[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":70,"limit":71},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2025-04-03T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,48,55,63],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.078Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","2026-07-13T00:29:35.958Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"1756","ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","ecli-nl-rbdha-2026-18229","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34707\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nNa afloop van de zitting hebben partijen desgevraagd een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft na ontvangst hiervan het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser is op 21 juni 2026 om 13.51 uur aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens om 20.30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vbeen aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Hij heeft op dezelfde dag zijn asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 22 juni 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt deze vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nGeschiktheid van de screeningslocatie\n\n4. Eiser voert aan dat de screening niet heeft plaatsgevonden op een toereikende en geschikte locatie als bedoeld in de Screeningsverordening, gelezen in samenhang met de (nieuwe) Opvangrichtlijn.De procedure is feitelijk aangevangen bij zijn aankomst op Schiphol, waar hij door de Koninklijke Marechaussee is ondervraagd en vervolgens in een ruimte en later, op grond van de loungemaatregel, in de internationale lounge heeft verbleven onder sobere omstandigheden, waaronder een overnachting op een stoel en beperkte verstrekking van voedsel. Schiphol kan onder deze omstandigheden niet als een toereikende en geschikte locatie worden aangemerkt. Daarbij wordt erop gewezen dat de screening onder het Asiel- en Migratiepact meerdere dagen kan duren en dat een dergelijke locatie daarom moet voorzien in mogelijkheden tot overnachting, waaraan de internationale lounge niet voldoet.\n\n5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Verder volgt uit de stukken dat eisers vlucht op 21 juni 2026 om 13:51 uur op Schiphol is geland en dat hij op 22 juni 2026 om 14:00 uur is overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol.De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen en de gebruikelijke gang van zaken na aankomst van een vlucht waardoor het eerste contact met de KMar pas na enige tijd zal plaatsvinden, aannemelijk dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd.\n\nOok hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder hij gedurende zijn verblijf in de internationale lounge heeft verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.\n\nZorgvuldigheid van de processen-verbaal\n\nAlgemeen\n\n6. Eiser voert aan dat diverse processen-verbaal in het dossier onzorgvuldigheden\u002F slordigheden bevatten.\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser zonder meer kan worden toegegeven dat diverse processen-verbaal in het dossier op onderdelen onvolledig en\u002Fof slordig zijn ingevuld. Evenwel komt uit de stukken, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende duidelijk en overtuigend naar voren wat de feitelijke gang van zaken is geweest.\n\nOndertekening van de processen-verbaal\n\n8. Eiser voert aan dat zowel het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 als het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 niet zijn ondertekend. Daardoor is onduidelijk welke waarde aan deze stukken kan worden gehecht en kan niet worden gecontroleerd of de daarin beschreven gang van zaken zich daadwerkelijk op die wijze heeft voorgedaan.\n\n9. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, heeft zij verweerder verzocht om nadere informatie betreffende de (al dan niet) ondertekening. Verweerder heeft vervolgens een reactie ingediend. Daarbij is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026 overgelegd, waarin wordt toegelicht dat het ontbreken van een zichtbare digitale handtekening onder het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 het gevolg is van een technische storing bij de omzetting van de systemen in verband met het Asiel- en Migratiepact.\n\n10. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de in rechtsoverweging 9 bedoelde vraag aan en reactie van verweerder. Voor zover de reactie van de gemachtigde van eiser betrekking heeft op de toelichting omtrent de ondertekening van het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 heeft de rechtbank deze bij haar beoordeling betrokken.\n\nVoor het overige gaat de reactie de omvang van de door de rechtbank gegeven gelegenheid te buiten. De rechtbank laat deze, alsmede de daarbij overgelegde bijlage, daarom buiten beschouwing.\n\n11. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de op ambtseed gegeven toelichting in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026 te twijfelen. Evenzeer acht zij aannemelijk dat hetzelfde geldt voor de (niet-zichtbare) ondertekening van het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel.\n\nVoor zover zou gelden dat genoemde processen-verbaal niet zijn ondertekend, overweegt de rechtbank dat dit op zichzelf onvoldoende is om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiser geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de daarin beschreven gang van zaken onjuist is, noch een aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst.\n\nTegenstrijdigheden in het tijdstip van het uiten van eisers asielwens\n\n12. Eiser voert aan dat het “proces-verbaal van gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vw” van 22 juni 2026 innerlijk tegenstrijdig is wat betreft het tijdstip van het uiten van zijn asielwens. Hierin is immers op dezelfde pagina vermeld dat eiser op 21 juni 2026 om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit, maar anderzijds ook dat hij dit pas om 20:30 uur heeft gedaan.