[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-asylum-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":174,"limit":175},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},37,"asylum-law-nl","Asylum Law","NL","2026-07-08T16:53:25.948Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},18,{"min":18,"max":19},"2024-11-04T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,41,50,59,67,75,84,91,99,106,114,123,132,141,150,158,167],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"596","ECLI:NL:RBDHA:2026:18730","ecli-nl-rbdha-2026-18730","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 en NL26.8589\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser 1] , V-nummer: [nummer 1] , en\n\n [eiser 2], V-nummer: [nummer 2] , en\n\n [eiser 3], V-nummer: [nummer 3] , en\n\n [eiser 4], V-nummer: [nummer 4] ,\n\nhierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. N. van Bremen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluiten van 11 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder terugkeerbesluiten uitgevaardigd.\n\nEisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening, op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers, waargenomen door mr. A. Šimičević, H. Amin als tolk, de gemachtigde van verweerder en [persoon A] als voogd van Nidos.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1.1.. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit en behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. [eiser 1] is geboren op [geboortedatum 1] 1998, [eiser 2] is geboren op [geboortedatum 2] 2002, [eiser 3] is geboren op [geboortedatum 3] 2009 en [eiser 4] is geboren op [geboortedatum 4] 2012. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn broers. [eiser 4] is een neefje van hen.\n\n1.2.. Eisers leggen aan hun asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat zij in Irak niet veilig zijn omdat zij Jezidi zijn. Eisers hebben de aanval van IS op Jezidi’s in de regio Sinjar in 2014 meegemaakt en hebben sindsdien in een tentenkamp in de KAR( [naam tentenkamp] in Zakho) verbleven. Binnen het tentenkamp waren de omstandigheden niet goed. Zo vlogen er tenten door kortsluiting in brand. Als Jezidi krijgen eisers regelmatig te maken met discriminatie. Ook vinden er in de regio gevechten en bombardementen plaats. Eisers vrezen bij terugkeer voor de onveilige situatie, verdere discriminatie en rekrutering door de PKK of YPG. Ook vrezen eisers opnieuw te worden aangevallen door IS-strijders die schuldig waren aan de genocide in 2014 omdat zij na een generaal pardon zullen worden vrijgelaten en de hulp van de Koerden geen zekerheid is.\n\n1.3.. Om hun asielrelaas te onderbouwen hebben eisers ieder een identiteitskaart, nationaliteitsbewijs\u002Fnationaliteitsverklaring en een geboorteakte overgelegd. [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben daarnaast ook een paspoort overgelegd.\n\nDe bestreden besluiten\n\n2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers internationale bescherming hebben gekregen in Griekenland. Verweerder heeft er voor gekozen om de asielaanvragen in Nederland wel in behandeling te nemen. Verweerder heeft hierbij vastgesteld dat het asielrelaas van eisers het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomstbevat. Het asielrelaas van [eiser 1] omvat daarnaast ook het asielmotiefproblemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap.\n\n2.1.. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Verweerder heeft in het geval van [eiser 1] de geloofwaardigheid van de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap in het midden gelaten. Verweerder heeft vervolgens in alle zaken van eisers beoordeeld of zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer.\n\n2.2.. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers en in het geval van [eiser 1] , de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap, leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvragen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet (Vw) omdat zij opzettelijk hun Griekse documenten hebben weggegooid. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvatten de bestreden besluiten een terugkeerbesluit.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNormale woon- en verblijfplaats\n\n3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder het tentenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR ten onrechte als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt. Eisers doen hierbij een beroep op verschillende uitsprakenwaarin deze rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ontheemdenkampen als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Volgens eisers maakt verweerder in hun zaken dezelfde fouten door slechts naar beleidswijzingen en eerdere interne beleidskeuzes te verwijzen zonder daarbij de feitelijke leefomstandigheden in het ontheemdenkamp [naam tentenkamp] , de sluitingsplannen van het kamp, de beschikbaarheid van opvang na terugkeer in het kamp, de veiligheidssituatie in de KAR en de bijzondere kwetsbaarheid van Jezidi’s bij zijn beoordeling te betrekken. De leefomstandigheden in de kampen zijn verslechterd, zoals onder meer volgt uit het Thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 (TAB). Eisers volgen verweerder niet in zijn standpunt dat de verslechterde omstandigheden niet bij de beoordeling hoeven te worden betrokken omdat deze niet door strijdende partijen worden veroorzaakt. Eisers wijzen er verder op dat Jezidi’s een kwetsbare minderheid vormen.Daarnaast menen [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] dat hun asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen omdat de situatie van Jezidi’s in de KAR complex en volop in ontwikkeling is. Een versnelde afdoening past hier niet bij.\n\n3.1.. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat, en waarom, hij het vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR voor eisers heeft aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats. Een beoordeling voor wat betreft de vraag of eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben of bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade, heeft pas betekenis tegen de achtergrond van waarnaartoe eisers moeten terugkeren. Hierbij gaat het – volgens verweerder, en dit staat verder niet ter discussie – om de normale woon- en verblijfplaats, in dit geval vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] .\n\n3.2.. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het bij het bepalen van de normale woon- en verblijfplaats gaat om de feitelijke duur en legaliteit van het verblijf. Humanitaire omstandigheden zijn hierbij volgens verweerder niet relevant. Een humanitaire situatie in een bepaald gebied kan volgens verweerder in beginsel niet tot een asielverlening leiden. Dit is volgens verweerder alleen anders als de humanitaire omstandigheden het gevolg zijn van een gewapend conflict. Verweerder verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, Sufi en Elmi). Nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit het geval is, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om nader onderzoek te doen naar de humanitaire situatie in het kamp. Daarnaast wijst verweerder op het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023. Volgens verweerder volgt hieruit dat de algemene situatie in de opvangkampen niet zodanig slecht is dat er bij terugkeer een reëel risico is op ernstige schade. Omdat eisers voorafgaand aan hun vertrek zeven jaar, dan wel acht jaar in het tentenkamp [naam tentenkamp] in de KAR hebben verbleven, kan dit volgens verweerder als hun normale woon- en verblijfplaats worden gezien.\n\n3.3.. De rechtbank acht het standpunt van verweerder onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Zij overweegt hiertoe dat verweerder aan zijn standpunt dat [naam tentenkamp] voor eisers als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, enkel ten grondslag heeft gelegd dat eisers hier voorafgaand aan hun vertrek zeven, dan wel acht jaar hebben verbleven. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:357, ro. 1.4), volgt echter dat bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven. Anders dan verweerder stelt volgt hieruit dat er bij de vraag of een plaats als normale woon- en verblijfplaats kan worden gezien ook rekening moet worden gehouden met de (humanitaire) omstandigheden waaronder de vreemdeling op die plaats heeft verbleven. Ook overigens merkt de rechtbank op dat de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in antwoord op Kamervragen zelf heeft aangegeven dat, bij de vraag of een gebied waar een Jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als normale woon-of verblijfplaats, van belang is of de Jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren.\n\n3.4.. In weerwil van het voorgaande blijkt uit de bestreden besluiten niet dat verweerder de feitelijke situatie, en daarmee ook de humanitaire omstandigheden, in het kamp voor Jezidi’s heeft onderzocht en betrokken bij zijn beoordeling. Dit schrijnt te meer nu eisers al bij hun zienswijze hebben gewezen op meerdere uitspraken waarin door de rechtbank is geconcludeerd dat verweerder ten onrechte de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor Jezidi’s niet heeft onderzocht. Daarnaast blijkt uit het TAB dat de situatie in de kampen zorgwekkend is, onder andere omdat de financiering van hulporganisaties is gestopt en teruggelopen, hetgeen resulteerde in een gebrek aan basisvoorzieningen, medische zorg, psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen ook dat de omstandigheden in de kampen slecht waren. Zo heeft [eiser 1] verklaard dat er geen warm water of constante stroom was (p. 7 nader gehoor) en heeft [eiser 2] onder andere verklaard dat tenten in de brand vlogen en dat hij via Youtube onderwijs heeft genoten (p. 6 nader gehoor). Hij heeft ook verklaard dat ze geen mogelijkheid hadden om elders te gaan wonen, omdat de overheid dat niet accepteerde, maar ze tegelijkertijd niet de tent waar ze verbleven mochten ombouwen tot een woning van stenen (p. 10 nader gehoor). [eiser 4] heeft ook verklaard dat er soms tenten in de brand vlogen (p. 8 nader gehoor). [eiser 3] bevestigd dit ook en verklaart dat hierbij soms mensen verbrandden of overleden (p. 4 nader gehoor). De school was volgens [eiser 3] een tent waarbij niet docenten, maar andere vluchtelingen het onderwijs verzorgden (p. 4 en 9 nader gehoor). Niet is gebleken dat verweerder landeninformatie, waaronder de informatie uit het TAB, en de verklaringen van eisers bij zijn beoordeling of het tentenkamp als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, heeft betrokken. De rechtbank volgt verweerder verder ook niet in zijn standpunt dat uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat humanitaire omstandigheden enkel bij de beoordeling hoeven te worden betrokken als deze het gevolg zijn van een gewapend conflict. Uit dit arrest volgt namelijk ook dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld, wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op blootstelling aan een onmenselijke behandeling oplevert.Verweerder dient zich daarvan rekenschap te geven, maar heeft dat onvoldoende gedaan, te meer daar het TAB - waarop eisers hebben gewezen – in het bestreden besluit in dat kader niet is betrokken. Bij schending van artikel 3 van het EVRM vanwege humanitaire omstandigheden, kan evenmin sprake zijn van een normale woon- en verblijfplaats. De beroepsgrond slaagt.\n\nTerugkeerbesluit\n\n4. Eisers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte terugkeerbesluiten tegen hen heeft uitgevaardigd, omdat zij een status in Griekenland hebben.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat eisers internationale bescherming hebben in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatussen zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom (nog) geen terugkeerbesluiten mogen uitvaardigen. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Gelet op hetgeen onder 3.3., 3.4. en 4.1. is overwogen, zijn de beroepen gegrond vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en laat de overige gronden onbesproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaken te voorzien. Verweerder zal nieuwe besluiten op de aanvragen van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd.\n\n6. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Omdat de rechtbank de zaken als samenhangend beschouwt in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), blijft de proceskostenvergoeding beperkt tot het bedrag wat in één zaak zou zijn toegekend. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\ndraag verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift in de zaken NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 ( [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ) moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hogerberoepschrift in de zaak NL26.8589 ( [eiser 4] ) moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De voorlopige voorzieningen staan geregistreerd onder zaaknummers: NL26.8584, NL26.8586 en NL26.8588.\n\n Koerdische Autonome Regio\n\n Eisers verwijzen hierbij naar ECLI:NL:RBDHA:2026:2642, ECLI:NL:RBDHA:2025:24349, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369, ECLI:NL:RBDHA:2025:24572 en ECLI:NL:RBDHA:2026:772.\n\n Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7409.\n\n Aanhangsel van de Handelingen van 10 juli 2019, vergaderjaar 2018-2019 nummer 3345; antwoord van Staatssecretaris Broekers – Knol (Justitie en Veiligheid) ontvangen 5 juli 2019.\n\n ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 r.o. 291 en 296.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18730","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:38.593Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"594","ECLI:NL:RBDHA:2026:18727","ecli-nl-rbdha-2026-18727","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7194\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.8616), op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser stelt dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2006 (te [geboorteplaats] , Somalië). Verder legt eiser aan zijn asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat hij is gevlucht voor Al-Shabaab omdat zij wilden dat eiser zich bij hen zou aansluiten. Eiser heeft dit geweigerd. Al-Shabaab heeft eiser toen gevangen genomen en mishandeld. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te worden vermoord.\n\nOm zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:\n\nGeboorteakte, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023\n\nCertificaat van bevestiging identiteit, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n2. Problemen met Al-Shabaab\n\n2.1.. Verweerder acht het eerste asielmotief ongeloofwaardig. Verweerder legt aan dit standpunt kort samengevat ten grondslag dat eisers verklaringen over zijn nationaliteit en identiteit niet aannemelijk zijn en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Nu een asielmotief alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft verweerder eisers problemen met Al-Shabaab niet beoordeeld.\n\n2.2.. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief) niet geloofwaardig zijn geacht, is niet vast te stellen of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat eiser volgens verweerder belangrijke informatie en documenten omtrent zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland heeft achtergehouden, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGeloofwaardigheidsbeoordeling identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Eiser voert hiertoe aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.Daarnaast zijn eisers verklaringen over de registratie in Griekenland (met als geboortedatum [geboortedatum 2] 2004) niet wisselend, maar vullen zij elkaar aan. Eiser had begrepen dat hij als Somaliër in Griekenland geen kans maakte op asiel en daarom heeft hij zich daar voorgedaan als Jemeniet. Over de registratie in Griekenland stelt eiser zich verder op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een fysiek leeftijdsonderzoek, maar van een visuele schatting. Verder stelt eiser dat de registratie in Duitsland (met als geboortedatum [geboortedatum 3] 2000), is gebaseerd op een neppaspoort. In Nederland heeft eiser naar waarheid verklaard, zijnde te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Dit volgt ook uit de door eiser overgelegde en echt bevonden bevestiging van zijn identiteit en de geboorteakte. De geboortedatum op deze documenten komt overeen met eisers verklaringen. Er zijn volgens eiser dan ook concrete aanknopingspunten dat de in Griekenland en Duitsland geregistreerde geboortedata niet juist zijn.Daarnaast blijkt uit de in beroep overgelegde kopieën van de paspoorten van eisers ouders dat zij de Somalische nationaliteit hebben.\n\n3.1.. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij wisselende lezingen zou hebben gegeven over de dood van zijn vader en waarom hij daardoor in grote lijnen niet als geloofwaardig zou kunnen worden beschouwd. Het voorgaande betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Nu eiser geen informatie of documenten heeft achtergehouden, en verweerder er al mee bekend was dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien, heeft verweerder de asielaanvraag niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn nationaliteit, identiteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiser in dit kader terecht tegengeworpen dat hij in Nederland heeft verklaard de Somalische nationaliteit te hebben, terwijl uit het Griekse dossier blijkt dat hij daar heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Uit het Griekse dossier blijkt verder dat eiser een Jemenitische geboorteakte heeft overgelegd en dat eiser meermaals heeft verklaard dat hij een Jemenitische staatsburger is, dat hij uit de stad Mukulla komt en dat hij tot een leeftijd van acht maanden in Jemen heeft verbleven. Eiser is daarna naar Somalië vertrokken. Eiser heeft in Griekenland ook verklaard dat hij niet de Somalische nationaliteit heeft en dat hij in Somalië geen paspoort kon aanvragen omdat hij de Jemenitische nationaliteit heeft (o.a. p. 4 en 20-24 vertaling Grieks dossier). Verweerder heeft de uit Griekenland verkregen informatie over eisers nationaliteit terecht tegenstrijdig gevonden aan eisers verklaringen in Nederland en daarom terecht gemeend dat er twijfel bestaat over de door eiser in Nederland opgegeven nationaliteit. Het is immers onduidelijk of eiser de Jemenitische of de Somalische nationaliteit heeft. Deze twijfel wordt niet weggenomen door landeninformatie, nu uit (p. 113 van) het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (het ambtsbericht) blijkt dat Somalië duizenden migranten uit Jemen opvangt, ook in Puntland waar eiser blijkens zijn verklaringen in Nederland zijn hele leven zou hebben gewoond.\n\n4.1.. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser er met de door hem overgelegde geboorteakte en certificaat van identiteitsbevestiging van de gemeente Mogadishu niet in is geslaagd om de twijfel over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst weg te nemen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in Nederland een geboorteakte uit Somalië heeft overgelegd, terwijl eiser in Griekenland een geboorteakte uit Jemen heeft overgelegd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser maar op één plek geboren kan zijn en er daarom niet zonder meer kan worden uitgegaan van de authenticiteit van eisers Somalische geboorteakte, temeer nu eiser voor de afgifte van de in Nederland overgelegde documenten al bij de Griekse autoriteiten heeft verklaard de Jemenitische nationaliteit te bezitten. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de inhoud van de overgelegde documenten niet overeenkomt met eisers verklaringen over zijn herkomst in Somalië. Er blijkt namelijk uit dat eiser in Waabari in Mogadishu zou wonen. Eiser heeft echter ten tijde van het gehoor verklaard dat hij voor zijn vertrek uitsluitend in Af-Urur in het noorden van Somalië heeft gewoond en dat hij tijdens zijn doorreis slechts één of twee weken in Mogadishu heeft verbleven (p. 7 aanmeldgehoor en p. 19 nader gehoor). Op de zitting kon eiser hier ook geen duidelijkheid over geven. Zo stelde hij dat het ging om informatie die de moeder aan de autoriteiten had doorgegeven ten behoeve van de afgifte van de documenten, dan wel om de huidige woonplaats van zijn moeder. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat Somalië geen allesomvattend nationaal registratiesysteem of burgerlijke stand kent en dat er blijkens het ambtsbericht (p. 87) sprake is van corruptie bij Somalische overheidsinstanties waardoor het betrekkelijk eenvoudig is om aan vervalste documenten of documenten met valse identiteitsgegevens te komen. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende bewijswaarde hebben en dat eiser hiermee niet zijn (Somalische) identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt.\n\n4.2.. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, specifiek zijn geboortedatum, niet aannemelijk heeft gemaakt. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat uit de uitgevoerde leeftijdsschouwen blijkt dat eiser evident meerderjarig is. Daarnaast heeft eiser in Nederland verklaard dat hij minderjarig is en op [geboortedatum 1] 2006 is geboren (p. 4 aanmeldgehoor), terwijl eiser in Duitsland en Griekenland staat geregistreerd met een meerderjarige leeftijd ( [geboortedatum 3] 2000 respectievelijk [geboortedatum 2] 2004). Eiser heeft hierover verklaard dat zijn leeftijd in Griekenland niet goed is genoteerd en dat er een schatting is gemaakt (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat eiser in Griekenland een geboorteakte heeft overgelegd waar zijn geboortedatum op staat. Over de registratie in Duitsland heeft eiser verklaard dat de gegevens van het door eiser in Duitsland overgelegde valse paspoort zijn overgenomen (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Uit de informatie van de Duitse autoriteiten blijkt echter dat eiser in Duitsland geen bewijs van identiteit heeft overgelegd (he did not provide proof of identity). Verweerder heeft eisers verklaringen over de registratie in Griekenland en Duitsland daarom terecht ongeloofwaardig geacht. Gelet hierop, heeft verweerder de door eiser opgegeven leeftijd in Nederland terecht onaannemelijk gevonden.\n\n4.3.. Tot slot heeft verweerder zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder wijst er in dit kader verder terecht op dat eiser informatie over de asielprocedure in Griekenland heeft achtergehouden en dat, zoals hiervoor ook is overwogen, eiser meerdere wisselende verklaringen heeft afgegeven. Dat verweerder er inmiddels (ten tijde van de besluitvorming) mee bekend was geraakt dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien doet hier niet aan af. Dit neemt namelijk niet weg dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat eiser heeft nagelaten om hierbij informatie en documenten te verstrekken die relevant zijn voor zijn asielaanvraag, waaronder de in Griekenland overgelegde informatie en documenten. Verweerder stelt dan ook terecht dat de hiervoor genoemde tegenwerpingen het vertrouwen in eisers algemene geloofwaardigheid in het geding brengen en dat eiser daarom in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.\n\n4.4.. Al gelet op de hiervoor genoemde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst onaannemelijk zijn. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265, overweging 3.1.), heeft verweerder daarom ook terecht niet beoordeeld of eisers problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Asielmotieven hebben immers alleen maar betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Dit betekent ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser in Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging, of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\n4.5.. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond omdat, zoals onder 4.3. is overwogen, eiser verweerder heeft misleid door belangrijke informatie en documenten over zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland achter te houden.\n\n4.6.. De beroepsgronden slagen niet.\n\nTerugkeerbesluit en inreisverbod\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd. Er bestaat namelijk onduidelijkheid over zijn status in Griekenland. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) had verweerder daarom geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Dit betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Op de zitting heeft eiser daarnaast nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:EU:C:2024:892, C-156\u002F23, Ararat) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 10 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6477). Volgens eiser volgt uit deze uitspraken dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit altijd in ogenschouw moet worden genomen of er sprake is van een risico op refoulement. Vanwege de situatie in Somalië en Jemen had er volgens eiser geen terugkeerbesluit kunnen worden uitgevaardigd zonder nader onderzoek door verweerder. Verder heeft eiser op de zitting verzocht om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen over het opleggen van een terugkeerbesluit aan statushouders.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alleen hierom al (nog) geen terugkeerbesluit tegen eiser mogen uitvaardigen. Dit betekent ook dat verweerder geen inreisverbod tegen eiser heeft mogen uitvaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt reeds hierom. De rechtbank laat eisers standpunt dat er daarnaast een refoulement beoordeling had moeten plaatsvinden daarom onbesproken. Ten overvloede wijst de rechtbank er wel op dat – als een terugkeerbesluit in de toekomst (opnieuw) aan de orde zou zijn – een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op refoulement alsnog aan de orde kan komen.Het voorgaande betekent evenzo dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Gelet op hetgeen onder 5.1. is overwogen, is het beroep gegrond, voor zover een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus zullen intrekken. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand te laten. Verweerder dient bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat zij de aan eiser verleende asielstatus intrekken, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. Voor zover het besluit de afwijzing van de asielaanvraag betreft, blijft het bestreden besluit in stand.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd;\n\nlaat het bestreden besluit voor het overige (de afwijzing van de asielaanvraag) in stand;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser stelt dat hij een getraumatiseerde puber is met weinig opleiding.\n\n Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7563.\n\n De rechtbank begrijpt: de prejudiciële vragen die op 19 februari 2026 zijn gesteld door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2026:3626)\n\n De rechtbank wijst in dat kader ook op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, ro. 5.3 e.v..","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18727","2026-07-13T00:28:38.526Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"1668","ECLI:NL:RBDHA:2026:18542","ecli-nl-rbdha-2026-18542","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.30378\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres], eiseres\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 25 februari 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nToetsingskader\n\n1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.16491) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 1 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 1 april 2026 tot 17 juni 2026.\n\nVerlenging bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw\n\n3. Eiseres betoogt dat het besluit van verweerder van 29 maart 2026, waarbij de bewaring van eiseres met ten hoogste drie maanden is verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw, niet deugdelijk gemotiveerd is. De verlenging van de maatregel van bewaring van 25 februari 2026 ziet op artikel 59b, eerste lid, onder a en b en onder c, van de Vw. Uit de verlengingsbeschikking van 29 maart 2026 blijkt echter dat verweerder de verlenging uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiseres noodzakelijk is. Dit ziet alleen op grond artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw. Verweerder motiveert niet waarom de verlenging noodzakelijk is in verband met de gronden genoemd in artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vw, terwijl deze gronden wel onderdeel uitmaken van de maatregel van bewaring.\n\n3.1.. Volgens verweerder kan de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en c, van de Vw, worden verlengd. Een maatregel van bewaring op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is geoorloofd wanneer de bewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Daarvan kan na het afwijzen van die aanvraag op 29 maart 2026 geen sprake meer zijn. Verweerder heeft daarom ter zitting grond artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw laten vallen.\n\n3.2.. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet vaststaan, omdat zij geen documenten heeft overgelegd die haar gestelde identiteit en nationaliteit onderbouwen. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven waaruit blijkt dat de maatregel van bewaring niet kan voortduren op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw. De maatregel kon dus vanaf de verlenging van 29 maart 2026 in ieder geval verlengd worden op de a-grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortduren van de bewaring\n\n4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bewaringsmaatregel geen gerechtvaardigd doel meer dient omdat verweerder in redelijkheid moet inzien dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor afloop van de maximale duur van de bewaring, welke eindigt op 29 juni 2026, zullen worden behandeld. Zij verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16853. Verweerder spant zich niet in voor een eerdere zittingsdatum.\n\n4.1.. Verweerder heeft op de zitting gesteld dat op 12 juni 2026 een verzoek aan de rechtbank is gedaan om het verzoek om een voorlopige voorziening met spoed op zitting te plaatsen vanwege de maatregel van bewaring, maar dat daarop nog geen reactie is ontvangen. In ieder geval is de periode van drie maanden nog niet verstreken en staat niet vast dat de rechtbank voor het verstrijken van deze periode de voorlopige voorziening niet zal behandelen. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de bewaring nog altijd rechtmatig voortduurt.\n\n4.2.. De rechtbank stelt voorop dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren. De behandeling op zitting van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening stonden gepland op 2 juli 2026, maar dit gaat niet door vanwege roosterwijzigingen bij de rechtbank. Verweerder heeft, weliswaar aan de late kant, op 12 juni 2026 verzocht om een eerdere behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze rechtbank wil niet vooruitlopen op de beslissing op dit verzoek van een andere rechtbank. Dat betekent dat de rechtbank verweerder volgt in zijn standpunt dat het nog mogelijk is dat de voorlopige voorziening binnen de termijn met spoed zal worden behandeld. De rechtbank ziet om diezelfde reden ook onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring bijvoorbeeld had moeten worden opgeheven op het moment dat de behandeling ter zitting op 2 juli 2026 gepland werd of het moment dat deze zitting werd geannuleerd door de rechtbank. Ook toen was het namelijk nog mogelijk voor de rechtbank om – al dan niet op verzoek van verweerder – te beslissen het beroep en\u002Fof het verzoek om een voorlopige voorziening voor afloop van de bewaring te behandelen. De beroepsgrond slaagt dus niet.\n\n4.3.. De rechtbank merkt hierbij wel op dat het waarschijnlijk anders zou zijn als de rechtbank al wel had laten weten geen aanleiding te zien de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen. Dan zou namelijk eenzelfde soort situatie zijn ontstaan als in de uitspraak van de zittingsplaats Groningen waarnaar eiseres verwijst, waarbij er al een afwijzing van de rechtbank lag en hetzelfde verzoek opnieuw werd gedaan. De reactie op zo’n herhaald verzoek afwachten had volgens de rechtbank geen zin omdat met de afwijzing al vast stond dat de termijn niet zou worden gehaald.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 1 april 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18542","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.529Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"1997","ECLI:NL:RBDHA:2026:18204","ecli-nl-rbdha-2026-18204","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.6550\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nNaar aanleiding van een bericht van eisers gemachtigde van 16 juni 2026 heeft de rechtbank partijen gevraagd of toestemming wordt verleend voor afdoening van deze zaak zonder zitting, met vermelding dat indien een reactie binnen de gestelde termijn uitblijft, de rechtbank ervan uit zal gaan dat geen prijs wordt gesteld op een zitting. Verweerder heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat toestemming wordt verleend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op zitting.\n\nInleiding\n\n1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 14 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang bij zijn beroep heeft.\n\n3. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.\n\n4. Bij brief van 18 februari 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser vrijwillig heeft afgezien van opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft aan de gemachtigde van eiser op 18 februari 2026 een bericht verstuurd waarin is gevraagd of zij nog contact onderhoudt met eiser en weet waar hij verblijft. In reactie op dit bericht heeft de gemachtigde van eiser op 24 februari 2026 aangegeven dat het contact met eiser niet is verbroken en dat hij nog steeds in Nederland verblijft. Bij dit bericht heeft de gemachtigde van eiser twee e-mails van eiser (van 20 februari 2024 en 24 februari 2026) bijgevoegd. Uit deze mails blijkt dat het contact tussen de gemachtigde van eiser en eiser destijds nog niet was verbroken en dat eiser zijn procedure wil voortzetten.