[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1571","ECLI:NL:RBZWB:2026:5641","ecli-nl-rbzwb-2026-5641","","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F02\u002F441050 \u002F HA RK 25-239\n\nHerstelbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. J.F. Roth,\n\ntegen\n\n1. [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nhierna te noemen: [verweerder] 2. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,\n\nadvocaat: mr. J.M. Bruidegom,\n\nte 's-Gravenhage,\n\nhierna te noemen: Nationale Nederlanden\n\nverwerende partijen,\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Op 3 juni 2026 is in deze zaak een beschikking gewezen. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat in deze beschikking de voorschotbedragen voor de deskundigen niet apart benoemd zijn in de beschikking. Voor een juiste financiële afwikkeling is dit wel nodig. Daarom heeft de rechtbank op 4 juni 2026 aan partijen het voornemen geuit om de beschikking op dit punt aan te passen en hen verzocht een eventueel bezwaar tegen de aanpassing kenbaar te maken.\n\n1.2.. De advocaten van partijen hebben op respectievelijk 5 en 7 juni 2026 aangegeven tegen dit voorstel geen bezwaar te hebben.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het niet opnemen van de voorschotbedragen van de deskundigen in de beschikking van 3 juni 2026 een kennelijke fout betreft die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechtbank zal daarom rechtsoverweging 4.9. aanvullen op de wijze als in het dictum vermeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat rechtsoverweging 4.9. in de beschikking van 3 juni 2026 waar staat:\n\n“Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] .”\n\nwordt gewijzigd in:\n\n“Volgens de hoofdregel moet het voorschot op de kosten van de deskundigen in beginsel door de verzoekende partij worden voldaan. In dit geval heeft Nationale Nederlanden de aansprakelijkheid voor het voorval erkend en aangegeven bereid te zijn de kosten van deze onderzoeken te dragen. De rechtbank oordeelt daarom dat Nationale Nederlanden de voorschotten van de deskundigen zal betalen. Partijen hebben zich schriftelijk akkoord verklaard met de begrotingen van dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] . Het voorschot van dr. [deskundige 1] bedraagt € 6.872,80 (inclusief btw) en het voorschot van drs. [deskundige 2] bedraagt € 10.066,11 (inclusief btw)”\n\n3.2.. bepaalt dat deze wijziging onder vermelding van de datum 18 juni 2026 wordt vermeld op de minuut van de beschikking gedateerd op 3 juni 2026,\n\n3.3.. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het beschikking van 3 juli 2025 na ontvangst van deze herstelbeschikking aan de griffie van de rechtbank te retourneren.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5641","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.620Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1372","ECLI:NL:RBZWB:2026:5959","ecli-nl-rbzwb-2026-5959","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCluster II Handelszaken\n\nMiddelburg\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F443636\u002F HA ZA 26-3\n\nIncidenteel vonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nKYRREX UK LTD.,\n\ngevestigd in London in de United Kingdom,\n\neiseres in de incidenten,\n\ngedaagde sub 2 in de hoofdzaak,\n\nadvocaat mr. F.M. Peters te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [persoon] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverweerder in de incidenten,\n\neiser in de hoofdzaak,\n\nadvocaat mr. M.A. Hupkes te Amsterdam.\n\nEiseres in de incidenten zal hierna worden aangeduid als ‘Kyrrex’ en verweerder als ‘ [persoon] ’.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding met producties van 23 oktober 2025;\n\nde incidentele conclusie houdende exceptief verweer tot onbevoegdheid van de rechtbank, althans verwijzing strekkende tot voeging van zaken met producties van 29 april 2026;\n\nde conclusie van antwoord in het incident van 27 mei 2026.\n\n1.2.. Vonnis is bepaald op heden.\n\n2. De incidenten\n\n2.1.. In dit vonnis volstaan -dus geen feitenvaststelling in dit tussenvonnis- (i) een weergave van de stellingen van partijen in verband met de door Kyrrex opgeworpen incidenten: vorderingen tot onbevoegdheidverklaring van de rechtbank en verwijzing naar de rechtbank Den Haag (ii) een beoordeling en tot slot (iii) een beslissing.\n\n2.2.. Kyrrex betoogt dat de Nederlandse rechter op grond van de eerste afdeling van Boek I, Titel 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) geen bevoegdheid toekomt om op de vordering van [persoon] te beslissen, ook niet op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv (‘De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schade(toe)brengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.’). Op deze geciteerde bepaling beroept [persoon] zich en dit voorschrift brengt volgens [persoon] de bevoegdheid van de Nederlandse rechter mee.