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat de geconstateerde tegenstrijdigheid onvoldoende is om te concluderen dat onduidelijk is wanneer eiser zijn asielwens heeft geuit. Uit zowel de vrijheidsontnemende maatregelals het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 volgt dat eiser dit op 21 juni 2026 om 18:40 uur heeft gedaan. Weliswaar is in het proces-verbaal van gehoor tevens het tijdstip 20:30 uur vermeld, maar dit is ook het tijdstip waarop aan eiser op grond van artikel 4.6 van het Vb de aanwijzing is gegeven zich op te houden in de internationale lounge. Gelet hierop, in samenhang bezien met het tijdstip waarop eisers vlucht is aangekomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser reeds om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit en dient het genoemde tijdstip van 20.30 uur in dit opzicht als een kennelijke verschrijving te worden aangemerkt.\n\nInname paspoort en juistheid proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel\n\n14. Eiser voert voorts aan dat het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 ook inhoudelijk onjuist is, omdat daarin niet is vermeld dat zijn paspoort reeds op 21 juni 2026 is ingenomen. Pas op 22 juni 2026 is een ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en\u002Fof identiteitspapieren opgemaakt, terwijl het paspoort toen al in bewaring was genomen.\n\n15. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eisers paspoort is ingenomen. Dit blijkt ook onweersproken uit het ontvangstbewijs van 22 juni 2026. Dat in het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 niet is vermeld op welk moment eisers paspoort is ingenomen, maakt niet dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.\n\nInformatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel\n\n16. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de informatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit zijn antwoord op de mededeling dat de toegang tot Nederland wordt uitgesteld, zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure en hij in een gesloten detentiecentrum zal verblijven, blijkt niet dat hij de rechtsgevolgen daadwerkelijk heeft begrepen. Hij heeft slechts verklaard dat hij het “snapt”, terwijl de enkele mededeling dat hij de inhoud heeft begrepen daartoe onvoldoende is.\n\n17. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Weliswaar blijkt uit de op p. 4 in het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 opgenomen reactie van eiser niet zonder meer dat hij de rechtsgevolgen van de mededelingen volledig heeft begrepen, maar uit datzelfde proces-verbaal volgt dat hem om 08:00 uur voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onder meer is medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure zou worden behandeld, dat hem een vrijheidsontnemende maatregel zou worden opgelegd, dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag in een vreemdelingendetentiecentrum zou worden ingesloten en dat hij gedurende de screeningsprocedure geen toegang tot Nederland zou krijgen.Daarbij komt dat eiser om 08:25 uur de Engelstalige M19B-informatiefolder met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de Vw voor ontvangst heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij zou worden ingesloten.\n\nWijze van registratie van de voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling\n\n18. Eiser voert ten slotte aan dat in het screeningsformulier bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, standaard het antwoord “Ja” wordt aangekruist, blijkens de vermelding “Altijd JA” tussen haakjes achter de antwoordmogelijkheden. Dit roept de vraag op of daadwerkelijk een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, nu deze vermelding suggereert dat de uitkomst reeds vaststaat.\n\n19. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op het screeningsformulier is bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, het antwoord “Ja” aangekruist.Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze registratie onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toets\n\n20. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.\n\nConclusie\n\n21. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1356.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:4201.\n\n Proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026, p. 5 van 5.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 9 van 10.\n\n Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde lid, of eerste en tweede lid juncto het zesde lid van de Vw voor vreemdelingen die vallen onder de werking van de Procedureverordening (Model M19B) d.d. 22 juni 2026, p. 1 van 3.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 4 van 10.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 2 van 10 onder ‘Algemeen’.\n\n Screeningsformulier, p. 2 van 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","2026-07-13T00:29:37.309Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"1761","ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","ecli-nl-rbdha-2026-18236","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H. Toonders).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 23 juni 2026 om 14:21 uur opgehouden. Op 23 juni 2026 omstreeks 19:45 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat aan hem een bevel om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Spanje is opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.\n\nEiser heeft zich akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 26 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben.\n\n2. Eiser voert aan dat hij niet kan toetsen of sprake is geweest van een verkapt vreemdelingrechtelijke staandehouding, omdat het dossier te beperkt is.\n\n3. Verweerder heeft bij brief van 1 juli 2026 meegedeeld dat de vreemdelingrechtelijke ophouding volgde op een strafrechtelijke aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Verweerder heeft hierbij een proces-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal van aanhouding verdachte geüpload in het digitale dossier. Hierin staat dat twee verbalisanten het voertuig waarin eiser zich bevond hebben gestopt vanwege een ANPR-melding. De toelichting daarbij was dat het een voertuig van een malafide verhuurbedrijf betrof. Bij controle van het voertuig is hennep aangetroffen in het dashboardkastje. Eiser is vervolgens aangehouden vanwege het rijden onder invloed en het niet voldoen aan de vordering om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding aanhouding afdoende dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen en ook dat de verbalisanten in het kader van hun algemene politietaak hebben gehandeld. Het is niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 3 juli 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","2026-07-13T00:29:37.546Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":30,"updatedAt":62},"1864","ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","ecli-nl-rbdha-2025-18289","2025-10-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.46466\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. D. Matadien),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. K. Kanters).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft met ingang van 29 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Marokko.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.Staandehouding en ophouding\n\n3. Voor zover eiser in zijn beroepschrift aanvoert dat de staandehouding en ophouding van 26 augustus 2025 onrechtmatig zijn geweest, oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n4. De staandehouding en ophouding zien op de aanvang van de eerder opgelegde maatregel van 26 augustus 2025. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat bij uitspraak van 9 september 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond is verklaard.In deze procedure beoordeelt de rechtbank thans de maatregel van 14 september 2025 tot aan de opheffing op 29 september 2025.\n\nOmzetting vorige maatregel van bewaring\n\n5. Eiser voert aan dat de maatregel van 26 augustus 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw niet tijdig is omgezet naar de huidige maatregel van bewaring. Op 12 september 2025 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken en op 14 september 2025 is de huidige maatregel opgelegd.\n\n6. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Vooropgesteld wordt dat in het kader van het huidige beroep niet ter toetsing staat of de maatregel van 26 augustus 2025 tijdig is opgeheven. De rechtbank toetst uitsluitend de huidige maatregel van 14 september 2025. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn, volledigheidshalve ingenomen, standpunt dat de maatregel tijdig is omgezet. Eiser heeft op 12 september 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken en de huidige maatregel is binnen twee dagen, namelijk op 14 september 2025, opgelegd.\n\nGrondslag\n\n7. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag is gebaseerd. Niet is gebleken dat eiser de voorbereiding van zijn uitzetting ontwijkt of belemmert. Eiser verwijst daarbij naar zijn verklaringen tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, waarin hij nadrukkelijk heeft aangegeven mee te werken aan zijn terugkeer.\n\n8. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder was bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het staat namelijk vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag op 12 september 2025 ingetrokken.\n\nMaatregel van bewaring\n\n9. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\nVerweerder heeft als zware grondenvermeld dat eiser:\n\n- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\n- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\nen als lichte grondenvermeld dat eiser:\n\n- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\n- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n10. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond 4b laten vallen.\n\n11. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a wijst hij erop dat zijn inreis een gecontroleerde overdracht op grond van de Dublinverordening betrof. Daarnaast is de zware grond 3b niet van toepassing op hem, omdat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken en in een asielzoekerscentrum verbleef. De eerdere meldingen dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken zijn niet meer actueel en toepasbaar op zijn huidige situatie. Ook de zware grond 3c wordt betwist, omdat hij volgens eigen zeggen wel gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht om Nederland te verlaten en vervolgens ook uit Nederland is vertrokken. Ten aanzien van de zware grond 3d brengt eiser naar voren dat hij juiste gegevens heeft verstrekt waarop ook de laissez-passer aanvraag is gebaseerd. De grond 3e is ook niet van toepassing, nu dit ziet op gegevens die zijn verstrekt in het verleden. Eiser heeft verklaard waarom hij tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt en heeft nu wel de juiste gegevens verstrekt. Ten aanzien van de lichte grond 4a verwijst eiser naar hetgeen hij heeft aangevoerd over de zware grond 3a. Verder zijn de lichte gronden 4c en 4d inherent aan de omstandigheid dat hij is overgedragen en kan hem dat in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Op grond hiervan stelt eiser dat geen sprake is van een risico op onttrekking of onderduiken en dat de gronden niet op hem van toepassing zijn.