[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":147,"limit":148},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},16,{"min":18,"max":19},"2024-09-17T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33,41,48,55,62,69,76,83,90,97,104,112,121,130,139],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"708","ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","ecli-nl-rbdha-2026-18498","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.22282\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .\n\nOverwegingen\n\n1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.\n\n2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.\n\n3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.\n\n5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin\n\nvan een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn\u002Fhaar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.\n\n7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom\n\nde familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.\n\n8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de\n\noverige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024\u002F4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.\n\n9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2\u002F4.1.2.2. van de Vc terecht\n\nmeegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.\n\n10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder\n\nzich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.\n\n11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft\n\ngemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.\n\n12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een\n\ntoetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.\n\n13. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank\n\nverweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor\n\nhet verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2\u002F4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.\n\n Zie paragraaf C2\u002F4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:44.158Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"699","ECLI:NL:RBDHA:2026:18477","ecli-nl-rbdha-2026-18477","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.54004\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18477","2026-07-13T00:28:43.800Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"700","ECLI:NL:RBDHA:2026:18478","ecli-nl-rbdha-2026-18478","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62302\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. A. Hanna),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18478","2026-07-13T00:28:43.834Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":54},"703","ECLI:NL:RBDHA:2026:18481","ecli-nl-rbdha-2026-18481","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62642\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18481","2026-07-13T00:28:43.935Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":61},"704","ECLI:NL:RBDHA:2026:18485","ecli-nl-rbdha-2026-18485","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F1570uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.\n\nDe rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is op 11 november 2022 Nederland ingereisd. Op 29 juni 2023 heeft hij kenbaar gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Op 5 juli 2023 is hij in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag te ondertekenen.\n\n2. Op 8 mei 2025 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren in Riyad, Saoedi-Arabië, en dat hij daar tot aan zijn vertrek op 9 november 2022 heeft gewoond. Ook heeft hij verklaard dat een reisbureau voor hem het Schengenvisum heeft geregeld waarmee hij Nederland is ingereisd, en de verblijfplaats bij een onbekende in Nederland waar hij heeft verbleven in de periode totdat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Verder heeft eiser verklaard dat hij Saoedi-Arabië heeft verlaten omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt, geen nieuwe baan kon vinden en zijn verblijfsvergunning ging verlopen. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Jemen omdat hij daar niemand kent, omdat er een gewapende strijd gaande is en omdat hij gedwongen gerekruteerd zou kunnen worden door de Houthi’s. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij niet behoort tot een stam en dat hij de stroming Al-Wahabi binnen de Islam aanhangt, en dat dit grote obstakels zijn voor een leven in het huidige Jemen. Ook heeft eiser verklaard dat er zich in Jemen een wraakconflict afspeelt waarbij veertien leden van zijn familie zijn gedood.\n\nDe standpunten\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw), omdat eiser niet zo snel mogelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder worden mensen die niet bij een stam horen en die de stroming Al-Wahabi aanhangen in Jemen niet vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar Jemen volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt waarom hij denkt te zullen worden gerekruteerd en hij heeft ook nooit eerder een oproep ontvangen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het wraakconflict en niet concreet gemaakt waarom hij daarvoor te vrezen heeft, aldus verweerder. De slechte humanitaire omstandigheden in Jemen spelen hierbij volgens verweerder geen rol, omdat niet gebleken is dat deze door de strijdende partijen als oorlogsmethode worden ingezet. Het bestreden besluit geldt niet als terugkeerbesluit. Aan eiser is namelijk in afwachting van de definitieve beoordeling voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen. Op 14 juni 2025 heeft eiser een arrestatiebevel overgelegd van het Jemenitische Openbaar Ministerie van 14 januari 2019, waarin staat dat hij wordt gezocht wegens godsdienstschendingen.\n\n5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd naar welke regio binnen Jemen hij zou moeten terugkeren.\n\n6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025 (AAB). Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in een aantal delen van Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, in een aantal delen een relatief lager niveau van willekeurig geweld en in een aantal delen geen van beiden. Hierbij is niet alleen gekeken naar de aantallen dodelijke slachtoffers en zijn de humanitaire omstandigheden in voldoende mate betrokken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat van eiser kan worden verwacht dat hij zelf zijn vertrek naar Jemen voorbereidt, en dat het voor de hand ligt dat hij terugkeert naar een gedeelte van het land waar geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl.\n\n7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder zal worden ingegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nHet beoordelingskader\n\n8. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.\n\n9. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.\n\n10. Verweerder heeft in onderdeel C2\u002F3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:\n\nde vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n11. In het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021 in de zaak CF en DN, ECLI:EU:C:2021:472, is uiteengezet welke omstandigheden moeten worden meegewogen bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een ‘ernstige en individuele bedreiging’ zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl. Het HvJEU heeft daarbij onder meer overwogen dat de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker daarbij moet worden betrokken (punt 43).\n\n12. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.\n\nDe toepassing\n\n13. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025\u002F20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.\n\n14. Verweerder heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zelf bepaalt naar welk gebied binnen Jemen hij terugkeert. Dit is immers in strijd met punt 43 van het arrest CF en DN zoals hiervoor onder 11 aangehaald. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n15. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 12 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.\n\n16. Daarnaast is het WBV 2025\u002F20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.\n\n17. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden over deze individuele elementen.\n\nDe conclusie en de gevolgen\n\n18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Ook zal verweerder deze nieuwe beoordeling moeten relateren aan het gedeelte van Jemen waarnaar eiser volgens hem moet terugkeren. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in dit gedeelte van Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder daarbij opnieuw moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en niet ongeloofwaardig geachte individuele elementen: het niet behoren tot een stam, het ontbreken van een netwerk in Jemen, het aanhangen van de geloofsstroming Al-Wahabi, het familiaire wraakconflict, het profiel dat kan leiden tot gedwongen rekrutering en het overgelegde arrestatiebevel.\n\n19. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit van 15 mei 2025;\n\n draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het betreft met name:\n\n ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.