[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":52,"total":16,"page":25,"limit":203},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},37,{"min":18,"max":19},"2018-12-19T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,30,34,37,40,43,46,49],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121800","Wetboek van Strafrecht","art. 141",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122709","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 10 lid 2",{"provisionId":31,"code":32,"article":33,"count":25},"122710","Grondwet","art. 7 lid 3",{"provisionId":35,"code":28,"article":36,"count":25},"122711","art. 10",{"provisionId":38,"code":32,"article":39,"count":25},"122712","art. 7",{"provisionId":41,"code":28,"article":42,"count":25},"122713","art. 10 lid 1",{"provisionId":44,"code":23,"article":45,"count":25},"123951","art. 41",{"provisionId":47,"code":23,"article":48,"count":25},"124062","art. 46",{"provisionId":50,"code":28,"article":51,"count":25},"124381","art. 13",[53,63,70,77,85,92,99,106,114,121,129,136,145,152,159,167,174,181,189,196],{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":58,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":61,"updatedAt":62},"1225","ECLI:NL:RBROT:2026:8068","ecli-nl-rbrot-2026-8068","","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.007837.23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. F.T. Sakrak\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van witwassen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nZij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of\n\nanderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd\n\nwas om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [naam horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze bij de rechtbank Rotterdam en\u002Fof de rechtbank Midden-Nederland, in een raadkamerprocedure en\u002Fof kort geding en\u002Fof bodemprocedure, in te dienen en\u002Fof in te zenden en\u002Fof in te brengen en\u002Fof over te leggen en\u002Fof te gebruiken althans te doen indienen en of inzenden en\u002Fof inbrengen en\u002Fof overleggen en\u002Fof gebruiken.\n\n2\n\nZij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nLeusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp\n\n- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de\n\nverplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 en feit 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVaststaande feiten\n\nOp 18 januari 2022 zagen verbalisanten een verdachte situatie waarbij een man in een Mercedes stapte die op naam staat van de medeverdachte [medeverdachte] . De man bleef even zitten in de Mercedes en is vervolgens in zijn eigen auto gestapt en weggereden. Omdat de auto waar deze man instapte en in wegreed, geregistreerd stond op naam van iemand die antecedenten had op het gebied van overtredingen van de Opiumwet, hebben de verbalisanten besloten om beide auto’s staande te houden. Als bij de man in de andere auto 17 ponypacks met cocaïne worden aangetroffen, verklaart hij dat hij deze drugs verhandelde in opdracht van de bestuurder van de Mercedes. Naar aanleiding van deze bevindingen is de Mercedes staande gehouden. De bestuurder is de medeverdachte [medeverdachte] . In zijn jaszak wordt een geldbedrag van € 2.775,- aangetroffen en om zijn pols draagt hij een Rolex-horloge. Hij heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder (de verdachte) is. Uit onderzoek volgt dat het Rolex-horloge een marktwaarde heeft tussen de\n\n€ 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nDat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nDe hierboven onder vaststaande feiten weergegeven bevindingen en de resultaten van de iCOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen.\n\nDaar staat tegenover dat de verdachte heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de medeverdachte [medeverdachte] het horloge heeft gekocht bij [naam horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 2 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [naam horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Uit dit onderzoek volgt dat de verdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [naam horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de verdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de verdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een procedure die de verdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen onder meer verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 2] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 2] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen verdere objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de verdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het horloge heeft witgewassen, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nValsheid in geschrift\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de verdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.3. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.4. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8068","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.971Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":67,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":61,"updatedAt":69},"1221","ECLI:NL:RBROT:2026:8067","ecli-nl-rbrot-2026-8067","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nParketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fof gleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fof weg te pakken en\u002Fof zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fof zich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en\u002Fof trekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam,\n\ntoebehoorde\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel\n\n509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de\n\ngedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te\n\nRotterdam\n\ndoor kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fof contact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10\u002F073695-26 en de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.\n\n2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\nFeit 2\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .\n\nParketnummer 10\u002F008304-26\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;\n\nEen ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10\u002F353396-25.\n\nParketnummer 10\u002F353396-25\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.\n\nBestandnaam stream 3:\n\n(..)\n\n08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.\n\nFeit 3\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.\n\nIk, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.\n\nIk, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .\n\nIk zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.\n\n Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .\n\nIk zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en\u002Fofgevolgd van gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fofom, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fofgleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fofweg te pakken en\u002Fofzich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fofzich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan de Albert Heijn (vestiging\n\n [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks10 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezelden\u002Fof gevolgdvan gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te maken,en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] tegrissen en\u002Foftrekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen ofmeerdere ruiten,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam\n\ndoorkort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fofcontact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;\n\n2. diefstal;\n\n3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nopzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.3.3.. \n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10\u002F008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.\n\nDe rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.\n\nPro Justitia rapport en reclasseringsadvies\n\nUit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.\n\nUit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.4.3.3.. Oplegging straf\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het\n\nbepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die\n\nin soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,\n\nwaarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de\n\nvoorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de\n\nreclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn\n\nbedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.\n\n6.3.. \n\nProceskosten\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.7. Vordering tot tenuitvoerlegging7.1.. \n\nVordering\n\nParketnummer 10\u002F329152-22\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\nParketnummer 10\u002F201224-24\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en\u002Fof vrijetijdsbesteding.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24 gesteldevoorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10\u002F329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.\n\nDe voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10\u002F353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;\n\nverklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;\n\nde verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nde verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26);\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8067","2026-07-13T00:29:10.777Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":74,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":61,"updatedAt":76},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","2026-07-13T00:29:11.058Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":81,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":84},"1193","ECLI:NL:RBROT:2026:8030","ecli-nl-rbrot-2026-8030","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-292536-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres:\n\n [adres] [postcode] [woonplaats]\n\ngedetineerd in [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M. Schmit\n\nOfficier van justitie: mr. K. Broere\n\nBenadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , bijgestaan door advocaat mr. F.J.M. Hamers en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bijgestaan door advocaat\n\nmr. S. Epema\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft op 1 november 2025 een vuurwapen in handen genomen, geladen en doorgeladen en dat vuurwapen is op enig moment afgegaan. Hierdoor is het slachtoffer [slachtoffer] in de borst geraakt en ten gevolge daarvan overleden. De verdachte wordt vrijgesproken van doodslag. De verdachte wordt veroordeeld voor dood door schuld (roekeloosheid) tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd (primair) dan wel dat het aan zijn schuld te wijten is dat het slachtoffer [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft opgelopen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\n1 primair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel af te vuren\u002Faf te schieten in de borst, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te richten en\u002Fof te houden in de richting van die [slachtoffer] en\u002Fof - vervolgens het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst, althans het bovenlichaam heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en\u002Fof III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\u002Fof - munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en\u002Fof categorie III, te weten één of meer kogelpatr(o)on(en) van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair, omdat het vereiste opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Het wapen kan zomaar zijn afgegaan en dan kan niet worden gesproken van enige verwijtbaarheid. In ieder geval kan de ten laste gelegde roekeloosheid niet worden bewezen. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 1 primair\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting is niet vast te stellen dat de verdachte de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte, zoals tenlastegelegd, met (voorwaardelijk) opzet een kogel heeft afgevuurd of afgeschoten. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte\n\n1. subsidiair\n\nop 1 november 2025 te Rotterdam roekeloos heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te houden in de richting van die [slachtoffer] en\n\n- het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\n\n- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten kogelpatronen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Deskundigenverslag\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1 subsidiair\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 november 2025 zat ik met drie personen waaronder [slachtoffer] in de keuken van mijn woning in Rotterdam. De keuken is een kleine ruimte met een tafel in het midden. Ik had veel sterke drank gedronken die avond en nacht. Ik heb het vuurwapen uit mijn kelderbox gepakt om stoer te doen. Ik zat een beetje te spelen met het vuurwapen. Ik heb het vuurwapen in mijn handen genomen en vastgehouden. Ik heb het magazijn, dat gevuld was met kogels, er meerdere keren in gedaan en er uit gehaald. Ik heb de slede naar achteren gehaald. Ik heb de anderen laten zien hoe je een vuurwapen doorlaadt. Op een gegeven moment ging het wapen af toen ik het vasthad. Het slachtoffer was toen ongeveer 2 meter van mij vandaan, de tafel zat ertussen.\n\nHet vuurwapen heb ik niet eerder in mijn handen gehad.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1]\n\nHet geweer ging van de oom naar de vader en weer terug. Ze deden alsof ze op elkaar aan het richten waren. Ze zeiden ik ga je schieten. [naam 2] en ik zeiden dat ze moesten stoppen. Toen hoorde ik een knal. Ik zag [naam 2] zijn vader zijn hoofd naar achteren vallen.\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe medewerkers van de ambulancedienst zagen op 1 november 2025 te Rotterdam dat het slachtoffer een gat in zijn lichaam had ter hoogte van zijn linkerborst. Ik hoorde een van de ambulancemedewerkers zeggen dat het een schotwond was. Ik zag een gat in zijn rug.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nBij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] wordt het overlijden zonder meer verklaard door één doorschot door de borstkas.\n\nBewijsmotivering\n\nDe vraag die mede gelet op het gevoerde verweer moet worden beantwoord is of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als - kort gezegd - roekeloos of (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat\n\n [slachtoffer] als gevolg van dat handelen is overleden. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk is geweest. Hoewel voor de rechtbank met voldoende zekerheid vaststaat dat de verdachte nooit heeft gewild dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou komen te overlijden, zijn de fatale gevolgen wel aan zijn schuld te wijten.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte de voorwaarden geschapen voor het laten afgaan van het vuurwapen. De verdachte heeft bewust meerdere handelingen verricht met een vuurwapen, zoals het met kogels gevulde magazijn erin doen en het vuurwapen door te laden. Het slachtoffer is door een uit het vuurwapen verschoten kogel in de borstkas geraakt, wat maakt dat de verdachte het wapen in de richting van het slachtoffer heeft gehouden. Dit heeft hij gedaan in een relatief kleine keuken waarin zich drie anderen personen bevonden, terwijl hij sterk onder invloed was van alcohol. De verdachte had het wapen nooit eerder in handen gehad, wat maakt dat hij de werking van dit vuurwapen niet kende. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zo te handelen zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en de verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. De verdachte had het risico van zijn handelen in behoren te zien en hij had anders moeten en kunnen handelen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat dit gedrag als de zwaarste vorm van onvoorzichtig en gevaarzoekend gedrag is aan te merken en daarmee als schuld in de zin van roekeloosheid. Feit 1 subsidiair is daarmee bewezen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1. subsidiair\n\naan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid;\n\nde eendaadse samenloop van\n\n2.\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafverminderende zin te laten meewegen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft nadat hij veel sterke drank had gedronken, in een kleine ruimte met een door hem doorgeladen vuurwapen gespeeld in het bijzijn van zijn zwager (het latere slachtoffer), diens 18-jarige zoon (neef van de verdachte) en diens 17-jarige vriend. Als gevolg van dit roekeloze gedrag is het wapen afgegaan en is een kogel in de borst van het slachtoffer terecht gekomen, waardoor het slachtoffer is overleden. Het is daarmee aan de schuld van de verdachte te wijten dat het slachtoffer op deze tragische wijze zijn leven is ontnomen.\n\nOp de zitting hebben de vrouw van het slachtoffer, de ouders en de neef van het slachtoffer verteld hoeveel verdriet en onherstelbaar leed de onverwachte dood van het slachtoffer bij hen, zijn kinderen en andere familie en vrienden heeft veroorzaakt. De nabestaanden voelen de pijn van het verlies van het slachtoffer dagelijks.\n\nDe verdachte heeft daarnaast een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Deze zaak laat zien dat het bezit van een vuurwapen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Alleen al daarom moet tegen vuurwapenbezit streng worden opgetreden. De vrouw van het slachtoffer (tevens zus van de verdachte) heeft in haar verklaring op zitting het gevaar van vuurwapens treffend verwoord. Zij heeft opgeroepen uit de buurt te blijven van wapens, geen wapens voor anderen te bewaren en wapens niet vast te pakken uit nieuwsgierigheid, omdat één moment van onoplettendheid of één verkeerde keuze levens voorgoed kan verwoesten.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nRapport van deskundige\n\nIn het rapport van psycholoog drs. T. ’t Hoen van 26 maart 2026 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een lichte stoornis in het gebruik van alcohol waarvan ook sprake was tijdens de ten laste legde feiten. Het advies is om de feiten volledig toe te rekenen aan de verdachte, omdat bij de verdachte mag worden aangenomen dat hij zich voldoende bewust is van de invloed die alcohol op hem heeft.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een lagere straf opleggen dan geëist, omdat de rechtbank niet uitgaat van doodslag zoals de officier van justitie. De maximale gevangenisstraf voor dood door schuld door roekeloos handelen, is vier jaar. De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op de verdachte heeft; hij zal moeten leven met het besef dat het slachtoffer, die zijn zwager was en iemand die de verdachte als een broer beschouwde, door zijn handelen is overleden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft en oog voor het verdriet en het leed dat door zijn handelen bij de nabestaanden is veroorzaakt. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vordering van de benadeelde partijen5.1.. \n\nDe vorderingen\n\nIn dit strafproces hebben zeven nabestaanden, te weten de partner, de vier kinderen, de vader en de moeder van het slachtoffer immateriële schadevergoeding van de verdachte gevorderd voor feit 1. Al deze partijen hebben verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.\n\nBenadeelde partij\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 40.000 (schokschade)\n\n€60.000\u002F€ 57.500\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 30.000 (aantasting in de persoon ‘op andere wijze’)\n\n€50.000\u002F€ 47.500\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500 (affectieschade) + € 20.000 (schokschade)\n\n€ 37.5005.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de bedragen heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vorderingen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert de verdediging geen verweer tegen de vorderingen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. Algemene uitgangspunten\n\nAffectieschade\n\nAffectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van personen die hiervoor in aanmerking komen. Indien een persoon niet onder één van deze categorieën valt, kan een beroep worden gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW waarin de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade is geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat deze persoon voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nSchokschade\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt kan - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Dit wordt schokschade genoemd.\n\nGezichtspunten die hierbij een rol spelen zijn:\n\nde aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;\n\nde wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;\n\nde aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.\n\nAan de hand van (onder meer) deze gezichtspunten dient de rechtbank van geval tot geval te beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid en daarmee of de nabestaanden in aanmerking komen voor vergoeding van schokschade. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nVan aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.5.4.2.. \n\nBeoordeling van de vorderingen\n\nHieronder zal de rechtbank de vorderingen achtereenvolgens bespreken.\n\n [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij is de levensgezel van de overledene. Vast is komen te staan dat zij met de overledene ruim twintig jaar een affectieve relatie had en dat zij samen duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerden. Zij hadden op papier beiden een eigen woning, maar leefden met elkaar en hun kinderen als gezin samen. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 2]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de (meerderjarige) thuiswonende zoon van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 20.000,-.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde (zoon van het slachtoffer) en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. De benadeelde was bij het slachtoffer toen hij door de kogel in zijn borst werd geraakt. De benadeelde heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar het slachtoffer is in zijn bijzijn overleden. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die het gevolg is van geestelijk letsel dat in voldoende mate is geobjectiveerd. Onvoldoende is onderbouwd dat van dergelijk letsel sprake is. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 3]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de minderjarige dochter van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nDe benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor schade door aantasting in de persoon op andere wijze, bestaande uit het verlies van een vaderfiguur, wat een ernstige inbreuk op haar zelfvertrouwen en ontwikkeling oplevert.\n\nIn het vonnis van 21 maart 2024heeft de rechtbank Rotterdam met verwijzing naar de totstandkoming van de wettelijke systematiek van derdenschade, overwogen dat de afzonderlijke kwalificatie van aantasting in de persoon op andere wijze wegens het verlies van een ouder als grond voor toekenning van vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Om als derde boven op de regeling van de affectieschade aanspraak te kunnen maken op een hogere vergoeding van immateriële schade, dient sprake te zijn van een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. Dat daarvan sprake is, kan zonder nadere concrete onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 4] en [benadeelde 5]\n\nDe benadeelde partijen zijn de kinderen van de levensgezel van de overledene. Zij hebben een andere biologische vader dan de overledene. Vast is komen te staan dat het slachtoffer duurzaam in gezinsverband voor de benadeelde partijen heeft gezorgd vanaf dat zij één jaar oud waren. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen voor een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 6]\n\nDe benadeelde partij is de vader van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhem inwoonde.\n\n [benadeelde 7]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de moeder van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhaar inwoonde.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. Zij stelt dat zij bij de uitvaartverzorger is geconfronteerd met de verwondingen aan het lichaam van haar zoon en de gevolgen van het pathologisch onderzoek. Ook stelt zij dat zij vlak nadat zij had vernomen dat haar zoon was overleden via de media informatie vernam over wat zou zijn voorgevallen. De rechtbank begrijpt dat het op deze wijze verliezen van een kind onbegrijpelijk is en kan leiden tot geestelijk letsel. De rechtbank moet echter vaststellen dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, anders dan de voorlopige diagnose door een psycholoog dat sprake is van een rouwstoornis, depressieve klachten en trauma-gerelateerde klachten. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel nadere bewijslevering vraagt en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n5.4.3.. \n\nConclusie\n\nDe verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hieronder vermeld. De schadevergoedingen zullen vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De gijzeling wordt, rekening houdend met artikel 36f, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht, bepaald op 364 dagen. Het aantal dagen gijzeling per vordering zal naar evenredigheid worden vastgesteld.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen immateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n€ 135.0006. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 6]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 7]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C. Sikkel, voorzitter,\n\nen mrs. W.J. de Veld en M.C. Spoormaker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. Spoormaker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 209 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 98 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n pagina 53 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 46 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405.\n\nECLI:NL:RBROT:2024:2282.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8030","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.115Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":89,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":91},"1188","ECLI:NL:RBROT:2026:7973","ecli-nl-rbrot-2026-7973","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-051220-26\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1948 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],\n\ngedetineerd in [naam P.I.].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. R.G. van der Laan\n\nOfficier van justitie: mr. P.J. Wijnands\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.J. van Horen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft over een periode van ruim anderhalf jaar kinderporno verspreid, aangeboden, verworven en in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen die betrekking hebben op seksueel kindermisbruik. