[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-11-07T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,41],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"596","ECLI:NL:RBDHA:2026:18730","ecli-nl-rbdha-2026-18730","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 en NL26.8589\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser 1] , V-nummer: [nummer 1] , en\n\n [eiser 2], V-nummer: [nummer 2] , en\n\n [eiser 3], V-nummer: [nummer 3] , en\n\n [eiser 4], V-nummer: [nummer 4] ,\n\nhierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. N. van Bremen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluiten van 11 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder terugkeerbesluiten uitgevaardigd.\n\nEisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening, op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers, waargenomen door mr. A. Šimičević, H. Amin als tolk, de gemachtigde van verweerder en [persoon A] als voogd van Nidos.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1.1.. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit en behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. [eiser 1] is geboren op [geboortedatum 1] 1998, [eiser 2] is geboren op [geboortedatum 2] 2002, [eiser 3] is geboren op [geboortedatum 3] 2009 en [eiser 4] is geboren op [geboortedatum 4] 2012. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn broers. [eiser 4] is een neefje van hen.\n\n1.2.. Eisers leggen aan hun asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat zij in Irak niet veilig zijn omdat zij Jezidi zijn. Eisers hebben de aanval van IS op Jezidi’s in de regio Sinjar in 2014 meegemaakt en hebben sindsdien in een tentenkamp in de KAR( [naam tentenkamp] in Zakho) verbleven. Binnen het tentenkamp waren de omstandigheden niet goed. Zo vlogen er tenten door kortsluiting in brand. Als Jezidi krijgen eisers regelmatig te maken met discriminatie. Ook vinden er in de regio gevechten en bombardementen plaats. Eisers vrezen bij terugkeer voor de onveilige situatie, verdere discriminatie en rekrutering door de PKK of YPG. Ook vrezen eisers opnieuw te worden aangevallen door IS-strijders die schuldig waren aan de genocide in 2014 omdat zij na een generaal pardon zullen worden vrijgelaten en de hulp van de Koerden geen zekerheid is.\n\n1.3.. Om hun asielrelaas te onderbouwen hebben eisers ieder een identiteitskaart, nationaliteitsbewijs\u002Fnationaliteitsverklaring en een geboorteakte overgelegd. [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben daarnaast ook een paspoort overgelegd.\n\nDe bestreden besluiten\n\n2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers internationale bescherming hebben gekregen in Griekenland. Verweerder heeft er voor gekozen om de asielaanvragen in Nederland wel in behandeling te nemen. Verweerder heeft hierbij vastgesteld dat het asielrelaas van eisers het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomstbevat. Het asielrelaas van [eiser 1] omvat daarnaast ook het asielmotiefproblemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap.\n\n2.1.. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Verweerder heeft in het geval van [eiser 1] de geloofwaardigheid van de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap in het midden gelaten. Verweerder heeft vervolgens in alle zaken van eisers beoordeeld of zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer.\n\n2.2.. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers en in het geval van [eiser 1] , de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap, leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvragen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet (Vw) omdat zij opzettelijk hun Griekse documenten hebben weggegooid. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvatten de bestreden besluiten een terugkeerbesluit.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNormale woon- en verblijfplaats\n\n3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder het tentenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR ten onrechte als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt. Eisers doen hierbij een beroep op verschillende uitsprakenwaarin deze rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ontheemdenkampen als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Volgens eisers maakt verweerder in hun zaken dezelfde fouten door slechts naar beleidswijzingen en eerdere interne beleidskeuzes te verwijzen zonder daarbij de feitelijke leefomstandigheden in het ontheemdenkamp [naam tentenkamp] , de sluitingsplannen van het kamp, de beschikbaarheid van opvang na terugkeer in het kamp, de veiligheidssituatie in de KAR en de bijzondere kwetsbaarheid van Jezidi’s bij zijn beoordeling te betrekken. De leefomstandigheden in de kampen zijn verslechterd, zoals onder meer volgt uit het Thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 (TAB). Eisers volgen verweerder niet in zijn standpunt dat de verslechterde omstandigheden niet bij de beoordeling hoeven te worden betrokken omdat deze niet door strijdende partijen worden veroorzaakt. Eisers wijzen er verder op dat Jezidi’s een kwetsbare minderheid vormen.Daarnaast menen [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] dat hun asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen omdat de situatie van Jezidi’s in de KAR complex en volop in ontwikkeling is. Een versnelde afdoening past hier niet bij.