\n\n5. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 16 juni 2026 aan de rechtbank te kennen gegeven dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij geen contact meer met eiser onderhoudt. Als bijlage bij dit bericht heeft zij een screenshot van het COA van 29 mei 2026 overgelegd. Uit deze bijlage blijkt dat eiser zich op 16 februari 2026 heeft uitgeschreven bij het COA en dat zijn huidige verblijfplaats onbekend is bij het COA.\n\n6. Gezien het feit dat eiser volgens partijen ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem onderhoudt, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 29 januari 2026.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18204","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.276Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":66},"1992","ECLI:NL:RBDHA:2026:18182","ecli-nl-rbdha-2026-18182","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.29068\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. F.D. In den Bosch).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, B. Zaghdoud als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding1.1.. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit.\n\n1.2.. Eiseres heeft op 25 juni 2021 een eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Hieraan heeft zij – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat haar vader problemen heeft ondervonden van een Iraakse militie en dat haar familie in Irak haar afvalligheid toedicht. Eiseres heeft op Instagram foto’s geplaatst waarop zij zonder hoofddoek te zien is. Onder deze berichten hebben familieleden haar uitgescholden. Ook is haar vader door de familie bedreigd.\n\n1.3.. Bij besluit van 7 oktober 2022 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft zowel de problemen van haar vader met de militie als de gestelde toegedichte afvalligheid van eiseres ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van 14 juni 2023, NL22.20667, heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het door eiseres hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.\n\nHuidige asielaanvraag\n\n2. Eiseres heeft op 29 augustus 2023 een tweede asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat deze beroepsprocedure. Aan deze opvolgende asielaanvraag heeft eiseres – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is in Nederland bekeerd tot het (rooms-katholieke) christendom. Zij heeft zich verdiept in het geloof en ervaart binnen het christendom een persoonlijkere en meer vriendschappelijke, geestelijke band met God dan binnen de islam, waarin zij zich vooral aan God moest onderwerpen. Eiseres is samen met haar ouders, die inmiddels eveneens in Nederland verblijven, op 10 juni 2023 gedoopt in de Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangenkerk te Pey. Zij heeft ter onderbouwing van haar asielrelaas een doopakte, foto’s van de doopplechtigheid en een afschrift uit het doopregister van 30 juni 2025 overgelegd.\n\nHet bestreden besluit3.1.. Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nBekering tot het christendom.\n\n3.2.. Verweerder heeft, net als in de eerste asielprocedure, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De gestelde bekering tot het christendom heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiseres hierover volgens hem geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Gelet hierop, en nu er sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.\n\nVerweerders argumentatie\n\n4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiseres over haar gestelde bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw en daarom ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft hieraan de volgende argumenten ten grondslag gelegd.\n\na. a) In de eerste plaats stelt verweerder dat de verklaringen van eiseres over de tijdlijn van haar bekering vaag en wisselend zijn. Eiseres heeft met haar verklaringen niet duidelijk gemaakt wanneer zij zich heeft afgewend van de islam, wanneer haar interesse in het christendom is ontstaan en wanneer zij zich heeft bekeerd. Bovendien staan haar verklaringen over de tijdslijn in onderhavige procedure haaks op haar verklaringen tijdens de eerste asielprocedure. Eiseres heeft tijdens het gehoor in onderhavige asielprocedure (op 11 december 2024) verklaard dat zij al vanaf jonge leeftijd (11-12 jaar) twijfelde aan de islam en dat zij zich al in 2022 aan het verdiepen was in een andere religie. Tijdens het aanvullend gehoor in de eerste asielprocedure (in februari 2022) heeft zij hier echter niets over verklaard. Sterker nog, zij heeft zichzelf tijdens dat gehoor omschreven als praktiserend moslima.\n\nb) Verweerder heeft zich ook op het standpunt gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over de reden waarom zij geen hoofddoek meer wilde dragen. Tijdens de eerste asielprocedure heeft eiseres namelijk verklaard dat zij dit prettiger vindt en dat dit ‘opeens’ gebeurde, terwijl zij tijdens de huidige asielprocedure heeft verklaard dat dit te maken heeft met het afstand nemen van de islam en dat zij al vanaf jonge leeftijd nadacht over het afdoen van haar hoofddoek.\n\nc) Verder heeft verweerder gesteld dat de verklaringen van eiseres over de motieven voor haar bekering oppervlakkig zijn. Eiseres heeft herhaaldelijk vergelijkingen gemaakt tussen de islam en het christendom en genoemd wat zij beter vindt aan het christendom, maar onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom die positieve punten van het christendom voor haar persoonlijk van belang zijn. Uit haar verklaringen volgt volgens verweerder ook niet zozeer dat zij aan haar religie of aan Allah ging twijfelen, maar veeleer aan het denken van haar ouders.\n\nd) Verder stelt verweerder dat eiseres wel enige kennis heeft van het christendom, maar dat die algemeen en beperkt van aard is, en dat aannemelijk is dat eiseres deelneemt aan geloofsactiviteiten, maar dat zij onvoldoende heeft uitgelegd waarom zij aan die activiteiten deelneemt en wat haar belevering hierbij is. Haar verklaringen over kennis en activiteiten zijn daarom volgens verweerder onvoldoende om de oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen over het motief voor en proces van bekering te compenseren.\n\nDe te beoordelen beroepsgronden\n\n5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en betoogt dat verweerder haar bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij vindt dat zij, anders dan verweerder haar tegenwerpt, niet wisselend, tegenstrijdig en oppervlakkig heeft verklaard over haar bekering. Verder stelt zij dat verweerder haar ten onrechte heeft tegenworpen dat zij haar twijfels over de islam al tijdens de eerste asielprocedure naar voren had moeten brengen. Van afvalligheid was toen nog geen sprake, haar twijfels hadden toen nog nergens toe geleid en zij zag zich op dat moment nog als moslima. Ook stelt zij dat het moment van onenigheid met haar moeder, toen zij 11\u002F12 jaar oud was, ten onrechte als ‘afwending van de islam’ is aangemerkt. Daarvan was destijds nog geen sprake; zij was toen slechts aan het schoppen tegen het gezag van haar ouders. Voorts stelt eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar jonge, puberale leeftijd ten tijde van de eerste asielprocedure. Zij benadrukt verder dat een bekeringsmotief persoonlijk is en niet altijd strikt rationeel hoeft te zijn.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n6. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiseres daartegen heeft aangevoerd.\n\n6.1.. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de gestelde bekering van eiseres heeft verweerder Werkinstructie 2022\u002F3 (WI 2022\u002F3) als uitgangspunt genomen. Verweerder beoordeelt volgens die WI of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Bij die beoordeling richt verweerder zich op drie thema’s, te weten: de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof, en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten. Het zwaartepunt ligt in de meeste gevallen bij de verklaringen van de vreemdeling over het thema ‘de motieven voor en het proces van bekering’. Verder volgt uit WI 2022\u002F3 dat minder goede verklaringen over het ene thema, kunnen worden gecompenseerd door overtuigende verklaringen over de andere thema’s.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt dat de onder 4. genoemde argumenten a), b) en c) van verweerder zien op het thema ‘de motieven voor en het proces van bekering’. Hierop gaat de rechtbank hierna eerst in. Daarna gaat de rechtbank in op het onder 4. genoemde argument d), dat ziet op de thema’s ‘kennis’ en ‘activiteiten’.\n\nMotieven voor en proces van bekering6.3.. Over het argument a) – de verklaringen van eiseres over de tijdlijn van haar bekering zijn vaag en wisselend – overweegt de rechtbank als volgt.\n\n6.3.1.. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiseres vaag en\u002Fof onduidelijk heeft verklaard over de tijdlijn van haar gestelde bekering. Eiseres heeft weliswaar geen concrete data genoemd (behalve die van haar doop), maar uit het geheel aan verklaringen van eiseres blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat de tijdlijn is van haar gestelde bekeringsproces. Eiseres heeft verklaard dat zij op 11\u002F12-jarige leeftijd al enige twijfels over de islam begon te krijgen, maar aan die twijfels in Irak nooit gevolg heeft gegeven, omdat dit in Irak niet toegestaan is en zij dat daar niet durfde (p. 5-6 verslag gehoor opvolgende aanvraag; hierna: GOA). Pas toen zij in Nederland kwam (halverwege 2021) en merkte dat zij hier veel meer vrijheid had, begon zij concreter na te denken over haar twijfels over de islam en ook over het afstappen van de islam, en heeft zij daartoe ook de eerste stappen gezet, zoals het afdoen van haar hoofddoek (p. 7-8 GOA). Ergens in 2022 heeft eiseres, via vriendinnen, kennis gemaakt met het christendom. Op dat moment was zij nog niet helemaal afgestapt van de islam. Zij is toen die twee religies met elkaar gaan vergelijken en heeft ontdekt dat het christendom beter bij haar past (p. 10 GOA). Zij is toen gaan leren, lezen en verdiepen en heeft vervolgens besloten om zich te bekeren tot het christendom; dit was nog in 2022 (p. 18 GOA). Daarna is zij nog verder gaan leren om er zeker van te zijn dat zij echt de goede keuze had gemaakt en toen zij voor zichzelf duidelijk had dat dit het geval was, heeft zij besloten dat zij zich wilde laten dopen (p. 18 GOA). Dit is op 10 juni 2023, samen met haar ouders, gebeurd in een christelijke kerk in Pey. Met deze verklaringen heeft eiseres de tijdlijn van haar gestelde bekeringsproces naar het oordeel van de rechtbank in grote lijnen voldoende inzichtelijk gemaakt. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat uit het rapport van Medifirst van 10 september 2021 blijkt dat eiseres niet goed in staat is om precieze data te noemen.\n\n6.3.2.. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat de verklaringen van eiseres in haar huidige asielprocedure tegenstrijdig zijn aan de verklaringen die eiseres tijdens het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure heeft gegeven. Meer specifiek is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiseres tijdens het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure dat zij moslima is en praktiseert (bidden, ramadan) niet tegenstrijdig zijn met haar verklaringen in haar huidige asielprocedure. Anders dan verweerder suggereert, volgt uit de verklaringen van eiseres in haar huidige asielprocedure niet dat zij zich ten tijde van het aanvullend gehoor in haar eerste asielprocedure (op 23 februari 2022) reeds had afgekeerd van de islam en bekeerd tot het christendom. Zoals uit de vorige overweging volgt, had eiseres volgens haar verklaringen op 11\u002F12-jarige leeftijd wel enige twijfels over de islam, maar was er op dat moment nog geen sprake van afwending van de islam. En ook op het moment dat zij in Nederland voor het eerst kennismaakte met het christendom, in 2022, was er nog geen sprake van het verlaten van de islam. Zij heeft immers duidelijk verklaard dat zij nog niet van de islam was afgestapt toen zij in Nederland kennismaakte met het christendom in 2022.\n\n6.3.3.. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ondeugdelijk gemotiveerd aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij tijdens haar eerste asielprocedure niet heeft verklaard over haar twijfels over de islam en haar interesse in het christendom. Wat dit laatste betreft, geldt dat uit de verklaringen van eiseres niet kan worden opgemaakt dat zij ten tijde van het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure (op 23 februari 2022) reeds kennis had gemaakt met het christendom. Daarom kan haar niet worden tegengeworpen dat zij tijdens het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure niet heeft verklaard over haar interesse in het christendom. Uit de verklaringen van eiseres volgt wel dat zij ten tijde van het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure al twijfels had over de islam. Verweerder heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom van eiseres wordt verwacht dat zij hierover tijdens haar vorige asielprocedure al zou verklaren. Eiseres was ten tijde van het aanvullend gehoor in haar vorige asielprocedure zestien jaar oud en daarmee nog een kind. Verweerder heeft niet deugdelijk uitgelegd waarom van een zestienjarig kind, dat afkomstig is uit een streng islamitisch land, mag worden verwacht dat zij verklaart over haar twijfels over de islam, als zij zich nog in een onderzoeks- en uitzoeksfase bevindt en voor zichzelf nog niet duidelijk heeft of zij wil verdergaan met de islam of niet.\n\n6.3.4.. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, overweegt de rechtbank dat het argument a) van verweerder niet is gebaseerd op een deugdelijke motivering.\n\n6.4.. Over verweerders argument b) – eiseres heeft wisselend verklaard over de reden waarom zijn geen hoofddoek meer wilde dragen – overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt terecht dat eiseres tijdens het aanvullend gehoor in de vorige asielprocedure over het afdoen van haar hoofddoek heeft verklaard dat zij dit prettiger vindt en dat dit opeens gebeurde, terwijl uit haar verklaringen tijdens het opvolgend gehoor in haar huidige asielprocedure volgt dat het afdoen van de hoofddoek te maken heeft met het afstand nemen van de islam. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet deugdelijk gemotiveerd dat het gerechtvaardigd is om deze uiteenlopende verklaringen aan eiseres tegen te werpen. Eiseres was, zoals hiervoor al is overwogen, tijdens het aanvullend gehoor in de vorige asielprocedure een zestienjarig kind, en heeft tijdens het opvolgend gehoor in de huidige asielprocedure uitgelegd dat zij door het ouder worden is gegroeid in haar gedachten, alles beter kan plaatsen en beter kan verklaren over haar gedachten, onder andere over het afdoen van haar hoofdoek (p. 9 GOA). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk uitgelegd waarom hij eiseres niet volgt in deze, op zichzelf niet onlogische, uitleg over haar gedachtenontwikkeling door het ouder worden. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het argument b) van verweerder evenmin is gebaseerd op een deugdelijke motivering.\n\n6.5.. Over het argument c) van verweerder – de verklaringen van eiseres over haar motieven voor bekering zijn summier en oppervlakkig – overweegt de rechtbank als volgt.\n\n6.5.1.. Eiseres heeft tijdens het opvolgend gehoor, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, herhaaldelijk een vergelijking gemaakt tussen de islam en het christendom. Daarbij heeft zij onder andere genoemd dat het christendom haar aantrekt door het directe en levendige contact met God, de fijnere manier van bidden en het thema vergeving. Verweerder werpt eiseres vooral tegen dat zij deze voor haar belangrijke thema’s van het christendom onvoldoende persoonlijk heeft gemaakt.\n\n6.5.2.. Eiseres heeft tijdens het opvolgend gehoor verklaard waarom zij een afkeer heeft gekregen van de islam en waarom zij het christendom is gaan omarmen. Over de islam heeft zij uitgelegd dat een mens wordt gezien als een ‘slaaf van God’, dat je God alleen maar tevreden moet houden, dat vergeving krijgen binnen de islam moeilijk is en dat de islam vooral gericht is op angst (p. 11 GOA). Met deze verklaringen brengt eiseres tot uiting dat de islam voor haar voelde als een keurslijf. Vervolgens heeft eiseres uitgelegd wat het met haar deed om in dit keurslijf te leven. Zij beschrijft gevoelens van onzekerheid (‘je moet God smeken om je te vergeven, maar je weet eigenlijk nooit of je vergeven wordt of niet’), neerslachtigheid en moedeloosheid (‘je kan niet met een goed gevoel doorgaan met je leven’; p. 11 GOA) en onvrijwilligheid (‘moslims moeten verplicht gaan vaste, bepaalde rituelen doen en bepaalde dingen zeggen’ p. 12 GOA). Ook heeft eiseres verklaard dat zij de islam respectloos vindt naar vrouwen, omdat in de islam mannen met vier vrouwen mogen trouwen (p. 12 GOA). Met deze verklaringen laat eiseres naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst enige mate van persoonlijke gevoelsbeleving rondom de islam zien. Over het christendom heeft eiseres uitgelegd dat een mens daar gezien wordt als een ‘kind van God’, dat de relatie met God een makkelijke is, dat bidden een soort gesprek is met God en dat God je altijd vergeeft, ook als je grote zonden hebt begaan (p. 11-12 GOA). Met deze verklaringen brengt eiseres tot uiting dat zij het christendom ziet als een bevrijding. Vervolgens heeft eiseres uitgelegd wat deze bevrijding met haar doet. Zij beschrijft gevoelens van vertrouwen (‘als je gaat biechten en spijt toont, dan word je gelijk vergeven’; p 11 GOA), rust (‘als je het gevoel hebt dat je vergeven wordt, dan ben je uitgerust’; p. 11), optimisme (‘ik kan altijd doorgaan met mijn leven dan’; p. 11 GOA) en vrijheid (‘je mag altijd bidden, wanneer je er behoefte aan hebt; je mag alles zeggen wat in je hart is’; p 12 GOA). Met deze verklaringen laat eiseres naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst enige persoonlijke gevoelsbeleving rondom het christendom zien.\n\n6.5.3.. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres de voor haar belangrijke thema’s binnen het christendom – het directe en levendige contact met God, de fijnere manier van bidden en vergeving – met haar verklaringen op zijn minst enigszins persoonlijk heeft gemaakt. Over het contact met God en het bidden heeft zij verklaard dat zij er behoefte aan heeft dat God dichtbij haar is, dat zij gelijk een gesprek met hem kan aangaan en dat hij altijd naar haar luistert als zij zich bijvoorbeeld niet lekker voelt, twijfels heeft of dingen wil vragen. Zij heeft verder verklaard dat zij onder andere aan God heeft gevraagd om haar geloof sterker te maken en haar meer zekerheid te geven in haar leven. Verder heeft zij uitgelegd innerlijke vrede en rust te voelen als zij gebeden heeft tot God (p. 13-14 GOA). Het thema vergeving heeft zij op haar eigen situatie betrokken door te verklaren dat zij hoopt dat God haar ouders gaat vergeven omdat zij onwetend zijn en niet weten wat zij haar in het verleden hebben aangedaan door zo streng (islamitisch) te zijn. Zij heeft verklaard dat zij ook om genade heeft gevraagd voor haar ouders (p. 14 GOA). Verder heeft eiseres op enigszins persoonlijke wijze verslag gedaan van twee Bijbelverhalen. Zij heeft verklaard over een blinde man die door Jezus weer kon zien en een jongen die verlamd was en door Jezus weer kon lopen, en heeft dit op haar eigen leven en situatie betrokken door te verklaren dat zij onder de islam blind en verlamd was, maar door het christendom het leven anders is gaan zien, actiever is geworden en gelukkig is geworden (p. 20 GOA).\n\n6.5.4.. Uit het vorenstaande, in samenhang bezien, volgt dat eiseres op zijn minst enig inzicht heeft gegeven in haar persoonlijk gevoelsbeleving over de islam en het christendom en dat zij de voor haar belangrijke thema’s van het christendom op zijn minst enigszins persoonlijk heeft gemaakt met verklaringen over haar eigen leven en situatie. Dit is door verweerder onvoldoende onderkend en, daarmee, onvoldoende betrokken bij zijn besluitvorming. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom van eiseres wordt verwacht dat zij een diepere laag van gedachten, gevoelens en persoonlijke belevingen en ervaringen moet kunnen aanboren en nog persoonlijker moet kunnen verklaren dan zij heeft gedaan. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiseres ten tijde van het opvolgend gehoor net meerderjarig was en zich nog niet noodzakelijkerwijs in een levensfase bevond waarin een dergelijke innerlijke overtuiging reeds volledig is uitgekristalliseerd of goed onder woorden kan worden gebracht. Dit geldt te meer nu haar bekering op het moment van het opvolgend gehoor relatief kort duurde. Verder wijst de rechtbank erop dat een bekering niet zonder meer betekent dat iemand direct een ander mens wordt of voortaan beter leeft. Ook hoeft een bekering niet steeds gepaard te gaan met diepgravende of uitzonderlijke ervaringen. Dat verklaringen op onderdelen algemeen blijven, sluit daarom niet uit dat zij voor eiseres persoonlijk betekenisvol zijn.\n\n6.5.5.. Het voorgaande betekent dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres over haar motieven voor bekering summier en oppervlakkig, in de zin van onvoldoende persoonlijk, heeft verklaard. Het argument c) van verweerder berust aldus evenmin op een deugdelijke motivering.\n\nKennis en activiteiten6.6.. Het onder 4. weergegeven argument d) van verweerder ziet op de WI 2022\u002F3-thema’s ‘kennis’ en ‘activiteiten’. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Zoals onder 6.1. is overwogen volgt uit WI 2022\u002F3 dat minder goede verklaringen over het ene thema, kunnen worden gecompenseerd door overtuigende verklaringen over de andere thema’s. Verweerders standpunt houdt (onder meer) in dat de verklaringen van eiseres over het thema ‘motieven voor en proces van bekering’ zo ontoereikend zijn dat de verklaringen van eiseres over de thema’s ‘kennis’ en ‘activiteiten’ daarvoor niet kunnen compenseren. Nu uit wat hiervoor is overwogen echter volgt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres over het thema ‘motieven voor en proces van bekering’ ontoereikend zijn, is dit standpunt van verweerder met betrekking tot de compensatiemogelijkheid ook niet houdbaar. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerders standpunt in het bestreden besluit dat eiseres maar beperkte kennis van het christendom aan de dag heeft gelegd ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder legt niet uit waarom hij de kennis van eiseres als beperkt beschouwt, terwijl eiseres tijdens het opvolgend gehoor op alle kennisvragen een juist en concreet antwoord heeft gegeven en ook nog twee Bijbelverhalen op zichzelf heeft betrokken. Dit een en ander betekent dat ook het argument d) van verweerder niet berust op een deugdelijke motivering.\n\nSlotsom6.7.. Uit het voorgaande volgt dat geen van de dragende argumenten van verweerder als weergegeven onder 4. is gebaseerd op een deugdelijke motivering. Dit maakt dat verweerder zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar gestelde bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw en daarom ongeloofwaardig zijn. Het onder 5. weergeven betoog van eiseres slaagt in zoverre.\n\nOverige beroepsgronden\n\n7. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat het niet is ondertekend, en dat WI 2024\u002F6 in het algemeen en de toepassing daarvan in deze zaak in het bijzonder in strijd zijn met het Unierecht. Gelet op wat er hiervoor is overwogen en hierna wordt overwogen over de wijze van geschilbeslechting, is het beantwoorden van deze rechtsvragen niet nodig voor de oplossing van deze zaak (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2401, r.o. 1.1.). De rechtbank laat deze beroepsgronden daarom inhoudelijk onbesproken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om de geloofwaardigheid van de gestelde bekering van eiseres te beoordelen en die beoordeling deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de hoeveelheid gebreken en de aard daarvan, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18182","2026-07-13T00:29:49.008Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":74},"1990","ECLI:NL:RBDHA:2026:18176","ecli-nl-rbdha-2026-18176","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.19022 en NL 24.19026\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. D. Matadien),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordelen de enkelvoudige kamer van de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten in de hiernavolgende samenhangende procedures. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van verweerder van 2 april 2024 (zaaknummer NL24.19022) en het daarmee samenhangende verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL24.19026). Verzoeker heeft voornoemde procedures ingetrokken omdat hij inmiddels in bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘studie’.\n\n1.1.. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. Verweerder heeft de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen. Verweerder stelt dat de intrekking van de procedures niet het gevolg is van een tegemoetkoming aan het beroep van verzoeker, zoals artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft, maar samenhangt met de inwilliging van een afzonderlijke aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning met een ander verblijfsdoel, namelijk ‘studie’.\n\n1.2.. Verzoeker stelt in reactie daarop dat voor de beoordeling van het verzoek gekeken moet worden naar de materiële uitkomst voor verzoeker en niet naar de ingestelde beroepsprocedure waarlangs de uitkomst wordt bereikt. Bovendien was verweerder – aldus verzoeker – bekend met de toepassing van de studieomstandigheden. Door het begrip ‘tegemoetkomen’ uit artikel 8:75a van de Awb te reduceren tot het bestreden besluit of exact dezelfde vergunning in de lopende beroepsprocedure geeft verweerder een te beperkte uitleg en toepassing aan artikel 8:75a van de Awb. Verzoeker wijst daarbij op de intrekking van de rechtsgevolgen ten aanzien van het terugkeerbesluit en de opgelegde vertrektermijn.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank wijst de verzoeken om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n2.1.. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.\n\n2.2.. Op 30 april 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Dat bezwaar zag op de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning ‘EU langdurig ingezetene’. Ook kwam verzoeker volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en werd de toen geldige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘zoekjaar’ niet verlengd. Het besluit gold tevens als terugkeerbesluit. In de beslissing op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing gebleven. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.3.. Op 2 mei 2026 heeft verzoeker de rechtbank geïnformeerd dat hij inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘studie’. Daarvoor had verzoeker op 9 juli 2024 een afzonderlijke aanvraag ingediend. De verblijfsvergunning is geldig van 1 augustus 2024 tot 30 november 2026. Verzoeker heeft daarbij aangegeven geen proces- en spoedeisend belang meer te hebben bij het voortzetten van de lopende procedures die verband houden met het bestreden besluit van 2 april 2024. Verzoeker heeft vervolgens het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en tegelijk verzocht om een proceskostenveroordeling in beide procedures.\n\n2.4.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat verweerder niet tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker. Uit het verlenen van de verblijfsvergunning op een andere verblijfsgrond naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van verzoeker kan immers niet worden afgeleid dat verweerder van mening is dat het bestreden besluit onrechtmatig was. De enkele en niet onderbouwde stelling van verzoeker dat dit een te beperkte toepassing is van artikel 8:75a van de Awb volgt de rechtbank niet. Zowel de wettekst als de parlementaire geschiedenis bieden ook geen aanknopingspunten voor een bredere toepassing van deze bepaling dan de beroepsprocedure die voorligt. Daardoor wordt uitsluitend beoordeeld of is tegemoetgekomen aan het beroep van de verzoeker in die procedure. Dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit zijn ingetrokken en verweerder volgens verzoeker daardoor materieel ten minste gedeeltelijk of geheel tegemoet is gekomen aan zijn beroep, volgt de rechtbank niet. Dat verzoeker niet terug hoeft te keren naar het land van herkomst is immers het rechtstreekse gevolg van de toekenning van de andere verblijfsvergunning. De rechtbank wijst het verzoek om een veroordeling in de proceskosten in zowel het beroep (NL24.19022) als het verzoek om een voorlopige voorziening (NL24.19026) daarom af als kennelijk ongegrond.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst de verzoeken om vergoeding van de proceskosten af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met de uitspraak, kunnen zij, voor zover het betreft de uitspraak in de procedure betreffende het beroep, een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek in de procedure betreffende de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Dit volgt voor de bodemprocedure uit artikel 8:54, eerste lid, samen met artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voor de voorlopige voorziening volgt dit uit artikel 8:83, derde lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18176","2026-07-13T00:29:48.834Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":31,"updatedAt":83},"1955","ECLI:NL:RBDHA:2026:17803","ecli-nl-rbdha-2026-17803","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.49878\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.49879), op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en H. Ahmad als tolk. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 2] . Hij behoort tot de Jezidi bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser komt uit [locatie] in de regio [regio] . Op 3 augustus 2014 heeft de Islamitische Staat (IS) een aanval gepleegd op de Jezidi gemeenschap. Eiser is toen vanuit zijn woonplaats de [locatie] berg op gevlucht. Eiser is vervolgens naar Syrië en de Koerdische Autonome Regio (KAR) gevlucht. Hier heeft eiser een jaar verbleven. Eiser is toen teruggekeerd naar [locatie] . De leefomstandigheden in [locatie] zijn enorm verslechterd en voorzieningen en huizen zijn verwoest. Er is sprake van geweld en bombardementen door verschillende strijdende groeperingen. Eisers moeder is door het ontbreken van ziekenhuizen en medische zorg overleden. Eiser is ook door een gewapende groepering benaderd om te vechten, maar eiser heeft dit geweigerd. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser gedood te worden door IS of door geweld van andere strijdende partijen. Daarnaast vreest eiser vanwege zijn geloof en afkomst te worden gediscrimineerd.\n\nOm zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:\n\nIraaks identiteitsbewijs\n\nIraaks nationaliteitsbewijs\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst\n\nProblemen vanwege Jezidi etniciteit\n\n2.1.. Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat het door eiser overgelegde identiteitsbewijs door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is bevonden en dat het nationaliteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen. Verder heeft eiser zijn Griekse verblijfsvergunning niet overgelegd en heeft hij in Griekenland verklaard dat hij op [geboortedatum 2] is geboren. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eiser problemen heeft gehad vanwege zijn Jezidi etniciteit en laat eisers verklaring dat hij is gerekruteerd door een gewapende groepering in het midden.\n\n2.2.. Eisers nationaliteit en herkomst en zijn problemen vanwege zijn Jezidi etniciteit leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw omdat eiser valse informatie en documenten heeft verstrekt. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInternationale bescherming in Griekenland\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn Griekse asieldossier ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.\n\n3.1.. Eiser heeft in 2022 internationale bescherming gekregen in Griekenland. Op 9 maart 2023 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag inhoudelijk beoordeeld. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) volgt dat verweerder in een dergelijk geval, voorafgaand aan het nemen van het besluit, contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten. Dit om informatie uit te wisselen over het verzoek van betrokkene om internationale bescherming, haar standpunt daarover en de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus. Met deze informatie moet verweerder de asielaanvraag opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzoeken aan de hand van de in de Procedurerichtlijn en Kwalificatierichtlijn neergelegde criteria. Verweerder dient hierbij ten volle en kenbaar rekening te houden met de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie waarover zij beschikt en die tot toekenning van de status heeft geleid. Verweerder is echter niet gebonden aan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus.\n\n3.2.. Uit het dossier blijkt dat verweerder in het kader van zijn beoordeling het Griekse asieldossier heeft opgevraagd en dat dossier heeft laten vertalen, maar verweerder heeft dit op geen enkele manier betrokken in de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt.\n\nLeeftijd\n\n4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van [geboortedatum 2] als zijn geboortedatum. Eiser heeft namelijk documenten overgelegd waarop staat dat hij op [geboortedatum 2] is geboren. Deze documenten zijn echt bevonden. Daarnaast heeft eiser uitgelegd waarom hij geen Grieks document meer heeft en waarom hij in Griekenland een andere geboortedatum heeft doorgegeven. Dit betekent volgens eiser ook dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.\n\n4.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086), volgt dat verweerder niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat. Wel mag verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.