\n\n2.3.. Kyrrex weerspreekt de toepasselijkheid van deze bepaling. Kyrrex betoogt in dit verband dat de rechter in de United Kingdom bevoegdheid toekomt. Kyrrex is aldaar gevestigd. Kyrrex verricht in Nederland geen bedrijfsactiviteiten. Kyrrex is nog niet eens operationeel bij gebreke van een aan haar verstrekte vergunning. Bij zuiver financiële schade -zoals in het te beoordelen geval- biedt de plaats van de door gelaedeerde aangehouden bankrekening onvoldoende aanknoping voor de bevoegdheid van de rechtbank. Ter zake van de plaats waar het vermogen van gelaedeerde zich bevindt, geldt nadrukkelijk niet de regel dat de woonplaats van deze gelaedeerde bevoegdheid schept, aldus Kyrrex. In dit verband is volgens Kyrrex van belang dat zij zich nimmer heeft gericht op de Nederlandse markt of het Nederlandse publiek. Verder is voor Kyrrex niet redelijkerwijs voorzienbaar geweest dat de Nederlandse rechter rechtsmacht en bevoegdheid heeft om een vordering uit onrechtmatige daad tegen Kyrrex te beoordelen. Er zijn geen aanknopingspunten om Nederland als ‘Erfolgsort’ van de door de onrechtmatige daad dientengevolge geleden schade aan te wijzen. Voor Kyrrex bestaan in Nederland geen openbaarmakingsverplichtingen en Kyrrex heeft geen marketingmateriaal in Nederland of prospectus verspreid. Tot slot voert Kyrrex aan dat de uitspraak van de rechtbank Den Haag 18 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7315 waarop [persoon] zich beroept op verscheidene onderdelen onjuist is onder andere de (onjuiste) vaststelling van de rechtbank dat de benadeelden een consumentenovereenkomst met Kyrrex zijn aangegaan. Dat is namelijk niet het geval.\n\n2.4.. Subsidiair betoogt Kyrrex dat de zaak dient te worden verwezen naar de rechtbank Den Haag omdat deze rechtbank al twintig andere handelszaken tegen Kyrrex behandelt met dezelfde advocaten en deze rechtbank zich in deze zaken bij ECLI:NL:RBDHA:2026:7315 reeds bevoegd heeft verklaard. De feiten zijn in deze zaken gelijksoortig en [persoon] wijst ter onderbouwing van zijn vordering in deze zaak ook op die andere zaken. [persoon] weerspreekt de wenselijkheid en\u002Fof noodzaak van verwijzing naar de rechtbank Den Haag strekkende tot voeging. Volgens [persoon] is niet voldaan aan het vereiste van verknochtheid. [persoon] is immers geen partij in het Haagse geding. Inhoudelijk zijn de zaken ook niet vergelijkbaar: de uitvoering van de gepleegde fraude komt niet overeen met die van de twintig andere benadeelden. Ook is de bewijspositie van [persoon] anders dan van de twintig andere boilerroomslachtoffers. [persoon] beschikt bovendien over meer bewijsmiddelen dan de andere slachtoffers. Verwijzing strekkende tot voeging betekent volgens [persoon] verlies van procesregie en het risico dat afbreuk wordt gedaan aan een individuele beoordeling. Verwijzing tot voeging zal voorts leiden tot verdere vertraging van de behandeling van de zaak.\n\n2.5.. Kyrrex vordert voorts een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren proceskostenveroordeling van [persoon] .\n\n3. De beoordeling3.1.. De rechtbank merkt op dat [persoon] niet alleen Kyrrex in rechte heeft betrokken maar ook de in St. Vincent & The Grenadines gevestigde Kyrrex Ltd., de in Nicosia in Cyprus gevestigde Kyrrex Finacial Holding Ltd. en de in St. Julian in Malta gevestigde Real Exchange (REX) Ltd. Ook andere in vreemde jurisdicties gevestigde -waaronder de Seychellen- entiteiten zijn volgens[persoon] bij de fraude betrokken.\n\n3.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij haar bevoegdheid op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv zal hebben te beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om van de vordering van [persoon] tegen Kyrrex op deze wettelijke grondslag kennis te nemen. Hiertoe dient het volgende.\n\n3.3.. \n\nIn verband met het bepaalde in artikel 6 aanhef en onderdeel e Rv stelt de rechtbank vast dat de geplunderde bankrekening in Nederland werd aangehouden en dat de vermogensvermindering in Nederland is geleden alwaar [persoon] woonachtig is. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit voor [persoon] dat zijn schade als gevolg van de crypto boilerroom fraude in Nederland is geleden mede gelet op zijn woonplaats in Nederland. De stelling dat Kyrrex haar activiteiten zich niet richtte op het Nederlandse publiek wordt gelogenstraft door het relatief grote aantal in Nederland woonachtige benadeelde partijen.