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat hij bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument was noch van een geldig visum. Uit het dossier blijkt verder dat eiser op 15 juni 2023 en 22 juli 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit heeft eiser ook bevestigd in zijn gehoor van 26 augustus 2025. De feitelijke juistheid van de zware grond 3b staat daarmee vast. De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om risico op onttrekken aan het toezicht aan te nemen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware gronden 3c, 3d, 3e en de lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.\n\nLichter middel\n\n13. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Hij heeft verklaard mee te werken aan zijn terugkeer en dat met alternatieven zoals een meldplicht of verblijf in een asielzoekerscentrum had kunnen worden volstaan. Het regime in het detentiecentrum is streng en voldoet niet aan artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft eerder de mogelijkheid gehad om zelfstandig naar zijn land van herkomst terug te keren en heeft dit niet gedaan. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft dit ook bevestigd. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022dat het Detentiecentrum Rotterdam voldoet aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bovendien kan de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld.Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nVoortvarend handelen\n\n15. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Hij wijst erop dat hij op 12 september 2025 zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat de maatregel vanaf dat moment was gericht op zijn uitzetting, terwijl de feitelijke uitzetting pas op 29 september 2025 heeft plaatsgevonden. Volgens eiser was al eerder een laissez-passer beschikbaar en had verweerder de benodigde stappen voor vertrek eerder kunnen afronden.\n\n16. Anders dan eiser stelt heeft verweerder echter voldoende voortvarend gehandeld. Verweerder heeft in de brief aan de rechtbank van 26 september 2025 uiteengezet welke handelingen zijn verricht ten aanzien van eisers terugkeer.\n\nAmbtshalve toets\n\n17. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Er is ook niet gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers terugkeer.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBROT:2025:10706.\n\n Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.\n\n Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2100.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4002.\n\n Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie van 4 september 2025, C-313\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:18289","2026-07-13T00:29:42.685Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":69},"550","ECLI:NL:RBDHA:2025:5588","ecli-nl-rbdha-2025-5588","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.14694\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 april 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Poolse nationaliteit te hebben.\n\nAanwezigheid ter zitting\n\n2. De rechtbank stelt vast dat een door eiser getekende afstandsverklaring is overgelegd. Voor de rechtbank is het dan ook voldoende duidelijk dat eiser heeft afgezien van zijn recht om ter zitting gehoord te worden.\n\nInspanningsverplichting\n\n3. Eiser wijst erop dat hij een gevangenisstraf van drie dagen moest uitzitten in strafrechtelijke detentie voordat hij aansluitend in bewaring is gesteld. Hij stelt dat verweerder zoveel mogelijk moet voorkomen dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld. Eiser meent dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden door gedurende deze strafrechtelijke detentie geen voorbereidende vertrekhandelingen te verrichten. Indien verweerder in die drie dagen al een T&O-aanvraag had opgestart of een vertrekgesprek met eiser had gevoerd, had de duur van de inbewaringstelling mogelijk korter kunnen zijn.\n\n4. Uit het dossier komt naar voren dat eiser op 21 maart 2025 strafrechtelijk is aangehouden en vanaf 24 maart 2024 in strafrechtelijke detentie is geplaatst. Na afloop hiervan is eiser op 27 maart 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. Reeds gelet op het (zeer) korte tijdsbestek tussen 24 maart 2025 en 27 maart 2025 is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inspanningsverplichting niet heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n5. Eiser stelt dat er een lichter middel kon worden toegepast. Hij heeft verklaard dat hij bereid is om mee te werken aan zijn vertrek. In de beschikking van 10 juni 2024 staat dat hij Nederland moet verlaten, maar niet dat hij terug moet keren naar Polen. Hij kan ook naar Duitsland vertrekken bijvoorbeeld. Verweerder heeft hier onvoldoende aandacht aan besteed en ten onrechte geen andere opties dan terugkeer naar Polen overwogen.\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Dit blijkt ook uit het feit dat eiser naar aanleiding van de beschikking van 10 juni 2024 diende te vertrekken, maar dit niet (vrijwillig) heeft gedaan. De enkele verklaring dat hij bereid is om terug te keren naar Polen is onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Hij is immers op 24 februari 2025 al uitgezet naar Polen, maar binnen een week weer teruggekeerd.\n\n7. Gelet op eisers Poolse nationaliteit en het feit dat hij eerder naar Polen is uitgezet, heeft verweerder kunnen besluiten het vertrekproces op Polen te richten. Eiser heeft op geen enkel moment verklaard dat hij naar een andere lidstaat zou willen vertrekken. Verweerder was dan ook niet gehouden om een mogelijk vertrek naar een ander land dan Polen te onderzoeken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 april 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:5588","2026-07-13T00:28:36.256Z",1,20]