[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-benefits-scandal-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},121,"benefits-scandal-compensation-nl","Benefits Scandal Compensation","NL","2026-07-08T16:57:27.980Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1066","ECLI:NL:RBROT:2026:8084","ecli-nl-rbrot-2026-8084","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1343\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J. van den Ende),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [naam 1]).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de toeslagjaren 2010 en 2011. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Met een besluit van 7 maart 2023 (UHT-DCHA) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.\n\n1.2.. Met een besluit van 8 maart 2023 (UHT-O OGS B) heeft de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming in verband met een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld bepaald op € 6.629,-. Omdat dit bedrag lager is dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres al eerder had ontvangen, heeft zij geen extra geld ontvangen.\n\n1.3.. Met het besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 7 maart 2023 en 8 maart 2023 gehandhaafd.\n\n1.4.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.1.5.. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Over de jaren 2010 en 2011 is sprake geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen omdat eiseres voorafgaand aan de nihilstellingen van 23 juli 2010 en 9 juni 2011 niet schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie toe te sturen. Eiseres heeft echter geen recht op compensatie op deze grond omdat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres was namelijk geen zogenoemde doelgroeper, onder meer omdat de partner van eiseres destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte.\n\n3. Eiseres heeft aangevoerd dat de Dienst Toeslagen haar ten onrechte geen compensatie op basis van vooringenomenheid, dan wel hardheid van het stelsel heeft toegekend. Zij is slachtoffer geworden van een derde, [naam 2] . Deze had gezegd dat eiseres het geld van de kinderopvangtoeslag naar hem moest overmaken en hij zou dan de opvang voor haar betalen. De Dienst Toeslagen had een onderzoek naar [naam 2] moeten uitvoeren, nu de kinderopvangtoeslag door hem was aangevraagd. In een zaak van een ander slachtoffer van [naam 2] heeft de Dienst Toeslagen wel compensatie toegekend, aldus eiseres.\n\n4.1.. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in het desbetreffende jaar.\n\n4.2.. Eiseres heeft geen beroepsgronden gericht tegen het standpunt van de Dienst Toeslagen dat eiseres geen doelgroeper was omdat haar partner destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres zelf van mening is dat zij wel doelgroeper was maar dat die stelling niet kan worden onderbouwd. Ook ter zitting is het genoemde standpunt van de Dienst Toeslagen daarom niet voldoende gemotiveerd betwist. Nu aangenomen moet worden dat eiseres geen doelgroeper was, had eiseres om deze reden evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat is een ernstige onregelmatigheid. Deze kan eiseres worden toegerekend. Hierbij is van belang dat het de bedoeling van eiseres was dat kinderopvangtoeslag zou worden aangevraagd en dat de kinderopvangtoeslag ook op de rekening van eiseres is bijgeschreven. Gelet hierop heeft de Dienst Toeslagen terecht toepassing gegeven aan artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\n4.3.. Voor zover van belang, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen destijds onderzoek had moeten doen naar [naam 2] . Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen had moeten vermoeden dat sprake was van oplichting. Over de verwijzing naar het besluit over een ander slachtoffer van [naam 2] , waarin de Dienst Toeslagen wel compensatie heeft toegekend, merkt de rechtbank op dat het niet gaat om vergelijkbare situaties. Uit het andere besluit blijkt namelijk dat er in dat geval geen aanknopingspunten waren om vast te stellen dat de kinderopvangtoeslag is overgemaakt naar een rekening die op naam stond van de betrokkene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36151, nr. 3, p. 72.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8084","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.310Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1952","ECLI:NL:RBROT:2026:7681","ecli-nl-rbrot-2026-7681","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9486\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen\n \n [naam 1] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe minister van Financiën, de minister\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van betaalde schulden. Deze aanvraag is met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\n1.2.. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser is slachtoffer in de toeslagenaffaire. Hij heeft op 30 december 2023 een aanvraag gedaan voor compensatie van vijf schulden bij de ABN AMRO en een schuld BMW Financial Services Nederland. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n3. Eiser betoogt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar zijn schulden en verwijst hiervoor naar artikel 3:2 Awb. Door dit na te laten is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid.\n\n3.1. De rechtbank is van oordeel dat het niet op de weg van de minister lag om bij schuldeisers zoals ABN AMRO te informeren naar de schulden van eiser. Dat zou ook niet zomaar kunnen. De minister heeft aan eiser bij brief van 20 juni 2024 (de ontvangstbevestiging van het bezwaar van eiser) aan eiser aangegeven wat hij nodig heeft om te beoordelen of een schuld voor compensatie in aanmerking komt. Daarmee heeft de minister eiser geholpen om de vereiste informatie aan te leveren. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat deze brief hem heeft geholpen om de informatie op te vragen. De minister heeft daarmee zorgvuldig gehandeld.\n\n4. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vervolgens ook contact heeft opgenomen met ABN AMRO en dat de bank heeft aangegeven dat eiser een schuld heeft bij hen, maar dat die schuld niet opeisbaar is. ABN AMRO kon daarom geen verklaring van de opeisbaarheid afgeven, aldus eiser.\n\n4.1. \n\nOm voor compensatie van een afgeloste schuld in aanmerking te komen, bestaan er kort gezegd drie voorwaarden en een van die voorwaarden is dat een schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.Dat was bij eisers schulden bij ABN AMRO niet het geval en ook van eisers schuld bij BMW is dat niet gebleken.\n\nOmdat niet aan alle voorwaarden is voldaan voor de compensatie voor afbetaalde schulden, heeft de minister een juiste beslissing genomen. De regeling waar het hier om gaat, is niet bedoeld als compensatie voor schade, maar is bedoeld om mensen te helpen die te maken hebben met invorderingsmaatregelen door schuldeisers. Dat is bij eiser niet het geval.\n\nHet bestreden besluit is daarom begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiser voert verder aan dat het onevenredig is om aan hem geen compensatie toe te kennen voor de afgeloste schulden. In het geval van eiser is er geen sprake van onevenredigheid. Het gaat (gelukkig) goed met eiser en er is voor eiser geen schrijnende situatie. Er daarom geen disbalans tussen het doel dat wordt nagestreefd met de regeling die aan de orde is in deze zaak en de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Omdat de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond.\n\n7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.\n\n Dit staat in artikel 4.1 lid 2 onderdeel a van de Wet hersteloperatie toeslagen","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7681","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.060Z",1,20]