\n\n3.1.. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat, en waarom, hij het vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR voor eisers heeft aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats. Een beoordeling voor wat betreft de vraag of eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben of bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade, heeft pas betekenis tegen de achtergrond van waarnaartoe eisers moeten terugkeren. Hierbij gaat het – volgens verweerder, en dit staat verder niet ter discussie – om de normale woon- en verblijfplaats, in dit geval vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] .\n\n3.2.. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het bij het bepalen van de normale woon- en verblijfplaats gaat om de feitelijke duur en legaliteit van het verblijf. Humanitaire omstandigheden zijn hierbij volgens verweerder niet relevant. Een humanitaire situatie in een bepaald gebied kan volgens verweerder in beginsel niet tot een asielverlening leiden. Dit is volgens verweerder alleen anders als de humanitaire omstandigheden het gevolg zijn van een gewapend conflict. Verweerder verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, Sufi en Elmi). Nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit het geval is, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om nader onderzoek te doen naar de humanitaire situatie in het kamp. Daarnaast wijst verweerder op het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023. Volgens verweerder volgt hieruit dat de algemene situatie in de opvangkampen niet zodanig slecht is dat er bij terugkeer een reëel risico is op ernstige schade. Omdat eisers voorafgaand aan hun vertrek zeven jaar, dan wel acht jaar in het tentenkamp [naam tentenkamp] in de KAR hebben verbleven, kan dit volgens verweerder als hun normale woon- en verblijfplaats worden gezien.\n\n3.3.. De rechtbank acht het standpunt van verweerder onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Zij overweegt hiertoe dat verweerder aan zijn standpunt dat [naam tentenkamp] voor eisers als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, enkel ten grondslag heeft gelegd dat eisers hier voorafgaand aan hun vertrek zeven, dan wel acht jaar hebben verbleven. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:357, ro. 1.4), volgt echter dat bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven. Anders dan verweerder stelt volgt hieruit dat er bij de vraag of een plaats als normale woon- en verblijfplaats kan worden gezien ook rekening moet worden gehouden met de (humanitaire) omstandigheden waaronder de vreemdeling op die plaats heeft verbleven. Ook overigens merkt de rechtbank op dat de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in antwoord op Kamervragen zelf heeft aangegeven dat, bij de vraag of een gebied waar een Jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als normale woon-of verblijfplaats, van belang is of de Jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren.\n\n3.4.. In weerwil van het voorgaande blijkt uit de bestreden besluiten niet dat verweerder de feitelijke situatie, en daarmee ook de humanitaire omstandigheden, in het kamp voor Jezidi’s heeft onderzocht en betrokken bij zijn beoordeling. Dit schrijnt te meer nu eisers al bij hun zienswijze hebben gewezen op meerdere uitspraken waarin door de rechtbank is geconcludeerd dat verweerder ten onrechte de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor Jezidi’s niet heeft onderzocht. Daarnaast blijkt uit het TAB dat de situatie in de kampen zorgwekkend is, onder andere omdat de financiering van hulporganisaties is gestopt en teruggelopen, hetgeen resulteerde in een gebrek aan basisvoorzieningen, medische zorg, psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen ook dat de omstandigheden in de kampen slecht waren. Zo heeft [eiser 1] verklaard dat er geen warm water of constante stroom was (p. 7 nader gehoor) en heeft [eiser 2] onder andere verklaard dat tenten in de brand vlogen en dat hij via Youtube onderwijs heeft genoten (p. 6 nader gehoor). Hij heeft ook verklaard dat ze geen mogelijkheid hadden om elders te gaan wonen, omdat de overheid dat niet accepteerde, maar ze