[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":185},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},18,{"min":18,"max":19},"2022-02-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122501","Wetboek van Strafrecht","art. 337",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122655","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 69 lid 1",[31,42,49,58,66,73,82,91,100,109,116,125,133,142,151,160,169,177],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":41},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793","","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.269Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":39,"fullText":46,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":40,"updatedAt":48},"885","ECLI:NL:RBOBR:2026:4828","ecli-nl-rbobr-2026-4828","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.214632.25\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1989] ,\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nhij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2022 tot en met 11 september 2024 te Heesch, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft\n\nen\u002Fof\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft\n\nte weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand, en\u002Fof het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 157 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 163 t\u002Fm 168 eind-pv\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 170 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 171 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 172 t\u002Fm 174 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 175 eind-pv\n\n- Afbeelding #12 toonmap, p. 176 eind-pv\n\n- Afbeelding #14 toonmap, p. 177 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel en\u002Fof de eigen borsten met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 158 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\nin een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n-die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding\n\n ontdoet\n\n en\u002Fof\n\n-door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 158\u002F159 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 160 t\u002Fm 162 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 169 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 172 eind-pv\n\n- Afbeelding #13 toonmap, p. 177 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 159 eind-pv\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\nt.a.v. feit 2:\n\nhij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten 540 foto’s en\u002Fof video’s en\u002Fof gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof heeft vervaardigd en\u002Fof heeft verspreid, terwijl op die afbeelding(en) (een) ontuchtige handeling(en) zichtbaar is\u002Fzijn, waarbij (telkens) een mens en een dier is\u002Fzijn betrokken of schijnbaar is\u002Fzijn betrokken, welke voornoemde ontuchtige handeling(en) (zakelijk weergegeven) bestond(en) uit:\n\nhet door een dier (met de penis) oraal en\u002Fof vaginaal penetreren van het lichaam van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 185 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 186 t\u002Fm 188 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 189 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 190 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\nhet door een (volwassen) persoon likken en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een dier\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 178 en 179 eind-pv\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 180 eind-pv\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 182 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 183 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 185 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\nhet door een dier likken van het geslachtsdeel van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 181 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 184 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 190 eind-pv;\n\nt.a.v. feit 3:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 te Heesch, althans in Nederland, een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft verspreid, openlijk tentoon heeft gesteld, heeft vervaardigd, heeft ingevoerd, heeft doorgevoerd, heeft uitgevoerd, en\u002Fof in bezit heeft gehad, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\neen mens oraal en\u002Fof vaginaal wordt gepenetreerd met een penis door een dier\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 185 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 186 t\u002Fm 188 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 189 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 190 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\neen mens het geslachtsdeel van het dier likt en\u002Fof aanraakt\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 178 en 179 eind-pv\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 180 eind-pv\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 182 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 183 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 185 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\neen dier het geslachtsdeel van het mens likt\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 181 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 184 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 190 eind-pv;\n\nt.a.v. feit 4:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch, althans in Nederland, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een of meerdere honden, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:\n\n-het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n-het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n-het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte;\n\nt.a.v. feit 5:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 september 2024 te Heesch, althans in Nederland,\n\n-een of meer seksuele handelingen heeft verricht met een dier en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten verrichten met verdachte en\u002Fof met\n\n een derde en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten ondergaan, die zijn verricht door een\n\n derde,\n\nte weten:\n\n- het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n- het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n- het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vijf feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewijstechnische waardering van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nVerdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting volmondig toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan – kort gezegd - de diverse tenlastegelegde gedragingen die zien op kinderporno, dierenporno en seks met dieren.\n\nGezien het bewijstechnische standpunt van de raadsman van verdachte (referte) en de bekennende verklaring van verdachte over zijn daderschap, komt de rechtbank zonder verdere bespreking van de inhoud van de overige redengevende bewijsmiddelen tot bewezenverklaringen van alle (vijf) feiten zoals hierna uitgeschreven.\n\nDe door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in\n\neen aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld\n\n(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).\n\nDe bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nDe rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 11 september 2024 te Heesch, meermalen,\n\n-in de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 afbeeldingen en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vervaardigd en verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad\n\nen\n\n-in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken heeft verspreid en aangeboden en\n\nvervaardigd en verworven en in bezit heeft gehad\n\nte weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand, en\u002Fof het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n- Afbeelding #00 toonmap,\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #07 toonmap,\n\n- Afbeelding #08 toonmap,\n\n- Afbeelding #10 toonmap,\n\n- Afbeelding #11 toonmap,\n\n- Afbeelding #12 toonmap,\n\n- Afbeelding #14 toonmap,\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel en\u002Fof de eigen borsten met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\nin een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n-die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding\n\n ontdoet\n\n en\u002Fof\n\n-door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n- Afbeelding #02 toonmap,\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #13 toonmap\n\nen\u002Fof\n\ndat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\nt.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24)\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof heeft vervaardigd en\u002Fof heeft verspreid, terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een mens en een dier zijn betrokken,\n\nwelke voornoemde ontuchtige handelingen (zakelijk weergegeven) bestonden uit:\n\nhet door een dier (met de penis) oraal en\u002Fof vaginaal penetreren van het lichaam van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #07 toonmap\n\n- Afbeelding #08 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #10 toonmap\n\nen\u002Fof\n\nhet door een (volwassen) persoon likken en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een dier\n\n- Afbeelding #00 toonmap\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\nen\u002Fof\n\nhet door een dier likken van het geslachtsdeel van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #02 toonmap\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #11 toonmap;\n\nt.a.v. feit 3:\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 te Heesch, een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken, heeft verspreid, heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24\n\nwaarop te zien is dat:\n\neen mens oraal en\u002Fof vaginaal wordt gepenetreerd met een penis door een dier\n\n- Afbeelding #07 toonmap\n\n- Afbeelding #08 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #10 toonmap\n\nen\u002Fof\n\neen mens het geslachtsdeel van het dier likt en\u002Fof aanraakt\n\n- Afbeelding #00 toonmap\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\nen\u002Fof\n\neen dier het geslachtsdeel van het mens likt\n\n- Afbeelding #02 toonmap\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #11 toonmap\n\nt.a.v. feit 4:\n\nin de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2024 in Nederland, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten honden, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:\n\n-het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n-het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n-het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte;\n\nt.a.v. feit 5:\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 september 2024 in Nederland,\n\n-seksuele handelingen heeft verricht met een dier en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten verrichten met verdachte\n\nte weten:\n\n- het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n- het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n- het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straffen.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voor het voorwaardelijke deel van de straf zouden de door de reclassering in haar rapport van 26 februari 2026 geformuleerde bijzondere voorwaarden moeten gelden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman van verdachte heeft gesteld dat verdachte na zijn aanhouding zelf professionele hulp heeft gezocht en gevonden. Een ongestoorde voortgang van het ingezette behandeltraject is volgens de raadsman van groot belang. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat behandeltraject doorkruisen. Gelet op het aan de orde zijnde taakstrafverbod heeft de raadsman de volgende strafoplegging voorgesteld:\n\n-een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag;\n\n-een voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met een proeftijd van 3 jaren met\n\n de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en\n\n-een taakstraf, eventueel per afzonderlijk feit opgelegd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zullen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.\n\nDe bewezenverklaarde feiten.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwerven, verspreiden, aanbieden, vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen en video’s in een periode van (in ieder geval) bijna twee jaar. Op die afbeeldingen en video’s waren ook baby’s en peuters te zien. Ook heeft verdachte Snapchat video’s van minderjarigen opgenomen en verspreid. Via een internetprogramma heeft hij bovendien virtuele kinderpornografische afbeeldingen gecreëerd.\n\nDoor het verzamelen en vervaardigen van dit materiaal heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie en verspreiding van kinderporno. Hierdoor heeft hij ook meegewerkt aan het misbruik en de exploitatie van de betrokken minderjarigen. Door zijn handelen heeft verdachte de industrie die deze minderjarigen misbruikt mede in stand gehouden. Dergelijk misbruik kan zeer nadelige gevolgen hebben (in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade) bij de desbetreffende minderjarigen en zij kunnen daardoor ernstig worden geschaad in hun verdere ontwikkeling.\n\nVerdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en verspreiden van dierenpornografisch materiaal. Een deel van dat materiaal was zelf vervaardigd door het verrichten en filmen van seksuele handelingen met honden. Voor de vervaardiging van dit materiaal zijn dieren misbruikt ten behoeve van de behoeftebevrediging van verdachte en andere personen. Seksueel contact tussen mens en dier is in strijd met de goede zeden. Dergelijke feiten veroorzaken maatschappelijke onrust en verontwaardiging.\n\nZoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Voor de feiten met betrekking tot het kinderpornografisch materiaal wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf genoemd. Voor de feiten met betrekking tot de dieren bestaan geen oriëntatiepunten. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een (voorwaardelijke) vrijheidsbeneming op zijn plaats. Daarbij speelt ook een rol dat de wetgever expliciet voor kinderporno heeft bepaald dat het taakstrafverbod van toepassing is.\n\nDe verdachte.\n\nUit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.\n\nVerdachte heeft na zijn aanhouding professionele hulp gezocht en is sindsdien in behandeling. Verdachte heeft direct openheid van zaken gegeven bij de politie en heeft zijn rol op geen enkele wijze kleiner willen maken of de strafwaardigheid van zijn handelen gebagatelliseerd. Hij staat onder behandeling bij de GGZ en heeft ambulante begeleiding. Verdachte ziet inmiddels in dat het bekijken van kinderporno verwerpelijk is en bijdraagt aan kindermisbruik. De behandeling is er onder meer op gericht om seksueel gezond gedrag aan te leren en een terugval te voorkomen.\n\nOver verdachte is op 26 februari 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De reclassering spreekt van een openheid in contact met politie, justitie, hulpverlening en de reclassering. Verdachte houdt zich aan afspraken. De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nOplegging straf.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de samenleving dat de hulp die verdachte ontvangt niet wordt geblokkeerd of doorkruist door een straf die met zich zou brengen dat verdachte lange tijd in detentie moet verblijven. Hierdoor zouden namelijk veel beschermende factoren wegvallen, terwijl het juist van groot belang is dat de hulpverlening wordt voortgezet om recidive te voorkomen. Anderzijds heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook, zoals gezegd, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk én een taakstraf van 240 uren. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds met het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe voorwaardelijke gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank is daarbij van oordeel dat een proeftijd van drie jaar in deze zaak passend is.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 (oud), 240b (oud), 252, 254 (oud), 254, 254a (oud), 254c en 254d van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder feiten 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de misdrijven:\n\nfeit 1\n\neen afbeelding en een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken is betrokken, verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben\n\nen\n\neen visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbare seksuele strekking, verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte wordt gemaakt\n\nfeit 2\n\neen afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nfeit 3\n\neen visuele weergave van een seksuele handeling waarbij een mens en een dier zijn betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nfeit 4\n\nontuchtige handelingen plegen met een dier, meermalen gepleegd\n\nfeit 5\n\nseksuele handelingen verrichten met een dier\n\nen\n\neen dier seksuele handelingen laten verrichten met zichzelf, meermalen gepleegd\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straffen.