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 kinderporno in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid. Daarnaast beschuldigt zij de verdachte ervan ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een (meerderjarig) persoon in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof\n\nmobiele telefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop, bevattende afbeeldingen\n\nvan een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien\n\njaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\u002Fof\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele\n\nstrekking\n\nwaarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,\n\nwas betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich daartoe de toegang heeft verschaft,\n\nte weten afbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof mobiele\n\ntelefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop,\n\nbevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof\n\nvoorwerp door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand worden\n\naangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof\n\nmond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze\n\nvan kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms\n\nnadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld\n\nworden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\u002Fof\n\n- dat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\u002Fof\n\n- bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof\n\nzichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016 te Zwijndrecht en\u002Fof\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\ndoor geweld of andere feitelijkheden en\u002Fof bedreiging met geweld of andere\n\nfeitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of\n\nmeer ontuchtige handelingen,\n\nbestaande uit het (onverhoeds) betasten van de penis van die [slachtoffer] en\u002Fof het\n\naanraken van de lippen en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer]\n\nen bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en\u002Fof die bedreiging met\n\ngeweld of die andere feitelijkheden uit\n\n- het onverhoeds uitvoeren van die ontuchtige handelingen en\u002Fof\n\n- het voorbijgaan aan zijn (verbale en\u002Fof non-verbale) protesten en\u002Fof\n\n- het feit dat hij, verdachte, wetenschap had van de psychische problematiek van\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het benadrukken dat de relatie tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] geheim moest\n\nblijven en\u002Fof\n\n- het (regelmatig) geven van cadeau’s, althans een of meer goederen, en\u002Fof geld aan\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen en\u002Fof uit omstandigheden\n\nvoortvloeiend overwicht, te weten het (voormalig) burgemeesterschap van\n\nverdachte en\u002Fof\n\n- het (aanzienlijke) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer].2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving kinderpornografisch materiaal aanwezig op inbeslaggenomen gegevensdragers\n\n3. Proces-verbaal van de politie, duiden pleegperiode2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te [plaatsnaam],\n\nmeermalen,\n\n(in de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer afbeeldingen en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\n\n(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025 artikel 252 Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten afbeeldingen en gegevensdragers, te weten USB-sticks en mobiele telefoons en een harde schijf en een laptop, bevattende afbeeldingen, waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\n\neen ander persoon oraal en anaal wordt gepenetreerd met een penis en voorwerp door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en vinger\u002Fhand worden aangeraakt\n\nen\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en mond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\n\n- door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon en de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\n\n- dat bij het gezicht en het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\n\n- op het gezicht en het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\n2.3.3.. \n\nVrijspraak\n\nHet onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nVooraf\n\nZedenstrafzaken worden vaak gekenmerkt door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook hier is er geen getuige die de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft waargenomen. In dit geval wordt de waarheidsvinding verder bemoeilijkt door het gegeven dat de vermeende gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden over een tijdspanne van ruim tien jaar, waarbij het laatste incident tien jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.\n\nBewijsminimum\n\nOp grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, oftewel in dit geval enkel op grond van de verklaring van aangever. Van belang is dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel. Niet vereist is dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.\n\nNiet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Het is voor het bewijs afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.\n\nVerklaringen van aangever\n\nAangever heeft verklaard dat hij de verdachte ergens tussen 2004 en 2006 heeft leren kennen toen hij ongeveer vierentwintig of vijfentwintig was. Aangever was in die periode kwetsbaar. Hij werd namelijk in 2006 en 2007 opgenomen in een kliniek, waarna hij afgekeurd is voor werk. De ten laste gelegde gebeurtenissen zouden volgens aangever vanaf 2005 zijn gestart. De verdachte zou aangever op meerdere momenten hebben aangeraakt op een manier die aangever niet fijn vond. Zo zou de verdachte aangever heel vaak hebben aangeraakt aan zijn gezicht, waaronder bij zijn mond, lippen en wang. Ook zou de verdachte aangever één keer aan zijn geslachtsdeel hebben geraakt. Aangever zou de verdachte steeds hebben afgeweerd en hebben aangegeven dat hij de aanrakingen niet fijn vond, maar de verdachte zou telkens geen gehoor hebben gegeven aan de bezwaren van aangever.\n\nDe verdachte heeft vanaf zijn eerste politieverhoor stellig ontkend dat hij het geslachtsdeel van aangever heeft aangeraakt. De verdachte heeft verklaard dat, als hij het gezicht en de lippen van aangever heeft aangeraakt, deze aanrakingen niet in een seksuele context hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij een soort begeleider en vaderfiguur was voor aangever en dat de aanrakingen binnen die context moeten worden bezien.\n\nNu de verklaringen van aangever en de verdachte haaks op elkaar staan voor wat betreft het plaatsvinden van aanrakingen, dan wel de ontuchtige context waarin dat zou zijn gebeurd, is voor een eventuele bewezenverklaring van belang dat de verklaring van aangever steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal.\n\nVerklaringen van de ouders van aangever\n\nDe moeder van aangever heeft bij de politie verklaard dat de aangever zich soms heel boos uitliet over de verdachte. Ze noemt daarbij als voorbeeld dat aangever eens een boek en een beeldje die hij van de verdachte had gekregen in de tuin had gesmeten en daarbij had gezegd dat hij de verdachte wel wilde killen. Zij heeft aan aangever gevraagd wat er is gebeurd met de verdachte. Aangever zou toen hebben geantwoord. “Ja, vieze handen”. Ze stelde vervolgens de vraag of de verdachte hem had aangerand. Aangever heeft toen als antwoord gegeven dat zijn hoofd ermee vol zat.\n\nOok de vader van aangever heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat aangever wel heeft gedeeld dat er iets zou zijn gebeurd, maar aangever zou toen niet hebben gezegd wat precies.\n\nUit de verklaringen van de ouders van aangever wordt duidelijk dat aangever (een lange tijd) met vele tegenslagen en moeilijkheden heeft geworsteld in zijn leven. Over de tenlastegelegde gebeurtenissen bieden de verklaringen van de ouders echter onvoldoende duidelijkheid. Wat er precies met aangever heeft plaatsgevonden, is voor zijn ouders nooit duidelijk geworden. De verklaringen van de ouders bevatten daardoor te weinig concrete details of eigen waarnemingen, die vervolgens steun kunnen bieden aan de verklaringen van aangever.\n\nNu het dossier verder geen ander bewijsmateriaal bevat dat steun biedt aan de verklaring van aangever, komt de rechtbank tot de conclusie dat de onder feit 2 tenlastegelegde aanranding niet kan worden bewezen, omdat er met het aanwezige bewijsmateriaal niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Ten aanzien van handelingen die op zichzelf door de verdachte worden erkend (het aanraken van het hoofd van aangever) kan de rechtbank niet zonder twijfel vaststellen dat die een ontuchtig karakter hebben gehad.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.3. Kwalificatie en strafbaarheid\n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024:\n\neen afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025:\n\neen visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt.\n\n3.1.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet (voor beide feiten) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd, waaronder een contactverbod met minderjarigen. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard en de reclassering moet toezicht houden op de naleving van deze voorwaarden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat, gezien de aard en de ernst van de feiten, de leeftijd van de verdachte, de impact van de publiciteit van de zaak op de verdachte, en de justitiële documentatie van de verdachte, de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht reeds volstaat. De verdediging verzoekt de rechtbank om, indien zij daar aanleiding toe ziet, de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het verspreiden, aanbieden, verwerven en bezitten van kinderporno, een zeer ernstig strafbaar feit. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte zijn in totaal 1.036 visuele weergaven, waaronder 632 foto’s en 404 video’s, aangetroffen waarop te zien is dat seksuele handelingen met, soms zeer jonge, kinderen worden verricht. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vanwege zijn leeftijd steeds minder seksueel opgewonden raakte en dat hij daardoor op zoek is gegaan naar erotische prikkels. In zijn zoektocht naar nieuwe prikkels is verdachte kennelijk beland in de verwerpelijke wereld van kinderporno. Voor de verdachte lag de focus enkel op de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft in dat kader beelden bekeken, bewaard en doorgestuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderen bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen veelvuldig seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten ondergaan ten behoeve van de kinderporno-industrie kunnen aanzienlijke psychische schade oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal wordt de schade voor de afgebeelde jeugdigen nog vergroot. Beelden zijn niet eenvoudig te verwijderen van het internet en blijven daar vaak nog jarenlang circuleren, waardoor de slachtoffers ook jaren nadat het misbruik heeft plaatsgevonden, daarmee kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast heeft verdachte in een chat met een contact genaamd ‘[naam 1]’ actief gefantaseerd over de wijze waarop bij name genoemde jonge kinderen misbruikt konden worden. De teksten die daarbij door verdachte zijn geuit, zijn bijzonder schokkend te noemen. Door handelingen zoals die door de verdachte zijn gepleegd wordt de vraag naar kinderporno en daarmee het misbruik van kinderen in stand gehouden. Daarbij komt dat de verdachte de kinderporno niet enkel voor zichzelf heeft bewaard, maar op meerdere momenten heeft doorgestuurd en daarmee verder heeft verspreid. De verdachte heeft daarmee een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze illegale markt.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft ter zitting weliswaar iets meer inzicht gegeven in zijn seksuele beleving dan voorheen, maar hij nam voor zijn handelen onvoldoende verantwoordelijkheid. Hij beriep zich meerdere keren op zijn onkunde op digitaal gebied, gaf geen verklaring voor het aantreffen van een grote hoeveelheid bestanden op meerdere gegevensdragers en schoof het merendeel van de verantwoordelijkheid af op de voor de rechtbank onbekend gebleven persoon met de Snapchat-gebruikersnaam ‘[naam 1]’. De rechtbank heeft daardoor niet het volle vertrouwen verkregen dat de verdachte zichzelf in de toekomst in bedwang kan houden.4.3.3.. \n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.4.3.4.. \n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van psycholoog [naam 2] van 19 mei 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft over de onderwerpen seksualiteit en het ten laste gelegde nauwelijks met onderzoekers in gesprek willen gaan. De indruk bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong wil laten zien. De verdachte lijkt zich te verschuilen achter naïviteit en onwetendheid. Er is geen sprake van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening. Omdat er geen zicht is gekomen op de seksualiteitsbeleving van de verdachte en het ten laste gelegde nauwelijks besproken heeft kunnen worden, is het niet mogelijk om een uitspraak te kunnen doen over het recidiverisico. Er zijn wel veel beschermende factoren aanwezig. Ondanks dat er geen stoornis is vast te stellen, maar ook niet geheel uit te sluiten, en er geen recidiverisico kan worden bepaald, komen uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren. Het is van belang dat na veroordeling een nadere delictanalyse wordt uitgevoerd, die mogelijk, na het los kunnen laten van de procespositie, beter bewerkt kan worden. Het is van belang dat de seksuele belevingen en gedragingen van betrokkene nader onderzocht en geduid worden. Het is van belang dat seksuele thema’s bespreekbaar worden gemaakt en dat er meer openheid komt. Genoemde behandeling kan worden gerealiseerd bij een forensische polikliniek als De Waag of een soortgelijke instelling. Naast het bewerken van het delictscenario en seksualiteit, is nader onderzoek aangewezen naar een parafiele stoornis en er dient aandacht te zijn voor cognitieve achteruitgang, waarbij zo nodig nader neuropsychologisch onderzoek kan worden ingezet. De behandeling kan bij een bewezenverklaring worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 juni 2026 staat het volgende.\n\nUit het diagnostisch onderzoek door een gedragsdeskundige is naar voren gekomen dat een stoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet geheel kan worden uitgesloten. Ook kan er geen recidiverisico worden bepaald. Wel wordt geconstateerd dat uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren komen, waardoor het van belang wordt geacht dat er nadere delictsanalyse wordt uitgevoerd en dat seksuele belevingen en gedragingen worden onderzocht. De reclassering adviseert daarom ook een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek gespecialiseerd in seksueel delictgedrag. Verder worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod, het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik en een verbod op bepaalde werkzaamheden.\n\n4.3.5.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin is in aanmerking genomen dat de verdachte een first offender is en op gevorderde leeftijd is.\n\nDe officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op bewezenverklaring van beide feiten. Hoewel de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van één feit komt, zal zij niettemin de door de officier van justitie geëiste straf opleggen. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, de proceshouding van de verdachte en de gevaarzetting die daarvan uitgaat.\n\nDit betekent concreet dat een gevangenisstraf van twaalf maanden wordt opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd, omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte in de toekomst de nodige behandelingen volgt en meewerkt aan nadere diagnostisch onderzoek, zodat daarmee een eventueel risico op herhaling kan worden beperkt.\n\nHet onvoorwaardelijk deel van deze straf is langer dan verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bovendien zijn de bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog aanwezig. Er is dus geen aanleiding om de voorlopige hechtenis thans op te heffen.\n\nHet voorwaardelijk deel van de straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf enkele bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.\n\nDe bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen met betrekking tot seksueel kindermisbruik. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod ten aanzien van direct aanwijsbare slachtoffers, een verbod op bepaalde werkzaamheden of het vermijden van contact met minderjarigen als bijzondere voorwaarde op te leggen. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan kindermisbruik, in welk geval dergelijke voorwaarden wel aangewezen zouden zijn.\n\nGelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 240b (oud) en 252 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maandenniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 (vijf) dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n3. de verdachte gedurende de proeftijd:\n\na. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\nb. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\nc. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\nd. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) 6 (zes) keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nbeveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.M.H. Geerars, voorzitter,\n\nen mrs. J.L. Luiten en R.P.W. van de Meerakker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.E. Jacobino, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer].\n\n Afgelegd tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Pagina’s 31-51\n\nPagina’s 58-60.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7973","2026-07-13T00:29:08.883Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":96,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":61,"updatedAt":98},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","2026-07-13T00:29:10.921Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":103,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":105},"1628","ECLI:NL:RBROT:2026:7942","ecli-nl-rbrot-2026-7942","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.229131.25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nDatum zitting: 22 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (O),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting (PI) [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J-H.L.C.M. Kuijpers\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nBenadeelde partijen:\n\n [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. N. Amine\n\n [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien\n\n [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien, waarnemend voor mr. Y.N. Teke-Bozkurt\n\nKern van het vonnis\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte voor het samen met een ander opzettelijk uitlokken van een gewapende overval op een juwelier, het opzettelijk uitlokken van een woningoverval en het proberen opzettelijk uit te lokken van een woningoverval. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van vier jaar en wijst de schadeclaims van de slachtoffers (gedeeltelijk) toe.1. Tenlastelegging\n\nKort samengevat en voor zover van belang beschuldigt de officier van justitie de verdachte van een viertal strafbare feiten, te weten:\n\n1) het in de periode van 25 juni tot en met 8 juli 2025 (samen met anderen) uitlokken van een overval op een juwelier op 8 juli 2025 (medeplegen van diefstal met geweld in vereniging);\n\n2 en 3) het in de periode van 16 juni tot en met 4 juli 2025 uitlokken van een overval op een woning op 4 juli 2025 (medeplegen van afpersing in vereniging (feit 2) en medeplegen van diefstal met geweld in vereniging (feit 3));\n\n4) een poging tot het uitlokken van een diefstal met geweld (feit 4).\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.\n\n2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de (primaire) feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op gebruik van geweld. Dat geldt zowel voor de woningoverval als bedoeld onder de feiten 2 en 3 in de tenlastelegging als voor de overval op de juwelier als bedoeld onder feit 1 in de tenlastelegging. De verdachte heeft dat opzet ontkend en het blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Er is geen bewijs dat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van geweld. Het inslaan van de ruiten bij de juwelier levert braak op, geen geweld. “In de rechtspraak wordt met enige regelmaat vrijgesproken van betrokkenheid bij een diefstal met geweld, indien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het voorgenomen geweld of het gebruik van wapens door de uitvoerders”, aldus de raadsman onder verwijzing naar twee arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.\n\nMet betrekking tot feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen. Voor de doorzoeking in de hotelkamer geldt dat het dossier te weinig concrete en specifieke informatie bevat om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie. Daarnaast ontbreekt in het dossier een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van onderzoek in de telefoon van de verdachte. Deze vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake kan zijn van bewijsuitsluiting, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de geweldscomponent. In de chatberichten wordt namelijk niet gesproken over het toepassen van geweld en de verdachte heeft daarop geen opzet gehad.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte twee keer (waarvan één keer samen met een ander) een diefstal met geweld in vereniging heeft uitgelokt (feiten 1 primair en 3 primair), een afpersing in vereniging heeft uitgelokt (feit 2) en heeft geprobeerd een diefstal met geweld uit te lokken (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nEr is sprake van uitlokking als de uitlokker de uitvoerder met de in artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen opzettelijk aanzet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit en dit feit ook daadwerkelijk wordt gepleegd althans een poging of strafbare voorbereiding daartoe wordt ondernomen.Dit opzet dient in beginsel alle delictsbestanddelen te omvatten. Dat betekent echter niet dat de uitvoering precies moet gaan zoals de uitlokker heeft bedacht, als de uitlokker daar al een concreet idee over heeft. Dat de uitvoering anders is geweest dan de verdachte voor ogen heeft gestaan, hoeft niet af te doen aan het opzettelijk karakter van het uitlokken (HR 19 mei 1987, NJ 1988, 424). Zo heeft degene die uitlokt tot beroving in beginsel ook opzet op het daarvoor gebruikte geweld (HR 10 februari 1970, NJ 1970, 269).\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij informatie had over een kluis en over waardevolle spullen in de woning aan de [adres 2] in Berkel en Rodenrijs. Ook verklaarde hij dat hij in de ten laste gelegde periode deze informatie met anderen, waaronder de medeverdachte [medeverdachte 1] , had gedeeld. De verdachte zegt bij de eerste ontmoeting met de medeverdachte [medeverdachte 2] te hebben gesproken over de planning van de overval in Berkel en Rodenrijs. Ter zitting heeft de verdachte beaamd dat een overval meestal niet vriendelijk gebeurt. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdachte alles verder geregeld en [medeverdachte 1] vertelde aan hem alles wat hij deed.\n\nWelke afspraken voorafgaand aan de overval op de woning precies zijn gemaakt, is onduidelijk. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan, nu in de feiten 2 en 3 geen medeplegen van uitlokking is ten laste gelegd, niet worden bewezen dat de verdachte de overval op de woning heeft uitgelokt door datum en tijd door te geven waarop de overval moest plaatsvinden, door tegen de uitvoerders te zeggen wat zij moesten doen, de taken te verdelen en de verdeling van de buit te bepalen. Deze uitspraken heeft de verdachte wel gedaan in een chatgesprek op 24 juni 2025 (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 207). Maar de personen die daar als uitvoerder worden aangesproken, hebben uiteindelijk de overval niet uitgevoerd. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] twee anderen geregeld om de overval uit te voeren en de datum bepaald (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 406, [medeverdachte 1] : “ik heb 2 soldiers” en “morgenochtend gaat gebeuren, ik neem het ff over”, op 3 juli 2025).\n\nDat niet met zoveel woorden is ten laste gelegd dat de verdachte het feit heeft uitgelokt door het adres van de woning door te geven doet er niet aan af, dat de rechtbank dit gegeven wel meeweegt bij het bewijs van uitlokking. Niet alle uitlokkingsmiddelen behoeven immers met zoveel worden in de tenlastelegging te worden opgenomen.\n\nHoewel uit de uitgewisselde berichten van de verdachte niet is gebleken dat over toepassing van geweld werd gesproken, staat wel vast dat de verdachte zijn mededaders heeft uitgelokt tot het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing zoals onder 2 en onder 3 is ten laste gelegd. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 23 november 2002 overwogen dat een verdachte door het uitlokken van het medeplegen van diefstal bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het binnendringen van een woning met meerdere personen om de hennep weg te nemen, kan leiden tot het aanwenden van geweld jegens de bewoner van de woning, waarvan de verdachte bovendien wist dat hij in zijn woning aanwezig was (ECLI:NL:GHSHE:2022:4007). Het hof verklaarde uitlokking van diefstal in vereniging met geweld bewezen. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep – waarbij het middel zich onder meer tegen het bewijs van dubbel opzet richtte – zonder motivering verworpen (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:303).\n\nEen en ander leidt tot het oordeel dat de verdachte door het uitlokken van diefstal van sieraden uit (een kluis in) een woning terwijl hij moet hebben geweten dat een bewoner thuis was – hoe zouden de daders anders naar binnen gaan en zich toegang verschaffen tot de kluis zoals de bedoeling was – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het binnendringen in de woning zou leiden tot geweld tegen een of meer bewoners. Daaraan doen niet af de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de raadsman heeft gewezen, alleen al omdat deze niet gaan over uitlokking maar over medeplegen en medeplichtigheid.\n\nWel zal de rechtbank vrijspreken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde uitlokking van diefstal met geweld en afpersing, voor zover het betrekking heeft op een vuurwapen. Het bewijs van het opzet op geweld dat voortvloeit uit de opzettelijke uitlokking van diefstal met geweld en afpersing gaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zo ver, dat daaronder ook het opzet op wapengeweld kan worden gerekend.\n\nDie gedeeltelijke vrijspraak strekt zich overigens niet uit tot de tenlastelegging onder 1. De woning als bedoeld in de tenlastelegging onder 2 en 3 is overvallen op 4 juli 2025 en de juwelier als bedoeld in de tenlastelegging onder 1 is overvallen op 8 juli 2025. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij van de overval op de woning op 4 juli 2025 kennis heeft genomen uit het nieuws. Hoewel niet bekend is van welk nieuwsbericht of nieuwsberichten de verdachte heeft kennisgenomen of wanneer hij dat heeft gedaan, kan het niet anders of hij heeft dat kort na de overval op de woning gedaan, terwijl die berichten minst genomen moeten hebben gemeld dat het om een gewapende overval is gegaan. Zo is in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] een zoekslag [naam locatie]gevonden die heeft geleid naar een nieuwsbericht getiteld ‘Bewoners bedreigd met vuurwapen bij woningoverval [naam locatie] in Berkel en Rodenrijs’ (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 116). En in de telefoon van de verdachte zelf werd een nieuwsbericht gevonden over de overval op de juwelier op 8 juli 2025 van de website politie.nl met als titel:vier mannen aangehouden op verdenking van gewapende overval op juwelier te Rotterdam(zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 403), wat laat zien dat de verdachte naar nieuws over de overval zoekt.Dit laat naar het oordeel van de rechtbank voldoende zien dat de nieuwsberichten over de woningoverval op 4 juli 2025 die de verdachte naar eigen zeggen heeft bekeken moeten hebben vermeld dat er sprake is geweest van een gewapende overval. Dat brengt mee dat de verdachte bij het aanzetten tot de overval op de juwelier op 8 juli 2025, die in elk geval door een deel van dezelfde daders zou worden uitgevoerd, ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat opnieuw een (vuur)wapen zou worden gebruikt.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot het tenlastegelegde onder 4, dat sprake zou zijn van een tweetal vormverzuimen. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij twee gewapende overvallen. Dit gegeven was voldoende aanleiding voor een doorzoeking als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie van de hotelkamer waarin hij werd aangehouden. De officier van justitie heeft met betrekking tot de inbeslagname van de telefoon en het onderzoek in de telefoon ter zitting het bevel en de beslissing van de rechter-commissaris verstrekt op dit punt (Landeck). Dit maakt dat het standpunt hiermee voldoende onderbouwd is weersproken.\n\n2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nprimair[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] op 8 juli 2025te Rotterdam, tezamen en in vereniging diverse sieraden en\u002Fof displays, die geheel of ten dele aan Juwelier [naam juwelier] en\u002Fof [slachtoffer 1] , toebehoorde(n)hebbenweggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - met behulp van hamers de glazen voordeur eneenraam van het pand\u002Fde juwelier in te slaan en - een vuurwapen op omstanders te richten, en - gekleed in gezichtsbedekkende kleding het pand te betreden, en - de glazen toonbank met behulp vaneenhamer, in te slaan, en - (vervolgens) tassen te vullen met displays en sieraden\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 25 juni 2025 tot en met 8 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof Belgiëtezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik van gezag, bedreiging en het verschaffen van inlichtingen, te weten door, - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om een vluchtauto te regelen en om samen met anderen de overval te plegen en\n\n- de locatie van de overval en de datum\u002Fhettijdstip van de overval door te geven, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mokers en\u002Fof handschoenen aan te schaffen en\u002Fof geld te geven voor die aanschaf en\u002Fof een foto te sturen aan die [medeverdachte 2] van de moker die die [medeverdachte 2] moest halen, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mededader(s) op te halen - en daarbij adressen te delen- en\u002Fof af te zetten in Rotterdam en - die [medeverdachte 2] te zeggen dat hij klaar moest staan;\n\n2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 3] hebben gedwongen tot de afgifte van meerdere armbanden en eenketting die aan die [slachtoffer 3] toebehoorden door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is, en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n3\n\nprimair[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, meerdere armbanden eneenketting en meerdere horloges en meerdere telefoons die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaanenvergezeld van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en\u002Fof haar kinderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven, en - (vervolgens) die [slachtoffer 3] en haar kinderen te instrueren om tussen mededadersin naar boven te lopen, en - (vervolgens) armbanden eneenketting en horloges uit de (lades in de) slaapkamers te pakken,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n 4 hij in de periode van9 september 2025 tot en met 13 september 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, heeft gepoogd om een ander, te weten een onbekend gebleven persoon onder de Signalnaam ' [accountnaam] ' door beloften endoor het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een misdrijf, te weten het medeplegen van een diefstal met geweld in een woning, artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht, op 15 september 2025 te Berkel en Rodenrijs, waarbij de uitlokkingsmiddelen bestaan uit: - het via Signal benaderen van Signal-gebruiker ' [accountnaam] ', met de tip dat een aanzienlijk geldbedrag voorhanden is in (een kluis in) een woning in Berkel en Rodenrijs (van een Syrisch gezin dat drie juwelierszaken heeft), en - (via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen dat hij, verdachte, hiervoor \"spelers nodig\" heeft, en - (vervolgens, via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen hoe de taken voor de te plegen overval worden verdeeld\u002Fverdeeld zijn en\u002Fof dat de buit eerlijk zal worden verdeeld en\u002Fof dat de uitvoerders de buit op een plek zonder camera's moeten achterlaten, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' een datum\u002Ftijdstip van de te plegen overval af te spreken, en - (via Signal) aan die ' [accountnaam] ' een filmpje te sturen van een kluis en\u002Fof daarbij te zeggen dat er een aanzienlijk geldbedrag in moet liggen, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' af te spreken dat de overval \"aankomende maandag\" zal plaatsvinden.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1\n\nprimair\n\nhet medeplegen van uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nDe eendaadse samenloop van\n\n2\n\nuitlokking van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nen van\n\n3\n\nprimair\n\nuitlokking van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\n4\n\npoging tot uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVolstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel ten behoeve van bijzondere voorwaarden.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft als amper 18-jarige jongen tweemaal een gewelddadige overval uitgelokt waarbij waardevolle spullen door diefstal met geweld dan wel door afpersing met geweld, zijn weggenomen. [slachtoffer 3] en haar twee jonge kinderen zijn op klaarlichte dag overvallen in hun eigen woning in Berkel en Rodenrijs. De uitvoerende daders hebben haar met een vuurwapen gedwongen haar sieraden af te doen en sieraden en telefoons weggenomen uit de woning. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het inlichten van de uitvoerders over de buit in de woning en de uitvoerders een groot geldbedrag in het vooruitzicht stellen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na de woningoverval de buit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft opgehaald.\n\nEnkele dagen later is [slachtoffer 1] op klaarlichte dag overvallen in haar juwelierszaak in Rotterdam waar zij op dat moment aanwezig was met haar vriendin [slachtoffer 2] . De uitvoerende daders hebben met geweld de deur opengebroken en vervolgens de juwelierszaak vrijwel volledig vernield om zo sieraden weg te kunnen nemen. Een van de daders had een vuurwapen en heeft daarmee ook gericht op omstanders. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het opdrachtgeven aan een medeverdachte om een vluchtauto te regelen, handschoenen en mokers te kopen en de uitvoerders op te halen, het adres delen en tegen de medeverdachte zeggen dat hij klaar moest staan. Ook bij deze overval heeft de verdachte na afloop de buit opgehaald.\n\nVervolgens heeft de verdachte enkele maanden later gepoogd opnieuw een overval uit te lokken in de woning van [slachtoffer 3] door aan een derde via Signal informatie te verstrekken over een mogelijke buit.\n\nHet behoeft geen betoog dat de door de verdachte uitgelokte delicten voor de slachtoffers zeer traumatische en angstaanjagende ervaringen zijn geweest. Algemene ervaringsregels leren dan ook dat slachtoffers van delicten zoals bewezenverklaard nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. De ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] laten dat ook zien, net als de beschrijvingen van hoe het met [slachtoffer 3] en haar kinderen gaat. Daarnaast maken dergelijke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe.\n\nDe verdachte heeft op zitting verklaard dat hij spijt heeft van de gepleegde delicten. De rechtbank hoopt dat de verdachte daadwerkelijk inziet dat het plegen van dit soort delicten de slachtoffers veel schade berokkent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 mei 2026 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict, maar dat dit gaat om een feit dat is gepleegd voor de feiten waarvoor hij nu terechtstaat en dat daarna tot een vonnis heeft geleid. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf en de rechtbank houdt daarmee op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening bij de strafoplegging.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 8 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering beschouwt de verdachte als een deels bekennende verdachte. Het aandeel in het geheel dat hij erkent is significant minder dan wat hem wordt verweten. In de delictplegingen had hij een financiële motivatie en was hij louter gericht op eigen financieel gewin, zonder daarbij stil te staan bij mogelijke gevolgen voor slachtoffers. De verdachte komt vanaf veertien jarige leeftijd met justitie in aanraking. Daarbij is sprake van verschillende typen delictgedrag, wat over het algemeen een ongunstige voorspeller is voor recidive. Delictgerelateerde risicofactoren zijn gelegen het psychosociaal functioneren, houding, financiën en het sociaal netwerk. Algemene risicofactoren betreffen de wisselende huisvestingssituatie voorafgaand aan de arrestatie. Beschermende factoren zijn het contact met zijn moeder en de mogelijkheid tot huisvesting bij haar in Goor. In hoeverre dagbesteding behoort tot een risicofactor of een beschermende factor kunnen wij op dit moment niet beoordelen. In het contact met de reclassering stelt de verdachte zich coöperatief en vriendelijk op. Hij zegt zijn medewerking aan een toezicht met bijzondere voorwaarden toe. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.\n\nGeadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden; een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers en het vinden van dagbesteding.4.3.3.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor dit soort strafbare feiten worden in beginsel lange gevangenisstraffen opgelegd. Cumulerend zou dit kunnen leiden tot een gevangenisstraf van zes of zeven jaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een dergelijke lange gevangenisstraf passend is in de onderhavige zaak. De verdachte was ten tijde van de feiten volwassen, maar nog zeer jong. Op de terechtzitting heeft hij meerdere keren zijn oprechte excuses gemaakt en heeft hij verklaard dat hij zich realiseert - nu hij langere tijd in detentie heeft verbleven - hoe fout zijn daden zijn geweest. Hij heeft de rechtbank laten weten dat hij definitief wil afrekenen met zijn criminele verleden en een ander pad wil bewandelen in zijn leven. De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf op te leggen, omdat ‘dit zieltje misschien nog niet verloren is. De rechtbank sluit zich daarbij, kijkend naar de houding van de verdachte op de terechtzitting, aan en spreekt de hoop en verwachting uit dat de verdachte zijn leven daadwerkelijk een positieve wending zal geven. Gelet hierop zal de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar opleggen.\n\n De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vorderingen van de benadeelde partijen5.1.. \n\nVorderingen\n\n [benadeelde 1]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 11.247,21 als vergoeding voor materiële schade en € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 2]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 3]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 4]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.250,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 5]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 83.950,60 als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen kunnen geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe immateriële schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden dan wel sterk gematigd worden, omdat het geweldsaspect niet bewezen kan worden en de mentale gevolgen voor de benadeelden vooral verband houden met het gepleegde geweld.\n\nDe waarde van de weggenomen goederen uit de juwelierswinkel van [benadeelde 5] bedroeg slechts € 2.000,-.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\n [benadeelde 1]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 en 3 gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en door de huisarts is aangemeld bij een GGZ in verband met PTSS. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.2.. \n\n [benadeelde 2]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en herbelevingen heeft. Zij is doorverwezen naar een instantie die haar psychologische hulp zal aanbieden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.3.. \n\n [benadeelde 3]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat hij ernstige mentale problemen heeft sinds het misdrijf. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.4.. \n\n [benadeelde 4]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij na de overval kampt met ernstige psychische klachten, waaronder angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.5.. \n\n [benadeelde 5]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdachte heeft de vordering betwist en gemotiveerd gesteld dat er enkel € 2.000,- aan sieraden is weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor zover deze ziet op het ‘huurdersbelang’ voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onbetwist gesteld dat zij de btw niet meer kan verrekenen, zodat het schadebedrag inclusief 21% btw toegewezen wordt. Dat is een bedrag van in totaal € 10.527,-. Het overige deel van de vordering tot materiële schadevergoeding (de sieraden en de inventaris) is boven het bedrag van € 2.000,- niet eenvoudig te beoordelen. Dit deel is onderbouwd met een expertiserapport, aangevuld met kasboeken en facturen. Echter roepen deze stukken vragen op over de gemaakte schadeberekening. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, wat zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden. Dat zou in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Aangezien de verdachte heeft erkend dat het schadebedrag van de weggenomen sieraden (ten minste) € 2.000,- is, wijst de rechtbank een bedrag van € 12.527,- toe (= € 10.527,- plus € 2.000,-). Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij sinds de overval kampt met ernstige psychische klachten, bestaande uit slaapklachten, angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt op dit punt toegewezen.5.4.6.. \n\nHoofdelijke veroordeling, wettelijke rente, proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de wettelijke rente toe vanaf 4 juli 2025. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 55, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd en spreekt hem van het overige vrij;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;\n\nbeveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 20.247,21 bestaande uit € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade en € 9.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.247,21te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.250,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 1.250,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 14.527,- bestaande uit € 12.527,- als vergoeding van materiële schade en € 2.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 14.527te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal97 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nproceskosten\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en F. van Laanen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nMr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nUitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:245 en van 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2849.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossiers [dossiernaam 1] en [dossiernaam 2] .\n\n Uit Tekst & Commentaar Sr, aantekening 11 bij artikel 46a Sr zou kunnen worden afgeleid dat volgens de auteurs uitlokking niet strafbaar is als de uitvoering in de voorbereidingsfase is blijven steken. Uit het wettelijk stelsel dient te worden afgeleid dat dit alleen het geval is, indien die voorbereiding niet strafbaar is en dat is het geval bij uitlokking tot een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van minder dan acht jaar, zie artikel 46 Sr.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7942","2026-07-13T00:29:30.407Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":113},"1422","ECLI:NL:RBROT:2026:7917","ecli-nl-rbrot-2026-7917","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-247847-25\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nDatum zitting: 16 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte], geboren op [geboortedatum 1] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), ingeschreven op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [plaatsnaam] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel.\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. P. van Tour\n\nOfficier van justitie: mr. B.M. van Heemst\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het belagen (stalking) en mishandelen van zijn (ex)vriendin. De feiten kunnen de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 250 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Ook wordt aan de verdachte een 38v-maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met de aangeefster.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zijn (ex)vriendin heeft belaagd, mishandeld en bedreigd.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nfeit 1 hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door: - veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en\u002Fof - veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en\u002Fof - naar de vader van die [slachtoffer] te bellen en\u002Fof - zich veelvuldig, althans meerdere malen, op te houden in de buurt van het werk en\u002Fof de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof - door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nfeit 2 hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken en\u002Fof aan haar oorbel te trekken; feit 3 hij op of omstreeks 13 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 3. Verder heeft de verdediging verzocht de pleegperiode met betrekking tot feit 1 te beperken tot de periode vanaf 14 september 2025. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen belaging en mishandeling (feiten 1 en 2)\n\nBewezen is dat de verdachte zijn (ex)vriendin heeft belaagd en mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en 2 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]\n\n3. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [aangeefster]\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\n5. Proces-verbaal van de politie2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 14 september 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:\n\n- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en\n\n- veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en\n\n- zich meerdere malen op te houden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en\n\n- door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en\u002Fof te dulden;\n\nFeit 2\n\nhij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken.2.3.3.. \n\nVrijspraak bedreiging (feit 3)\n\nDe bedreiging waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd met de woorden: “straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken”. De moeder van de aangeefster heeft weliswaar verklaard dat de verdachte zou hebben gedreigd, maar zij heeft het gebruik door de verdachte van deze specifieke, dan wel daarmee vergelijkbare, bewoordingen niet bevestigd. Zij spreekt over wezenlijk andere bewoordingen. De verdachte heeft de gestelde bedreiging bovendien uitdrukkelijk ontkend. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nbelaging;\n\nFeit 2\n\nmishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf en maatregel4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging (ongemaximeerd), de 38v-maatregel (een contactverbod) en de 38z-maatregel worden opgelegd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVerzocht is een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en af te zien van oplegging van een tbs-maatregel met dwang, omdat dit niet proportioneel en noodzakelijk is. Als toch een tbs-maatregel wordt opgelegd, dan wordt verzocht deze maatregel met voorwaarden op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandeling van zijn (ex)vriendin. De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld door aan haar haren te trekken. Toen de relatie kort daarna door de aangeefster werd verbroken is de verdachte haar gaan stalken. Zo heeft hij haar in een periode van bijna vier maanden veelvuldig berichten gestuurd en gebeld, heeft hij zich in de buurt van haar woning opgehouden en door haar brievenbus naar binnen gekeken. Dit alles terwijl de verdachte wist dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Ook dat de verdachte was aangehouden voor de belaging en hij daarvoor in voorarrest zat, weerhield hem er niet van om contact op te nemen met de aangeefster, evenmin na oplegging van een contactverbod door de officier van justitie. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is eveneens door de rechtbank een contactverbod met de aangeefster opgelegd aan de verdachte. Tot drie keer toe is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst en tot drie keer toe heeft verdachte de schorsingsvoorwaarden overtreden door steeds weer opnieuw contact te zoeken met de aangeefster. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat de feiten een grote impact hebben gehad blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster. Hieruit blijkt dat zij zich nog altijd niet veilig voelt en veel angst heeft overgehouden aan de gebeurtenissen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 26 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.\n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van de psycholoog [naam 1]van 6 januari 2026 staat onder meer dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne.\n\nIn het aanvullende rapport van de psycholoog [naam 1]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende. De eerder genoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Het alcoholgebruik zorgde voor spanningen binnen de relatie en de verdachte werd door het gebruik agressiever, ook naar de aangeefster. Vervolgens bleek ook sprake van een terugval in cocaïnegebruik en was sprake van achterdocht bij de verdachte. Toen de aangeefster de relatie met de verdachte wilde verbreken werd dit door hem niet geaccepteerd. Hij zocht haar veelvuldig op en stuurde haar berichten. Het niet beantwoorden van zijn oproepen door de aangeefster zorgde voor boosheid en agressiedoorbraken, zoals het aan de haren trekken van de aangeefster. De verdachte lijkt het gedrag van de aangeefster bovendien onjuist te hebben geïnterpreteerd en hij had onvoldoende inzicht in zijn grensoverschrijdende gedrag en dat dit angst kon oproepen bij de aangeefster. Voorgaande zaken, zoals een beperkte frustratietolerantie, onvoldoende inlevingsvermogen, impulsiviteit en het onvoldoende overzien van de gevolgen van zijn eigen gedrag, zijn passend bij een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het alcohol en cocaïnegebruik van de verdachte lijkt zijn vermogen om eigen gedrag te plannen en te reguleren verder negatief te hebben beïnvloed. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.\n\nHet risico op geweld bij stalking wordt bij verdachte matig-hoog ingeschat en het risico op volharding in het stalkingsgedrag wordt ingeschat als hoog. Gelet op dit risico en de ernst van de problematiek wordt intensieve forensische behandeling met een hoge mate van toezicht geïndiceerd, waarbij een klinische behandeling wordt gevolgd door een ambulante behandeling. Verwacht wordt dat deze behandeling een periode van meerdere jaren in beslag zal nemen. In het rapport van 6 januari 2026 beschreef de psycholoog haar twijfels omtrent de haalbaarheid van een behandel- en interventietraject binnen het kader van bijzondere voorwaarden. Deze twijfels zijn toegenomen door het aanvullende gesprek met de verdachte en de ontwikkelingen in december 2025. Voor een strafrechtelijk kader met voorwaarden (waaronder tbs met voorwaarden) is intrinsieke motivatie nodig. Dit is slechts beperkt aanwezig bij de verdachte. Hoewel hij in eerste instantie aangaf dat hij bereid was om mee te werken aan behandeling, was hij ambivalent over de bereidheid om mee te werken aan klinische behandeling. Daarnaast is de kans dat de verdachte terugvalt in middelengebruik groot, en is gebleken dat hij bij tegenslagen en middelengebruik sterker geneigd is om terug te vallen in stalkingsgedrag. De verdachte heeft bovendien nauwelijks besef van eigen problematiek en de aanwezige risicofactoren. Ook heeft hij nauwelijks inzicht in de gevolgen van zijn gedrag voor de aangeefster en toont weinig empathie. Gelet op het voorgaande in combinatie met de ingeschatte risico's, de aard van de problematiek, het beloop ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de noodzaak van een langdurige intensievere vorm van forensische behandeling rest enkel nog het kader van een tbs met dwangverpleging. Daarnaast adviseert de psycholoog om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nIn het rapport van de psychiater [naam 2]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Door het middelengebruik is de relatie tussen de verdachte en de aangeefster meermaals onder spanning komen te staan. Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis is de verdachte gevoelig voor krenking. De verdachte kan zich nauwelijks inleven en heeft een gebrekkige gewetensfunctie. Hij is wantrouwend en voelt zich emotioneel tekort gedaan. Hij reageert dwangmatig en rigide. Hij heeft de afwijzing van de aangeefster niet kunnen verdragen en raakt emotioneel overspoeld. Als gevolg hiervan gaat de verdachte stalkingsgedrag vertonen en voelt hij geen rem meer. Hij is impulsief en heeft problemen met agressieregulatie. Vanuit zijn problematiek blijft de verdachte de aangeefster herhaaldelijk benaderen, gaat over haar grenzen en laat fysieke agressie zien. Doordat de verdachte onvoldoende adequate copingsmechanismen heeft om met gevoelens om te gaan vervalt hij in het gebruik van middelen, hetgeen het stalkingsgedrag voedt. Hij kan zijn middelengebruik onvoldoende controleren. De verdachte beschikte dus over onvoldoende vaardigheden om zich staande te houden binnen de intieme relatie en kon de emoties als gevolg van de relatiebreuk onvoldoende reguleren. Hij kon de gevolgen van zijn gedrag niet overzien. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in een verminderde mate toe te rekenen.