tegelijkertijd niet de tent waar ze verbleven mochten ombouwen tot een woning van stenen (p. 10 nader gehoor). [eiser 4] heeft ook verklaard dat er soms tenten in de brand vlogen (p. 8 nader gehoor). [eiser 3] bevestigd dit ook en verklaart dat hierbij soms mensen verbrandden of overleden (p. 4 nader gehoor). De school was volgens [eiser 3] een tent waarbij niet docenten, maar andere vluchtelingen het onderwijs verzorgden (p. 4 en 9 nader gehoor). Niet is gebleken dat verweerder landeninformatie, waaronder de informatie uit het TAB, en de verklaringen van eisers bij zijn beoordeling of het tentenkamp als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, heeft betrokken. De rechtbank volgt verweerder verder ook niet in zijn standpunt dat uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat humanitaire omstandigheden enkel bij de beoordeling hoeven te worden betrokken als deze het gevolg zijn van een gewapend conflict. Uit dit arrest volgt namelijk ook dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld, wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op blootstelling aan een onmenselijke behandeling oplevert.Verweerder dient zich daarvan rekenschap te geven, maar heeft dat onvoldoende gedaan, te meer daar het TAB - waarop eisers hebben gewezen – in het bestreden besluit in dat kader niet is betrokken. Bij schending van artikel 3 van het EVRM vanwege humanitaire omstandigheden, kan evenmin sprake zijn van een normale woon- en verblijfplaats. De beroepsgrond slaagt.\n\nTerugkeerbesluit\n\n4. Eisers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte terugkeerbesluiten tegen hen heeft uitgevaardigd, omdat zij een status in Griekenland hebben.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat eisers internationale bescherming hebben in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatussen zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom (nog) geen terugkeerbesluiten mogen uitvaardigen. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Gelet op hetgeen onder 3.3., 3.4. en 4.1. is overwogen, zijn de beroepen gegrond vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en laat de overige gronden onbesproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaken te voorzien. Verweerder zal nieuwe besluiten op de aanvragen van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd.\n\n6. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Omdat de rechtbank de zaken als samenhangend beschouwt in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), blijft de proceskostenvergoeding beperkt tot het bedrag wat in één zaak zou zijn toegekend. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\ndraag verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift in de zaken NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 ( [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ) moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hogerberoepschrift in de zaak NL26.8589 ( [eiser 4] ) moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De voorlopige voorzieningen staan geregistreerd onder zaaknummers: NL26.8584, NL26.8586 en NL26.8588.\n\n Koerdische Autonome Regio\n\n Eisers verwijzen hierbij naar ECLI:NL:RBDHA:2026:2642, ECLI:NL:RBDHA:2025:24349, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369, ECLI:NL:RBDHA:2025:24572 en ECLI:NL:RBDHA:2026:772.\n\n Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7409.\n\n Aanhangsel van de Handelingen van 10 juli 2019, vergaderjaar 2018-2019 nummer 3345; antwoord van Staatssecretaris Broekers – Knol (Justitie en Veiligheid) ontvangen 5 juli 2019.\n\n ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 r.o. 291 en 296.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18730","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.593Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"594","ECLI:NL:RBDHA:2026:18727","ecli-nl-rbdha-2026-18727","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7194\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.8616), op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser stelt dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2006 (te [geboorteplaats] , Somalië). Verder legt eiser aan zijn asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat hij is gevlucht voor Al-Shabaab omdat zij wilden dat eiser zich bij hen zou aansluiten. Eiser heeft dit geweigerd. Al-Shabaab heeft eiser toen gevangen genomen en mishandeld. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te worden vermoord.