\n\nHet uitgangspunt in internationale zaken dat het voor een partij voorzienbaar behoort te zijn voor welke rechter hij kan worden gesleept, geldt niet onverkort voor een zogenoemde medeplegende facilitator van digitale crypto fraude, die zich in verscheidene jurisdicties afspeelt en die in verscheidene jurisdicties wordt versluierd alwaar benadeelden geen dan wel onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden. Deze voorzienbaarheid mag zo’n facilitator dan niet met succes tegenover consumenten\u002Fbenadeelden inroepen. Dat met deze consumenten\u002Fbenadeelden geen consumentenovereenkomst is gesloten en dat niet uit dien hoofde tegen de facilitator wordt geageerd, maar uit hoofde van een delictuele aansprakelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank irrelevant. De facilitator behoort in de gegeven omstandigheden ervanuit te gaan dat hij zich in Nederland ten overstaan van de Nederlandse rechter zal moeten kunnen verantwoorden.\n\n3.4.. Deze zaak en de Haagse zaken kenmerken zich verder door de talrijke rechtspersonen die zich volgens[persoon] met de fraude hebben ingelaten en dat deze rechtspersonen zijn gevestigd in verschillende jurisdicties waarin een effectieve rechtsbescherming niet (altijd) is gewaarborgd. Het is voor een benadeelde natuurlijk persoon\u002Fconsument ondoenlijk wanneer hij door een ondoorzichtig web van al dan slechts virtueel bestaande rechtspersonen moet achterhalen wie verantwoordelijk is voor de fraude en aan wie de opbrengst van deze fraude ten goede is gekomen. Een deugdelijke rechtsbedeling en effectieve rechtsbescherming behoren mee te brengen dat de rechtbank zijn bevoegdheid in zulke gevallen ruimhartig uitlegt en zich bevoegd acht om van vorderingen tegen al degenen die hebben deelgenomen aan deze digitale crypto fraude kennis te nemen ook al is één vermeend medepleger in een jurisdictie gevestigd waar effectieve rechtsbescherming nu juist wel kan worden geboden.\n\n3.5.. Onder de geschetste omstandigheden schept de plaats waar de benadeelden woonachtig zijn rechtsmacht en bevoegdheid van de Nederlandse rechter waar voorts de bankrekeningen worden aangehouden, waar het vermogen van de benadeelden zich bevindt en waar de vermogensvermindering ingevolge de fraude is veroorzaakt.\n\n3.6.. De Nederlandse rechter is dan ook (mede) bevoegd om van de vordering van [persoon] kennis te nemen. De primair geformuleerde incidentele vordering zal de rechtbank afwijzen.\n\n3.7.. Resteert de beoordeling van de rechtbank over de subsidiair geformuleerde incidentele vordering, de vordering tot verwijzing naar de rechtbank Den Haag strekkende tot voeging met de twintig Haagse zaken.\n\n3.8.. De rechtbank zal deze zaak [persoon] tegen Kyrrex niet verwijzen naar de rechtbank Den Haag ten overstaan van wie reeds de zaken met zaaknummer C\u002F02\u002F694014 aanhangig zijn. Ongetwijfeld vertoont deze zaken deze gelijkenis met de Haagse zaken, maar [persoon] behoudt belang bij de zelfstandige beoordeling van zijn vordering door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Ook de procesregie wenst [persoon] niet te delen met andere benadeelden hetgeen in overeenstemming is met zijn in rechtsvordering voortsvloeiende partijautonomie. [persoon] meent ook dat de wijze waarop hem nadeel is berokkend, afwijkt van de Haagse zaken en dat hij over meer en\u002Fof andere bewijsmiddelen beschikt waarvan anderen geen profijt behoren te hebben, althans zo begrijpt de rechtbank de stelling van [persoon] . Naar het oordeel van de rechtbank wegen deze belangen van [persoon] zwaarder dan het belang van Kyrrex dat deze zaak uiteindelijk zal worden gevoegd met de Haagse zaken. Proceseconomie is immers aan de genoemde belangen van [persoon] ondergeschikt. Eventueel verschillende uitspraken van de rechterlijke colleges zal op de koop toe moeten worden genomen.\n\n3.9.. Op grond van het voorgaande zal Kyrrex als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de incidenten worden veroordeeld die op het bedrag van € 1.306,00 (2 x € 653,00) aan salaris advocaat zullen worden vastgesteld.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin het bevoegdheidsincident4.1.. \n\nwijst af de vordering en verklaart zich bevoegd om van de vordering van [persoon] tegen Kyrrex (zaaknummer C\u002F02\u002F443636 HA ZA 26-3) kennis te nemen;\n\nin het verwijzingsincident4.2.. wijst af vordering tot verwijzing van de hoofdzaak (zaaknummer C 02\u002F443636\u002F HA ZA 26-3) naar de rechtbank Den Haag;\n\nin de beide incidenten\n\n4.3.. veroordeelt Kyrrex in de kosten van de incidenten die op € 1.306,00 worden vastgesteld te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden indien en voor zover Kyrrex alsdan niet aan de veroordeling heeft voldaan;\n\n4.4.. verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\nin de hoofdzaak:\n\n4.5.. verwijst de zaak naar de rol van 29 juli 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [plaats] , voor de conclusie van antwoord zijdens Kyrrex;\n\n4.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. drs. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\naij","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5959","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:18.476Z",1,20]