[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-inheritance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-06-10T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124016","Burgerlijk Wetboek","art. 4:46 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124119","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 237 lid 4",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"124121","art. 4:64 lid 1",[34,45],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1587","ECLI:NL:RBLIM:2026:5324","ecli-nl-rblim-2026-5324","","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F332605 \u002F HA ZA 24-316\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1],\n\nadvocaat: mr. V.C.C. Luijten,\n\ntegen\n\n [persoon 2],\n\nte [plaats 2],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 2],\n\nadvocaat: mr. I.K. Decupere.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie, - het bericht van 29 april 2025 met productie van [persoon 2], - het bericht van 6 mei 2025 met productie van [persoon 1], - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025,\n\n- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Decupere voorgedragen spreekaantekeningen,\n\n- de verwijzing naar de parkeerrol in overleg met partijen,\n\n- het bericht van 11 februari 2026 van partijen waarin zij verzoeken de zaak weer op de reguliere rol van 11 maart 2026 te plaatsen, - de akte uitlaten productie van [persoon 2].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [erflater], geboren op [datum 1] 1961, (hierna te noemen: erflater) heeft bij testament van 21 juli 2000 over zijn nalatenschap beschikt. Daarin staat onder meer:\n\n‘B. VRUCHTGEBRUIK-\n\nIk legateer aan mijn partner, Mevrouw [persoon 1] (lees: [persoon 1] toevoeging rechtbank) geboren te [plaats 3] op [datum 2] negentienhonderddrieënzestig:\n\na.\n\nhet recht van vruchtgebruik van het registergoed [adres] dan wel van het registergoed dat mijn genoemde partner en ik in de plaats daarvan bij mijn overlijden als eigenaar mochten bewonen dan wel van mijn aandeel in bedoeld registergoed. (…)\n\nb. het recht van vruchtgebruik van al mijn inboedelgoederen dan wel mijn aandeel in bedoelde inboedelgoederen, waarbij onder inboedel dient te worden verstaan het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken met inbegrip van boekerijen en kunstvoorwerpen.\n\n(…)\n\nC. ERFSTELLING\n\nOnder de last van voormeld legaat benoem ik tot mijn erfgenamen mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde, dus diegenen die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn (met uitzondering van de bloedverwanten van mijn vader), indien ik ongehuwd zou zijn overleden, tezamen en voor gelijke delen met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf.’\n\n2.2.. \n [persoon 1] en erflater zijn op [datum 3] 2002 gehuwd.\n\n2.3.. Erflater is overleden op [datum 4] 2021. Zijn ouders waren vooroverleden. [persoon 2] is een oom van erflater aan moederszijde. Tot de nalatenschap van erflater behoort de onderverdeelde aandeel van een woning die hij samen met [persoon 1] in eigendom had.\n\n3. Het geschil in conventie en reconventie\n\n3.1.. \n [persoon 1] vordert in conventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart:\n\nprimair: dat het testament van erflater aldus moet worden uitgelegd dat [persoon 1] enig erfgename van erflater is,\n\nsubsidiair: dat aan het testament van erflater de werking is komen te ontvallen, aldus dat daaraan geen betekenis toekomt voor wat de vererving van de nalatenschap van erflater en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is\n\n3.2.. \n [persoon 2] vordert in reconventie - samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater.\n\n3.3.. \n\nPartijen voeren verweer tegen de vordering van de ander. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en reconventie\n\n4.1.. \n\nDeze procedure gaat over de uitleg van de in het testament van erflater opgenomen erfstelling. [persoon 1] baseert haar vordering op het standpunt dat erflater de erfstelling alleen heeft bedoeld voor het geval hij ongehuwd zou komen te overlijden, wat niet het geval was. In die situatie was de erfstelling uit het testament volgens [persoon 1] niet van toepassing, wat zou betekenen dat zij op grond van het versterfrecht de enige erfgenaam is. [persoon 2] stelt dat uit het testament volgt dat, omdat de ouders van erflater zijn vooroverleden, de familieleden aan moederszijde erven.\n\nOp de uitleg van de erfstelling in het testament zal hierna verder worden ingegaan.\n\n4.2.. Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking zoals een testament, moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). De rechtbank stelt voorop dat zij bij de verdere beoordeling geen acht slaat op het door [persoon 2] overgelegde bericht van het notariskantoor waaraan de notaris die het testament opstelde was verbonden. De daarin vervatte opinie is namelijk niet kenbaar gebaseerd op de aantekeningen van de betrokken notaris en ook is niet gebleken dat de inhoud van de opinie anderszins volgt uit het dossier van deze concrete zaak. Daarmee betreft het een mening met geen bijzondere toegevoegde waarde.\n\n4.3.. Niet in geschil is dat erflater in ieder geval wenste dat, ingeval van het vooroverlijden van zijn ouders, zijn familieleden aan vaderszijde niet zouden erven. In zoverre is de bedoeling van erflater duidelijk. De vraag is wat de erfstelling betekent voor de positie van degene met wie erflater gehuwd was bij zijn overlijden, [persoon 1] dus.\n\n4.4.. \n [persoon 1] stelt dat uit de zinsnede ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’ blijkt dat erflater de erfstelling enkel heeft gemaakt voor de situatie dat hij ongehuwd zou komen te overlijden. Nu die situatie zich niet heeft voorgedaan, wordt aan de erfstelling niet toegekomen of komt daar geen betekenis aan toe, aldus [persoon 1]. De rechtbank volgt haar daarin niet.\n\nAls erflater bedoeld zou hebben de erfstelling alleen van toepassing te laten zijn als hij ongehuwd zou overlijden, had daarbij gepast dat er bewoordingen zouden zijn gebruikt als ‘indien ik ongehuwd overlijd’ en niet ‘indien ik ongehuwd zou zijn overleden’. Immers kan bij het overlijden worden vastgesteld of erflater gehuwd was, dus is het onlogisch om dat in de door [persoon 1] voorgestane uitleg in een erfstelling in het midden te laten.\n\nDaarbij komt dat in de erfstelling niet apart aandacht wordt gegeven aan de situatie waarin erflater gehuwd was bij overlijden. Dat zou voor de hand hebben gelegen als bedoeld was de echtgenote tot erfgenaam te benoemen in plaats van (of eventueel naast) de expliciet genoemde erfgenamen. Het is, anders gezegd, niet aannemelijk dat erflater heeft gewild zijn echtgenote tot erfgenaam te benoemen zonder dat met zoveel woorden te vermelden in het testament terwijl tegelijkertijd ouders en familie moederszijde wel expliciet als erfgenamen zijn genoemd.\n\nVerder geldt dat de door [persoon 1] aangehaalde zinsnede klaarblijkelijk onderdeel uitmaakt van de uitleg van of toelichting op de kring van erfgenamen die zijn geduid als ‘mijn ouders en voorts uitsluitend de bloedverwanten van moederszijde’. Dit blijkt uit het woordje ‘dus’. Wat daarop volgt is daarom een andere omschrijving van deze kring van erfgenamen, waartoe overduidelijk de eventuele echtgenote niet behoort. In zoverre is de wijze waarop de erfstelling is verwoord veeleer een aanwijzing dat erflater ook een eventuele huwelijkspartner niet tot de kring van erfgenamen wenste te vatten. Hij benoemde immers zijn ouders en bloedverwanten moederszijde en benadrukt in de verdere uitleg (na ‘dus’) dat dit de personen zijn die zijn erfgenamen zouden zijn als hij ongehuwd zou zijn overleden. Hier wijzen de woorden ‘zou zijn’ erop dat het er niet om gaat wat de daadwerkelijke huwelijksstatus bij overlijden was, maar om de kring van erfgenamen vast te stellen uitgaande van de aanname of fictie dat erflater ongehuwd zou komen te overlijden.\n\nDe slotsom is dat de rechtbank ervan uitgaat dat de erfstelling gold voor zowel het geval dat erflater bij overlijden gehuwd was als het geval waarin hij ongehuwd was. In beide gevallen zouden alleen zijn ouders en bloedverwanten moederszijde de erfgenamen zijn.\n\n4.5.. \n [persoon 1] heeft in de dagvaarding gesteld dat erflater haar tijdens hun huwelijk altijd heeft voorgehouden dat het testament zodanig was opgesteld dat zij door het huwelijk zijn erfgenaam was. Tijdens de mondeling behandeling is echter gebleken dat deze stelling op een misverstand was gebaseerd. [persoon 1] huidige standpunt is dat zij pas na het overlijden van erflater is geconfronteerd met het feit dat er een testament was en zij dus niet voor diens overlijden met erflater heeft gesproken over het testament. De stelling in de dagvaarding is daarmee verlaten en geeft dus geen aanleiding om te onderzoeken of de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen.\n\n4.6.. \n\n [persoon 1] heeft als productie 4 een formulier van de uitvaartverzekeraar van erflater overgelegd, waaruit blijkt dat erflater op enig moment heeft aangegeven wie hij voor zijn uitvaart uitgenodigd zou willen zien. [persoon 2] staat daar niet bij. Als productie 5 heeft [persoon 1] een verklaring van haar zus en schoonbroer overgelegd. Deze verwijzen daarin ook naar de wensen van erflater over zijn uitvaart. Ook verklaren zij dat zij zijn geïnformeerd over de verstoorde verhouding tussen erflater en (onder andere) [persoon 2] als gevolg van kwetsende uitlatingen aan het adres van erflater. Als productie 6 heeft [persoon 1] een eigen verklaring overgelegd met als bijlage een aan erflater toegeschreven verklaring. In de eigen verklaring van [persoon 1] wordt een op een niet nader geduid moment gevoerd telefoongesprek aangehaald waarin iets door [persoon 2] zou zijn gezegd waardoor erflater gegriefd was. Ook verklaart zij dat erflater niet wilde dat er familie bij zijn uitvaart was. De aan erflater toegeschreven verklaring is een brief aan zijn op dat moment al overleden vader, kort gezegd een aanklacht inhoudend over hoe erflater is behandeld door zijn vader. [persoon 2] wordt in deze verklaring wel een enkele keer genoemd maar over diens relatie met erflater wordt niet uitgeweid. Over de echtgenote van [persoon 2] (‘[naam]’) vermeldt de verklaring dat zij [persoon 1] op enig moment zou hebben beledigd, zonder dat duidelijk wordt waaruit dat heeft bestaan.\n\nNaar de rechtbank begrijpt wenst [persoon 1] met deze stukken te betogen dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater in de erfstelling wenste te regelen. [persoon 2] heeft dat betwist, daarbij onder meer ontkennend dat hij of zijn echtgenote erflater onheus heeft bejegend en ook dat zij gebrouilleerd waren. Het contact zou goed en nauw zijn geweest, zij het in de latere jaren wat verwaterd, zonder dat [persoon 2] daarvoor een duidelijke reden kan aanwijzen.\n\nBij de beoordeling van het standpunt van [persoon 1] stelt de rechtbank voorop dat, als de relatie tussen erflater en [persoon 2] is verslechterd, dit op zichzelf niet zonder meer betekent dat de feitelijke verhoudingen bij overlijden niet meer aansloten bij wat erflater wenste te regelen. Het één leidt immers niet zonder meer tot het ander. Daarbij kan worden gewezen op de slechte verhouding die erflater, uitgaande van de aan hem toegeschreven verklaring, van jongs af aan – dus ook voorafgaand aan het opmaken van het testament in 2000 – met beide ouders had, wat hem er niet van heeft weerhouden beiden als erfgenaam aan te wijzen. Verder moet worden vastgesteld dat de door [persoon 1] aangenomen aanleiding voor de verslechterde verhouding met specifiek [persoon 2], is gebaseerd op een enkel telefoongesprek en een niet nader geduid voorval tussen [persoon 1] en de echtgenote van [persoon 2]. Zonder te willen afdoen aan de mogelijke impact van een en ander, gaat het naar het oordeel van de rechtbank te ver om aan deze incidenten, afgezet tegen de (duur van de) gehele relatie tussen erflater en [persoon 2] de gevolgtrekking te verbinden dat erflaters testament niet meer beantwoordde aan wat hij wilde. Daarbij moet worden opgemerkt dat erflater in de aan hem toegeschreven verklaring aan [persoon 2] geen (duidelijke) verwijten maakt. Dat erflater geen enkele bloedverwant heeft opgenomen in het lijstje van mensen die hij op zijn uitvaart uitgenodigd wilde zien, en [persoon 2] dus ook niet, geeft onvoldoende aanleiding om daarom aan te nemen dat de erfstelling ten gunste van (uiteindelijk) [persoon 2] toch niet meer was wat erflater wilde.\n\n4.7.. De conclusie is dat:\n\n- wordt aangenomen dat de erfstelling ook is bedoeld te gelden als erflater bij zijn overlijden gehuwd was,\n\n- die erfstelling inhoudt dat, vanwege het vooroverlijden van de ouders van erflater, de bloedverwanten aan moederszijde de erfgenamen zijn,\n\n- niet kan worden aangenomen dat de erfstelling bij het overlijden van erflater niet meer beantwoordde aan diens wens,\n\n- [persoon 2] als (kennelijk) de enige bloedverwant aan moederszijde bij het overlijden van erflater de enige erfgenaam van erflater is.\n\nDit betekent dat de vordering van [persoon 1] moeten worden afgewezen en die van [persoon 2] moet worden toegewezen.\n\n4.8.. \n [persoon 1] is in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n320,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.815,00\n\n4.9.. \n\nBij de begroting van dr proceskosten is er rekening mee gehouden dat [persoon 2] in reconventie nagenoeg geen extra proceshandelingen heeft hoeven te verrichten.