[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-asylum-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1058","ECLI:NL:RBDHA:2026:17042","ecli-nl-rbdha-2026-17042","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.2885\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] , [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S. Hendriks).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister ambtshalve besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en dat geen uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend. Verder heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.\n\n1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Dogruyol als tolk (tolkennummer 1102) en de gemachtigde van de minister. Aansluitend op de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.Beoordeling door de rechtbank\n\nWat oordeelt de rechtbank?\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n2.1. De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. In dit besluit heeft de minister namelijk onvoldoende betekenis toegekend aan het feit dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel en zich daarmee ook onvoldoende rekenschap gegeven van de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister door te volstaan met het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel, gegeven de veiligheidssituatie en positie van Gülenisten, te weinig duiding en invulling heeft gegeven aan het begrip ‘risicoprofiel’ in het door hem gevoerde gebonden landenbeleid inzake Turkije. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiseres, geboren op [geboortedag] 2001 en van Turkse nationaliteit, heeft op 20 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend en legt hieraan het volgende ten grondslag.\n\n3.1. Eiseres is opgegroeid in een gezin dat actief was binnen de (in Turkije verboden) Gülenbeweging en heeft op onderwijsinstellingen gezeten die zijn gelinkt aan deze beweging. Daarnaast heeft eiseres deelgenomen aan activiteiten die door de Gülenbeweging werden georganiseerd. In 2018 is de zus van eiseres, [naam] , door de Turkse autoriteiten ten onrechte in staat van beschuldiging gesteld en in verzekering gesteld omdat ze de door de autoriteiten verboden app Bylock op haar telefoon zou hebben gebruikt. Ondanks dat [naam] de telefoon niet zelf had gebruikt is zij in tweede instantie op 27 maart 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en drie maanden. Omdat [naam] had verklaard dat zij haar telefoon aan haar zus had gegeven, is ook eiseres opgeroepen door de rechtbank. Eiseres is daarop bij de rechtbank als getuige gehoord, waarna bleek dat de persoonsgegevens van eiseres waren verwisseld met die van haar andere zus [naam] . Tegen [naam] is vervolgens op 13 februari 2019 een bevel tot aanhouding uitgevaardigd op basis van de registratie van gesprekken op Bylock. Ook had een huisgenoot van [naam] een belastende verklaring tegen haar afgelegd. In 2020 heeft [naam] in Nederland asiel aangevraagd en gekregen. Eiseres heeft Turkije in april 2023 verlaten en is met behulp van een visum naar Nederland gereisd. Omdat in maart 2023 de straf van haar zus [naam] was bevestigd en de nieuwsberichten uit Turkije over willekeurige arrestaties van Gülenisten steeds negatiever werden, heeft eiseres in Nederland na het verstrijken van haar visum een asielaanvraag ingediend.\n\n3.2. \n\nEiseres heeft verklaard dat zij bang is dat ze bij terugkeer naar Turkije – net als haar zussen – wordt gearresteerd vanwege haar bij de autoriteiten bekende banden met de Gülenbeweging. Volgens eiseres blijkt ook dat ze vanwege die banden gevaar loopt omdat de Turkse autoriteiten nog steeds Gülenisten arresteren zonder enige grond. Eiseres wijst erop dat de Turkse inlichtingendienst gegevens van Bylock heeft gemanipuleerd en dat het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft vastgesteld dat Turkije daarmee de mensenrechten heeft geschonden. Desondanks gaan de autoriteiten volgens eiseres gewoon door met het onrechtmatig vastzetten van mensen. Verder heeft eiseres verklaard dat haar oom in voorarrest heeft gezeten. De autoriteiten hebben toen gedreigd dat ook zijn gezin zou worden opgepakt. Daarnaast is ook een vriendin van eiseres van de universiteit, [naam] , in Turkije gearresteerd in verband met activiteiten voor de Gülenbeweging. Eiseres was toen al in Nederland. Deze vriendin kwam in Turkije ook bij eiseres thuis en is daarna gearresteerd, mogelijk omdat de autoriteiten denken dat sprake is van hergroepering van de Gülenbeweging.\n\nDe besluitvorming\n\n4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nbetrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\n4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Daarnaast acht de minister ook de betrokkenheid van eiseres bij de Gülenbeweging geloofwaardig, evenals dat de zussen van eiseres in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiseres is volgens de minister evenwel niet erin geslaagd om haar eigen vrees bij terugkeer aannemelijk te maken op basis van individuele omstandigheden. Eiseres komt daarom volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.