\n\n4.2.. Verweerder heeft nader onderzoek verricht naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Griekse autoriteiten. Hieruit is gebleken dat eiser in Griekenland is geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum 2] . Verder blijkt uit de reactie van de Griekse autoriteiten dat deze registratie is gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser. Dat betekent dat aan de registratie op zichzelf geen doorslaggevend gewicht mag worden toegekend. Verweerder wijst er in dit kader op dat het door eiser in eerste instantie overgelegde identiteitsbewijs Bureau Documenten is onderzocht en dat hieruit is gebleken dat het identiteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is bevonden en dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Het nationaliteitsbewijs dat eiser in eerste instantie heeft overgelegd is door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt bevonden, maar uit het rapport van Bureau Documenten blijkt ook dat deze hoogstwaarschijnlijk frauduleus is verkregen. Verweerder hecht dan ook niet ten onrechte geen waarde aan deze documenten.\n\n4.3.. De rechtbank stelt verder vast dat eiser nogmaals een identiteitskaart en nationaliteitsbewijs heeft overgelegd. Deze zijn door Bureau Documenten echt bevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom eiser met deze documenten niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is. Dat, zoals verweerder stelt, een nationaliteitsbewijs niet kan worden gezien als identificerend document zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Eiser heeft namelijk ook een echt bevonden identiteitsbewijs overgelegd. Verweerder heeft onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom er aan dit identiteitsbewijs geen waarde wordt gehecht. De beroepsgrond slaagt dus.\n\nVrees voor vervolging \u002F reëel risico op ernstige schade vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep\n\n5. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op vervolging en\u002Fof ernstige schade. De situatie van Jezidi’s in Irak is volgens eiser namelijk onhoudbaar. Daarnaast stelt eiser dat hij individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging en\u002Fof ernstige schade. Eiser verwijst hierbij ook naar het risico om door een gewapende militie te worden gerekruteerd vanwege zijn leeftijd en de omstandigheid dat hij eerder is gerekruteerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 31 juli 2025 over de positie van Jezidi’s in Irak (de brief van VWN) en het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023 (ambtsbericht).\n\n5.1.. Eiser komt uit de regio [locatie] . De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd of Jezidi’s in [locatie] niet op structurele wijze in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan (risicoprofiel zoals bedoeld in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc).\n\n5.2.. Uit het beleidvan verweerder volgt dat Jezidi’s niet worden aangemerkt als risicogroep of risicoprofiel (voorheen kwetsbare minderheidsgroep). Dit betekent dat verweerder er vanuit gaat dat Jezidi’s niet structureel in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten of derden en dat Jezidi’s vanwege hun geloof niet per definitie het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade (zie paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc). In het bestreden besluit stelt verweerder zich hierover op het standpunt dat uit het ambtsbericht niet volgt dat Jezidi’s op grote schaal te maken krijgen met ernstige beperkingen in het uiten en belijden van hun geloof of dat zij bij terugkeer in algemene zin en op grote schaal te vrezen hebben voor vervolging of ernstige schade vanwege hun religie. Verweerder verwijst hierbij op de initiatieven van de autoriteiten om Jezidi’s te laten terugkeren naar [locatie] en de herstelbetalingen aan ISIS-slachtoffers. De situatie voor Jezidi’s is volgens verweerder daarom niet dusdanig ernstig dat alle Jezidi’s in Irak gevaar lopen. Over de door eiser overgelegde brief van VWN stelt verweerder zich op het standpunt dat hieruit blijkt dat er zorgen zijn over Jezidi’s in Irak maar dat hieruit niet volgt dat Jezidi’s worden vervolgd. Verweerder ziet geen aanleiding om op elk rapport dat is opgenomen in de brief van VWN in te gaan omdat deze de algemene situatie beschrijft en niet eisers persoonlijke situatie. Eiser heeft volgens verweerder ook niet op individuele gronden aannemelijk gemaakt dat hij vreest voor vervolging vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap. Verweerder verwijst hierbij op de omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hem na de aanval van IS in 2014 persoonlijk niets meer is overkomen (p. 16 nader gehoor), dat eiser pas zeven jaar na de aanval is vertrokken en dat eiser in Irak naar school is geweest, heeft gewerkt en toegang had tot zorg. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de geloofwaardig bevonden discriminatie vanwege het Jezidi zijn zo ernstig was dat eiser hierdoor bij terugkeer wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden en dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Verweerder wijst hierbij op eisers verklaringen waaruit volgt dat hij toegang had tot onderwijs, zorg en werk.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank kan het hiervoor weergegeven standpunt geen stand houden. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie blijkt dat de situatie voor Jezidi’s zowel in de regio [locatie] als in geheel Irak precair is. Zo blijkt uit het algemeen ambtsbericht dat Jezidi’s in geheel Irak dagelijks forse discriminatie en sociale uitsluiting ondervinden (o.a. p. 54 en 68). Dit wordt bevestigd door de brief van VWN waaruit volgt dat Jezidi’s worden geconfronteerd met systematische discriminatie en stigmatisering, waardoor de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs (naar verluidt) wordt vermoeilijkt. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie volgt verder dat de veiligheidssituatie voor Jezidi’s in [locatie] precair is. Zo volgt uit de International Protections Considerations van de UNHCR van januari 2024, waar in de brief van VWN naar wordt verwezen, dat verschillende actoren met elkaar strijden om controle waardoor de veiligheidssituatie complex en fragiel is (p. 27). Het rapport van de EUAA, Country Guidance: Iraq, van november 2024 bevestigt dat er sprake is van een fragiele veiligheidssituatie (p. 40). Verder geldt dat uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat de humanitaire situatie voor Jezidi’s in [locatie] ernstig is. Uit een rapport van het Duitse Federal Office for Migration and Refugees van 23 april 2025, waar in de brief van VWN naar wordt verwezen, volgt bijvoorbeeld dat de bevoorradings- en veiligheidssituatie in Nineva (waar [locatie] ligt), problematisch is. Uit het ambtsbericht volgt verder dat de infrastructuur en huizen in steden en dorpen in [locatie] veelal verwoest zijn en dat bewoners beperkt toegang hebben tot stromend water, elektriciteit, gezondheidszorg en onderwijs (p. 67).\n\n5.4.. Kort samengevat volgt dus uit deze informatie dat er sprake is van wijdverbreide discriminatie jegens Jezidi’s, dat de leefomstandigheden voor Jezidi’s in [locatie] slecht zijn, en dat de veiligheidssituatie en humanitaire situatie precair zijn. Gelet hierop en nu verweerder in het bestreden besluit niet op de door eiser overgelegde landeninformatie heeft gereageerd, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dat, zoals verweerder stelt, eiser niet op individuele gronden aannemelijk heeft gemaakt dat hij vreest voor vervolging doet daar niet aan af. Dit ontslaat verweerder namelijk niet van zijn verplichting om een besluit voldoende zorgvuldig te motiveren en om te reageren op de door eiser (onder andere) in de zienswijze aangehaalde landeninformatie, temeer nu de brief van VWN dateert van na het beleid van verweerder. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom er ondanks de zorgwekkende landeninformatie, niet vanuit wordt gegaan dat Jezidi’s in Irak, dan wel in de [locatie] regio, op structurele wijze in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan (risicoprofiel). Het bestreden besluit is ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.\n\nTerugkeerbesluit\n\n6. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn Griekse verblijfsstatus.\n\n6.1.. Uit het bovenstaande volgt dat de afwijzing van eisers asielaanvraag geen stand kan houden. Dit volgt dus ook voor het terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt verder dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Verweerder is in zo’n geval gehouden om de Griekse autoriteiten op de hoogte te stellen van de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus. Pas als de Griekse autoriteiten hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken, kan verweerder een terugkeerbesluit opleggen. Ook om deze reden kan het terugkeerbesluit geen stand houden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gelet op de hiervoor genoemde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Evenmin kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Het is aan verweerder om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een beslissing te nemen op eisers asielaanvraag. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2025;\n\ndraagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n In deze brief wordt verwezen naar landeninformatie, waaronder rapporten van EUAA, Yale University, Freedom House en UNHCR.\n\n Zie o.a. paragraaf C7\u002F16 van de Vc en de Kamerbrief over landenbeleid Irak van 27 mei 2024 (kenmerk 5002295).\n\n Vergelijk met de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865 en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17803","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.196Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":88,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":31,"updatedAt":90},"1950","ECLI:NL:RBDHA:2026:17780","ecli-nl-rbdha-2026-17780","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.60626\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 3 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.\n\nEiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Madu als tolk en [naam 2] als voogd van Nidos. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiseres heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2008 . Zij behoort tot de Mandingo bevolkingsgroep.\n\n2. Eiseres legt aan haar asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiseres is sinds haar achtste of negende jaar seksueel misbruikt door haar stiefvader. Eiseres heeft dit aan haar moeder verteld, maar zij geloofde dit niet. Ook is eiseres naar het politiebureau geweest en heeft ze hulp gezocht bij haar tante en oma. Zij heeft geen hulp gekregen. In augustus 2022 ontdekte eiseres dat ze zwanger was van haar stiefvader. Haar moeder eiste dat ze vertelde van wie het kind was, maar haar stiefvader dreigde eiseres te vermoorden als ze zou zeggen wie de vader was. Ook heeft de stiefvader gedreigd om eiseres naar een geheim genootschap te brengen (Poro). Eiseres is toen naar haar vader in Guinee vertrokken maar was daar niet welkom en moest weer terugkeren naar Sierra Leone. Eiseres is vervolgens uit huis vertrokken en heeft [naam 3] ontmoet. In mei 2023 is eiseres uit Sierra Leone gevlucht. Bij terugkeer vreest eiseres dat haar stiefvader of het Poro-genootschap (waar de stiefvader lid van is) haar iets aan zal doen vanwege het seksueel misbruik, of dat zij herbesneden zal worden door het Bondo-genootschap. Ook stelt eiseres dat zij Hiv heeft en dat zij hierom bij terugkeer naar Sierra Leone zal worden gediscrimineerd.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n2. Problemen met stiefvader\n\n3.1.. Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar haar identiteit niet. De problemen met de stiefvader worden door verweerder niet geloofwaardig geacht.\n\n3.2.. De nationaliteit en herkomst van eiseres leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Sierra Leone zal worden herbesneden. Daarnaast heeft eiseres volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij Hiv-positief is, of dat zij hierdoor bij terugkeer zal gediscrimineerd. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGeloofwaardigheid identiteit, procedurele waarborgen en buitenschuldbeleid\n\n4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat zij meerderjarig is. Volgens eiseres is niet duidelijk waarom de observaties uit de schouw tot die conclusie leiden.Verweerder heeft eiseres vanwege haar trauma ook niet kunnen tegenwerpen dat zij inconsequent heeft verklaard over haar geboortedatum, scholing en familie. Er zitten namelijk gaten in haar geheugen. Verweerder had daarnaast meer onderzoek moeten doen door bijvoorbeeld een school- of doopregister op te zoeken, contact op nemen met de voogd van eiseres of een medisch leeftijdsonderzoek aan te bieden. Nu verweerder niet heeft ontzenuwd dat eiseres minderjarig is, had van de minderjarigheid moeten worden uitgegaan. Ten onrechte zijn de procedurele waarborgen die voor een minderjarige vreemdeling gelden niet in acht genomen. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet getoetst of eiseres vanwege haar minderjarige leeftijd in aanmerking moet komen voor een reguliere verblijfsvergunning.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de uitgevoerde leeftijdsschouwen bij verweerder twijfel is ontstaan over de door eiseres opgegeven geboortedatum ( [geboortedatum 1] 2008 ). Los van de vraag of verweerder deze leeftijdsschouwen zorgvuldig heeft uitgevoerd en heeft mogen betrekken bij zijn standpunt dat er twijfel bestaat over de door eiseres opgegeven leeftijd, mocht verweerder in het kader van de zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek doen naar de leeftijd van eiseres door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten.\n\n4.2.. Verweerder moet daarbij wel uitgaan van de minderjarigheid van eiseres. Het is aan verweerder om het vermoeden van de minderjarigheid te ontzenuwen zonder onverkort uit te gaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat.Verweerder moet steeds zorgvuldig onderzoeken en deugdelijk motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.\n\n4.3.. Uit het onderzoek van verweerder is gebleken dat eiseres in Italië is geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum 2] 2003 . Verweerder heeft geconcludeerd dat alleen de verklaring van eiseres ten grondslag heeft gelegen aan deze leeftijdsregistratie in Italië. Uit de reactie van de Italiaanse autoriteiten blijkt namelijk dat de leeftijdsregistratie van eiseres daar niet is gebaseerd op documenten of ‘age testing’. Eiseres heeft in Italië volgens haar eigen verklaringen tijdens het aanmeldgehoor in Nederland verder ook geen documenten overgelegd in Italië, er is alleen naar haar naam en geboortedatum gevraagd (p. 13 aanmeldgehoor).\n\n4.4.. Dat betekent dat verweerder moest informeren onder welke omstandigheden eiseres haar leeftijdsverklaring in Italië heeft afgelegd. Eiseres heeft hierover verklaard dat zij de geboortedatum [geboortedatum 2] 2003 heeft opgegeven omdat zij anders naar een andere opvang zou worden gebracht en van [naam 3] zou worden gescheiden (p. 8 nader gehoor).\n\n4.5.. De vraag is vervolgens of eiseres hiermee een plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende leeftijdsregistratie en of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd welk gewicht daaraan wordt toegekend gelet op de afbreuk die de afwijkende registratie in beginsel doet aan haar geloofwaardigheid. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat veel vreemdelingen in Italië een meerderjarige leeftijd opgeven om te voorkomen dat zij in de minderjarigenopvang worden geplaatst. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter zorgvuldig onderzoek gedaan en deugdelijk gemotiveerd waarom aan de verklaring van eiseres dat zij niet van [naam 3] gescheiden wilde worden, niet zo’n gewicht wordt toegekend dat van de in Nederland gestelde minderjarigheid uit wordt gegaan. Verweerder heeft er in dit kader allereerst op kunnen wijzen dat eiseres geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar in Nederland gestelde leeftijd. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres er niet in geslaagd om samenhangend en aannemelijk te verklaren over haar levensloop. Zo is aan eiseres gevraagd tot wanneer zij in haar geboorteplaats heeft gewoond, hoe oud ze was toen ze daar weg ging, wanneer zij voor het eerst naar school is geweest, hoe oud ze was toen ze naar school ging en toen ze stopte met school, hoe lang ze naar school is geweest, wat ze heeft gedaan nadat ze met school is gestopt en hoe lang ze heeft gewerkt (p. 5 en 8 aanmeldgehoor). Eiseres heeft meerdere van deze vragen beantwoord met ‘dat weet ik niet meer.’ Daarnaast heeft eiseres tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat zij zestien is (p. 4 aanmeldgehoor), maar zou eiseres bij de door haar opgegeven geboortedatum 15 zijn geweest. Gelet op deze verklaringen stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres er niet in is geslaagd om samenhangend en aannemelijk te verklaren over haar levensloop en dat dit wel van mag worden verwacht omdat dit een basisgegeven van haar identiteit is. De (niet onderbouwde) stelling van eiseres dat zij getraumatiseerd is en dat zij tijdens Hiv bijeenkomsten heeft geleerd om het leven achter zich te laten zodat niet van haar kan worden verwacht dat ze samenhangend verklaart, volgt de rechtbank niet. Niet valt in te zien waarom eiseres hierdoor geen antwoord zou kunnen geven op vragen over haar levensloop.\n\n4.6.. Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onsamenhangend en onaannemelijk heeft verklaard over haar levensloop, en in het verlengde daarvan, haar leeftijd, heeft verweerder meer gewicht kunnen toekennen aan de leeftijdsregistratie in Italië, dan aan haar (niet onderbouwde) verklaring dat zij op [geboortedatum 1] 2008 is geboren. Verweerder heeft het vermoeden dat eiseres minderjarig is hiermee ontzenuwd en is terecht uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2003 . De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het kader van de samenwerkingsplicht of onderzoeksplicht gehouden was om nader onderzoek te verrichten of eiseres het voordeel van de twijfel te gunnen. Verweerder heeft de identiteit van eiseres dus niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.\n\n5. De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat de procedurele waarborgen die voor een minderjarige vreemdeling gelden niet in acht zijn genomen. Er is immers sprake geweest van een minderjarigengehoor en aan eiseres was een voogd gekoppeld. Eiseres heeft niet nader onderbouwd welke procedurele waarborgen zijn geschonden of hoe zij hierdoor in haar belangen is geraakt.\n\n6. Omdat verweerder er niet ten onrechte vanuit ging dat eiseres ten tijde van haar asielaanvraag meerderjarig was, stelt verweerder terecht dat hij geen onderzoek heeft hoeven doen naar adequate opvang in het kader van het buitenschuldbeleid.\n\nHiv en discriminatie\n\n7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij Hiv-positief is en dat zij daarom ernstig medisch kwetsbaar is. Bij terugkeer zal eiseres daarom een reëel risico op snelle, ernstige verslechtering van de gezondheid en levensbedreigende complicaties leiden. Eiseres doet een beroep op het Paposhvili-arrest.Daarnaast meent zij dat uit diverse bronnen blijkt dat alleenstaande jonge vrouwen met Hiv in Sierra Leone niet alleen maatschappelijk worden uitgesloten, maar ook dat zij toegang tot huisvesting, opleiding en gezondheidszorg verliezen en dat zij soms fysiek geweld ondervinden. Op de zitting heeft eiseres hierover nader toegelicht dat zij deel uitmaakt van het Bondo-gemeenschap. Deze gemeenschap ondergaat rituelen bedoeld om haar leden te controleren en normen op te leggen. Bij terugkeer naar Sierra Leone zal deze gemeenschap eiseres buitensluiten als bekend wordt dat zij Hiv-positief is.\n\n7.1.. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat verweerder haar vanwege haar medische situatie ten onrechte geen uitstel van vertrek heeft verleend op grond van art. 64 van de Vreemdelingenwet 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest Paposhvili volgt dat de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat de in het land van herkomst beschikbare medische zorg feitelijk niet toegankelijk is, bij de vreemdeling ligt. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statebetekent dit dat de vreemdeling moet aantonen wat de kosten van de door hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst zijn. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken. Eiseres heeft pas in beroep documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij onder behandeling is vanwege haar Hiv-besmetting. Eiseres heeft verder niet gesteld of onderbouwd dat de behandeling hiervan niet (feitelijk) toegankelijk of aanwezig is in Sierra Leone. Verweerder heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat eiseres medisch kwetsbaar is.\n\n7.2.. Voor zover eiseres stelt dat zij vanwege haar Hiv wordt gediscrimineerd heeft verweerder terecht verwezen naar paragraaf C2\u002F3.2.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Hieruit volgt dat discriminatie als daad van vervolging wordt aangemerkt als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.\n\n7.2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseres tijdens het nader gehoor niet blijkt dat zij door de discriminatie in Sierra Leone dusdanig werd beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat het voor haar onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Zo heeft eiseres verklaard dat als je Hiv hebt in Afrika dat mensen dan bang zijn om je aan te raken, maar dat zij dit zelf nog nooit heeft gezien. Ook denkt eiseres dat ze geen werk zal krijgen omdat ze op TikTok of Youtube heeft gezien dat in Nigeria iemand met Hiv is weggestuurd van zijn werk. Eiseres is verder bang dat hulpverleners aan haar familie gaan vertellen dat ze besmet is (p. 24 nader gehoor). Op de zitting heeft eiseres hier aan toegevoegd dat zij door het Bondo-genootschap zal worden buitengesloten. Eiseres heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres hiermee onvoldoende persoonlijke omstandigheden heeft aangedragen op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat zij vanwege haar Hiv dermate wordt beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat zij op sociaal en maatschappelijk gebied niet kan functioneren.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiseres verwijst hierbij naar Werkinstructie 2025\u002F1 en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992) en 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801).\n\n In de zin van artikel 3.58, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000, in samenhang bezien met paragraaf B8\u002F6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (buitenschuldbeleid).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801).\n\n Dit volgt onder meer uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086).\n\n Uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, Paposhvili tegen België van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629, r.o. 7.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17780","2026-07-13T00:29:46.948Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":31,"updatedAt":98},"1951","ECLI:NL:RBDHA:2026:17788","ecli-nl-rbdha-2026-17788","2026-05-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.43804 en NL25.43805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [naam 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser\n\n [naam 2], V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres\n\ntezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. T. Thissen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: drs. J.D. Albarda).\n\nProcesverloop\n\nEisers hebben op 30 augustus 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\nBij afzonderlijke besluiten van 5 september 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\nEisers hebben op 10 september 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, V. Sharma als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1.1.. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] . Zij hebben beiden de Pakistaanse nationaliteit en zijn beiden christen. Eiseres heeft haar asielaanvraag mede ingediend namens haar minderjarige kinderen [naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 en [naam 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2024 .\n\n1.2.. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiser had in [locatie] een fotostudio in een winkelpand, dat hij huurde van [naam 5] , de eigenaar van het pand. [naam 5] is een molwi (islamitisch geestelijke) die ook klant van eiser was. Nadat [naam 5] ontdekte dat eiser christen is, viel hij klanten van eiser lastig, stal hij geld en spullen van eiser en heeft hij eiser mishandeld en bedreigd. Hij wilde dat eiser de winkel zou verlaten. Eiser heeft een klacht over [naam 5] ingediend bij de politie. Die klacht leidde ertoe dat eiser op 16 augustus 2023 in zijn winkel door [naam 5] en een andere man is mishandeld. Daarbij werd hij beschuldigd van blasfemie en bedreigd met verbranding. Op blasfemie staat in Pakistan de doodstraf. Eiser wist op dat moment te ontsnappen. Hij hoorde later van zijn vader dat vanuit de moskee verkondigd werd dat eiser een ongelovige, een christen is, die oneerbiedig is geweest tegen de Koran en respectloos tegen de profeet en dat hij daarom mocht worden gedood. Eisers zijn daarop hun woonplaats ontvlucht en hebben vervolgens op 23 augustus 2023 Pakistan verlaten. Eisers stellen niet terug te kunnen keren naar Pakistan omdat de beschuldiging van blasfemie nog actueel is en zij vrezen bij terugkeer te worden gedood.\n\nBestreden besluiten\n\n2.2.1.. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nDoodsbedreigingen vanwege problemen met [naam 5] .\n\nHet asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder het volgende asielmotief:\n\n- Identiteit, nationaliteit en herkomst.\n\nOmdat het asielrelaas van eiseres afhankelijk is van het relaas van eiser en zij niet heeft verklaard over andere redenen voor haar om het land van herkomst te verlaten, heeft verweerder geconcludeerd dat er in het geval van eiseres geen tweede asielmotief is. Voor de motivering van het besluit ten aanzien van eiseres is (grotendeels) verwezen naar het besluit van eiser.\n\n2.2.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eisers aangevoerde asielmotieven geloofwaardig zijn. Verweerder ziet echter geen grond voor verlening van een asielvergunning aan eisers. Dat eisers uit Pakistan komen is daarvoor op zichzelf niet genoeg. Christenen in Pakistan behoren tot een risicoprofiel, maar dit laat onverlet dat aan de hand van de individuele omstandigheden van eisers beoordeeld moet worden of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan. Niet gebleken is dat eiser vanwege zijn religie te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten. Ook is er geen aanleiding om aan te nemen dat eiser problemen heeft ondervonden met radicaal religieuze bewegingen. Verweerder volgt wel dat voor eiser een dreiging uitgaat van [naam 5] en mogelijk vijandige buurtbewoners in [locatie] , maar meent dat eiser zich bij terugkeer aan die dreiging kan onttrekken door zich elders in Pakistan te vestigen. Aan eisers wordt aldus een beschermingsalternatief tegengeworpen. Uit het Thematisch ambtsbericht over de positie van ahmadi’s en christenen in Pakistan 2017-2020 van december 2020 volgt dat christenen in Pakistan zich elders in dat land kunnen vestigen. De door eisers aangehaalde informatie uit recentere (algemene) ambtsberichten over Pakistan van september 2022 en juli 2024 over de mogelijkheden tot verhuizing binnen Pakistan, geeft geen aanleiding om tot een ander standpunt te komen, omdat die informatie betrekking heeft op situaties waarin sprake is van dreiging vanwege problemen met fanatieke religieuze bewegingen, wat in het geval van eisers niet aan de orde is, aldus verweerder.\n\nBeroepsgronden\n\n3. Eisers betogen allereerst dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer naar Pakistan te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten en tevens voor een radicaal religieuze beweging. Volgens eisers is wel degelijk aannemelijk dat eiser door de Pakistaanse autoriteiten wordt gezocht of zal worden gezocht, omdat er vanwege de blasfemiebeschuldiging een (mondelinge) fatwa tegen hem is uitgebracht, wat kan leiden tot een aangifte tegen hem. Daarnaast heeft eiser ook te vrezen voor een radicaal religieuze beweging. De eigenaar van de winkel, [naam 5] , is een molwi (islamitisch geestelijke). Uit wat [naam 5] en de man die bij hem was tegen eiser zeiden tijdens het incident op 16 augustus 2023 en de daarbij gemaakte gebaren, leiden eisers af dat deze mannen verbonden zijn aan een radicaal religieuze beweging. Het gaat dan om de Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP) ofwel de Tehreek Labbaik Ya Rasool Allah (TLYR). Eisers betogen verder dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat aan eisers een beschermingsalternatief in Pakistan kan worden tegengeworpen. Een beschermingsalternatief is in hun geval niet aan de orde, alleen al omdat de dreiging voor eiser (onder andere) uitgaat van de Pakistaanse autoriteiten. Verder volgt uit de ambtsberichten over Pakistan van september 2022 en juli 2024 dat bij een dreiging die uitgaat van radicaal religieuze bewegingen, waarvan in het geval van eiser sprake is, de mogelijkheid om te verhuizen naar een ander deel van het land in de praktijk afhankelijk blijkt van verschillende factoren. Van belang zijn bijvoorbeeld het bereik van de religieuze beweging en de aard van de bedreiging. Verweerder heeft over deze factoren ten onrechte niets overwogen in de besluiten en dus ten onrechte geen nadere individuele afweging aan de hand daarvan gemaakt. Verweerder heeft bovendien, ook indien aangenomen moet worden dat de dreiging voor eiser alleen uitgaat van [naam 5] en eventuele vijandige buurtbewoners, nagelaten te onderzoeken of eisers in een ander deel van Pakistan onder normale omstandigheden naar lokale maatstaven hun leven kunnen leiden. Verweerder had dit onderzoek op grond van zijn beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wel moeten verrichten. Eisers verwijzen in dit verband naar informatie uit het ambtsbericht van juli 2024 over belemmeringen die gelden bij een verhuizing binnen Pakistan. Ook dat maakt dat de besluiten geen stand kunnen houden. Eisers zien steun voor hun standpunten in de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 20 mei 2025 in de zaak NL25.8249 en de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in de zaak NL25.21860.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgrond van eisers over verweerders standpunt dat eiser bij terugkeer enkel te vrezen heeft voor [naam 5] en mogelijk vijandige buurtbewoners in [locatie] en niet ook voor de Pakistaanse autoriteiten en voor een radicaal religieuze beweging.\n\nVrees voor de Pakistaanse autoriteiten\n\n4.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht niet aannemelijk heeft geacht dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor de Pakistaanse autoriteiten. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser formeel is beschuldigd van blasfemie door de Pakistaanse autoriteiten en dat er tot op heden geen aanwijzingen zijn dat eiser om die reden door de autoriteiten wordt gezocht of in de negatieve belangstelling staat. Eiser heeft Pakistan ook op legale wijze kunnen uitreizen. Verder zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er wegens blasfemie aangifte tegen eiser is of zal worden gedaan. Verweerder heeft daarbij kunnen wijzen op het tijdsverloop sinds eisers vertrek uit Pakistan.\n\nVrees voor een radicaal religieuze beweging\n\n4.2.. Eiser heeft tijdens het nader gehoor in het vrije relaas verklaard dat tijdens het incident op 16 augustus 2023 waarbij hij van blasfemie werd beschuldigd, werd mishandeld en bedreigd door [naam 5] en de andere man, ‘Labayak’ werd geroepen waarbij de handen omhoog werden gehouden, en dat eiser weet dat islamitische organisaties in Pakistan dat roepen. In beroep stellen eisers hierover dat uit door hen geraadpleegde nieuwsberichten blijkt dat ‘Labbaik’ (wat in het verslag van het gehoor opgeschreven is als ‘Labayak’) onderdeel is van de strijdkreet en de naam van de radicaal religieuze groepen TLP en TLYR. Deze groepen uiten die kreet tijdens aanvallen waarbij zij opkomen voor de profeet Mohammed wanneer deze wordt beledigd. Eisers wijzen daarbij op een concreet incident dat in het nieuws is geweest van een man die werd verbrand omdat hij een religieuze sticker van zijn voertuig had verwijderd. Tijdens de aanval op deze man werd de strijdkreet ook geroepen. Volgens eisers zijn het gebruik van de term ‘Labbaik’ en de daarbij gemaakte gebaren op 16 augustus 2023 daarom een indicatie dat [naam 5] en de man die bij hem was, verbonden zijn aan ofwel de TLP ofwel de TLYR. Gelet daarop is volgens eisers wel degelijk aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Pakistan te vrezen heeft voor een radicaal religieuze beweging. Ter illustrering van de macht van [naam 5] wijzen eisers er nog op dat kort na het uiten van de blasfemiebeschuldiging aan eisers adres er vanuit de moskee in de wijk een oproep werd gedaan om eiser vanwege blasfemie te doden. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor een radicaal religieuze beweging, gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder gesteld dat eisers niet hebben onderbouwd dat [naam 5] lid is van de TLP dan wel de TLYR en ook niet dat [naam 5] binnen één van deze bewegingen een prominente positie heeft. De kreet ‘Labbaik’, met de strekking dat wordt gehandeld in opdracht van de god, is volgens verweerder bovendien een algemene uitroep die ook door anderen gedaan kan worden.