\n\nt.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 360 dagen waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe rechtbank stelt daarbij als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:\n\n- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;\n\n-meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs\n\n ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n-meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het\n\n zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nDe rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering. De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, locatie 's-Hertogenbosch op het adres Eekbrouwersweg 6\u002Ftelefoonnummer 088-8041504.\n\n- Ambulante behandeling. De veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de aanmelding wordt geaccepteerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n- Dagbesteding. De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding met een vaste structuur.\n\n- Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.\n\n Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n 1.digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met\n\n kinderpornografisch materiaal;\n\n 2.digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen\n\n en\u002Fof dieren wordt gecommuniceerd; waaronder ook games met chatfunctie, die\n\n specifiek ontwikkeld zijn voor minderjarigen;\n\n 3.geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker,\n\n Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij\n\n de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor\n\n bankzaken);\n\n 4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. Zal\n\n vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\n Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot\n\n geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices,\n\n USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden\n\n opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in\n\n gebruik heeft.\n\n De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde\n\n huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die\n\n veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van\n\n wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals\n\n vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de\n\n instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden\n\n tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle\n\n weer teruggezet.\n\n De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover\n\n noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied\n\n een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.\n\n De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal (circa) drie keer per jaar\n\n gedurende de proeftijd worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de\n\n veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het\n\n bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven\n\n van de veroordeelde.\n\n- Andere voorwaarden het gedrag betreffende:\n\n- Indien tijdens het toezicht nodig wordt gevonden, werkt de veroordeelde mee aan\n\n verder onderzoek gericht op zijn delictgedrag, persoonlijkheid en mogelijke\n\n beperkingen in zijn psychosociaal functioneren en\u002Fof houding. Hij werkt mee aan de\n\n daaruit voortkomende adviezen, ook als dit een behandeling inhoudt door een\n\n forensische zorgverlener en\u002Fof een gedragstraining, te bepalen door de reclassering.\n\n De eventuele behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering\n\n nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de\n\n zorgverlener dan geeft voor de behandeling en\u002Fof de trainer wanneer het een\n\n gedragstraining betreft.\n\n- De veroordeelde werkt mee aan de bestaande (ambulante) zorg uitgevoerd door Unitio\n\n of soortgelijke zorgverlener.\n\nDe rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nEen taakstrafvoor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.V. Vullings, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4828","2026-07-13T00:28:52.950Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":40,"updatedAt":57},"1755","ECLI:NL:RBOBR:2026:4709","ecli-nl-rbobr-2026-4709","2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.269414.23\n\nDatum uitspraak: 03 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op 1 [1995],\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2026 en 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij, in of omstreeks de periode van 10 augustus 2023 tot en met 11 augustus 2023, te Helmond, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis en\u002Fof verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het meermalen, althans eenmaal betasten met zijn, verdachtes, hand(en) en\u002Fof vinger(s) van de borsten en\u002Fof vagina en\u002Fof schaamstreek van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal brengen\u002Fduwen en\u002Fof houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal (op en neer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal, brengen\u002Fduwen en\u002Fof houden van zijn, verdachtes, penis tegen\u002Fin de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof anus van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal, op en neer bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen\u002Fin de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof anus van die [slachtoffer] .\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nOnderzoek Asea.\n\nOp 10 augustus 2023 werd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) als vermist opgegeven door de instelling waar zij op dat moment verbleef. In de nacht van 10 op 11 augustus 2023 werd [slachtoffer] overstuur in een sloot aangetroffen in Helmond. Nadat de politie ter plaatse kwam, werd er telefonisch contact gelegd met de moeder van [slachtoffer] . Ze heeft tegen haar moeder verteld dat ze verkracht is. Hierna werd het onderzoek Asea opgestart.\n\nVerdachte wordt verweten dat hij bij [slachtoffer] handelingen heeft gepleegd, waaronder het seksueel binnendringen, terwijl hij wist dat zij een zodanige verstandelijke beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie stelt allereerst vast dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Er is ook sprake van seksueel binnendringen in de anus, gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het belastende DNA-rapport. Ten tweede is er sprake van een zodanige verstandelijke beperking dat [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Dit blijkt uit de rapporten die over [slachtoffer] zijn opgemaakt en uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] . Verdachte wist ook van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. Om deze wetenschap bij verdachte aan te nemen, is voorwaardelijk opzet voldoende. Daarvan was in de visie van het de officier van justitie sprake.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 19 juni 2026, bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.\n\nHet oordeel van de rechtbank: vrijspraak.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, en overweegt als volgt.\n\nSeksueel binnendringen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte bij [slachtoffer] handelingen heeft verricht die ook bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.\n\nDe geestestoestand van [slachtoffer] .\n\nIn het dossier bevindt zich een Gedragswetenschappelijk verslag dat op 18 augustus 2023 door Lore over [slachtoffer] is opgemaakt (hierna: verslag). Daarnaast bevindt zich in het dossier een rapport betreffende psychologisch onderzoek van [slachtoffer] van Amarant van 23 januari 2020 (hierna: rapport). Op basis van het verslag en het rapport, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als een zodanige verstandelijke beperking dat zij onvolkomen in staat is haar wil met betrekking tot de seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Hieruit volgt immers dat [slachtoffer] gedrag laat zien dat passend is bij een (aanzienlijk) jongere ontwikkelingsleeftijd. Naast de verstandelijke beperking is sprake van een hechtingsstoornis en een achterstand in haar emotionele ontwikkeling.\n\nDe wetenschap van de verdachte.\n\nTot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte wist van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat, op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] wist.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte daarop bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.\n\nDe beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nDe rechtbank overweegt daarover het volgende.\n\nDe rechtbank stelt vast dat dit de eerste keer was dat verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben ontmoet. Verdachte zat op een bankje terwijl [slachtoffer] , met natte kleding, naar hem toe kwam lopen en hem vroeg hoe laat het was. Zij raakten aan de praat, waarbij [slachtoffer] onder andere aangaf dat zij zojuist, met kleding aan, is gaan zwemmen. De rechtbank merkt op dat dit een niet alledaagse situatie is.\n\nVerdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] ook heeft verteld dat zij op een groep verbleef, waar zij was weggegaan, omdat zij problemen had.\n\nVerdachte heeft ook verklaard dat hij fysiek en verbaal niets heeft gemerkt van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] . Voor zijn gevoel praatte hij met een volwassen vrouw, die normaal was.\n\nHetzelfde geldt voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] er normaal uitzag en bij de rechter-commissaris dat hij niets raars aan haar heeft gemerkt. Over [getuige 1] merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte blijkt dat [getuige 1] haar leuk vond. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] voor [getuige 1] en [getuige 2] niet (direct) kenbaar was.\n\nDe rechtbank heeft verder gezien dat uit het verslag en het rapport blijkt dat [slachtoffer] op het gebied van verbaal begrip relatief sterk functioneert. Daarnaast komt naar voren dat zij zich presenteert als iemand die zelfstandig veel aankan, terwijl dit in de praktijk niet altijd het geval is. Zij heeft de neiging haar eigen mogelijkheden te overschatten en wordt daardoor door haar omgeving regelmatig overschat. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de beperking [slachtoffer] zich zodanig heeft geuit dat deze voor verdachte (direct) kenbaar was.\n\nZoals hiervoor gezegd, blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] en verdachte dat [getuige 1] [slachtoffer] leuk vond. Hieruit blijkt ook dat zij daar niet in mee is gegaan. Verdachte verklaart daarover: “Toen kwamen ze weer terug en later gingen ze weer een keer praten. Hij zei tegen haar dat hij haar leuk vond en zij zei tegen hem dat ze hem niet wilde.” [slachtoffer] zegt daarover het volgende: “Toen begon eerst een andere jongen te zeggen: ik vind je leuk, ik vind dat je mooi haar hebt, ik vind je leuk, ik wil... ja zo. Zo. Maar toen had ik gezegd: dat ik... wat had ik gezegd? Dat ik eigenlijk ook niet toe aan een relatie was” en “Ik heb liever iemand van eigen leeftijd zei ik toen maar gewoon.” Dit wordt bevestigd in het telefoongesprek dat [slachtoffer] heeft gevoerd met de broer van verdachte, waarin ze onder meer heeft gezegd: “(…) Is het niet gewoon een zwaar misverstand geweest tussen [verdachte] , die dacht van: zij vindt mij leuk? Want dat heb ook wel gezegd in die kamer. Want toen vroeg een andere jongen: wil jij verkering met mij? En toen zei ik nee, dat wil ik niet.” De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] op enig moment haar wil richting [getuige 1] heeft geuit en dat verdachte dit heeft waargenomen. Ook deze omstandigheden bieden ondersteuning aan het oordeel dat verdachte niet wist of had moeten weten dat [slachtoffer] een zodanige beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet kan worden gezegd dat een aanmerkelijke kans bestond dat verdachte seksuele handelingen zou verrichten met een persoon die – kort gezegd – haar wil niet zelf kon bepalen of daartegen geen weerstand kon bieden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte dit wist of had moeten weten. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij de omstandigheden dat verdachte wist dat [slachtoffer] op een groep zat en dat zij met kleding aan is gaan zwemmen daarvoor niet voldoende acht, zeker niet in het licht van de verder omschreven omstandigheden. Dat betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had.\n\nConcluderend oordeelt de rechtbank dat het ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nDe rechtbank begrijpt uit hetgeen namens [slachtoffer] tijdens het spreekrecht naar voren is gebracht dat de gebeurtenissen voor [slachtoffer] ingrijpend zijn geweest en dat die een grote impact op haar heeft gehad. De rechtbank heeft oog voor de gevoelens van [slachtoffer] en haar familie en realiseert zich dat deze uitspraak mogelijk niet overeenkomt met hetgeen zij hadden gehoopt of verwacht. In het Nederlandse strafrecht kan een verdachte echter alleen worden veroordeeld als er wettig en overtuigend bewijs is voor zijn schuld. Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\nDe vordering van [slachtoffer] .\n\nVolgens de wet kan de strafrechter bij een vrijspraak geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nVerklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die verdachte in dit kader heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. N. Flikkenschild, voorzitter,\n\nmr. J.H.L.M. Snijders en mr. W.B. Kok, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,\n\nen is uitgesproken op 03 juli 2026.\n\n Vergelijk Hoge Raad, 3 december 2012, ECLI:NL:HR:2002:AE8908.\n\n Hoge Raad, 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4709","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.251Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":62,"fullText":63,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":40,"updatedAt":65},"1769","ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","ecli-nl-rbobr-2026-4746","2026-06-30T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227005.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1979] ,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den),\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit\u002Faan welke strafbare gedraging zij opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nVerdachte is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [medeverdachte] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres 2] . Op 28 oktober 2016 heeft [medeverdachte] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [medeverdachte] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [medeverdachte] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en verdachte aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is en dat de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [medeverdachte] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nVerdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [medeverdachte] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . Verdachte heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de verdachte bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\nVerdachte heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [medeverdachte] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van verdachte, namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. Verdachte heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. Verdachte heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. Verdachte heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van verdachte en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van verdachte in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens verdachte een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door verdachte en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat verdachte op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [medeverdachte] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [medeverdachte] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [medeverdachte] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [medeverdachte] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals verdachte heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] op verzoek van verdachte volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van verdachte ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft verdachte verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Dat verdachte haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met [bedrijf 3] uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van verdachte dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [medeverdachte] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was verdachte de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van verdachte dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres 2] met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van verdachte binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat verdachte zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan verdachte geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nVerdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [medeverdachte] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [medeverdachte] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nFeitelijk leidinggeven.Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van [medeverdachte] Verdachte is degene die alle hierboven genoemde handelingen namens [medeverdachte] heeft verricht en zij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het witwassen.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\n [medeverdachte] in de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit zij feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat rekening moet worden gehouden met haar persoonlijke omstandigheden (herhaaldelijk direct en indirect als slachtoffer betrokken bij geweldsmisdrijven in Zuid-Afrika, waardoor zij PTSS heeft opgelopen) en dat verbeurdverklaring van het pand haar zwaar treft nu het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nDe persoon van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nVoorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ook getroffen zal worden door de verbeurdverklaring van het pand in de strafzaak tegen de rechtspersoon.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt verder dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nVerdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nDe op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist omdat de op te leggen straf de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheden zoals hierboven weergegeven.\n\nAlles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 27, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nfeitelijk leidinggeven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* een gevangenisstrafvoor de duur van12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van eenproeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nvoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","2026-07-13T00:29:37.967Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":62,"fullText":70,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":40,"updatedAt":72},"1771","ECLI:NL:RBOBR:2026:4751","ecli-nl-rbobr-2026-4751","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227010.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [bedrijf 1]\n\ngevestigd op het adres [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de vertegenwoordiger van verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nEnig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] ( [verdachte] , hierna: [verdachte] ) is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [bedrijf 1] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres] . Op 28 oktober 2016 heeft [bedrijf 1] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [bedrijf 1] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [bedrijf 1] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is dat de verklaring van (namens) verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [bedrijf 1] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nEnig aandeelhouder en bestuurder van verdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [bedrijf 1] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . De vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van vertegenwoordiger van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\n [verdachte] heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [bedrijf 1] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van [verdachte] , namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij (persoonlijk) een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. [verdachte] heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van [verdachte] en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van [verdachte] in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens [verdachte] een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door [verdachte] en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [bedrijf 1] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [bedrijf 1] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [bedrijf 1] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [bedrijf 1] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals [verdachte] heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] op verzoek van [verdachte] volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van [verdachte] ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft [verdachte] verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van [verdachte] hoogst onwaarschijnlijk. Dat [verdachte] haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van [verdachte] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen Royal Square en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met Royal Square Investment uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van [verdachte] dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was [verdachte] de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van [verdachte] dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres] te Utrecht met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de vertegenwoordiger van verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van [verdachte] binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan [verdachte] geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de vertegenwoordiger van verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nDe vertegenwoordiger van verdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [bedrijf 1] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [bedrijf 1] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nin de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte een geldboete ter hoogte van € 20.000,00 op te leggen en de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht. Voorts heeft de officier van justitie een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangekondigd indien de rechtbank niet zal overgaan tot verbeurdverklaring van het pand.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat bij verbeurverklaring van het pand de vertegenwoordiger van de verdachte zwaar zou treffen omdat het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met draagkracht van de rechtspersoon.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nVoorts overweegt de rechtbank dat [bedrijf 1] enkel is opgericht voor de aanschaf van de [adres] te Utrecht, en daarmee voor het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank houdt hiermee in het nadeel van verdachte rekening mee.\n\nAan de andere kant weegt de rechtbank mee dat de feitelijke leidinggevende van verdachte ook is vervolgd voor witwassen, en daarvoor een gevangenisstraf krijgt opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nDe vertegenwoordiger van verdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nStraf\n\nDe rechtbank ziet, gelet op het voorgaande en op hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot het in beslag genomen pand, geen aanleiding om naast de verbeurdverklaring van het pand nog een geldboete op te leggen.\n\nVerbeurdverklaring beslag\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het pand aan de [adres] te Utrecht vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het witwasfeit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde. De rechtbank is van oordeel dat de straf van verbeurdverklaring van het onroerend goed dat verdachte door de strafbare feiten heeft verkregen een passende straf is.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n33, 33a, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nwitwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4751","2026-07-13T00:29:38.047Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":40,"updatedAt":81},"1280","ECLI:NL:GHSHE:2026:1139","ecli-nl-ghshe-2026-1139","2026-03-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001528-21\n\nUitspraak : 9 april 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 juni 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-880060-18 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als\n\n‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto Ford Transit, voorzien van het kenteken [kenteken 1] verbeurdverklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 17 juni 2021 onbeperkt ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Aangezien een verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich – met verbetering en aanvulling van gronden – met het beroepen vonnis, voor zover dat aan zijn oordeel is onderworpen, en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde sancties. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.\n\nVerbetering van gronden\n\nDe bewijsmiddelen die door de rechtbank in de bewijsbijlage bij het vonnis zijn opgenomen, behoeven op een aantal punten verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen worden geschrapt en worden deze vervangen door de hierna in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.\n\nAanvulling van gronden\n\nBewijsmiddelen\n\nIn aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de volgende bewijsmiddelen.\n\nHet proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:\n\nU vraagt mij of ik iets kan vertellen over de stand van zaken in mijn eigen strafzaak. Ik ben\n\nveroordeeld, omdat de Nederlanders chemicaliën hadden ingekocht.\n\nU vraagt mij of ik in het kort kan vertellen welke producten ik produceerde dan wel\n\nverhandelde in de periode april, mei 2018. We produceren rond de 300 producten. Vloeibaar\n\nwasmiddel, waspoeder, zoutzuur en aceton.\n\nU vraagt mij of ik het adres [adres 2] me iets zegt. Als ik het me goed\n\nherinner dan was dat ook een garagebox op een groot terrein.\n\nU vraagt mij of ik me kan herinneren of ik in de periode van april tot en met mei met een\n\nbestelwagen naar Nederland ben gereden. Ik weet niet of het deze periode was. Maar als ik\n\nga, dan ga ik met een bestelbusje. Want in een kofferbak past het niet.\n\nU vraagt mij of ik ooit naar Nederland ben gereden en geen spullen heb afgeleverd, maar dat\n\nik ze mee terug naar Duitsland heb genomen. Nee.\n\nHet proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:\n\nU vraagt mij waarvoor ik veroordeeld ben. Ik ben veroordeeld voor het smokkelen van\n\nchemicaliën. Ik heb twee keer gereden.\n\nU vraagt mij of ik zelf als bestuurder heb opgetreden, toen ik zojuist verklaarde dat ik twee\n\nkeer had gereden. We zijn met twee voertuigen gegaan. Ik ben in beide gevallen bestuurder\n\ngeweest.\n\nU vraagt mij wie de andere bestuurder van het andere voertuig was. De heer [medeverdachte 1] .\n\nU vraagt mij of ik beide keren vanuit Duitsland vertrokken ben. Ja, beide keren.\n\nU vraagt mij of ik beide keren in Nederland terecht ben gekomen. Ja.\n\nU vraagt mij of ik wist welke producten ik vervoerde. Ik wist wel dat er\n\nchemicaliën in zaten.\n\nU vraagt mij of ik beide keren naar hetzelfde adres ben gereden. Ja.\n\nU vraagt mij of ik me dat adres kan herinneren. Nee, ik ben enkel achter mijn collega\n\naangereden.\n\nU vraagt mij of ik me nog kan herinneren wat voor merk die bestelauto had. Volgens mij\n\neen Volkswagen Transporter.\n\nU vraagt mij welk merk de auto van de heer [medeverdachte 1] had. Ik denk ook een Volkswagen\n\nTransporter, maar dat weet ik niet zeker.\n\nU vraagt mij of ik veroordeeld ben voor de twee data die ook in het vonnis staan. Ja, dat is\n\njuist.\n\nDe getuige is veroordeeld voor medeplichtigheid. De twee feiten vonden plaats op 10 april\n\n2018 en 18 april 2018. Art. 3 GÜG.\n\nDe Duitse rechter houdt uit het Duitse vonnis voor dat het zou gaan om afleveringen op de\n\nlocatie [adres 2] , [locatie 1] .\n\nU vraagt mij of ik me kan herinneren of ik twee keer op hetzelfde adres in Nederland ben\n\ngeëindigd. Ik ben alleen maar achter mijn collega aangereden, maar volgens mij wel.\n\nU vraagt mij of beide bestelbussen in beide gevallen bij hetzelfde adres aangekomen zijn.\n\nJa.\n\nU vraagt mij of de spullen die in de bestelbussen zaten beide keren in Nederland zijn gelost.\n\nMijn auto is gelost, natuurlijk.\n\nU vraagt mij of ook de auto van de heer [medeverdachte 1] was gelost. Ja.\n\nU vraagt mij hoe ik wist dat ik chemicaliën aan het vervoeren was. Dat is me verteld door\n\nverdachte [medeverdachte 1] .\n\nU vraagt mij hoe de producten in de auto eruit zagen. De producten zaten in jerrycans.\n\nU vraagt mij of ik iets mee terug heb genomen uit Nederland . Nee.\n\nEen vertaling van een vonnis van het Kantongerecht Velbert , 8 april 2022, voor zover inhoudende:\n\nVonnis\n\nIn de strafzaak tegen\n\n1. De heer [medeverdachte 1] ,\n\ngeboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 2] ,\n\nDuitse staatsburger, gescheiden,\n\nwonende in [adres 3] ,\n\n2. De heer [medeverdachte 2] ,\n\ngeboren op [geboortedag 3] 1982 in [geboorteplaats 3] , [functie] ,\n\nDuitse staatsburger, ongehuwd,\n\nwonende in [adres 4] ,\n\nwegens de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG e.a.\n\nheeft het kantongerecht van Velbert\n\nop basis van de openbare rechtszitting van 18-03-2022\n\nrechterlijk besloten:\n\nDe verdachte [medeverdachte 1] wordt wegens de opzettelijke commerciële handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in vijf gevallen veroordeeld tot een gecombineerde gevangenisstraf van één jaar en elf maanden met verplichte betaling van de onkosten.\n\nDe tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.\n\nTen aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] wordt de verbeurdverklaring van € 16.000 als schadevergoeding bevolen.\n\nDe verdachte [medeverdachte 2] wordt wegens de medeplichtigheid aan de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in twee gevallen veroordeeld tot een gecombineerde geldboete van 90 dagtarieven van ieder € 50 met verplichte betaling van de onkosten.\n\nTen aanzien van de verdachte [medeverdachte 2] wordt de verbeurdverklaring van een schadevergoeding ten bedrage van € 600 bevolen.\n\nRedenen:\n\nVerdachte [medeverdachte 1] heeft uiterlijk in maart 2018 besloten om een doorlopende inkomstenbron van enige omvang te verwerven door met winstoogmerk aceton te kopen en te verkopen aan Nederlandse afnemers, waarbij de aceton - zoals verdachte wist en beoogde - zou worden gebruikt bij de vervaardiging van drugs, te weten ecstasypillen met de werkzame stof MDMA. Verder wist de verdachte dat aceton een precursor was in de zin van de Duitse Wet op het toezicht van precursoren.\n\nAls gevolg van zijn beslissing heeft de verdachte [medeverdachte 1] vervolgens als vermeend werknemer van het feitelijk inactieve bedrijf [bedrijf 1] , [adres 5] , grote hoeveelheden aceton gekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach . Het bedrijf [bedrijf 2] leverde de voor [bedrijf 1] bestemde aceton telkens volgens opdracht in blauwe jerrycans op het terrein van [bedrijf 3] , [adres 6] t\u002Fm [adres 7] . Vervolgens werden de stickers van het bedrijf [bedrijf 2] van de jerrycans verwijderd en op sommige jerrycans vervangen door stickers van het bedrijf [bedrijf 3] . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde alle geleverde jerrycans aceton vervolgens van Velbert naar Nuenen in Nederland in een huurvoertuig van [bedrijf 4] , in sommige gevallen in twee huurvoertuigen met medewerking van medeverdachte [medeverdachte 2] . Hierbij stonden de opnieuw geëtiketteerde jerrycans rechtstreeks bij de te openen achterdeur van de bestelauto’s geplaatst in geval van een politie- of douanecontrole. In Nederland zou de aceton door onbekende daders worden gebruikt om ecstasypillen te maken.\n\nMeer in detail vervoerde de verdachte [medeverdachte 1] in de volgende gevallen de jerrycans aceton die door het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach voor het bedrijf [bedrijf 1] naar Velbert werden geleverd, naar Nuenen naar een industrieterrein aan [adres 2] , en wel naar [locatie 1] .\n\n1e dossier 3\n\nop 10-04-2018 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald;\n\nterwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.\n\n2e dossier 4\n\nop 18-04-2018, wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 4] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.\n\n3e dossier 5\n\nin ieder geval op 03-05-2018 in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] , 800 kilogram aceton (32 jerrycans x 25 kg aceton), die hij op 24-04-2018 bij het bedrijf [bedrijf 2] bestelde en die op 26-04-2018 naar Velbert werden uitgeleverd; de verdachte [medeverdachte 1] betaalde de koopprijs van 936 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) contant bij de levering.\n\n4e dossier 6\n\nOp 02-05-2018 bestelde de verdachte [medeverdachte 1] 1.600 kilogram aceton bij het bedrijf [bedrijf 2] , die op 07-05-2018 werden geleverd op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] in Velbert . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde telkens 800 kilogram aceton in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] naar zijn afnemers in Nederland , en wel op 08-05-2018 naar het voornoemde magazijn in Nuenen .\n\n5e dossier 7\n\nReeds op 14-05-2018 leverde het bedrijf [bedrijf 2] op basis van een bestelling van de verdachte [medeverdachte 1] op 08-05-2018 nog eens 800 kilogram aceton op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] te Velbert , die de verdachte [medeverdachte 1] op 15-05-2018 in een huurvoertuig met het kenteken [kenteken 5] naar voormeld magazijn in Nuenen vervoerde.