\n\n UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.\n\n NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.\n\n Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.\n\n CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18485","2026-07-13T00:28:43.985Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":66,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":68},"706","ECLI:NL:RBDHA:2026:18495","ecli-nl-rbdha-2026-18495","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F1706uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.\n\nDe rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2006 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 12 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland.\n\n2. Op 13 augustus 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft onder meer verklaard dat hij in [plaats] Jemen, en dat er veel veranderde door de komst van de Houthi’s, die een machtsstrijd voeren tegen de regering. Omdat eiser niet mee wilde doen met hun activiteiten over de jihad kreeg het hoofd van de wijk een hekel aan hem en werd zijn familie slechter behandeld dan anderen. Op een avond in juli 2022 is eiser aangerand door [persoon] , de buurman van het hoofd van de wijk. Eiser heeft aangifte gedaan maar werd niet geholpen omdat hij geen bewijzen kon overleggen. Daarna is eiser door [persoon] telefonisch bedreigd en werden er op straat roddels over hem verspreid. Eiser heeft vervolgens tegen de jongens op straat verteld over de aanranding. Ook heeft hij gezegd dat het hoofd van de wijk, een Houthi, slecht is omdat hij aan de kant van [persoon] staat. Eind 2022 werd eiser door de Houthi’s gezocht, kwamen zij met een brief bij zijn moeder aan de deur en is hij ongeveer zeven dagen daarna gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Jemen te worden vermoord door het hoofd van de wijk en de Houthi’s.\n\nDe standpunten\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gekregen met [persoon] en dat er een klacht\u002Farrestatiebevel van het hoofd van de wijk tegen hem is uitgevaardigd. Volgens verweerder heeft eiser dit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft hij hierover geen samenhangende en aannemelijke verklaringen afgelegd. Volgens verweerder heeft eiser geen geloofwaardige asielmotieven naar voren gebracht die raakvlak hebben met het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar [plaats] volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er vanwege de algemene veiligheidssituatie sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Jemen.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij zijn asielmotieven niet naar voren heeft gebracht in het aanmeldgehoor. Dit is daarvoor immers niet bedoeld. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet samenhangend heeft verklaard. Daarbij heeft verweerder te weinig rekening gehouden met zijn minderjarigheid. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen.\n\n5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken.\n\n6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Ten aanzien van de geloofwaardigheid ziet verweerder geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor wel in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en omdat bij de beoordeling niet teveel is verwacht van het vermogen om te herinneren. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2025\u002F20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025. Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in [plaats] sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.\n\n7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in sommige delen van Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder door de rechtbank zal worden ingegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n8. Op grond van artikel 4 van de Krl, overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.\n\n9. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat wat tijdens het aanmeldgehoor is verklaard over het asielrelaas geen gevolg mag hebben voor de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is namelijk duidelijk neergelegd in artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de bijbehorende Nota van toelichting (Staatsblad 2021\u002F250, pagina’s 27 en 28). Daarmee verhoudt zich niet dat verweerder eiser tijdens het aanmeldgehoor wel heeft bevraagd over zijn asielrelaas. Deze omstandigheid kan verweerder dan ook niet baten. Door aan eiser tegen te werpen dat hij tijdens zijn aanmeldgehoor niet heeft verklaard over al zijn asielmotieven heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n10. Uit verweerders werkinstructie 2024\u002F6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, die inmiddels is opgevolgd door de werkinstructie 2026\u002F16, volgt dat verweerder het referentiekader in kaart moet brengen. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop een individuele asielzoeker in staat is om te verklaren over zijn asielrelaas. Hoewel er geen verplichting bestaat om in de beslissing op de asielaanvraag afzonderlijk uiteen te zetten wat volgens verweerder het referentiekader is, moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas wel altijd kenbaar rekening worden gehouden met wat gelet op het referentiekader van de betreffende asielzoeker mag worden verwacht. In deze zaak heeft verweerder van eiser verwacht dat hij gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan. Verweerder heeft echter nagelaten uiteen te zetten waarom dit van eiser kan worden verwacht gelet op zijn referentiekader, waarbij onder meer zijn relatief jonge leeftijd van belang is. Dat eisers verklaringen in samenhang zijn bekeken en dat hij op sommige onderdelen van zijn asielrelaas wel gedetailleerd verklaart, is daarvoor onvoldoende. Ook in zoverre heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n11. Tegen deze achtergrond heeft verweerder ten onrechte overwogen dat de door eiser gestelde problemen met [persoon] ongeloofwaardig zijn. Verweerder is daarbij uitgegaan van de aanname dat het voor eiser fysiek onmogelijk moet zijn geweest om uit de auto van [persoon] te ontsnappen. Dit is echter niet terug te voeren op de verklaringen van eiser, die heeft gezegd dat hij daartoe enkel het slot van de deur omhoog hoefde te duwen en vervolgens met de hendel de deur open kon maken. Ook is verweerder uitgegaan van de aanname dat [persoon] daarna niet zou willen roepen naar eiser omdat hij niet zou willen dat de aanranding breed bekend zou worden. Uit eisers verklaringen is echter niet op te maken dat [persoon] bij het roepen de aanranding heeft benoemd. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder verder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet op de minuut nauwkeurig heeft kunnen benoemen hoe lang zijn moeder, broer en neef weg waren om verhaal te gaan halen bij [persoon] . Hierbij heeft verweerder geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat het na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis mogelijk moet zijn om dergelijke details te onthouden. Ten aanzien van de telefonische bedreiging werpt verweerder aan eiser tegen dat hij niet kan uitleggen hoe [persoon] “makkelijk en snel” aan zijn huistelefoonnummer is gekomen. Het is echter niet terug te voeren op eisers verklaringen dat [persoon] makkelijk en snel aan het nummer is gekomen. Daarbij heeft verweerder niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat het alleen mogelijk is om gebeld te worden door mensen van wie men van tevoren weet dat diegenen over het juiste telefoonnummer beschikken. Als verweerder meent dat het niet geloofwaardig is dat [persoon] als wijkgenoot van eiser niet al bij voorbaat bekend was met het telefoonnummer, dan wel dit betrekkelijk eenvoudig kon achterhalen, had hij dat nader moeten motiveren. Verweerder heeft ook niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat [persoon] of het hoofd van de wijk heeft rondverteld in de wijk over de aanranding. Hierbij is verweerder bovendien niet ingegaan op eisers verklaringen dat hij het voorval heeft gemeld bij de wijkagent. Evenmin licht verweerder toe waarom het volgens hem voor [persoon] en het hoofd van de wijk nadelig is om dit te doen. Hierbij is verweerder niet ingegaan op eisers verklaringen dat zij erop uit waren om eiser in een kwaad daglicht te stellen. Ten aanzien van de aangifte had eiser volgens verweerder moeten weten of er daarvan documenten zijn opgesteld omdat er sprake was van een heftig voorval. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie met elkaar in verband.