\n\nDe gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [persoon 1] af,\n\nin reconventie\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [persoon 2] enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflater,\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.3.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. veroordeelt [persoon 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5324","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:28.547Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":43,"updatedAt":52},"1669","ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","ecli-nl-rblim-2026-5540","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F335483 \u002F HA ZA 24-474\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [zus],\n\nte op een geheim adres,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [zus] ,\n\nadvocaat: mr. B. Coomans,\n\ntegen\n\n [broer],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [broer] ,\n\nadvocaat: mr. E. Sars.\n\nPartijen worden hierna [zus] en [broer] genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het incidenteel vonnis van 12 februari 2025\n\n- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie\n\n- de oproepingsbrief van 9 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de op 16 september 2025 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus]\n\n- de akte wijziging van eis d.d. 17 september aan de zijde van [zus]\n\n- de op 18 september 2025 nader ingezonden producties aan de zijde van [broer]\n\n- de mondelinge behandeling d.d. 25 september 2025\n\n- de op 4 februari 2026 nader ingezonden productie aan de zijde van [zus] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [zus] en [broer] zijn broer en zus van elkaar. [moeder] was hun moeder.\n\n2.2.. Moeder heeft bij testament van 23 november 2016, verleden voor mr. J.M.A. Pas, kandidaat-notaris te Beek, over haar nalatenschap beschikt. In haar testament heeft zij [broer] tot enig erfgenaam benoemd en [zus] (alsmede haar afstammelingen) uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenaam.\n\n2.3.. Tot het overlijden van moeder had zij een eenmanszaak en verrichte zij diensten aan mensen die in medisch opzicht hulpbehoevend zijn.\n\n2.4.. Moeder en [broer] zijn sinds 4 mei 2021 samen eigenaar van de woning, staande en gelegen aan [adres] . Hierop was een hypotheek gevestigd op beider naam.\n\n2.5.. Moeder is op [datum] 2023 overleden.\n\n2.6.. Op verzoek van [zus] heeft [notaris] bij brief van 27 december 2023 laten weten dat [zus] aanspraak maakt op haar legitieme deel van de nalatenschap van moeder.\n\n2.7.. Op 11 januari 2024 is [broer] door de notaris verzocht om diverse documenten over te leggen, die ertoe dienen te strekken inzage te geven in de omvang van de legitimaire massa.\n\n2.8.. \n\n [zus] heeft ter verzekering van de door haar gepretendeerde vordering op\n\n20 augustus 2024 conservatoir beslag gelegd ten laste van [broer] op de onverdeelde helft van de onroerende zaak staande en gelegen aan [adres] .\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [zus] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Aan de hand van de door [broer] in het incident te verstrekken bescheiden bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie van eiseres vast zal stellen;\n\nII. De vordering van [zus] op [broer] als enig erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster bij wijze van verklaring voor recht vast zal stellen op het onder I. vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;\n\nIII. [broer] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [zus] te betalen het onder II. vastgestelde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding; IV. Bij wijze van verklaring voor recht de omvang van de legitieme portie van [zus] vast te stellen op € 300.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; en\n\nV. [broer] zal veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de buitengerechtelijke kosten en de nakosten zoals bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv alsmede de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [broer] in verzuim is deze kosten te voldoen.\n\n3.2.. \n [broer] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [zus] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [zus] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [broer] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [broer] een vordering op de nalatenschap heeft van € 167.740,72, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nII. [zus] veroordeelt in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [zus] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met compensatie van de proceskosten.