\n\n4.2. Omdat eiseres niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was en niet is gebleken van een verschoonbare reden voor het niet onverwijld melden, heeft de minister de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet standpunt van eiseres\n\n5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartegen beroep ingesteld en beroepsgronden geformuleerd. Op deze beroepsgronden wordt hierna ingegaan. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe omvang van het geding\n\n6. Eiseres heeft in haar beroepsgronden van 30 januari 2025 aangevoerd dat de beleidswijzigingen van 1 december 2023 (WBV 2023\u002F24) en 1 juli 2024 (WBV 2024\u002F12) ten onrechte op haar zaak zijn toegepast omdat de wettelijke beslistermijn in haar zaak was verstreken op het moment dat het beleid werd gewijzigd. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond laten vallen, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.\n\n6.1.. Dit betekent dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat op de zaak van eiseres het beleid moet worden toegepast zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het bestreden besluit dateert van 16 januari 2025 en op dat moment was ten aanzien van Turkije het landgebonden asielbeleid van toepassing zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\nHet beleid met ingang van 1 juli 2024\n\n7. De minister heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel onder paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat door middel van WBV 2024\u002F12 de Vc 2000 is aangepast en het nieuwe risicoprofielenbeleid in werking getreden. Het gevolg hiervan is dat de minister niet langer beoordeelt of sprake is van geringe of beperkte indicaties die de vrees bij terugkeer aannemelijk zouden maken. Volgens het nieuwe beleid wordt beoordeeld of er feiten en omstandigheden bestaan die op eiseres persoonlijk zien, waardoor een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade kan worden aangenomen. Dit betekent dat ondanks dat eiseres als (toegedicht) Gülenaanhanger valt onder een risicoprofiel het volgens de minister aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij persoonlijk ook daadwerkelijk een risico loopt bij terugkeer. Volgens de minister is eiseres daarin niet geslaagd. In dat kader werpt de minister aan eiseres tegen dat zij zelf geen persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege het zijn van Gülenist en ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan. In zoverre heeft eiseres haar vrees volgens de minister onvoldoende geïndividualiseerd.\n\n7.1.. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat deze aanwijzing als risicoprofiel een lege huls is en niet meer is dan een uitroepteken voor de beslisambtenaar, aangezien de bewijslast voor eiseres als Gülenaanhanger niet anders is dan voor elke andere asielzoeker uit Turkije. Voor beide categorieën geldt immers het individualiseringsvereiste, dat wil zeggen dat de asielzoeker zijn gestelde vrees aannemelijk moet maken op basis van individuele omstandigheden. Aangenomen moet echter worden dat de minister ten aanzien van Gülenisten eerder tot vluchtelingschap dient te concluderen, gelet op dat wat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 25 maart 2026.Eiseres wijst erop dat in die uitspraak is overwogen dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rekening moet houden met de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije, zoals beschreven in de ambtsberichten.De minister moet deze betrekken bij zijn oordeel of dat wat een Gülenist naar voren heeft gebracht, voldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. Eiseres betoogt dat op geen enkele manier uit het bestreden besluit blijkt dat de minister rekening heeft gehouden met deze zorgelijke mensenrechtensituatie. Dit klemt volgens eiseres te meer omdat haar twee zussen, zoals door de minister ook niet is bestreden, allebei worden vervolgd door de Turkse autoriteiten voor lidmaatschap van de FETÖ en ook haar vriendin is opgepakt vanwege lidmaatschap van de FETÖ. Deze associaties leveren volgens eiseres indicaties op op grond waarvan dient te worden aangenomen dat ook zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees voor vervolging heeft.\n\n7.2.. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat noch uit het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc 2000 (gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000), noch uit het bestreden besluit blijkt welke betekenis toekomt aan het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling van asielaanvragen van (toegedichte) Gülenaanhangers, zoals eiseres.