\n\nDe verdachte [medeverdachte 1] ontving van zijn afnemers minimaal 2.000,00 euro voor elke geleverde 800 kilogram aceton (punt 1: € 4.000, punt 2: € 4.000, punt 3: € 2.000, punt 4: € 4.000, punt 5: € 2.000). De verdachte [medeverdachte 1] betaalde de medeverdachte [medeverdachte 2] € 300,00 voor elke transportrit.\n\nDe procedure met betrekking tot de beschuldiging van de illegale handel in verdovende middelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] werd overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt. Ten aanzien van de beklaagde [medeverdachte 2] werd de procedure met betrekking tot de desbetreffende medeplichtigheid hieraan c.q. de aflevering van verdovende middelen overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt\n\nDe bevindingen over de feiten van de zaak zijn gebaseerd op de volledig bekennende verklaringen van de verdachten, aan de waarheid waarvan de rechtbank geen enkele twijfel heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nHet hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en vult deze op de volgende punten aan.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat het plaatsen van een camera, gericht op het pand aan [adres 2] , is geschied zonder dat voor de volledige periode dat opnamen zijn gemaakt het daarvoor vereiste bevel van een officier van justitie was afgegeven en hierdoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.\n\nIn dat kader stelt het hof vast dat door het Openbaar Ministerie in Wuppertal ( Duitsland ) een rechtshulpverzoek is gedaan aan het Arrondissementsparket Oost-Brabant. De Duitse autoriteiten verzochten om de volgende onderzoeksmaatregelen uit te voeren:\n\n- Langdurige observatie met technische hulpmiddelen met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , alsmede de in Nederland actieve daders die de chemicaliën in ontvangst nemen of ophalen en transporteren.\n\nArtikel 9, eerste lid, van de Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken houdt in:\n\nDe uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.\n\nNaar aanleiding van het verzoek van de Duitse autoriteiten is door de officier van justitie in Nederland een bevel grensoverschrijdende stelselmatige observatie (artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering) afgegeven. Dit bevel bevindt zich ook in het dossier (pagina’s 383-385). Ingevolge het bepaalde in artikel 126g, derde lid, kan de officier van justitie ook bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel – zoals een (heimelijk geplaatste) camera – kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Uit de inhoud van het dossier volgt dat heimelijk een camera is geplaatst op [adres 2] , met zicht op de roldeur van de [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 1] . Blijkens het zich in het dossier bevindende bevel d.d. 11 april 2018 dient dit schriftelijk bevel ter bevestiging van het eerder mondeling gegeven bevel van 27 maart 2018. Het is het hof niet gebleken dat het bevel eerder op schrift is gesteld. Gelet hierop stelt het hof vast dat het mondelinge bevel niet binnen drie dagen na 27 maart 2018 door de officier van justitie op schrift is gesteld. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet voldaan aan het in artikel 126g, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde wettelijke vereiste. Naar het oordeel van het hof levert dit – nu het bevel niet alsnog binnen drie dagen op schrift kan worden gesteld – een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend ziet op de controleerbaarheid en transparantie van het gegeven bevel. Nu het mondeling gegeven bevel achteraf – weliswaar te laat – alsnog ter bevestiging op schrift is gesteld en hierdoor – en ook overigens – geen nadeel voor de verdachte is ontstaan, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de (enkele) constatering van het vormverzuim. Het hof zal hier dan ook geen gevolgen als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan verbinden.\n\nVoor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om de gemaakte camerabeelden te controleren omdat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn, overweegt het hof als volgt.\n\nHet hof merkt op dat het in het algemeen de voorkeur verdient camerabeelden – indien aanwezig – aan het dossier toe te voegen. Op die manier bestaat de mogelijkheid dat die camerabeelden op enig moment in de procedure (door een van de procesdeelnemers) kunnen worden bekeken en gecontroleerd. Het is in zoverre dan ook ongelukkig dat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn. Die omstandigheid impliceert naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee ook sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat tot enig rechtsgevolg moet leiden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de gemaakte camerabeelden door verbalisanten zijn bekeken en dat door hen in processen-verbaal van bevindingen die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt is gerelateerd wat daarop is waar te nemen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die processen-verbaal te twijfelen. Van de zijde van de verdediging is ook niet weersproken dat hetgeen door verbalisanten op de camerabeelden is waargenomen en hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen daaromtrent is geverbaliseerd onjuist is. Het verweer van de verdediging wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nVoorts merkt het hof als aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank nog het volgende op.\n\nOp basis van de inhoud van het dossier acht het hof – met de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk grondstoffen, chemicaliën en andere voorwerpen voorhanden heeft gehad ten behoeve van de productie van synthetische drugs en met een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en\u002Fof MDMA heeft getracht te verschaffen. Bij dit oordeel neemt het hof, in aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank, in het bijzonder in aanmerking dat in de periode van 10 april 2018 tot en met 31 mei 2018 vanuit Duitsland meerdere leveringen van chemicaliën hebben plaatsgevonden, welke leveringen zijn afgeleverd aan het adres [adres 2] , [locatie 1] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij chemicaliën hebben afgeleverd en niets mee terug naar Duitsland hebben genomen. Door het kantongerecht Velbert in Duitsland zijn zij ook veroordeeld ter zake van verschillende leveringen van chemicaliën. Uit dit vonnis blijkt dat het gaat om leveringen van aceton. Voorts stelt het hof vast dat in de nacht van 22 mei 2018 op 23 mei 2018 in [locatie 1] een groot aantal blikken en jerrycans zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij de aangetroffen goederen nader heeft onderzocht en deze middels een analyseapparaat heeft getest. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ging om methanol en aceton. [verbalisant] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat er monsters zijn genomen, welke ter analyse werden aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof stelt – met de verdediging – vast dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of er ook daadwerkelijk monsters zijn genomen van de in [locatie 1] aangetroffen stoffen die ter nadere analyse naar het Nederlands Forensisch Instituut zouden zijn verzonden. In het dossier heeft het hof daaromtrent geen stukken aangetroffen. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen [verbalisant] overigens in het door hem op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal heeft geverbaliseerd. Ook in de omstandigheid dat het proces-verbaal van bevindingen op 13 september 2018 is opgemaakt, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen.\n\nUit de inhoud van het dossier blijkt niet alleen dat de verdachte de huurder van [locatie 1] was. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof ook vast dat het voertuig van de verdachte, een Ford Transit met kenteken [kenteken 1] , aanwezig was bij [locatie 1] op\u002Fomstreeks het moment dat een levering vanuit Duitsland had plaatsgevonden. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker van voornoemd voertuig was, concludeert het hof dat het de verdachte is geweest die toen ook steeds aanwezig is geweest. Zo blijkt dat op 18 april 2018, omstreeks 11.00 uur, door twee voertuigen met een Duits kenteken ( [kenteken 3] en [kenteken 4] ) leveringen zijn gedaan en verdachtes voertuig toen voor [locatie 1] stond geparkeerd. De twee Duitse voertuigen vertrokken vervolgens weer om 11:09 uur, waarna om 11:18 uur [locatie 1] werd afgesloten en even later de verdachte met zijn voertuig vertrok. Op 3 mei 2018 was de verdachte omstreeks 09:11 uur in [locatie 1] aanwezig en heeft hij zijn bus achteruit [locatie 1] ingereden. Omstreeks 09:28 kwam verdachtes bus uit de loods gereden, werd deze bij de ingang van de loods geparkeerd en ging omstreeks 09:37 uur een Duits voertuig met kenteken [kenteken 3] verdachtes loods in. Het Duitse voertuig is vervolgens om 10:00 uur weer de loods uitgereden, en de verdachte reed ongeveer een minuut later ook weg. Ten aanzien van 15 mei 2018 blijkt dat (eveneens) omstreeks 11:00 uur een levering heeft plaatsgevonden, dat het voertuig met het Duitse kenteken [kenteken 5] om 11:14 uur weer bij verdachtes loods vertrok en dat om 11:15 uur de verdachte met zijn Ford Transit is weggereden. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte met zijn voertuig meerdere keren van [locatie 1] naar [locatie 2] is gereden en bij die gelegenheden enige tijd in [locatie 2] is geweest. In [locatie 2] werden – evenals in [locatie 1] – ook diverse jerrycans en vaten met chemicaliën aangetroffen.\n\n [locatie 2] werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 4] . De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] kennen elkaar. Over de redenen van de vervoersbewegingen heeft de verdachte niet willen verklaren.\n\nIn het dossier is gerelateerd dat de in [locatie 2] en in [locatie 1] aangetroffen jerrycans qua uiterlijk, volume (30 liter) en inhoud (aceton) soortgelijk zijn. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof dan ook buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte goederen met zijn voertuig vanuit [locatie 1] heeft verplaatst naar [locatie 2] . In dit verband neemt het hof bovendien nog in aanmerking dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de leveringen vanuit Duitsland telkens zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 1] . Niet is gebleken dat leveringen (direct) zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 2] .\n\nVoor de uit Duitsland afkomstige chemicaliën die bij [locatie 1] , de loods van de verdachte, zijn afgeleverd, noch voor de in [locatie 1] aangetroffen aceton noch voor de diverse vervoersbewegingen tussen [locatie 1] en [locatie 2] van de medeverdachte [medeverdachte 4] , noch voor het feit dat de verdachte ook toegang had tot de [locatie 2] , noch voor de aanwezigheid van de voor productie van synthetische drugs benodigde chemicaliën en goederen in [locatie 2] , waardoor een verdenking van het tenlastegelegde in de rede ligt, heeft de verdachte, hoewel de feiten daar wel om schreeuwen, een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring laten de feiten zich niet anders begrijpen dan dat de verdachte met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] nauw en bewust heeft samengewerkt om de opzettelijke vervaardiging van amfetamine en\u002Fof MDMA voor te bereiden. Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in zoverre verworpen.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 40.000,00.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf en (eventueel) een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de rechtbank aan medeverdachte [medeverdachte 5] een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren heeft opgelegd en de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat medeverdachte [medeverdachte 4] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In de zaak tegen de verdachte dient bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te worden gezocht bij voornoemde sancties, aldus de verdediging. Bovendien dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nBij het bepalen van de op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden grondstoffen\u002Fchemicaliën en (laboratorium)benodigdheden die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. Evenals de rechtbank ziet het hof verdachtes rol in het geheel als die van coördinator. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op verdachtes aanwezigheid op momenten dat goederen werden geleverd en de ontmoetingen die hij onder andere met leveranciers heeft gehad. De verdachte heeft als coördinator een cruciale rol gehad. Gelet op verdachtes rol ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan zoals die door de rechtbank aan [medeverdachte 5] is opgelegd en door de advocaat-generaal in de zaak tegen [medeverdachte 4] is gevorderd. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat synthetische drugs allerlei gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan kunnen opleveren, terwijl die gebruikers hun mogelijke verslaving hieraan veelal door ander crimineel handelen proberen te bekostigen, ten gevolge waarvan de samenleving op die wijze ook schade wordt berokkend. De verdachte heeft zich van voornoemde belangen kennelijk niets aangetrokken. Ook rekent het hof de verdachte aan dat hij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft gegeven. Het uitgangspunt bij een feit als het onderhavige is – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen dateren evenwel van langer geleden en hebben te maken met andersoortige strafbare feiten dan het thans bewezenverklaarde. Het hof zal voornoemde omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen sanctie meewegen.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de verdediging is bepleit – acht het hof onvoldoende recht doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde en derhalve niet passend.\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. De redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 17 september 2018, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 16 juni 2021 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ongeveer 9 maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt naar het oordeel van het hof gedeeltelijk te wijten aan de omstandigheid dat de behandeling van de zaak tweemaal op verzoek van de verdediging is aangehouden. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak op 13 mei 2020 is aangehouden en dat de zaak vervolgens pas weer op de terechtzitting van 29 april 2021 is aangebracht. Dit tijdsverloop valt naar het oordeel van het hof niet aan de verdachte toe te rekenen.\n\nVan de zijde van de verdachte is vervolgens op 17 juni 2021 hoger beroep ingesteld.\n\nHet hof wijst het onderhavige arrest op 9 april 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van 2 jaren en ongeveer 10 maanden overschreden. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn weliswaar nog verschillende getuigen gehoord, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor voornoemde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.\n\nZonder deze overschrijdingen van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijdingen van de redelijke termijn, zal het hof in plaats daarvan de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet de rechtbank heeft het hof geconstateerd dat de verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van de goederen die onder de nummers 2 tot en met 22 op de beslaglijst staan vermeld. Nu het beslag daarmee is beëindigd, hoeft daarover niet meer te worden beslist.\n\nHet hof is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen goederen onder 1 genoemde bestelauto, een Ford Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] – vatbaar is verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is gepleegd. Hoewel het voertuig op naam van een ander is gesteld, volgt uit het dossier dat deze Ford Transit langdurig in gebruik was bij de verdachte. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de inbeslaggenomen Ford Transit graag terug wenst te krijgen. Naar het oordeel van het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden komen vast te staan dat de Ford Transit aan de verdachte toebehoort. Het hof zal voornoemde bestelauto dan ook verbeurdverklaren. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde sancties en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\nFord Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] .\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.C. Bosch, voorzitter,\n\nmr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie Oost-Brabant, dienst regionale recherche, onderzoek Wellington\u002FOBRAA18211, sluitingsdatum 26 april 2019, pagina 1 - pagina 966. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1139","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.695Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":40,"updatedAt":90},"852","ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","ecli-nl-ghshe-2024-4140","2024-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH\n\nParketnummer : 20-002537-19\n\nUitspraak : 17 december 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-996007-10 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,\n\nvolgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:\n\n [woonplaats] (Spanje, provincie [provincie] ), [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake van het onder feit 4 sub A bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, de overige bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:\n\n‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, van welke organisatie hij leider is’ (feit 1);\n\n‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (feit 3) en\n\n‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’ (feit 4),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder feit 3 impliciet cumulatief opgenomen strafbare verwijt met betrekking tot het onjuist doen van aangifte omzetbelasting over september 2006. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.\n\nTegen het vonnis is bij akte van 7 augustus 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.\n\nIngevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.\n\nHet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, gemeente Aalburg en\u002Fof in de gemeente(n) Heusden en\u002Fof Veghel en\u002Fof Zundert en\u002Fof Vianen en\u002Fof Hardinxveld-Giessendam en\u002Fof Oud-Beijerland en\u002Fof Sliedrecht en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof Duitsland en\u002Fof België en\u002Fof Spanje (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem verdachte, en\u002Fof - [medeverdachte 1] en\u002Fof - [medeverdachte 2] en\u002Fof - [medeverdachte 3] en\u002Fof - [medeverdachte 4] en\u002Fof - [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 5] en\u002Fof - [autobedrijf 2] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 6] en\u002Fof - [autobedrijf 3] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 7] en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 2) en\u002Fof [autobedrijf 4] B.V. (per 22-01-2009) en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 3) en\u002Fof - [medeverdachte 8] en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het plegen van valsheid in geschrift (art. 225, lid 1 WvSr) en\u002Fof - het opzettelijk doen van onjuiste en\u002Fof onvolledige aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 2 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet doen van aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 1 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en\u002Fof het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers (art. 68, lid 1 sub d en sub e jo. art. 69 lid 1 AWR) en\u002Fof - witwassen van (een) geldbedrag(en) (art. 420ter, art. 420bis Sr), zulks terwijl hij, verdachte, van bedoelde organisatie oprichter en\u002Fof leider en\u002Fof bestuurder was;\n\n2. hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een deel van) de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde (dat deel van) de (bedrijfs)administratie voornoemd, (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die\u002Fdat bestemd waren\u002Fwas om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), (telkens) opzettelijk valselijk en\u002Fof in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie voornoemd opgenomen en\u002Fof verwerkt en\u002Fof doen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof verwerken, (circa) 1475 valse of vervalste inkoopfacturen en\u002Fof (circa) 1184 valse en\u002Fof vervalste verkoopfacturen, althans een (groot) aantal valse of vervalste (inkoop- en\u002Fof verkoop)facturen, waaronder * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 (te weten: F\u002F2527, F\u002F2528 en\u002Fof F-2536), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 1] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 4, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de maand oktober 2006 (waaronder F\u002F2529 en\u002Fof F\u002F2530), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 2] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode maart 2006 tot en met maart 2007 (waaronder F\u002F2511, F\u002F2503 en\u002Fof F\u002F1512), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 3] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 6, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van januari 2007 tot en met juli 2007 (waaronder F\u002F2062, F\u002F2082, F\u002F2104, F\u002F2139, F\u002F2137 en\u002Fof F\u002F2155), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 4] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode juli 2007 tot en met april 2008 (waaronder F\u002F1708, F\u002F1976, F\u002F1898 , F\u002F1670, F\u002F1827, F\u002F1787, F\u002F1924 en\u002Fof F\u002F1869), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 5] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 2, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode april 2008 tot en met mei 2008 (waaronder F\u002F2431 en\u002Fof F\u002F2441), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 6] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode mei 2008 tot en met februari 2009 (waaronder F\u002F1488, F\u002F1494, F\u002F1502, F\u002F1530, F\u002F1577, F\u002F1573, F\u002F1558 en\u002Fof 1599), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van (ZAP) [onderneming 7] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van februari 2009 tot en met september 2009 (waaronder F\u002F1344, F\u002F1375, F\u002F1399, F\u002F1401, F\u002F1414, F\u002F1425, F\u002F1440 en\u002Fof F\u002F1460), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 8] B.V. (h.o.d.n. [onderneming 8] ) en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van juli 2009 tot en met december 2009 (waaronder F\u002F1244, F\u002F1307, F\u002F1316 en\u002Fof F\u002F2335), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 9] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van december 2009 tot en met november 2010 (waaronder F\u002F0969, F\u002F0902, F\u002F1093, F\u002F1146, F\u002F1165, F\u002F1202, F\u002F1237 en\u002Fof F\u002F2266), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 10] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode van augustus 2006 tot en met november 2008 (waaronder F\u002F3391, F\u002F3389, F\u002F3416, F\u002F3400, F\u002F3570, F\u002F4012, F\u002F4464 en\u002Fof F\u002F4560), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof * 10, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode januari 2009 tot en met december 2010 (waaronder F\u002F3731, F\u002F4960, F\u002F5249, F\u002F5322, F\u002F5420, F\u002F5439, F\u002F6782, F\u002F6855, F\u002F6889 en\u002Fof F\u002F7006), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 2] B.V., terwijl een inkoop van auto's en\u002Fof een verkoop van auto's zoals op die facturen vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet tussen die voornoemde onderneming(en) heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en\u002Fof terwijl in werkelijkheid sprake was van door die onderneming(en) opgezette (schijn)transacties met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een internationale BTW-fraude) de Nederlandse Staat financieel te benadelen (op het terrein van omzetbelasting) en\u002Fof zichzelf\u002Fhenzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om die\u002Fdat (samenstel van) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010 in de gemeente(n) Sprang-Capelle en\u002Fof Breda en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) over het\u002Fde (maandelijkse) aangiftetijdvak(ken) - maanden oktober 2006 tot en met december 2006 en\u002Fof - maanden januari 2007 tot en met december 2007 en\u002Fof - maanden januari 2008 tot en met december 2008 en\u002Fof - maanden januari 2009 tot en met december 2009 en\u002Fof - maanden januari 2010 tot en met oktober 2010, onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, althans doen of laten doen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) opzettelijk op\u002Fin het\u002Fde bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (langs elektronische weg) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) – zakelijk weergegeven – - (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, en\u002Fof - (telkens) een te laag belastbaar bedrag en\u002Fof een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl die\u002Fdat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 22 oktober 2010 te Veen, gemeente Aalburg, en\u002Fof in de gemeente(n) Veghel en\u002Fof in Vianen en\u002Fof Zundert en\u002Fof (elders) in Nederland, en\u002Fof in Duitsland en\u002Fof in Spanje en\u002Fof in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt, althans zich schuldig heeft\u002Fhebben gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode van (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de\u002Fhet navolgende geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en), (telkens) verworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat die\u002Fdat voorwerp(en) en\u002Fof dat\u002Fdie geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf, door:\n\nA) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een (totaal)bedrag groot (circa) € 702.098,00, althans enig(e) geldbedrag(en), in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening en\u002Fof\n\n B) (een of meer van) de navolgende geldbedrag(en) als kasopname\u002Fkasuitgave in het kasboek van (het [autobedrijf verdachte] ) [verdachte] jaar 2008 te boeken en\u002Fof te laten boeken met als verantwoording \" [onderneming 6] BV\" en\u002Fof \" [onderneming 6] \", terwijl die \" [onderneming 6] BV \"en\u002Fof \" [onderneming 6] \" als onderneming(en) rechtens niet bestond(en), (het betrof(fen) het\u002Fde navolgende geboekte geldbedrag(en) (in euro's): - april 24 58.000,00 en\u002Fof - april 25 110.500,00 en\u002Fof - april 29 158.250,00 en\u002Fof - mei 6 55.050,00 en\u002Fof - mei 7 39.000, - mei 8 62.500,00 en\u002Fof\n\nC) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen bankrekening(en) ten name gesteld van het\u002Fde navolgende (plof)bedrijf\u002Fbedrijven, te weten: - in het jaar 2007 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 12.035.500,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in het jaar 2008 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.304.200,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 naar [onderneming 10] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 13.816.350,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar [onderneming 12] , een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.804.600,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof\n\nJ) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 2] ) ten name gesteld van [onderneming 10] B.V. in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.896.670,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Belgische) bankrekening(en) ( [rekeningnummer 3] ) (DEXIA) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA en\u002Fof ( [rekeningnummer 4] (ING) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA, en\u002Fof\n\nL) vanaf de\u002Feen bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) ten name gesteld van [onderneming 12] in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2010: - een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.630.700,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 6] ) ten name gesteld van, althans in gebruik bij, [onderneming 14] (GmbH & Co KG) en\u002Fof - een (totaal)bedrag groot (circa) € 59.500,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 7] ) ten name gesteld van [onderneming 15] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nPartiële nietigheid van de dagvaarding\n\nHet onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover het de zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’ betreft, behelst naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, een onduidelijkheid, aangezien niet duidelijk is op welke (rechts)personen de steller der tenlastelegging doelt. De tenlastelegging is op dit punt in hoger beroep niet anders komen te luiden.\n\nNu in zoverre niet is voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen voor wat betreft duidelijkheid, is het hof mitsdien van oordeel dat de tenlastelegging, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, voor wat betreft voormelde zinsnede, niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde\n\nDe verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.\n\nHet hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.\n\nIn de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [onderneming 15] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.\n\nDe directeur van [onderneming 15] , [directeur onderneming 15] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn [autobedrijf verdachte] had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd. De verdachte zou volgens [directeur onderneming 15] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [directeur onderneming 15] .\n\nDe verdachte heeft de verklaring van [directeur onderneming 15] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [onderneming 15] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [directeur onderneming 15] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [directeur onderneming 15] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [onderneming 15] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [directeur onderneming 15] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.\n\nHet hof stelt vast dat getuige [directeur onderneming 15] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [directeur onderneming 15] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en niet van [onderneming 15] . Daarbij komt dat [directeur onderneming 14] van [onderneming 14] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [onderneming 14] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [directeur onderneming 14] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [directeur onderneming 15] ondersteunt.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 1] , echtgenote van [echtgenoot getuige 1] , die heeft verklaard dat [directeur onderneming 15] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.\n\nHet voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [directeur onderneming 15] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ’s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.\n\nMet betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [onderneming 10] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.\n\nHet hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW-fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.\n\nHet hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [medeverdachte 8] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [autobedrijf 1] B.V. respectievelijk [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.\n\nMet betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [onderneming 14] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [autobedrijf verdachte] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde én dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde\n\nNu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [autobedrijf verdachte] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde\n\nAangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en\u002Fof verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [onderneming 10] B.V. en telkens gericht aan [autobedrijf verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4.\n\nhij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) geldbedragen in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, kantoor Rotterdam, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst\u002FFIOD, dossiernummer 45590, onderzoek ‘Kameleon’, gesloten d.d. 17 januari 2012, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-6299.\n\nBewijsoverwegingen\n\nA.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto’s die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.\n\nDe verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.\n\nMet betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nB.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.\n\nB.1Aanleiding onderzoek KameleonDe Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [autobedrijf verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [autobedrijf verdachte] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [autobedrijf verdachte] werden doorgefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW-tarief – vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof – factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [autobedrijf verdachte] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [autobedrijf verdachte] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.\n\nB.2Voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte]\n\nDe verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [broer verdachte] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA.\n\nUit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte, aan de [adres] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’.Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt’ om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.\n\nB.3Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift\n\nHet hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.\n\nAan getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het [autobedrijf verdachte] van de verdachte.