eerder goedgekeurd verlof zonder reden werd ingetrokken, zij na haar ziekmelding onder druk is gezet een vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en [verweerders] heeft gedreigd met ontslag en juridische maatregelen.\n\n4.4.. \n [verweerders] stelt dat het contact en eventuele (affectieve) relatie tussen [verzoekster] en [zoon] buiten werktijd heeft plaatsgevonden en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Volgens [verweerders] zijn er geen aanwijzingen dat er sprake was van dwang, intimidatie of misbruik van gezagspositie, noch heeft het contact negatieve gevolgen gehad voor de werkverhouding of de organisatie. Dat het aangaan van een dergelijke relatie mogelijk als onhandig kan worden gekwalificeerd brengt volgens [verweerders] nog niet mee dat daarmee sprake is van grensoverschrijdend gedrag of ernstig verwijtbaar handelen in arbeidsrechtelijke zin. [verweerders] geeft toe dat zij niet altijd optimaal heeft gehandeld, onhandig heeft gecommuniceerd en dat bepaalde zaken achteraf bezien beter hadden gekund, maar betwist dat er sprake is geweest van intimidatie, pesterijen en vernedering. Zij is van mening dat de drempel van ernstige verwijtbaarheid niet wordt gehaald.\n\nHet oordeel van de kantonrechter\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerders] . Zij zal de verzochte verklaring voor recht verlenen en aan [verzoekster] een billijke vergoeding toekennen. Hieronder zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nWat is er gebeurd?\n\n4.6.. Partijen verschillen van mening over diverse gebeurtenissen die zijn voorgevallen en die wel van belang zijn voor de beoordeling van hun geschil. Dit geldt met name ten aanzien van de relatie tussen [zoon] en [verzoekster] en hetgeen is voorgevallen op 13 juni 2025, de dag dat [verzoekster] zich ziek heeft gemeld. De kantonrechter zal daarom eerst, aan de hand wat hierover over en weer is aangevoerd, reconstrueren wat er feitelijk is gebeurd en vervolgens ingaan op de vraag of dit leidt tot, of bijdraagt aan, het oordeel dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.\n\nDe relatie met [zoon]\n\n4.7.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij gedurende haar dienstverband voortdurend werd blootgesteld aan grensoverschrijdend gedrag, gestalk en terreur door [zoon] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in januari 2025, na een bedrijfsfeest, met [zoon] achterbleef nadat de rest van het personeel door de heer [verweerder 2] in een taxi was gezet om naar de stad te gaan. [zoon] heeft haar toen meegenomen naar een hotel en bracht haar pas later, nadat diverse collega’s hem hadden gebeld, terug naar de anderen. In het voorjaar van 2025 moest [verzoekster] onderzoeken ondergaan in het ziekenhuis. In die periode vroeg [zoon] opnieuw of zij met hem wilde afspreken. Hij deed eerst vriendelijk en zorgzaam, maar veranderde als een blad aan een boom toen [verzoekster] hem duidelijk maakte dat ze geen relatie met hem wilde. Hij dreigde haar die nacht op straat achter te laten en om met zijn ouders te spreken om haar te ontslaan. Hij schold en schreeuwde tegen haar, negeerde haar op het werk, stalkte en begluurde haar op de werkvloer en sprak in haar bijzijn over haar met andere collega’s in het Nederlands. Hij bleef haar ook berichten sturen op haar privételefoon om af te spreken en zette haar constant onder druk. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verwijten verwezen naar de WhatsAppberichten die onder 2.4. zijn opgenomen, en op de verklaringen van twee van haar collega’s, mevrouw [naam 1]en mevrouw [naam 2].\n\n4.8.. \n [verweerders] heeft aangevoerd dat een eventuele relatie tussen [verzoekster] en [zoon] zich heeft afgespeeld buiten werktijd en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Er zijn volgens [verweerders] geen aanwijzingen van dwang, intimidatie of misbruik van positie of dat het contact negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhoudingen of de organisatie. Volgens [verweerders] is [zoon] steeds respectvol met [verzoekster] omgegaan, heeft hij haar thuis gebracht en het contact beëindigd zodra [verzoekster] dat wenste. Er was geen sprake van ongewenste avances of ongepaste druk. [verweerders] betwist dat [zoon] [verzoekster] op de werkvloer heeft gepest of bedreigd. Ook heeft [verweerders] betwist dat [zoon] de direct leidinggevende van [verzoekster] was.