\n\n7.3.. Zo vermeldt het landgebonden asielbeleid voor Turkije uitsluitend dat de minister voor Turkije (toegedichte) Gülenaanhangers aanwijst als risicoprofiel, zonder daarbij toe te lichten welke betekenis toekomt aan deze aanwijzing. Ook het algemene risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000 maakt dit onvoldoende duidelijk. Weliswaar heeft de minister in de eerste twee alinea’s van dit risicoprofielenbeleid vermeld wanneer hij een groep als risicoprofiel kan aanwijzen en welke elementen daarbij worden betrokken, maar tegelijkertijd leidt de rechtbank uit het beleid af dat de beoordeling van het risico bij terugkeer van iemand die behoort tot een risicoprofiel zich niet onderscheidt van de beoordeling van het risico bij terugkeer van iemand die niet behoort tot een risicoprofiel. In beide gevallen geldt immers het individualiseringsvereiste, geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling en beoordeelt de minister op basis van individuele factoren of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met het behoren tot een risicoprofiel heeft de vreemdeling dus geen andere uitgangspositie dan een vreemdeling uit hetzelfde land die niet tot dat risicoprofiel behoort.\n\n7.4.. Uit de laatste twee alinea’s van het algemene risicoprofielenbeleid in paragraaf C2\u002F2.4 blijkt evenmin welke betekenis toekomt aan de aanwijzing van een groep als risicoprofiel en wat het bij de beoordeling van het risico bij terugkeer voor verschil maakt of iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel. Weliswaar vermeldt de laatste alinea van het beleid dat, als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, de IND de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt afgezet tegen de positie van de groep en algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook dit vormt geen duidelijk onderscheidende beoordeling ten opzichte van de beoordeling van iemand die niet binnen een risicoprofiel valt. In beide gevallen geldt immers dat aan de hand van de individuele omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen wordt beoordeeld of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen. Het is en blijft daarmee onduidelijk waarin het verschil in de beoordeling zit wanneer iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangewezen als risicoprofiel, terwijl de (voorganger van de) minister impliceert dat dat verschil er wel is. In de brief van de (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024, over onder meer het herzien van het groepenbeleid, licht deze namelijk toe dat de kwalificatie als risicoprofiel evenwel moet worden gezien als een “uitroepteken” waarmee wordt aangegeven dat een bepaald profiel in algemene zin een bepaalde mate van risico kan lopen in een bepaald land van herkomst. Verder vermeldt de brief van 5 maart 2024 dat de positie van een groep waartoe een vreemdeling behoort en het risico dat leden van deze groep lopen in het land van herkomst dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het risico bij terugkeer. Hoe kwetsbaarder de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort, des te eerder heeft de vreemdeling, gelet op zijn individuele feiten en omstandigheden bij terugkeer naar het land van herkomst, een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. De algemene en individuele omstandigheden werken als communicerende vaten.\n\n7.5.. Het beeld dat de minister daarmee richting de buitenwereld schetst met het begrip “risicoprofiel” en de verwachtingen die hij daarmee wekt als het gaat om zijn beoordeling van asielaanvragen, verdraagt zich niet met de constatering dat het voor de beoordeling van het risico bij terugkeer in feite geen verschil maakt of iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Het is evenwel aan de minister om aan de betekenis en gevolgen hiervan voor de uitvoeringspraktijk verdere duiding en\u002Fof invulling te geven in het (landgebonden) asielbeleid, omdat anders sprake is van zinledig beleid dat bovendien kan leiden tot onduidelijkheid in de uitvoeringspraktijk, waarmee ook de rechtszekerheid in het geding komt. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2022, waarin de Afdeling tot een vergelijkbaar oordeel kwam ten aanzien van het begrip ‘verhoogde aandacht’.\n\n7.6.. Door in het landgebonden asielbeleid te volstaan met het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel geeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duiding aan de veiligheidssituatie en positie van Gülenisten in Turkije, alleen al omdat de minister daarmee niet duidelijk maakt van welke mate van kwetsbaarheid hij bij de positie van Gülenaanhangers in Turkije uitgaat. Dit terwijl de (voorganger van de) minister in voornoemde brief van 5 maart 2024 zelf benoemt dat (1) met de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort en het risico dat leden van deze groep lopen rekening moet worden gehouden en dat (2) de mate van kwetsbaarheid van invloed is op het bereiken van de lat om vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk te achten. In zoverre mist in het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc 2000 gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000 voldoende duiding van de veiligheidssituatie én de positie van (toegedichte) Gülenisten in Turkije.