\n\nHet risico op geweld en belaging op korte, lange en middellange termijn wordt ingeschat als hoog. Om dit risico terug te dringen is behandeling nodig gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er is intensieve behandeling nodig in een forensische psychiatrische intramurale setting op een zeer hoog beveiligingsniveau en passend bij het intelligentieniveau van de verdachte. De inschatting is dat de klinische fase van de behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij. De verdachte is niet gemotiveerd voor behandeling en heeft nauwelijks probleembesef of het vermogen tot zelfreflectie. De verdachte heeft recentelijk meermaals zijn schorsingsvoorwaarden overtreden. Voor een voorwaardelijk kader dient er niet alleen voldoende motivatie maar ook enige mate van inzicht te zijn. De psychiater schat de duurzame bereidwilligheid van de verdachte om zich te conformeren aan voorwaarden beperkt in. De inschatting is dat hij door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat is zich langere tijd aan voorwaarden te conformeren. De combinatie van de persoonlijkheidsproblematiek en de stoornissen in middelengebruik, gebrekkige gewetensfunctie, weinig respons op eerdere behandeling, ontbreken van intrinsieke motivatie en het hardnekkige delictpatroon maken dat tbs met dwangverpleging wordt geadviseerd. De psychiater beseft dat dit een vergaande maatregel is, maar stelt dat alleen op deze wijze de kern van de problematiek behandeld kan worden en dat gedragsverandering kan worden gerealiseerd. De verwachting is dat behandeling middels tbs met voorwaarden niet zal slagen en dat de maatschappij daarmee onvoldoende beveiligd zal worden. Mogelijk is de duur van de geadviseerde maatregel, mocht deze gemaximeerd zijn, niet voldoende. De psychiater geeft daarom in overweging een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nIn het rapport van de Verslavingsreclassering GGZvan 3 juni 2026 staat onder meer het volgende. Er is sprake van een patroon aangaande geweld gepleegd binnen de huiselijke kring. Ondanks de verdachte zich conformeerde aan de meldplichtafspraken binnen de schorsing van de preventieve hechtenis, is er geen sprake van intrinsieke motivatie tot gedragsverandering. Ten grondslag hieraan ligt mogelijk zijn onvermogen, waarbij er een gebrek is aan ziekte-inzicht en geen sprake is van probleembesef. De verdachte legt de verantwoordelijkheid voor onderhavige feiten volledig buiten zichzelf. Eerdere reclasseringscontacten zijn vroegtijdig negatief beëindigd. De verdachte ontkent een verslaving te hebben wat betreft alcohol en cocaïne en wenst hiervoor niet behandeld te worden. De leefgebieden van de verdachte zijn ontwricht, dit maakt dat er geen beschermende factoren waarneembaar zijn. De reclassering ziet dat het welenwee van zijn ex-partner bij de verdachte nog geheel op de voorgrond staat. In het verleden is de verdachte meermaals veroordeeld wegens vermogens- en geweldsfeiten, meermaals gepleegd tegen vrouwen. Om het hoge risico op recidive te verminderen is het van belang een langdurige klinische behandeling in te zetten gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er dient gewerkt te worden aan algehele abstinentie. Gezien het verleden en zijn problematiek dient hiervoor een langdurig intensief traject plaats te vinden. Het verleden leert dat de verdachte zich uiteindelijk binnen een voorwaardelijk kader niet conformeert aan bijzondere voorwaarden, zich hieraan onttrekt en zich zorgmijdend opstelt. Hiernaast is er geen sprake van een behandelcommitment. De inschatting is dat de verdachte door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat zal zijn zich langdurig te kunnen conformeren aan voorwaarden binnen een voorwaardelijk kader. De reclassering ziet gezien de hoge risico’s op recidive, de psychiatrische- en verslavingsproblematiek waarbij een wens tot behandeling ontbreekt en de houding van de verdachte geen mogelijkheden om hem te begeleiden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden.\n\nOp basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte psychische stoornissen en een verstandelijke handicap bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedden. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.4.3.3.. Oplegging straf en maatregelen\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de feiten is een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur hiervan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 250 dagen opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs-maatregel\n\nDe rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is de belaging een in de wet vermeld misdrijf waarvoor oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapporten acht de rechtbank de tbs met dwangverpleging het enige passende kader, waarbinnen de verdachte de noodzakelijke behandeling kan krijgen en het hoge recidiverisico voldoende ingeperkt kan worden. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard, ernst en complexiteit van de stoornissen, alsmede de langdurige intensieve behandeling die nodig wordt geacht. De rechtbank realiseert zich dat een bevel verpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het beperkte ziekte-inzicht en probleembesef bij de verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren. Daarbij weegt de rechtbank uitdrukkelijk mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte drie keer is geschorst en dat die schorsing vervolgens drie keer weer is opgeheven omdat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden hield. De rechtbank onderschrijft, gelet op het voorgaande, de bevindingen van de deskundigen dat de verdachte op dit moment niet in staat is om zich gedurende een langere periode aan voorwaarden te kunnen houden. Een voorwaardelijk kader, zoals door de verdediging is bepleit, is om die reden geen passende optie.\n\nDuur van de terbeschikkingstelling\n\nOp grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belaging kan niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. In deze zaak zien de belagingshandelingen voornamelijk op het veelvuldig telefonisch contacteren van de aangeefster en het zich nabij haar woning bevinden. De contacten waren niet dreigend van aard. Dat maakt dat de wijze waarop en de inhoud van de belaging in dit geval niet zodanig was dat gesproken kan worden van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Weliswaar wordt de verdachte ook veroordeeld voor een (eenvoudige) mishandeling van de aangeefster, maar een dergelijke mishandeling is geen strafbaar feit waarvoor oplegging van een tbs-maatregel wettelijk mogelijk is. Deze mishandeling vond bovendien plaats enige tijd voorafgaand aan de stalking, en hield daarmee geen verband. Dit betekent dat de duur van de dwangverpleging is gemaximeerd tot vier jaar.\n\nVoorwaardelijk verzoekDe verdediging heeft gevraagd om het laten opmaken van een aanvullend reclasseringsrapport over de wenselijkheid van oplegging van tbs met dwang, als de rechtbank komt tot oplegging van deze maatregel. De reclassering benoemt dit in haar maatregelenrapport van 3 juni 2026 namelijk niet expliciet.\n\nDe rechtbank vindt het niet noodzakelijk om een aanvullend reclasseringsrapport op te laten maken. De psycholoog en psychiater hebben hun advies om tbs met dwangverpleging op te leggen uitvoerig toegelicht, waarbij ook gemotiveerd is aangegeven waarom een voorwaardelijk kader niet toereikend is. De reclassering heeft de rapporten van voornoemde deskundigen betrokken bij haar advies van 3 juni 2026 en is tot eenzelfde conclusie gekomen: namelijk dat een tbs met voorwaarden niet toereikend is. Gelet hierop acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht. Het verzoek wordt afgewezen.\n\nOverige maatregelen (38v en 38z Wetboek van Strafrecht)\n\nOm strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Deze maatregel houdt een contactverbod in met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985). Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale maximale duur van zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.\n\nDe rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op de eerdere aanhoudende contactpogingen van de verdachte - ook na oplegging van een contactverbod (als schorsingsvoorwaarde) - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de zich verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.\n\nDe rechtbank ziet, mede gelet op de zeer summiere onderbouwing door de deskundigen, geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met dwangverpleging en de 38v-maatregel ook nog de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z op te leggen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf en maatregelen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 250 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTBS-maatregel\n\nbeveelt dat de verdachte voor feit 1 ter beschikking wordt gestelden beveelt dat de terbeschikkinggesteldevan overheidswege wordt verpleegd;\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)\n\nlegt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar na dit vonnis, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985), bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;\n\nbeveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E. IJspeerd, voorzitter,\n\nen mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.\n\nMrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.\n\n Pagina’s 1-7 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 1].\n\n Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 8 december 2025.\n\n Het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 2].\n\n Pagina’s 9-17 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 3].","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7917","2026-07-13T00:29:20.427Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":118,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":120},"1437","ECLI:NL:RBROT:2026:7931","ecli-nl-rbrot-2026-7931","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-219328-24\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nDatum zitting: 16 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats], ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] in [plaatsnaam].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. F. El Makhtari\n\nOfficier van justitie: mr. K.L. Rook\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging door samen met een vriend meermaals tegen het lichaam en hoofd van de aangever te schoppen, die op dat moment op de grond lag. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met aftrek van voorarrest.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) houdt in dat:\n\nprimair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, openlijk, te weten op\u002Faan de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit en moet worden veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak poging doodslag (primair)\n\nDe beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte samen met een ander heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer]. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 7 juli 2024 was ik samen met een vriend op de Lijnbaan in Rotterdam. Wij hebben een man geschopt. U, jongste rechter, toont de camerabeelden. Het klopt dat ik de persoon op de beelden ben met de capuchon op. U, jongste rechter, houdt mij voor dat ik de aangever drie keer zou hebben geschopt. Dat klopt.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer]\n\nOp 7 juli 2024 ben ik op de Lijnbaan in Rotterdam tegen mijn hoofd geschopt. Dit was door twee mannen.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nCamerabeelden Team Technisch Toezicht (Rotterdam Centrum, 7 juli 2024)\n\nVerdachte 2 had een capuchon op zijn hoofd. Ik zag verdachte 1 onder de luifel vandaan komen en het slachtoffer op de grond vallen. Ik zag dat verdachte 1 zijn rechterbeen met hoge snelheid tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer aan schopte. Vervolgens zag ik dat verdachte 1 zijn rechterbeen optilde en deze met snelheid op het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 1 de zijkant van het hoofd van het slachtoffer raakte, waardoor het hoofd van het slachtoffer op de grond terecht kwam en terugkaatste. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen optrok en met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 2 op het lichaam ter hoogte van de rechterbil van het slachtoffer kwam. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn rechterbeen naar achteren bewoog en met snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de rechtervoet van de verdachte het gezicht van het slachtoffer raakte. Ik zag dat het hoofd van het slachtoffer hierna naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen naar achteren en omhoog bewoog om vervolgens met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer te bewegen. Ik zag dat de linkervoet van verdachte 2 op het lichaam van het slachtoffer belandde ter hoogte van zijn rechterschouder. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn been naar achteren bewoog en op korte afstand met hoge snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat verdachte 1 zijn voet tegen het lichaam van het slachtoffer aankwam, ik zag niet waar dit op het lichaam was alleen dat het aan de bovenzijde van romp zou was.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nhij op 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nmedeplegen van een poging tot zware mishandeling\n\n3.2.. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte3.2.1.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. De aangever heeft de confrontatie met de verdachte en zijn vriend opgezocht. Daartegen mochten zij zich verdedigen. De geweldshandelingen waren noodzakelijk en proportioneel. Mocht de rechtbank de geweldshandelingen niet proportioneel achten, dan doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Bij de verdachte was namelijk sprake van een hevige gemoedsbeweging ten tijde van de geweldshandelingen.3.2.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVolgens de officier van justitie is er inderdaad sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangever waartegen verdediging noodzakelijk was. Deze verdediging was echter niet proportioneel gebleken. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen. Daarnaast is het bestaan van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte ten tijde van de geweldshandelingen niet aannemelijk geworden, waardoor het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.3.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVoor een beroep op noodweer is allereerst vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk was. Op basis van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank vast dat de aangever als eerste de confrontatie heeft opgezocht door met beide armen naar voren gestoken op de vriend van de verdachte af te lopen en hem te duwen. De vriend van de verdachte heeft vervolgens de aangever teruggeduwd, waardoor de aangever op de grond is gevallen. Vrijwel direct daarna heeft de aangever het been van de vriend van de verdachte vastgepakt en vastgehouden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever, waartegen de verdachte en zijn vriend zich mochten verdedigen. Voor een beroep op noodweer is evenwel vereist dat de verdediging proportioneel was. Op de duw door de aangever is gereageerd door terug te duwen, waardoor de aangever op de grond viel. Dat handelen is op zichzelf niet disproportioneel. De verdachte en zijn vriend hebben vervolgens echter de aangever, die op dat moment de grond lag en het been van de vriend van de verdachte vasthad, meermalen met hoge snelheid tegen het hoofd en lichaam geschopt. De rechtbank vindt dat deze geweldshandelingen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nHet beroep op noodweerexces kan evenmin slagen, nu niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte op het moment dat hij de aangever schopte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De stellingen van de verdachte dat hij in paniek was, dat de aangever een brede man met tatoeages is en je in Rotterdam nooit weet of iemand “iets” (de rechtbank begrijpt: een wapen) bij zich heeft, bieden daarvoor onvoldoende basis. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.\n\nHet feit en de verdachte zijn daarom dus strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nBij een strafoplegging wordt verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging. Een vriend van de verdachte is in conflict geraakt met de aangever en heeft hem – nadat hij zelf werd geduwd – op de grond geduwd. Toen de aangever vervolgens het been van de vriend van de verdachte vastpakte, hebben de verdachte en zijn vriend fors fysiek geweld gebruikt. De verdachte en zijn vriend hebben de aangever, die op dat moment nog op de grond lag, meerdere keren geschopt tegen zijn lichaam en op zijn hoofd. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het feit dat de aangever in eerste instantie de confrontatie heeft opgezocht, waren deze geweldshandelingen buitenproportioneel en dit levert een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de aangever op. Bovendien zorgt dergelijk geweld voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer nu het geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg, in het uitgaansgebied in het centrum van Rotterdam.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 21 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 22 mei 2026 staat onder meer het volgende. Indien de verdachte wordt veroordeeld ziet de reclassering in het delict enige signalen van beperkte probleemoplossende vaardigheden. De verdachte komt sindsdien echter niet meer in aanraking met justitie. De reclassering acht het mogelijk dat het sociaal netwerk een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van zijn (delict)gedrag. De verdachte lijkt de schuld van het delict bij de aangever te leggen. De reclassering ziet hierdoor enige risico’s in zijn houding. In het leven van de verdachte is stabiliteit. Hij heeft vaste huisvesting, een vaste dagbesteding en een vast inkomen. Er is geen sprake van een schuldenlast, anders dan een studieschuld. Hij heeft een vriendin, woont bij zijn moeder waarmee hij een goede relatie heeft en heeft een baan als bezorger voor een apotheek. De verdachte heeft geen hulpvragen. De reclassering ziet beperkte risico’s op herhaald (delict)gedrag en acht reclasseringstoezicht niet noodzakelijk. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft geen VOG gekregen door deze verdenking, waardoor zijn beoogde baan als glasvezelmonteur geen doorgang kon vinden. Hiervoor had hij al certificaten en cursussen behaald, waarvoor hij zo’n € 1.500,- euro heeft betaald.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de rol daarin van de aangever, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder zijn jonge leeftijd), het tijdsverloop sinds het feit is gepleegd en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie, zal geen gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op de ernst van het strafbare feit acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf wel passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke taakstraf – zoals door de verdediging is verzocht – wordt gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet passend geacht. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, alsmede de gevolgen die de verdachte al heeft ondervonden van de strafzaak, zal de rechtbank een lagere taakstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt een taakstraf van 80 uur op, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van 2 (twee) uur per dag, zodat 74 (vierenzeventig) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E. IJspeerd, voorzitter,\n\nen mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.\n\nMrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [nummer].\n\n Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.\n\n Pagina 82.\n\n Pagina’s 34-36.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7931","2026-07-13T00:29:20.979Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":125,"fullText":126,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":127,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":128},"1649","ECLI:NL:RBROT:2026:8014","ecli-nl-rbrot-2026-8014","2026-06-29T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nParketnummer: 10-092585-24\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1995,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nverblijvende in de PI [naam P.I.]\n\nraadsman mr. F.G.J. Staals, advocaat te Amsterdam.\n\n1. Inleiding\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 12 juni 2024 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.\n\n2. Procesverloop\n\nOp 20 maart 2026 heeft de griffie van de rechtbank een verzoek ontvangen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv.\n\nIn het dossier bevindt zich verder een Verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD-maatregel van de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft van 11 juni 2026.\n\nDe zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 15 juni 2026. De officier van justitie mr. D.D.B. Reuter, de veroordeelde en zijn raadsman zijn gehoord. Als deskundige is gehoord [deskundige] , als casemanager ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.\n\n3. Standpunten van partijen\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.\n\nDe veroordeelde en de raadsman hebben zich over de voortduring van de ISD-maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door hen is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er geen daadwerkelijke concrete invulling wordt gegeven aan het traject dat ziet op de uitstroom naar Begeleid Wonen zoals gewenst door de veroordeelde. De veroordeelde verzoekt de rechtbank daarom om daar door middel van een tussentijdse beoordeling verandering in te brengen.\n\n4. Beoordeling\n\nDe rechtbank begrijpt dat de veroordeelde een wijziging van de invulling van de ISD-maatregel zou verkiezen. De wet biedt deze mogelijkheid echter niet. Ter beoordeling staat enkel of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist of dat deze maatregel kan worden beëindigd. Bij de beoordeling of de ISD-maatregel kan worden beëindigd dient de rechtbank als eerste na te gaan of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Als dat zo is, moet bezien worden of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door omstandigheden die buiten de macht van de veroordeelde liggen.\n\nDe rechtbank oordeelt dat de noodzaak tot voortzetting van de maatregel in de zaak van de veroordeelde nog steeds bestaat. Daarbij is onder meer gelet op voornoemde Verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD-maatregel, waarin wordt geadviseerd de maatregel voort te zetten. Het is belangrijk dat er met de veroordeelde, naast de huidige middelenbehandeling en zijn motivatie om abstinent te blijven van harddrugs, wordt gewerkt aan de overige beschermende factoren. Zo is het belangrijk dat de veroordeelde een passende woonplek krijgt, waar de juiste zorg wordt geboden.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting begrepen dat in de zaak van de veroordeelde ook in de laatste fase van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog steeds actief wordt gewerkt aan het behalen van de doelen van de ingezette (behandel)trajecten. De rechtbank wijst er daarbij op dat de keuzemogelijkheden voor de veroordeelde daarbij, in het bijzonder in het kader van het vinden van een passende woonplek, niet onbegrensd zijn.\n\nVoortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is daarom nog altijd noodzakelijk en zinvol. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan.\n\n5. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbeslist dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.\n\nDeze beslissing is gegeven door:\n\nmr. A.J.P. van Essen, voorzitter,\n\nen mr. L. den Teuling en mr. A.J. van der Velden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.M. Dijk en mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffiers,\n\nen in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.\n\nMrs. A.J. van der Velden en E. Naaijen-van Kleunen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8014","2026-07-13T00:29:31.514Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":125,"fullText":133,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":135},"1647","ECLI:NL:RBROT:2026:7979","ecli-nl-rbrot-2026-7979","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-280604-25\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nDatum zitting: 15 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. C.R. Pirone\n\nOfficier van justitie: mr. N. van Manen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft kinderporno in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 151 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk in combinatie met een taakstraf van 240 uren, zoals geëist door de officier van justitie. De rechtbank legt geen meldplicht en\u002Fof behandelverplichting op in de vorm van bijzondere voorwaarden, omdat de reclassering hiervoor geen mogelijkheden ziet.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 10 maart 2025 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit had.\n\nDe volledige beschuldiging (tenlastelegging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2025 te Bergschenhoek, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten een of meer onbekend gebleven personen waren betrokken of schijnbaar waren betrokken\n\nheeft verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft\n\nte weten\n\nafbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers (te weten een desktop Asus en\u002Fof een mobiele telefoon Samsung Galaxy S23), bevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam anaal wordt gepenetreerd met een voorwerp door die persoon (afbeeldingen #01, 02, 03, 04, 05, 06, 08)\n\nen\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van die persoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof mond\u002Ftong en\u002Fof penis wordt\u002Fworden aangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof de mond\u002Ftong en\u002Fof de penis wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel met een mond\u002Ftong aanraakt\n\n(afbeeldingen #5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt nadrukkelijk het geslachtsdeel en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingen #14, 15, 18)\n\nen\u002Fof\n\nbij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingen #16 en 17).2. Bewijs2.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich voor de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 10 maart 2025 te [plaats] ,\n\nvisuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten een of meer onbekend gebleven personen waren betrokken of schijnbaar waren betrokken\n\nin bezit heeft gehad\n\nte weten\n\ngegevensdragers (te weten een desktop Asus en een mobiele telefoon Samsung Galaxy S23), bevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand\n\nen\n\neen ander persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam anaal wordt gepenetreerd met een voorwerp door die persoon (afbeeldingen #01, 02, 03, 04, 05, 06, 08)\n\nen\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van die persoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof mond\u002Ftong en\u002Fof penis wordt\u002Fworden aangeraakt\n\nen\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof de mond\u002Ftong en\u002Fof de penis wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel met een mond\u002Ftong aanraakt\n\n(afbeeldingen #5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt nadrukkelijk het geslachtsdeel en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingen #14, 15, 18)\n\nen\n\nbij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingen #16 en 17).\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nDe verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 15 juni 2026.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen ‘overname en veiligstellen van inbeslaggenomen goederen’, met documentcode [documentcode 1] uit onderzoek Koraal ( [nummer] ).