\n\nOm zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:\n\nGeboorteakte, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023\n\nCertificaat van bevestiging identiteit, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n2. Problemen met Al-Shabaab\n\n2.1.. Verweerder acht het eerste asielmotief ongeloofwaardig. Verweerder legt aan dit standpunt kort samengevat ten grondslag dat eisers verklaringen over zijn nationaliteit en identiteit niet aannemelijk zijn en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Nu een asielmotief alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft verweerder eisers problemen met Al-Shabaab niet beoordeeld.\n\n2.2.. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief) niet geloofwaardig zijn geacht, is niet vast te stellen of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat eiser volgens verweerder belangrijke informatie en documenten omtrent zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland heeft achtergehouden, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGeloofwaardigheidsbeoordeling identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Eiser voert hiertoe aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.Daarnaast zijn eisers verklaringen over de registratie in Griekenland (met als geboortedatum [geboortedatum 2] 2004) niet wisselend, maar vullen zij elkaar aan. Eiser had begrepen dat hij als Somaliër in Griekenland geen kans maakte op asiel en daarom heeft hij zich daar voorgedaan als Jemeniet. Over de registratie in Griekenland stelt eiser zich verder op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een fysiek leeftijdsonderzoek, maar van een visuele schatting. Verder stelt eiser dat de registratie in Duitsland (met als geboortedatum [geboortedatum 3] 2000), is gebaseerd op een neppaspoort. In Nederland heeft eiser naar waarheid verklaard, zijnde te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Dit volgt ook uit de door eiser overgelegde en echt bevonden bevestiging van zijn identiteit en de geboorteakte. De geboortedatum op deze documenten komt overeen met eisers verklaringen. Er zijn volgens eiser dan ook concrete aanknopingspunten dat de in Griekenland en Duitsland geregistreerde geboortedata niet juist zijn.Daarnaast blijkt uit de in beroep overgelegde kopieën van de paspoorten van eisers ouders dat zij de Somalische nationaliteit hebben.\n\n3.1.. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij wisselende lezingen zou hebben gegeven over de dood van zijn vader en waarom hij daardoor in grote lijnen niet als geloofwaardig zou kunnen worden beschouwd. Het voorgaande betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Nu eiser geen informatie of documenten heeft achtergehouden, en verweerder er al mee bekend was dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien, heeft verweerder de asielaanvraag niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn nationaliteit, identiteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiser in dit kader terecht tegengeworpen dat hij in Nederland heeft verklaard de Somalische nationaliteit te hebben, terwijl uit het Griekse dossier blijkt dat hij daar heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Uit het Griekse dossier blijkt verder dat eiser een Jemenitische geboorteakte heeft overgelegd en dat eiser meermaals heeft verklaard dat hij een Jemenitische staatsburger is, dat hij uit de stad Mukulla komt en dat hij tot een leeftijd van acht maanden in Jemen heeft verbleven. Eiser is daarna naar Somalië vertrokken. Eiser heeft in Griekenland ook verklaard dat hij niet de Somalische nationaliteit heeft en dat hij in Somalië geen paspoort kon aanvragen omdat hij de Jemenitische nationaliteit heeft (o.a. p. 4 en 20-24 vertaling Grieks dossier). Verweerder heeft de uit Griekenland verkregen informatie over eisers nationaliteit terecht tegenstrijdig gevonden aan eisers verklaringen in Nederland en daarom terecht gemeend dat er twijfel bestaat over de door eiser in Nederland opgegeven nationaliteit. Het is immers onduidelijk of eiser de Jemenitische of de Somalische nationaliteit heeft. Deze twijfel wordt niet weggenomen door landeninformatie, nu uit (p. 113 van) het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (het ambtsbericht) blijkt dat Somalië duizenden migranten uit Jemen opvangt, ook in Puntland waar eiser blijkens zijn verklaringen in Nederland zijn hele leven zou hebben gewoond.\n\n4.1.. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser er met de door hem overgelegde geboorteakte en certificaat van identiteitsbevestiging van de gemeente Mogadishu niet in is geslaagd om de twijfel over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst weg te nemen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in Nederland een geboorteakte uit Somalië heeft overgelegd, terwijl eiser in Griekenland een geboorteakte uit Jemen heeft overgelegd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser maar op één plek geboren kan zijn en er daarom niet zonder meer kan worden uitgegaan van de authenticiteit van eisers Somalische geboorteakte, temeer nu eiser voor de afgifte van de in Nederland overgelegde documenten al bij de Griekse autoriteiten heeft verklaard de Jemenitische nationaliteit te bezitten. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de inhoud van de overgelegde documenten niet overeenkomt met eisers verklaringen over zijn herkomst in Somalië. Er blijkt namelijk uit dat eiser in Waabari in Mogadishu zou wonen. Eiser heeft echter ten tijde van het gehoor verklaard dat hij voor zijn vertrek uitsluitend in Af-Urur in het noorden van Somalië heeft gewoond en dat hij tijdens zijn doorreis slechts één of twee weken in Mogadishu heeft verbleven (p. 7 aanmeldgehoor en p. 19 nader gehoor). Op de zitting kon eiser hier ook geen duidelijkheid over geven. Zo stelde hij dat het ging om informatie die de moeder aan de autoriteiten had doorgegeven ten behoeve van de afgifte van de documenten, dan wel om de huidige woonplaats van zijn moeder. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat Somalië geen allesomvattend nationaal registratiesysteem of burgerlijke stand kent en dat er blijkens het ambtsbericht (p. 87) sprake is van corruptie bij Somalische overheidsinstanties waardoor het betrekkelijk eenvoudig is om aan vervalste documenten of documenten met valse identiteitsgegevens te komen. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende bewijswaarde hebben en dat eiser hiermee niet zijn (Somalische) identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt.\n\n4.2.. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, specifiek zijn geboortedatum, niet aannemelijk heeft gemaakt. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat uit de uitgevoerde leeftijdsschouwen blijkt dat eiser evident meerderjarig is. Daarnaast heeft eiser in Nederland verklaard dat hij minderjarig is en op [geboortedatum 1] 2006 is geboren (p. 4 aanmeldgehoor), terwijl eiser in Duitsland en Griekenland staat geregistreerd met een meerderjarige leeftijd ( [geboortedatum 3] 2000 respectievelijk [geboortedatum 2] 2004). Eiser heeft hierover verklaard dat zijn leeftijd in Griekenland niet goed is genoteerd en dat er een schatting is gemaakt (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat eiser in Griekenland een geboorteakte heeft overgelegd waar zijn geboortedatum op staat. Over de registratie in Duitsland heeft eiser verklaard dat de gegevens van het door eiser in Duitsland overgelegde valse paspoort zijn overgenomen (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Uit de informatie van de Duitse autoriteiten blijkt echter dat eiser in Duitsland geen bewijs van identiteit heeft overgelegd (he did not provide proof of identity). Verweerder heeft eisers verklaringen over de registratie in Griekenland en Duitsland daarom terecht ongeloofwaardig geacht. Gelet hierop, heeft verweerder de door eiser opgegeven leeftijd in Nederland terecht onaannemelijk gevonden.\n\n4.3.. Tot slot heeft verweerder zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder wijst er in dit kader verder terecht op dat eiser informatie over de asielprocedure in Griekenland heeft achtergehouden en dat, zoals hiervoor ook is overwogen, eiser meerdere wisselende verklaringen heeft afgegeven. Dat verweerder er inmiddels (ten tijde van de besluitvorming) mee bekend was geraakt dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien doet hier niet aan af. Dit neemt namelijk niet weg dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat eiser heeft nagelaten om hierbij informatie en documenten te verstrekken die relevant zijn voor zijn asielaanvraag, waaronder de in Griekenland overgelegde informatie en documenten. Verweerder stelt dan ook terecht dat de hiervoor genoemde tegenwerpingen het vertrouwen in eisers algemene geloofwaardigheid in het geding brengen en dat eiser daarom in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.\n\n4.4.. Al gelet op de hiervoor genoemde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst onaannemelijk zijn. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265, overweging 3.1.), heeft verweerder daarom ook terecht niet beoordeeld of eisers problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Asielmotieven hebben immers alleen maar betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Dit betekent ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser in Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging, of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\n4.5.. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond omdat, zoals onder 4.3. is overwogen, eiser verweerder heeft misleid door belangrijke informatie en documenten over zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland achter te houden.\n\n4.6.. De beroepsgronden slagen niet.\n\nTerugkeerbesluit en inreisverbod\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd. Er bestaat namelijk onduidelijkheid over zijn status in Griekenland. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) had verweerder daarom geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Dit betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Op de zitting heeft eiser daarnaast nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:EU:C:2024:892, C-156\u002F23, Ararat) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 10 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6477). Volgens eiser volgt uit deze uitspraken dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit altijd in ogenschouw moet worden genomen of er sprake is van een risico op refoulement. Vanwege de situatie in Somalië en Jemen had er volgens eiser geen terugkeerbesluit kunnen worden uitgevaardigd zonder nader onderzoek door verweerder. Verder heeft eiser op de zitting verzocht om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen over het opleggen van een terugkeerbesluit aan statushouders.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alleen hierom al (nog) geen terugkeerbesluit tegen eiser mogen uitvaardigen. Dit betekent ook dat verweerder geen inreisverbod tegen eiser heeft mogen uitvaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt reeds hierom. De rechtbank laat eisers standpunt dat er daarnaast een refoulement beoordeling had moeten plaatsvinden daarom onbesproken. Ten overvloede wijst de rechtbank er wel op dat – als een terugkeerbesluit in de toekomst (opnieuw) aan de orde zou zijn – een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op refoulement alsnog aan de orde kan komen.Het voorgaande betekent evenzo dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Gelet op hetgeen onder 5.1. is overwogen, is het beroep gegrond, voor zover een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus zullen intrekken. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand te laten. Verweerder dient bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat zij de aan eiser verleende asielstatus intrekken, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. Voor zover het besluit de afwijzing van de asielaanvraag betreft, blijft het bestreden besluit in stand.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd;\n\nlaat het bestreden besluit voor het overige (de afwijzing van de asielaanvraag) in stand;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser stelt dat hij een getraumatiseerde puber is met weinig opleiding.\n\n Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7563.\n\n De rechtbank begrijpt: de prejudiciële vragen die op 19 februari 2026 zijn gesteld door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2026:3626)\n\n De rechtbank wijst in dat kader ook op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, ro. 5.3 e.v..","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18727","2026-07-13T00:28:38.526Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"377","ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","ecli-nl-rbdha-2025-21177","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28199\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder zaaknummer NL25.28200, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rutayoberana, als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser stelt te zijn [naam eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 en burger van de\n\nDemocratische Republiek Congo (DRC).\n\n2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot de bevolkingsgroep van de Tutsi’s behoort. De Tutsi’s vormen een minderheid in de DRC en eiser heeft hierdoor problemen ervaren. Eiser is afkomstig uit de regio Kivu waar een ernstig conflict gaande was en eiser is meegenomen en gedetineerd door militairen van [persoon C] (jongeren die aan de kant van de regering vechten). Eiser is hierbij ernstig mishandeld. Eiser is op een gegeven moment vrij gekomen en daarna heeft hij de DRC verlaten. In de periode van 2013 tot 2018 heeft eiser in Oeganda verbleven en in 2024 is hij naar Oeganda teruggekeerd en heeft hij voor de duur van ongeveer één jaar daar verbleven.\n\nBestreden besluit\n\n3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers detentie door militairen van [persoon C] .\n\n4. Verweerder heeft het eerste asielmotief ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven, heeft hij onvoldoende documenten overgelegd en heeft hij daarvoor geen goede verklaring gegeven en vormen eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht, heeft verweerder het tweede asielmotief niet getoetst.\n\n5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen (op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Volgens verweerder heeft eiser een identiteits- of reisdocument vernietigd of weggemaakt. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nDe beroepsgronden\n\n6. Volgens eiser heeft verweerder het eerste asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht en had verweerder ook het tweede asielmotief moeten toetsen. Eiser voert daartoe ten eerste aan dat alles wat eerder is aangevoerd, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder is hem ten onrechte verweten dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft overgelegd. De oorspronkelijke identiteitsdocumenten zijn tijdens de arrestatie afgepakt. Verder zijn eiser en zijn broer geholpen door een reisagent die de documenten onder zich heeft gehouden. Omdat eiser en zijn broer vanuit detentie vrij snel hun land hebben verlaten is er geen gelegenheid geweest om nieuwe identiteitsdocumenten te verkrijgen. De pogingen die eiser heeft ondernomen, zijn voldoende om aan te tonen dat het niet is gelukt om documenten te verkrijgen. Ten aanzien van eisers verklaringen over de namen van verschillende gewapende groeperingen, verwijst eiser naar zijn beperkte referentiekader. Waarom eiser weinig heeft kunnen vertellen over [persoon A] heeft eiser al uitgebreid toegelicht. [persoon A] was een vriend van [persoon B] , die eiser en zijn broer heeft geholpen. Volgens eiser kan het bijkomen van de folteringen als reden voor de gebrekkige waarnemingen tijdens zijn reis worden gezien. Eiser persisteert in zijn verklaring dat hij zelf geen paspoort in handen heeft gehad.\n\n7. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen. Dat klemt temeer nu eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost-Congo.\n\n8. Tot slot voert eiser aan dat aan hem prematuur een terugkeerbesluit is opgelegd en dat het in terugkeerbesluit ten onrechte drie landen worden genoemd waarnaar hij zou kunnen terugkeren, enkel op basis van het feit dat de taal die hij spreekt voorkomt in genoemde landen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn, maar kan verweerders inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser wel standhouden. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.\n\nGeloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Verweerder heeft een geloofwaardigheidstoets toegepast op het eerste asielmotief omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. Deze toets heeft verweerder - in lijn met de Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) (de werkinstructie) - verricht aan de hand van de criteria van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Verweerder toetst in dit kader onder meer of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw). Daarbij ligt de focus op de verklaringen die de vreemdeling ten aanzien van het asielmotief heeft afgelegd. Hierbij wordt gekeken naar wat de vreemdeling zelf heeft verklaard én naar wat bekend is aan de hand van andere bronnen (p. 6 van de werkinstructie).\n\n11. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet samenhangend en aannemelijk zijn in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw. Eiser heeft volgens verweerder consistente verklaringen afgelegd over dat hij Tutsi is en hij spreekt Kinyarwanda. Hij heeft antwoord gegeven op de herkomstvragen en dit is herleidbaar tot het gebied waar eiser stelt vandaan te komen. Verweerder heeft zich op dit punt verder beperkt tot de motivering dat dat wat eiser over zijn paspoort en over zijn reis naar Nederland heeft verklaard onlogisch, vaag en ongerijmd is. Hoewel de rechtbank deze motivering kan volgen, zijn deze verklaringen slechts indirect aan het asielmotief te verbinden. Eisers verklaringen over wie hij is en waar hij vandaan komt zijn namelijk wel consistent. Hij heeft van meet af aan verklaard dat hij [naam eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] 1998 en dat hij de Congolese nationaliteit heeft. Er zijn geen aliassen van eiser tegengeworpen of anderszins dat hij hierover tegenstrijdig of inconsistent heeft verklaard. Verweerder heeft dit ten onrechte niet (kenbaar) meegewogen bij de beoordeling van het eerste asielmotief.\n\n12. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van het eerste asielmotief op verschillende momenten ten onrechte ook het tweede asielmotief betrokken in plaats van zich te beperken tot zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Zo heeft verweerder de tegenwerping dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd gemotiveerd met de stelling dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven. Daarbij is verweerder onder meer ingegaan op tegenstrijdigheden in het kader van eisers gevangenneming, zijn vrijlating, en van de persoon [persoon A] , die eiser zou hebben geholpen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet gek is, aangezien eiser heeft verklaard dat zijn kiespas is afgenomen bij zijn gevangenneming. Ook hier oordeelt de rechtbank dat deze verklaringen in een te indirect verband staan tot het asielmotief dat verweerder op dat moment stelt te beoordelen. Het standpunt van verweerder dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven is ook niet goed te rijmen met verweerders stelling dat het tweede asielmotief niet te beoordelen valt vanwege de ongeloofwaardigheid van het eerste asielmotief.