\n\n7.7.. Bij wat is overwogen in rechtsoverweging 7.6 acht de rechtbank tevens van belang dat de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije – ook blijkens het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 – nog steeds wordt gekenmerkt door een willekeurige aard van vervolging van (toegedichte) Gülenisten en een situatie waarbij mensen relatief makkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Hoewel de Afdeling in eerdergenoemde uitspraak van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet ongericht is en dat niet elke Gülenist in gelijke mate het risico loopt op strafrechtelijke vervolging, lopen bepaalde categorieën personen wel een groter risico om strafrechtelijk te worden vervolgd. Het gaat dan met name om Gülenisten binnen het justitiële en veiligheidsapparaat, maar blijkens het ambtsbericht van 2025was er in de verslagperiode ook een restcategorie van personen die werden verdacht, zoals burgers die gedetineerde Gülenisten en\u002Fof hun familieleden ondersteunden en hierom door de Turkse autoriteiten werden verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Omdat eiseres in het nader gehoor heeft verklaard dat haar zussen [naam] en [naam] – waarvan vaststaat dat zij strafrechtelijk zijn vervolgd wegens betrokkenheid met de Gülenbeweging – geld naar haar hebben overgemaakt en eiseres zelf haar zus [naam] financieel heeft ondersteund toen [naam] in de gevangenis zat, kan niet zonder meer worden gezegd dat eiseres niet behoort tot de hiervoor bedoelde (rest)categorie die in de verslagperiode een groter risico liep om strafrechtelijk te worden vervolgd. Dit geldt temeer nu eiseres heeft verklaard dat een vriendin van de universiteit – die eveneens heeft deelgenomen aan activiteiten voor de Gülenbeweging en die bij eiseres thuis kwam – later ook nog is gearresteerd in Turkije op verdenking van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.\n\nWat betekent dit voor de zaak van eiseres?\n\n8. Gelet hierop en op wat eiseres naar voren heeft gebracht over haar achtergrond en banden met de Gülenbeweging en de door haar familieleden ondervonden problemen vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging, waaronder strafvervolging, heeft de minister zijn standpunt over de aannemelijkheid van haar vrees voor vervolging bij terugkeer onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het standpunt van de minister komt er immers in de kern op neer dat hij aan eiseres tegenwerpt dat zij haar persoonlijke vrees niet aannemelijk heeft gemaakt op basis van individuele omstandigheden omdat zij tot op heden zélf niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gestaan en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. De door de minister verrichtte beoordeling wijkt niet inzichtelijk en\u002Fof wezenlijk af van de beoordeling van verzoeken van asielzoekers die niet behoren tot het risicoprofiel van Gülenisten. Bovendien laat deze beoordeling niet zien dat en op welke wijze daarbij betekenis is toegekend aan de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije.\n\n8.1.. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister in het bestreden besluit, door zich te baseren op het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc 2000 gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc 2000, onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel en zich daarmee ook onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n9. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschillenbeslechting. Dat betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Wat overigens is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.\n\n9.1.. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1)\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1607.\n\n Rechtsoverweging 7.10.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 3211, p. 5.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:985, rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.3.\n\n Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17042","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:01.974Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1707","ECLI:NL:RBDHA:2026:13959","ecli-nl-rbdha-2026-13959","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL23.21211\n einduitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, daaronder tevens verstaan diens ambtsvoorgangers, de minister\n\n(gemachtigden: mr. H. Toonders en mr. L.S. Hartog).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 30 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft de minister ambtshalve niet aan eiser een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verstrekt. Evenmin heeft de minister aan eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A.O. Bah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. Toonders.\n\nDe rechtbank heeft op 11 december 2024 tussenuitspraak gedaan. Bij die tussenuitspraak is het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen dat ziet op de weigering om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te verstrekken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 19 december 2024 bericht gebruik te maken van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om het gebrek te herstellen. Daarbij heeft de minister aangekondigd dat eiser aanvullend zal worden gehoord.\n\nEiser is op 4 februari 2025 aanvullend gehoord.