\n\n12. Gelet hierop komt verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid van de aanwezigheid van een klacht\u002Farrestatiebevel van het hoofd van de wijk in een ander daglicht te staan. In de besluitvorming is verweerder er namelijk van uitgegaan dat er hiervoor geen aanleiding was, terwijl dat gelet op het voorgaande ontoereikend gemotiveerd is. Verweerder heeft onderkend dat eiser in de aanvulling op zijn zienswijze alsnog diverse documenten heeft overgelegd, te weten kopieën van de aangifte tegen [persoon] , bevelen tot aanhouding en oproepen om te verschijnen. Hoewel verweerder heeft opgemerkt dat kopieën niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, en dat eiser niet heeft toegelicht waar de originelen zijn en waarom hij de kopieën niet eerder heeft overgelegd, heeft verweerder terecht ook de inhoud van deze documenten in de beoordeling betrokken. Daartoe is hij namelijk verplicht op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478, in de zaak [naam 1] . Verweerder heeft echter ten onrechte overwogen dat deze documenten afbreuk doen aan eisers asielrelaas. De omstandigheid dat de aangifte in de ochtend is opgemaakt, betekent niet dat het document onlogisch is vanwege eisers verklaring dat hij in de avond naar de politie is gegaan. Naar algemene bekendheid is het namelijk mogelijk dat de politie op een later moment een verslag opmaakt van een aangifte. Eiser heeft verklaard dat de aanranding in juli 2022 heeft plaatsgevonden. De aangifte is gedagtekend op 29 juli 2022. Dit komt met elkaar overeen. Ook de beschrijving van de gebeurtenissen komt overeen met eisers verklaringen. De enkele omstandigheid dat niet letterlijk wordt benoemd dat het ging om een seksuele aanranding, maakt niet dat het document onlogisch is. Verder komt het overeen met eisers verklaringen dat blijkens het eerste bevel tot aanhouding en voorgeleiding sprake is geweest van belediging van een wijkhoofd. De enkele omstandigheid dat dit document spreekt over andere bevelen tot aanhouding die eiser niet heeft overgelegd, maakt niet dat dit document onlogisch is.\n\n13. Dit breng mee dat verweerder eisers asielrelaas met de gegeven motivering ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Omdat uit het navolgende zal blijken dat verweerder ook op het punt van de zwaarwegendheid een nieuw besluit moet nemen, acht de rechtbank het niet opportuun om een bindend oordeel te geven over de geloofwaardigheid zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, in de zaak Ebilum. In plaats daarvan zal de rechtbank verweerder opdragen om een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten.\n\nHet beoordelingskader bij de zwaarwegendheid\n\n14. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen, meer in het bijzonder [plaats] , leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.\n\n15. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het HvJEU heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak [naam 2] . en [naam 3] . uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.\n\n16. Verweerder heeft in onderdeel C2\u002F3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:\n\nde vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n17. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.\n\nDe toepassing\n\n18. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025\u002F20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.\n\n19. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 17 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.\n\n20. Daarnaast is het WBV 2025\u002F20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.\n\n21. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in [plaats] . Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden.\n\nDe conclusie en de gevolgen\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij allereerst alsnog een zorgvuldige en deugdelijk gemotiveerde geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten. Vervolgens zal verweerder alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen, in het bijzonder [plaats] , die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in [plaats] sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en geloofwaardig geachte individuele elementen.\n\n23. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2025;\n\n draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nHet betreft met name:\n\n ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.\n\n UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.\n\n NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.\n\n Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.\n\n CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18495","2026-07-13T00:28:44.072Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":75},"705","ECLI:NL:RBDHA:2026:18492","ecli-nl-rbdha-2026-18492","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10623\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nVerzoeker heeft op 22 mei 2025 beroep (AWB 26\u002F1570) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder op 15 oktober 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer AWB 26\u002F1570 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Er is daarom geen voorlopige voorziening meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.\n\n2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18492","2026-07-13T00:28:44.037Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":80,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":82},"709","ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","ecli-nl-rbdha-2026-18500","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10343\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak van\n [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\nhangende het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geschil tussen\n\nverzoeker\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\nIn de uitspraak van 21 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13742, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.\n\nVerzoeker heeft verzet (AWB 26\u002F4023 V) gedaan tegen deze uitspraak. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.\n\n2. Volgens het besluit van 11 maart 2026 op de asielaanvraag van verzoeker moet hij worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland op grond van de Verordening (EU) Nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening). Artikel 29, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat overdracht moet plaatsvinden binnen zes maanden na aanvaarding van het terugnameverzoek. De autoriteiten van Duitsland hebben op 22 januari 2026 het verzoek van verweerder om verzoeker terug te nemen aanvaard. Gelet daarop komt de uiterste overdrachtsdatum (UOD) in zicht. Daarmee is de vereiste onverwijlde spoed gegeven, zodat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak kan worden gedaan.\n\n3. Verzoeker heeft aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat hij een mondelinge behandeling van het verzetschrift wenst en dat hij daarbij in persoon aanwezig wenst te zijn. Daarom verzoekt hij de voorzieningenrechter om de overdracht op te schorten totdat op het verzetschrift is beslist.\n\n4. Gelet op artikel 8:55, vierde lid, van de Awb moet het verzetschrift op een zitting worden behandeld. Verzoeker heeft een belang om daarbij aanwezig te zijn. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hij niet wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzetschrift aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. Daarnaast betekent opschorting van de overdracht dat de UOD wordt gestuit, zodat dit in zoverre niet nadelig is voor de mogelijkheden om verzoeker over te dragen.\n\n5. Er is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen voordat op zijn verzetschrift in de zaak met nummer AWB 26\u002F4023 V is beslist.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","2026-07-13T00:28:44.192Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":89},"701","ECLI:NL:RBDHA:2026:18480","ecli-nl-rbdha-2026-18480","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62101\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft op 18 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 juli 2023.\n\nOp 12 januari 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.\n\nVerzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.\n\nDe rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb.3 Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.\n\n2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.\n\n3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op\n\n € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin\n\nu uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit\n\nverzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet\n\ndeze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18480","2026-07-13T00:28:43.866Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":94,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":96},"697","ECLI:NL:RBDHA:2026:18474","ecli-nl-rbdha-2026-18474","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19669\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.19668, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18474","2026-07-13T00:28:43.725Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":101,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":103},"698","ECLI:NL:RBDHA:2026:18472","ecli-nl-rbdha-2026-18472","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.32657\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nVerzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.Overwegingen\n\n1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.32656, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18472","2026-07-13T00:28:43.756Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":109,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":111},"1858","ECLI:NL:RBDHA:2026:17915","ecli-nl-rbdha-2026-17915","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.40043\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Yap),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).