\n\nHet proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met bijlagen, met documentcode [documentcode 2] uit onderzoek Koraal.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\neen visuele weergave van seksuele aard\u002Fmet een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken\u002Fschijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor het feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting bij [zorginstelling] , in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht hoogstens een taakstraf, eventueel gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij de verdachte heeft verzocht rekening te houden met de belasting die de taakstraf die hij in een andere zaak uitvoert hem oplevert.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. Op zijn gegevensdragers zijn ruim 3.000 visuele weergaven aangetroffen waarop seksuele handelingen te zien zijn met of door minderjarige kinderen. Het bezit van kinderporno is verwerpelijk omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Zulk misbruik doorkruist een normale seksuele ontwikkeling en kan voor minderjarigen ernstige gevolgen hebben, waar zij nog lange tijd last van kunnen hebben. Naast het misbruik is het voor slachtoffers ook schadelijk dat de afbeeldingen op het internet lange tijd blijven rondgaan. Door het downloaden en in bezit hebben van kinderporno heeft de verdachte eraan bijgedragen dat het grove seksuele misbruik van kinderen in stand blijft. De verdachte heeft hier geen oog voor gehad.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 mei 2026 staat het volgende. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een behandeling wordt niet geadviseerd, omdat er na 2016 geen nieuw strafbaar materiaal op de computer is aangetroffen en er inmiddels tien jaar is verstreken. Daarnaast zijn de risicofactoren beperkt en ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.\n\nDe verdachte heeft zich in november 2025 bij [zorginstelling] gemeld omdat zijn verleden van seksueel (mis)gebruik tussen zijn 15e en 17e levensjaar naar boven kwam door deze zaak. [zorginstelling] heeft daarop op 14 april 2026 bericht dat zij naar aanleiding van het intakegesprek en na zorgvuldig overleg hebben vastgesteld dat zij de verdachte op dit moment geen passende behandeling kunnen bieden, omdat de verdachte geen hulpvraag of lijdensdruk heeft en (een patroon van) delictgedrag ontkent.4.3.3.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie, wat maakt dat aan de verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van 151 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf. Gelet op voornoemd advies van de Reclassering worden het nut en de noodzaak hiervan niet ingezien.\n\nGelet op de ernst van het feit legt de rechtbank daarnaast een taakstraf op van 240 uren (subsidiair 120 dagen hechtenis) zoals geëist door de officier van justitie.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen Asus desktop ( [goednummer 1] ) en de Samsung Galaxy S23 telefoon ( [goednummer 2] ) worden onttrokken aan het verkeer. Als de rechtbank zou beslissen tot teruggave aan de verdachte van de Samsung telefoon, dan dient de telefoon eerst te worden teruggezet naar de fabrieksinstellingen, zodat het kinderpornografische materiaal niet aan de verdachte wordt teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVerzocht is de in beslag genomen Samsung telefoon aan de verdachte terug te geven omdat het een dure telefoon is.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank beslist dat de in beslag genomen Asus desktop en Samsung telefoon worden onttrokken aan het verkeer. Het strafbare feit is met behulp van deze voorwerpen gepleegd en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet, omdat hierop kinderpornografisch materiaal staat. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om de Samsung telefoon aan de verdachte terug te geven.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 63 en 252 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 151 (honderdeenenvijftig) dagen;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 150 (honderdvijftig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\nverklaart voor het feit onttrokken aan het verkeer: Asus desktop ( [goednummer 1] ) en Samsung Galaxy S23 telefoon ( [goednummer 2] ).8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.J.P. van Essen, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en A.J. van der Velden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. M.M. Dijk en E. Naaijen-van Kleunen, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nMrs. A.J. van der Velden en E. Naaijen-van Kleunen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7979","2026-07-13T00:29:31.422Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":140,"fullText":141,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":61,"updatedAt":144},"1819","ECLI:NL:RBROT:2026:7839","ecli-nl-rbrot-2026-7839","2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-062941-26\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.A. Chedie\n\nOfficier van justitie: mr. N. van der Meij\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en zo geprobeerd haar zwaar te mishandelen. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag van zijn ex-partner en van de vernieling van haar auto.\n\nDe poging tot zware mishandeling is in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nAan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Hieraan worden bijzondere voorwaarden verbonden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen en dat hij de auto van die [slachtoffer] heeft beschadigd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte\n\n1. primair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en\u002Fof geslagen\u002Fgestompt\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken, waardoor zij met haar hoofd tegen het portier bonkte en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] uit de auto te trekken en\u002Fof\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof buik en\u002Fof arm, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en\u002Fof slaan\u002Fstompen;\n\n2.\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield en\u002Fof beschadigd.2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat feit 1 primair (poging tot doodslag) wordt bewezen verklaard en dat de verdachte van feit 2 (vernieling) wegens gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken. Het standpunt van de officier van justitie zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 primair (poging tot doodslag), 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 (vernieling). De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair (mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1 impliciet subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.\n\n1. Eigen waarneming van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft op zitting de camerabeelden bekeken van het in de tenlastelegging bedoelde incident. De beelden zijn van 1 maart 2026. Op de camerabeelden is te zien dat een man drie keer met zijn geschoeide voet in de richting van een vrouw schopt die op de grond ligt. Bij de derde schop raakt de man de linkerzijde van het hoofd van de vrouw. Die schop vindt plaats met kracht. De man brengt zijn been naar achteren, vervolgens met snelheid naar voren en raakt dan met zijn geschoeide voet de vrouw. Verder is te zien dat daaraan voorafgaande de man de vrouw uit een auto trekt en haar dan meermalen slaat of stompt.\n\n2. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 maart 2026 heb ik in Rotterdam mijn ex-partner [slachtoffer] twee à drie keer getrapt toen zij op de grond lag. Ik herken mijzelf op de op de zitting getoonde camerabeelden die daarvan zijn gemaakt als de persoon die bij de auto staat en schoppende bewegingen naar [slachtoffer] maakt.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]\n\nOp 1 maart 2026 ging ik met de auto naar mijn ex-partner [verdachte] in Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] naar de auto toeliep. Ik was daarin op hem aan het wachten. Ik zat op de bestuurdersstoel met het raam op een kiertje. [verdachte] kwam en we kregen een discussie.\n\nHet portier ging open en we vielen beiden op straat. Elke keer als ik wilde opstaan voelde ik dat ik een schop van [verdachte] kreeg. Ik ben ook door [verdachte] met zijn vuist geslagen. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij sloeg en ook schopte op mijn hoofd, buik en arm. Ik voelde op dat moment stekende, brandende pijn aan de plekken waar hij sloeg en schopte. Ik kan de hand van mijn linkerarm bijna niet meer bewegen.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nMedische informatie betreffende mevr. [slachtoffer] .\n\nInformatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over beoordeling aldaar op 1 maart 2026.\n\nObjectieve bevindingen: Buil op de linkerzijde van het hoofd. Bloeduitstorting op bovenarm links.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geslagen of gestompt en voorts dat hij drie keer met zijn voet in de richting van [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl zij op de grond lag. Bij de derde trap is [slachtoffer] op de zijkant van haar hoofd geraakt. [slachtoffer] heeft ook letsel aan de linkerzijde van haar hoofd opgelopen.\n\nDoor zo te handelen bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar letsel zou oplopen. Het hoofd is immers een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, met name de linkerzijde van het hoofd waar zich de linkerslaap bevindt. De verdachte heeft door dit te doen, gelet ook op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, die aanmerkelijke kans welbewust aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .\n\nDe impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wordt daarom bewezen verklaard.\n\nNiet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans was dat door het schoppen door verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou overlijden. Van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag wordt de verdachte daarom vrijgesproken.2.3.3.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\nde verdachte op 1 maart 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen\u002F gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.2.3.4.. \n\nVrijspraak feit 2 (vernieling)\n\nFeit 2 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor feit 1 primair (poging tot doodslag) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nOmdat uitsluitend feit 1 subsidiair (mishandeling) kan worden bewezen is een straf moeten gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner tijdens een ruzie over het ophalen van hun kind op straat tegen het lichaam geslagen of gestompt. Tevens heeft hij haar, toen zij op de grond lag tegen haar hoofd en lichaam geschopt. Met name het schoppen tegen het hoofd is zeer gevaarlijk. Dit is een ernstig feit waardoor het slachtoffer zwaar gewond had kunnen raken. Er mag van geluk gesproken worden dat het letsel relatief meeviel. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer pijn gedaan en haar letsel bezorgd en aldus inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het moet voor haar ook een beangstigende ervaring zijn geweest. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.\n\nDe verdachte was – naar zijn zeggen – heel erg boos op zijn ex-partner omdat zij hun dochtertje eerder kwam ophalen dan was afgesproken. Hij twijfelde al langere tijd aan het vaderschap van zijn dochtertje en er was de dagen daarna een DNA-onderzoek bij de huisarts gepland. Zijn ex-partner kwam het dochtertje echter ineens eerder ophalen waardoor dat onderzoek niet mogelijk zou zijn. Eerder was het daar ook al niet van gekomen.\n\nWat daarvan ook zij, de wijze waarop de verdachte hierop heeft gereageerd is disproportioneel.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze feiten zijn echter langer dan vijf jaar geleden gepleegd. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapporten van psycholoog en de reclassering\n\nIn het NIFP-rapport van psycholoog drs. V.T.G. Arntsvan 22 mei 2026 staat het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van zwakbegaafdheid\u002Feen verstandelijke beperking, mogelijk ADHD en antisociale persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben een aantal forensisch relevante (gemeenschappelijke) kenmerken die van toepassing zijn voor de verdachte, namelijk problemen met het overzien van complexe situaties, moeite met het oplossen van complexere problemen, een tekortschietende emotie- en agressieregulatie, moeite met het overzien van de gevolgen van gemaakte keuzes en eigen gedrag en gevoeligheid voor stress en ervaren druk. Bij oplopende spanningen en stress kan daardoor sprake zijn van impulsiviteit en agressiedoorbraken. Deze stoornissen zijn langdurig en pervasief van aard en waren aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Het oplopen van spanningen in deze complexe en emotionele situatie en het escaleren van de situatie in een woededoorbraak en agressie is te verklaren door de aanwezige stoornissen. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert de psycholoog om deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat in dat het risico op acuut geweld laag tot matig is. Het risico op gewelddadig gedrag en letsel op langere termijn is matig -hoog.\n\nGeadviseerd wordt om de verdachte aan te melden bij een forensisch FACT-team waar ruimte is om in eerste instantie laagdrempelig in te zetten en aan te sluiten bij de hulpvragen die de verdachte momenteel vooral heeft op praktisch gebied. Ondersteuning bij het regelen van zijn financiële zaken is van belang, evenals mogelijk toekomstig afspraken en regelzaken omtrent een vaderschapstest en omgangsregeling met zijn dochter. Een behandeling\u002Finterventie gericht op het (anders) leren reguleren van emoties en het omgaan met boosheid is geïndiceerd. Tot slot is het ondersteunen van passende dagbesteding en werk van belang.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederlandvan 9 juni 2026 staat het volgende.\n\nEr zijn problemen op de leefgebieden ‘Relatie partner, gezin en familie’ en (mogelijk) ‘psychosociaal functioneren’. De reclassering verwijst hierbij naar het NIFP-rapport van 22 mei 2026. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding.\n\nSinds drie jaar wordt de verdachte begeleid vanuit [zorginstelling] . Hij heeft zich hiervoor zelf\n\naangemeld. Hij wordt hier onder andere geholpen bij het regelen van zijn financiën en het zoeken naar werk. De verdachte wil na zijn detentie deze begeleiding graag voortzetten.\n\nBij een veroordeling wordt geadviseerd de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding. De verdachte is bereid mee te werken aan de bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de gedragsinterventie.\n\nOp basis van het rapport van de psycholoog drs. V.T.G. Arnts, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit zodanig beïnvloedde dat het feit de verdachte in verminderde mate wordt toegerekend.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Voor een zware mishandeling door middel van één of meer schoppen\u002Ftrappen tegen het hoofd geldt een uitgangspunt van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval wordt strafverminderend meegewogen dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en sprake is van beperkt letsel. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat het feit op klaarlichte dag op straat is gepleegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\n Aan de voorwaardelijke straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding.\n\nDe rechtbank ziet geen reden af te zien van het opleggen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. De verdachte heeft verklaard dat hij in het verleden al vaak dit type trainingen heeft gehad en ziet daarom de noodzaak daarvan niet in. Nu het echter opnieuw tot een geweldsincident is gekomen vindt de rechtbank die gedragsinterventie wel nodig.5. Voorlopige hechtenis\n\nHet bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 1.929,95 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 651,- als vergoeding voor materiële schade (€ 385,- aan eigen risico ziektekostenverzekering en € 266,- aan gemist inkomen). Ten aanzien van de immateriële schade wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en vrijspraak is verzocht voor feit 2.6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade komt enkel het gevorderde eigen risico van € 385,- voor toewijzing in aanmerking. De overige posten dienen te worden afgewezen, aangezien deze onvoldoende zijn onderbouwd en de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.\n\nDe immateriële schade is niet onderbouwd, maar gelet op het dossier kan wel schade worden vastgesteld. Dit deel van de vordering dient te worden gematigd tot € 250,-.6.4.. Oordeel van de rechtbank6.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen strafbare feit. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de kosten van het eigen risico niet betwist. De vordering komt in zoverre ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor het bedrag van € 385,- toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding voor materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het onderdeel van de vordering dat ziet op de reparatie van de schade aan de auto, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 (de beschadiging van die auto). Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nHet deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de oorbellen en het gemiste inkomen, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.6.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 750,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 750,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.6.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2026.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nOm de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken, legt de rechtbank voor het schadebedrag (totaal: € 1.135,-) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.\n\nAls dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat twee maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de Marconistraat 2 te Rotterdam;\n\n2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Emotieregulatie is een indirect en soms direct onderdeel van de CoVa-training;\n\n3. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\n4. de verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding voor hulp bij praktische zaken door [zorginstelling] of door het FACT, ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat:\n\nde verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nde verdachte meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.135,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 impliciet subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 impliciet subsidiair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 1.135,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H. Wielhouwer, voorzitter,\n\nen mrs. L. Feraaune en mr. M.K. Asscheman-Versluis, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .\n\n Waargenomen tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Pagina’s 5 tot en met 13.\n\n FARR-verklaring, d.d. 4 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7839","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.318Z",{"id":146,"ecli":147,"slug":148,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":140,"fullText":149,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":61,"updatedAt":151},"1813","ECLI:NL:RBROT:2026:7836","ecli-nl-rbrot-2026-7836","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-244831-23\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. B.F. van Es\n\nOfficier van justitie: mr. L.C. Visser\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde straatroof, dan wel de poging daartoe. Hij wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van 1 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijke toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er primair van dat hij - samengevat – een telefoon en een geldbedrag met geweld heeft gestolen van [slachtoffer] , subsidiair dat hij daartoe een poging heeft gedaan. Meer subsidiair wordt dit feit aan de verdachte als mishandeling van de aangever ten laste gelegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van totaal 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] te grijpen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] te trekken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en\u002Fof te doen volgen van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrepen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en\u002Fof heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] heeft getrokken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair:hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] : - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd te slaan.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de verdachte slechts zijn eigen telefoon heeft teruggepakt toen de aangever weigerde het bij de verkoop afgesproken bedrag te betalen en ontkent daarbij geweld te hebben gebruikt. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit\n\nOp 4 april 2023 hadden de verdachte en de aangever met elkaar afgesproken in Rotterdam voor de verkoop van een telefoon. Daar zijn zij met elkaar in een worsteling geraakt. Dit blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn, uit verklaringen van getuigen en uit de aangifte. De aangever heeft verklaard dat de verdachte tijdens deze worsteling de telefoon die verdachte aan hem zou verkopen, een deel van het bedrag (€ 250,00) dat de aangever daarvoor zou betalen en de eigen telefoon van de aangever heeft meegenomen. De getuigen verklaren niet over het wegnemen van goederen en is dit ook niet zichtbaar op de camerabeelden. De goederen zijn naderhand ook niet bij de verdachte aangetroffen. Daarmee vindt de verklaring van de aangever ten aanzien van de (poging tot) diefstal onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank merkt in dit verband op dat de aangever bij zijn vordering tot schadevergoeding een andere toedracht schetst dan in zijn aangifte volgt en aangeeft dat hierbij naast de verdachte ook andere personen betrokken zouden zijn. Bij deze stand van zaken zal de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring meer subsidiaire ten laste gelegde feit en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte op 4 april 2023 [slachtoffer] heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politieOp 4 april 2023 te Rotterdam voelde ik dat de man aan mij trok, waardoor ik mijn evenwicht verloof en op de grond viel. Er ontstond een soort gevecht tussen ons. Ik heb door de worsteling meerdere schrammen op mijn handen opgelopen. Ik heb ook mijn knie opengehaald. Ik kan u vertellen dat mijn beide knieën pijn doen. Ik heb ook pijn aan de achterzijde van mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Het slachtoffer verklaarde dat hij op 4 april 2023 een afspraak had gemaakt voor de aankoop van een telefoon op Facebook Marketplace met de aanbieder ' [schermnaam] '. Ben jij dat?\n\nA: Dat ben ik.\n\n3. Proces-verbaal van de politieIk zag toen dat die man die schreeuwde de andere man ene klap gaf en toen ontstond er een soort vechtpartij.\n\n4. Proces-verbaal van de politieOp afbeelding 6 is zichtbaar dat de verdachte zijn arm ineens uitstrekt in de richting van de aangever. Op afbeelding 7 is zichtbaar dat er een worsteling ontstaat tussen de aangever en de verdachte. Op afbeelding 8 is zichtbaar dat de verdachte in tegenovergestelde richting van de aangever wegrent.2.3.3.. Bewijsmotivering meer subsidiair ten laste gelegde feit\n\nHet staat vast dat er een ruzie is geweest en dat de verdachte daarbij geweld heeft gebruikt. Hij heeft aangever geslagen en tegen de grond geduwd. Het letsel van de aangever bestaat uit schrammen aan de handen en letsel aan de knie. Daarbij is ook zijn broek beschadigd. De verklaring van aangever, dat de verdachte hem met een telefoon op zijn achterhoofd heeft geslagen, vindt geen steun in het dossier. De verdachte zal daarom van dit gedeelte van de ten laste gelegde mishandeling partieel worden vrijgesproken.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 meer subsidiair\n\nhij op 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :\n\n- aan het lichaam te trekken of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,\n\n- tegen het lichaam te slaan.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 meer subsidiair: mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het meer subsidiaire feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, gelet op zijn slechte psychische conditie in de ten laste gelegde periode en de overschrijding van de redelijke termijn.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft de aangever op straat mishandeld door hem te duwen en te slaan en heeft hierdoor pijn en letsel bij hem veroorzaakt. Ook heeft hij maatschappelijke onrust veroorzaakt, omdat het incident overdag plaatsvond voor een supermarkt waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren die getuige waren van het incident.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Echter heeft dit zich na het ten laste gelegde feit afgespeeld en kan dit daarom niet gelden als recidive. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit met psychische problemen kampte en voor deze psychische klachten werd behandeld in het kader van een zorgmachtiging.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze termijnoverschrijding door aan de voorwaardelijk op te leggen taakstraf van na te noemen duur een verkorte proeftijd van één jaar te verbinden.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de aard en ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbaar feiten pleegt.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\nDe aangever [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij voor het primair tenlastegelegde feit een bedrag van € 1.360,00 gevorderd als vergoeding voor materiële schade, een bedrag van € 20.500,00 voor immateriële schade en € 2.500,00 voor affectieschade van zijn zoon, die volgens de aangever veel last heeft gehad van hetgeen hem is overkomen. Hij heeft verzocht de toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 euro aan materiële schade en € 75,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat hiervoor onvoldoende onderbouwing is gegeven.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak en omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, omdat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk pijn ondervonden en lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 100,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, het verwijt dat de verdachte hierbij wordt gemaakt en de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 100,00 moet betalen als vergoeding van immateriële schade De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting zou vormen van het strafgeding.5.4.3.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 april 2023.