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom als het gaat om het eerste asielmotief onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgronden die hiertoe strekken slagen. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst – ongeacht of hij uit de DRC, Oeganda of Rwanda komt – op zichzelf onvoldoende grond is voor asiel, zal de rechtbank hierna zijn asielrelaas op inhoud beoordelen. De rechtbank doet dit uit het oogpunt van efficiëntie en finale geschilbeslechting.\n\nGeloofwaardigheid detentie door militairen van [persoon C]\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061), blijkt dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank is echter van oordeel dat – ook als ervan uit wordt gegaan eiser inderdaad uit de DRC komt (zoals hij stelt) – verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is.\n\n15. In dat kader heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd over de groepering die hem heeft meegenomen en gevangen heeft gezet. Zo heeft eiser tijdens het gehoor in het kader van zijn asielaanvraag op 12 oktober 2024 verklaard dat de groepering FARD hem heeft ontvoerd en mishandeld en dat hij is meegenomen naar een kamp en dat een vriend van zijn vader hem uit detentie heeft geholpen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter niet over groepering FARD of M23 verklaard, maar heeft hij verklaard dat hij is opgepakt door jongeren die aan de kant van de regering vochten, [persoon C] genaamd. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij eenduidig verklaart over welke groepering hem nu daadwerkelijk gedetineerd had. Dat eiser een beperkt referentiekader heeft en weinig onderwijs heeft gevolgd, maakt niet dat in het geheel niet van hem kan worden verwacht dat hij hierover duidelijk en consistent kan verklaren.\n\n16. Eiser heeft verder tijdens het nader gehoor verklaard dat hij door [persoon A] , een man die hij niet kende of eerder had gezien, is geholpen. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden dat eiser met behulp van [persoon A] zou zijn vrijgelaten terwijl eiser ook heeft verklaard dat de plaats door veel militairen werd bewaakt en mensen niet levend van deze plek weg konden gaan. Ook heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door middel van omkoping is vrijgekomen. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij kon verklaren over [persoon A] . Eiser heeft niet meer over hem kunnen verklaren dat hij deze man niet kende en dat hij hem in detentie heeft ontmoet. Tegelijkertijd heeft eiser verklaard dat [persoon A] er niet alleen voor heeft gezorgd dat eiser is vrijgekomen, maar heeft hij eiser ook geld gegeven, zijn reis geregeld en een tas met kleding aan hem gegeven. Verweerder heeft dit bevreemdend kunnen vinden.\n\n17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor genoemde tegenwerpingen van verweerder voldoende voor het oordeel dat verweerder het tweede asielmotief niet geloofwaardig had hoeven achten.\n\nKennelijk ongegrond\n\n18. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen vanwege het vernietigen of wegmaken van een identiteitsdocument (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen.\n\n19. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op eisers verklaring dat hij zelf nooit een reisdocument in handen heeft gehad. Deze verklaring heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, nu volwassenen op de luchthaven Schiphol individueel worden gecontroleerd op reisdocumenten. Het ligt niet voor de hand dat een andere persoon dit document ter controle heeft aangeboden. Dat eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost Congo maakt niet dat verweerder het niet overleggen van een reisdocument of identiteitsdocument niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.\n\nPrematuur terugkeerbesluit \u002F terugkeerbesluit met meerdere landen \u002F inreisverbod\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het feit dat eiser de taal Kinyarwanda machtig is in het terugkeerbesluit kunnen bepalen dat eiser terug moet keren naar de DRC, Oeganda of Rwanda. Nu verweerder de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, heeft verweerder een vertrektermijn van 0 dagen moeten hanteren en een inreisverbod moeten opleggen. Van een prematuur terugkeerbesluit is gezien het voorgaande geen sprake.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtsgevolgen van het besluit zal de rechtbank in stand laten omdat verweerder zich met de gegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\nveroordeelt verweerder in de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.766Z",1,20]