\n\nInleiding\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.\n\nIn het besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag alsnog in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.\n\nEiser heeft aanvullingen op de beroepsgronden ingediend.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 31 januari 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Op 6 januari 2026 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in 2016 Syrië heeft verlaten vanwege de oorlog. Tot eind 2023 heeft hij in Turkije gewoond. Eiser heeft ook verklaard dat zijn vader ontvoerd is geweest door de terroristische groepering Jabhat al Nusra. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser gedwongen te worden gerekruteerd door één van de strijdende groeperingen.\n\n2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Syrië te vrezen heeft voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag 1951. Hij heeft namelijk geen persoonlijke aanknopingspunten aangeleverd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Ook loopt eiser volgens verweerder bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel er na het einde van het regime van voormalig president Assad in december 2024 incidentele geweldsuitbarstingen zijn, neemt verweerder voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan (zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU). Dit brengt mee dat eiser persoonlijk aannemelijk moet maken waarom hij het risico zou lopen om daarvan slachtoffer te worden. Hierin is hij niet geslaagd. Dat hij een jongvolwassene is zonder netwerk en dat zijn vader in het verleden problemen heeft gehad, is hiervoor niet voldoende. Daarnaast komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat in de provincie Aleppo, waar hij vandaan komt, volgens recente informatienog steeds sprake is van een chaotische gewapende strijd. Hij loopt daardoor persoonlijk het risico om gerekruteerd te worden. Ook heeft verweerder zich daardoor ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarbij heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Daarnaast voert eiser aan dat hij inmiddels zijn leven heeft opgebouwd in Nederland en dat hij bijdraagt aan het economisch belang door hier te werken, zodat verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft verleend.\n\n4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Daarbij verwijst hij naar een tweetal eerdere verweerschriften en naar diverse rechtbankuitspraken. Uit de door eiser aangehaalde bronnen kan niet worden afgeleid dat in eisers voormalige [woonplaats] in de provincie Aleppo geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat eiser al een tijdje in Nederland woont en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning.\n\n5. In de reactie op het verweerschrift verwijst eiser naar diverse rechtbankuitspraken die niet in het voordeel van verweerder zijn. In die uitspraken komt naar voren dat sprake is van een volatiele situatie en dat de overheidsregering niet in staat is gebleken om grove mensenrechtenschendingen te voorkomen en de veiligheid voor de eigen bevolking te garanderen.\n\n6. Aan het begin van de zitting is namens eiser verzocht om aanhouding omdat eiser per abuis naar het kantoor van zijn gemachtigde was gereisd in plaats van naar de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen vanwege het belang van voortgang van de zaak en omdat het voor rekening van eiser komt dat hij naar het verkeerde adres is gegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n7. Voor zover het beroep nog ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op eisers asielaanvraag moet worden vastgesteld dat daarbij inmiddels geen procesbelang meer bestaat omdat er alsnog een besluit op die aanvraag is genomen. Het beroep zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n8. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984, is geoordeeld dat verweerder na de machtsovername in Syrië in december 2024 terecht is uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In latere uitspraken heeft deze rechtbank en zittingsplaats deze lijn aangehouden. Bekend is dat diverse andere zittingsplaatsen tot een ander oordeel zijn gekomen en dat er een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwacht wordt naar aanleiding van een zitting op 11 mei 2026. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank beoordeeld of de door eiser overgelegde informatie aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.\n\n9. Volgens het door eiser overgelegde stuk van Anadolu Ajansı vinden er aanhoudende gevechten plaats rondom de Tishrin-dam, die op ongeveer dertig kilometer van [woonplaats] ligt, vanwege de strategische ligging ervan. Het stuk van het European Institute of Peace beschrijft de geschiedenis van [woonplaats] en de verrichtingen van de terroristische groep IS tijdens de burgeroorlog. Het stuk van de NOS gaat over aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders. Naar het stuk van het Institute for the Study of War heeft eiser alleen in algemene zin verwezen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het gewapende conflict in [woonplaats] zodanig in intensiteit is toegenomen dat niet langer kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\n10. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende individuele elementen naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk slachtoffer zal worden van het willekeurige geweld. Uit de door eiser overgelegde informatie kan niet worden opgemaakt dat elke jongvolwassene zonder netwerk in [woonplaats] het risico loopt om gedwongen gerekruteerd te worden. Dat eisers vader in het verleden ontvoerd is geweest, is daarvoor ook onvoldoende.\n\n11. Bij het afwijzen van een eerste asielaanvraag beoordeelt verweerder op grond van artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 of er een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend, onder meer op grond van het recht op privé- of familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De enkele stelling van eiser dat hij inmiddels een aantal jaar in Nederland is en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder daartoe ten onrechte niet is overgegaan.\n\n12. De conclusie is dat het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit, ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n13. Omdat ten tijde van de indiening van het beroepschrift sprake was van overschrijding van de beslistermijn van zes maanden op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor het indienen van het beroepschrift. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). Omdat de proceskostenveroordeling alleen gelegen is in het niet tijdig beslissen, is de rechtbank van oordeel dat de wegingsfactor licht van toepassing is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep, voor zover dit betrekking heeft op het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;\n\n verklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- (vierhonderdzevenenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser verwijst naar:\n\n Anadolu Ajansı, ‘Clashes intensify between Syrian Army, YPG\u002FSDF terrorists around Tishrin Dam’, 18 januari 2026,\n\n European Institute of Peace, ‘Tyranny of evil. The Legacy of ISIS in northeast Syria. [woonplaats] .’, datum onbekend,\n\n NOS, ‘Syrische SDF meldt aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders, dag na ondertekening bestand’, 19 januari 2026,\n\n Institute for the Study of War, ‘Iran Update’, 20 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17915","2026-07-13T00:29:42.375Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":31,"updatedAt":120},"640","ECLI:NL:RBDHA:2026:3256","ecli-nl-rbdha-2026-3256","2026-02-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28787\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres,\n\nV-nummer: [V-nummer 1] ,\n\nmede ten behoeve van haar minderjarige kind:\n\n [kind],\n\nV-nummer: [V-nummer 2] ,\n\n(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. N. Joseph).\n\n Procesverloop\n\nBij besluit van 2 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\nEiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld te Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1993 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft op 8 november 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan haar asielaanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer naar Venezuela vreest te worden aangehouden en te verdwijnen vanwege haar politieke activiteiten en politieke overtuiging. Zij heeft verklaard in Venezuela betrokken te zijn geweest bij de oppositiebeweging JAVUen zij heeft deelgenomen aan protesten en een hongerstaking, waarbij zij geweld en intimidatie door de autoriteiten heeft ervaren. Eiseres vermoedt dat zij daarbij door de veiligheidsdienst SEBINin de gaten werd gehouden. Zij is in 2016 naar Colombia vertrokken en stelt dat zij daar in 2022 dreigbrieven heeft ontvangen die zij in verband brengt met haar eerdere politieke activiteiten. In Nederland heeft zij verklaard deel te nemen aan demonstraties tegen het Venezolaanse regime.