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat de taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (ten aanzien van het meer subsidiaire feit), te betalen een bedrag van € 100,00, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 april 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;\n\ndit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor meer subsidiaire feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 100,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,\n\nen mrs. L. Stevens en A.M. Borel Rinkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n pagina 8 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n pagina 59 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n pagina 27 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7836","2026-07-13T00:29:40.095Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":140,"fullText":156,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":61,"updatedAt":158},"1820","ECLI:NL:RBROT:2026:7841","ecli-nl-rbrot-2026-7841","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-140095-21\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.W.J. van der Meer\n\nOfficier van justitie: mr. R.S. Dhoen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 10.000,-.1. Tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging houdt in dat de verdachte\n\n1.\n\nin of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,\n\n- het opzettelijk afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,\n\ndoor\n\n- met één of meer mededader(s) contacten te onderhouden en\u002Fof informatie uit te wisselen en\u002Fof afspraken te maken over het afleveren en\u002Fof uithalen en\u002Fof verstrekken en\u002Fof vervoeren van de cocaïne, en\u002Fof\n\n- aan zijn mededader(s) informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en\u002Fof\n\n- aan zijn mededader(s) foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;\n\n2.\n\nop één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\nanders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten,\n\n(meermalen, althans éénmaal) een gift, belofte en\u002Fof dienst, te weten geld, heeft aangenomen en\u002Fof heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en\u002Fof vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;\n\n3.\n\nop één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\nmeermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en\u002Fof containers en\u002Fof douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] ), voor zichzelf en\u002Fof voor een ander heeft overgenomen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat alle feiten bewezen worden verklaard.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 dient de verdachte te worden vrijgesproken van wat is tenlastegelegd onder de eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepjes. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk giften zijn aangenomen en moet vrijspraak volgen.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering\n\nDe bewezenverklaring staat hieronder en is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsmotivering. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nIdentificatie verdachte\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de Sky ECC accounts met gebruikersnamen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] . De verdachte heeft via deze accounts informatie verschaft over douanecontroles, loslijsten en containernummers aan zijn medeverdachten. Hiertoe heeft de verdachte foto’s verstuurd van gegevens en systemen van zijn toenmalige werkgever [bedrijf] .\n\nRol verdachte\n\nVoorts blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende over de rol van de verdachte. Op basis van de door de verdachte verstrekte informatie met betrekking tot douanecontroles, loslijsten en containernummers werd onder meer besloten of cocaïne zou worden meegestuurd (geshoot) met een reguliere lading. Daarnaast kon de verdachte de blokkade van containers eraf halen als deze op ‘rood’ binnenkwamen, dat wil zeggen voor controle in aanmerking kwamen. Ook kon de verdachte van binnenuit de poort voor de uitsluis van het haventerrein openen. De verdachte heeft hierover gecommuniceerd met de medeverdachten.\n\nFinanciële beloning\n\nAnders dan de verdachte heeft verklaard, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte geld heeft ontvangen of heeft gevraagd aan de medeverdachten voor de diensten die hij heeft verleend of zou verlenen. Zo stuurde de verdachte onder meer de berichten ‘Ik moet even met mijn maat praten hierover. En kijken hoe het met geld zit, als het de moeite waard is om potentieel ontslagen te worden’, ‘Ik doe mijn best. Maar als iedereen blijft pushen om dingen, bro ik heb nog geen euro gezien hé’, ‘Zit ik zonder baan. Omdat je ff 1x doekoe wou pakken. dat is toch niet slim man. Kunnen we straks jaren knallen’, en ‘Je weet zelf dat je overdrijft he, niemand wilt geen shit met jou doen omdat je altijd slecht betaald heb, wie is de enige die nog kwam checken bij je of je nog kon shooten? Precies ik ben dat’. Gelet hierop constateert de rechtbank dat vaststaat dat er een financiële vergoeding tegenover het verschaffen van de informatie stond of zou staan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat tegenover het leveren van dergelijke (criminele) diensten door havenmedewerkers (hoge) vergoedingen staan.2.3.3.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat de verdachte:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met anderen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,\n\n- het opzettelijk afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\ndoor\n\n- met één of meer mededaders contacten te onderhouden en\u002Fof informatie uit te wisselen en\u002Fof afspraken te maken over het afleveren en\u002Fof uithalen en\u002Fof verstrekken en\u002Fof vervoeren van de cocaïne, en\n\n- aan zijn mededaders informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en\n\n- aan zijn mededaders foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;\n\nFeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021in Nederland, anders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, meermalen een gift, te weten geld, heeft aangenomen en\u002Fof heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en\u002Fof vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;\n\nFeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021te Rotterdam, meermalen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en\u002Fof containers en\u002Fof douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] , voor zichzelf en\u002Fof voor een ander heeft overgenomen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nFeit 2\n\nanders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan\u002Fnagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen dan wel vragen, bestaande het handelen in strijd met zijn plicht uit het in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever van het aannemen dan wel vragen van een gift, meermalen gepleegd;\n\nFeit 3\n\nopzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, voor zichzelf of voor een ander overnemen, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nHet onderzoek aan de telefoon van de verdachte en de daarin opgeslagen gegevens is onrechtmatig , nu deze onderzoeken niet zijn getoetst door een rechterlijke instantie. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 in de zaak CG\u002FBezirkhauptmannschaft Landeck (hierna te noemen: de Landeck-uitspraak). Er is een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Ter compensatie van de zwaarte van de inbreuk dient een matiging van de op te leggen straf te volgen.\n\nBij een bewezenverklaring is het opleggen van een taakstraf de meest passende strafmodaliteit. Het bij de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Voor het ter beschikking stellen van de gegevens heeft de verdachte gelden ontvangen en\u002F of gevraagd.\n\nMet zijn handelen was de verdachte een belangrijke schakel in de invoer van harddrugs via de Rotterdamse haven. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Dit vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte, door informatie te delen, het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschaad. Omkoping heeft een ondermijnend en corrumperend karakter ten opzichte van de samenleving en een negatieve invloed op het (internationale) handelsverkeer en de integriteit hiervan. De verdachte lijkt uitsluitend gedreven te zijn geweest door eigen gewin.\n\n4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte kan zelf geen duidelijk motief geven voor zijn handelen. Dit gebrek aan inzicht kan een risico zijn. De reclassering ziet verder dat er geen financiële noodzaak was voor het plegen van het delict. Dit wekt het vermoeden dat de verdachte mogelijk puur uit winstbejag heeft gehandeld.\n\nAnderzijds ziet de reclassering ook voldoende beschermende factoren. De verdachte is op 7 maart 2023 aangehouden en diezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. [bedrijf] heeft hem ontslagen maar hij is sinds september 2023 elders werkzaam en heeft een inkomen uit arbeid en een vast contract. Daarnaast heeft hij geen problematische schulden, een koopwoning, goede partnerrelatie en de zorg voor twee nog jonge kinderen. Ook is er sprake van een positief ondersteunend familienetwerk. Er zijn ook geen aanwijzingen van verslavingsproblematiek of psychische dan wel psychiatrische problematiek.\n\nGelet op het bovenstaande en omdat de verdachte de druk van justitie als zwaar ervaart, en hij beseft dat hij veel te verliezen heeft, hij de risicovolle werkomgeving heeft verlaten en hij geen contact meer heeft met mensen uit het criminele netwerk, wordt het risico op recidive ingeschat als laag.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen meerwaarde in het adviseren van een reclasseringstoezicht met gedragsinterventies. Na het plegen van het onderhavig delict is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast zijn er voldoende stabiele factoren aanwezig en heeft de verdachte geen hulpvraag voor de reclassering.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 7 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 3 jaar, 3 maanden en 20 dagen verstreken.\n\nOmdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn van berechting in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat die redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nHet onderzoek aan de telefoon van verdachte\n\nIn het opsporingsonderzoek is de telefoon van de verdachte in beslag genomen op 7 maart 2023. Deze telefoon is met toestemming van de officier van justitie uitgelezen en de verkregen gegevens zijn onderzocht. Daaruit is voor de verdachte vrij veel belastend bewijsmateriaal naar voren gekomen.\n\nDe Landeck-uitspraak ziet op het onderzoek aan gegevensdragers en de inbreuk die zo’n onderzoek oplevert op de grondrechten die door artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgd worden. Daaruit volgt dat toestemming van een officier van justitie niet volstaat: een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit moet een voorafgaande toetsing doen en een machtiging afgeven zodra sprake is van meer dan een beperkt onderzoek aan de gegevensdrager. De Hoge Raad is vervolgens ingegaan op de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse opsporingspraktijk met het arrest van 18 maart 2025, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2025:409. De Hoge Raad heeft in dit arrest eerdere rechtspraak bijgesteld.\n\nGelet op deze jurisprudentie stelt de rechtbank vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De officier van justitie had (achteraf bezien) de rechter-commissaris om een toetsing moeten vragen en zijn of haar machtiging moeten hebben voor het onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Die rechterlijke toestemming is er niet , terwijl het onderzoek aan de telefoon van de verdachte meer dan beperkt was. Dat kan niet achteraf worden gecorrigeerd. Uit de Nederlandse uitspraken naar aanleiding van de Landeck-uitspraak volgt echter dat het enkele gegeven dat de privacy zonder voorafgaande rechterlijke toets is geschonden niet zonder meer moet leiden tot bewijsuitsluiting of matiging van de op te leggen straf. Er zijn in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval anders moet worden geoordeeld. Daarom zal worden volstaan met het enkele constateren van het vormverzuim.4.3.5.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten zou een gevangenisstraf passend zijn. De rechtbank acht dit echter in dit geval niet op zijn plaats gelet op de volgende omstandigheden. De feiten zijn ongeveer 5 à 6 jaar geleden gepleegd. Sindsdien is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. De verdachte heeft tijdens de zitting de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en daarover openheid van zaken gegeven. De rechtbank houdt ook rekening met het aandeel van de verdachte bij de strafbare feiten. Hoewel de rol van de verdachte in het geheel belangrijk was, lijkt de bijdrage van de verdachte in omvang vrij beperkt. Verder heeft de verdachte ook persoonlijk de consequenties van zijn handelen ervaren. Hij is zijn baan en bijbehorend sociaal netwerk verloren en heeft zijn leven in de afgelopen jaren opnieuw moeten opbouwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met name vanuit winstbejag heeft gehandeld. De rechtbank acht het daarom passend en geboden dat hij financieel de gevolgen van zijn handelen draagt en legt, naast de hierna te noemen verbeurd verklaring van het geldbedrag van € 6.255,-, een geldboete op van € 10.000,-. Daarnaast wordt een taakstraf opgelegd van 240 uur.5. In beslag genomen voorwerpen (verbeurdverklaring)5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe in beslag genomen iPhone en het contante geldbedrag van € 6.255,-, moet worden verbeurd verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe iPhone kan worden verbeurdverklaard. Het inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nAls bijkomende straf voor de feiten 1, 2 en 3 worden de in beslag genomen iPhone (met goednummer [goednummer 1] ) en een contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte.\n\nDe iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.\n\nDe iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- behoren aan de verdachte toe.\n\nAangenomen wordt dat het geldbedrag van € 6.255,- uit de baten van de strafbare feiten is verkregen.\n\nDe strafbare feiten zijn met behulp van de iPhone gepleegd.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 23, 24c, 33, 33a, 47, 57, 60, 138c en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 236 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 118 dagen;\n\nGeldboete\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,-;\n\nbeveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van75 dagen;\n\nVerbeurdverklaring\n\nverklaart verbeurd voor de feiten 1, 2 en 3 de in beslag genomen:\n\n- grijze iPhone (met goednummer [goednummer 1] ); en\n\n- contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ).\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. L. Feraaune, voorzitter,\n\nen mrs. M.K. Asscheman-Versluis en H. Wielhouwer, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7841","2026-07-13T00:29:40.358Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":163,"fullText":164,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":61,"updatedAt":166},"1354","ECLI:NL:RBROT:2026:7855","ecli-nl-rbrot-2026-7855","2026-06-25T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10-015514-24, 10-360302-24, 96-276472-23 (gevoegd ttz.)\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.C. van Paridon\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nAdvocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW, terwijl de schuld bestaat uit zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte heeft een dodelijke aanrijding veroorzaakt met een voetganger terwijl de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met ongeveer 21 km\u002Fu werd overschreden. Daarnaast is bewezen: het verlaten van de plaats van het ongeval, tweemaal overtreding van artikel 5a WVW, het rijden met een ingevorderd rijbewijs, verduistering van een auto en overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 104 km\u002Fu. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 6 januari 2024 met een personenauto een dodelijk verkeersongeval heeft veroorzaakt, de plaats van het ongeval heeft verlaten, zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW en een personenauto heeft verduisterd. Ook wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 11 januari 2024 zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW, in een personenauto heeft gereden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en een personenauto heeft verduisterd. Ten slotte wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 17 oktober 2023 binnen de bebouwde kom met een personenauto in Rotterdam 154 km\u002Fu reed waar 50 km\u002Fu was toegestaan.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.2. Bewijsoverwegingen en gedeeltelijke vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle tenlastegelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 4 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 en voor feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-015514-24, de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-360302-24 en het feit in de zaak met parketnummer 96-276472-23 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte in de zaak met parketnummer 10-015514-24 zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval (feit 1 primair), het verlaten van de plaats van het ongeval (feit 2), overtreding van artikel 5a WVW (feit 3 primair) en verduistering (feit 4). In de zaak met parketnummer 10-360302-24 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW (feit 1 primair) en het rijden met een ingevorderd rijbewijs (feit 2). Ten slotte heeft de verdachte zich in de zaak met parketnummer 96-276472-23 schuldig gemaakt aan het overschrijden van de toegestane snelheid met 104 km\u002Fu. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.\n\n De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft in de zaak met parketnummer 10.015514.24 feit 2 en feit 3 bekend, in de zaak met parketnummer 10-360302-24 feit 1 en feit 2 bekend en het feit bekend in de zaak met parketnummer 96-276472-23. Ook is voor deze feiten geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nParketnummer 10.015514.24\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nFeit 3\n\n4. Verklaring van de verdachte\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\n7. Proces-verbaal van de politie\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1\n\n8. Verklaring van de verdachte\n\n9. Proces-verbaal van de politie\n\n10. Proces-verbaal van de politie\n\n11. Proces-verbaal van de politie\n\n12. Proces-verbaal van de politie\n\nFeit 2\n\n13. Verklaring van de verdachte\n\n14. Proces-verbaal van de politie\n\nParketnummer 96-276472-23\n\n15. Verklaring van de verdachte\n\n16. Proces-verbaal van de politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 4 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nParketnummer 10-015514-24\n\nFeit 1\n\n17. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb op 6 januari 2024 in de auto gereden. Ik heb niet op de snelheidsmeter gekeken, ik was daar niet mee bezig. Toen ik tegen de mevrouw aankwam, wist ik niet wat er gebeurde. Ik hoorde dat iets de auto raakte bij de linker voorkant van de auto. Ik zag dat ik iemand had geraakt. Ik heb sowieso te hard gereden tijdens die proefrit. Ik weet dat ik voor en na het ongeval veel te hard gereden heb sowieso.\n\n18. Proces-verbaal van onnatuurlijke dood\n\nOverledene\n\nAchternaam: [achternaam]\n\nVoornamen: [voornaam]\n\nGeboren: [geboortedatum 2] 1937\n\nDatum\u002Ftijd vinden: zondag 7 januari 2024 om 21:30 uur\n\nKorte samenvatting van het gebeurde\n\nOp zaterdag 6 januari 2024 omstreeks 16:05 uur heeft er een verkeersongeval met letsel plaatsgevonden op de Schenkelsedreef in Capelle aan den IJssel. Aldaar zou een voetganger door een personenauto zijn aangereden, waarbij de personenauto is doorgereden. De voetganger is bij dit ongeval zwaar gewond geraakt en met neurotrauma overgebracht naar het EMC. Aldaar is het slachtoffer aan haar verwondingen komen te overlijden.\n\n19. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 6 januari 2024 vond er een verkeersongeval plaats op de Schenkelse Dreef te Capelle aan den IJssel tussen een personenauto en een voetganger. Deze Cupra was voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] en van een ingebouwde GPS-tracker. De gegevens van de GPS-tracker, waarin de locatie en gereden snelheid aangegeven werden, zijn door mij, verbalisant, geanalyseerd via de politie atlas. Van de locatie en de gereden snelheid zijn door mij schermafdrukken gemaakt en in een bijlage gezet, welke ik bij dit proces-verbaal heb gevoegd.\n\nVoertuig\n\nMerk\u002Ftype: Cupra Cupra Leon Sp E\n\nBijlage bij [proces-verbaalnummer 1]\n\n[google maps afbeelding met daarop de onderstaande tekst]\n\nVoertuig Leon SP Copper (ROT)\n\nDatum 2024-01-06T15:00:04.OOOZ\n\nTijd 2024-01-06T15:00:04.OOOZ\n\nSnelheid (k\u002Fh) 70.99992142\n\nSchenkelse Dreef Capelle aan den IJssel 50 km\u002Fh maximum toegestane snelheid\n\n20. Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 7 januari 2024\n\nIk had goed zicht. Er is daar geen zebrapad dus ik kijk ook niet naar links of rechts.\n\n21. Verkeersongevallenanalyse d.d. 4 april 2024\n\nHet ongeval vond plaats op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Schenkelse Dreef , ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom te Capelle aan den IJssel. Deze weg bestaat ter plaatse uit één rijbaan en is bestemd voor verkeer in beide richtingen. Langs de westelijke zijde van deze rijbaan bevond zich een verhoogde en verharde berm, een fietspad en een trottoir. Het ongeval had plaatsgevonden op de westelijk gelegen rijstrook van de Schenkelse Dreef ter hoogte van het kruispunt met de Wingerd . Ter plaatse gold op de Schenkelse Dreef een maximumsnelheid van 50 km\u002Fu voor motorvoertuigen.\n\nOp het wegdek globaal in het midden van die rijbaan was het slachtoffer aangetroffen.\n\nFeit 4\n\n22. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb op 6 januari 2024 in de Cupra gereden. Ik heb de auto die dag opgehaald en wilde waarschijnlijk gewoon stoer doen. Ik wilde gewoon met een auto rijden om hem gratis te krijgen. Ik ben met de auto naar het ziekenhuis gegaan. Na het ongeval ben ik naar [sportschool] gegaan om alles eruit te stomen. De politie heeft mij daar gestopt.\n\n23. Verklaring van [medeverdachte]\n\n [verdachte] zat op de bestuurdersplek. Ik was de bijrijder.\n\nV: Wat hebben jullie nadat je de auto opgehaald had gedaan? A: Daarna reden we eerst langs zijn huis, in oost. Hij is thuis om gaan kleden om te sporten. Daarna zijn we gewoon gaan rijden.\n\n24. Proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2024\n\nHierbij doe ik aangifte van verduistering van een grijze personenauto Cupra Leon voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] . Op 6 januari 2024 omstreeks 14:09u kwam een persoon [verdachte] langs bij [autobedrijf 1] te [plaats] om een proefrit te maken met een auto. [verdachte] had 30 minuten om een proefrit te maken. Zij reden om 14:15u weg. Vanaf 14:45u hebben wij meerdere keren getracht telefonisch contact op te nemen. Er werd niet opgenomen. Omstreeks 16:11u hebben wij een sms gestuurd waarin stond dat als hij geen contact opnam, de politie ingelicht zou worden.\n\n25. Proces-verbaal van de politie\n\nOmstreeks 16:37 uur, werd ik door de centralist van het Operationeel Centrum van politie Eenheid Rotterdam, opgeroepen. Er was een melding binnen gekomen van een autoverhuurbedrijf dat een verhuurde auto voor een proefrit was meegenomen, maar na 2 uur nog niet terug was. Via de GPS die in de auto aanwezig was, zag men de auto uitpeilen op de Metaalhof ter hoogte van het sportcentrum [sportschool] te Rotterdam. Deze auto zou een Cupra Leon betreffen voorzien van kenteken [kentekennummer 1] . Ik reed vervolgens richting de Metaalhof te Rotterdam. Omstreeks 16:40 uur, reed ik op de Koperstraat te Rotterdam ter hoogte van sportcentrum [sportschool] . Opeens zag ik dat de grijze Cupra voorzien van kenteken [kentekennummer 1] mij passeerde. Ik stapte uit en benaderde de auto. Na dit onderzoek bleek dat de man die voor mij stond moest zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] .\n\n2.3.2.. Bewijsmotivering\n\nParketnummer 10-015514-24\n\nFeit 1 (aanrijding met dodelijk slachtoffer)\n\nOp 6 januari 2024 heeft omstreeks 16:05 op de Schenkelsedreef in Capelle aan den IJssel een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto met de verdachte als bestuurder en een voetganger. De voetganger, [slachtoffer] , is tijdens het oversteken aangereden en als gevolg hiervan overleden.\n\nDe vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte aan het verkeersongeval schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van het ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.\n\nDe Schenkelse Dreef in Capelle aan den IJssel is een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid geldt van 50 km\u002Fu. De verdachte reed op het moment van de aanrijding ongeveer 71 km\u002Fu. De plaats waar het slachtoffer door de verdachte is aangereden, bevindt zich bij een oversteekplaats voor fietsers en naast een bushalte.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het overschrijden van de maximale snelheid binnen de bebouwde kom met ongeveer 21 km\u002Fu, in combinatie met het onvoldoende acht slaan op de omgeving, zeer onvoorzichtig gedrag oplevert, zodat het verkeersongeval aan verdachtes schuld is te wijten. Dat het slachtoffer is overgestoken op een plaats waar geen zebrapad was, doet daar niet aan af. Als bestuurder van de auto rustte op de verdachte de verantwoordelijkheid om behoedzaam en oplettend te zijn en om zijn snelheid zo te regelen dat hij tijdig zou kunnen reageren op mogelijk aanwezig, naderend of overstekend verkeer. Daarbij moet een bestuurder tot op zekere hoogte ook bedacht zijn op mogelijke verrassingen, waaronder fouten van andere (kwetsbare) verkeersdeelnemers. Bovendien betrof het een overzichtelijke weg en heeft de verdachte verklaard dat hij goed zicht had. De verdachte had het slachtoffer dus kunnen zien aankomen, maar heeft niet goed gekeken. Dat de verdachte zo hard reed, maakte dat hij niet kon anticiperen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij hard reed om stoer te doen en dat hij ook voorafgaand en vlak na de aanrijding te hard heeft gereden. Dit maakt dat de rechtbank de gedragingen kwalificeert als zeer onvoorzichtig.\n\nFeit 4 (verduistering 6 januari 2024)\n\nDe verdachte heeft op 6 januari 2024 bij [autobedrijf 1] in [plaats] omstreeks 14:15 uur een Cupra Leon personenauto met kenteken [kentekennummer 1] meegekregen voor een proefrit. De verdachte heeft de personenauto niet binnen de afgesproken tijd van 30 minuten teruggebracht. Een medewerker van [autobedrijf 1] heeft daarom de verdachte vanaf 14:45 uur meermaals geprobeerd te bellen. Ook zijn er berichten gestuurd naar de verdachte met de boodschap dat de afspraak niet is nagekomen omdat de auto niet binnen 30 minuten is teruggebracht en het verzoek de auto zo snel mogelijk terug te brengen omdat anders de politie zou worden ingeschakeld. Pas na 2,5 uur is er door ingrijpen van de politie een einde gekomen aan de ‘proefrit’.\n\nVolgens vaste rechtspraak kan voor een bewezenverklaring van verduistering van een voertuig niet worden volstaan met de enkele vaststelling dat het aan de verdachte meegegeven voertuig niet (op tijd) is teruggebracht. Hieruit blijkt immers niet dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, daadwerkelijk als heer en meester over het voertuig heeft beschikt.