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Met de vordering in conventie wenst [zus] dat haar legitieme portie wordt vastgesteld. Met de vordering in reconventie wenst [broer] een aanspraak te maken ten laste van de legitieme portie. Daarmee lenen de twee vorderingen zich voor een gezamenlijke beoordeling.\n\n4.2.. De legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap die wordt vermeerderd met de giften en verminderd met de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Onder de schulden vallen de schulden die niet door de dood teniet gaan, de uitvaartkosten en de kosten van vereffening van de nalatenschap. De uitkomst hiervan wordt de legitimaire massa genoemd. De hoogte van de vordering van [zus] wordt berekend door de helft van de legitimaire massa te delen door het aantal afstammelingen. In dit geval zijn dat [zus] en [broer] . De concrete berekening van de legitieme portie van [zus] is de helft van de helft legitimaire massa (artikel 4:64 lid 1 BW). Derhalve bedraagt de legitieme portie van [zus] uiteindelijk 25% van de legitimaire massa.\n\n4.3.. \n\nVoor het bepalen van de legitimaire massa (en de hoogte daarvan) moet dus worden bepaald welke goederen tot de nalatenschap behoren (omvangspeildatum), welke waarde deze hadden ten tijde van overlijden van erflaatster (waardepeildatum), welke giften zijn gedaan, en wat de schulden van de nalatenschap zijn.\n\nWaarde van de goederen inclusief vorderingen\n\nDe woning4.4.. De woning aan [adres] is eigendom van moeder en [broer] . Dit betekent dat de helft van de waarde van de woning in de legitimaire massa valt. De vraag die in dit verband moet worden beantwoord is wat de waarde van de woning op het moment van overlijden was.\n\n4.5.. \n [zus] stelt dat de aankoopwaarde van de woning door moeder en [broer] – zijnde € 350.000,00, als uitgangspunt moet worden genomen. Moeder heeft 1,5 jaar in het huis gewoond voordat ze overleed. Door tijdsverloop is de waarde van de woning gestegen. [zus] laat echter na te onderbouwen hoeveel die waardevermeerdering zou zijn. Wel is namens [zus] een taxatierapport overgelegd, gedateerd op 12 december 2025, waaruit blijkt dat de woning op 20 november 2025 een marktwaarde had van € 450.000,00. Hiermee is echter nog niet duidelijk wat de waarde van de woning was op het moment dat moeder is overleden. Om die reden kan aan dit taxatierapport niet de waarde worden toegekend die [zus] (mogelijk) voor ogen staat.\n\n4.6.. Aan de zijde van [broer] is niets gesteld ten aanzien van de waarde van de woning, behalve dat hij de woning na aankoop voor een bedrag van € 128.000,00 zou hebben verbouwd. Welke consequentie dit mogelijk zou hebben voor de waarde van de woning, heeft [broer] niet naar voren gebracht.\n\n4.7.. Nu geen van partijen onderbouwd hebben gesteld wat de waarde was van de woning op het moment dat moeder overleed, zal de rechtbank die waarde zelf schattenderwijs vast stellen. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de waarde van de woning op [datum] 2023 moet liggen tussen de aankoopwaarde en de getaxeerde waarde op 20 november 2025. De rechtbank schat die waarde dan op € 400.000,00. Als controle van die waarde heeft de rechtbank voorts de vrij toegankelijke gegevens van waardestijgingen zoals te vinden op de [website] in haar overweging betrokken. Uit deze controle volgt dat een waarde van € 400.000,00 een redelijke schatting is.\n\nAuto4.8.. \n [zus] heeft gesteld dat tot de legitimaire massa ook moet worden gerekend de auto die moeder in haar bezit had. Van deze auto is komen vast te staan dat dit een lease auto betrof. Tijdens de mondelinge behandeling is door [broer] onbetwist gebleven gesteld dat de lease-auto ten tijde van overlijden van moeder een waarde had van € 6.000,00. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de juistheid hiervan te twijfelen, zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\n4.9.. \n [broer] heeft nog betoogd dat hij de auto moest afkopen, waarmee hij beoogt dat de afkoopsom een vordering is die ten laste van de legitimaire massa moet strekken. De rechtbank volgt [broer] hier echter niet in. Hij heeft er namelijk zelf voor gekozen om de leaseovereenkomst af te kopen en de auto voor eigen gebruik te houden. Het afkoopbedrag komt daarmee niet ten laste van de nalatenschap, maar voor zijn eigen rekening.