\n\n2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, evenals haar politieke activiteiten in Venezuela en Nederland en de door haar ondervonden problemen in Venezuela tijdens protesten en een hongerstaking in de periode tot 2015. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege deze activiteiten bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Daarbij acht verweerder van belang dat niet is gebleken dat eiseres tijdens de protesten en hongerstaking als individu is herkend of gezocht door de autoriteiten. Haar verklaringen over de gestelde observatie door de veiligheidsdienst SEBIN en een (dreigend) arrestatiebevel zijn onvoldoende geconcretiseerd en berusten grotendeels op vermoedens. Ook acht verweerder het niet aannemelijk dat de in Colombia ontvangen dreigbrieven toe te schrijven zijn aan de Venezolaanse autoriteiten of verband houden met haar eerdere politieke activiteiten. Ten aanzien van de politieke activiteiten van eiseres in Nederland stelt verweerder zich op het standpunt dat weliswaar is aangenomen dat zij heeft deelgenomen aan demonstraties, maar dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Venezolaanse autoriteiten daarvan op de hoogte zijn geraakt of dat zij hierdoor bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan.\n\n3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft haar zienswijze en de daarin aangehaalde bronnen onvoldoende kenbaar bij de besluitvorming betrokken. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan het geloofwaardig geachte geweld tijdens protesten en de hongerstaking en ten onrechte geoordeeld dat het geweld niet persoonlijk tegen haar was gericht. Ook heeft verweerder haar verklaringen over de observatie door de SEBIN , de dreigingen via haar familieleden, de dreigbrieven die zij in Colombia heeft ontvangen en haar politieke activiteiten in Nederland, onvoldoende meegewogen in de beoordeling. Ook meent eiseres dat verweerder ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het tijdsverloop sinds haar vertrek uit Venezuela. Bij terugkeer loopt eiseres een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Anders dan eiseres stelt, mocht verweerder in het bestreden besluit verwijzen naar het eerder uitgebrachte voornemen, nu dit onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Niet is gebleken dat verweerder daarmee heeft nagelaten om in te gaan op de door eiseres ingediende zienswijze. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de zienswijze kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming en gemotiveerd heeft uiteengezet waarom deze geen aanleiding heeft gegeven tot een ander oordeel. Dat verweerder daarbij heeft vermeld dat het voornemen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, maakt het besluit niet onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd. Eiseres heeft daarbij niet aangegeven op welke punten de zienswijze onvoldoende is betrokken bij het besluit. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Venezolaanse autoriteiten staat. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op het tijdsverloop sinds de gebeurtenissen in Venezuela, die zich afspeelden in het tijdvak tot 2015, alsmede dat niet is gebleken dat eiseres tijdens de protesten of de hongerstaking is herkend of gezocht. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat het tijdens de protesten toegepaste geweld niet specifiek op haar als persoon was gericht maar op de hele groep demonstranten. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat de Venezolaanse autoriteiten tijdens die gebeurtenissen van haar identiteit op de hoogte waren of haar specifiek als opposant hebben aangemerkt. Het enkele feit dat eiseres deel uitmaakte van een groep demonstranten en daarbij is geraakt door rubberkogels, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht.\n\n6. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar stelling dat zij door de veiligheidsdienst SEBIN werd geobserveerd onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling dat SEBIN gebruik maakt van verschillende voertuigen en dat deze kunnen verschillen van kleur, heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de gestelde observatie berust op vermoedens.\n\n7. Ten aanzien van de gestelde benadering van familieleden heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiseres niet consistent heeft verklaard. In het aanvullend gehoor heeft eiseres verklaard dat zij niet weet of zich na haar vertrek nog iets ten aanzien van haar ouders of schoonouders heeft voorgedaan en dat zij dit niet heeft nagevraagd. In de correcties en aanvullingen is vervolgens vermeld dat haar moeder nog een of twee keer een voertuig heeft gezien, terwijl in de zienswijze en beroepsgronden nadrukkelijk wordt gesproken over herhaalde bezoeken en intimidatie. Verweerder heeft deze verschuiving in de verklaringen terecht meegewogen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en de actualiteit van de gestelde dreiging.\n\n8. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dreigbrieven afkomstig zijn van de Venezolaanse autoriteiten. Daarbij is van belang dat de door eiseres overgelegde dreigbrieven geen concrete, op eiseres toegespitste bedreigingen bevatten. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres daarin niet bij naam wordt genoemd en dat niet wordt verwezen naar haar politieke activiteiten voor JAVU of haar functie binnen die beweging. Dat in de brief wordt verwezen naar ‘ [naam] ’, heeft verweerder onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat de dreigbrieven afkomstig zijn van de Venezolaanse autoriteiten of daarmee gelieerde groeperingen. Eiseres heeft bovendien verklaard dat zij niet weet wie de brieven heeft opgesteld en kan de herkomst daarvan niet onderbouwen. De aangehaalde algemene bronnen over transnationale repressie kunnen dat individuele verband niet vervangen. Verweerder heeft daar ook bij mogen betrekken dat eiseres na ontvangst van de brieven in 2022 tot haar vertrek uit Colombia in oktober 2023 geen incidenten heeft ondervonden die een structurele, aanhoudende dreiging aannemelijk maken.\n\n9. Verweerder heeft met betrekking tot de politieke activiteiten van eiseres in Nederland terecht overwogen dat deelname aan demonstraties en het doen van online uitingen op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de Venezolaanse autoriteiten daarvan kennis hebben genomen en eiseres daardoor bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat niet is gebleken van een prominente rol van eiseres bij de oppositie en dat concrete aanwijzingen voor monitoring door de autoriteiten ontbreken.\n\n10. De rechtbank heeft voorts bij haar beoordeling betrokken wat ter zitting is besproken over de recente ontwikkelingen in Venezuela begin januari 2026. Verweerder heeft toegelicht dat uit beschikbare openbare bronnen niet volgt dat deze ontwikkelingen hebben geleid tot een zodanige verslechtering van de positie van (voormalige) oppositieactivisten dat eiseres daardoor alsnog een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres heeft dit niet met concrete, verifieerbare stukken weerlegd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat deze ontwikkelingen geen aanleiding geven voor een ander oordeel.\n\n11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Venezuela een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.\n\n12. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit, overweegt de rechtbank dat verweerder bij het nemen daarvan de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijngenoemde belangen heeft betrokken. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het gezinsleven en het belang van het minderjarige kind heeft meegewogen en dat niet is gebleken van omstandigheden die het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg zouden staan. Daarbij is van belang dat de vader, die zich ook in Nederland bevindt en wiens asielaanvraag ook is afgewezen, eveneens de Venezolaanse nationaliteit heeft. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder deze belangen onvoldoende heeft betrokken.\n\n13. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 18 februari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Juventud Activa Venezuela Unida .\n\n Servicio Bolivariano de Inteligencia Nacional , een inlichtingendienst uit Venezuela.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3256","2026-02-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.649Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":31,"updatedAt":129},"406","ECLI:NL:RBDHA:2026:1702","ecli-nl-rbdha-2026-1702","2026-01-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.11556\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M. Taheri),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 24 september 2022 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Iran als afvallige problemen heeft ondervonden na het bezoeken van een christelijke huiskerk.