\n\n4.9.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de standpunten van partijen uiteenlopen kan in ieder geval het volgende worden vastgesteld. [zoon] heeft toegegeven [verzoekster] leuk te hebben gevonden en haar benaderd te hebben. Uit de overgelegde verklaringen van collega’s [naam 2] en [naam 1] blijkt ook dat [zoon] interesse toonde in [verzoekster] . Verder staat vast dat [zoon] commercieel manager is bij [verweerders] en [verzoekster] de functie van vouwmedewerker bekleedde en aldus een ondergeschikte medewerkster was. Dat [zoon] niet haar direct leidinggevende was, is gelet op de grootte van het bedrijf niet zo relevant. [zoon] bekleedt in het familiebedrijf een leidinggevende functie en is de zoon van beide eigenaren. Dat hij ten opzichte van [verzoekster] in een gezagspositie verkeerde, staat daarmee vast.\n\nOok staat vast dat [verzoekster] de Nederlandse en de Engelse taal niet machtig is. Zij maakt gebruik van een vertaalapp om te communiceren.\n\nUit de WhatsAppgesprekken leidt de kantonrechter af dat [verzoekster] in ieder geval vanaf 16 april 2025 aan [zoon] duidelijk heeft gemaakt dat zij wilde dat hij haar met rust liet. Ze verwoordtdat ze niet wil dat hij naast haar komt staan op het werk om grapjes te maken, omdat zij die niet begrijpt en niet weet hoe ze dan moet reageren. [zoon] reageert daarop met de mededeling dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil en praat met wie hij wil, altijd. In dit antwoord wijst hij [verzoekster] erop dat hij haar manager is en geen collega.Meteen daarop deelt hij mede dat hij en [verzoekster] later wat zullen gaan drinken. Uit het vervolg van de communicatie komt naar voren dat [zoon] en [verzoekster] eerder een keer samen zijn uit gegaan en dat [verzoekster] dat afspraakje niet als prettig heeft ervaren omdat [zoon] haar zou hebben gedreigd achter te laten op een plek die zij niet kende. Hoewel [zoon] antwoordt dat hij [verzoekster] uiteindelijk wel heeft thuis gebracht, ontkent hij niet dat hun afspraak niet goed is verlopen.\n\nOp 2 mei 2025 benadert [zoon] [verzoekster] opnieuw, en vraagt haar of zij toch weer met hem wil afspreken.[verzoekster] antwoordt [zoon] dat ze niet met hem wil afspreken omdat ze niet wil omgaan met iemand die haar zo grof en respectloos behandelt. Ze vraagt wederom of [zoon] haar met rust wil laten.[zoon] antwoordt dat hij het antwoord van [verzoekster] respecteert maar voegt daaraan toe dat hij het laatst en het hardst zal lachen.\n\nOp 12 juni 2025 om 17:15 schrijft [zoon] vervolgens aan [verzoekster] : “And… when is our next date, Mrs. [verzoekster] ?”\n\nAls [verzoekster] daarop afwijzend reageert antwoordt [zoon] dat hij het gedrag van [verzoekster] jegens hem in gedachten zal houden en dat zij het niet leuk zal vinden. Hij voegt daar later aan toe dat hij het niet accepteert als iemand hem disrespectvol behandelt, in zijn privéleven of zijn bedrijf.Als [verzoekster] hem vraagt of zij degene is die [zoon] heeft bedreigd, tegen hem heeft geschreeuwd of iets van hem wil en zegt dat zij degene is die het recht heeft om beledigd te zijn, antwoordt [zoon] onder andere dat [verzoekster] zich moet gedragen (behave).\n\nAls [verzoekster] daarop antwoordt dat [zoon] geen respect heeft voor vrouwen en zij nog nooit zo’n verschrikkelijke houding heeft meegemaakt, antwoordt [zoon] dat hij die avond met zijn ouders zal gaan praten.\n\n4.10.. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze Whatsappberichten voldoende blijkt dat [zoon] meerdere keren (tegen de duidelijk uitgesproken wens van [verzoekster] in) aandringt op privécontact met [verzoekster] . Anders dan [verweerders] betoogt, gebruikt [zoon] zijn positie als hiërarchisch meerdere wel degelijk om [verzoekster] ervan te overtuigen om met hem af te spreken en ook om haar verzoek om met rust gelaten te worden niet serieus te nemen. Zijn opmerkingen dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil, dat hij het laatst en hardst zal lachen, dat hij zich niet disrespectvol laat behandelen in zijn bedrijf en dat hij met zijn ouders (de eigenaren van [verweerders] ) zal gaan praten als [verzoekster] hem afwijst, laten geen andere interpretatie toe.\n\n4.11.. Dat de relatie tussen [verzoekster] en [zoon] zich alleen in de privésfeer afspeelde, wordt evenmin gevolgd. [naam 1] heeft verklaard dat de sfeer op het werk veranderde nadat [zoon] interesse in [verzoekster] begon te vertonen en dat [verzoekster] haar vroeg om niet weg te gaan zodat zij niet met [zoon] alleen op de werkplek zou achterblijven. Ook in de verklaring van [naam 2] staat dat [verzoekster] op momenten aan het einde van de werkdag vroeg of iemand op haar kon wachten, omdat ze bang was alleen naar buiten te gaan vanwege [zoon] .\n\nDe gebeurtenissen op 13 juni 2025\n\n4.12.. Op basis van hetgeen partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard alsmede de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [verzoekster] op 13 juni 2025 heeft geweigerd om desgevraagd naar de heer [verweerder 2] te lachen. Op de vraag van de heer [verweerder 2] waarom ze niet glimlachte wilde [verzoekster] aanvankelijk niet antwoorden maar uiteindelijk heeft ze gezegd dat dit met [zoon] te maken had. Vervolgens is [verzoekster] op zijn verzoek met de heer [verweerder 2] naar het kantoor gegaan, samen met een collega die kon vertalen. [verzoekster] heeft daar duidelijk gemaakt dat zij last had van [zoon] . De heer [verweerder 2] heeft [verzoekster] gevraagd dit niet met de andere personeelsleden te bespreken.Wat er verder is besproken, is gelet op de uiteenlopende verklaringen niet vast te stellen, maar wel staat vast dat [verzoekster] trillend en huilend het kantoor heeft verlaten. Zij heeft vervolgens nog wel gewerkt. [zoon] is later op de dag op het werk verschenen. Hij heeft - met zijn handen zwaaiend – naar [verzoekster] geroepen “ga weg, ga weg” en is achter [verzoekster] aan gerend, waarna mevrouw [verweerder 3] ook nog achter [verzoekster] is aangerend.\n\nHeeft [verweerders] ernstig verwijtbaar jegens [verzoekster] gehandeld?\n\n4.13.. De kantonrechter komt nu toe aan de behandeling van de gronden \u002F de verwijten aan het adres van [verweerders] die [verzoekster] aanvoert ter onderbouwing van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] . Deze verwijten zien 1) op de omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de ziekmelding door [verzoekster] en die volgens haar de aanleiding waren voor de ziekmelding, 2) de wijze waarop [verweerders] na haar ziekmelding heeft geacteerd en 3) de wijze waarop [verweerders] haar andere arbeidsrechtelijke verplichtingen, zoals het tijdig betalen van het loon en de juiste toeslagen, heeft verzaakt. In het onderstaande wordt daarop verder ingegaan.\n\nDe aanloop naar de ziekmelding\n\n4.14.. \n [verzoekster] stelt dat zij tijdens haar dienstverband “voortdurend werd blootgesteld aan ongewenste avances van [zoon] ”, die zich aan haar opdrong, eiste dat zij met hem uitging en haar bestookte met telefoontjes en appjes. [zoon] zou na de afwijzing door [verzoekster] agressief zijn geworden, hetgeen zich vertaalde in pestgedrag en geschreeuw op de werkvloer, waarbij [zoon] [verzoekster] achtervolgde, heel dicht naast haar ging staan en haar begluurde als zij zich omkleedde, haar strafte met extra zwaar werk en haar uitschold ten overstaan van collega’s.