\n\n4.3.. De rechtbank overweegt dat hoewel de kreet ‘Labbaik’ mogelijk ook door anderen wordt geuit, vastgesteld wordt verweerder ter zitting niet heeft weersproken dat ‘Labbaik’ ook de strijdkreet is van de TLP en de TLYR en dat deze uitroep door leden van deze religieuze bewegingen wordt gedaan tijdens aanvallen tegen personen die de profeet Mohammed hebben beledigd. Hiervan uitgaand en in overweging nemend dat eiser in zijn gehoor duidelijk heeft verklaard dat tijdens het incident op 16 augustus 2023 deze bewuste uitroep is gedaan, in verband met een blasfemiebeschuldiging aan zijn adres, door een persoon die hij kent als een geestelijke, acht de rechtbank verweerders standpunt dat niet aannemelijk is dat [naam 5] is verbonden aan een radicaal religieuze beweging, niet zonder meer deugdelijk gemotiveerd. Hieruit volgt dat verweerder er ook niet zonder nadere motivering vanuit heeft kunnen gaan dat eiser in Pakistan geen problemen heeft ondervonden met een radicaal religieuze beweging en hij bij terugkeer daarom niet voor zo’n beweging te vrezen heeft. De beroepsgrond van eisers slaagt dus in zoverre.\n\n5. Over de beroepsgrond ten aanzien van het tegengeworpen beschermingsalternatief overweegt de rechtbank als volgt.\n\n5.1.. Het hierboven gegeven oordeel van de rechtbank over het motiveringsgebrek in de bestreden besluiten ten aanzien van de vraag naar de vrees voor een radicaal religieuze beweging, heeft ook consequenties voor de beoordeling van verweerders standpunt over het aan eisers tegengeworpen beschermingsalternatief. Eisers wijzen er terecht op dat volgens het ambtsbericht van juli 2024 verhuizing naar een ander deel van Pakistan niet zonder meer mogelijk is bij een dreiging die uitgaat van radicaal religieuze bewegingen. De mogelijkheid om zich elders te vestigen is in zo’n geval afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de reikwijdte van de invloed van de religieuze groepering en of die op een nieuwe plaats eenzelfde bedreiging vormt. Nu hiervoor is geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen problemen heeft ondervonden met een radicaal religieuze groepering, kan verweerders standpunt in de bestreden besluiten dat de hiervoor bedoelde informatie uit het ambtsbericht niet van toepassing is in het geval van eisers en een beoordeling van de daar genoemde factoren daarom niet hoeft plaats te vinden, evenmin zonder nadere motivering worden gevolgd.\n\n5.2.. Eisers hebben er verder op gewezen dat het beleid in paragraaf C2\u002F3.4 van de Vc in het kader van de vraag of een ander gebied in het land van herkomst voldoet als beschermingsalternatief, onder meer als voorwaarde stelt dat van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt. Hierop is als toelichting gegeven dat de vreemdeling zich in het gebied moet kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. Eisers voeren terecht aan dat in de bestreden besluiten niet deugdelijk is gemotiveerd waarom van hen kan worden verwacht dat zij zich in een ander deel van Pakistan vestigen. Uit de besluiten blijkt namelijk niet dat verweerder heeft onderzocht hoe de individuele omstandigheden van eisers zich verhouden tot de plaatselijke maatstaven, zoals in de beleid bedoeld. Eisers wijzen er verder terecht op dat in het ambtsbericht van juli 2024 is vermeld dat voor veel Pakistanen verhuizing naar een ander deel van het land geen haalbare optie is door beperkingen die onroerende goederen, uitgebreide familiebanden en landbouwgrondbezit met zich brengen. Het zal op een nieuwe plaats moeilijker zijn om een baan te vinden omdat banen meestal vergeven worden aan (verre) familieleden of bekenden. Het is moeilijk te verhuizen als je niet beschikt over een goede opleiding of genoeg financiële middelen. Ook zal het gemakkelijker zijn om te verhuizen naar een plaats waar de persoon binnen de etnische groep past, aldus het ambtsbericht. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder deze landeninformatie heeft betrokken in zijn beoordeling. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de motivering in de bestreden besluiten op dit punt niet voldoet, maar heeft het standpunt dat eisers zich elders in Pakistan kunnen vestigen, wel gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder als aanvullende motivering gegeven dat de vader van eiser zich ook elders in Pakistan heeft kunnen vestigen en dat niet valt in te zien waarom eisers zich niet bij hem kunnen voegen. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eisers naar Pakistaanse maatstaven relatief goed zijn opgeleid, dat eiser zelfstandig fotograaf was met een eigen bedrijf, dat eiseres onderwijsassistente was en dat eisers diverse talen spreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet alsnog een deugdelijke motivering gegeven. Zo is geen inzicht gegeven in de Pakistaanse maatstaven waarop verweerder doelt. Daarnaast zijn ook de in het ambtsbericht genoemde belemmeringen voor een verhuizing nog altijd onvoldoende door verweerder betrokken.\n\n5.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n7. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opdragen nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n8. Omdat de beroepen gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken daarbij als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Bpb.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de bestreden besluiten;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken opnieuw op de asielaanvragen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J. Dommerholt, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17788","2026-07-13T00:29:47.007Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":103,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":31,"updatedAt":105},"1956","ECLI:NL:RBDHA:2026:17818","ecli-nl-rbdha-2026-17818","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.45458\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.C. Smit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F.G. Moretto als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij behoort tot de Christelijk-evangelische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is op meerdere momenten in zijn leven bedreigd. Eisers vader is in Colombia bekend geworden als politieagent die was betrokken bij operaties tegen illegale gewapende groepen. Eiser en zijn familie worden hierdoor als doelwit gezien en lastiggevallen. Eiser is tijdens zijn militaire dienst door gewapende groepen bedreigd. Zijn collega, [naam 2] , is later in [locatie] vermoord. In 2015 is eiser aangevallen door [naam 3] . Deze persoon had banden met de criminele bende Clan del Golfo. De aanval had te maken met eisers geloof. In 2016\u002F2017 is eiser overvallen. In 2022 is eiser via Whatsappberichten aan zijn broer bedreigd. Tussen 2020 en 2022 heeft eiser gepubliceerd op het online platform van het bedrijf Omega Pro. Het bedrijf werd later in verband gebracht met witwaspraktijken en de Clan Del Golfo maakte gebruik van dit platform. Nadat het bedrijf in 2022 was opgeheven kreeg eiser een telefoontje waarin hij werd bedreigd. Een vriend van eiser, [naam 4] , is in elkaar geslagen en er werd toen naar eiser gevraagd. Daarnaast komen er binnenkort een aantal leiders van gewapende groeperingen vrij. Eiser heeft Colombia op 23 februari 2023 verlaten. Eiser vreest bij terugkeer voor vervolging en geweld door criminele groepen, met name voor de vrijgelaten leiders, de Clan del Golfo en [naam 3] .\n\n1.1.. Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser meerdere documenten overgelegd, waaronder een echt bevonden paspoort, foto’s, een militair boekje, een aangifte van de aanval in 2015, een aangifte van de aanval van [naam 4] en een aangifte van de bedreiging van de broer van eiser, meerdere krantenartikelen en meerdere getuigenissen.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n2. Aanval door [naam 3] in Jardin in 2015 en de afpersing via de telefoon in 2022\n\n3. Indirecte bedreiging via eisers broer in 2023\n\n2.1.. Verweerder heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eiser in 2015 door [naam 3] is aangevallen en dat hij in 2022 is afgeperst, maar acht niet geloofwaardig dat dit verband houdt met de Clan del Golfo. Het derde asielmotief wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder legt aan dit standpunt ten grondslag dat eiser de Whatsappberichten van de bedreiging niet heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat de bedreiging afkomstig is van een gewapende bende of dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Clan del Golfo staat. Verder wijst verweerder erop dat eisers broer geen gebruik heeft gemaakt van de beschikbare rechtsmiddelen in Colombia om bescherming te zoeken, hetgeen volgens verweerder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de bedreiging.\n\n2.2.. Het eerste en tweede geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiser krijgt voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64, van de Vw.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGeloofwaardigheidsbeoordeling\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om te motiveren in hoeverre alle door eiser gegeven verklaringen zijn betrokken bij de integrale beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in zijn geheel, en of eiser toch niet het voordeel van de twijfel had moeten worden gegeven ondanks dat volgens verweerder niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan.De door verweerder uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling is hiermee in strijd met het Unierecht.\n\n3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank resulteert toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in Werkinstructie 2024\u002F6 niet in iedere zaak zonder meer tot een met het Unierecht strijdige geloofswaardigheidsbeoordeling. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.3. tot en met 4.6, en naar de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7.1. tot en met 7.3. In deze uitspraken is overwogen dat er geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden bij de beoordeling worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers verklaringen tijdens het nader gehoor en de overgelegde documenten voldoende zorgvuldig in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld. Zo wijst verweerder er niet ten onrechte op dat niet slechts één cumulatieve voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw is tegengeworpen. Daarnaast heeft verweerder er in zijn verweerschrift en nogmaals op de zitting op kunnen wijzen dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het derde asielmotief ook de omstandigheid dat eisers vader politieagent was en de algemene landeninformatie kenbaar bij de beoordeling zijn betrokken. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat de door verweerder uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt niet. De door verweerder uitgevoerde geloofwaardigheidsbeoordeling van het derde asielmotief toetst de rechtbank hierna.\n\nIndirecte bedreiging via eisers broer in 2023\n\n4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Eiser voert hiertoe aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de Whatsappberichten die zijn broer heeft ontvangen niet kan overleggen. Ook kan hem niet worden tegengeworpen dat zijn broer na de aangifte geen vervolgstappen heeft genomen. Zijn broer heeft namelijk psychische problemen, ter onderbouwing heeft eiser ook een medisch document overgelegd. Verder is eisers broer van nummer en telefoon gewisseld waardoor hij de Whatsappberichten niet meer heeft. Daarnaast kan niet van eiser worden verwacht dat hij bewijst dat de bedreigingen afkomstig zijn van Clan del Golfo. Verweerder legt de lat hiermee te hoog, vooral omdat eiser uit een gebied komt waar Clan del Golfo actief is en het dus zeer reëel is dat eiser door hen is bedreigd. Tot slot wijst eiser er op dat hij PTSS heeft zodat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Dit betekent volgens eiser ook dat de asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen.\n\n4.1.. De rechtbank stelt voorop dat verweerder erkent dat er criminele groepen actief zijn in Colombia. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet ten onrechte op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser (via zijn broer) door een criminele groepering is bedreigd. Verweerder heeft eiser in dit kader allereerst kunnen tegenwerpen dat hij de Whatsappberichten van zijn broer niet heeft overgelegd en dat het, gelet op het belang van de berichten, niet onredelijk is om dit van eiser te verlangen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien waarom eisers broer deze berichten niet heeft bewaard, temeer nu de broer zelf ook asiel heeft aangevraagd in Spanje (pagina 7 nader gehoor). Dat zijn broer van telefoon en\u002Fof telefoonnummer is gewisseld, heeft verweerder daarom ook onvoldoende verschoonbaar kunnen vinden. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat het wisselen van telefoon of telefoonnummer er niet automatisch toe leidt dat alle berichten verloren gaan. Verweerder wijst er verder terecht op dat uit het door eiser in beroep overgelegde medische dossier volgt dat eisers broer in september 2024 een acute psychotische stoornis heeft gehad maar dat dit geruime tijd na de gestelde ontvangst van de Whatsappberichten is en ook nadat eiser zich heeft gemeld voor asiel. Verweerder ziet dit daarom terecht niet als verschoonbare reden voor het niet overleggen van de berichten.\n\n4.2.. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen over de bedreiging geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder kon er op gelet op het dossier op wijzen dat eisers verklaring dat hij (via zijn broer) door een criminele groepering, mogelijk de Clan del Golfo, is bedreigd speculatief is en dat hij zijn vermoeden dat hij door een criminele groepering is bedreigd niet is onderbouwd met specifieke en verifieerbare informatie. Uit de overgelegde aangifte van de broer blijkt enkel dat de afzender van de berichten eisers naam en familieachtergrond kent, maar niet wie er achter de gestelde bedreigingen zat. Daarnaast heeft eiser verklaard dat het de Clan del Golfo kan zijn, maar dat hij niet precies weet welke bende het was en dat hij nooit rechtstreeks door de Clan del Golfo is benaderd (pagina 19 nader gehoor). Op de zitting heeft eiser bevestigd dat hij niet weet wie er achter de bedreiging(en) zat. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet duidelijk is wie er achter de gestelde bedreiging zit en dat het ook mogelijk is dat de gestelde bedreigingen niet van een criminele bende, maar van een individu afkomstig zijn. Het ligt op eisers weg om aannemelijk te maken met welke groepering hij problemen heeft (gehad) tenzij dit echt onmogelijk is. Dit is immers bepalend voor de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Anders dan eiser stelt legt verweerder de bewijslat hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog. Dat uit algemene landeninformatie volgt dat de Clan del Golfo of andere criminele bendes in eisers leefomgeving actief zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende doorslaggevend kunnen vinden. Dit zegt immers niets over de vraag of eiser persoonlijk door een van hen is bedreigd.\n\n4.3.. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Wel is in geschil of eisers PTSS hiervoor een verschoonbare reden is. In dit kader heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan eiser kunnen tegenwerpen dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat zijn gestelde mentale gezondheid dusdanig was dat eiser hierdoor niet in staat was om zich eerder te melden. Zo blijkt uit het proces-verbaal dat eiser heeft verklaard dat hij een hernia en een fractuur aan zijn ellenboog heeft, dat zijn zicht de laatste tijd achteruit is gegaan door de stress en dat hij zich paranoïde voelt, alsof hij wordt achtervolgd. Verweerder stelt niet ten onrechte dat uit deze verklaringen niet blijkt dat eiser zich niet eerder had kunnen melden dan pas 109 dagen nadat hij Nederland was ingereisd en dat dit de geloofwaardigheid van eisers gestelde vrees ondermijnt. Verweerder heeft hierbij ook kunnen betrekken dat, gelet op eisers referentiekader, waaronder zijn opleiding, internationale reiservaring, werkervaring en kerkelijke activiteiten, van eiser mocht worden verwacht dat hij zich over de procedure in Nederland had geïnformeerd, temeer nu eiser heeft verklaard dat hij Colombia heeft verlaten met de bedoeling om niet meer terug te keren (pagina 10 aanmeldgehoor). Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag ook kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.\n\nTussenconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n5. Al gelet op de hiervoor vermelde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de indirecte bedreiging via zijn broer in 2023 ongeloofwaardig zijn. De overige hiertoe gerichte beroepsgronden laat de rechtbank daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nGeloofwaardig geachte elementen en artikel 15c\n\n6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Colombia een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de geloofwaardig geachte feiten en incidenten en de aanwezigheid van willekeurig geweld.Eiser wijst hierbij op het werk van zijn vader, de bedreigingen aan het adres van hemzelf en zijn broer, de aanvallen op zijn vrienden, zijn ontheemding, de aanwezigheid van bendes in zijn regio en de onmogelijkheid om tegen bendegeweld beschermd te worden. Volgens eiser heeft verweerder deze omstandigheden ten onrechte niet meegenomen in zijn beoordeling.\n\n6.1.. Verweerder erkent in zijn verweerschrift dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is gemotiveerd omdat niet is betrokken dat in het departement Antioquia, waar eiser vandaan komt, een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt (paragraaf C7\u002F10.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000). De beroepsgrond slaagt. De rechtbank vindt echter dat dit gebrek met de nadere motivering in het verweerschrift, in combinatie met de reeds gegeven motivering in het bestreden besluit, is hersteld en ziet daarom aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn verweerschrift en de reeds gegeven motivering in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser er niet in is geslaagd om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat 1) die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, en 2) dat juist eiser specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eisers vader in de jaren 90\u002F00 actief was bij de politie en dat eiser daarna geen problemen heeft ondervonden die hiermee verband houden. Over de aanval door [naam 3] in 2015, de overval door onbekende daders in 2016\u002F2017 en de telefonische poging tot afpersing in 2022 heeft verweerder zich onbetwist op het standpunt gesteld dat dit losstaande incidenten betreffen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij door deze eerdere incidenten bij terugkeer een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De bedreiging van eiser en zijn broer heeft verweerder, zoals hiervoor is overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht zodat ook hieruit niet een verhoogd risico voor eiser volgt. Over de aanval op [naam 4] en de moord op [naam 2] heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze incidenten verband houden met eiser en in het verlengde daarvan dat eiser daardoor een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Ook de omstandigheid dat er criminele bendes aanwezig zijn in Colombia is onvoldoende persoonlijk. Verweerder erkent verder dat eiser door de Colombiaanse autoriteiten is erkend als gedwongen ontheemde maar wijst er op dat door de Colombiaanse autoriteiten niet is erkend dat eiser is aangevallen. Ook dit heeft verweerder terecht onvoldoende aanleiding gevonden voor het oordeel dat eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat eiser zich tot de lokale autoriteiten kan wenden voor bescherming en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem geen adequate bescherming kunnen bieden. De enkele stelling dat dit het geval is, is hiervoor onvoldoende.\n\n6.3.. De hiervoor besproken geloofwaardig geachte persoonlijke feiten en omstandigheden zijn ook op zichzelf onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reële grond heeft om te vrezen voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Die vrees is namelijk gebaseerd op losse incidenten. Er is geen indicatie dat eiser door Clan del Golfo of een andere groep wordt vervolgd. Ook is er geen aanwijzing dat de incidenten uit een verder verleden (in 2000, 2011, 2015, 2016, 2022) samenhangen met de latere incidenten en dat er daadwerkelijk een groep of een persoon is die het op eiser heeft gemunt. Van de mishandeling van [naam 4] en de moord op [naam 2] kan ook niet worden gezegd dat die verband houden met eiser. Weliswaar stelt eiser dat daarbij ook richting hem bedreigingen zijn geuit maar dat is onvoldoende omdat niet duidelijk is waarom en van wie die bedreigingen dan afkomstig zouden kunnen zijn en verder ook niet is gebleken dat eiser met [naam 4] en Wilmar contacten had of activiteiten ondernam die die bedreigingen begrijpelijk zouden kunnen maken.\n\nArtikel 8 van het EVRM\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij en zijn partner een duurzame relatie hebben en samenwonen. Eiser heeft in dit kader in beroep ook verschillende documenten overgelegd, waaronder een huurcontract, een brief van zijn psycholoog, een kopie van een bankafschrift van een gezamenlijke rekening, een loonstrook van eiser en een loonstrook van zijn partner, foto’s, e-mails en een verklaring van zijn partner. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen reguliere verblijfsvergunning krijgt.\n\n7.1.. Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde stukken aangenomen dat er tussen eiser en zijn partner familieleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in zijn verweerschrift vervolgens een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn familieleven met zijn partner en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de toetsing van een dergelijke belangenafweging, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familieleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij zijn belangenafweging alle door eiser in beroep aangevoerde feiten en omstandigheden betrokken. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank beoordeelt hierna of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.\n\n7.2.. Over het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. De Nederlandse staat heeft belang bij het hanteren van een restrictief toelatingsbeleid, onder andere vanwege het economische welzijn van Nederland.Hierbij speelt een rol of eiser voldoet aan het middelenvereiste. In dit kader heeft eiser een loonstrook overgelegd van zichzelf en van zijn partner. Verweerder heeft zich hierover op de zitting op het standpunt gesteld dat hiermee mogelijk is aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste. Dit werkt in eisers voordeel. Verweerder wijst er echter ook op dat het economisch belang breder is dan het middelenvereiste en dat het belang van de bescherming van de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur) ook een rol speelt. Verweerder stelt dan ook niet ten onrechte dat er ook een economisch belang bestaat bij het niet toestaan van verblijf aan eiser. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er een Nederlands algemeen belang bestaat bij het niet toestaan van verblijf aan eiser.\n\n7.3.. Verweerder heeft verder terecht gesteld dat eiser in Nederland nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, dat het hier dus gaat om eerste toelating en dat eiser in Nederland familieleven is gaan uitoefenen met zijn partner, terwijl hij illegaal (of met onzeker verblijfsrecht) in Nederland verbleef. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gevolgen van deze bewuste keuze om familieleven in Nederland te gaan uitoefenen tijdens illegaal verblijf in overwegende mate voor zijn rekening en risico komen. Dit standpunt van verweerder is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op dit punt, waaronder het arrest in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, en het arrest in de zaak Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709. Uit deze rechtspraak volgt dat als het familieleven is ontstaan en geïntensiveerd in een gastland waar de vreemdeling geen dan wel een precair verblijfsrecht had, uitzetting van die vreemdeling slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van het EVRM.\n\n7.4.. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechter verder terecht op gewezen dat eiser nog niet zo lang – ongeveer drie jaar – in Nederland verblijft en dat dit verblijf de gehele periode precair is geweest. Verweerder wijst er niet ten onrechte op dat een (precair) verblijf van dergelijke duur op zichzelf in het algemeen geen hechte of bijzondere banden met Nederland doet ontstaan en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Dat eiser in Nederland heeft gewerkt levert weliswaar enige binding met Nederland op, maar verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat dit, gelet op de relatief korte duur van het verblijf in Nederland geen hechte of bijzondere banden met Nederland doet ontstaan. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser wél sterke banden heeft met Colombia nu hij de Colombiaanse nationaliteit heeft en daar het grootste deel van zijn leven heeft gewoond. Verweerder gaat er dan ook niet ten onrechte vanuit dat eiser in staat moet worden geacht om zich, (eventueel) samen met zijn partner, in Colombia te (her)vestigen en zijn leven daar opnieuw op te bouwen. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van doorslaggevende objectieve of subjectieve belemmeringen om zijn familieleven in Colombia uit te oefenen. Dat eisers partner niet bekend is met de Spaanse taal en de Colombiaanse cultuur en gewoonten heeft verweerder in dit kader onvoldoende doorslaggevend kunnen vinden, temeer nu niet is gebleken dat eisers partner zich niet zou kunnen aanpassen of niet zou kunnen wonen in Colombia. De medische omstandigheden die eiser heeft aangevoerd worden daarnaast beoordeeld in de separate artikel 64 van de Vw beoordeling. Verweerder heeft tot slot kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich op het punt van het familieleven met zijn partner uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.\n\n7.5.. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van eiser bij uitoefening van zijn familieleven met zijn partner in Nederland, naar objectieve maatstaven bezien, minder zwaar weegt dan het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gelet op hetgeen onder 6.1. is overwogen gegrond vanwege een motiveringsgebrek (artikel 3:2 van de Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op hetgeen onder 6.2. is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 12 september 2025;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van €1.868,- aan proceskosten van eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser verwijst hierbij naar het UNHCR Handboek, paragraaf 203 en 204, de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2023 (C-756\u002F21, ECLI:EU:C:2023:523, overweging 89) en van 9 november 2023 (C-125\u002F22, ECLI:EU:C:2023:843, overweging 47), de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14846) en een publicatie van EASO, Judicial analysis: Evidence and credibility assessment in the context of the Common European Asylum System, p. 77 en de tweede editie, p. 105.\n\n Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw.\n\n Zie ook de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472, CF en DN) en 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843, X en Y) en de uitleg daarvan in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2927) en 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:876), rechtsoverweging 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17818","2026-07-13T00:29:47.251Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":31,"updatedAt":113},"1957","ECLI:NL:RBDHA:2026:17819","ecli-nl-rbdha-2026-17819","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.36306\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M. Drenth),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit 30 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend en dat hij geen uitstel van vertrek krijgt. Het bestreden besluit omvat ook een terugkeerbesluit. Tot slot heeft verweerder aan eiser een rechterlijke dwangsom van € 700,- toegekend.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Neshin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nOp 6 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de actuele situatie als gevolg van de oorlog tussen Israël en Iran.\n\nVerweerder heeft op 20 maart 2026 een schriftelijke reactie ingediend.\n\nEiser heeft op 1 april 2026 een schriftelijke reactie ingediend.\n\nDe rechtbank heeft partijen op 16 april 2026 bericht dat een nadere zitting achterwege blijft, tenzij partijen binnen één week laten weten wel op een nadere zitting te willen worden gehoord. Partijen hebben hierop niet gereageerd.\n\nDe rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak.\n\nOverwegingen\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit.\n\n2. Hij heeft op 14 september 2022 de asielaanvraag ingediend. Daaraan legt eiser – samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is Joods en had in Iran een vriendin, genaamd [naam 2] . Zij komt uit een streng islamitisch gezin. Op enig moment heeft [naam 2] ruzie gekregen met haar familie en heeft zij verteld dat eiser Joods is. Dit heeft ertoe geleid dat eiser problemen kreeg met de familie van [naam 2] en daarin heeft hij aanleiding gezien om Iran te ontvluchten.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat Israël voor eiser kan worden aangemerkt als veilig derde land. Een zus van eiser woont namelijk in Israël en is inmiddels ook Israëlisch staatsburger. Eiser heeft verder verklaard dat hij ook veel andere familieleden heeft die in Israël wonen. Daarnaast is het op grond van de Israëlische wet voor iedere Jood mogelijk om naar Israël te reizen, zich daar te vestigen en de Israëlische nationaliteit te verkrijgen (Aliyah). Dit geldt dus ook voor eiser. Niet gebleken is dat het gegeven dat hij de Iraanse nationaliteit bezit, dit anders maakt.\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat Israël in zijn geval moet worden aangemerkt als veilig derde land. Hij voert daartoe aan dat het niet aannemelijk is dat hij tot Israël zal worden toegelaten. Van hem kan niet worden verwacht dat hij zich tot de Israëlische autoriteiten wendt, aangezien de Iraanse autoriteiten hier achter zullen komen en dit hem en zijn familie in Iran in gevaar brengt. Eiser betwist verder dat hij een band heeft met Israël. Bovendien is de huidige situatie tussen Israël en de omliggende landen, waaronder ook Iran, erg gespannen. Daarnaast is de interne situatie in Israël onrustig.\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Verweerder kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd (op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw). Anders dan bij veilige landen van herkomst is hiervoor niet vereist dat verweerder een derde land aanwijst en opneemt in een lijst. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zal worden behandeld.\n\n5.2.. Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit slechts tegenwerpen indien die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan én als de vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. Die band kan blijken uit het feit dat een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land. Het is, zoals ook volgt uit paragraaf C2\u002F6.3 van de Vc, in beginsel aan verweerder om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat die vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan die vreemdeling om dat te weerleggen. Zoals eveneens volgt uit paragraaf C2\u002F6.3 van de Vc is het ook aan verweerder om aannemelijk te maken dat een vreemdeling wordt toegelaten tot een bepaald land. Hiertoe dient hij aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van een vreemdeling, redenen aan te dragen waarom toegang in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan een vreemdeling om aan te tonen dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot het land, in zijn geval niet aanwezig zijn (zie ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379 en ECLI:NL:RVS:2017:3380, en 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122).\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6.6.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder Israël terecht aangemerkt als veilig derde land voor eiser. De rechtbank licht dat hieronder toe.\n\nCriteria van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb\n\n6.2.. Verweerder stelt dat Israël weliswaar niet voldoet aan de criteria van artikel 3.106a, eerste lid, onder a tot en met e, van het Vb, maar dat Israëlisch staatsburgerschap minimaal dezelfde bescherming biedt als de vluchtelingenstatus. Verweerder stelt dat daarmee wordt voldaan aan de criteria onder a tot en met d. De mogelijkheid om de vluchtelingenstatus te krijgen (onder e) is niet van belang in het geval van staatsburgerschap.\n\n6.3.. Eiser heeft dit standpunt niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat eiser in Israël zal worden behandeld overeenkomstig de beginselen van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser het Israëlisch staatsburgerschap kan verkrijgen. Eiser heeft dit laatste betwist. Dit beoordeelt de rechtbank hieronder bij ‘toelating tot Israël’.\n\nBand met Israël\n\n6.4.. De rechtbank vindt verder dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser een zodanige band heeft met Israël dat het voor hem redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Niet in geschil is dat eisers zus daar al ruime tijd woont en werkt. Zij heeft bovendien de Israëlische nationaliteit. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij haar ook, zij het in 2013, heeft bezocht in Israël. Daarnaast heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat er ook veel andere familieleden, zowel van moederskant als vaderskant, in Israël woonachtig zijn. Eiser stelt ook dat het gevaarlijk is om contact met zijn zus op te nemen vanwege haar werk. Dit staat echter haaks op zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij contact met haar onderhoudt. Dat eiser Israël slechts als vakantieland ziet en dat hij (verder) alleen verre familieleden in Israël heeft, zoals hij stelt, doet hier niet aan af. Het contact met zijn zus die in Israël woont is al voldoende. De rechtbank verwijst hiervoor naar het juridisch kader onder 5.2 van deze uitspraak.