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [broer verdachte] ’ bij het [autobedrijf verdachte] waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren.Het hof stelt vast dat in plaats van [broer verdachte] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [broer verdachte] uitsluitend de administratie van het [autobedrijf verdachte] verzorgde.\n\nVoorts zijn aan de getuige [getuige 2] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto’s die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 2] .\n\nHet hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 2] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het [autobedrijf verdachte] van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.\n\nHet voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.\n\nB.4Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s\n\nHet hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand.In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F\u002F0001 t\u002Fm F\u002F7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [onderneming 10] B.V. dan wel via [onderneming 13] BVBA, afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [onderneming 14] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:\n\ni. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 04\u002F10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [chassisnummer 1] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW.Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202590 (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.\n\nii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 03\u002F10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [chassisnummer 2] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202570 (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.\n\niii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [chassisnummer 3] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202198 (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.\n\niv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 11\u002F09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [chassisnummer 4] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202245 (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.\n\nv. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [chassisnummer 5] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 1209030 (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.\n\nB.5Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie\n\nWezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.\n\n [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [onderneming 14] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [onderneming 14] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.\n\nDe door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.\n\n De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.\n\nDoor onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [onderneming 10] B.V. (2 stuks) en [onderneming 13] BVBA (3 stuks).\n\nB.6Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controlerenHet verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of – zoals de verdachte beweert – de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.\n\nB.7Onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [fiscaal adviesbureau] de administratie van [autobedrijf verdachte] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [onderneming 10] B.V.De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.\n\nGetuige [getuige 3] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [autobedrijf verdachte] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [broer verdachte] .\n\nDe broer van de verdachte, [broer verdachte] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [fiscaal adviesbureau] . Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [broer verdachte] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.\n\nHet hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [onderneming 10] B.V.Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [onderneming 10] B.V., kan naar ’s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan. Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.\n\nB.8Witwassen van een bedrag van € 207.371,00\n\nHet hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.\n\nVoor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nHet hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207.371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij – na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had – slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn.Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.\n\nNiettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar ’s hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.\n\nBij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] .Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen – en nadien elke betaling en opname daaruit – kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.\n\nUit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00.Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden.Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.\n\nHet hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.\n\nGelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nC.\n\nAldus falen alle tot vrijspraak strekkende verweren. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nAangezien, zoals hiervoor onder B.8 is overwogen, naast het voorhanden hebben van het uit eigen misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00, eveneens sprake is geweest van omzettingshandelingen en van het gebruik maken van dat geldbedrag, vindt de kwalificatieuitsluitingsgrond ter zake van witwassen geen toepassing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waartoe de advocaat-generaal heeft gerequireerd, zal het hof de verdachte dan ook niet in zoverre van het onder feit 4 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nvalsheid in geschrift.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk onjuist doen van een belastingaangifte en witwassen.\n\nDe verdachte was werkzaam als autohandelaar. Hij heeft vijf valse inkoopfacturen die te maken hadden met grootschalige BTW-fraude in zijn administratie laten opnemen en daarmee (een deel van) zijn bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt. Voorts heeft de verdachte een onjuiste aangifte omzetbelasting laten doen. Bij die aangifte is voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen, terwijl de verdachte daartoe niet gerechtigd was. Dat bedrag is vervolgens door de verdachte witgewassen, doordat hij dat bedrag – dat zich heeft vermengd met het overige aanwezige banksaldo – voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt.\n\nDoor de bedrijfsadministratie valselijk op te maken heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Het hof rekent het de verdachte eveneens aan dat hij een aangifte omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. Door een aangifte te doen die niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans samen met zijn vrouw woonachtig is in Spanje, hij vier kinderen heeft die niet meer thuis wonen, zijn autobedrijf ten onder is gegaan als gevolg van deze zaak, er naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting aan hem zijn opgelegd en nog niet zijn afgewikkeld, hij zijn eigen woning heeft moeten verkopen en dat hij met het verrichten van diverse hand- en spandiensten zijn inkomen vergaart. De verdachte stelt voorts overspannen te zijn geraakt door deze strafzaak en heeft daardoor een tijd te kampen gehad met psychische klachten.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag, passend en geboden.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 mei 2011, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de FIOD als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft op 31 juli 2019 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van 6 jaren en ruim 2 maanden. Daarnaast is het hof gebleken dat ook de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 7 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 17 december 2024 en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – eindarrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 3 jaren en iets meer dan 4 maanden overschreden. De totale overschrijding bedraagt aldus om en nabij 9 jaren en 6 maanden.\n\nBij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en\u002Fof zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak zeer omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijk termijn mitsdien ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 25 uren.\n\nHet voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 125 uren subsidiair 62 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstaf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op de aangifte omzetbelasting over september 2006;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nverklaart de dagvaarding partieel nietig, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’;\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van125 (honderdvijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. J. Platschorre, voorzitter,\n\nmr. J.M. van der Vegt en mr. W.F. Koolen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,\n\nen op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Vegt voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Proces-verbaal van aantreffen voorraadlijsten in pand [adres] AH-126-a, p. 1645; Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , AH-18-b, p. 1136-1137; D-0059-b, p. 2775-2776; Bewijzen van inbeslaggenomen voorwerpen [adres] , AH-018-b-1, p. 1141.\n\n Voorraadlijst met documentnummer D-03-B, 49412 1\u002F2, p. 653.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven lijsten met documentnummers D-04, 49412, p. 669 en D-05, 4912, p. 670.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven notitie met zeven auto’s, per fax verstuurd vanuit [autobedrijf verdachte] , D-0140-C, p. 3184.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, welk bestand onderdeel uitmaakt van het procesdossier.\n\n De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat indien sprake was van een personenauto (zoals hier telkens aan de orde), de prijzen altijd inclusief BTW waren. Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3060. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3053. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3152. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3153. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3179. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Overzichtsproces-verbaal, p. 20.\n\n Proces-verbaal van nadeelberekening [autobedrijf verdachte] , AH-171, p. 1912-1916; Jaaroverzicht omzetbelasting 2006, B-0081-aa en Aangiftenoverzicht omzetbelasting B-0081-a, p. 5392-5397.\n\n Ambtsedige verklaring omzetbelasting januari 2006 tot en met juli 2010, B-0081, p. 5388-5391.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] d.d. 12 juli 2011, p. 2603-2604.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [broer verdachte] d.d. 6 juli 2011, p. 2427.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395 in combinatie met het proces-verbaal inzake nadeelberekening [verdachte] , AH-171, p. 1912-1916.\n\n Vgl. Hof van Justitie van de EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439\u002F04 en C-440\u002F04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40; Hof van Justitie van de 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395.\n\n Vgl. Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en de daaraan voorafgaande conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2774, i.h.b. r.o. 11, 12 en 20, alsmede de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:516, i.h.b. r.o. 40-44.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630-1631.\n\n Vgl. Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar opnamen bij geldautomaat en betalingen bij betaalautomaat, AH-124-b, p. 1634-1635.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar kasopnamen bij de bank, AH-124-c, p. 1636.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 13 mei 2019, 15 mei 2019 en 31 juli 2019, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","2024-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.279Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":40,"updatedAt":99},"777","ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","ecli-nl-ghshe-2024-3585","2024-09-18T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003285-23\n\nUitspraak : 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208912-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘opzetheling’ (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling en verbetering van gronden, en met uitzondering van de opgelegde straf.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof ziet aanleiding om het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 3.1.2., te weten het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 34 en 35, aan te vullen door na de zin “Zij hadden (…) fiets getroffen” in te voegen:\n\nOmstreeks 08:20 uur waren wij ter plaatse. Wij (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] )hoorden van de boa’s dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen. Zij hadden een man weg zien fietsen bij de [supermarkt] aan de Van Beethovenlaan. De boa’s waren achter de man aangefietst en controleerden hem. De man had geen identiteitsbewijs bij zich. Zij controleerden het chassisnummer van de fiets via de STOP heling app. Hieruit kwam naar voren dat de fiets gestolen was. De boa’s hebben toen via het operationele centrum de politie ter plaatse gevraagd.\n\nVerbetering van de bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake lijkt te zijn van een willekeurige staande houding van de verdachte door de verbalisanten, waarbij niet naar het identiteitsbewijs is gevraagd en vragen aan de verdachte zijn gesteld zonder dat de cautie is gegeven.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nGelet op hetgeen daaromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , concludeert het hof dat de boa’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Op grond van de Wet op de identificatieplicht was de verdachte verplicht aan hun bevel gehoor te geven. Van een staandehouding op de voet van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering was, anders dan de raadsman heeft betoogd, derhalve geen sprake. Toen de boa’s vervolgens evenwel waarnamen dat het slot van de (elektrische) fiets waarop de verdachte reed was doorgeslepen en achter op de bagagedrager hing, hebben zij hem bevraagd over de fiets. Omdat op dat moment wel een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij de boa’s moet zijn gerezen, hadden ze de verdachte, alvorens hem naar aanleiding van hun verdenking te bevragen, de cautie moeten geven. Aan de omstandigheid dat zij dit hebben nagelaten verbindt het hof in het onderhavige geval evenwel geen consequenties omdat de verdachte, gelet op het door hem gegeven antwoord op de vraag van wie de fiets was, te weten dat hij de fiets had geleend van een vriend, niet in zijn belangen is geschaad.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, op te leggen.\n\nIndien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman van de verdachte bepleit aan te sluiten bij de straf zoals is gevorderd door de advocaat-generaal.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die van misdrijf afkomstig zijn. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat plegers van diefstallen geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde strafbare feiten, terwijl deze feiten leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nNaar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) weken;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,\n\nmr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 18 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","2024-11-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.586Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":40,"updatedAt":108},"1172","ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","ecli-nl-ghshe-2024-2467","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000534-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\nopgeroepen als:\n\n [verdachte] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen, het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 9.000,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.\n\nNamens van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2024 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de verdediging – gelijk aan hetgeen in eerste aanleg aangevoerd – het hof verzocht de in verband met het verhuren van de stallen gemaakte kosten, e weten de\n\nwaterschapslasten (€ 708,- : 2 = € 359,-),\n\nverzekeringskosten (€ 4.341,60 : 2 = € 2.170,80) en,\n\nonroerendezaakbelasting (€ 1199,- : 2 = € 599,50)\n\nop het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen, zodat een bedrag van € 5.870,70 aan wederrechtelijk verkregen voordeel resteert, en vervolgens dat bedrag te matigen zodat recht wordt gedaan aan de feitelijke situatie waarbij het grootste deel van de door de betrokkene verhuurde stallen legaal in gebruik waren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust en zal daarom het vonnis integraal bevestigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:08.020Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":104,"fullText":113,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":40,"updatedAt":115},"761","ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","ecli-nl-ghshe-2024-2468","Parketnummer : 20-000535-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\ngedagvaard als:\n [maatschap] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a, juncto artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 9.000,00 waarvan € 4.