\n\n4.15.. Niet al deze aantijgingen zijn komen vast te staan. Zoals hiervoor onder ro. 4.9 en 4.10 is overwogen kan worden vastgesteld dat [zoon] enkele keren (tegen de uitdrukkelijk geuite wens van [verzoekster] in) er bij [verzoekster] op heeft aangedrongen privé met hem af te spreken en dat hij daarbij het feit dat hij haar manager was als argument heeft gebruikt om [verzoekster] te overtuigen. Dat deze avances ook invloed hadden op de situatie op het werk, omdat [verzoekster] aan collega’s heeft gevraagd haar niet alleen te laten met [zoon] , staat ook vast. De overgelegde WhatsAppberichten zijn op drie verschillende dagen gewisseld. Dat rechtvaardigt niet het oordeel dat [zoon] zich “voortdurend aan [verzoekster] opdrong” en haar “bestookte” met appjes. Dat [zoon] op 13 juni 2025 tegen [verzoekster] heeft geschreeuwd, staat naar het oordeel van de kantonrechter wel vast, maar de andere verwijten (dat hij agressief is geweest, vaker tegen [verzoekster] schreeuwde op de werkvloer en haar pestte, begluurde en strafte met extra zwaar werk) missen iedere onderbouwing. Weliswaar schrijven [naam 1] en [naam 2] dat [verzoekster] herhaaldelijk “grote manden” kreeg, maar [naam 2] schrijft in haar andere verklaring ook dat zij ook regelmatig grote manden kreeg.Bovendien is verder niet onderbouwd waarom het krijgen van “grote manden” te kwalificeren zou zijn als pestgedrag. Verder schrijft [naam 1] dat [zoon] een keer uit het raam keek en hen observeerde toen ze buiten stonden, maar dit kan moeilijk als een onderbouwing van het verweten “begluren” worden beschouwd. Ook verklaart [naam 1] dat er persoonlijke spullen van [verzoekster] verdwenen, maar dat dit door toedoen van [zoon] kwam blijkt verder nergens uit. Tot slot acht de kantonrechter nog van belang dat [verzoekster] zelf aan [verweerders] schrijft dat zij niet zegt dat zij op het werk slecht wordt behandeld.\n\n4.16.. Ondanks het feit dat niet alle aantijgingen van [verzoekster] kunnen worden vastgesteld, kwalificeert de kantonrechter de gedragingen van [zoon] wel als grensoverschrijdend. Daarbij speelt ook nog mee dat [verzoekster] vluchteling is, de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is en ondergeschikte was. Gelet op deze kwetsbare positie waarin [verzoekster] zich bevond, had [zoon] , die een leidinggevende positie had binnen [verweerders] en zich bewust was van zijn machtspositie, zich moeten onthouden van zijn gedrag en [verzoekster] met rust moeten laten, zeker nadat zij daarom (meermaals) expliciet had verzocht.\n\n4.17.. \n\n [verweerders] heeft er nimmer adequaat op gereageerd dat een van haar leidinggevenden zich op deze wijze richting een ondergeschikte gedroeg. Dit valt [verweerders] te verwijten. Zij is immers als werkgever verantwoordelijkheid voor de (sociale) veiligheid van haar werknemers. Ten tijde van voornoemd handelen (en thans nog steeds) beschikte [verweerders] niet over een gedragsprotocol inzake relaties op de werkvloer en was daarover geen beleid vastgelegd in het personeelshandboek.\n\nHet door de heer [verweerder 2] ter zitting ingenomen standpunt dat hij de verhouding tussen zijn [zoon] en [verzoekster] en het werk als twee losse zaken ziet, deelt de kantonrechter niet. In deze zaak betreft het niet enkel een privékwestie van zijn zoon, nu [zoon] manager is bij [verweerders] en [verzoekster] aldaar ook - als ondergeschikte - werkzaam was en zichtbaar last had van het gedrag van [zoon] ten opzichte van haar. Dat het contact tussen hen geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhouding of de organisatie kan evenmin standhouden. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] blijkt voldoende dat de werksfeer negatief beïnvloed werd door de situatie, dat [verzoekster] bang was voor [zoon] en haar collega’s meermaals vroeg haar niet alleen te laten met hem. Ook de heer [verweerder 2] moet het duidelijk zijn geweest dat [verzoekster] leed onder de situatie met [zoon] . Op 13 juni 2025 is de hele situatie uiteindelijk geëscaleerd. [verweerder 2] had [verzoekster] in bescherming moeten nemen, maar heeft de situatie afgedaan als een privékwestie tussen [verzoekster] en zijn zoon en [verzoekster] verzocht daar niet met de andere personeelsleden over te praten. Dat getuigt niet van goed werkgeverschap.