\n\nDe uiterlijke verschijningsvorm van de overige gedragingen van verdachte die middag zijn naar het oordeel van de rechtbank echter zo gericht op het als heer en meester beschikken over het voertuig dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte zich het voertuig wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zo heeft de verdachte naar eigen zeggen het voertuig gebruikt om stoer te doen en is hij ermee langs zijn huis gegaan, naar het ziekenhuis in Capelle aan den IJssel en heeft hij gedurende de proefrit diverse ernstige verkeersovertredingen gemaakt. Ook is hij tijdens de proefrit gaan sporten. Hieruit blijkt dat hij het voertuig voor een ander doel gebruikte dan waarvoor een proefrit is bedoeld, te weten het maken van een testrit om te beoordelen of het model of het rijgedrag van de auto voldoet aan de wensen voorafgaand aan een eventuele aankoop. De verdachte heeft het voertuig daarentegen gebruikt als kosteloos vervoermiddel. Daar komt bij dat hij zich onbereikbaar heeft gehouden voor de eigenaar ondanks dat er herhaaldelijk is geprobeerd contact met hem te leggen. Ten slotte is er slechts een einde gekomen aan het gebruik van het voertuig door ingrijpen van de politie. Dit maakt dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte op 6 januari 2024 het voertuig heeft verduisterd.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10-015514-24 (gewijzigd ttz.)\n\nFeit 1\n\nprimair\n\nhij op 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelsedreef , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu, in elk geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\n\n- daarbij niet danwel onvoldoende naar links en rechts heeft gekeken terwijl hij aldaar rijdend was en\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\n\n- vervolgens in aanrijding is gekomen met die [slachtoffer] ,\n\nwaardoor die [slachtoffer] werd gedood;\n\nFeit 2\n\nhij op 6 januari 2024, te Capelle aan den IJssel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef , de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel werd toegebracht;\n\nFeit 3\n\nprimair\n\nhij op 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op diverse (binnen de bebouwde kom gelegen) voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersdragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en met hoge snelheid langs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, te weten:\n\n- 70 km\u002Fu op de Poortmolen en\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 130 km\u002Fu heeft gereden;\n\ndoor welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;\n\nFeit 4\n\nhij op 6 januari 2024 te Rotterdam opzettelijk een personenauto van het merk Cupra, met kenteken [kentekennummer 1] , toebehorende aan [autobedrijf 1] [plaats] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde Cupra mee te nemen voor een proefrit en deze Cupra niet binnen de afgesproken tijdsduur (30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 1] [plaats] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1\n\nprimair\n\nhij op 11 januari 2024 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Hendrik-Ido-Ambacht en Nieuwerkerk aan den IJssel als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\n\n- meermalen, abrupt en zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, en\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en 100 km\u002Fuur en\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en een rood kruis heeft genegeerd en over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nwelke gedragingen en gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd;\n\ndoor welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;\n\nFeit 2\n\nhij op 11 januari 2024 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Hendrik-Ido-Ambacht en Nieuwerkerk aan den IJssel, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd, aldaar op voor het openbaar verkeer openstaande wegen een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;\n\nParketnummer 96-276472-23\n\nhij op 17 oktober 2023 te Rotterdam, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Abram van Rijckevorselweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 154 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.\n\n2.3.4.. \n\nVrijspraak (verduistering 11 januari 2024)\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd onder feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24. Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat er op basis van het dossier en hetgeen op zitting is besproken onvoldoende duidelijkheid bestaat over de afgesproken duur van de proefrit. Niet kan worden vastgesteld dat de tenlastegelegde anderhalf uur is overeengekomen door partijen. Reeds om die reden wordt verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren het volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10.015514.24\n\nFeit 1 primair\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood\n\nFeit 2\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 3 primair\n\novertreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 4\n\nverduistering\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1 primair\n\novertreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 2\n\novertreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994\n\nParketnummer 96-276472-23\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat hier rekening mee gehouden dient te worden in de strafmaat. Daarnaast verzoekt de verdediging, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, bij een bewezenverklaring te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en het opleggen van een werkstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de overtreding in de zaak met parketnummer 96-276472-23 verzoekt de verdediging om artikel 9a Wetboek van Strafrecht toe te passen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich op 6 januari 2024 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met een dodelijk slachtoffer. Hij heeft met een te hoge snelheid en zonder voldoende acht te slaan op de omgeving met een personenauto een overstekende voetganger aangereden. Hij is daarna met hoge snelheid doorgereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. De verdachte is direct na de aanrijding gaan sporten en heeft het voertuig schoongemaakt. Op diezelfde dag heeft hij opzettelijk meerderde verkeersregels in ernstige mate geschonden waarmee hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar bracht. Daarbij heeft de verdachte onder meer met hogere snelheden gereden dan toegestaan was, negeerde hij een rood stoplicht en reed hij over de trambaan en het fietspad. Deze feiten pleegde hij met een personenauto die hij die dag had verduisterd. Hoewel de verdachte inmiddels was aangehouden voor deze feiten, zijn rijbewijs was ingevorderd en hem bekend was dat het slachtoffer inmiddels was overleden, heeft hij op 11 januari 2024 zich wederom schuldig gemaakt aan extreem gevaarlijk en asociaal rijgedrag met een auto. Zo reed de verdachte onder meer hogere snelheden dan toegestaan, maakte hij meermaals onnodige noodstoppingen, haalde hij rechts in en negeerde hij een rood kruis. Ook heeft de verdachte zich op 17 oktober 2023 schuldig gemaakt aan het overschrijden van de toegestane snelheid binnen de bebouwde kom met 104 km\u002Fu. Gedurende al deze feiten was de verdachte een beginnend bestuurder. Met zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s voor de verkeersveiligheid genomen en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd. Dit heeft geresulteerd in een dodelijk slachtoffer. Uit de op zitting afgelegde slachtofferverklaringen is gebleken welke gevolgen dit tot op de dag van vandaag voor de nabestaanden heeft. Juist ook het handelen van de verdachte na de aanrijding, het doorrijden en het enkele dagen later wederom ernstige verkeersovertredingen plegen, onderstreept de minachting van de verdachte voor de geldende verkeersregels en het gebrek aan zelfreflectie. Het is, gezien het rijgedrag van de verdachte, een wonder dat er niet meer slachtoffers zijn gevallen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van GGZ Fivoor Toezicht Rotterdam van 4 juni 2026 staat onder meer dat het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als hoog. De verdachte staat momenteel in een andere zaak onder toezicht. De reclassering heeft diverse pogingen gedaan om de verdachte te motiveren tot gedragsverandering om zo het risico op delictgedrag te verminderen, maar desondanks lukt het niet om het toezicht positief te doorlopen. De verdachte lijkt geen intrinsieke motivatie te hebben om een positieve invulling te geven aan het toezicht. De reclassering erkent weliswaar de noodzaak om bijzondere voorwaarden te adviseren, maar ziet daarvoor geen mogelijkheden en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 6 januari 2024 respectievelijk 11 januari 2024 omdat de verdachte op die data in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de in deze zaken geldende redelijke termijn van twee jaar is geschonden. De rechtbank houdt hiermee in het voordeel van de verdachte rekening bij de bepaling van de duur van de straf.4.3.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan, houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.\n\nDe rechtbank acht een gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt een straf op die hoger is dan de eis van de officier van justitie. De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe tijd die door de verdachte in verzekering is doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDaarnaast zal aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor de duur van vijf jaar.\n\nTen aanzien van de snelheidsovertreding in de zaak met parketnummer 96-276472-23 ziet de rechtbank gelet op de hierboven genoemde straffen geen reden om dat feit nog afzonderlijk te bestraffen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 7, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaardedat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nToepassing 9a Sr\n\nbepaalt dat voor het feit in de zaak met parketnummer 96-276472-23 geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nOntzegging van de rijbevoegdheid\n\nontzegtde verdachte voor feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-360302-24de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van5 (vijf) jaar;\n\nbepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nBijlage 1 – volledige tenlastelegging\n\nParketnummer 10-015514-24 (gewijzigd ter terechtzitting)\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof onachtzaam en\u002Fof met aanmerkelijke verwaarlozing van de te deze geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelsedreef , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu heeft gereden, in elk geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en\u002Fof met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\u002Fof\n\n- en\u002Fof (daarbij) niet danwel onvoldoende (naar) links en\u002Fof rechts heeft gekeken terwijl hij aldaar rijdend was en\u002Fof\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en\u002Fof die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzie en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ,\n\nwaardoor die [slachtoffer] werd gedood;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelse Dreef , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu heeft gereden, in ieder geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en\u002Fof met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\u002Fof\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en\u002Fof die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ;\n\n2\n\nhij, op of omstreeks 6 januari 2024, te Capelle aan den IJssel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef , de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) schade en\u002Fof letsel werd toegebracht;\n\n3\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op diverse (binnen de bebouwde kom gelegen) voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersdraging(en) hierin heeft\u002Fhebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en\u002Fof met hoge snelheid langs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\u002Fof\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\u002Fof\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, te weten:\n\n- 70 kom\u002Fu op de Poortmolen en\u002Fof\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\u002Fof\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\u002Fof\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\u002Fof\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\u002Fof\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\u002Fof\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 30 km\u002Fu heeft gereden;\n\ndoor welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg\u002Fwegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg\u002Fwegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en\u002Fof met hoge snelheid\n\nlangs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\u002Fof\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\u002Fof\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, te weten\n\n- 70 km\u002Fu op de Poortmolen en\u002Fof\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\u002Fof\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\u002Fof\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\u002Fof\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\u002Fof\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\u002Fof\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 30 km\u002Fu heeft gereden;\n\n4\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto van het merk Cupra, met kenteken [kentekennummer 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf 1] [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde Cupra mee te nemen voor een proefrit en deze Cupra niet binnen de afgesproken tijdsduur (30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 1] [plaats] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 10-360302-24\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedraging(en) hierin heeft\u002Fhebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\u002Fof\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en\u002Fof moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\u002Fof\n\n- meermalen, althans eenmaal, abrupt en\u002Fof zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, althans zeer krachtig heeft geremd en\u002Fof\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en\u002Fof (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en\u002Fof 100 km\u002Fuur en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\u002Fof\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\u002Fof\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en\u002Fof (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en\u002Fof een rood kruis heeft genegeerd en\u002Fof over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\u002Fof\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nWelke gedragingen en\u002Fof gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd; door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openbare wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg\u002Fwegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg\u002Fwegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\u002Fof\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en\u002Fof moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\u002Fof\n\n- meermalen, althans eenmaal, abrupt en\u002Fof zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, althans zeer krachtig heeft geremd en\u002Fof\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en\u002Fof (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en\u002Fof 100 km\u002Fuur en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\u002Fof\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\u002Fof\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en\u002Fof (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en\u002Fof een rood kruis heeft genegeerd en\u002Fof over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\u002Fof\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel, en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en\u002Fof van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, aldaar op voor het openbaar verkeer openstaande wegen een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto van het merk NIO, met kenteken [kentekennummer 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde NIO mee te nemen voor een proefrit en deze NIO niet binnen de afgesproken tijdsduur (1 uur en 30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 96-276472-23\n\nhij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Rotterdam, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Abram van Rijckevorselweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 154 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – voor de zaak met parketnummer 10-015514-24 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 1] ( [dossiernaam 1] ), voor de zaak met parketnummer 10-360302-24 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 2] ( [dossiernaam 2] ) en voor de zaak met parketnummer 96-276472-23 op de paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernummer 3] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 21 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 30 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 42 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 62 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 136 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 22 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 25 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .\n\n Pagina 32 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 9] .\n\n Pagina 45 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 10] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 63 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 11] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 12] .\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Voor de zaak met parketnummer 10-015514-24 wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 1] ( [dossiernaam 1] ).\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 209 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 13] .\n\n Pagina 136 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 178 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 14] .\n\n Pagina 269 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 15] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 202 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 16] .\n\n Pagina 14 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 17] .\n\n Pagina 30 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7855","2026-07-13T00:29:17.456Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":163,"fullText":171,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":172,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":61,"updatedAt":173},"1355","ECLI:NL:RBROT:2026:7856","ecli-nl-rbrot-2026-7856","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-360280-24\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres van [adres] [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.G.J. Plat\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nAdvocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het verlaten van de plaats van het ongeval. De verdachte zat als bijrijder in het voertuig waarmee een dodelijke aanrijding is veroorzaakt. Niet is komen vast te staan dat het ongeval mede door haar gedraging is veroorzaakt. De verdachte is daarmee niet betrokken bij een verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – op 6 januari 2024 in Capelle aan den IJssel als betrokkene na een aanrijding tussen een personenauto en [slachtoffer] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl zij wist of moest vermoeden dat [slachtoffer] letsel dan wel schade was toegebracht.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\nzij, op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak\n\nTen laste is gelegd dat de verdachte al dan niet als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van dat ongeval heeft verlaten.\n\nDe verdachte zat op 6 januari 2024 als bijrijder in de personenauto op het moment van het verkeersongeval. De medeverdachte heeft als bestuurder van een personenauto het overstekende slachtoffer [slachtoffer] aangereden en is, nadat hij een kort moment was gestopt, weer doorgereden. Een dag na het ongeval is het slachtoffer aan de gevolgen van de aanrijding overleden.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte bij het verkeersongeval ‘betrokken’ is geweest in de zin van artikel 7 WVW 1994.\n\nVolgens rechtspraak van de Hoge Raad kan degene die niet de bestuurder van het rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig was, slechts worden aanmerkt als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ indien het ongeval door zijn gedraging (handelen of nalaten) is veroorzaakt.\n\nNiet is gebleken dat de verdachte zich heeft bemoeid met het rijden of dat zij op andere wijze een aandeel heeft gehad in het veroorzaken van de aanrijding met het slachtoffer. De betrokkenheid van de verdachte bestond er slechts in dat de verdachte als passagier feitelijk bij het verkeersongeval aanwezig was. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om de verdachte aan te merken als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ in de zin van artikel 7 lid 1 WVW 1994.\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging.3. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\n4. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nVgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4431 (in relatie tot artikel 7, eerste lid aanhef en onder a WVW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7856","2026-07-13T00:29:17.522Z",{"id":175,"ecli":176,"slug":177,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":163,"fullText":178,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":61,"updatedAt":180},"1356","ECLI:NL:RBROT:2026:7857","ecli-nl-rbrot-2026-7857","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.206717.25\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. H.W. Leemans\n\nOfficier van justitie: mr. N. Daalder\n\nAdvocaat van het slachtoffer: mr. R.S.M. van der Leij\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen op een kruising binnen de bebouwde kom bij het rechtsaf slaan, het slachtoffer dat zich op de fiets naast de vrachtwagen bevond, niet opgemerkt. Als gevolg hiervan is zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer ontstaan. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en\u002Fof de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en\u002Fof (langere tijd) tot stilstand gehouden en\u002Fof heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en\u002Fof rechtsaf gereden en\u002Fof\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en\u002Fof voldoende van vergewist en\u002Fof is zich er gedurende het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en\u002Fof naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en\u002Fof is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en\u002Fof aangereden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en\u002Fof\n\n- terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en\u002Fof waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en\u002Fof vervuiling,\n\nwaardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en\u002Fof de Molenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en\u002Fof (langere tijd) tot stilstand gehouden en\u002Fof heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en\u002Fof rechtsaf gereden en\u002Fof\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en\u002Fof voldoende van vergewist en\u002Fof is zich er gedurende het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en\u002Fof naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en\u002Fof is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en\u002Fof aangereden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en\u002Fof\n\n- terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en\u002Fof waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en\u002Fof vervuiling.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit, in die zin dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit en heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 29 november 2024 reed ik over de Burgemeester F.H. van Kempensingel in Rotterdam in een vrachtwagencombinatie. Een stuk voor de kruising met de Molenlaan had ik [slachtoffer] zien fietsen vanuit een zijstraat. Ik stond bij de kruising links voorgesorteerd om rechtsaf te kunnen slaan. Ik was half ingedraaid en had al rechts ingestuurd. Ik zag een verbodsbord voor vrachtwagens en ben gestopt. Ik reed een klein stukje naar achteren en wilde linksaf slaan. Ik heb [slachtoffer] niet gezien.\n\n2. Proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongevalDit onderzoek vond plaats naar aanleiding van een verkeersongeval op 29 november 2024 omstreeks 08:03 uur. Het ongeval had plaatsgevonden op het kruispunt Burgemeester F.H. van Kempensingel\u002FMolenlaan, gelegen binnen de bebouwde kom van Rotterdam. De rijbaan in de richting van de Molenlaan bestond tot ongeveer 62 meter voor het kruispunt met de Molenlaan uit één rijstrook. Daarna was de rijbaan verdeeld in 2 voorsorteerstroken; één voor naar linksafslaand verkeerd en één voor rechtsafslaand verkeer. Op de Burgemeester F.H. van Kempensingel was geen fietsstrook of fietspad aanwezig.\n\nAangezien het ongeval omstreeks 08:03 uur had plaatsgevonden en de zonsopkomst die dag om 08:23 uur was, vond het ongeval plaats tijdens schemer.\n\nBij het ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:\n\n- Een bedrijfsauto (trekker) en oplegger, fabrieksmerk Daf, met kenteken [kentekennummer] ;\n\n- Een fiets van het merk Batavus.\n\nInterpretatie van sporen op de weg en aan de voertuigen\n\nGelet op de plaats waar wij de eerste krassporen aantroffen, voorbij het kruisende fietspad van de Molenlaan, was het aannemelijk dat de bestuurder van de Batavus voornemens was rechtdoor de Molenlaan over te steken. Gelet op de sporen was de Daf met de rechterzijde tegen de Batavus aangebotst terwijl de Batavus zich rechts naast de Daf bevond. Gelet op de sporen was de Daf met het rechtervoorwiel over de Batavus gereden terwijl de Daf rechtsaf sloeg. Gelet op de Batavus die vóór de voorzijde van de Daf op de weg was gepositioneerd, was de Daf na de botsing met de Batavus, waarbij de Daf over de Batavus was gereden, achteruitgereden waarbij de Daf waarschijnlijk nogmaals over de Batavus heen reed.\n\nDeelonderzoek Tachograaf\n\nEr kon worden gesteld dat de Daf omstreeks 08:01:09 uur aankwam bij het kruispunt. De Daf stond gedurende 24 seconden stil en reed vervolgens vooruit over een afstand van ongeveer 8 meter. De Daf had vervolgens, na ongeveer 2 seconden te hebben stilgestaan, over een afstand van ongeveer 5 meter achteruit gereden. De Batavus passeerde de Daf over de gehele lengte terwijl de Daf reeds stilstond.\n\nConclusie gemeten gezichtsveldenonderzoek\n\nUit onderzoek blijkt dat de Batavus en zijn bestuurder op elk moment dat deze zich naast de Daf bevond, zichtbaar is geweest in één van de spiegels.\n\n3. FARR-verklaring [slachtoffer] van 17 april 2025Informatie ontvangen van deafdeling Traumachirurgie van het Erasmus MCbetreffende de opname van 29 november tot en met 12 december 2024.\n\nOp 29 november 2024 was sprake van:\n\na. Afstroping van de huid van het rechter bovenbeen, het been werd geopereerd;\n\nb. In de bekken bevonden zich drie breuken, links in het darmbeen en beiderzijds in het schaambeen;\n\nc. Er werd schade gezien aan een aftakking van de linker bekkenslagader waardoor actief bloedverlies in het kleine bekken;\n\nd. Er werd schade gezien aan de urine buis in de penis, er werd een urine katheter geplaatst;\n\ne. Er werd een afscheuringsbreuk gezien aan de rechter enkel, er werd onderbeengips aangelegd.