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nGeldigheid van de dagvaarding\n\nAmbtshalve merkt het hof op dat de dagvaarding in hoger beroep, zoals ook in eerste aanleg het geval was, is gericht aan ‘ [maatschap] ’. Ter terechtzitting in eerste aanleg is reeds gebleken dat ‘ [maatschap] ’ niet bestaat. Ook is gebleken dat [vertegenwoordiger verdachte] – naast de besloten vennootschap [bedrijf 2] – maat is in de ‘ [verdachte] ’ en dat hij daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijf 2] Dit komt overeen met de gegevens in het procesdossier. Gelet hierop, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de tenaamstelling in de dagvaarding berust op een kennelijke vergissing. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is hierdoor bij de maatschap geen verwarring ontstaan en was bekend welk strafrechtelijk verwijt haar werd gemaakt. Het hof leest daarom de op de dagvaarding vermelde naam van de verdachte ‘ [maatschap] ’ verbeterd als ‘ [verdachte] ’. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.\n\nUit het dossier blijkt ook dat [vertegenwoordiger verdachte] in persoon de huurovereenkomst van de stallen heeft getekend en dat de stallen bedrijfsmatig door hem werden verhuurd, terwijl blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger verdachte] als vertegenwoordiger van de [verdachte] (onder meer) activiteiten ontplooit op het gebied van de verhuur van vastgoed in de agrarische sector. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens het laatste woord namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair:\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A;\n\nsubsidiair:[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij\u002Ftot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest, althans opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen heeft verschaft door toen daar onder andere de stal 3a en\u002Fof de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [adres] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [medeverdachte] , die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .\n\nGelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTen behoeve van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nJuridisch kader\n\nOp 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage I wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.\n\nArtikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage I van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\n [medeverdachte] , opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten de heer [vertegenwoordiger verdachte] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] . Van deze laatste rechtspersoon is de heer [vertegenwoordiger verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [medeverdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [vertegenwoordiger verdachte] . Deze stallen waren gevestigd aan de [adres] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [medeverdachte] verhuurd.\n\nOp 28 november 2011 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [vertegenwoordiger verdachte] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.\n\nOp 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [adres] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [vertegenwoordiger verdachte] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nDrijver van de inrichting\n\nOp grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage I bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip “drijverschap” heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en\u002Fof over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [adres] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [medeverdachte] die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.\n\nHet hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte] de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [adres] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte varkenshouderij. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan worden aangemerkt.\n\nOpzet bij (de vertegenwoordiger van) [medeverdachte]\n\nDe vertegenwoordiger van [medeverdachte] heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [medeverdachte] opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nToerekening van de verboden gedraging aan [medeverdachte]\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de (verboden) gedraging in kwestie redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.\n\nVan een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\n [medeverdachte] betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 huurde [medeverdachte] de stallen 3a en 4a aan de [adres] . In onder meer deze stallen hield zij speenbiggen en werd haar varkenshouderij geëxploiteerd. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de huisvestingssystemen in de stallen 3a en 4a aan de [adres] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. [medeverdachte] was, als drijver van de in de stallen gevestigde inrichting, verantwoordelijk voor de naleving van deze voorschriften. Bewust heeft zij nagelaten maatregelen te treffen om wel aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting te voldoen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de verboden gedragingen, zoals tenlastegelegd, aan [medeverdachte] kunnen worden toegerekend.\n\nMedeplichtigheid [verdachte]\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [vertegenwoordiger verdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [adres] , aan [medeverdachte] In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.\n\nUit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [vertegenwoordiger verdachte] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [vertegenwoordiger verdachte] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [vertegenwoordiger verdachte] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [medeverdachte] verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene - de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.\n\nDoor een huurovereenkomst te sluiten met [medeverdachte] voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [vertegenwoordiger verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte] vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [vertegenwoordiger verdachte] aan [medeverdachte] de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.\n\nHet hof merkt nog op dat [vertegenwoordiger verdachte] de huurovereenkomst met [medeverdachte] op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [vertegenwoordiger verdachte] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nDe periode\n\nNa de controle op 27 januari 2020 is [medeverdachte] begonnen met het leeghalen van de stallen. Vanaf 1 januari 2020 mochten in de stallen 3a, 4a en 6 respectievelijk maximaal 20, 20 en 1728 biggen worden gehouden. Op de veesaldokaart is te zien dat voor het eerst op 20 april 2020 in totaal niet meer dan 1768 biggen werden gehouden op de locatie [adres] . Tot en met 19 april 2020 was daarom zonder meer sprake van een illegale situatie. Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nConclusie\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [medeverdachte] gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer een economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [medeverdachte] , die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte, [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [medeverdachte] begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, alsmede op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof verenigt zich in grote lijnen met de straf(maat)overwegingen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank, en heeft deze, voor zover het zich ermee verenigt, tot de zijne gemaakt. In dit arrest zijn de straf(maat)overwegingen uit het vonnis dan ook voor een groot deel letterlijk overgenomen. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank naar eigen inzicht verbeterd, aangevuld en\u002Fof genuanceerd.\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij medeplichtig is geweest aan overtreding van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting, begaan door [medeverdachte] . In de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde de verdachte drie varkensstallen aan [medeverdachte] , wetende dat twee van deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het hiervoor genoemde besluit. Daarmee heeft zij minst genomen op de koop toegenomen dat vanaf 1 januari 2020 door [medeverdachte] met betrekking tot twee van de door verdachte verhuurde stallen een overtreding zou worden begaan. Dat is ook gebeurd. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft [medeverdachte] in de desbetreffende stallen een huisvestingssysteem toegepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de destijds op grond van voornoemd besluit toegestane maximale emissiewaarde voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft onder meer tot doel de uitstoot van ammoniak te beperken en daarmee het milieu te beschermen. Met haar handelen heeft de verdachte zich van deze belangen weinig aangetrokken. Dit rekent het hof de verdachte aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op het, de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nAlles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 6.000,00 waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 48, 49, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 6.000,00 (zesduizend euro);\n\nbepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,00 (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","2026-07-13T00:28:46.913Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":40,"updatedAt":124},"762","ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","ecli-nl-ghshe-2024-2187","2024-07-03T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002672-23\n\nUitspraak : 3 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 september 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-110821-21, 03-136274-23 en 03-173579-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03-192020-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nthans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. De verdachte is ter zake van:\n\n ‘ ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-110821-21 feit 1 en parketnummer 03-136274-23);\n\n ‘ ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (parketnummer 03-110821-21 feit 3);\n\n ‘ ‘wederspannigheid’ (parketnummer 03-110821-21 feit 4);\n\n ‘ ‘diefstal’ (parketnummer 03-173579-23 feit 1);\n\n ‘ ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ (parketnummer 03-173579-23 feit 2),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het meerdere afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het meerdere afgewezen. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 03-192020-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de overige tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken onder parketnummer 03-192020-19. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe zal wijzen conform de wijze waarop de politierechter dat heeft gedaan.\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging primair bepleit dat deze dient te worden afgewezen en subsidiair bepleit dat de proeftijd dient te worden verlengd.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof ongeveer 877,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt;\n\n4. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en\u002Fof zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtena(a)re(en) hem trachtte(n) te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\n hij op of omstreeks 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en\u002Fof ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde methamfetamine en\u002Fof heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en\u002Fof dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3. hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield;\n\n4. hij op 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\nhij op 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 gram methamfetamine en 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne, zijnde methamfetamine en heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nNu de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:\n\nIn de zaak met parketnummer 03-110821-21:\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 22 februari 2021 (p. 1-3);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 22 februari 2021 (p. 4-5);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 6-7);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 8-9);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 10-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 12-13);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 9 maart 2021, inclusief bijlagen (rapporten NFiDENT) (p. 24-38);\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 2 februari 2021, inclusief bijlagen (p. 39-48);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-136274-23:\n\nHet proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 2 juni 2023 (p. 5-6);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 2 juni 2023 (p. 8-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 26-27);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] d.d. 2 juni 2023 (p. 35);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 8] d.d. 26 juni 2023 (p. 37-40);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 43);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 44);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 45);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 46);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-173579-23:\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] d.d. 13 juli 2023 (p. 6-10);\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] d.d. 14 juli 2024 (p. 12);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] d.d. 13 juli 2023 (p. 17-18);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 20-21);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 23);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 19] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 25-26);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 28-29);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.Bewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwederspannigheid.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof – gelet op de geest en strekking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aan de verdachte aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat aan de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 12 juni 2024 de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat hij gemotiveerd is om behandelingen te volgen. Indien en voor zover aan de verdachte een straf zou worden opgelegd, dan zou dat de behandelingen van de ISD-maatregel doorkruizen. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, het vernielen van een enkelband, wederspannigheid, diefstal van een pinpas en diefstal van een grote hoeveelheid geld door die pinpas te gebruiken. Met de diefstallen en vernieling heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendomsrecht. Ook zorgen deze feiten voor schade en hinder bij de betrokkenen. Door zich met kracht los te rukken uit de handen van politieambtenaren en zich in een andere richting te bewegen, heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag en heeft hij de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak. Voorts heeft de verdachte opzettelijk hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert, onder meer de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2024, reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de tenlastegelegde feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafecht van toepassing is.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn daden, momenteel clean is, aan zichzelf wil werken en zelf om oplegging van de ISD-maatregel heeft gevraagd.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:\n\n- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;\n\n- de mate waarin het bewezenverklaarde schade bij de betrokkenen teweeg heeft gebracht;\n\n- de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 6 strafbare feiten en\n\n- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.\n\nIn het gegeven dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024 (parketnummer 03-327366-23) de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat de verdachte in dat kader een behandeling zal gaan volgen, ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde handelen geen straf of maatregel op te leggen. Een dergelijke afdoening doet onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof eveneens niet worden volstaan met een taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de verdediging is bepleit. Het hof ziet echter, met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, wel aanleiding om een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden. Daarbij zal een proeftijd van 1 jaar worden opgelegd omdat daarmee naar het oordeel van het hof kan worden volstaan.