\n\nToelating tot Israël\n\n6.5.. Verweerder heeft ook aannemelijk gemaakt dat eiser tot Israël zal worden toegelaten. Daarbij is van belang dat dit niet op voorhand vast hoeft te staan, maar dat verweerder redenen moet aangeven op grond waarvan dit aannemelijk is (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:838). Verweerder heeft gesteld dat iedere Jood of persoon met Joodse wortels, waar dan ook ter wereld, het recht heeft om naar Israël te reizen als immigrant, zich daar te vestigen, en het Israëlisch staatsburgerschap te verkrijgen (Aliyah). Hierbij heeft verweerder verwezen naar The Law of Return van 5 juli 1950. Het is niet in geschil dat eiser Joods is. Volgens verweerder kan hij zich daarom wenden tot The Jewish Agency voor het staatsburgerschap. Hij moet dan een aantal documenten overleggen, waaronder identificerende documenten. Verweerder heeft hiervoor naar verschillende websites verwezen, waaronder van The Jewish Agency. Ook heeft verweerder gesteld dat navraag is gedaan bij The Jewish Agency of het mogelijk is om Aliyah aan te vragen zonder identificerende documenten, nu eisers asieldossier die niet bevat. Dit werd niet op voorhand uitgesloten. Geadviseerd werd dat eiser hiervoor zelf contact zou opnemen. Volgens verweerder mag redelijkerwijs van eiser worden verwacht dat hij contact opneemt met The Jewish Agency om een aanvraag voor Aliyah in te dienen.\n\n6.6.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aangetoond dat de door verweerder geschetste omstandigheden om toegang te krijgen tot Israël in zijn geval niet aanwezig zijn. Eiser heeft gesteld dat het een utopie is dat Israël hem alleen op basis van het feit dat hij Joods is zal toelaten en dat in Israël iedere kleine link met Iran voldoende is voor het opsluiten, arresteren en executeren van mensen. Eiser heeft dit echter niet onderbouwd. Eiser stelt verder dat hij komt uit het land van de aartsvijand, heeft gewezen op de geopolitieke en militaire situatie in Israël, op het feit dat Israël eisers land van herkomst bombardeert, een land in oorlog is en mensenrechtenschendingen begaat. Voor zover dit juist is, doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de mogelijkheden voor toegang die verweerder heeft geschetst. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich overal in Israël kan vestigen en dat grote delen van het land veilig zijn. Dat toegang voor Iraanse burgers in het algemeen lastig is en vrijwel onmogelijk voor toeristen, zoals eiser onder verwijzing naar een uittreksel van NPO Kennis heeft gesteld, is in dit kader ook onvoldoende. Verweerder heeft onderbouwd waarom het voor eiser als Jood anders ligt. Dat The Law of Return voor hem als Iraanse Jood niet geldt, of anders wordt toegepast, is niet gebleken.\n\n6.7.. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser kan proberen Aliyah te verkrijgen en er een nieuwe situatie ontstaat als eiser kan aantonen dat dit niet mogelijk was. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiser dan een nieuwe aanvraag kan indienen in Nederland. Dat eiser hiermee zichzelf en zijn familie in gevaar zou brengen omdat de Iraanse autoriteiten ervan op de hoogte zullen raken als hij The Jewish Authority benadert om een Aliyah aan te vragen heeft hij niet onderbouwd. De enkele verklaring dat hij uit ervaring weet dat dit zo is, is onvoldoende.\n\nIran\n\n6.8.. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat Iran een gevangene heeft geëxecuteerd die schuldig werd bevonden aan spionage voor Israël en geeft Amnesty International aan te vrezen dat Iran meer mensen zal executeren die worden beschuldigd dat samenwerking met Israël. Ook heeft eiser verwezen naar zorgelijke ontwikkelingen in Iran die maken dat de Iraanse autoriteiten ‘paranoia zijn voor alles wat maar enigszins riekt naar Israël’. Verder heeft hij aangevoerd dat het zeker vanuit Iran zeer gevaarlijk is om contact met zijn zus te onderhouden. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat hij in Iran zal worden geconfronteerd met schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat er (op dit moment) geen sprake van is dat eiser wordt teruggestuurd naar Iran, laat de rechtbank deze argumenten buiten beschouwing.\n\nTerugkeerbesluit en non-refoulement\n\n6.9.. Eiser heeft verder nog tijdens de zitting betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met arrest Ararat van het Hof van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:892), omdat hij eenmaal in Israël als vreemdeling zal worden uitgezet en dit in strijd is met het verbod van refoulement. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder op grond van artikel 5 van de Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG (Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest, verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade aangezien verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij toegang tot en verblijf in Israël zal krijgen en zich dus niet naar Iran zal hoeven te begeven. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot Israël als veilig derde land voor eiser. Daaruit volgt dat eiser in Israël bescherming kan krijgen als Israëlisch staatsburger.\n\n6.10.. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek op 6 maart 2026 te heropenen vanwege het opgelaaide conflict tussen Israël en Iran. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om een schriftelijk standpunt in te nemen over de ontstane situatie en zich uit te laten over de vraag of het conflict gevolgen heeft voor de asielprocedure van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkelingen er niet toe leiden dat Israël ten aanzien van eiser niet langer als ‘veilig derde land’ kan worden aangemerkt. Daartoe stelt verweerder dat eiser zich in heel Israël kan vestigen en dat niet is gebleken van individuele feiten en omstandigheden die maken dat eiser te maken rijgt met ernstige schade in de huidige situatie. Eiser heeft in reactie op het schriftelijke standpunt van verweerder de rechtbank op 1 april 2026 allereerst herhaald dat hij vreest dat hij vanwege zijn Iraanse afkomst in Israël in de negatieve belangstelling zal komen te staan. Daarnaast wenst hij niet terug te keren naar een land in oorlog. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om anders te oordelen en verwijst hiervoor terug naar hetgeen zij onder 6.5. en 6.6. heeft overwogen. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het conflict heeft geleid tot grote onrust in de regio en betoogd dat Israël radicaliseert, temeer aldaar een wetvoorstel is aangenomen dat voorziet in de oplegging van de doodstraf. De rechtbank ziet in de door eiser aangedragen omstandigheden echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hij in Israël een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn gestelde vrees namelijk geenszins geconcretiseerd en de enkele omstandigheid dat er sprake is van een conflict is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser een risico zou lopen om daarvan slachtoffer te worden.\n\n6.11.. Verweerder heeft eiser dus terecht een terugkeerbesluit voor Israël opgelegd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat Israël in zijn geval als veilig derde land kan worden aangemerkt. De door eiser aangedragen beroepsgronden slagen niet.\n\n8. Het beroep is ongegrond.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17819","2026-07-13T00:29:47.304Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":119,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":31,"updatedAt":122},"354","ECLI:NL:RBDHA:2025:21950","ecli-nl-rbdha-2025-21950","2025-11-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.42498\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).\n\nProcesverloop\n\nIn deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing\n\nvan zijn (opvolgende) asielaanvraag. Eiser heeft op 21 april 2023 een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVoor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak die zij op 11 april 2025 heeft gedaan op het beroep van eiser (de tussenuitspraak).\n\nIn de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.\n\nVerweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.\n\nEiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.\n\nVerweerder heeft een aanvullende reactie ingediend.\n\nEiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.\n\nDe rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet\n\nBestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).\n\nDe tussenuitspraak\n\n2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder niet ten onrechte het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft echter een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek geconstateerd bij het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats] (rechtsoverweging 10). Verweerder is in het bestreden besluit namelijk onvoldoende ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief en op de individuele omstandigheden van eiser.\n\nDe aanvullende motivering\n\n3. Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In de aanvullende motivering van 10 juli 2025 heeft verweerder overwogen dat [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief kan gelden voor eiser op grond van paragraaf C2\u002F3.4. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In [plaats] is immers geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Volgens verweerder is niet gebleken van belemmeringen voor vestiging in [plaats] . Volgens verweerder is daarbij ten eerste van belang dat eisers asielrelaas (terecht) ongeloofwaardig is geacht. Hij staat dus niet in de negatieve aandacht van de Congolese autoriteiten. Eiser spreekt verder de Franse taal en die taal wordt ook gesproken in [plaats] . Dat eiser geen netwerk heeft in [plaats] klopt, maar verweerder ziet niet in waarom hij geen netwerk zou kunnen opbouwen in [plaats] . Ten slotte is niet gebleken van medische belemmeringen en zijn er geen aanwijzingen dat het terugkeren met een laissez-passer (LP) tot problemen zou leiden bij terugkeer.\n\nJuridisch kader\n\n4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdelingvolgt dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt (artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en paragraaf C2\u002F3.4 van de Vc 2000).\n\nReactie eiser op aanvullende motivering\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het wel degelijk problematisch is dat hij enkel Frans spreekt en geen Lingala. Lingala is namelijk de primaire of volkstaal in [plaats] en wordt gesproken door de Congolezen onderling. Eiser zal omdat hij geen Lingala spreekt gediscrimineerd worden. Hij zal als buitenstaander worden gezien en in combinatie met zijn gebrek aan een netwerk zal dit zijn integratie en leven in [plaats] zeer moeilijk maken.\n\nVerder stelt eiser dat hij, omdat hij reist met een LP, zal worden ondervraagd op de luchthaven. Congolezen die op een opsporingslijst staan lopen groot gevaar om te worden gemarteld. Bovendien is de kans groot dat de Congolese autoriteiten weten dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Eiser stelt dat de presentatie bij de Congolese ambassade die stond gepland op 25 juli 2025 bovendien onrechtmatig was omdat nog niet vaststond dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzette tegen zijn uitzetting.\n\nEiser stelt zich te slotte op het standpunt dat zijn medische situatie zich verzet tegen zijn terugkeer naar Congo. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest Paposhvili tegen België.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nHet binnenlands beschermingsalternatief\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het geconstateerde gebrek in de tussenuitspraak heeft hersteld met de aanvullende motivering van 10 juli 2025. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\n6.1.. Uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde vrees voor vervolging door de Congolese autoriteiten ongeloofwaardig is geacht. Eiser is het blijkens zijn verklaring in het aanvullende gehoor na de tussenuitspraak niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Eiser zal zijn bezwaren tegen dit oordeel echter in een hoger beroepsprocedure aan de orde moeten stellen. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen zeer uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven op haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel terug te komen. Dit betekent dat eiser in [plaats] geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder heeft eiser niet betwist dat [plaats] feitelijk toegankelijk is voor hem en dat hij [plaats] op een veilige en wettige manier kan bereiken. Het geschil spitst zich daarom toe op de derde voorwaarde voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief; verweerder moet redelijkerwijs van eiser mogen verwachten dat hij zich in [plaats] vestigt.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de Franse taal machtig is en zich dus verstaanbaar kan maken in [plaats] . Eiser heeft zelf ook erkend dat er Frans wordt gesproken en verweerder heeft terecht gesteld dat Frans de officiële taal is in [plaats] . Eiser heeft zijn stelling dat hij gediscrimineerd zal worden omdat hij geen Lingala spreekt niet onderbouwd met landeninformatie, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat dit in zijn geval tot daadwerkelijke problemen zal leiden. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiser weliswaar op dit moment geen netwerk heeft in [plaats] , maar dat dit niet zonder meer betekent dat niet van eiser mag worden verwacht dat hij zich daar vestigt. Hierbij is van belang dat eiser de eerste 30 jaar van zijn leven in Congo heeft gewoond, de Congolese nationaliteit heeft en hoogopgeleid is. Daarmee is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met die van de van de vreemdelinge (een alleenstaande vrouw) in de recente uitspraak van de Afdeling over het tegenwerpen van [plaats] als binnenlands beschermingsalternatief.Niet valt in te zien waarom eiser niet naar lokale maatstaven een normaal leven zou kunnen leiden in [plaats] . Eiser heeft in zijn zienswijze op de aanvullende motivering nog gesteld dat hij door zijn slechte gezondheid geen handenarbeid zal kunnen verrichten en dat hij, omdat hij gedwongen kan worden uitgezet, alles zal moeten achterlaten en niet zal kunnen bewijzen dat hij is afgestudeerd, zodat hij zonder financiële middelen zal moeten overleven. Verweerder heeft in reactie hierop niet ten onrechte opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij om gezondheidsredenen geen handenarbeid kan verrichten en dat niet valt in te zien waarom eiser bij uitzetting zijn persoonlijke bezittingen niet kan meenemen of deze eventueel kan laten nasturen. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser bij zijn integratie in Nederland financieel is ondersteund door vrienden en dat niet is gebleken dat dit niet opnieuw zou kunnen gebeuren.\n\n6.3.. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de mogelijke problemen bij aankomst op de luchthaven, treft geen doel. Hiertoe is ten eerste van belang dat uit de tussenuitspraak volgt dat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent dat verweerder ook ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser op een opsporingslijst staat of anderszins in de negatieve aandacht staat van de Congolese autoriteiten. Uit de landeninformatie waar eiser naar verwijst blijkt niet dat alle terugkerende Congolezen die met een LP reizen bij terugkeer problemen ervaren. Verweerder heeft bovendien gewezen op landeninformatie waaruit volgt dat personen die (gedwongen) terugkeren geen problemen ondervinden. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom de Congolese autoriteiten op de hoogte zouden zijn van zijn asielaanvraag in Nederland, terwijl verweerder heeft aangegeven deze informatie nooit te delen met de autoriteiten in Congo.\n\nPresentatie bij de ambassade op 25 juli 2025\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in een geval als dat van eiser, waar de rechtbank zich al heeft uitgelaten over het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder ten aanzien van de gestelde vrees voor vervolging door de autoriteiten, niet valt in te zien waarom verweerder eiser niet mag presenteren bij de Congolese ambassade. In beginsel staat immers met de tussenuitspraak vast dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser vreest voor vervolging door die autoriteiten. De presentatie bij die autoriteiten zou daarom niet tot negatieve gevolgen voor eiser moeten leiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMedische situatie\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van medische bezwaren tegen de terugkeer van eiser naar [plaats] . Eiser heeft geen verklaring van een arts overgelegd waaruit dit blijkt. Eiser stelt weliswaar dat hij medische problemen heeft en dat sprake zou zijn van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, met als gevolg intens lijden of een aanzienlijke vermindering van zijn levensverwachting als hij zou worden uitgezet, maar heeft dit dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder stelt bovendien terecht dat hij niet gehouden is ambtshalve aan artikel 64 van de Vw te toetsen, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het verschijnen op ter zitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1328, 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805 en 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.\n\n Uitspraak van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21950","2025-11-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.808Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":127,"fullText":128,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":129,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":31,"updatedAt":131},"577","ECLI:NL:RBDHA:2025:22590","ecli-nl-rbdha-2025-22590","2025-11-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.42636, NL25.14206, NL25.14212 en NL25.14216uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer 1] ,\n\n [naam eiseres 1] , eiseres 1\n\nV-nummer: [V-nummer 2] ,\n\nmede namens hun minderjarige kinderen\n\n [naam kind 1]en[naam kind 2]\n\nV-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4]\n\nen\n [naam eiseres 2] , eiseres 2\n\nV-nummer: [V-nummer 5] ,\n\nsamen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. O. Sarac),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. F. Becker).\n\nProcesverloop\n\n1. Eisers hebben op 15 juli 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n1.1.. Eiseres 2 heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.\n\n1.2.. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 21 maart 2025 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n1.3.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n1.4.. Eisers hebben op 12 augustus 2025 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en als tolk K. Efe.\n\nBeroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag\n\n2. Omdat verweerder inmiddels een besluit op de asielaanvraag van eiseres 2 heeft genomen, heeft zij geen belang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het alsnog genomen besluit.\n\n3. Eiseres 2 krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die zij in het kader van het beroep niet-tijdig beslissen heeft gemaakt. Zij stelt namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op haar aanvraag heeft beslist. Eiseres 2 heeft een geldige ingebrekestelling verstuurd nadat de beslistermijn was verstreken en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen een besluit genomen. Verweerder moet daarom de proceskostenvergoeding betalen. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-, bij een wegingsfactor 0,5).\n\nBeroepen tegen de bestreden besluiten\n\nDe asielrelazen\n\n4. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1966, eiseres 1 stelt geboren te zijn op [geboortedatum 2] 1978 en eiseres 2 is de dochter van eiser en eiseres en stelt geboren te zijn op [geboortedatum 3] 1999. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Zij zijn van Koerdische afkomst en zijn allen actief geweest voor de HDP. Zij hebben daardoor problemen ondervonden van de autoriteiten. Zo is eiser meerdere malen aangehouden, ondervraagd en mishandeld. Eiseres 1 is ook wel eens aangehouden. Verder is het familiehuis (waar eisers niet woonden) van eisers in brand gestoken. Ten slotte zijn de autoriteiten na hun vertrek langsgegaan bij hun huis.\n\nHet besluit ten aanzien van eisers\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege activiteiten voor HDP\u002FDEM;\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst.\n\n6. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij HDP;\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst.\n\n7. Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens verweerder uitsluitend de volgende relevante elementen:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij HDP.\n\n8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers deels geloofwaardig is. De overige relevante elementen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft verder aan eisers tegengeworpen dat zij zich onnodig hebben ontdaan van hun identiteits- en reisdocumenten zodat hun identiteit niet kan worden vastgesteld en dat eisers duidelijk tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Verweerder heeft de aanvragen daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. In het geval van eiser en eiseres 1 is dit gebeurd op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en in het geval van eiseres 2 alleen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nLate indiening nieuwe beroepsgronden\n\n9. De rechtbank stelt vast dat eisers op 12 augustus 2025, één dag voor de zitting, nog aanvullende beroepsgronden hebben ingediend. De rechtbank heeft dit met partijen besproken, omdat voorstelbaar is dat verweerder zich daardoor onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Anders dan de gemachtigde van eisers stelt, bevatten de aanvullende gronden ook nieuwe beroepsgronden. De gemachtigde van verweerder heeft echter te kennen gegeven dat zij voldoende heeft kunnen reageren op hetgeen door eisers naar voren is gebracht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de late indiening van de aanvullende gronden.\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Eisers voeren aan dat ten onrechte aan hen is tegengeworpen dat hun identiteit niet geloofwaardig is. Hun documenten zijn in Duitsland ingenomen en die hebben zij niet terug weten te krijgen. Daarnaast zijn hun inloggegevens voor E-devlet verlopen en kunnen deze enkel fysiek in Turkije worden hernieuwd. Desondanks hebben eisers familie-uittreksels en andere indirecte bewijsstukken overgelegd. Dat zou voldoende moeten zijn.\n\n11. Verweerder heeft ter zitting de tegenwerping laten vallen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en eiseres 1 ongeloofwaardig is. Volgens verweerder is hun identiteit, nationaliteit en herkomst met het overleggen van de paspoorten in beroep aannemelijk gemaakt. Verweerder houdt vast aan de tegenwerping voor zover het eiseres 2 betreft.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres 2 heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken is dat zij zich heeft ingespannen om haar identiteit gedurende de asielprocedure te onderbouwen met documenten terwijl dit wel van haar verwacht mag worden. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres 2 zich onnodig heeft ontdaan van haar paspoort en identiteit. Zij heeft verklaard dat zij haar paspoort en identiteitskaart heeft gegeven aan de mensensmokkelaars, omdat zij dacht dat zij niks aan deze documenten zou hebben. Die verklaring duidt op het vrijwillig afgeven van haar documenten en dat kan haar worden tegengeworpen. Zij heeft bovendien niet op een andere wijze haar identiteit aannemelijk kunnen maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nHDP-leden als risicogroep\n\n13. Eisers voeren (in hun aanvullende gronden) aan dat HDP-leden ten tijde van hun binnenkomst in Nederland werden aangemerkt als risicogroep en met geringe indicaties aannemelijk konden maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Turkse autoriteiten hadden. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet aan de hand van dit beleid getoetst.\n\n14. Verweerder moet in beginsel uitgaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Verweerder moet namelijk beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment van de asielaanvraag – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is in dit geval onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Eisers hebben verder geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel.\n\n15. In de aanvullende beroepsgronden van 12 augustus 2025 wordt verder verwezen naar een uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2022:6411) waarin onder meer zou staan dat het lidmaatschap van de HDP ‘op zichzelf reeds een reëel risico op vervolging inhoudt’ en dat ‘zelfs geringe betrokkenheid bij de partij aanleiding kan zijn tot vervolging door de Turkse autoriteiten’. Dit is schuingedrukt en met aanhalingstekens weergegeven in de aanvullende beroepsgronden, dus als citaat, maar is niet in de uitspraak terug te vinden. Ook lijkt de strekking van het citaat niet in lijn met bestaande jurisprudentie op dit punt. Hiermee geconfronteerd tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat het citaat waarschijnlijk uit een andere uitspraak komt en dat ze het anders niet weet. Ze heeft het gebruik van ChatGPT ontkend. Deze gang van zaken roept bij de rechtbank vragen op, ook omdat het citaat niet in een andere uitspraak kon worden teruggevonden. In elk geval geldt dat de uitspraak waarop eisers zich hebben beroepen, hen niet kan baten.\n\n16. Eisers hebben verder in beroep enkel verouderde landeninformatie naar voren gebracht. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat uit deze informatie valt af te leiden dat HDP-leden nu nog altijd als risicogroep moeten worden aangemerkt, kan die beroepsgrond alleen al daarom niet slagen.\n\nProblemen vanwege betrokkenheid bij de HDP\n\n17. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte de problemen als gevolg van hun betrokkenheid bij de HDP ongeloofwaardig heeft geacht. Zo is eiser al sinds de jaren ’90 betrokken bij de HDP en heeft hij deelgenomen aan demonstraties, huis-aan-huiscampagnes en de organisatie van bijeenkomsten. Het feit dat eiser minder van de partij zelf afweet vanwege zijn analfabetisme doet niet af aan zijn betrokkenheid bij de partij. Eiseres 1 is ook al sinds 1996 actief bij de partij en heeft gedetailleerd verklaard over haar activiteiten. Bovendien heeft zij een aantal ondersteunende documenten overgelegd. Dat zij niet meer heeft kunnen overleggen is het gevolg van de brand in haar woning. Ook eiseres 2 had beschikking over documenten ter onderbouwing van haar lidmaatschap en activiteiten, maar deze zijn verloren gegaan tijdens politie-invallen. Na het vertrek heeft de politie bovendien een inval gedaan in het huis, waarmee de negatieve aandacht van de autoriteiten wordt bevestigd.\n\n18. Verweerder heeft terecht aan eisers tegengeworpen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk lid zijn (geweest) van de HDP. Verweerder mag in dat kader van eisers verwachten dat zij het lidmaatschap met documenten kunnen onderbouwen, vooral nu zij stellen lange tijd betrokken te zijn geweest bij de partij. Dit geldt vooral voor eiser en eiseres 1. Eiseres 1 stelt bijvoorbeeld sinds 1996 actief te zijn geweest voor de HDP en van haar mag worden verwacht dat zij meer kan overleggen dan een kopie van een handgeschreven lidmaatschapsaanvraag uit 2015 die niet op authenticiteit kan worden gecontroleerd en waaruit niet kan worden afgeleid of zij daadwerkelijk lid is geworden. Gelet op de lange periode dat eiser actief was voor HDP, heeft verweerder ook van eiser mogen verwachten dat hij zijn activiteiten kan aantonen met documenten. Eiseres 2 heeft ook geen documenten overlegd ter onderbouwing voor haar lidmaatschap, terwijl zij zelfs stelt te hebben gewerkt als stembusmedewerker. Verweerder heeft het bevreemdend kunnen vinden dat eisers geen enkel document hebben kunnen overleggen waaruit blijkt dat één van hen lid is geweest van de HDP. Dit heeft verweerder in het nadeel van eisers mogen wegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De stukken die eisers wel hebben overgelegd zeggen niets over het gestelde lidmaatschap van de HDP. Verweerder heeft verder vooral in het geval van eiser en eiseres 1, die decennialang stellen te zijn betrokken bij de HDP en zijn voorgangers, mogen verwachten dat zij op zijn minst gedetailleerd kunnen verklaren over de partij. Eiser heeft bovendien wisselend verklaard over het al dan niet daadwerkelijk lid zijn van de partij.Zeker nu eiser heeft verklaard dat hij een significante rol binnen de partij heeft gespeeld, valt niet in te zien waarom hij niet weet waar de naam van de partij voor staat en wie de partijprominenten zijn. Dat eiser analfabeet is, is geen afdoende verklaring voor dit gebrek aan basale kennis over de HDP. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat eiseres 2 met haar verklaringen onvoldoende kennis over de partij heeft laten blijken.\n\n19. De rechtbank constateert verder dat eisers ook in beroep geen inhoudelijke gronden richten tegen de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun problemen in lijn zijn met de landeninformatie en dat hun verklaringen wel consistent zijn. Dat is echter geen daadwerkelijke betwisting of weerlegging van de door verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegde tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en vaagheden. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eisers in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten vanwege hun (gestelde) activiteiten voor de HDP. Ook van de gestelde problemen hebben eisers geen enkel document overgelegd. Dit terwijl eiseres 1 stelt dat de politie tien keer een inval heeft gedaan in hun huis en dat zij foto’s heeft gemaakt van een huiszoeking in 2020.Eiseres 2 stelt in haar gehoor ook dat haar moeder de inval in juni 2023 heeft gefilmd.Verweerder heeft terecht aan eiseressen tegengeworpen dat zij geen beeldmaterieel hebben overgelegd. De verklaring van eiseres 2 dat zij haar mobiele telefoon heeft verkocht en dus niet beschikt over het beeldmateriaal, heeft verweerder geen afdoende verklaring hoeven vinden. Uit de verklaringen van eiseres 2 komt blijkt bovendien dat zij lange tijd probleemloos in Istanbul heeft kunnen verblijven en alleen enkele keren door de politie is gecontroleerd.\n\n20. In het geval van eiseres 1 komt uit haar verklaringen naar voren dat zij maar een bescheiden rol stelt te hebben vervuld binnen de HDP. Het ligt in dat geval ook op haar weg om aannemelijk te maken dat zij ondanks die bescheiden rol in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Verweerder heeft verder bovendien kunnen concluderen dat het enkele gegeven dat eisers betrokken zouden zijn bij activiteiten van de HDP niet maakt dat zij alleen daarom al een reëel risico lopen op vervolging.\n\n21. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd heeft dat eisers’ gestelde problemen vanwege hun lidmaatschap van en activiteiten voor de HDP ongeloofwaardig zijn.\n\nProblemen vanwege Koerdische afkomst\n\n22. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder de problemen als gevolg van hun Koerdische afkomst ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo duidt de wijze waarop er brand is gesticht in hun (familie)huis in het oosten van Turkije op een gerichte (systematische) aanval op Koerden. Bovendien is sprake geweest van grafschennis.\n\n23. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de brandstichting op hun persoon was gericht en dat daarmee niet is gebleken van een causaal verband tussen de brandstichting en hun Koerdische afkomst. Verder hebben eisers weliswaar foto’s van een afgebrand\u002Fvernield huis overgelegd, maar hieruit valt niet af te leiden dat dit hun huis is. De foto’s bevatten ook geen datum of andere gegevens waaruit meer kan worden afgeleid. Verweerder heeft ook aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over het al dan niet doen van aangifte van de brandstichting. Tijdens het nader gehoor van eiseres 1 heeft zij aangeven dat zij hebben geprobeerd aangifte te doen en dat bij de dorpsoudste hebben aangegeven, die aan hen zou hebben meegedeeld dat dat niet mocht van de gouverneur.Eiseres 2 verklaart dan weer dat eiser en eiseres 1 naar de militairen zijn gegaan en daar aangifte hebben gedaan of dat in elk geval hebben geprobeerd.Eiser zelf verklaart dat zij nooit aangifte hebben gedaan en dat zij dat ook nooit hebben geprobeerd.Deze verklaringen zijn tegenstrijdig met elkaar en eisers hebben deze tegenstrijdigheid niet kunnen ophelderen. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn van de aangifte van zijn echtgenote omdat hij analfabeet is, is geen afdoende verklaring. Dat eiser analfabeet is, betekent namelijk niet dat hij over een dergelijke belangrijke gebeurtenis niet zou kunnen communiceren met zijn echtgenote. De enkele stelling dat vaststaat dat de Turkse autoriteiten dit soort branden stichten bij huizen van Koerden is onvoldoende voor een ander oordeel. Los van het feit dat eisers geen landeninformatie hebben overgelegd waaruit dit blijkt, maakt het enkele gegeven dat iets in algemene zin kan voorkomen nog niet aannemelijk dat dit in het geval van eisers is gebeurd en dat dit is gebeurd vanwege hun Koerdische afkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nKennelijke ongegrondheid\n\n24. Eisers betwisten de kennelijk ongegrondverklaring omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het lidmaatschap van eisers van een erkende risicogroep, te weten de HDP, en met hun concrete en individuele vervolgingservaringen. Hierdoor is de ernstige vervolgingsdreiging niet (voldoende) erkend. Daarnaast is het opgelegde inreisverbod disproportioneel en onevenwichtig, aangezien het hun recht op gezinsleven aantast en geen recht doet aan de gegronde vervolgingsvrees en de nauwe familieband met hun in Nederland verblijvende zoon. Ten slotte is het terugkeerbesluit onrechtmatig omdat het niet voldoet aan het non-refoulementbeginsel; terugkeer naar Turkije brengt voor eisers een reëel risico op ernstige schade mee, terwijl de relevante landeninformatie en persoonlijke vervolgingservaringen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.