\n\nOp basis van een ongecompliceerd beloop betreft de geschatte genezingsduur:\n\na. Afstropingsletsel: 2 à 3 weken. Bij ontslag naar het revalidatiecentrum was de verwonding aan het rechterbeen gesloten en was er sprake van een litteken, waarschijnlijk permanent zichtbaar;\n\nb. Diverse bekkenfracturen: 6 weken tot 3 maanden met noodzaak tot fysiotherapie;\n\nc. Letsel aan een aftakking van bekkenslagader: genezen ten tijde van ontslag;\n\nd. Verwonding urinebuis: minimaal 1,5 maand waarbij noodzaak tot plaatsen van katheter in de buikwand.\n\ne. Afscheuringsbreuk enkel: tot 4 weken.\n\nInformatie ontvangen van afdeling Urologie van het Wilhelmina kinderziekenhuisbetreffende een consult, telefonisch contact en een opname van 28 tot 29 maart 2025.\n\nRadiologisch onderzoek van de urinewegen toonde een niet doorgankelijke urinebuis van de blaas tot halverwege de penis. Het letsel is na vier maanden nog niet hersteld. Betrokkene kan niet normaal plassen, maar is afhankelijk van een katheter in zijn buikwand. Er bestaat kans op herstel van de normale plasfuncties, maar hier is nog geen zicht op en de eventuele operatie kan permanente gevolgen hebben.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nZoals volgt uit de bewijsmiddelen, heeft in de ochtend van 29 november 2024 op een kruising in Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte heeft met een door hem bestuurde vrachtauto met oplegger een fietser, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), aangereden. De verdachte heeft het slachtoffer, dat zich rechts naast de vrachtwagen bevond, niet gezien toen hij naar rechts instuurde. Het slachtoffer is ten val gekomen en met zijn fiets onder de vrachtwagen terechtgekomen en heeft hierdoor letsel opgelopen.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW)?\n\nOm tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen, moet de verdachte schuld hebben in de zin van artikel 6 WVW. Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Een tijdelijk moment van onoplettendheid of een enkele verkeersfout zonder bijkomende bijzondere omstandigheden zijn onvoldoende voor het aannemen voor schuld.\n\nOmstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond\n\nHet verkeersongeval vond plaats omstreeks 08:03 uur op een vrijdag in november in een woonwijk binnen de bebouwde kom van Rotterdam. Dat betekent dat het op dat moment schemerde en dat sprake was van ochtenddrukte door woon-werkverkeer. De verdachte wilde met de door hem bestuurde vrachtwagen rechtsaf slaan op de kruising van de F.H. van Kempensingel met de Molenlaan. Hij stond echter voorgesorteerd op de rijstrook voor linksafslaand verkeer op de F.H. van Kempensingel, naar eigen zeggen omdat hij anders met de vrachtwagencombinatie de bocht naar rechts niet zou kunnen maken. Hierdoor kon bij andere weggebruikers de indruk ontstaan dat de vrachtwagen linksaf zou slaan en werd daarbij ook de mogelijkheid aan andere weggebruikers gegeven om zich in de vrije ruimte op de rechterrijstrook op te stellen om de Molenlaan op te rijden. Voordat de verdachte afsloeg, stond hij 24 seconden stil op de kruising en in die tijd is het fietsende slachtoffer de vrachtwagen aan de rechterzijde gepasseerd en stil gaan staan op de rechterrijstrook. De verdachte sloeg rechtsaf en is toen tegen het slachtoffer aangereden. Na een paar seconden te hebben stilgestaan, is hij achteruit gereden waarna hij het slachtoffer nogmaals heeft geraakt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij de ochtend van het ongeval zijn spiegels had gecontroleerd, maar dat hij het slachtoffer desondanks niet heeft gezien. Volgens de verdachte heeft het slachtoffer in zijn dode hoek gezeten. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt echter dat het slachtoffer in de spiegels van de vrachtwagen op elk moment zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, waardoor de rechtbank die conclusie van de verdachte verwerpt. Ook het verweer van de verdediging dat de verkeersongevallenanalyse niet bruikbaar is omdat daarin een verkeerde positionering van de vrachtwagen als uitgangspunt zou zijn genomen, wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het gezichtsveldenonderzoek in de verkeersongevallenanalyse dat de verdachte via zijn spiegels goed zicht had op de rijstrook naast de vrachtwagen en de stoep daarnaast. Ook als de positie van de vrachtwagen in werkelijkheid verder naar links zou zijn geweest dan in de analyse (wat de rechtbank niet kan vaststellen), moet het slachtoffer zichtbaar zijn geweest in de spiegels. De zichtbaarheid van het slachtoffer werd bovendien vergroot doordat hij een gele fietshelm droeg en een oranje vlaggetje aan zijn fiets had.\n\nVan een ervaren beroepschauffeur als verdachte mag verwacht worden dat hij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van ander verkeer, zeker op het moment dat hij in de ochtendspits met een vrachtwagen met oplegger binnen de bebouwde kom en op een onoverzichtelijke kruising rijdt terwijl het schemerig is. Dit is des te meer het geval op het moment dat er wordt voorgesorteerd op de rijbaan voor linksafslaand verkeer, terwijl hij voornemen is om rechtsaf te slaan. Op dat moment dient extra voorzichtigheid en oplettendheid te worden betracht omdat andere verkeersdeelnemers hier niet op voorbereid hoeven te zijn. Hoewel het slachtoffer zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, heeft hij hem niet opgemerkt. Door de combinatie van al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.\n\nLetsel slachtoffer\n\nBij het slachtoffer is als gevolg van het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Hij heeft onder meer breuken in de bekken en de enkel opgelopen, is meermaals geopereerd en heeft langdurig moeten revalideren. Ten tijde van de zitting, ruim anderhalf jaar na het ongeval, is het slachtoffer nog niet volledig hersteld.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nprimair\n\nhij op 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en (langere tijd) tot stilstand gehouden en heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en rechtsaf gereden en\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en voldoende van vergewist en is zich er gedurende het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en is (vervolgens) tegen die fietser aangereden en\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden\n\nwaardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr, dan wel om een gehele of gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen. Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou enorme gevolgen hebben voor de verdachte, mede gelet op zijn werk.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich als bestuurder van een vrachtauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Hij heeft zich er bij het afslaan niet voldoende van vergewist dat de weg vrij was en heeft het slachtoffer niet opgemerkt, waardoor dat slachtoffer ten val is gekomen en met zijn fiets onder de vrachtauto is beland. Met zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd, met name nu hij een professioneel bestuurder is die al vele jaren als beroepschauffeur werkt. Het destijds negenjarige slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen waarvan hij lange tijd heeft moeten herstellen en waarvan hij, blijkens de ter zitting afgelegde verklaringen, nog steeds niet volledig hersteld is. De rechtbank realiseert zich dat een op te leggen straf nooit recht zal doen aan het leed dat bij het slachtoffer is ontstaan als gevolg van het ongeval.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte is nog steeds werkzaam bij dezelfde werkgever, maar heeft om aangepaste diensten gevraagd als gevolg van het ongeval. De verdachte rijdt nu voornamelijk diensten buiten de spitsuren. De verdachte heeft op de terechtzitting spijt betuigd en zijn excuses aan het slachtoffer en zijn familie aangeboden. Het verkeersongeval heeft onmiskenbaar veel indruk op de verdachte gemaakt.4.3.3.. \n\nOplegging straffen\n\nBij de bepaling van de straffen heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.\n\nHet handelen van de verdachte is weliswaar gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar de rechtbank merkt op dat er in dit geval sprake is van de ondergrens van de in dat artikel bedoelde schuld. De verdachte heeft zich ter zitting zeer schuldbewust opgesteld en ook is gebleken dat hij mentaal veel last heeft gehad van het ongeval. Ook de verdachte zal moeten leren leven met de gevolgen van zijn handelen. De verdachte is daarnaast nooit eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Gelet op die omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en de eis van de officier van justitie. Een taakstraf voor de duur van 40 uren wordt passend en geboden geacht. Daarnaast zal, gelet op het belang van de verdachte om over een rijbewijs te kunnen beschikken, de ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nOntzegging van de rijbevoegdheid\n\nontzegtde verdachtede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van6 (zes) maanden;\n\nbepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs;\n\nbepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde, dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken, niet naleeft.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. H.J. de Kraker en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 27 mei 2026.\n\n Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongeval, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer] , pagina 82 tot en met 120 van het procesdossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .\n\n De FARR verklaring bevattende medische informatie over [slachtoffer] van 17 april 2025, pagina 40 tot en met 42 van het procesdossier, opgemaakt door forensisch arts [arts] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7857","2026-07-13T00:29:17.572Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":185,"fullText":186,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":187,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":188},"1553","ECLI:NL:RBROT:2026:7943","ecli-nl-rbrot-2026-7943","2026-06-24T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099371-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting:10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. G. Vermaak\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 7 is ter verduidelijking wit omcirkeld.\n\nFoto 2: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 28:00 in beeld kwam lopen.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 direct hierna zijn rechterarm optilde, zijn hand tot een vuist balde en met snelheid richting het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze klap raak was. Ik zag dat het slachtoffer een snelle beweging met zijn hoofd naar achteren maakte en naar beneden bewoog.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 53:50 naar buiten liep. Ik zag dat het slachtoffer ondertussen al naar overkant van de straat was gelopen. Ik zag dat verdachte 7 met de overige verdachten bij de ingang van [café 1] bleef staan. Ik zag het slachtoffer terug in beeld kwam lopen richting [café 1] . Ik zag dat terwijl het gevecht weer begon bij het slachtoffer, verdachte 7 op minuut 56 nog links in beeld stond.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [café 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [café 2]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in dit registratienummer genoemde strafbare feit. In deze zaak zijn er zeven verdachten waarvan er van enkele nog geen identiteitsgegevens bij ons bekend zijn.\n\nIn het proces-verbaal van bevindingen [proces-verbaalnummer 1] wordt gesproken over [persoon A]\n\n . Hierop heb ik op Google gezicht op de naam \" [persoon A] \" en gekeken bij afbeelding resultaten met als doel het vinden van Social Media accounts of foto’s met mogelijke verdachten. Tussen deze resultaten zag ik een foto van een voetbalelftal. Hiervoor verwijs ik naar foto 1 in de aan dit proces-verbaal toegevoegde bijlage. De persoon op de foto op de voorste rij en op de derde plek van links herken ik als zijnde verdachte 7 aan zijn korte bruine haar, de vorm en lengte van zijn gezichtsbeharing en de vorm van zijn ogen.\n\nNa het volgen van de link van de afbeelding werd ik verwezen naar een Twitter account\n\nvan [account] waarop een foto te zien was met een begeleide tekst met daarin een link naar de website: [website] . Ik zag dat er bij de bovengenoemde foto een tekst stond. Een deel hieruit is: \" [tekst] : (…) [verdachte] \".\n\nUit het onderzoek naar de naam: [verdachte] , kwam het volgende: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (Nederland).\n\nIk zag dat [verdachte] een politiefoto had met nummer : [nummer] (03-01 2015). Ik herken verdachte 7op deze foto aan de vorm van zijn ogen, wenkbrauwen, haar en kaaklijn.\n\n5. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 23 december 2023 het slachtoffer tijdens het tweede incident heb geslagen in zijn gezicht. Het klopt dat ik heb verklaard dat ik niet rechtshandig ben, maar op de camerabeelden wel met rechts sla. Het klopt dat ik op de camerabeelden van de [café 2] naar mijn linkerhand kijk. Het kan best dat ik ook met mijn linkerhand heb geslagen.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op 23 december 2022?\n\nA: Ik had 23 december borrel van de zaak.\n\nV: Wat is er precies gebeurd?\n\nA: Toen besloten wij om naar [café 1] te gaan. Ik was toen in [café 1] binnen en [medeverdachte] kwam ook toen naar binnen.\n\nV: Wat zie jij op foto 4?\n\nA: Daar zie ik mijzelf staan.\n\nV: Wie is de persoon in de witte cirkel?\n\nA: Dat ben ik, [verdachte] .\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 4, dat is de verdachte 7.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 7. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het tweede incident. Hij heeft het slachtoffer eenmaal heeft geslagen in zijn gezicht.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het derde incident buiten, nu geen sprake is van een voldoende significante bijdrage.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer te slaan tijdens het tweede incident. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat de verdachte ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat de verdachte, nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij niet betrokken is geweest bij het eerste incident maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer(exces)\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte heeft geprobeerd [medeverdachte] te verdedigen, nadat [medeverdachte] een kopstoot kreeg van het slachtoffer en de verdachte zag dat [medeverdachte] daardoor gewond was geraakt. Hij schrok hier van en is zich daarom met het gevecht gaan bemoeien, om te sussen. De reactie van de verdachte is proportioneel, omdat de keuze van de gedraging (eenmaal slaan) staat niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.\n\nSubsidiair is door de verdediging een beroep op noodweerexces gedaan, omdat de reactie van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige, door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.\n\nMeer subsidiair is een beroep op tardief noodweerexces gedaan. Hoewel de noodweersituatie op het moment dat de verdachte geweld had gepleegd weliswaar was geëindigd, duurde de door de aanval veroorzaakte hevige gemoedsbeweging nog wel voort.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het (latere) slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan een beroep op (tardief) noodweerexces reeds om die reden niet slagen. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, getrapt en geduwd. De verdachte heeft het slachtoffer op twee verschillende momenten meerdere keren (hard) geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 27 december 2023 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon, omdat de verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor openlijke geweldpleging in 2015. De verdachte is sinds deze strafzaak niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De reclassering vindt het gedrag van de verdachte weliswaar zorgelijk en agressief, maar heeft niet de indruk dat er sprake is van agressieproblematiek. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. De verdachte heeft een partner en werkt nog steeds bij een metaalrecyclingbedrijf.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als hierboven onder 4.3.1 is beschreven en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien het verzoek om de verdachte te ontslaan in alle rechtsvervolging. Subsidiair wordt verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,- en de post nader te onderbouwen schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de materiële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de vliegtickets moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals daarbij genoemd in dat schema tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 164 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.\n\n Pagina 124 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7943","2026-07-13T00:29:26.805Z",{"id":190,"ecli":191,"slug":192,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":185,"fullText":193,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":194,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":195},"1543","ECLI:NL:RBROT:2026:7874","ecli-nl-rbrot-2026-7874","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-098783-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.C.A. Schulpen\n\nOfficieren van justitie: mrs. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers. en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe officier van justitie baseert de bewezenverklaring voornamelijk op de beschrijving van camerabeelden van [café] in Rotterdam alwaar een groep mannen waar de verdachte bij hoorde het slachtoffer ernstig heeft mishandeld. De verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken heeft geverbaliseerd dat hij de verdachte heeft herkend en dat hij heeft gezien dat de verdachte geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zichzelf niet herkent op deze beelden en dat hij geen geweld heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging. De rechtbank stelt namelijk vast dat op de camerabeelden moeilijk is vast te stellen wie wie is en dat er sprake is van een chaotische situatie waarin allerlei personen door elkaar bewegen. De rechtbank kan alles afwegende uiteindelijk niet met voldoende zekerheid uitsluiten dat de verbalisant zich heeft vergist en de verklaring van de verdachte klopt dat hij geen geweld heeft gebruikt. De verdachte wordt daarom vrijgesproken.3. Vordering van de benadeelde partij3.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige, nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.3.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.\n\n4. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op nihil.5. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7874","2026-07-13T00:29:26.251Z",{"id":197,"ecli":198,"slug":199,"caseNumber":57,"courtId":5,"decisionDate":185,"fullText":200,"summary":57,"language":7,"source":59,"sourceUrl":201,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":61,"updatedAt":202},"1544","ECLI:NL:RBROT:2026:7875","ecli-nl-rbrot-2026-7875","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-098791-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.A. Lubbers\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.\n\n2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit ten aanzien van het derde geweldsincident. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 5 is ter verduidelijking groen omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 50:00 richting het midden van het café liep richting het slachtoffer en de andere verdachten. Ik zag dat verdachte 5 aan de rechterzijde van het slachtoffer ging staan, gezien vanuit de camera.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 51 een slaande beweging maakte met zijn rechterarm en vuist en deze snel richting het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de vuist van verdachte 5 tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam. Ik zag dat het slachtoffer direct met zijn hoofd naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer door een andere verdachte aan zijn nek werd weggetrokken uit het gevecht. Ik zag dat het slachtoffer richting de rechterkant van het café werd getrokken. Ik zag dat de andere verdachte hem nog bij zijn nek vast had, waardoor het slachtoffer omhoog werd gehouden. Ik zag dat verdachte 5 nog vijfmaal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer terwijl hij werd weggetrokken. Ik zag dat deze klappen raak waren doordat het slachtoffer en de andere verdachte op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat verdachte 5 weer terugliep richting het midden van het café. Ik zag dat verdachte 5 keek richting verdachte 1 die aan de linkerzijde van het café stond. Ik zag dat, nadat verdachte 1 een kopstoot beweging in de lucht maakte, verdachte 5 zich omdraaide richting de rechterzijde van het café. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een\n\nsnelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar achteren bewoog. Ik zag dat hierna direct het gevecht met het slachtoffer weer begon.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 bij de rest van de verdachten buiten voor het café ging staan. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 56 terug in beeld kwam lopen in de richting van [café 1] . Ik zag dat verdachte 5 richting het slachtoffer liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in dit registratienummer genoemde strafbare feit.\n\nIn dit onderzoek waren er nog verdachten en waarvan de identiteit ons nog niet\n\nbekend was. Dit betrof verdachte 5.\n\nOp 27 maart 2023 zijn verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 6 aangehouden en\n\nverhoord. In deze verhoren zijn de verdachten geconfronteerd met foto’s van de camerabeelden waar de overige verdachten op te zien zijn. Op deze foto's zijn de verdachten geïdentificeerd als:\n\nVerdachte 5: [verdachte]\n\nHierop heb ik op deze gegevens gezocht in de politieprocessensystemen. Hierbij heb ik\n\nde politiefoto's bekeken. Verdachte 5 is mij bekend geworden als [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Nederland). Ik herken [verdachte] op zijn politiefoto, gemaakt op 15-09-2014, als zijnde verdachte 5 op de camerabeelden aan de volgende uiterlijke kenmerken:\n\n- blanke huidskleur,\n\n- kort bruin haar,\n\n- haarlijn,\n\n- wenkbrauwen,\n\n- vorm van kaak en gezicht.\n\n6. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 23 december 2023 het slachtoffer binnen in het [café 1] een klap in zijn gezicht en een klap op zijn borst heb gegeven. Het klopt dat ik het slachtoffer buiten een halfhoge schop heb gegeven.\n\n7. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Wat is er gebeurd op 23 december 2023?\n\nA: Wij zijn naar de Witte de Withstraat gelopen. Het was denk ik een uur of 1. Toen zijn wij daarnaast bij een café naar binnen gegaan.\n\nV: Wie is de persoon in de groene cirkel?\n\nA: Dat ben ik.\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 4, dat is de verdachte 5.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb hem proberen ene klap te geven maar ik weet niet of die raak was. Ik heb 1\n\nklap proberen te geven.\n\nv : En over het hele incident. Je zegt dat je buiten ook al hebt geschopt. Wat heb jij\n\nin totaal gedaan?\n\nA: Binnen proberen een klap te geven en buiten kwam hij als een duveltje uit een\n\ndoosje aanlopen. Maar of ik heb binnen heb geraakt weet ik niet. En buiten heb ik hem\n\neen schop met mijn linker been gegeven. Dat was toen hij weer in de richting van de\n\nkroeg kwam lopen.\n\nV: Op de beelden is te zien dat jij met je rechtervuist een stoot geeft tegen het\n\nhoofd van het slachtoffer. Wat kan je daarover vertellen?\n\nA: Na die kopstoot?\n\nO: Ja\n\nA: Dat zou kunnen.\n\nV: Je maakt wel meerdere slaande bewegingen\n\nA: Dat zou kunnen. Als je op dat moment iemand probeert te helpen of voor iemand op moet komen dan zou dat kunnen.\n\nV: Waar raakte jij het slachtoffer?\n\nA: Aan de zijkant van zijn linker hoofd.\n\nV: Dan is het even rustig . Het slachtoffer staat stil en dan maakt [medeverdachte] een kopstoot\n\nbeweging in de lucht. Jij draait je daarop om, je duwt een medeverdachte aan de kant,\n\nen slaat het slachtoffer weer tegen de borst. Waarom blijf jij herhaaldelijk het\n\nslachtoffer slaan en schoppen?\n\nA: Goeie vraag. Dat voelt oneerlijk om iemand een kopstoot te geven.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 5. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij alle drie de incidenten. Hij heeft het slachtoffer geslagen in zijn gezicht en op zijn borst en geschopt. De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het derde incident buiten, nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Volgens de verdediging kan het handelen van de verdachte buiten hoogstens als eenvoudige mishandeling worden aangemerkt.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door tijdens alle drie de incidenten bewust de confrontatie op te zoeken en het slachtoffer te schoppen en meermaals met kracht te slaan. De verdachte kan als grootste agressor van de groep worden aangemerkt. Hij is degene die het tweede geweldsincident start, door op het slachtoffer af te lopen en hem als eerste te slaan. Als iedereen eenmaal buiten is, is hij weer degene die het slachtoffer als eerste benadert en hem schopt, terwijl het slachtoffer wegloopt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van openlijke geweldpleging zonder zwaar lichamelijk letsel en aan de verdachte een taakstraf van 150 uur op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte kan als grootse agressor van de groep worden aangemerkt. Hij heeft twee keer bewust de confrontatie opgezocht en het slachtoffer getrapt en meermaals (hard) geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 22 december 2023 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De reclassering ziet het middelengebruik van de verdachte ten tijde van onderhavige verdenking, zijn toenmalige dagbesteding\u002Fcollega’s en het psychosociaal functioneren als mogelijk delictgerelateerde factoren. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Vanuit de reclassering zijn er daarom te weinig aanknopingspunten voor interventies of toezicht. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft eerder excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar eigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. De verdachte heeft een partner en een dochter. De verdachte heeft per 1 september 2026 een nieuwe baan als salesmanager. Deze strafzaak heeft veel impact gehad op zijn werkleven.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit en de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als beschreven onder 4.3.1 zou een gevangenisstraf van enige maanden passend en geboden zijn geweest. Gelet op de schending van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank echter een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, de taakstraf beperken tot 150 uur. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de beschreven rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade moet worden gematigd tot bijvoorbeeld een bedrag van € 12.500,-. De nader te onderbouwen schade moet primair worden afgewezen en subsidiair niet-ontvankelijk worden verklaard.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de vliegtickets moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 229 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 154 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\nVerklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.\n\n Pagina 159 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7875","2026-07-13T00:29:26.294Z",20]