\n\n4.18.. \n [verweerders] heeft op de zitting nog aangevoerd dat [verzoekster] zich tot de vertrouwenspersoon had kunnen wenden. Nergens blijkt echter uit dat [verweerders] ooit naar haar werknemers heeft gecommuniceerd dat er een vertrouwenspersoon was. Bovendien wordt de functie van vertrouwenspersoon blijkbaar bekleed door mevrouw [verweerder 3] , die medevennoot van [verweerder 1] en de moeder van [zoon] is, en aldus niet onafhankelijk en objectief kan worden beschouwd. Dat [verzoekster] zich niet tot haar heeft gewend, kan uiteraard niet aan haar worden tegengeworpen.\n\nHet handelen van [verweerders] na de ziekmelding door [verzoekster]\n\n4.19.. Voldoende is gebleken dat partijen de intentie hadden om bij gebleken geschiktheid de arbeidsrelatie voort te zetten. Dit blijkt uit de arbeidsovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] tot aan haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd, zodat een verlenging van de arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht lag.\n\n4.20.. Dit alles veranderde nadat [verzoekster] zich op 13 juni 2025 ziekmeldde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de reden waardoor [verzoekster] arbeidsongeschikt is geworden en zich heeft moeten ziekmelden, in ieder geval voor een belangrijk deel was gelegen in de situatie met [zoon] en de gebeurtenissen op 13 juni 2025. Vervolgens heeft [verweerders] de ziekmelding gesanctioneerd met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en het goedgekeurde verlof van [verzoekster] , dat pas twee maanden later was gepland, zonder gegronde redenen ingetrokken. Ook heeft [verweerders] de ziekmelding van [verzoekster] aangegrepen om de rest van het personeel te waarschuwen.Vervolgens heeft [verweerders] aan [verzoekster] vrij snel na haar ziekmelding een vaststellingsovereenkomst aangeboden, waarmee [verzoekster] een groot deel van haar rechten zou prijsgeven. In plaats van meteen een consult bij de bedrijfsarts te plannen, heeft [verweerders] [verzoekster] na drie weken gevraagd of zij weer ingepland kon worden voor werk, heeft zij [verzoekster] verkeerd geïnformeerd over de rol van de bedrijfsarts (anders dan [verweerders] aan [verzoekster] meedeelde, is het júist de bedrijfsarts – en niet de huisarts – die oordeelt of een werknemer ziek is).Vervolgens heeft [verweerders] de adviezen van de bedrijfsarts in de wind geslagen. Waar de bedrijfsarts uitdrukkelijk adviseerde om het contact te minimaliseren, bleef [verweerders] [verzoekster] stelselmatig lastigvallen met e-mailberichten en druk op [verzoekster] uitoefenen. Ook al oordeelde de bedrijfsarts dat er medisch geen bezwaar bestond tegen het opnemen van verlof door [verzoekster] , toch bleef [verweerders] bij de intrekking van het aanvankelijk goedgekeurde verlof zonder daarvoor een gegronde reden te hebben. [verweerders] heeft vervolgens ook nog eens [verzoekster] gedreigd met arbeidsrechtelijke maatregelen omdat zij zonder daarvoor toestemming te hebben in het buitenland zou verblijven, hetgeen volgens [verzoekster] niet het geval was. Deze ongefundeerde beschuldiging is door [verweerders] momenteel nog steeds niet voorzien van enige onderbouwing.\n\n4.21.. Het voorgaande laat naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie toe dan dat [verweerders] haar re-integratieverplichtingen jegens [verzoekster] grovelijk heeft veronachtzaamd.\n\n [verweerders] heeft niet al het loon (tijdig) betaald\n\n4.22.. Ook neemt [verweerders] het niet zo nauw met het tijdig en volledig betalen van het loon. Het loon over de maanden augustus, oktober en november 2025is te laat (en niet volledig) betaald. De onregelmatigheidstoeslag voor de gewerkte uren op zaterdag en feestdagen is uiteindelijk pas op 7 maart 2026 betaald, nadat de gemachtigde van [verzoekster] daar meermaals om verzocht heeft en onderhavig verzoekschrift is ingediend. De wettelijke verhoging hierover is nog steeds niet betaald.