\n\n25. De rechtbank stelt voorop dat het merendeel van wat eisers bij deze beroepsgrond aanvoeren, hiervoor is besproken door de rechtbank. Daar zal de rechtbank dus verder niet op ingaan.\n\n26. De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvragen van eisers terecht kennelijk ongegrond zijn verklaard door verweerder. In het geval van eiser en eiseres 1 zijn de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid en onder d en e, van de Vw. Verweerder heeft weliswaar in beroep de d-grond (dat eisers zich te kwader trouw hebben ontdaan van hun reispapieren) laten vallen, maar de e-grond is terecht aan eisers tegengeworpen. Dit volgt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. In het geval van eiseres 2 heeft verweerder, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, artikel 30b, eerste lid en onder d, van de Vw aan de afwijzing als kennelijk ongegrond ten grondslag kunnen leggen. Nu verweerder de aanvragen heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, heeft hij niet ten onrechte aan eisers een terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar opgelegd. Het feit dat eiser en eiseres 1 een zoon zouden hebben in Nederland is verder geen reden voor verweerder om af te zien van het opleggen van het inreisverbod.\n\nConclusie en gevolgen\n\n27. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.\n\n28. De vergoeding van proceskosten wordt, gelet op de overwegingen onder 2 en 3, vastgesteld op in totaal € 453,50.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres 2 niet-ontvankelijk;\n\nverklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres 2.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Nader gehoor eiser, pagina 8 en zienswijze eiser, pagina 1.\n\n Nader gehoor eiseres 1, pagina 16 en 17.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 14.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 8-11.\n\n Nader gehoor eiseres 1, pagina 20.\n\n Nader gehoor eiseres 2, pagina 12 en 13.\n\n Nader gehoor eiser, pagina 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22590","2025-11-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.642Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":136,"fullText":137,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":31,"updatedAt":140},"377","ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","ecli-nl-rbdha-2025-21177","2025-11-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28199\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder zaaknummer NL25.28200, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rutayoberana, als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser stelt te zijn [naam eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1998 en burger van de\n\nDemocratische Republiek Congo (DRC).\n\n2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot de bevolkingsgroep van de Tutsi’s behoort. De Tutsi’s vormen een minderheid in de DRC en eiser heeft hierdoor problemen ervaren. Eiser is afkomstig uit de regio Kivu waar een ernstig conflict gaande was en eiser is meegenomen en gedetineerd door militairen van [persoon C] (jongeren die aan de kant van de regering vechten). Eiser is hierbij ernstig mishandeld. Eiser is op een gegeven moment vrij gekomen en daarna heeft hij de DRC verlaten. In de periode van 2013 tot 2018 heeft eiser in Oeganda verbleven en in 2024 is hij naar Oeganda teruggekeerd en heeft hij voor de duur van ongeveer één jaar daar verbleven.\n\nBestreden besluit\n\n3. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers detentie door militairen van [persoon C] .\n\n4. Verweerder heeft het eerste asielmotief ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven, heeft hij onvoldoende documenten overgelegd en heeft hij daarvoor geen goede verklaring gegeven en vormen eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht, heeft verweerder het tweede asielmotief niet getoetst.\n\n5. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen (op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Volgens verweerder heeft eiser een identiteits- of reisdocument vernietigd of weggemaakt. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.\n\nDe beroepsgronden\n\n6. Volgens eiser heeft verweerder het eerste asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht en had verweerder ook het tweede asielmotief moeten toetsen. Eiser voert daartoe ten eerste aan dat alles wat eerder is aangevoerd, in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder is hem ten onrechte verweten dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft overgelegd. De oorspronkelijke identiteitsdocumenten zijn tijdens de arrestatie afgepakt. Verder zijn eiser en zijn broer geholpen door een reisagent die de documenten onder zich heeft gehouden. Omdat eiser en zijn broer vanuit detentie vrij snel hun land hebben verlaten is er geen gelegenheid geweest om nieuwe identiteitsdocumenten te verkrijgen. De pogingen die eiser heeft ondernomen, zijn voldoende om aan te tonen dat het niet is gelukt om documenten te verkrijgen. Ten aanzien van eisers verklaringen over de namen van verschillende gewapende groeperingen, verwijst eiser naar zijn beperkte referentiekader. Waarom eiser weinig heeft kunnen vertellen over [persoon A] heeft eiser al uitgebreid toegelicht. [persoon A] was een vriend van [persoon B] , die eiser en zijn broer heeft geholpen. Volgens eiser kan het bijkomen van de folteringen als reden voor de gebrekkige waarnemingen tijdens zijn reis worden gezien. Eiser persisteert in zijn verklaring dat hij zelf geen paspoort in handen heeft gehad.\n\n7. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen. Dat klemt temeer nu eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost-Congo.\n\n8. Tot slot voert eiser aan dat aan hem prematuur een terugkeerbesluit is opgelegd en dat het in terugkeerbesluit ten onrechte drie landen worden genoemd waarnaar hij zou kunnen terugkeren, enkel op basis van het feit dat de taal die hij spreekt voorkomt in genoemde landen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn, maar kan verweerders inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiser wel standhouden. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand. De rechtbank licht dat hieronder verder toe.\n\nGeloofwaardigheid identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n10. Verweerder heeft een geloofwaardigheidstoets toegepast op het eerste asielmotief omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. Deze toets heeft verweerder - in lijn met de Werkinstructie 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) (de werkinstructie) - verricht aan de hand van de criteria van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Verweerder toetst in dit kader onder meer of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw). Daarbij ligt de focus op de verklaringen die de vreemdeling ten aanzien van het asielmotief heeft afgelegd. Hierbij wordt gekeken naar wat de vreemdeling zelf heeft verklaard én naar wat bekend is aan de hand van andere bronnen (p. 6 van de werkinstructie).\n\n11. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet samenhangend en aannemelijk zijn in de zin van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw. Eiser heeft volgens verweerder consistente verklaringen afgelegd over dat hij Tutsi is en hij spreekt Kinyarwanda. Hij heeft antwoord gegeven op de herkomstvragen en dit is herleidbaar tot het gebied waar eiser stelt vandaan te komen. Verweerder heeft zich op dit punt verder beperkt tot de motivering dat dat wat eiser over zijn paspoort en over zijn reis naar Nederland heeft verklaard onlogisch, vaag en ongerijmd is. Hoewel de rechtbank deze motivering kan volgen, zijn deze verklaringen slechts indirect aan het asielmotief te verbinden. Eisers verklaringen over wie hij is en waar hij vandaan komt zijn namelijk wel consistent. Hij heeft van meet af aan verklaard dat hij [naam eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] 1998 en dat hij de Congolese nationaliteit heeft. Er zijn geen aliassen van eiser tegengeworpen of anderszins dat hij hierover tegenstrijdig of inconsistent heeft verklaard. Verweerder heeft dit ten onrechte niet (kenbaar) meegewogen bij de beoordeling van het eerste asielmotief.\n\n12. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van het eerste asielmotief op verschillende momenten ten onrechte ook het tweede asielmotief betrokken in plaats van zich te beperken tot zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Zo heeft verweerder de tegenwerping dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd gemotiveerd met de stelling dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven. Daarbij is verweerder onder meer ingegaan op tegenstrijdigheden in het kader van eisers gevangenneming, zijn vrijlating, en van de persoon [persoon A] , die eiser zou hebben geholpen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet gek is, aangezien eiser heeft verklaard dat zijn kiespas is afgenomen bij zijn gevangenneming. Ook hier oordeelt de rechtbank dat deze verklaringen in een te indirect verband staan tot het asielmotief dat verweerder op dat moment stelt te beoordelen. Het standpunt van verweerder dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn asielmotieven is ook niet goed te rijmen met verweerders stelling dat het tweede asielmotief niet te beoordelen valt vanwege de ongeloofwaardigheid van het eerste asielmotief.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit daarom als het gaat om het eerste asielmotief onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgronden die hiertoe strekken slagen. Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst – ongeacht of hij uit de DRC, Oeganda of Rwanda komt – op zichzelf onvoldoende grond is voor asiel, zal de rechtbank hierna zijn asielrelaas op inhoud beoordelen. De rechtbank doet dit uit het oogpunt van efficiëntie en finale geschilbeslechting.\n\nGeloofwaardigheid detentie door militairen van [persoon C]\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061), blijkt dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank is echter van oordeel dat – ook als ervan uit wordt gegaan eiser inderdaad uit de DRC komt (zoals hij stelt) – verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is.\n\n15. In dat kader heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd over de groepering die hem heeft meegenomen en gevangen heeft gezet. Zo heeft eiser tijdens het gehoor in het kader van zijn asielaanvraag op 12 oktober 2024 verklaard dat de groepering FARD hem heeft ontvoerd en mishandeld en dat hij is meegenomen naar een kamp en dat een vriend van zijn vader hem uit detentie heeft geholpen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter niet over groepering FARD of M23 verklaard, maar heeft hij verklaard dat hij is opgepakt door jongeren die aan de kant van de regering vochten, [persoon C] genaamd. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij eenduidig verklaart over welke groepering hem nu daadwerkelijk gedetineerd had. Dat eiser een beperkt referentiekader heeft en weinig onderwijs heeft gevolgd, maakt niet dat in het geheel niet van hem kan worden verwacht dat hij hierover duidelijk en consistent kan verklaren.\n\n16. Eiser heeft verder tijdens het nader gehoor verklaard dat hij door [persoon A] , een man die hij niet kende of eerder had gezien, is geholpen. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden dat eiser met behulp van [persoon A] zou zijn vrijgelaten terwijl eiser ook heeft verklaard dat de plaats door veel militairen werd bewaakt en mensen niet levend van deze plek weg konden gaan. Ook heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door middel van omkoping is vrijgekomen. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij kon verklaren over [persoon A] . Eiser heeft niet meer over hem kunnen verklaren dat hij deze man niet kende en dat hij hem in detentie heeft ontmoet. Tegelijkertijd heeft eiser verklaard dat [persoon A] er niet alleen voor heeft gezorgd dat eiser is vrijgekomen, maar heeft hij eiser ook geld gegeven, zijn reis geregeld en een tas met kleding aan hem gegeven. Verweerder heeft dit bevreemdend kunnen vinden.\n\n17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor genoemde tegenwerpingen van verweerder voldoende voor het oordeel dat verweerder het tweede asielmotief niet geloofwaardig had hoeven achten.\n\nKennelijk ongegrond\n\n18. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen vanwege het vernietigen of wegmaken van een identiteitsdocument (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw). Eiser stelt afdoende te hebben uitgelegd hoe het komt dat hij geen identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen.\n\n19. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op eisers verklaring dat hij zelf nooit een reisdocument in handen heeft gehad. Deze verklaring heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, nu volwassenen op de luchthaven Schiphol individueel worden gecontroleerd op reisdocumenten. Het ligt niet voor de hand dat een andere persoon dit document ter controle heeft aangeboden. Dat eiser en zijn broer zijn gevlucht in een periode van actieve gevechtshandelingen tussen militairen en gewapende groeperingen in Oost Congo maakt niet dat verweerder het niet overleggen van een reisdocument of identiteitsdocument niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.\n\nPrematuur terugkeerbesluit \u002F terugkeerbesluit met meerdere landen \u002F inreisverbod\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het feit dat eiser de taal Kinyarwanda machtig is in het terugkeerbesluit kunnen bepalen dat eiser terug moet keren naar de DRC, Oeganda of Rwanda. Nu verweerder de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, heeft verweerder een vertrektermijn van 0 dagen moeten hanteren en een inreisverbod moeten opleggen. Van een prematuur terugkeerbesluit is gezien het voorgaande geen sprake.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtsgevolgen van het besluit zal de rechtbank in stand laten omdat verweerder zich met de gegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\nveroordeelt verweerder in de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21177","2025-11-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.766Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":145,"fullText":146,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":31,"updatedAt":149},"324","ECLI:NL:RBDHA:2025:8950","ecli-nl-rbdha-2025-8950","2025-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.5321\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. N. Ulutas).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n3. Eiser heeft op 12 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007, van Eritrese nationaliteit te zijn en te behoren tot de Tigrinja bevolkingsgroep. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 30 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n5. De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is door zijn moeder met twee jongens, genaamd [naam 2] en [naam 3] , meegestuurd om te vluchten uit Eritrea voor de militaire dienstplicht. Eiser heeft samen met deze twee jongens Eritrea illegaal verlaten. Eiser heeft bezwaar tegen het vervullen van de militaire dienstplicht, omdat zijn wens is om gewoon een baan te hebben en dit in Eritrea niet kan vanwege de trainingen en de verplichte dienstplicht. Eiser kan niet terugkeren naar Eritrea omdat hij dan in militaire dienst moet.\n\nHet bestreden besluit\n\n7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nIllegale uitreis uit vrees voor toekomstige dienstplicht.\n\n8. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Verweerder heeft eisers asielrelaas daarom niet verder inhoudelijk beoordeeld.\n\n9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit 30 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit.\n\nDe beroepsgronden\n\n10. Eiser betoogt, kort gezegd, dat verweerder hem ten onrechte niet volgt in zijn opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst. Hij voert verder aan dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en, in het verlengde hiervan, ten onrechte een vertrektermijn van nul dagen heeft opgelegd en hieraan een inreisverbod heeft verbonden.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst\n\n11. Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet onderbouwd met objectieve bewijsstukken. Verweerder heeft daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw (de verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel) en artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw (eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd).\n\n12. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992) heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat als verweerder twijfels heeft over de minderjarigheid van een vreemdeling, als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid geldt. Dat betekent dat verweerder dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. Het is dan aan verweerder om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Verweerder zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als verweerder na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren. Bij dit onderzoek zal verweerder ook moeten samenwerken met de vreemdeling. Daarbij moet verweerder rekening houden met de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, en vreemdelingen bij het ontbreken van bewijsmateriaal onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven.\n\n13. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 verder overwogen dat als verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling mag betrekken en daaraan gewicht mag toekennen. Verweerder zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal verweerder zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en\u002Fof verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.\n\nHet verhoor bij de AVIM en het aanmeldgehoor\n\n14. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag in Nederland verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007. Hij stelt dus minderjarig te zijn. Dat betekent dat verweerder van het vermoeden moet uitgaan dat eiser minderjarig is en eiser als minderjarige moest behandelen. Het is dan aan verweerder om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Omdat eiser minderjarig stelde te zijn en hij dit niet kon aantonen met bewijsmiddelen, heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden. De AVIM heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Dat, zoals eiser betoogt, de conclusies van de AVIM buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat tijdens het gehoor bij de AVIM het belang van het kind onvoldoende in acht is genomen, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het gehoor bij de AVIM volgt niet dat het gehoor op een zodanige manier is verlopen of tijdens het gehoor dusdanige vragen zijn gesteld dat moet worden geoordeeld dat het gehoor kind-onvriendelijk was. Verder betekent de presumptie van minderjarigheid, zoals verweerder niet ten onrechte heeft overwogen, niet dat eisers verklaringen kritiekloos moeten worden aanvaard of dat hem geen kritische vragen mogen worden gesteld. Verder volgt uit het proces-verbaal van het verhoor bij de AVIM afdoende waarom is geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De AVIM heeft bij deze conclusie niet alleen de verklaringen van eiser betrokken, maar ook zijn lichamelijke kenmerken en zijn gedrag. De rechtbank overweegt verder, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, dat artikel 25, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn verweerder niet verplicht tot een medisch leeftijdsonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om een medisch leeftijdsonderzoek aan te bieden.\n\n15. De omstandigheid dat tijdens het verhoor bij de AVIM geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk, betekent ook niet dat het verslag van het verhoor bij de AVIM buiten beschouwing moet worden gelaten. Op grond van artikel van 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv)maken onder andere de IND en de politie uitsluitend gebruik van beëdigde tolken (registertolken) of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is, als wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf als het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid van artikel 28 van de Wbtv met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.\n\n16. Uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), volgt dat artikel 28, derde lid, van de Wbtv voor de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in dat lid vermelde redenen moet zijn.\n\n17. Niet in geschil is dat tijdens het verhoor bij de AVIM op 12 augustus 2023 geen gebruik is gemaakt van een registertolk en dat een duidelijke reden hiervoor niet in het verslag van het verhoor, het voornemen of het besluit is vastgelegd. Verweerder heeft daarmee niet gemotiveerd waarom de inzet van een niet-registertolk was gerechtvaardigd tijdens dat verhoor. Dat maakt dat sprake is van een gebrek. De rechtbank zal het bestreden besluit echter niet vernietigen maar het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat er geen gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk, omdat deze op dat moment niet beschikbaar was. Niet is gebleken dat eiser tijdens het verhoor bij de AVIM de niet-registertolk niet heeft kunnen verstaan of dat de tolk hem niet heeft begrepen. Eiser heeft geen correcties en aanvullingen over dit gehoor ingediend en heeft ook in de zienswijze bijvoorbeeld niets opgemerkt over het verhoor bij de AVIM.\n\n18. De omstandigheid dat tijdens het verhoor bij de AVIM (evenals bij het aanmeldgehoor AMV) geen medewerker van de wettelijk vertegenwoordiger van eiser (stichting Nidos) aanwezig was, leidt niet tot het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser zonder aanwezigheid van stichting Nidos te horen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat stichting Nidos dagelijks een lijst krijgt toegestuurd met minderjarigen die worden gehoord, zoals dat ook is vermeld in Werkinstructie 2023\u002F6 Leeftijdsbepaling. Het is verweerder niet bekend waarom er niemand van stichting Nidos aanwezig was. Verweerder heeft stichting Nidos dus in de gelegenheid gesteld om aanwezig te zijn.\n\n19. Na het aanmeldgehoor is geoordeeld dat er twijfel bestaat over eisers leeftijd. Verweerder heeft vervolgens een aanvullend onderzoek in Italië uitgezet. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser in Italië geregistreerd staat als Abel Abraha, geboortedatum 12 maart 2001, met de Ethiopische nationaliteit. Hoewel verweerder het (kleine) verschil in de geregistreerde namen niet aan eiser tegenwerpt, wijst verweerder er terecht op dat eisers geboortedatum en nationaliteit in Italië en Nederland niet overeenkomen.\n\nEisers verklaringen over de registratie in Italië\n\n20. Eiser heeft over de leeftijdsregistratie in Italië verklaard dat deze registratie alleen is gebaseerd op een verklaring. Verweerder heeft, in lijn met de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2024, geïnformeerd onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd en heeft voldoende gemotiveerd dat eisers verklaringen over de registratie in Italië tegenstrijdig en niet plausibel zijn. Eiser heeft tijdens het gehoor bij de AVIM verklaard dat hij verschillende leeftijden en soms de Ethiopische nationaliteit heeft opgegeven bij de registraties in Italië en Frankrijk (p. 4). Tijdens het aanmeldgehoor AMV (p. 4 en 11) en het aanvullend gehoor (p. 7) heeft hij echter verklaard dat dat een andere jongen hem in Italië registreerde. Ook heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor (p. 11 en 12) verklaard dat hij er pas in Nederland achter kwam dat hij in Italië geregistreerd stond als Ethiopiër, dat hij dit niet zelf heeft gedaan en dat hij dit niet wist. Verweerder stelt terecht dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn. Eiser heeft immers enerzijds verklaard dat hij zichzelf in Italië en Frankrijk heeft geregistreerd met verschillende leeftijden en soms de Ethiopische nationaliteit, terwijl hij later heeft verklaard dat een andere jongen dit voor hem heeft gedaan. Overigens heeft eiser in het aanmeldgehoor (p. 11) ook verklaard dat de volwassen man (en dus niet jongen) met wie hij reisde hem als volwassene heeft aangemeld. Van eiser mocht worden verwacht dat hij hier consistent over kan verklaren. Verweerder stelt niet ten onrechte dat, nu eiser niet consistent heeft verklaard, dit de geloofwaardigheid van zijn verklaringen ondermijnt.\n\n21. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de registratie in Italië niet juist is. Dat eiser, zoals hij tijdens het aanvullend gehoor (p. 7) heeft verklaard, de taal niet sprak en daardoor de andere jongen hem liet registreren, heeft verweerder geen afdoende verklaring hoeven vinden voor de afwijkende registratie. Hetzelfde geldt voor eisers verklaring (aanvullend gehoor p. 7) dat hij door een registratie als meerderjarige kon doorreizen. Het is eisers eigen verantwoordelijkheid om correcte en consistente gegevens aan te leveren. Eiser had, zoals verweerder niet ten onrechte vindt, aan de autoriteiten of aan de jongen die hem registreerde, kunnen vragen naar de registratie. Verweerder meent verder niet ten onrechte dat eiser geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij in Italië is geregistreerd met de Ethiopische nationaliteit. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet waarom de andere jongen heeft gezegd dat hij uit Ethiopië komt en dat hij enkel vermoedt dat deze jongen zijn eigen nationaliteit heeft opgegeven (aanvullend gehoor, p. 6 en 7). Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het eiser is aan te rekenen dat hij niet controleerde hoe de andere jongen hem registreerde. Eiser is immers zelf verantwoordelijk voor een correcte registratie van zijn gegevens.\n\nEisers verklaringen over zijn gestelde minderjarigheid\n\n22. Verweerder vindt niet ten onrechte dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn gestelde minderjarige leeftijd. Zo heeft eiser op de vraag tijdens het gehoor door de AVIM (p. 4) waarom geloofd moet worden dat hij minderjarig is, geantwoord: ‘Ik wil naar school, waarom zou ik dan liegen?’ en ‘Hier vind ik de beste school’. Verweerder vindt niet ten onrechte dat dit geen plausibele verklaring is om eisers gestelde minderjarigheid aannemelijk te maken, omdat een meerderjarige wellicht ook naar school wil. Zoals de rechtbank eerder, onder overweging 14 al heeft overwogen, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat tijdens het gehoor bij de AVIM het belang van het kind onvoldoende in acht is genomen. Van eiser mocht worden verwacht dat hij concreter kon verklaren over zijn gestelde minderjarigheid.\n\nEisers verklaringen over zijn herkomst\n\n23. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn herkomst. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor (p. 5) verklaard dat hij is geboren in Omhajer, Eritrea, en dat hij hier tot zijn vlucht in 2014 heeft gewoond. Eiser kon omliggende plaatsen, gebedshuizen, scholen, een begraafplaats en de rivier noemen (aanmeldgehoor p. 5 en 6). Hoewel eiser deze (algemene) aspecten heeft genoemd, kan deze informatie afkomstig zijn van andere bronnen en bevatten deze verklaringen geen persoonlijke details over eisers eigen ervaring. Verweerder heeft daarom ook verdiepende vragen over eisers herkomst gesteld. Op de vraag of de kerk een klok heeft, een toren of juist een plat dak heeft eiser verklaard dat hij dit niet weet. Hetzelfde geldt voor de vraag of de kerk een begraafplaats had. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij de kerk in die tijd heeft bezocht voor lessen (aanmeldgehoor AMV, p. 6 en aanvullend gehoor, p. 9). Er mocht daarom van eiser worden verwacht dat hij grote kenmerken van deze kerk kon benoemen. Verweerder werpt eiser verder niet ten onrechte tegen dat hij zijn favoriete Eritrese gerecht niet kan benoemen en dat hij geen herinneringen heeft wat betreft het vieren van feestdagen in Eritrea (aanvullend gehoor, p. 9). Nu eiser een deel van zijn kindertijd in Eritrea stelt te hebben gewoond en de vragen gaan over onderwerpen van het dagelijks leven van een kind, mag worden verwacht dat hij deze vragen over zijn herkomst grotendeels kon beantwoorden. Ook als eiser in de periode waarnaar werd gevraagd nog jong was, sprake is van een gebrek aan scholing en herinneringen kunnen vervagen, leidt dit niet tot een ander oordeel, omdat de vragen zo gesteld zijn dat ze aansluiten bij eisers referentiekader en ook te beantwoorden zijn voor kinderen (aanvullend gehoor p. 8). Verwacht mocht worden dat eiser specifiekere informatie kon verstrekken dan hij heeft gedaan. Uit het advies van MediFirst van 30 april 2024 blijkt ook niet dat er een medische oorzaak ten grondslag ligt aan de summiere verklaringen van eiser.\n\n24. Verweerder vindt verder niet ten onrechte dat eiser ook nauwelijks heeft kunnen verklaren over zijn reis van Eritrea naar Ethiopië en de oversteek van de grensrivier (nader gehoor p. 10, 11, 15 en aanvullend gehoor p. 4 en 5). Nu dit belangrijke gebeurtenissen zijn geweest en eiser heeft verklaard dit zelf te hebben meegemaakt, mag worden verwacht dat hij hierover enige verklaringen kon afleggen. De vragen die zijn gesteld kunnen ook geschikt worden geacht voor eisers leeftijd, zoals het beschrijven van opvallende kenmerken of situaties. De stelling dat eiser zich niets meer kan herinneren van zijn tijd in Eritrea (aanvullend gehoor p. 9), betekent niet dat dit niet van hem mag worden verwacht.\n\nEisers verklaringen over zijn verblijf in vluchtelingenkampen\n\n25. Verweerder vindt terecht dat eisers verklaringen over zijn verblijf in vluchtelingenkampen tegenstrijdig zijn. Eiser heeft tijdens het gehoor bij de AVIM (p. 3) verklaard dat hij in vluchtelingenkampen in Ethiopië en Sudan heeft verbleven. Tijdens het aanmeldgehoor AMV (p. 13 en 14) heeft hij echter verklaard dat hij nooit bescherming heeft gezocht bij een VN-organisatie of in een VN-vluchtelingenkamp in Ethiopië en Sudan heeft verbleven. Verweerder vindt niet ten onrechte dat deze tegenstrijdige verklaringen twijfels oproepen aan de betrouwbaarheid van eisers verklaringen. Nu eiser tijdens het aanmeldgehoor AMV heeft ontkend in een vluchtelingenkamp te hebben verbleven, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om hierover door te vragen of bij VN-organisaties na te gaan hoe eiser daar staat geregistreerd.\n\nConclusie identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n26. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiser daarom niet ten onrechte niet gevolgd in zijn verklaring dat hij is geboren op [geboortedatum] 2007 en de Eritrese nationaliteit heeft. Verweerder vindt niet ten onrechte dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw). Verder vindt verweerder niet ten onrechte dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw). Het verschil tussen de in Nederland opgegeven gegevens en de registratie in Italië betekent immers dat hij in één of beide landen valse gegevens heeft opgegeven.\n\nKennelijk ongegrond, terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n27. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder kon de asielaanvraag van eiser daarom afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw en in het verlengde daarvan een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen opleggen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitvaardigen .\n\nConclusie en gevolgen\n\n28. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Gelet op het onder 17 geconstateerde gebrek ziet de rechtbank wél aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:8950","2025-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.442Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":130,"parsedAt":31,"updatedAt":157},"353","ECLI:NL:RBDHA:2025:22593","ecli-nl-rbdha-2025-22593","2025-04-11T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht zaaknummer: NL24.42498\n\nTussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Congolese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. Hij heeft op 21 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.1.1.. De rechtbank heeft beroep eerst op 7 februari 2025 op zitting behandeld. Hierbij is enkel de gemachtigde van verweerder verschenen. De rechtbank heeft, na contact te hebben opgenomen met de toenmalige gemachtigde van eiser (mr. O. Sarac), de zaak aangehouden om de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen de zaak over te dragen aan een andere gemachtigde.1.2.. Op 13 februari 2025 heeft mr. D.H. Yabasun zich gesteld als (nieuwe) gemachtigde van eiser.\n\n1.3.. Eiser heeft op 20 februari en 2 maart 2025 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft verweerder gevraagd te reageren op de (veiligheids)situatie in Oost-Congo. Verweerder heeft hier bij bericht van 10 maart 2025 op gereageerd. Eiser heeft vervolgens op 12 maart 2025 op het standpunt van verweerder gereageerd.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 14 maart 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, F. den Hengst als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nDe eerdere asielprocedure2.1.. Eiser heeft eerder, op 17 april 2015, asiel aangevraagd. Aan deze aanvraag heeft eiser – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij lid was van een politieke organisatie en zich inzette voor mensenrechten in Congo. Hij moest echter het land ontvluchten omdat hij onder druk werd gezet door (militante) groeperingen. Hierbij is zijn huis in brand gestoken.\n\n2.2.. \n\nMet het besluit van 1 juni 2015 heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Congolese autoriteiten en de aanvraag afgewezen als ongegrond. Met de uitspraak van 19 juni 2015 (AWB 15\u002F10798) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 21 juli 2015 het hoger beroep van eiser ongegrond verklaard. Daarmee staat dit besluit in rechte vast.