\n\nDe minister heeft op 25 maart 2025 een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van de ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft hierop gereageerd op 21 december 2025.\n\nDe minister heeft op 6 maart 2026 een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van 10 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. L.S. Hartog.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe tussenuitspraak\n\n1. In de tussenuitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Echter, met betrekking tot het standpunt van de minister dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.\n\n1.1.. De minister heeft zijn weigering om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM te verstrekken onder meer gebaseerd op het feit dat eiser niet nader heeft geconcretiseerd en gemotiveerd in welke mate hij in Nederland is geworteld en geïntegreerd. Volgens de minister valt dat evenmin af te leiden uit eisers verklaringen en de overige voorhanden zijnde informatie.\n\n1.2.. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel bij de beoordeling van verblijfsaanspraken als deze het in beginsel aan de vreemdeling is om feiten te stellen en te onderbouwen op grond waarvan hij aanspraak meent te kunnen maken op regulier verblijf, dit in zaken zoals deze iets genuanceerder ligt. Vaststaat immers dat de uiteindelijke besluitvorming van de minister forse vertraging heeft opgelopen wegens gebreken in eerdere besluitvorming. Onder die omstandigheden past het niet om eiser tegen te werpen dat hij zijn verblijfsaanspraken onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd, wanneer de minister eiser hierover niet opnieuw heeft gehoord of anderszins uitdrukkelijk heeft uitgenodigd hierover actuele informatie te verstrekken. Daarbij is in dit geval van belang dat de minister zijn beoordeling ten aanzien van artikel 8 van het EVRM in het voornemen van 17 april 2023 en het bestreden besluit heeft gebaseerd op een drietal aanmeldgehoren uit 2019, een eerste gehoor uit 2020 en het rapport van nader gehoor van 3 augustus 2020. Deze gehoren waren ten tijde van de bestreden besluitvorming (ruim) drie jaar oud en gaven daarmee geen actueel beeld van (onder meer) eisers privéleven.\n\n1.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister door niet actief het effect van dit tijdsverloop te onderzoeken, het bestreden besluit voor wat betreft de ambtshalve beoordeling van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Op dit punt vertoont het bestreden besluit daarom een gebrek.\n\nGewijzigde omstandigheden ná de tussenuitspraak\n\n2. Deze einduitspraak bouwt in beginsel voort op de tussenuitspraak zoals hiervoor weergegeven. Dat betekent dat de rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank immers niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011en 15 augustus 2012.\n\n2.1.. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. De rechtbank ziet aanleiding om terug te komen van haar oordeel in de tussenuitspraak dat de minister zich in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Reden daarvoor is dat het oordeel van de rechtbank op dit punt nadien onmiskenbaar onjuist is gebleken. In het verweerschrift van 6 maart 2026 heeft de minister immers aangegeven dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat bij terugkeer naar Guinee adequate opvang voor hem beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur, terwijl de rechtbank dit standpunt in de tussenuitspraak heeft gevolgd en het eerdergenoemde oordeel van de rechtbank hierop is gebaseerd. Ter toelichting op dit gewijzigde standpunt heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025waarop ook eiser in zijn reactie van 21 december 2025 heeft gewezen. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor die vreemdeling adequate opvang aanwezig is bij het opvanghuis Maison du Bonheur onder meer omdat uit het Thematisch ambtsbericht Guinee van 1 mei 2020 niet blijkt dat het opvanghuis ook kinderen boven de vijftien jaar opvangt. Daarnaast heeft de rechtbank in die zaak volgens de Afdeling terecht overwogen dat de minister zich niet in lijn met het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021(het arrest TQ) ervan heeft overtuigd dat er bij het opvanghuis plek is voor die vreemdeling. De minister had volgens de Afdeling moeten onderzoeken in hoeverre Maison du Bonheur in het individuele geval van die vreemdeling adequate opvang biedt. Dat heeft de minister niet gedaan. De minister betoogt in hoger beroep slechts dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in soortgelijke zaken contact heeft gehad met de oprichtster van Maison du Bonheur en zij verwijst naar de openbare website van het weeshuis. Dat acht de Afdeling onvoldoende. De minister heeft in onderhavige zaak in het verweerschrift van 6 maart 2026 toegelicht dat hij naar aanleiding van deze uitspraak opvanghuis Maison du Bonheur niet langer tegenwerpt aan personen ouder dan vijftien jaar, tenzij de DT&V in individuele gevallen concludeert dat er opvang beschikbaar is in deze voorziening. Ook in eisers geval werpt de minister dit opvanghuis niet langer tegen.