\n\nHorloge\n\n4.10.. \n [zus] heeft bij dagvaarding gesteld dat moeder beschikte over een Rolex. Die stelling is door [broer] betwist. Nu [zus] geen enkel begin van bewijs heeft geleverd of aangeboden die haar stelling kan onderbouwen, zal dit gestelde vermogensbestanddeel buiten de vaststelling van de legitimaire massa worden gelaten.\n\nBankrekeningen4.11.. In deze procedure heeft [zus] meermaals geprobeerd inzage te krijgen in de financiële situatie van moeder zoals die was ten tijde van haar overlijden. Zo is in de eerste plaats op haar verzoek door de notaris bij [broer] gevraagd om inzage te verschaffen in – onder andere – de bankrekeningen van moeder. Aan dit verzoek heeft hij op dat moment geen gehoor gegeven. Bij vonnis in incident van 12 februari 2025 is [broer] veroordeeld om, voor zover bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering van belang, afschriften te verstrekken van:\n\nDe saldi per [datum] 2023 van de bank- en girorekeningen en de nummers van deze rekeningen;\n\nDe belastingaanslagen, met name de Inkomstenbelasting;\n\nBankafschriften te verstrekken die zijn op de periode van vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder op [datum] 2023.\n\nAan het verstrekken van deze gegevens is een dwangsom verbonden, van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.\n\n4.12.. Op 26 juni 2025 heeft [broer] aan de gemachtigde van [zus] rekeningafschriften verstrekt van een rekening van de Rabobank met nummer [rekeningnummer]. Omdat de tenaamstelling is weggelakt, kan de rechtbank niet vaststellen dat het daadwerkelijk de betaalrekening van moeder betrof. Echter is dit door [zus] niet ter discussie gesteld, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van [broer] . Het saldo van die rekening bedroeg op [datum] 2023 € 145,51. Dit bedrag zal dan ook bij de vaststelling van de legitimaire massa worden meegenomen. Alle bedragen die na overlijden van moeder nog zijn bij- of afgeschreven, vallen buiten het bestek van de legitimaire massa en laat de rechtbank derhalve buiten beschouwing.\n\n4.13.. De belastingaanslagen heeft [broer] niet overgelegd, omdat die er volgens zijn verklaring niet zijn. Hoewel daar op zitting wel naar is gevraagd door de rechtbank, heeft [broer] geen toelichting kunnen geven waarom die aanslagen er niet zijn. Nu echter aan de zijde van [zus] niet is betwist dat de aanslagen er niet zijn, zal de rechtbank ervanuit gaan dat [broer] niet kan beschikken over deze aanslagen omdat deze aanslagen er niet zijn.\n\n4.14.. De vraag deed zich nog voor of er nog andere rekeningen waren, mede omdat moeder tot aan haar overlijden als ZZP’er werkte. [broer] heeft onweersproken toegelicht dat moeder haar zakelijke rekening ook privé mocht gebruiken en dat er om die reden geen andere rekeningen waren op naam van moeder. Dat die informatie onjuist, is door [zus] niet gesteld, zodat hier van wordt uitgegaan.\n\n4.15.. Wel geldt ten aanzien van de bankrekeningen nog het volgende. [broer] is veroordeeld tot het verstrekken van bescheiden, op straffe van een dwangsom. Die dwangsommen zijn verbeurd en [zus] is ook tot incasseren overgegaan.4.16.. Vast staat dat [broer] niet direct overgegaan is tot het overleggen van de bescheiden die waren gevraagd door [zus] . Ook na het vonnis in incident heeft het nog een aantal maanden geduurd voordat [broer] alle gevraagde informatie had verstrekt. Naar zijn eigen zeggen is er per e-mail van 16 oktober 2024 informatie aan de gemachtigde van [zus] verstrekt. Hoewel de gemachtigde van [zus] ter zitting heeft gezegd dat hij zich die e-mail niet kan herinneren, is een afschrift van die e-mail mét onderliggende stukken niet aan het procesdossier gevoegd. De rechtbank kan dan ook niet verifiëren of en welke bescheiden op 16 oktober 2024 zouden zijn overgelegd. Wel kan de rechtbank vaststellen dat [broer] pas op 26 juni 2026 de bankafschriften heeft overgelegd. Naar zijn eigen zeggen kon hij pas op 27 mei 2025 bij de notaris terecht voor een verklaring van erfrecht en die was nodig omdat de Rabobank anders geen inzage in de rekening wilde geven. [zus] heeft niettemin dwangsommen geïncasseerd en dat is volgens [broer] misbruik van recht. De rechtbank volgt [broer] niet in dit standpunt. [broer] was immers al eerder verzocht door [notaris] in januari 2024, om inzage te geven in alle bescheiden die relevant waren voor de vaststelling van de legitimaire massa. Weliswaar is [broer] bij vonnis in incident pas veroordeeld tot het overleggen van die afschriften, maar na het vonnis heeft het ook nog zo’n drie maanden geduurd voordat [broer] een verklaring van erfrecht heeft verkregen. Niet blijkt dat [broer] met voortvarendheid een afspraak bij de notaris heeft gemaakt, zodat het gegeven dat de notaris pas op 27 mei 2025 tijd zou hebben gehad voor het opmaken van een verklaring van erfrecht voor rekening en risico komt van [broer] . Nu niet blijkt dat door een omstandigheid buiten toedoen van [broer] er pas na 27 mei 2025 een verklaring voor erfrecht kon worden verkregen, heeft [zus] terecht de dwangsommen verbeurd en is er geen sprake van misbruik van recht.