\n\nDe huidige asielaanvraag\n\n3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij wordt vanwege zijn politieke activiteiten beschuldigd van terrorisme in Congo en vreest als gevolg daarvan voor vervolging. Ter onderbouwing van deze vrees heeft eiser verschillende (nieuwe) stukken overgelegd. Volgens eiser is de overgelegde lijst met terrorismeverdachten opgesteld door [persoon A] , een voormalig minister in Congo. Hij vreest bovendien voor vervolging omdat hij heeft meegewerkt aan een interview met een journalist. Deze journalist is vervolgens gearresteerd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een kopie van een arrestatiebevel overgelegd.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Eisers naam komt voor op een lijst die is opgesteld door [persoon A] ;\n\n3. Eiser heeft een interview gegeven, waarna journalist [persoon B] is opgepakt omdat ze naar eiser op zoek zijn.\n\nVerweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder stelt zich echter op standpunt dat de twee overgebleven asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Het geloofwaardig geachte asielmotief maakt volgens verweerder niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat het een opvolgende aanvraag betreft, heeft verweerder de aanvraag bij bestreden besluit afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw.\n\nJuridisch kader\n\n5. Het voor deze uitspraak relevante juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe lijst met namen opgesteld door [persoon A]\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat de overgelegde lijst, waar eiser op staat, wel degelijk door [persoon A] (een voormalig minister) is opgesteld onder het pseudoniem [pseudoniem] . Dat dit dezelfde persoon betreft blijkt uit de overgelegde blogs en artikelen. De personen op deze lijst worden gezocht door de Congolose autoriteiten. Dit blijkt onder meer uit de arrestatie van ‘ [naam] ’, die op de lijst staat vermeld.6.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overgelegde lijst daadwerkelijk afkomstig is van [persoon A] . Eiser stelt weliswaar bewijsstukken te hebben overgelegd dat [pseudoniem] een pseudoniem van [persoon A] is, maar uit de in bezwaar overgelegde blogs en artikelen kan niet duidelijk worden afgeleid dat dit dezelfde persoon betreft. Er worden uitsluitend op basis van stijl- en taalovereenkomsten conclusies getrokken over de ware identiteit van de opsteller van de lijst. Deze blogs en artikelen zijn bovendien onvertaald en niet op echtheid te controleren. Eiser heeft ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de lijst afkomstig is van [persoon A] . Hierbij komt dat, mocht [pseudoniem] dezelfde persoon zijn, dat nog steeds niet aannemelijk maakt dat de lijst authentiek is en vervolgens betekent de enkele omstandigheid dat eisers naam voorkomt op een lijst niet dat eiser alleen al daarom gevaar loopt bij terugkeer. Dat [naam] gearresteerd is en dat zijn naam voorkomt op de lijst, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat [naam] is gearresteerd omdat hij op de lijst voorkomt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInterview door journalist [persoon B]\n\n7. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is geïnterviewd door een journalist ( [persoon B] ). Deze journalist kwam aan zijn gegevens via de discussiegroepen waar eiser lid van is. Het voelde daarom vertrouwd om een interview af te geven aan de journalist. Het kan eiser vervolgens niet worden verweten dat hij niet meer kan verklaren over het al dan niet uitzenden van het interview. Eiser heeft immers vanuit Nederland geen toegang tot Congolese radiostations. Hij herinnerde zich tijdens het gehoor weliswaar niet welk radiostation hem heeft geïnterviewd, maar heeft dit in de correcties en aanvullingen rechtgezet. Als gevolg van dit interview is de journalist gearresteerd. De advocaat van de journalist heeft eiser verteld dat dit het gevolg was van het interview.7.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het interview dat hij zou hebben gegeven aan de journalist. Eiser stelt namelijk tijdens het nader gehoor op 18 oktober 2024 dat hij niet wist wie de journalist was, hoe de journalist aan zijn gegevens was gekomen en voor welk radiostation hij werkzaam was. In beroep stelt eiser dat hij de journalist kende van de discussiegroep waar hij lid van was en dat het voor hem daarom vertrouwd aanvoelde. Die niet aannemelijk gemaakte stelling komt echter geenszins overeen met wat eiser heeft verklaard tijdens het nader gehoor en kan daarom niet afdoen aan die verklaringen. Op basis van die verklaringen – eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd die onderbouwen dat het interview heeft plaatsgevonden – heeft verweerder het ongeloofwaardig kunnen vinden\n\ndat eiser zou meewerken aan het interview met de journalist. Vooral nu eiser kennelijk wel voorzichtig is in zijn doen en laten, aangezien hij stelt dat hij kort na het interview zijn mobiele nummer heeft veranderd.\n\n7.2.. \n\nHet door eiser overgelegde arrestatiebevel betreft een kopie van een arrestatiebevel dat is uitgevaardigd jegens ‘journalist [persoon B] ’. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat op het arrestatiebevel niet de volledige naam van de journalist staat vermeld. Eiser verwijst weliswaar naar voorbeelden van arrestaties, maar uit die voorbeelden blijkt niet dat de arrestatiebevelen in die gevallen ook onvolledige gegevens hebben bevat. Eiser heeft ter zitting nog verklaard dat er geen goede bevolkingsregistratie is en dat hij daarom mensen bij de naam noemt die zij zelf gebruiken. Verweerder heeft hierover echter kunnen opmerken dat de praktijk van het dagelijks leven van een andere orde is dan een arrestatiebevel. Het overgelegde krantenartikel kan eiser ook niet baten, nu verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat het artikel significant anders is opgemaakt dan de andere artikelen op de overgelegde krantenpagina en dat dit artikel via internet niet is terug te vinden, terwijl de andere artikelen wel zijn teruggevonden (in de krant La Prospérité), zodat getwijfeld wordt aan de authenticiteit van het artikel. Dat eiser dit artikel heeft ontvangen van een advocaat in Congo kan zo zijn, maar doet niet af aan de terechte conclusie van verweerder dat hier geen bewijswaarde aan kan worden toegekend. Bovendien is niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser is geïnterviewd door [persoon B] , dus zelfs als het arrestatiebevel echt zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt dat eiser hierdoor zelf risico loopt om vervolgd te worden bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n15c situatie in Zuid-Kivu\n\n8. Eiser wijst ten slotte op het gegeven dat verweerder volgens zijn thans geldende beleid1 aanneemt dat er in Oost-Congo (Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri) een situatie heerst zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, waarbij sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld. Nu eiser uit Zuid-Kivu afkomstig is, zou hij bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Bovendien is er geen sprake van een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa. Uit openbare bronnen blijkt immers dat in Kinshasa sprake is van discriminatie en mishandelingen van personen afkomstig uit Oost-Congo.\n\n9. Verweerder heeft zich – desgevraagd – op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een 15c-situatie, maar dat er in zijn geval een binnenlands beschermingsalternatief is in Kinshasa. Eisers asielrelaas is immers ongeloofwaardig geacht en zijn vrees voor ernstige schade is daarom enkel te wijten aan de situatie in Zuid-Kivu. Eiser voldoet aan de voorwaarden opgenomen in paragraaf 11.5.2 van WBV 2024\u002F12. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich niet zou kunnen vestigen in Kinshasa. Hij heeft daar eerder gewoond.\n\n10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niets heeft opgenomen over de situatie in Oost-Congo en dat niet is getoetst aan artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Dit terwijl verweerder reeds per 1 juli 2024 in zijn beleid heeft opgenomen dat in de provincie waar eiser uit afkomstig is de hoogste mate van willekeurig geweld heerst in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder geen aanvullend besluit heeft genomen. Al om deze redenen\n\n1. WBV 2024\u002F12, zie bijlage.\n\nkleeft aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat is aangevoerd in de brief van 10 maart 2025 en ter zitting niet alsnog voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\n10.1.. In paragraaf C2\u002F3.4 van de Vc is omschreven dat verweerder een ander gebied in het land van herkomst aanneemt als vlucht- of vestigingsalternatief als het – kort gezegd – gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw óf toegang heeft tot bescherming. Daarnaast moet de vreemdeling op veilige en wettige wijze kunnen reizen naar en toegang kunnen verkrijgen tot dat gebied van het land van herkomst en moet van de vreemdeling redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.2 Verweerder heeft ter zitting in essentie volstaan met het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij risico loopt op ernstige schade of vervolging in Kinshasa, maar verweerder heeft hiermee niet kenbaar aan de hand van zijn beleid beoordeeld of aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bovendien miskent verweerder met dit standpunt dat de bewijslast voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in eerste instantie niet bij de vreemdeling, maar bij de minister ligt.3 Verweerder heeft niet aan die bewijslast voldaan en heeft enkel gesteld dat eiser eerder (in 1996) in Kinshasa heeft verbleven en daar geen risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM, terwijl eiser op – of eigenlijk vóór – zijn beurt meerdere omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit volgens hem zou volgen dat Kinshasa niet kan worden tegengeworpen als beschermingsalternatief. Verder heeft verweerder wel gesteld dat eiser voldoet aan de specifieke voorwaarden voor het tegenwerpen van een beschermingsalternatief in Congo, genoemd in paragraaf 11.5.2 van WBV 2024\u002F12, maar heeft hij dit onvoldoende toegelicht, mede in het licht van wat eiser naar voren heeft gebracht.10.2.. \n\nGelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de voorwaarden die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Verweerder dient dit alsnog te doen. Bij de alsnog te verrichten beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandighedenin dat deel, en depersoonlijke omstandighedenvan de vreemdeling. Hierbij dient verweerder in elk geval de door eiser in deze procedure aangevoerde omstandigheden te betrekken.\n\nRechtmatigheid terugkeerbesluit\n\n11. Eiser voert ten slotte nog aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft volstaan met een verwijzing naar het terugkeerbesluit van 1 juni 2015. In dat terugkeerbesluit is namelijk geen land van terugkeer opgenomen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen geactualiseerde beoordeling gemaakt van het risico op refoulement.\n\n11.1.. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) volgt dat de staatssecretaris het ten onrechte niet noemen van het land van terugkeer in een eerder besluit kan herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt\n\n2 Zie bijlage.\n\n3 Uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:42 r.o. 5.1.\n\nnaar welk land de vreemdeling moet terugkeren. Uit deze uitspraak volgt ook dat een aanvullend besluit achterwege kan blijven indien uit de motivering van het eerder genomen terugkeerbesluit ondubbelzinnig blijkt dat de staatssecretaris heeft vastgesteld uit welk land de vreemdeling afkomstig is, dat hij verwachtte dat de vreemdeling naar dat land zou terugkeren en dat er in de terugkeerprocedure op geen enkel moment onduidelijkheid bestond over het land waarheen hij zou moeten terugkeren.11.2.. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het terugkeerbesluit van 1 juni 2015 aan de voorwaarden zoals die uiteen zijn gezet door de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak. Zo maakt het terugkeerbesluit onderdeel uit van een meeromvattende (asiel)beschikking. Weliswaar komen Zambia en Zimbabwe (als landen waar eiser enige tijd heeft gewoond) ook een aantal keer voor in dat besluit, maar van enige verwarring over naar welk land eiser terug moest keren kon geen sprake zijn. In dat besluit is namelijk door verweerder uitgebreid beoordeeld of eiser risico loopt op vervolging door de autoriteiten van Congo bij terugkeer naar Congo (en niet naar Zambia of Zimbabwe). Verder staat in het besluit vermeld dat eiser de Congolese nationaliteit heeft. In het terugkeerproces bestond ook geen onduidelijkheid over het land van terugkeer, nu uit het een bericht van IOM blijkt dat op enig moment sprake was een mogelijke (vrijwillige) terugkeer naar Congo. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.11.3.. De rechtbank zal het oordeel over eisers pas ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond over het niet verrichten van een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement aanhouden tot de einduitspraak. De vraag of eiser een reëel risico op refoulement loopt bij terugkeer naar Congo is namelijk verweven met wat hiervoor is overwogen over artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en een eventueel vestigingsalternatief. Het is aan verweerder om in het nog te nemen besluit een geactualiseerde beoordeling te verrichten van het risico op refoulement bij terugkeer naar Congo zoals volgt uit het arrest Ararat.4Tussenconclusie en geschilbeslechting\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig genomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet worden vernietigd.\n\n12.1.. \n\nOp grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan zij het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan\n\neen tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en opnieuw – met inachtneming van het daarvoor geldende juridisch kader - te beoordelen of eiser een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Hierbij is van belang dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond.\n\n4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.\n\n12.2.. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek dient te herstellen, is afhankelijk van het nader onderzoek dat hij wil verrichten. Het staat verweerder vrij om eiser aanvullend te horen over de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling. Indien verweerder hiervoor kiest, krijgt verweerder na deze tussenuitspraak tien weken de tijd om een aanvullend besluit te nemen, waarbij eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om correcties en aanvullingen op het rapport van het aanvullend gehoor in te dienen. Indien verweerder eiser niet aanvullend wil horen, wordt van verweerder verwacht dat hij binnen zes weken een nieuw besluit neemt. Daarna zal de rechtbank bepalen hoe de procedure wordt voortgezet en partijen daarover informeren.12.3.. De rechtbank verzoekt verweerder om binnen twee weken aan eiser en de rechtbank bekend te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Als verweerder van deze gelegenheid geen gebruik maakt, doet de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak.\n\n12.4.. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nstelt verweerder in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de termijnen uit overweging 12.2 van deze uitspraak;\n\nverzoekt verweerder, indien hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr.\n\nL.D. Osborne, griffier.\n\nBIJLAGE\n\nParagraaf C2\u002F3.4 van de Vreemdelingencirculaire:\n\nBinnenlands beschermingsalternatief\n\nBij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.\n\nDe term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden.\n\nDe IND gebruikt de term vluchtalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.\n\nDe IND gebruikt de term vestigingsalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.\n\nDe IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:\n\na. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel\n\n3.37c VV;\n\nde vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en\n\nvan de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.\n\nAd a.\n\nNaast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied.\n\nAls de dreiging in een bepaald gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011\u002F95\u002FEU en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een\n\nplaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing.\n\nAd b.\n\nHet gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.\n\nAd c.\n\nDe bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.\n\nDe vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.\n\nDat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.\n\nDe IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.\n\nIn het landgebonden asielbeleid kan de staatssecretaris het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor:\n\n•vreemdelingen uit een gedeelte van dat land waarbij de dreiging in dat gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van Externe link:richtlijn 2011\u002F95\u002FEU; of\n\n•een bepaalde bevolkingsgroep.\n\nWBV 2024\u002F12\n\n11.4.2.. \n\nErnstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3°, Vw als bedoeld in paragraaf C2\u002F3.3.3 Vc\n\nIn Congo DRC is sprake van de hoogste mate van willekeurig geweld (meest uitzonderlijke situatie) in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.\n\n11.5.. Bescherming\n\n11.5.1.. \n\nBescherming door autoriteiten en\u002Fof internationale organisaties in de zin van paragraaf C2\u002F3.4 Vc\n\nDe IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:\n\n• LHBTIQ+; en\n\n• minderjarigen (jongens en meisjes) en vrouwen, die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.\n\n11.5.2.. \n\nBinnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2\u002F3.4 Vc\n\nDe IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.\n\nDe IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:\n\n• de vreemdeling is afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C7\u002F10.4.1 Vc is vermeld dat er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie is; en\n\n• de vrees van de vreemdeling is niet gebaseerd op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar is alleen een gevolg van de meest uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2\u002F3.3.3 Vc.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:22593","2026-07-13T00:28:25.690Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":162,"fullText":163,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":165,"parsedAt":31,"updatedAt":166},"1773","ECLI:NL:RBDHA:2025:4129","ecli-nl-rbdha-2025-4129","2025-03-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL23.9964\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hij heeft beroepsgronden ingediend op 26 april 2023 en 26 februari 2024.\n\nVerweerder heeft op 17 april 2024 nadere stukken overgelegd en een begeleidende brief aan de rechtbank verstuurd.\n\nMet het besluit van 9 december 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd en aangevuld.\n\nEiser heeft op 13 december 2024 beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit 2.\n\nVerweerder heeft op 6 januari 2025 een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft op 10 januari 2025 nadere stukken overgelegd. Op 14 januari 2025 heeft hij aanvullende beroepsgronden ingediend.\n\nMet het besluit van 17 januari 2025 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het in het bestreden besluit 1 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven, het bestreden besluit 2 ingetrokken, en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nVerweerder heeft twee verklaringen van derden overgelegd en krachtens artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) meegedeeld dat wegens gewichtige redenen alleen de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Met de beslissing van 21 januari 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat gewichtige redenen deze beperking van de kennisneming rechtvaardigen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL23.9965) op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Alkhalidi als tolk en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder is ook [persoon A] verschenen, werkzaam op de zogenoemde 1F-unit van de IND.\n\nTotstandkoming van de besluiten\n\nDe asielaanvraag\n\n1. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 19 oktober 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de algemene (oorlogs)situatie in Jemen en voor gedwongen rekrutering door één van de gewapende groeperingen aldaar.\n\nHet bestreden besluit 12.1.. \n\nVerweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Volgens verweerder vormt eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er bestaan namelijk ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser persoonlijk verantwoordelijk is voor het plegen van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, en ernstige niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, en onder b, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag).\n\nEiser zou in de periode van 29 december 2017 tot 23 september 2021 aangesloten zijn geweest bij de 22nd Micca Brigade of een daaraan gelieerde militie in Jemen en in die hoedanigheid ernstige misdrijven hebben gepleegd, te weten moord\u002Fdoodslag.\n\nEiser komt gelet op het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.\n\nHet besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Omdat eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, maakt verweerder geen gebruik van zijn bevoegdheid tot uitzetting. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nHet bestreden besluit 22.2.. Met het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd, in die zin dat hij voor eiser bij terugkeer naar Jemen niet meer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aanneemt. Verweerder heeft daarnaast een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd.\n\nHet bestreden besluit 32.3.. Met het bestreden besluit 3 heeft verweerder het in het bestreden besluit 1 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod opgeheven, het bestreden besluit 2 ingetrokken, en eiser gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS) voor de duur van tien jaar. Ten aanzien van de signalering heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOver artikel 6:19 van de Awb2.4.. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het bestreden besluit 2 wijzigt en vervangt (gedeeltelijk) het bestreden besluit1 en is daarmee een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Dat geldt ook voor het bestreden besluit 3 waarmee het bestreden besluit 1 is gewijzigd en het bestreden besluit 2 is ingetrokken.\n\nOver artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb\n\n3. De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 21 januari 2025, de ochtend van de zitting, beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor het verzoek door verweerder is gedaan, gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft vervolgens ter zitting aan eiser de vraag voorgelegd of hij de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleent om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.\n\n3.1.. Daarop heeft eiser aangegeven dat hij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 mei 2024 in de zaak NL23.9962 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6862), heeft gelezen, en dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het om een soortgelijk geval gaat als in de onderhavige zaak. Ook in die andere zaak is op 29 november 2023 een beslissing genomen op grond van artikel 8:29 van de Awb, onder meer door één van de rechters die onderdeel uitmaakt van de meervoudige kamer in de onderhavige zaak. Ook in die andere zaak ging het om een verklaring van een derde. Eiser vermoedt dat het om exact dezelfde informatie gaat, die één van de rechters in de onderhavige zaak dan dus al zou hebben ingezien. Eiser vraagt zich af of een weigering van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb wel feitelijke betekenis heeft als één van de rechters van de meervoudige kamer al kennis heeft genomen van de geheime stukken. Hij benadrukt daarbij dat het niet zijn bedoeling is om een wrakingsverzoek in te dienen, omdat hij niet twijfelt aan de integriteit van de betreffende rechter.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting vervolgens geschorst om zich te kunnen beraden. Na hervatting van de zitting heeft de rechtbank aan eiser meegedeeld dat zij van oordeel is dat de behandeling in de bestaande samenstelling doorgang kan vinden. Daarbij is van belang dat de meervoudige kamer van deze rechtbank de zogenoemde 8:29-stukken in de onderhavige zaak niet heeft ingezien, en dat de betreffende rechter dus ook niet kan weten of het inderdaad om dezelfde stukken gaat als in de zaak NL23.9962. Die betreffende rechter kan eventueel verkregen kennis uit de procedure NL23.9962 dus ook niet betrekken bij de beoordeling van de onderhavige zaak, waar hij de 8:29-stukken niet heeft ingezien. Het weigeren van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb heeft om die reden voor eiser wel degelijk feitelijke betekenis. De mogelijke gevolgen van het weigeren van toestemming komen op grond van vaste rechtspraak in beginsel wel voor rekening van de weigerende partij.\n\n3.3.. Eiser heeft de rechtbank vervolgens géén toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend om mede op basis van de hiervoor genoemde stukken uitspraak te doen. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de stukken daarom niet ingezien en kan en zal deze dus ook niet betrekken bij deze uitspraak.\n\nZorgvuldigheidsgebreken\n\n4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder op meerdere punten onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\n4.1.. De rechtbank verwerpt het betoog van eiser dat bij het nader gehoor ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk, terwijl niet is gebleken van de vereiste spoed. Verweerder heeft namelijk in het verweerschrift toegelicht dat er wél gebruik is gemaakt van een registertolk. In het verslag van het nader gehoor is per abuis opgenomen dat dit niet zo is. De tolk van het nader gehoor, mevrouw A. Gebregiorgis, is sinds 13 januari 2022 beëdigd als registertolk met niveau C1, Nederlands – Arabisch (Jemenitisch), met Wbtv-nummer 40141.\n\n4.2.. Eiser betoogt verder dat het proces-verbaal van gehoor van de AVIM van 19 oktober 2021 ten onrechte niet vóór het nemen van het bestreden besluit 1 naar hem is verzonden. Verweerder erkent dat dit niet is gebeurd. Hoewel verweerder dit wel had moeten doen, is de rechtbank van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het gaat immers om verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd, zodat hij het proces-verbaal niet nodig heeft om te weten wat daarin staat. Bovendien heeft verweerder al tijdens het aanvullend gehoor 1F van 13 oktober 2022 verschillende verklaringen uit het AVIM-gehoor aan eiser voorgehouden en tegengeworpen, zodat eiser zich daartegen kon verweren. Verweerder heeft ook in het voornemen verklaringen uit het AVIM-gehoor aan eiser tegengeworpen, zodat eiser zich daar ook nog in de zienswijze tegen kon verweren.\n\n4.3.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op voornoemde punten niet onzorgvuldig gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nBevoegdheidsgebrek\n\n5. Eiser heeft betoogd dat niet inzichtelijk is wie namens verweerder het bestreden besluit 2 heeft genomen en dat dus niet kan worden nagegaan of dat besluit bevoegdelijk is genomen. Omdat verweerder het bestreden besluit 2 heeft ingetrokken, komt de rechtbank er niet aan toe om deze beroepsgrond te behandelen.\n\nReformatio in peius\n\n6. Eiser betoogt dat verweerder het bestreden besluit 2 in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft genomen, omdat eiser daarmee in een nadeliger positie verkeert dan voordat hij beroep indiende. Omdat het bestreden besluit 2 is ingetrokken, zal de rechtbank dit betoog beoordelen alsof het gericht is tegen het bestreden besluit 3.\n\n6.2.. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat men niet slechter mag worden van het gebruikmaken van het recht van bezwaar en beroep. Er is echter geen strijd met dit verbod als het bestuursorgaan ook los van het aanhangig gemaakte bezwaar of beroep bevoegd is het bestreden besluit (ambtshalve) ten nadele van betrokkene te wijzigen en de indiener van het rechtsmiddel hierdoor niet in zijn verweermogelijkheden wordt geschaad. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 2 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:133, onder 7.2. Het bestreden besluit 1 is in dit geval niet ten nadele van eiser gewijzigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit 1 namelijk al een inreisverbod voor de duur van tien jaar aan eiser opgelegd en dit is vergelijkbaar met de signalering voor de duur van tien jaar die in het bestreden besluit 3 aan eiser is opgelegd. Bovendien heeft verweerder zich zowel bij het inreisverbod als de signalering op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, als bedoeld in het arrest van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377. Eiser kon in zijn beroep tegen het bestreden besluit 1 daartegen al beroepsgronden indienen en is ook daarom niet in zijn verweermogelijkheden geschaad.\n\n6.3.. Het bestreden besluit 3 is dus niet in strijd met het verbod op reformatio in peius genomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nArtikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag: het juridisch kader\n\n7. Bij de bepaling of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, moet verweerder onderzoeken of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). De bewijslast ligt bij verweerder. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684, r.o. 2.1.\n\nMisdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag\n\n8. Eiser betoogt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.\n\nHet standpunt van verweerder8.1.. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar openbare landeninformatie, websites en (internet)artikelen op het standpunt gesteld dat de Al Islah-partij, de Jemenitische tak van de Moslimbroederschap, zich in de regio Taiz in Jemen van maart 2015 tot aan het vertrek van eiser uit Jemen in augustus\u002Fseptember 2021 schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, waaronder moord\u002Fdoodslag, gedwongen verdwijning van personen, marteling\u002Ffoltering en\u002Fof (zware) mishandeling en plundering jegens burgers. Dat geldt volgens verweerder ook voor de milities die onder de Al Islah-partij vallen of daaruit zijn voortgevloeid, waaronder de Populair Resistance\u002FPopular Mobilization Forces van Hammoud Al-Mikhlafi, de 22nd Micca Brigade van brigade-generaal Sadiq Sarhan, en de milities van Bakr Sarhan en Ghazwan al-Mikhalfi. Eiser zou bij de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie) aangesloten zijn geweest. De gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, namelijk moord\u002Fdoodslag, kwalificeren volgens verweerder in dit geval als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder moeten deze misdrijven in dit geval ook als ernstige niet-politieke misdrijven worden gezien als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.\n\nArtikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag8.2.. Niet in geschil is dat in Jemen sinds 2014 sprake is van een intern gewapend conflict tussen de Jemenitische regering (en daaraan gelieerde partijen) en de Houthi-rebellen. Uit het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en de Geneefse Conventies (met name het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd) volgt dat onder meer sprake is van een oorlogsmisdrijf als burgers opzettelijk worden gedood. Niet in geschil is dat de onder 8.1 genoemde partijen, waaronder de 22nd Micca Brigade waarmee eiser in verband wordt gebracht, zich schuldig maken aan onder meer het opzettelijk doden van burgers. Alleen al daarom heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag.\n\nArtikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag8.3.. Verweerder heeft zich bovendien terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake is van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Moord\u002Fdoodslag kwalificeren altijd als ernstig niet-politiek misdrijf. De rechtbank wijst hierbij op de UNHCR Guidelines on International Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees (HCR\u002FGIP\u002F03\u002F05) van 4 september 2003, punt 14. Anders dan eiser stelt, vergt het kwalificeren als zogenoemd 1F-misdrijf geen individuele beoordeling en een toespitsing op specifieke misdrijven. Dat moet verweerder doen in het kader van de vraag of er sprake is van knowing en personal participation.\n\nTussenconclusie8.4.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vallen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n‘Knowing participation’\n\n9. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’.\n\nStandpunt van verweerder9.1.. Verweerder heeft onder meer ‘knowing participation’ aangenomen, omdat eiser aangesloten zou zijn geweest bij de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie), en die militie zich op systematische wijze en\u002Fof op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd zijn in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.