[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":28,"total":16,"page":24,"limit":47},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-05-04T00:00:00.000Z",[20,25],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"123129","Wetboek van Strafvordering","art. 530",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"123130","art. 534 lid 1",[29,40],{"id":30,"ecli":31,"slug":32,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":34,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":39},"1098","ECLI:NL:RBZWB:2026:6097","ecli-nl-rbzwb-2026-6097","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nparketnummer : 02-279343-25\n\nraadkamernummer : 26-002095\n\nbeslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedag] 2002 te [plaats],\n\nwoonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda (Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda),\n\nhierna te noemen: de verzoeker.\n\n1. De procedure\n\nDe procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:\n\n het op 23 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:\n\n€ 2.174,66, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;\n\n€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;\n\nhet sepot van 21 oktober 2025;\n\nde schriftelijke reactie van de officier van justitie;\n\nde overige stukken in het raadkamerdossier.\n\nOp 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. A.J.C.M. de Graaff, als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.\n\nVerzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.\n\nDe raadsman heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting gegeven met betrekking tot de tijdigheid van het verzoek. Het sepot dateert van 21 oktober 2025. Het verzoekschrift is ontvangen op 23 januari 2026. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de termijn van 3 maanden voor het indienen van een verzoekschrift aanvangt op het moment dat verzoeker kennis heeft genomen van het sepot. Verzoeker heeft het sepot via de post ontvangen en daar zijn 1 à 2 werkdagen mee gemoeid geweest. Op zijn vroegst heeft verzoeker op 23 oktober 2025 kennisgenomen van het sepot, wat maakt dat het verzoek tijdig is ingediend.\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de zaak is beëindigd op 21 oktober 2025. Dat is de aanmaakdatum van de beslissing en deze wordt doorgaans op dezelfde dag of de dag daarna verzonden. Het verzoekschrift is te laat ingediend. De officier van justitie verzoekt het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren.\n\n2. De beoordeling\n\n De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.\n\nMet betrekking tot de tijdigheid van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt.\n\nEen redelijke wetstoepassing brengt mee dat de termijn waarbinnen het verzoek dient te worden ingediend niet eerder aanvangt dan de dag volgend op die waarop verzoeker met een sepotbeslissing bekend is geworden, dan wel redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de gewezen verdachte daarvan op de hoogte is gekomen.\n\nDe sepotbeslissing dateert van 21 oktober 2025. Gelet op het tijdsverloop dat doorgaans gemoeid is met het verzenden van poststukken is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoeker niet eerder dan 23 oktober 2025 kennis heeft kunnen nemen van het sepot. Verzoeker heeft het verzoekschrift daarom tijdig, binnen 3 maanden, ingediend, zodat hij ontvangen kan worden in zijn verzoekschrift.\n\nOp grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.\n\nArtikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand van\n\n€ 2.174,66in voldoende mate is onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.\n\nVoor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00toegekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van\n\n€ 2.999,66, bestaande uit:\n\n- € 2.174,66 aan kosten van rechtsbijstand;\n\nen\n\n- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;\n\nbepaalt dat een bedrag van € 2.999,66, zal worden overgemaakt op bankrekeningnummer NL 26 ABNA 0147 8583 56, t.n.v. Stichting Derdengelden Joris & De Graaff Strafrechtadvocaten, o.v.v. Schadevergoeding DOUMA.\n\nDeze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.\n\nINFORMATIE RECHTSMIDDEL\n\nTegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6097","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:03.943Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":33,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":33,"language":7,"source":35,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":38,"updatedAt":46},"1099","ECLI:NL:RBZWB:2026:6096","ecli-nl-rbzwb-2026-6096","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nparketnummer : 02-359391-24\n\nraadkamernummer : 26-002106\n\nbeslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [datum] 1998 te [plaats],\n\nwoonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda (Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda),\n\nhierna te noemen: de verzoeker.\n\n1. De procedure\n\nDe procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:\n\n het op 23 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:\n\n€ 2.971,01, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;\n\n€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;\n\nhet sepot van 21 oktober 2025;\n\nde schriftelijke reactie van de officier van justitie;\n\nde overige stukken in het raadkamerdossier.\n\nOp 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. A.J.C.M. de Graaff, als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.\n\nVerzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.\n\nDe raadsman heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting gegeven met betrekking tot de tijdigheid van het verzoek. Het sepot dateert van 21 oktober 2025. Het verzoekschrift is ontvangen op 23 januari 2026. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de termijn van 3 maanden voor het indienen van een verzoekschrift aanvangt op het moment dat verzoeker kennis heeft genomen van het sepot. Verzoeker heeft het sepot via de post ontvangen en daar zijn 1 à 2 werkdagen mee gemoeid. Op zijn vroegst heeft verzoeker op 23 oktober 2025 kennisgenomen van het sepot, wat maakt dat het verzoek tijdig is ingediend.\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zaak is beëindigd op 21 oktober 2025. Op 21 oktober 2025 is er een OM-hoorzitting geweest en verzoeker en zijn raadsman zijn daarbij aanwezig geweest. Op die OM-hoorzitting is kenbaar gemaakt dat de zaak geseponeerd werd. Het verzoekschrift is te laat ingediend. De officier van justitie verzoekt het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren.\n\n2. De beoordeling\n\n De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.\n\nMet betrekking tot de tijdigheid van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 529, tweede lid, Sv dient een verzoek tot schadevergoeding binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak te worden ingediend. De sepotbeslissing is gedateerd op 21 oktober 2025. Op diezelfde dag is er een OM-hoorzitting geweest waarbij verzoeker aanwezig was en de zaak is geseponeerd. Verzoeker moet daarom geacht worden op die dag bekend te zijn geworden met het sepot. Dit brengt mee dat de termijn van drie maanden voor het indienen van het verzoek een aanvang heeft genomen op 22 oktober 2025 en op 22 januari 2025 is geëindigd.\n\nHet verzoek is op 23 januari 2026 op de griffie binnengekomen en de rechtbank ziet geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarom zal de verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n-verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nDeze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.\n\nINFORMATIE RECHTSMIDDEL\n\nTegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6096","2026-07-13T00:29:03.985Z",20]