\n\nConclusie ernstig verwijtbaar handelen of nalaten [verweerders]\n\n4.23.. De kantonrechter acht al met al voldoende aannemelijk geworden dat [verweerders] de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet heeft verlengd als gevolg van de ziekmelding van [verzoekster] op 13 juni 2025. Uit het hiervoor onder randnummer 2.7. weergegeven e-mailbericht van 14 juni 2025 van [verweerders] blijkt dit immers overduidelijk. Ook acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat deze ziekmelding het gevolg is geweest van verwijtbaar onvoldoende zorg van [verweerders] voor de arbeidsomstandigheden van [verzoekster] , met name de door [verweerders] te waarborgen veiligheid op de werkvloer en het gevrijwaard blijven van ongewenste avances door een leidinggevende. Tevens staat vast dat [verweerders] haar re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd. Uit het vorenstaande volgt dat aan het vereiste oorzakelijk verband tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is voldaan.\n\n4.24.. De conclusie uit het voorgaande is dat de hoge drempel in dit geval wordt gehaald en dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Er bestaat aldus een causaal verband tussen de ernstige verwijtbaarheid en het einde van het dienstverband oftewel aannemelijk is dat zonder ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] de arbeidsovereenkomst, die van rechtswege is beëindigd, wel zou zijn voortgezet.\n\n4.25.. Het voorgaande betekent dat de verzochte verklaring voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal worden toegewezen. Nu het primair verzochte wordt toegewezen, wordt aan de beoordeling van het subsidiair verzochte, te weten of [verweerders] jegens [verzoekster] aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW en\u002Fof 7:611 BW, niet toegekomen.\n\nHet verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen.\n\n4.27.. \n [verzoekster] verzoekt een bedrag van € 50.000,00 aan billijke vergoeding. Zij baseert dat op haar verwachting dat de arbeidsovereenkomst nog tenminste drie jaar geduurd zou hebben. [verzoekster] verwacht, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de beperkte toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, niet binnen een redelijke termijn uitzicht te hebben op een baan elders. Zij berekent haar tekort op het verschil van het loon bij [verweerders] en de door haar ontvangen ziektewetuitkering (21 november 2025 tot 21 november 2027) en daarna te ontvangen leefgeld (een voorziening voor Oekraïense vluchtelingen die zij zal ontvangen over de periode 21 november 2027 tot 21 november 2028) over een periode van drie jaar op € 38.568,00. Daarnaast stelt zij haar pensioenschade vast op € 2.520,00. Naast dit inkomensverlies van in totaal € 41.088,00 wenst zij nog een compensatie te zien voor het feit dat de situatie een grote impact op haar levensgeluk heeft. Volgens [verzoekster] is het verzochte bedrag een passende compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen.\n\n4.28.. \n [verweerders] betwist dat [verzoekster] de komende drie jaar geen arbeid zal kunnen verrichten.\n\n4.29.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\n4.30.. Het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen na ommekomst van de overeengekomen bepaalde duur, houdt verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Dat [verzoekster] , indien het ernstig verwijtbaar handelen wordt weggedacht, nog minstens drie jaar voor [verweerders] zou hebben gewerkt, acht de kantonrechter echter onvoldoende aannemelijk. [verzoekster] was immers pas iets langer dan een half jaar – op basis van een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – in dienst bij [verweerders] voordat zij zich ziekmeldde. Gelet op de korte duur van het dienstverband is het moeilijk te voorspellen hoe dit zou zijn verlopen als de arbeidsverhouding zou zijn gecontinueerd. Wel had er een grote kans bestaan, indien het verwijtbaar handelen wordt weggedacht en de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege zou zijn geëindigd, dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] met een jaar zou zijn verlengd. Immers uit het e-mailbericht van 14 juni 2025 (randnummer 2.7) volgt dat het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen is ingegeven door de ziekmelding. Verder staat vast dat [verzoekster] tot haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd en dat ingevolge de arbeidsovereenkomst in dat geval het contract in ieder geval met één jaar zou worden verlengd. Als uitgangspunt wordt daarom genomen dat [verzoekster] inkomensschade gedurende een jaar na 20 november 2025 lijdt als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] . Nu [verweerders] de door [verzoekster] gemaakte berekeningen als hierboven vermeld niet gemotiveerd heeft betwist (over de eerste twee jaar € 16.128,00 aan inkomensverlies) zal die inkomensschade in overeenstemming daarmee worden gesteld op een bedrag van € 8.000,- (voor één jaar).