\n\nMaakt de militie zich op systematische en op grote schaal schuldig aan 1F-misdrijven?9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de 22nd Micca Brigade en daaraan gelieerde milities zich op systematische wijze en\u002Fof op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan 1(F)-misdrijven. Daartoe heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de algemene landeninformatie over Jemen naar voren komt dat alle partijen in het gewapende conflict zich schuldig maken aan dergelijke misdrijven. Uit die informatie volgt ook specifieke informatie over de aan de regering gelieerde partijen, zoals de 22nd Micca Brigade en de milities zoals die van Al-Mikhlafi. De stad Taiz, waar eiser woonde, was één van de zwaarst belegerde steden en vormde de langstlopende frontlinie in het conflict in Jemen. De Al Islah-partij, waar de 22nd Micca Brigade uit is voortgevloeid, was dominant aanwezig in Taiz. Deze en andere partijen maakten zich schuldig aan 1F-misdrijven. Kopstukken van de Al Islah-partij in Taiz worden in verband gebracht met verkrachtingen, onder meer van kinderen. De leider van de 22nd Micca Brigade, brigade-generaal Sadiq Sarhan, wordt in verband gebracht met misdrijven als gedwongen verdwijningen. De milities die onder hem vallen houden zich bezig met onder meer moord. Ghazwan al-Mikhlafi, het neefje van brigade-generaal Sadiq Sarhan, staat aan het hoofd van een eigen militie en wordt in verband gebracht met meerdere moorden. Gelet op het voorgaande, en gelet op de overige landeninformatie, heeft verweerder terecht aangenomen dat voornoemde misdrijven door alle partijen in het gewapende conflict in Jemen, en specifiek ook door de 22nd Micca Brigade of daaraan gelieerde milities, op grote schaal worden gepleegd.\n\nHad eiser daar weet van of behoren te hebben?9.3.. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijven. Gelet op de algemeen bekende informatie daarover mocht verweerder aannemen dat dit ook bij eiser bekend is geraakt. Bovendien heeft eiser bijna zijn hele leven in de wijk al-Rawda in Taiz gewoond, die volgens zijn eigen verklaringen de front- dan wel vuurlinie vormde tussen de Houthi’s en de Resistance. Ook heeft eiser verklaard dat hij meerdere kopstukken van de gewapende groepen persoonlijk kent, waaronder Ghazwan al-Mikhlafi, Bakr Sarhan, en de brigade-generaal Sadiq Sarhan van de 22nd Micca Brigade. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij die personen niet persoonlijk kent. Hij heeft echter ook ter zitting verklaard dat hij in Egypte met Sadiq Sarhan heeft geluncht en dat [persoon B] , een neef van Sadiq, in Nederland verblijft en een vriend van eiser is. In het aanvullend gehoor, p. 10, heeft eiser verder verklaard dat hij de kinderen van Sadiq Sarhan in Nederland heeft ontmoet. Ook dit heeft eiser ter zitting ontkend. Volgens hem is deze verklaring door een vertalingsfout in het verslag van het aanvullende gehoor terecht gekomen. Niet valt echter in te zien dat door een vertalingsfout een geheel tegenovergesteld antwoord in het verslag van het gehoor terecht komt, nog los van het feit dat eiser dit niet bij de correcties en aanvullingen heeft opgemerkt. Gelet op het voorgaande had eiser in ieder geval weet behoren te hebben van de grote schaal waarop alle strijdende partijen, waaronder de Al Islah-partij en de milities van de hiervoor genoemde personen, zoals de 22nd Micca Brigade, zich op grote schaal schuldig maken aan het plegen van 1(F)-misdrijven.\n\n9.4.. Verweerder heeft verder terecht aangenomen dat eiser sympathie heeft voor de 22nd Micca Brigade (of een daaraan gelieerde militie). Verweerder heeft er in het bestreden besluit 1 op gewezen dat uit de stukken die met een beroep op artikel 8:29 van de Awb zijn overgelegd volgt dat een derde heeft verklaard dat eiser Ghazwan al-Mikhlafi en Bakr Sarhan persoonlijk kent. De rechtbank moet ervan uitgaan dat die derde dat inderdaad heeft verklaard, omdat zij geen toestemming heeft gekregen om die verklaring van de derde in te zien. Verder volgt uit hetgeen hiervoor in 9.3 is overwogen dat eiser persoonlijk contact heeft (gehad) met kopstukken van de Al Islah-partij of aan daaronder vallende of daaruit voortgevloeide milities. Verder is van belang dat verweerder een Facebookaccount van eiser heeft aangetroffen, waarvan eiser het bestaan heeft verzwegen. Bij het gehoor met de AVIM op 19 oktober 2021 heeft eiser op de vraag of hij sociale media gebruikt, geantwoord dat hij Facebook onder de naam [schuilnaam] gebruikt en dat hij verder geen sociale media heeft. Vervolgens heeft verweerder onderzoek verricht, waarop nog een ander Facebook-account van eiser is gevonden. Eiser heeft pas ter zitting verklaard dat hij hier niet over heeft verklaard omdat hij dit account niet meer gebruikte. Tegelijkertijd heeft hij echter ter zitting verklaard dat hij genoodzaakt was om niet te veel te vertellen. Daarmee erkent eiser ook dat hij bewust informatie heeft achtergehouden, zodat de rechtbank hem al daarom niet in zijn verklaring volgt. Op het aangetroffen Facebookaccount zijn posts gevonden waarop eiser de Al Islah-partij en brigade-generaal Sadiq Sarhan prijst. Dit terwijl eiser heeft verklaard dat hij de Al Islah-partij haat en dat hij geen sympathie heeft voor de strijdende partijen in Taiz (nader gehoor, p. 10 en aanvullend gehoor 1F, p. 10). Op het Facebookaccount staan ook foto’s en video’s van eiser met wapens en beelden waarin hij met deze wapens schiet. Dit terwijl eiser meermaals heeft verklaard dat hij nooit een wapen heeft gedragen en dat hij niet van wapens en vechten houdt (aanmeldgehoor, p. 10 en 12 en nader gehoor, p. 10). Toen eiser met het beeldmateriaal werd geconfronteerd, heeft hij verklaard dat het dragen van wapens in Jemen een traditie is en dat hij er daarom niet over heeft verklaard. Los van de vraag of dit in Jemen inderdaad gebruikelijk is, zijn deze verklaringen tegenstrijdig met de eerdere verklaringen dat hij nooit een wapen heeft gedragen en dat hij niet van wapens houdt. Eiser heeft ook wisselend verklaard over hoe hij aan de wapens is gekomen. Op het ontdekte Facebookaccount hebben daarnaast verschillende mensen berichten op de tijdlijn van eiser geplaatst, waaruit sympathieën naar voren komen voor de Al Islah-partij en brigade-generaal Sadiq Sarhan. Dat eiser die berichten niet zelf heeft geplaatst, laat onverlet dat dit wel bijdraagt aan het ontstane beeld dat eiser sympathie voor de militieleden heeft. De berichten bevatten immers allemaal steunbetuigingen aan mensen van wie eiser wist of behoorde te weten dat zij op grote schaal 1F-misdrijven plegen en eiser heeft die berichten niet verwijderd, terwijl dit wel voor de hand ligt als eiser het niet eens zou zijn met die berichten.\n\nWat is verder nog van belang?9.5.. Hoewel uit het voorgaande nog niet blijkt dat eiser ook persoonlijk heeft bijgedragen aan het plegen van 1F-misdrijven, heeft verweerder uit het voorgaande wel kunnen afleiden dat eiser sympathie heeft voor de Al Islah-partij en daaronder vallende of daaraan gelieerde milities. Maar ook als eiser die sympathie niet zou hebben, maakt reeds het contact met de genoemde militieleden en het feit dat eiser zijn hele leven aan de frontlinie woonde, het zeer onwaarschijnlijk dat eiser geen weet heeft gehad van de ernstige misdrijven die door hen werden gepleegd. Verweerder heeft verder kunnen meewegen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn, nu hij dus tegenstrijdig en ontwijkend heeft verklaard en daarmee cruciale informatie heeft achtergehouden. Daarbij acht de rechtbank van belang om te benadrukken dat eiser ook op vele andere punten ontwijkend of tegenstrijdig heeft verklaard, dan wel heeft geprobeerd verwarring te zaaien. Zo doet eiser alsof hij de vragen niet begrijpt (aanvullend gehoor 1F, p. 17), en heeft hij in het nader gehoor eerst verklaard dat hij jarenlang thuis heeft gezeten, niks heeft gedaan, en nooit is benaderd om mee te vechten met milities, maar vervolgens ook dat hij meer dan tien keer zou zijn benaderd door jongeren met wapens (nader gehoor, p. 7, 9 en 12). Eiser zou de namen niet kennen van de jongeren met wapens die hem vroegen deel te nemen aan het gevecht, maar hij kent wel alle belangrijke namen van de vechtende partijen. Ook ter zitting heeft eiser weer geheel andere verklaringen afgelegd, namelijk dat hij van kennissen het advies heeft gekregen om te verklaren dat hij nooit een wapen heeft gedragen,\n\nTussenconclusie9.6.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’, nu eiser wist of behoorde te weten dat de 22nd Micca Brigade en daaraan gelieerde milities zich schuldig maakten aan misdrijven die vallen onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n‘Personal participation’\n\n10. Eiser voert vervolgens aan dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘personal participation’.\n\nStandpunt van verweerder10.1.. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zelf 1(F)-misdrijven heeft gepleegd. Volgens verweerder volgt dit uit een cumulatie van bevindingen. Verweerder heeft daarbij gewezen op verschillende arrestatiebevelen, artikelen en berichten op internet en sociale media waarin eiser wordt beschuldigd van het plegen van meerdere moorden. Daarnaast heeft verweerder gewezen op verklaringen van derden. Volgens verweerder hebben die derden verklaard dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op zakenman Al Zawqari . Verweerder betrekt ook bij zijn standpunt dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven, en dat eiser ongeloofwaardige en bagatelliserende verklaringen over zijn aandeel in de misdrijven heeft afgelegd. Na de bestreden besluiten is uit berichten gebleken dat eiser is veroordeeld voor de moord op Al Zawqari .\n\nBeschuldiging van de moord op zakenman Al Zawqari10.2.. Uit het arrestatiebevel van 8 december 2020, gepubliceerd op de website Almarahpost, volgt dat eiser door de politie in Taiz wordt gezocht voor de moord op zakenman Mohammad Al Zawqari . Achter eisers naam staat ‘Brigade 22’ vermeld. Bij dit arrestatiebevel staat een nieuwsartikel waarin staat dat eiser op een zwarte lijst staat. Eisers naam komt ook voor op foto’s\u002Fkopieën van twee andere arrestatiebevelen. Op de websiteYemenwindowwordt een arrestatiebevel van Taiz Axis van 3 november 2020 getoond waar eiser ook wordt aangewezen als dader van de moord op Al Zawqari . Daarnaast is er een arrestatiebevel gevonden van het Openbaar Ministerie van West Taiz, afgegeven op 8 september 2020, waarop eisers naam ook staat vermeld als moordenaar van Al Zawqari . Eiser wordt dus in meerdere bronnen gekoppeld aan de 22nd Micca Brigade en wordt daarin van dezelfde moord beschuldigd. Ook op Twitter wordt eiser hiervan beschuldigd. Anders dan eiser stelt, is het niet onzorgvuldig dat verweerder de arrestatiebevelen niet beëdigd heeft vertaald. Uit de vertalingen via Google Translate blijkt voornoemde informatie immers voldoende duidelijk. Er zijn geen aanknopingspunten dat de vertaling onjuist is. Dat er drie verschillende arrestatiebevelen zijn van verschillende instanties is in Nederland ongebruikelijk, maar verweerder hoefde dat in dit geval gelet op de gefragmenteerde situatie van de autoriteiten en macht in de regio Taiz in Jemen niet vreemd te vinden. De arrestatiebevelen zijn ook opgesteld in een periode dat de minister-president Maeen Abdulmalik erop aandrong om alle criminelen in Taiz op te sporen, wat de geloofwaardigheid van de overgelegde arrestatiebevelen ten goede komt. Dat niet duidelijk is of de arrestatiebevelen van objectieve en verifieerbare bronnen afkomstig zijn, laat onverlet dat eiser in meerdere bronnen van dezelfde moord is beschuldigd en dat dit bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de beschuldiging.\n\nVeroordeling voor de moord op zakenman Al Zawqari10.3.. Na de bestreden besluiten heeft eiser in zijn reactie van 14 januari 2025 zelf op artikelen gewezen waaruit volgt dat eiser inmiddels is veroordeeld voor de moord op de zakenman Al Zawqari en dat eiser daarvoor de doodstraf heeft gekregen. Ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat eiser is veroordeeld voor de moord. Eiser stelt echter dat hij daarvoor ten onrechte is veroordeeld en dat verweerder gelet op de gefragmenteerde situatie in Jemen nader onderzoek had moeten doen naar de juistheid van de veroordeling. De rechtbank volgt deze stelling niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de veroordeling niet op zichzelf staat, maar een bevestiging vormt van de onder 10.2 genoemde arrestatiebevelen en nieuwsberichten. Juist het totaalbeeld van alle stukken, in combinatie met de derdenverklaringen (waarbij de rechtbank van de juistheid van het standpunt daarover moet uitgaan) en het feit dat eiser geen openheid van zaken heeft gegeven en ongeloofwaardige en bagatelliserende verklaringen heeft afgelegd, maakt dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op zakenman Al Zawqari .\n\nOverige beschuldigingen10.4.. Naast alle informatie waaruit volgt dat eiser verantwoordelijk is voor de moord op de zakenman Al Zawqari heeft verweerder op vele bronnen gewezen waarin eiser wordt beschuldigd van andere moorden en andere misdrijven. Daarbij komt het Facebookaccount van eiser, waarop verschillende foto’s en video’s te vinden zijn waarop eiser wapens draagt en daar ook mee schiet. Eisers verklaring dat hij niet heeft deelgenomen aan de strijd in Jemen is te minder geloofwaardig nu dat beeldmateriaal is opgenomen aan de frontlinie, in een land dat door oorlog verscheurd was en is. Daarnaast is ook hier weer van belang dat eiser informatie heeft achtergehouden, verwarring heeft gezaaid in de gehoren, en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.\n\nWeerlegging door eiser10.5.. Eiser heeft meerdere documenten overgelegd en verklaringen afgelegd om de beschuldigingen van het plegen van 1(F)-misdrijven te weerleggen.\n\n10.5.1.. Zo heeft eiser zelf een uitgebreide verklaring geschreven en die bij de zienswijze gevoegd, waarin hij zijn onschuld bepleit. Verweerder wijst er terecht op dat deze verklaring geen ander licht werpt op de zaak, gelet op wat hiervoor is overwogen. Eiser heeft er bovendien belang bij om het plegen van 1(F)-misdrijven te ontkennen, zodat de rechtbank ook daarom geen waarde aan de verklaring hecht.\n\n10.5.2.. Eiser heeft daarnaast een ‘criminal status sheet’ en een ‘police clearance certificate’ van 20 februari 2023 overgelegd, waaruit volgt dat eiser niet voor misdrijven is veroordeeld of daarvoor strafrechtelijk wordt vervolgd. Op 10 januari 2025 heeft eiser opnieuw een ‘police clearance certificate’ van 3 februari 2024 met verklaring van echtheid van de ambassade van Jemen van 23 april 2024 overgelegd. Daarnaast heeft eiser toen een verklaring van goed gedrag van 14 juni 2023 met verklaring van echtheid van de ambassade van Jemen van 12 december 2023 overgelegd. Wat hier ook van zij, inmiddels is niet meer in geschil dat eiser wél strafrechtelijk is veroordeeld voor een misdrijf in Jemen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat er algehele wetteloosheid is in Jemen en fragmentatie van de autoriteiten en overheidsstructuren, zodat voornoemde documenten daarom niet opwegen tegen wat hiervoor onder 10.2 t\u002Fm 10.4 is overwogen.\n\n10.5.3.. Eiser betoogt daarnaast dat hij vals wordt beschuldigd van het plegen van 1(F)misdrijven. De rechtbank stelt voorop dat sommige partijen er belang bij kunnen hebben om eiser vals te beschuldigen. Eiser behoort immers tot de stam van Sadiq Sarhan, een machtige stam die onderdeel uitmaakt van het gewapende conflict in Jemen. In dit geval maken echter de cumulatie aan stukken, de derdenverklaringen en de verklaringen van eiser het onwaarschijnlijk dat het om valse beschuldigingen jegens eiser gaat. Eiser kon ook ter zitting niet goed verklaren waarom juist hij vals zou zijn beschuldigd. Op de vraag of eiser dan als willekeurig slachtoffer of als politieke tegenstander werd gezien, moest hij het antwoord schuldig blijven.\n\nTussenconclusie10.6.. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er sprake is van ‘personal participation’. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie over 1(F)\n\n11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die hem kunnen vrijwaren van die verantwoordelijkheid. Verweerder heeft artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag dan ook terecht aan eiser tegengeworpen, wat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.\n\nBesluit tot signalering\n\n12. Eiser voerde tegen het bestreden besluit aan dat het (inmiddels opgeheven) inreisverbod onrechtmatig is, omdat het persoonlijk gedrag geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, K. en H.F, ECLI:EU:C:2018:296. Voor zover eiser dit betoog handhaaft in het kader van het besluit tot signalering, geldt dat verweerder zich\n\nuitgebreid gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld waarom er volgens hem wél sprake is van een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde als bedoeld in voornoemd arrest. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder een individuele beoordeling verricht waarbij alle in het arrest van het Hof genoemde omstandigheden zijn betrokken. Eiser heeft niet geconcretiseerd wat er aan die individuele beoordeling mankeert. Gelet daarop slaagt het betoog van eiser niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Uit het voorgaande volgt dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt.\n\n14.1.. Het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang (het besluit is op dat punt immers gewijzigd). Verweerder wordt op dit punt wel veroordeeld in de proceskosten van eiser, omdat het terugkeerbesluit en het inreisverbod uit het bestreden besluit 1 niet rechtmatig waren. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen AA, ECLI:EU:C:2023:540, mag er immers geen terugkeerbesluit worden opgelegd bij een risico op refoulement. Eiser heeft er in het aanvullend beroepschrift van 26 februari 2024 ook op gewezen dat het bestreden besluit 1 om die reden onrechtmatig was.\n\n14.2.. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ook niet-ontvankelijk. Met de intrekking van dat besluit en het nemen van het bestreden besluit 3 stelt verweerder zich immers op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Jemen wél een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarmee komt verweerder in zoverre tegemoet aan het beroep van eiser en de door eiser overgelegde stukken waaruit dit artikel 3 EVRM-risico blijkt. Eiser heeft dus geen belang meer bij zijn beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit 2. Omdat sprake is van tegemoetkoming, wordt verweerder ook op dit punt veroordeeld in de proceskosten.\n\n14.3.. Het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 niet is gewijzigd, is ongegrond. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ook ongegrond.\n\n15. De rechtbank ziet in wat hiervoor onder 14 is overwogen wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.360,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit 1 en 0,5 punt voor het indienen van het aanvullend beroepschrift tegen het bestreden besluit 2 (analoog aan punt 12 van Bijlage A1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht), met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank kent geen proceskosten toe voor de zitting, omdat het bestreden besluit 1 daarvóór al was gewijzigd en het bestreden besluit 2 al was ingetrokken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, en tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover dit niet door het bestreden besluit 3 is gewijzigd, en tegen het bestreden besluit 3 ongegrond.\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.360,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4129","2025-03-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.126Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":171,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":172,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":173},"404","ECLI:NL:RBDHA:2024:18027","ecli-nl-rbdha-2024-18027","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.29329\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 16 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ates. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 30 augustus 2022 heeft eiser zich in Ter Apel gemeld en kenbaar gemaakt dat hij asiel wilde aanvragen. Op 19 september 2022 heeft eiser daadwerkelijk asiel aangevraagd.\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser heeft, samengevat, verklaard dat hij Turkije heeft verlaten omdat hij betrokken is bij de Gülenbeweging en heeft gewerkt op Gülenscholen. Deze scholen zijn in 2016 per decreet gesloten. Zijn vrouw is in 2016 per decreet uit haar ambt gezet vanwege haar betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiser vermoedt dat hij door deze omstandigheden in de toekomst zal worden vervolgd.\n\nDe asielmotieven\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nproblemen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Verweerder heeft het eerste asielmotief (identiteit, nationaliteit en herkomst) geloofwaardig bevonden. Het tweede asielmotief (problemen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging) heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn asielrelaas onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten en heeft geen goede verklaring gegeven voor het ontbreken van deze documenten, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eisers verklaringen vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarom heeft verweerder ingevolge artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vw eiser niet het voordeel van de twijfel gegund. Ter zitting heeft verweerder de b-grond laten vallen.\n\n4.1.. Het geloofwaardig geachte eerste asielmotief levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat dit niet is te herleiden tot één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Turkije komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn en eiser heeft de gegronde vrees voor vervolging niet aannemelijk gemaakt.4.2.. \n\nVerweerder heeft verder overwogen dat het eerste asielmotief geen verband houdt met het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Nu eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder eiser geen verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\n5. Eiser verzoekt de rechtbank hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.\n\n5.1.. De rechtbank stelt voorop dat de enkele verwijzing naar de zienswijze niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. Met deze verwijzing geeft eiser niet concreet aan waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet toereikend is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht.\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn besluit heeft gebaseerd op het stringenter asielbeleid dat geldt sinds 1 juli 2024. Door geen rekening te houden met de datum van de asielaanvraag, in geval van eiser op 30 augustus 2022, heeft verweerder per definitie in strijd met het verbod op willekeur gehandeld. Ook heeft verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld, nu andere asielaanvragen van Gülenaanhangers wel eerder in behandeling zijn genomen. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een vergelijkbare asielaanvraag ( [dossiernummer] ), die in dezelfde periode is ingediend, waar betrokkene een vergelijkbare mate van bewijs kon overleggen en waarin door verweerder wel positief is besloten. Er bestaat geen grond om zo lang over de aanvraag te doen, anders dan dat verweerder laks is geweest, aldus eiser. Verder verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Breda, van 8 januari 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:91, r.o. 7.12) waaruit volgt dat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat getoetst moet worden aan het nieuwe beleid. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn wanneer een aanvraag door toepassing van nieuwe beleidsregels geweigerd zou moeten worden, terwijl de aanvraag niet geweigerd zou mogen worden op grond van oude beleidsregels die golden ten tijde van de aanvraag. Van zo’n bijzondere omstandigheid is volgens eiser in zijn geval sprake. De omstandigheid dat de echtgenote van eiser voorwerp van onderzoek is geweest, in combinatie met de mededeling van de neef van eiser, die bij de Turkse inlichtingendienst werkt, dat ook eiser zelf in de negatieve aandacht staat vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging, maakt dat eiser op basis van het oude beleid (zoals gold ten tijde van de aanvraag, zijnde WBV 2021\u002F16) in aanmerking zou zijn gekomen voor een asielgerelateerde verblijfsvergunning.\n\n6.1.. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel dient uit te gaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om (in dit geval) van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verweerder weliswaar te laat heeft beslist op de asielaanvraag, maar verweerder heeft ter zitting voldoende uitgelegd dat de asielaanvraag van eiser slechts door drukte op de behandelende afdeling lang is blijven liggen, en niet moedwillig totdat er nieuw beleid was. De enkele omstandigheid dat eiser door dit nieuwe beleid is benadeeld, en dat andere Gülenaanhangers die onder het oude beleid zijn getoetst wel een asielvergunning hebben gekregen, is onvoldoende om te oordelen dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur heeft gehandeld. Verweerder dient immers te beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment dat eiser asiel aanvroeg – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. Bovendien heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de andere asielaanvragen waar eiser naar heeft verwezen daadwerkelijk vergelijkbaar waren. Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank zijn beslissing mocht baseren op het nieuwe beleid ten aanzien van Turkije, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser nog een termijn te geven om schriftelijk te reageren op het standpunt van verweerder ter zitting dat eiser onder het eerdere beleid, noch de WBV 2021\u002F16, noch de WBV 2023\u002F24, ook niet in aanmerking was gekomen voor een asielvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Eiser voert aan dat sprake is van systematische vervolging van Gülenaanhangers. Ter onderbouwing heeft eiser enkele artikelen overgelegd waaruit volgens eiser blijkt dat de situatie in Turkije voor Gülenaanhangers (onverminderd) slecht is en nog steeds arrestaties plaatsvinden. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus, dat eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet in zijn beleid heeft opgenomen dat sprake is groepsvervolging.\n\n7.1.. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit het (meest recente) Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023 (het ambtsbericht), en de door eiser overgelegde informatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de situatie voor (toegedichte) Gülenaanhangers - ondanks arrestaties - dusdanig is dat sprake is van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van (toegedichte) Gülenaanhangers al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarbij is van belang dat uit het ambtsbericht volgt dat er in Turkije meer rechterlijke bescherming voor (toegedichte) Gülenaanhangers is gekomen. Zo stond in vorige ambtsberichten dat er verschillende criteria waren die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app. Die criteria zijn er nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Zo blijkt uit een uitspraak van het Constitutioneel Hof (AYM) uit 2020 dat alleen onder bepaalde voorwaarden een rekening bij Bank Asya kan worden beschouwd als activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging en blijkt uit een uitspraak uit 2023 van datzelfde Hof dat een vrouw ten onrechte was ontslagen vanwege het hebben van twee Bank Asya-rekeningen. Het Hof van Cassatie heeft vergelijkbare uitspraken gedaan. Beide hoven zijn ook (veel) kritischer geworden over veroordelingen na gebruik van de ByLock-app. De hoven hebben veel vonnissen van rechtbanken om die reden nietig verklaard. Bovendien heeft de Turkse overheid een commissie opgericht die klachten over gedwongen ontslagen in behandeling neemt, hetgeen duidt op een afname in willekeur. Tot 12 januari 2023 had deze commissie in totaal 14,11% van de verzoeken ingewilligd, aldus het ambtsbericht. Hoewel dit nog steeds betekent dat 85,89% van de verzoeken is afgewezen, duidt ook dit wel op een afname in willekeur van de vervolging van (vermeende) Gülenaanhangers. De beroepsgrond dat er onder Gülenaanhangers sprake is van groepsvervolging slaagt daarom niet.\n\n8. Eiser heeft verder ter zitting gesteld, onder verwijzing naar de zienswijze, dat het huidige beleid, neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 (risicoprofielen) van de Vreemdelingencirculaire 2000, innerlijk tegenstrijdig moet worden geacht. Eiser stelt daartoe dat een risicoprofiel erop duidt dat een vreemdeling sneller moet worden geloofd, terwijl in het huidige beleid de nadruk ligt op het individualiseringsvereiste. De rechtbank volgt dit betoog niet. Weliswaar wordt bij het aanwijzen van een risicoprofiel een aantal elementen betrokken die gelinkt zijn aan een bepaalde groep, maar dat betekent niet dat er vervolgens geen individuele aspecten meer betrokken kunnen worden bij de integrale beoordeling. Het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, is op zichzelf niet voldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. De rechtbank begrijpt dit zo dat allereerstgekeken dient te worden of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarnavervolgensde individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. Daarbij merkt de rechtbank overigens nog het volgende ten overvloede op. Onder het voorheen geldende beleid van risicogroepen, kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep, als sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook daar bleef het individualiseringsvereiste van toepassing, zij het dat de vreemdeling in dat kader kon volstaan met het aannemelijk maken van geringe indicaties. In dit geval ziet de rechtbank ook overigens – nog steeds ten overvloede – in het licht van de navolgende overwegingen niet in dat sprake is van die geringe indicaties.\n\n9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn problemen met de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet geloofwaardig heeft bevonden. Verweerder heeft in strijd met de Kwalificatierichtlijn hem niet het voordeel van de twijfel gegeven, nu hij aan de hand van documenten wel aannemelijk heeft gemaakt te zijn betrokken bij de Gülenbeweging. Verweerder heeft te zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat er nog geen formele vervolging is ingesteld jegens eiser, en te weinig gewicht toegekend aan de mondelinge informatie die eiser van zijn neef - die bij de Turkse Inlichtingendienst werkt – heeft ontvangen, naast dat aan eisers vrouw wel een uitreisverbod is opgelegd, aldus eiser. Deze omstandigheden hadden integraal, in onderlinge samenhang, moeten worden beoordeeld. Echter, ook zonder de door eiser gestelde problemen door de betrokkenheid bij de Gülenbeweging, meent eiser dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan bij de Turkse autoriteiten. Dit vanwege zijn langdurige verblijf buiten Turkije.\n\n9.1.. \n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat de verklaringen van eiser, dat hij werkzaam is geweest op een Gülenschool en in dat kader activiteiten heeft verricht, niet ter discussie staan. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd.\n\nDe rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn werkzaamheden en activiteiten bij aan Gülen gelieerde instellingen in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat en hij hierdoor bij terugkeer problemen zal ervaren. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken van een strafzaak tegen eiser, dat hij Turkije legaal heeft kunnen verlaten en dat ook na eisers vertrek niet is gebleken van aanwijzingen dat de Turkse autoriteiten hem zouden willen vervolgen. Verweerder heeft bovenal van belang kunnen achten dat eiser, na zijn gestelde ontslag bij de Güleninstelling in 2016, tot aan zijn vertrek in 2022 (dus zes jaar) probleemloos in Turkije heeft gewoond zonder dat is gebleken van negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser, nadat hij door zijn neef zou zijn geïnformeerd dat hij in de negatieve belangstelling zou staan van de Turkse autoriteiten, nog zes maanden heeft gewacht (blijkens eisers verklaring: om voorbereidingen te treffen voor zijn vertrek) voordat hij, legaal, is uitgereisd. Ook tijdens dat laatst half jaar heeft eiser geen problemen ondervonden. Dat het slechts een kwestie van tijd is voordat eiser zal worden vervolgd, zoals hij heeft gesteld, is – in het licht van het voorgaande – onvoldoende om aan te nemen dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat zijn echtgenote wel een uitreisverbod heeft gekregen, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende bevonden om aan te nemen dat eiser zelf in de negatieve belangstelling staat. De rechtbank ziet daarbij geen grond voor het oordeel dat verweerder, alles in samenhang bezien, tot een ander standpunt had moeten komen.\n\nVerweerder heeft het verder niet aannemelijk hoeven achten dat eiser, zodra hij Turkije weer inreist na zijn langdurige afwezigheid, problemen met de Turkse autoriteiten zal ondervinden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser enkel heeft gesteld dat die problemen zich zullen voordoen, maar hij dit verder niet heeft onderbouwd. Ter zitting heeft eiser ook slechts verklaard dat het in het algemeen zo is dat deze problemen zich voordoen, waarbij hij zich baseert op verhalen en asielrelazen van andere vreemdelingen. Verweerder heeft evenwel niet ten onrechte verwezen naar het ambtsbericht (pagina 91) waarin wordt vermeld dat in terugkeerzaken, voor zover bekend, geen detenties voorkomen. Slechts indien sprake is van een openstaande strafrechtelijke procedure, liep de terugkeerder het risico om te worden gedetineerd. Eiser heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat er op dit moment een strafrechtelijke procedure tegen hem loopt. Verweerder heeft dan ook niet hoeven aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Turkije een risico loopt om te worden gedetineerd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.\n\n10. Tot slot voert eiser aan verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd, nu hij bij terugkeer naar Turkije een risico loopt op schending van het verbod op refoulement.\n\n10.1.. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 9.1. is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling of dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM). Dat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.\n\n12. Het beroep is daarom ongegrond.\n\n13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:18027","2026-07-13T00:28:28.050Z",1,20]