\n\n2. Verweerder volgt eisers afvalligheid van de islam en de in verband daarmee door eiser ondervonden problemen, maar is van oordeel dat deze problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om aan te nemen dat eiser vluchtelingenrechtelijke bescherming nodig heeft. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser weliswaar is gearresteerd en vervolgens éénmalig is ondervraagd, vanwege het bezoeken van een (christelijke) huiskerk, maar eiser is na twee dagen vrijgelaten. Eiser heeft niet verklaard dat hij daarna is aangeklaagd of dat hij nog wordt gezocht. Eiser heeft verklaard dat hij bij zijn arrestatie is ondervraagd over de huiskerk, waarbij specifiek werd gevraagd naar twee andere personen. Dit alles wijst er volgens verweerder niet op dat eiser (nog) in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Dat na zijn vrijlating bij hem thuis leden van de inlichtingendienst zouden zijn langsgekomen die zich voordeden als makelaars is gebaseerd op een niet-onderbouwde aanname. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als afvallige bij terugkeer in Iran te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Verweerder wijst erop dat eiser zijn afvalligheid in Iran niet openlijk heeft geuit. Voor zover hij hierover in privékring sprak, was hij daarbij voorzichtig. Ook in Nederland heeft hij zich spaarzaam uitgesproken. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij het belangrijk vindt om zich uitgebreider religieus te uiten. Van eiser kan dan ook worden verwacht dat hij bij terugkeer dezelfde terughoudendheid in acht neemt. Mocht hij bij terugkeer in Iran worden ondervraagd en mocht van hem worden gevraagd om op schrift te verklaren dat hij moslim is, levert dat dan ook geen onaanvaardbare beperking van eisers godsdienstvrijheid op.\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk acht dat hij zwaarwegende vrees heeft om in Iran te worden vervolgd vanwege zijn afvallige levensovertuiging. Gelet op het verbod op afvalligheid en het bezoeken van huiskerken, is hij na zijn vrijlating nog slechts in afwachting van bestraffing. Dat aan eiser ook vragen zijn gesteld over medeverdachten laat onverlet dat eiser nog altijd verdachte is. Dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten is een onjuiste aanname. Eiser verwerpt verder de conclusie van verweerder dat van hem mag worden verwacht dat hij zich in Iran terughoudend opstelt bij het uiten van zijn overtuiging. Eiser zal zich dan ook uitspreken als hem wordt gevraagd om een formulier te ondertekenen waarin hij verklaard moslim te zijn. Eiser heeft zich in de afgelopen jaren ook uitgebreid uitgesproken op sociale media. Hiermee heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit eisers verklaringen tijdens het nader gehoor niet kan worden opgemaakt dat eiser in Iran is gearresteerd omdat zij in het bijzonder naar hem op zoek waren. Eiser is uitsluitend gevraagd naar zijn bezoek van de huiskerk in relatie tot twee andere personen. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat uit eisers verklaringen niet aannemelijk wordt dat de autoriteiten na eisers vrijlating nog naar hem op zoek zijn. Dat eiser nog altijd verdachte zou zijn heeft eiser niet onderbouwd. Eiser heeft in het aanmeldgehoor zelf verklaard dat hij legaal op zijn eigen paspoort is uitgereisd. Dit duidt niet op een negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten voor hem. Eiser heeft zijn suggestie in de beroepsgronden dat tegen hem een uitreisverbod is uitgevaardigd niet onderbouwd. Eerst ter zitting en eveneens zonder onderbouwing, heeft eiser nog verklaard dat familieleden in Iran kort na zijn vertrek in augustus 2022 zijn benaderd door de autoriteiten met vragen over zijn verblijfplaats. Dit maakt als zodanig nog niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Nu eiser niet heeft weten uit te leggen waarom hij hierover niet eerder heeft verklaard, ziet de rechtbank daarin geen reden voor het oordeel dat eiser nader moet worden gehoord.\n\n5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat het evenmin aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in Iran in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat eiser zich niet langer aangetrokken voelt tot het christelijke geloof, maar het agnosticisme aanhangt. De enkele omstandigheid dat eiser een afvallige (seculiere) levenshouding heeft leidt er niet automatisch toe dat hij in Iran problemen heeft te verwachten. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser een behoefte heeft om zich als afvallige te uiten, althans niet op een andere wijze dan hij vóór zijn vertrek uit Iran heeft gedaan. Voor zover eiser stelt dat hij hierin een ontwikkeling heeft doorgemaakt, heeft hij dat niet weten te onderbouwen. Uit de door eiser overgelegde, niet vertaalde schermafdrukken van berichten op sociale media kan die gestelde ontwikkeling in elk geval niet worden opgemaakt. Dat eiser – zoals hij stelt – bij terugkeer bij een eventuele controle op het vliegveld in Iran zal verklaren dat hij afvallige is, heeft hij dan ook niet aannemelijk weten te maken. Verweerder heeft daarom kunnen overwegen dat van eiser bij terugkeer in dit verband een zekere terughoudendheid mag worden verlangd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit een onaanvaardbare inbreuk op zijn religieuze identiteit zou betekenen. Dit geldt evenzeer voor de mogelijkheid dat hij bij terugkeer een verklaring zou moeten ondertekenen waarin hij stelt moslim te zijn.\n\n6. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\n7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 29 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1702","2026-02-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.122Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":137,"parsedAt":31,"updatedAt":138},"573","ECLI:NL:RBDHA:2025:20676","ecli-nl-rbdha-2025-20676","2025-11-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.3822\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. C.G. Matze),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. van Raak).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 in Breda op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nDe asielmotieven\n\nEiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Kameroense nationaliteit. Op 17 april 2023 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.\n\nAan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. In ruil voor een geldbedrag heeft eiser op 22 september 2018 deelgenomen aan een demonstratie voor de politieke partij Southern Cameroons National Council (SCNC). Naar aanleiding van zijn deelname is eiser gearresteerd en gedetineerd. Na vier maanden is hij tegen betaling vrijgelaten. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar zijn woonplaats Bamenda, waar zijn kledingwinkel was afgebrand. In april 2019 is eiser naar India vertrokken, waarna hij in juli 2019 weer is teruggekeerd naar zijn woonplaats in Kameroen. In augustus 2019 is eiser in opnieuw gearresteerd en gedetineerd. Na een maand is hij, opnieuw tegen betaling van een geldbedrag, vrijgelaten. Eiser heeft hierna besloten om in november 2019 Kameroen te verlaten en naar Nigeria te vertrekken. Tijdens zijn reis is hij ontvoerd in Mamfe Town door de Ambazonia Defence Forces (hierna: ADF). Na drie tot vier uur is eiser met een aantal andere gegijzelden vrijgelaten, waarna hij vijf maanden bij zijn neef in Mamfe Town heeft verbleven voordat hij zijn doortocht naar Inugu in Nigeria heeft gemaakt. Hier heeft hij van eind 2020 tot en met 2023 verbleven. Eiser ging in die periode ongeveer twee keer per jaar terug naar Bamenda in Kameroen om zijn familie te bezoeken. In 2022 zijn in Bamenda woningen in brand gestoken, waaronder de familiewoning. Dit was voor eiser de directe aanleiding om Kameroen in april 2023 te verlaten. De politieke crisis duurde toen al zeven jaar. Bij terugkeer naar Kameroen vreest eiser voor de Franssprekende strijdkrachten in Kameroen en voor vervolging vanwege een uitgestelde rechtszaak die tegen hem loopt. Ook vreest eiser voor de ADF.Het bestreden besluit\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten. Verweerder ziet hierin echter geen aanleiding om een politieke overtuiging aan te nemen zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kameroen een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder volgt niet dat eisers aanhoudingen en vrijlatingen te maken hadden met persoonlijke verdenkingen. Volgens verweerder is eiser niet politiek betrokken geweest bij het SCNC en heeft hij slechts één keer gedemonstreerd, in ruil voor geld. Zijn arrestatie op 22 september 2018 was willekeurig en niet gebaseerd op een persoonlijke verdenking. Bovendien heeft eiser verklaard dat de arrestatie in augustus 2019 het gevolg was van het corrupte politieke systeem. Na zijn vrijlatingen is niet gebleken dat eiser werd gezocht vanwege politieke activiteiten. Voor zover eiser vreest te worden opgepakt door de Franssprekende autoriteiten vanwege de uitgestelde rechtszaak, heeft verweerder overwogen dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat hij meermaals zonder problemen heeft kunnen terugkeren naar Bamenda. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn tatoeages bij terugkeer tot problemen zullen leiden. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de tatoeages wordt gelinkt aan een bende. Om die reden heeft hij ook geen problemen gehad in Kameroen. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser is gegijzeld door de ADF, maar acht het niet aannemelijk dat eiser persoonlijk wordt gezocht door de ADF. Eiser is op zijn reizen naar Bamenda door ADF-gebied gereisd, zonder problemen te hebben ondervonden van de zijde van de ADF. Tot slot neemt verweerder een binnenlands beschermingsalternatief aan.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Eiser is in de negatieve belangstelling komen te staan van de autoriteiten, vanwege zijn deelname aan de demonstratie. Verweerder heeft de negatieve belangstelling van de autoriteiten op onjuiste wijze betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Door verweerder is verzuimd te toetsen aan de voorwaarden in het arrest S&Aen het Informatiebericht 2024\u002F10 ‘Werkwijze politieke overtuiging’. Alle omstandigheden hadden moeten worden meegewogen bij de beoordeling van eisers gegronde vrees voor vervolging wegens de verdenking van een (toegedichte) politieke overtuiging. Eiser wijst daarbij ook op het bord dat hij tijdens deze demonstratie droeg, het overlijden van zijn broer vanwege de demonstraties en eisers tatoeages waardoor hij als amaboy wordt aangemerkt. Ook verwijst eiser naar een rapport van Human Rights Watch.De drempel van de bewijslast is voor eiser te hoog gelegd en er is onvoldoende onderzoek gedaan naar eisers persoonlijke situatie. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat Kameroen maar ten dele onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijnvalt, terwijl voor die 15c-gebieden een binnenlands beschermingsalternatief wordt aangenomen. Het binnenlands beschermingsalternatief is ten onrechte aangenomen. Verweerder zal op individuele basis moeten overwegen of dit binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Zolang dit individuele onderzoek niet is gedaan, kan eiser niet worden uitgezet en dient het terugkeerbesluit achterwege te blijven. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen landeninformatie betrokken bij zijn beoordeling. De rechtbank oordeelt als volgt.Vrees bij terugkeer\n\n5. Verweerder stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Kameroense autoriteiten en daarom persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer. Verweerder heeft in dit kader alle relevante omstandigheden betrokken bij de beoordeling. Hiertoe heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eisers aanhouding het gevolg is geweest van zijn aanwezigheid bij de demonstratie, maar dat niet is gebleken dat de aanhouding het gevolg is van een persoonlijke verdenking, nu hij met meerdere demonstranten is aangehouden en na betaling van geld is vrijgelaten. Verweerder stelt terecht in het verweerschrift dat het enkele feit dat eiser voor een tweede keer is aangehouden na een politiecontrole in Bengui Road, nog niet betekent dat de autoriteiten ook naar eiser op zoek waren.Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat zijn tweede arrestatie het gevolg was van het corrupte politieke systeem. Verder stelt verweerder terecht dat eisers herhaaldelijke vrijlating tegen betaling van een geldbedrag, erop duidt dat door de Kameroense autoriteiten geen link met de SCNC is verondersteld. Eiser is ondanks zijn voorgeleiding voor de rechtbank immers niet veroordeeld.Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat indien sprake zou zijn van uitstel van eisers rechtszaak, het in de rede ligt dat hij in de periode van 2018 tot zijn vertrek in 2024 zou zijn opgeroepen voor de verdere behandeling hiervan. Daarvan is echter niet gebleken. Daarbij heeft verweerder terecht tegengeworpen dat de Kameroense autoriteiten aan eiser op 11 maart 2019 een paspoort hebben verstrekt, zonder dat eiser hierbij problemen heeft ondervonden. Nadat eiser voor de tweede keer tegen betaling is vrijgelaten en is vertrokken naar Mamfe Town, is hij herhaaldelijk naar zijn woonplaats in Bamenda teruggekeerd. Daarbij heeft eiser geen problemen ondervonden. Verweerder stelt in dit kader terecht dat eisers herhaaldelijke terugkeer naar Bamenda afbreuk doet aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees voor vervolging wegens de uitgestelde rechtszaak.\n\n6. De brandstichtingen van eisers winkel en de woning van zijn familie zijn door verweerder eveneens voldoende meegewogen. Verweerder stelt in dit kader terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brandstichting het gevolg is van persoonlijke negatieve aandacht van eiser of zijn familieleden. Daarbij komt dat eiser zelf heeft verklaard dat alle woningen in Bangui Road in 2022 in brand zijn gestoken. Verweerder heeft dan ook geen causaal verband hoeven zien met de demonstratie waaraan eiser heeft deelgenomen.\n\n7. Ook eisers vrees voor de ADF heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht. Ten aanzien van eisers gijzeling door de ADF, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat dit ging om een willekeurige doorzoeking van de bus waarin eiser zat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een specifiek doelwit was van de ADF. Eiser is immers met een groep medereizigers gegijzeld die met hem in de bus zaten. Eiser heeft daarover het volgende verklaard; “ze hebben ons gegijzeld en ons gevraagd aan te sluiten bij het ADF”. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van willekeurig geweld en dat zijn asielmotieven niet raken aan één van de gronden zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook is het niet aannemelijk dat eiser meermaals door een gebied heeft kunnen reizen waar de ADF de controle heeft, zonder door de ADF opgepakt te worden terwijl hij stelt dat hij persoonlijk door de ADF wordt gezocht.\n\n8. Eisers tatoeages leiden ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat uit deze tatoeages volgt dat eiser dusdanig in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of zal komen te staan dat hij daarom heeft te vrezen voor vervolging. Eisers tatoeages stonden er niet aan in de weg dat eiser herhaaldelijk is vrijgelaten en Kameroen legaal is uitgereisd.\n\n9. Het door eiser aangehaalde rapport van Human Rights Watch ziet op asielzoekers die vanuit de Verenigde Staten (VS) gedwongen zijn uitgezet naar Kameroen en die vervolgens te maken hebben gekregen met diverse mensenrechtenschendingen. Uit dit rapport blijkt ook dat de VS gevoelige asiel gerelateerde informatie had gedeeld met de Kameroense autoriteiten en dat de betrokken asielzoekers voorafgaand aan hun vertrek al problemen hadden ondervonden van de zijde van de Kameroense autoriteiten. Hier is in het geval van eiser geen sprake van. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als terugkeerder vanuit Nederland zal worden gezien als opposant in Kameroen en daarom te vrezen zou hebben. Verweerder heeft terecht betrokken dat eiser meermaals zonder problemen Kameroen in en uit heeft kunnen reizen. Daarbij is eiser in het bezit van een geldig paspoort waarmee hij vrijwillig kan terugreizen.\n\n10. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met landeninformatie, heeft hij niet gesteld en gemotiveerd welke concrete landeninformatie aanleiding tot een ander oordeel geeft. Binnenlands beschermingsalternatief\n\n10. Uit artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) in samenhang met paragraaf C2\u002F3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat verweerder een binnenlands beschermingsalternatief mag tegenwerpen indien de vreemdeling in een deel van het land van herkomst geen vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin of een reëel risico loopt op ernstige schade, op een veilige wijze naar dat gebied kan reizen en redelijkerwijs van de vreemdeling kan worden verwacht dat hij zich in dat gebied vestigt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,moet verweerder bij de beoordeling of aan deze drie voorwaarden is voldaan, rekening houden met de algemene omstandigheden in het gebied en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt.\n\n12. Verweerder heeft terecht een binnenlands beschermingsalternatief voor eiser aangenomen in de regio’s Yaounde, Douala en Boufassam. Eiser voldoet immers aan de voorwaarden voor het binnenlands beschermingsalternatief. Volgens het beleid van verweerder is er voor Kameroen sprake van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in de provincies North-West en South-West. Eiser komt uit Bamenda, wat gelegen is in North-West en heeft – zoals eerder overwogen – niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten of te vrezen heeft voor vervolging. Voor zover eiser stelt dat voor heel Kameroen een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld geldt, heeft hij geen landeninformatie overgelegd die dit oordeel kan dragen.\n\n13. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat de partner van eiser in Bafousem – één van de door verweerder aangewezen binnenlandse vestigingsalternatieven – woont, wat in het Franstalige deel van Kameroen ligt. In het verweerschrift stelt verweerder terecht dat eiser eerder naar Douala – ook een stad die door verweerder aangewezen wordt als binnenlands vestigingsalternatief – is gegaan, wat tevens tot het Franstalige deel van Kameroen behoort. Hierbij is niet gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden die raken aan artikel 3 van het EVRM.Dat eiser als ontheemde uit het Engelse deel in het Franse deel van Kameroen problemen zou ondervinden wordt daarom niet gevolgd.\n\nConclusie\n\n14. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Ook heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.\n\n15. Het beroep is ongegrond.\n\n15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Het verdrag betreffende de status van vluchtelingen.\n\n Met het kenmerk: ECLI:EU:C:2023:688.\n\n How Can You Throw Us Back? Asylum Seekers Abused in the US and Deported to Harm in Cameroon’, 10 februari 2022.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Pagina 4 van het verweerschrift.\n\n Pagina 14 van het Nader Gehoor.\n\n Bijvoorbeeld van 24 augustus 2021, met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:2044.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:20676","2025-11-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.454Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":143,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":145,"parsedAt":31,"updatedAt":146},"401","ECLI:NL:RBDHA:2024:14972","ecli-nl-rbdha-2024-14972","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.25133\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser], eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).\n\nInleiding\n\nMet het besluit van 13 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Uit deze beoordeling volgt dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is en dat hij heeft te vrezen voor de Iraanse autoriteiten, omdat hij heeft deelgenomen aan drie demonstraties tegen het Iraanse regime bij de Iraanse ambassade in Nederland.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig gevonden. Het is volgens verweerder echter niet geloofwaardig dat eiser afvallige is. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij nooit een geloof heeft gehad en dat hij niet praktiseert en zijn ouders evenmin. Uit eisers verklaringen blijkt daarom niet van een verandering in zijn geloofsbelijdenis. Het is evenmin aannemelijk dat eiser door de Iraanse overheid als afvallige wordt beschouwd. In zijn baan bij de Iraanse ordedienst is eiser disciplinair bestraft omdat hij zich onvoldoende hield aan de regels voor het praktiseren van het geloof. Ook heeft hij daardoor geen vaste aanstelling gekregen. Verdere problemen met de autoriteiten heeft eiser echter niet gehad, ook niet na beëindiging van zijn dienstverband. Voor zover eiser na het mislopen van zijn vaste aanstelling een grotere afkeer van het geloof heeft gekregen, heeft hij dit alleen geuit in eigen kring. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich bij terugkeer anders zal gedragen.\n\nVerweerder gelooft dat eiser heeft deelgenomen aan de demonstraties bij de Iraanse ambassade in Nederland, maar eiser had slechts een geringe rol. Daarnaast is het volgens verweerder niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van eisers deelname. Ook verder is de vrees voor problemen bij terugkeer in Iran niet aannemelijk.\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser voert aan dat de (toegedichte) afvalligheid niet is getoetst in overeenstemming met de Werkinstructie 2022\u002F3 (de WI). Uit de WI volgt dat iemand ook afvallig kan zijn als hij zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid. Verder zijn de drie elementen “proces”, “kennis” en “activiteiten” onvoldoende kenbaar in het bestreden besluit meegewogen en is onvoldoende doorgevraagd naar hoe eiser zich in Iran zal uiten. Daarnaast stelt eiser dat hij heeft te vrezen voor de Iraanse autoriteiten vanwege zijn deelname aan de demonstraties. Eiser is gezien door ambassadepersoneel dat de politie heeft ingeschakeld en hij is herkend met de camera’s die ter plaatse hangen. Ook is van belang dat eiser langer uit Iran is weggebleven dan de toegestane visumduur. Vanwege de problemen in zijn werk bij de ordedienst staat hij al in de negatieve aandacht van de autoriteiten. Eiser zal bij terugkeer worden ondervraagd. Hij zal zijn grote afkeer van de islam en het regime dan niet voor zich kunnen houden. Eiser verwijst hierbij naar het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 en een uitspraak van 20 februari 2020 van het Britse Upper Tribunal.\n\nWat vindt de rechtbank?\n\n5. De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat verweerder de asielaanvraag in overeenstemming met de WI heeft beoordeeld. Eiser heeft zelf heeft verklaard dat hij nooit gelovig is geweest en dat hij en zijn ouders de islam niet praktiseren. De in de WI genoemde situatie dat iemand zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, waar eiser zich op beroept, doet zich daarom niet voor. Verweerder wijst terecht op eisers eigen verklaringen dat geen sprake is geweest van een verandering in eisers religieuze opvattingen. Eiser heeft zich alleen tijdelijk en zonder succes voorgedaan als praktiserend moslim om zijn baan bij de ordedienst te behouden. Gelet hierop bestond er geen aanleiding voor verweerder om voor de beoordeling van het gestelde asielmotief verder in te gaan op de elementen ‘proces en motieven’, ‘kennis’ en ‘activiteiten’ dan verweerder heeft gedaan. Verweerder heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat van afvalligheid geen sprake is.\n\n6. Verweerder heeft evenmin aannemelijk hoeven vinden dat eiser in Iran afvalligheid wordt toegedicht. Uit eisers verklaringen volgt immers dat, ondanks dat eiser bij de ordedienst een “dik dossier” heeft opgebouwd vanwege het niet voldoen aan religieuze verplichtingen, hij geen (verdere) problemen heeft ondervonden van de zijde van de overheid vanwege het niet praktiseren van de islam. Ook stelt verweerder niet ten onrechte dat uit eisers verklaringen niet aannemelijk wordt dat hij zich na terugkeer in Iran anders zal gaan gedragen dan voorheen. Voor zover eiser stelt dat hij zijn kritiek op de islam en het Iraanse regime bij terugkeer niet langer voor zich zal kunnen houden, heeft verweerder dat ongerijmd kunnen vinden nu eiser ook zegt dat hij in Nederland wél terughoudend is bij het uiten van kritiek op het islamitisch geloof, omdat hij anders de openbare orde zou verstoren en omdat hij een rustig leven wil hebben. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser uitdrukkelijk is gevraagd om deze verschillende verklaringen toe te lichten. De rechtbank volgt niet dat op dit punt onvoldoende is doorgevraagd.\n\n7. Verweerder heeft niet hoeven aannemen dat eiser door de Iraanse autoriteiten wordt gezocht, omdat hij in Nederland heeft deelgenomen aan drie demonstraties tegen het Iraanse regime. Eiser betwist niet dat hij een geringe rol had bij de demonstraties. Verweerder stelt dat mede gelet daarop niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van eisers deelname. De omstandigheid dat eiser oog in oog heeft gestaan met een medewerker van de Iraanse ambassade of dat bij de Iraanse ambassade beveiligingscamera’s hangen, maakt niet dat moet worden aangenomen dat eiser ook daadwerkelijk is geïdentificeerd. Verder stelt verweerder terecht dat de omstandigheid dat een vriend van eiser videobeelden van de demonstratie op social media heeft geplaatst nog niet aannemelijk maakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn. Tot slot volgt uit eisers verklaringen dat zijn familie in Iran tot op heden geen problemen heeft gehad. Ook dit wijst er vooralsnog niet op dat eiser in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat.\n\n8. Uit het door eiser genoemde algemeen ambtsbericht over Iran volgt dat Iraniërs bij terugkeer uit het Westen niet systematisch worden ondervraagd.Dat het risico op ondervraging aanzienlijk is bij terugkeer op basis van een laissez-passer, zoals ook volgt uit de door eiser genoemde uitspraak van het Britse Upper Tribunal, is hier niet van belang omdat eiser in het bezit is van een geldig paspoort.Het is niet aannemelijk geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de asielaanvraag. Voor zover eiser met verwijzing naar het ambtsbericht stelt dat de Iraanse autoriteiten activiteiten van Iraanse burgers in het buitenland monitort, is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers activiteiten in Nederland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij langer buiten Iran heeft verbleven dan hem zou zijn toegestaan. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de duur van zijn verblijf buiten Iran te vrezen zou hebben voor vervolging of ernstige schade.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 17 september 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nhttps:\u002F\u002Fwww.refworld.org\u002Fcases,GBR_UTIAC,5e53bc644.html\n\n Algemeen ambtsbericht Iran september 2023, pagina 115.\n\n Verslag gehoor aanmeldfase 20 maart 2023, p 4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:14972","2024-09-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.939Z",1,20]