\n\nSchulden4.17.. De schulden van moeder moeten van het positieve saldo worden afgetrokken, zoals dit ook onder rechtsoverweging 4.2 is uitgelegd.\n\nUitvaartkosten en notariskosten\n\n4.18.. Vast staat dat [broer] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van moeder. Tijdens de mondelinge behandeling is gesteld dat de gemachtigde van [zus] bij e-mail van 16 oktober 2024 een overzicht van die kosten heeft ontvangen. De gemachtigde van [zus] herinnert zich die e-mail niet. Wat daar ook van zij, namens [broer] is verzuimd om de kosten van de uitvaart in deze procedure te stellen en onderbouwen. Zodoende kan de rechtbank geen rekening houden met de kosten van de uitvaart bij de bepaling van de legitimaire massa. Wel is door [broer] gesteld dat hij € 85,00 aan notariskosten heeft moeten maken voor het opvragen van het testament en € 906,83 voor het opstellen van een verklaring van erfrecht. De kosten komen de rechtbank aannemelijk voor.\n\nHypotheek4.19.. Vast staat verder dat op de woning van moeder en [broer] een hypotheek rust die bij aanvang € 190.000 bedroeg en die volgens een annuïteitenregeling afgelost moet worden. Verder bestaat er ook geen discussie tussen partijen dat er op de hypotheek, tot aan het moment dat moeder overleed, maandelijks aflossingen zijn gedaan. [broer] heeft echter nagelaten een overzicht te verstrekken van de hypotheekstand ten tijde van het overlijden van moeder. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [broer] een poging ondernomen om inzage te verschaffen, maar vervolgens is nagelaten die schriftelijk te verstrekken. Gelet op de overlegde stukken zal de rechtbank daarom zelf de waarde van de hypotheek vast stellen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspuntdat het maandbedrag € 684,37 bedroeg. De eerste betaling was verschuldigd op 30 juni 2021. De rechtbank stelt dan ook vast dat tot het overlijden van moeder in totaal € 19.162,36 (28 maanden x € 684,37) aan hypotheek is betaald. Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op de oorspronkelijke hypoheeksom. Derhalve bedroeg de hypotheekschuld ten tijde van het overlijden van moeder (€ 190.000,00 minus € 19.162,36) € 170.837,64.\n\n4.20.. Voor zover er nog hypotheeklasten zijn betaald ná overlijden van moeder, blijven die kosten buiten beschouwing nu dit voor de omvang van de legitimaire massa niet van belang is. Voor zover [broer] heeft willen betogen dat [zus] mede gehouden was om na het overlijden van moeder mee te betalen in de hypotheeklasten, miskent hij dat [zus] geen erfgenaam is en om die reden ook niet kan meedelen in schulden die zijn ontstaan ná het overlijden van moeder.\n\nOverige kosten\n\n4.21.. \n [broer] heeft gesteld dat hij als enige de hypotheeklasten betaalde, evenals de aanslagen van de BSGW en de kosten voor levensonderhoud. Moeder zou namelijk zelf geen inkomen hebben gehad, volgens [broer] . [zus] heeft dit betwist en tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [zus] erop gewezen dat moeder volgens de bankafschriften een AOW-uitkering ontving alsmede een (klein) pensioen uit Duitsland. Dit is op zichzelf niet weersproken door [broer] . De gemachtigde van [zus] heeft hiermee willen betogen dat niet blijkt of er tussen moeder en [broer] afspraken waren gemaakt over voormelde kosten, laat staat wat die afspraken zouden zijn. De rechtbank is met de gemachtigde van [zus] van oordeel dat van afspraken op dit punt niet is gebleken. [broer] draagt hier wel de bewijslast van. Door hem is echter op geen enkele wijze een begin van bewijs geleverd dat hij alle kosten heeft gedragen, of dat moeder nog gehouden was de kosten aan hem te vergoeden. Daarmee zal deze opgevoerde post geen rol spelen bij de vaststelling van de legitimaire massa.\n\nVerklaring voor recht ten aanzien van verbouwingskosten4.22.. \n [broer] vordert een verklaring voor recht dat hij voor een bedrag van € 128.000,00 een vordering op de nalatenschap heeft. Dit zou het bedrag zijn dat hij heeft betaald aan verbouwingskosten. Ter onderbouwing van die kosten heeft [broer] een groot aantal foto’s overgelegd waarop verbouwingswerkzaamheden zijn te zien, alsmede facturen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering om meerdere redenen moet worden afgewezen.