\n\n2.2.. Bij het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval in vorenbedoelde zin betrekt de rechtbank dat de rechtszekerheid zich niet verzet tegen het terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over adequate opvang in opvanghuis Maison du Bonheur. De minister erkent dat dit standpunt bij nader inzien niet deugt, waarna eiser op de zitting van 6 maart 2026 heeft betoogd dat er niet alleen aanleiding bestaat terug te komen van dit oordeel in de tussenuitspraak, maar dat de rechtbank hiertoe zelfs verplicht is. Tussen partijen is dus niet in geschil dat het eerdere oordeel van de rechtbank onmiskenbaar onjuist is. Het terugkomen op dit oordeel komt voor partijen dus niet onverwacht.\n\n2.3.. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in deze einduitspraak niet zal voortbouwen op de tussenuitspraak waar dit het oordeel over de beschikbaarheid van adequate opvang in Guinee betreft. De rechtbank zal in deze einduitspraak de actuele standpunten van partijen hierover beoordelen. Voor het overige blijft de rechtbank bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. De einduitspraak bouwt in zoverre voort op de tussenuitspraak.\n\nReguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid\n\nHet standpunt van de minister\n\n3. De minister heeft zich in het verweerschrift van 6 maart 2026 op het standpunt gesteld dat weliswaar niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat er in Guinee voor hem adequate opvang beschikbaar was in opvanghuis Maison du Bonheur, maar dat dit niet betekent dat eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid. Daartoe betoogt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt welke inspanningen hij heeft verricht om contact te krijgen met zijn familie in Guinee. Aldaar zou eiser nog zijn moeder, twee broertjes en een zusje hebben. Ook een tracingsverzoek via het Rode Kruis heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar zegt eiser dat hij contact heeft opgenomen met het Rode Kruis, maar hij onderbouwt dit niet. Daarom kon volgens de minister gedurende de besluitvorming nog geen adequate opvang worden vastgesteld. De minister wijst erop dat de asielgehoren ook tellen als onderzoek. Er zijn daar namelijk ook vragen gesteld over bijvoorbeeld familie, documenten, herkomst en het contact met het Rode Kruis. Ook is in het nader gehoor van 3 augustus 2020 nog aandacht besteed aan de leeftijdsregistratie van [geboortedatum] 1997 in Spanje, wat relevant is voor de vaststelling van de identiteit. De minister stelt dat hij door eiser te horen en doordat eiser zijn gestelde inspanningen niet heeft onderbouwd voortvarend heeft gehandeld, al kon er ten tijde van de besluitvorming (nog) geen adequate opvang worden vastgesteld. Om die reden komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een reguliere vergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2021. In deze uitspraak heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat eiser een geslaagd beroep deed op het arrest TQ. Zij overwoog daartoe dat niet in geschil is dat eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en dat eiser ten tijde van de asielaanvraag van 27 augustus 2019 minderjarig was (bijna zeventien jaar oud). Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de minister alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen heeft onderzocht of er voor eiser in Guinee adequate opvang is. Eiser heeft weliswaar verklaard dat zijn moeder, twee van zijn broers en een zus nog in Guinee verblijven, maar hij heeft daaraan ook toegevoegd dat hij niet weet of ze nog in de wijk Dar el Salam in Conakry verblijven omdat hij al lang geen contact meer met hen heeft gehad. De minister had deze verklaringen niet kenbaar betrokken in zijn besluit van 2 december 2020. De rechtbank oordeelde dat de minister zich hoe dan ook niet ervan heeft overtuigd dat er voor eiser als niet-begeleide minderjarige adequate opvang is, terwijl het op grond van het arrest TQ wel op zijn weg ligt om dat concreet te onderzoeken. Deze uitspraak staat in rechte vast en dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel vormt in zoverre het uitgangspunt van de beoordeling van het in deze procedure bestreden besluit en de nadere motivering van de minister.\n\n4.1.. De rechtbank stelt verder vast dat de minister ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 24 december 2021 in het bestreden besluit heeft gewezen op opvanghuis Maison du Bonheur dat volgens de minister aanvankelijk als algemene opvangvoorziening kon dienen in het kader van adequate opvang. Dat standpunt heeft de minister zoals hiervoor overwogen inmiddels verlaten. Om die reden ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de minister inmiddels op andere wijze alsnog onderzoek heeft gedaan naar voor eiser in Guinee beschikbare adequate opvang ten tijde van zijn minderjarigheid. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. De minister heeft immers geen ander, aanvullend onderzoek verricht naar de beschikbaarheid van adequate opvang dan te wijzen op opvanghuis Maison du Bonheur en daarnaast andermaal te betogen dat hij wél onderzoek heeft verricht naar adequate opvang bij familie, te weten tijdens de asielgehoren in 2020. Voor dat laatste standpunt is in deze procedure geen plaats omdat al in rechte vaststaat dat de minister zich destijds hoe dan ook niet ervan heeft overtuigd dat er voor eiser als niet-begeleide minderjarige adequate opvang is terwijl het wel op zijn weg lag om dat concreet te onderzoeken.