\n\n4.31.. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend karakter. Anderzijds is ze mede bedoeld om [verweerders] te prikkelen de volgende keer zorgvuldiger te handelen. Het behoeft naar het oordeel van de kantonrechter geen nader betoog dat de wijze waarop [verweerders] met [verzoekster] is omgegaan absoluut niet door de beugel kan. Om de ernst van de aan [verweerders] te maken verwijten te benadrukken, acht de kantonrechter een prikkel ter hoogte van € 7.000,00 op zijn plaats.\n\n4.32.. Uit het vorenstaande volgt dat [verweerders] zal worden veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoekster] van € 15.000,00 bruto en wel binnen veertien dagen na deze beschikking. De kantonrechter acht dit een redelijkere termijn dan de verzochte termijn van zeven dagen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt eveneens toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid.\n\nHet verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding\n\n4.33.. \n [verzoekster] maakt aanspraak op € 30.000,00 aan immateriële schadevergoeding. [verzoekster] stelt dat de door [verweerders] veroorzaakte en nog steeds voortdurende arbeidsongeschiktheid een aanzienlijke aantasting van haar persoon vormt en leidt tot enorm verdriet. Het verlies van haar gezondheid en haar uitzichtloze situatie hebben een enorme wissel op haar levensgeluk getrokken, aldus [verzoekster] .\n\n4.34.. Een benadeelde heeft recht op vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106 lid 1 BW). Van bedoelde aantasting in haar persoon op andere wijze is in elk geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van bedoelde aantasting in haar persoon sprake is. Het is aan de benadeelde om met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat een dergelijke situatie aan de orde is (Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Dat heeft [verzoekster] echter niet, althans niet voldoende gedaan. Dat de door [verzoekster] thans ervaren klachten het gevolg zijn van het handelen van [verweerders] is niet komen vast te staan.\n\n4.35.. \n\nDe in het geding gebrachte stukken bieden immers onvoldoende steun en onderbouwing voor dit standpunt van [verzoekster] . Aan de door [verzoekster] in het geding gebrachte verklaringen van de behandelend huisarts, psychiater, psycholoogen neuroloogkan in dit verband geen althans onvoldoende gewicht worden toegekend. Uit deze stukken blijkt genoegzaam dat [verzoekster] kampt met diverse klachten, zoals stress, slaapstoornissen, vermijdingsgedrag, somberheid, prikkelbaarheid apathie en herbelevingen en is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis zonder psychotische symptomen. In de stukken van de huisarts, de psychiater en de psycholoog wordt ook melding gemaakt van problemen in de werksituatie van [verzoekster] . De psychiater heeft geconcludeerd dat de depressieve stoornis is getriggerd door externe stressoren, met als primaire uitlokkende factor de werksituatie van [verzoekster] . De psycholoog schrijft dat haar hypothese is dat de klachten voortkomen uit langdurende werkgerelateerde traumatisering in combinatie met migratiestress, verlieservaringen en beperkte regie op de leefomstandigheden.\n\nEchter, al deze artsen baseren zich op de anamnese die hen enkel door [verzoekster] is aangereikt. Zij hebben niet zelf onderzoek gedaan naar de werksituatie en het oorzakelijk verband met de klachten van [verzoekster] . Daarom kan aan deze verklaringen maar zeer beperkt gewicht worden toegekend. Dat geldt temeer nu diverse verwijten over de werksituatie die [verzoekster] aan [verweerders] in deze procedure heeft gemaakt, niet zijn komen vast te staan. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de psycholoog en psychiater ook dat er diverse andere oorzaken zijn aan te wijzen die de klachten van [verzoekster] kunnen verklaren. Dat die klachten enkel of grotendeels het gevolg zijn van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] , is door [verzoekster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De gevorderde (immateriële) schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.\n\nWettelijke verhoging en wettelijke rente over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag\n\n4.36.. Nu betaling van de onregelmatigheidstoeslag niet tijdig heeft plaatsgevonden, maakt [verzoekster] op goede gronden aanspraak op vergoeding van de wettelijke verhoging. De verzochte wettelijke verhoging zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter acht de verzochte termijn van zeven dagen niet redelijk en zal [verweerders] veroordelen om dit bedrag binnen veertien dagen na deze beschikking te betalen. De gevorderde wettelijke rente, die door het enkele betalingsverzuim verschuldigd wordt, ligt ook voor toewijzing gereed op de hierna in de beslissing weergegeven wijze.\n\nBetalen en verstrekken deugdelijke eindafrekening\n\n4.37.. \n [verweerders] zal hoofdelijk veroordeeld worden tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto\u002Fnetto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren. De termijn van betalen en afgifte, alsmede de verzochte dwangsom zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing weergegeven.\n\nProceskosten\n\n4.38.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerders] , omdat [verweerders] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerders] . De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4.39.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld,\n\n5.2.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00, onder overlegging van een correcte bruto\u002Fnetto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van\n\n€ 1.310,40 over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto\u002Fnetto specificatie,\n\n5.4.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen en te verstrekken een deugdelijke afrekening (een bruto\u002Fnetto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [verweerders] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00,\n\n5.5.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.6.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n Bijlage 1 verzoekschrift\n\n Bijlage 12 verzoekschrift\n\n Bijlage 13 verzoekschrift\n\n Bijlage 15 verzoekschrift\n\n Bijlage 14 verzoekschrift\n\n Bijlage 20 verzoekschrift\n\n Bijlage 21 verzoekschrift\n\n Bijlage 22 verzoekschrift\n\n Bijlage 27 verzoekschrift\n\n Bijlage 29 verzoekschrift\n\n Bijlage 30 verzoekschrift\n\n Bijlage 31 verzoekschrift\n\n Bijlage 32 verzoekschrift\n\n Bijlage 33 verzoekschrift\n\n Bijlagen 4 en 36 verzoekschrift\n\n Beslissing van het UWV van 22 december 2025, bijlage 5 verzoekschrift\n\n Bijlage 53 verzoekschrift\n\nKamerstukken II2013-2014, 33 818, nr. 3.\n\n Productie 56A verzoekschrift\n\n Producties 55A verzoekschrift\n\n Appbericht 17:40 uur\n\n 16 april 2025 19:13 uur\n\n 1e WhatsApp bericht 2 mei 2025\n\n [datum] 2025 8:04 uur\n\n [datum] 2025 8:14 uur\n\n [datum] 18:38 uur\n\n [datum] 19:48 uur\n\n Zie bijlage 48 verzoekschrift, waarin een foto is ingeplakt van een stuk vertaalde tekst die [verzoekster] tijdens het gesprek heeft gemaakt.\n\n Verklaring [verzoekster] en [naam 2]\n\n Verklaring [verzoekster] , [naam 2]\n\n Productie 55B verzoekschrift\n\n WhatsAppbericht 16 april 2025 om 19:22 uur\n\n Zie hiervoor onder 2.7.\n\n Bijlagen 35, 38, 40, 41, 44 en 45 verzoekschrift\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Bijlage 34 verzoekschrift\n\n Bijlage 57a verzoekschrift\n\n Bijlage 57b verzoekschrift\n\n Bijlage 57d verzoekschrift\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6145","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.196Z",20]