\n\n4.23.. De rechtbank begrijpt dat [broer] met zijn vordering beoogt te bewerkstelligen dat het totale bedrag aan verbouwing van de legitimaire massa moet worden afgetrokken. De verklaring voor recht is echter zodanig geformuleerd dat de rechtbank alleen zou kunnen vaststellen dat [broer] een vordering heeft ten laste van de nalatenschap. Nu hij echter enig erfgenaam is van die nalatenschap – [zus] is namelijk onterfd en kan slechts aanspraak maken op haar legitieme deel en is daarmee geen erfgenaam – ziet de rechtbank niet in welk belang [broer] bij die verklaring zou hebben. Ook al zou dit belang er wel zijn, dan geldt dat [zus] de verbouwing en de kosten die daarmee volgens [broer] gepaard gingen, heeft betwist. Met [zus] stelt de rechtbank vast dat op de foto’s niet blijkt dat de verbouwing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden aan het huis dat moeder met [broer] had gekocht. Ook de overgelegde facturen kunnen de stelling van [broer] niet staven. Enerzijds is slechts voor een deel van het gevorderde bedrag facturen overgelegd en verder blijkt niet van enige betaling. En ook ten aanzien van deze vordering geldt dat niet blijkt van afspraken tussen moeder en [broer] , waaruit zou voortvloeien dat moeder het eens is met de verbouwing, de kosten en het gegeven dat zij daar voor de helft aan zou moeten meebetalen. Daarmee wordt de gevorderder verklaring voor recht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.24.. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, komt de legitimaire massa – en vervolgens de legitieme portie die bestaat uit 25% van de legitimaire massa – op het volgende uit:\n\n4.25.. De vordering van [zus] wordt dan ook tot een bedrag van € 58.579,01 toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt, conform de vordering, toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.26.. \n\n [zus] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. .\n\nVoor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten kan (in de onderhavige zaak) een grondslag worden gevonden in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW. De in deze bepaling genoemde kosten komen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en het liquidatietarief daarop geen betrekking heeft. De partij die dergelijke kosten vordert moet stellen en specificeren dat deze kosten zijn gemaakt voor andere verrichtingen dan de verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Het zal daarbij moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (herhaalde) sommatie of het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Namens [zus] is geprobeerd om informatie te verkrijgen ter vaststelling van de legitimaire massa. Van andere werkzaamheden blijkt niet voldoende. De vordering tot vergoeding van de proceskosten wordt dan ook afgewezen.\n\nProceskosten4.27.. In de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren. Aan een veroordeling tot betaling van nakosten wordt daarom niet toegekomen. Slechts de procespartij die een volledige veroordeling van zijn wederpartij in de proceskosten verkreeg, heeft recht op nakosten.\n\nDe beslagkosten4.28.. Op 20 augustus 2024 is op verzoek van [zus] ten laste van [broer] conservatoir beslag gelegd op de woning van [broer] , om zekerheid te krijgen voor (de betaling van) een vordering die zij op [broer] stelde te hebben. [zus] vordert veroordeling van [broer] tot betaling van de beslagkosten, vermeerderd met rente. Deze vordering is op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:\n\nDeurwaarderskosten € 320,37\n\nGriffierecht € 320,00\n\nKosten advocaat € 1214,00 (1 punt, waarde tarief anno 2024)\n\nTotaal € 1.854,37.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de legitimaire massa € 234.316,04 bedraagt,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat de legitieme portie € 58.579,01 bedraagt,\n\n5.3.. veroordeelt [broer] om aan [zus] te betalen een bedrag van € 57.712,63, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [broer] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.864,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,\n\nIn reconventie\n\n5.5.. wijst de vorderingen van [broer] af,\n\nIn conventie en reconventie\n\n5.6.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Gebaseerd op productie 7 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5540","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.586Z",20]