\n\n4.2.. Het voorgaande betekent dat de minister onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 24 december 2021 en dat de rechtbank ook niet toekomt aan een beoordeling van het betoog van de minister dat hij wel voldoende onderzoek heeft verricht in het licht van het gestelde gebrek aan medewerking aan de zijde van eiser.\n\n4.3.. Het beroep is al om die reden gegrond en het bestreden besluit moet in zoverre dan ook worden vernietigd. Nu de minister al met de uitspraak van 24 december 2021 expliciet de mogelijkheid is geboden opnieuw te onderzoeken of er destijds adequate opvang voor eiser aanwezig was in Guinee en de minister evenwel hiervan onvoldoende gebruik heeft gemaakt, acht de rechtbank het niet opportuun de minister deze kans opnieuw te geven. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers aanvraag dateert uit 2019 en dat daarop tot op heden nog altijd niet onherroepelijk is beslist. De consequentie daarvan is dat de rechtbank concludeert dat in Guinee voor eiser tot zijn achttiende verjaardag geen adequate opvang beschikbaar was. Dat betekent dat de minister zal worden opgedragen aan eiser een vergunning te verlenen op grond van het AMV-buitenschuldbeleid tot zijn achttiende verjaardag.\n\nReguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM\n\n5. Het oordeel van de rechtbank over het recht op een AMV-buitenschuldvergunning heeft ook gevolgen voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Nu deze gevolgen pas kenbaar zijn als gevolg van deze uitspraak, heeft de minister logischerwijs deze gevolgen niet betrokken bij de aanvullende motivering. In het kader van de finale geschilbeslechting heeft de rechtbank tijdens de zitting de minister in de gelegenheid gesteld hierover een standpunt in te nemen. De minister heeft ter zitting erkend dat het recht op een AMV-buitenschuldverlening gevolgen heeft voor de beoordeling van de aanspraak op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft de minister toegelicht dat hij nog geen standpunt kan innemen over de omvang en invulling van deze gevolgen. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet beoordelen of de minister het in de tussenuitspraak geconstateerd gebrek heeft hersteld. De rechtbank kan daarom ook niet beoordelen of de rechtsgevolgen van dit deel van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, dan wel dat de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. Dit leidt tot de conclusie dat dit onderdeel van het bestreden besluit nog steeds in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en in zoverre moet worden vernietigd. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de minister ook opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.\n\n5.1.. Daarom zal de rechtbank de minister (ook) opdragen, gelet op het feit dat eiser inmiddels meerderjarig is, om binnen twee weken, dan wel binnen zes weken indien de minister het aanvullend horen van eiser aangewezen acht, opnieuw te beslissen over de aanspraak van eiser op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij zal de minister moeten betrekken wat het betekent dat eiser tot zijn achttiende in aanmerking kwam voor een AMV-buitenschuldvergunning, met name bij de vraag of eiser vanaf zijn achttiende in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van bijvoorbeeld artikel 7 van het Handvest dan wel artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een reguliere verblijfsvergunning is geweigerd op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal de minister opdragen aan eiser een AMV-buitenschuldvergunning te verstrekken tot zijn achttiende verjaardag. Daarnaast zal de rechtbank de minister opdragen binnen twee weken, dan wel zes weken, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op de aanspraak van eiser op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3.269,00 waarbij voor de proceshandelingen van de gemachtigde van eiser 1 punt wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor de nadere zitting na tussenuitspraak, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 30 juni 2023 voor zover daarbij niet ambtshalve aan eiser een reguliere verblijfsvergunning is verstrekt op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en artikel 8 van het EVRM;\n\ndraagt de minister op om binnen twee weken, dan wel zes weken indien eiser opnieuw wordt gehoord, een besluit te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen:\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, voorzitter, en mr. F.M.E. Schulmer en mr. R. Barzilay, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RVS:2011:BR5704.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3033.\n\n C-441\u002F19, ECLI:EU:C:2021:9.\n\n NL20.21808.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13959","2026-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.568Z",1,20]