\n\nMet oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nHet procesdossier bevat geen gespecificeerde vordering tot schadevergoeding. De vordering is ter terechtzitting ook niet nader toegelicht door de benadeelde partij. Het is het hof daardoor niet duidelijk wat het totaalbedrag van de vordering is, uit welke schadeposten de vordering is opgebouwd en of deze schadeposten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de verdachte en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10,96. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het meerdere afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij de strap van de enkelband heeft vernield. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de vordering dan ook volledig toewijzen. De vordering is niet weersproken en komt het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nWettelijke rente\n\nAangezien geen factuur is overgelegd, zal het hof het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10,96. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020 onder parketnummer 03-192020-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nHet hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd te verlengen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 180, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020, parketnummer 03-192020-19, te weten van: een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. A.J. Henzen en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,\n\nen op 3 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2021027903, sluitingsdatum 9 april 2021, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 64. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023084417, sluitingsdatum 25 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 46. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023109016, sluitingsdatum 17 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 77. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","2024-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.959Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":40,"updatedAt":132},"1202","ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","ecli-nl-ghshe-2024-1598","2024-05-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001573-23\n\nUitspraak : 13 mei 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208048-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Filipijnen) op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [adres verdachte] .\n\nHoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte ter zake van:\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 1);\n\n‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 3),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair partiële vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof de anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en\u002Fof Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en\u002Fof Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en\u002Fof het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof het kussen van die [slachtoffer] en\u002Fof het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\n1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] :\n\nInformatie over het gesprek:\n\nInformatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nationaliteit Filipijnse, [adres] .\n\nDatum gesprek: 22 juni 2021\n\nWoonsituatie:\n\n [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [broer] , in de [adres]\n\n . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd.\n\nWat is er gebeurd:\n\n [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen.\n\nDe verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel.\n\nIn Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] .\n\n [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.\n\n2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :\n\nO: opmerking verbalisant\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord aangeefster\n\nAangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ), [adres] .\n\nO: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in Terneuzen woont.\n\nV: Klopt dat?\n\nA: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in [geboorteplaats slachtoffer] .\n\nV: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik?\n\nA: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten.\n\nO: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen?\n\nA: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord getuige\n\nV: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte?\n\nA: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader (het hof begrijpt: de verdachte).\n\nV: Wanneer heeft het feit plaats gevonden?\n\nA: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021.\n\nV: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd?\n\nA: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak.\n\nV: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd?\n\nA: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.\n\nV: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd?\n\nA: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij.\n\nV: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt\n\nheeft?\n\nA: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn\n\nschaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad.\n\nV: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai?\n\nA: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten.\n\nV: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland?\n\nA: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken.\n\nV: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?\n\nA: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland?\n\nA: Op 30 december 2018.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster\n\nvan Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn\n\nmet je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging?\n\nA: Ik heb geen tegenwerpingen.\n\nV: Wat gebeurde er de eerste keer?\n\nA: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan.\n\nV: Wat bedoel je met de ‘private parts’?\n\nA: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar.\n\nV: Waar en wanneer gebeurde dit?\n\nA: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed.\n\nV: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] (het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer])?\n\nA: lk begon eerst met haar borst te strelen.\n\nV: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou?\n\nA: Ja.\n\nV: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan?\n\nA: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016.\n\nV: Op welke momenten gebeurde het?\n\nA: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren.\n\nV: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ?\n\nA: In 2020 in Nederland.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte\n\nen naar je penis bracht.\n\nA: Ja dat klopt, dat is gebeurd.\n\nV: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar\n\nzei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je\n\ndaar over zeggen?\n\nA: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar\n\nNederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [broer] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer]) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op.\n\nA: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit\n\ngebeurd is. [broer] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap\n\nmet [slachtoffer] had.\n\nV: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten.\n\nDe laatste keer was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van\n\nschool, melding 22 juni 2021.\n\nA: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan.\n\n6. Een geschrift, te weten een geboorteakte, die als bijlage achter het politiedossier is gevoegd, voor zover inhoudende:\n\nName: [slachtoffer]\n\nName of Father: [verdachte]\n\nNationality: FILIPINO\n\nName of Mother: [naam moeder slachtoffer]\n\nNationality: FILIPINO\n\nDate of Birth: [geboortedag slachtoffer]\n\nPlace of Birth: [geboorteplaats slachtoffer]\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja.\n\n8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende:\n\nHet klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Terneuzen, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] .\n\nIk weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd.\n\nHet klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd en dat hij hard aan de schaamlippen van zijn dochter heeft getrokken. Gelet op de proceshouding van de verdachte, waarbij hij direct openheid van zaken heeft gegeven, is het aannemelijk dat verdachtes verklaringen (ook) op deze punten juist zijn. Bovendien was de verdachte gericht op seksuele bevrediging en niet op het op een sadistische wijze pijn doen van [slachtoffer] . Voor wat betreft de startdatum van de onder feit 1 en onder feit 3 opgenomen pleegperiode heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nHet hof acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte ‘zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen’. Tevens heeft zij verklaard ‘Ik weet niet of het hem echt gelukt is om (zijn penis)naar binnen te brengen’. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] ging en dat hij dat ‘langs de achterkant’ deed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij daarbij zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd\u002Fgebracht. Gelet op hetgeen zowel [slachtoffer] als de verdachte heeft verklaard kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. De verdachte zal derhalve in zoverre van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nAnders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hard aan de schaamlippen van [slachtoffer] heeft getrokken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, alsmede over de voor haar pijnlijke gevolgen van die handelingen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nTen aanzien van de pleegperiode van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten stelt het hof vast dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij negen jaar oud was toen het misbruik begon. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij zich kan herinneren dat [slachtoffer] tien jaar oud was toen het begon en niet negen jaar oud. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet zich niet herinnert of het misbruik op tienjarige leeftijd begon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of het misbruik in 2015 of in 2016 begon. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat de verdachte niet meer precies weet vanaf welk moment de aan hem verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, stelt het hof de begindatum van het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde vast op 1 januari 2015.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd – te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nBij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:\n\n- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,\n\n- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en\n\n- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nAard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en\u002Fof de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld.\n\nHet is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben.\n\nPersoon van de verdachte\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en\u002Fof justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen.\n\nVoorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld.\n\nDe heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico's. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nIn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,\n\nmr. J.F. Dekking en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 13 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, Unit Zeden, onderzoek Marine, onderzoeksnummer ZBRBC21119, proces-verbaalnummer PL2000-2021161821, p. 1 tot en met pagina 56, met daarachter bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","2026-07-13T00:29:09.704Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":137,"fullText":138,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":140,"parsedAt":40,"updatedAt":141},"769","ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","ecli-nl-ghshe-2024-1420","2024-04-22T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001821-18\n\nUitspraak : 22 april 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 mei 2018, in de strafzaak met parketnummer 03-866365-13 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1972,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het tweede gedeelte van de tenlastelegging en ter zake van ‘een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken, te weten van het tweede gedeelte van de tenlastelegging, ziende op de afbeeldingen met bestandsnamen LC-351751 en LC-351752 en LC-351753 (de foto’s 6,7 en 8 in proces-verbaal PL2300-2016228368-4).\n\nDe verdachte heeft aanvankelijk onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar heeft bij akte van 31 januari 2022 – tijdig, immers voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting – het hoger beroep ingetrokken voor zover het tegen deze vrijspraak was gericht.\n\nHet hof heeft ter terechtzitting van 31 januari 2022 geoordeeld dat voornoemde partiële vrijspraak dient te worden aangemerkt als een beschermde vrijspraak. Voorts heeft het hof bepaald dat dit deel van het beroep partieel namens de verdachte kon worden ingetrokken en dat dit deel van de tenlastelegging derhalve niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van gronden en met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde straf. Voorts zal het hof de door de rechtbank opgenomen wettelijke voorschriften vervangen op de wijze zoals hierna is vermeld.\n\nHet hof zal de overwegingen van de rechtbank onder de kopjes inleiding, bewijs en overwegingen in het geheel verbeteren en vervangen op na te melden wijze. Het hof heeft daarbij deels aansluiting gezocht bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen.\n\nVerbetering van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de tenlastegelegde afbeeldingen niet kunnen worden aangemerkt als kinderporno; de tenlastegelegde afbeeldingen bevatten op zichzelf geen seksuele gedraging. Ook uit de wijze van het tot stand komen van de tenlastegelegde afbeeldingen kan niet worden geconcludeerd dat deze onmiskenbaar strekken tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Verder stelt de verdediging dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte] de foto’s heeft genomen en dat medeplegen niet kan worden bewezen, hetgeen wel nodig is om tot een veroordeling van de verdachte te komen. Uit het enkele feit dat de verdachte (mede) op de afbeeldingen is te zien, kan niet volgen dat er van samenwerking ten aanzien van de totstandkoming van de foto’s sprake is.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nInleiding\n\nIn maart 2012 ontving het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de nationale recherche (hierna: TBKK) afbeeldingen van de Deense politie, waarop onder andere een man, een vrouw, drie jongens en twee meisjes in wisselende samenstellingen te zien waren. Een aantal van die afbeeldingen werd aangemerkt als kinderporno. Op de afbeeldingen waren aanwijzingen te zien dat deze in Nederland zouden zijn gemaakt. Door het TBKK werd een onderzoek ingesteld naar de herkomst van die foto’s. Op de foto’s werden onder andere de verdachte, haar dochter [slachtoffer] en haar partner [medeverdachte] , herkend.Op 17 juni 2013 werden de verdachte en [medeverdachte] aangehouden.\n\nBewijsmiddelen\n\nTijdens het onderzoek werden de foto’s bekeken. Een aantal zijn genoemd respectievelijk beschreven met volgnummers 1 tot en met 34 in de proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 respectievelijk -5. De afbeeldingen met de bestandsnamen HH Public Sample 001.jpg (het hof begrijpt: volgnummer 16),LC-351904 (het hof begrijpt: volgnummer 3)en LC-351905(het hof begrijpt: volgnummer 2)werden door verbalisant [verbalisant 1] , destijds werkzaam als gecertificeerd kinderpornorechercheur, als kinderpornografisch aangemerkt. Op deze afbeeldingen zijn te zien de verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] ligt rechts van de verdachte en [slachtoffer] heeft de tepel van de rechterborst van de verdachte in haar mond. De verdachte heeft met haar rechterhand het hoofd van haar dochter vast. [slachtoffer] ’s bovenlichaam is ontbloot. Deze foto met volgnummer 3 is nagenoeg identiek aan de foto met volgnummer 2.Verder is de foto met volgnummer 16 identiek aan de foto met volgnummer 2.\n\nUit onderzoek op basis van zogenaamde exif-informatie is gebleken dat de afbeeldingen LC-351904 (volgnummer 3) en LC-351905 (volgnummer 2) werden gemaakt op – respectievelijk – 2004-01-09 om 07:35:15 uur en 2004-01-09 om 07:35:28 uur.Uit de exif-informatie volgt verder dat op 2004-01-09 tussen 07:15:40 uur en 07:50:54 uur in totaal 14 foto’s werden gemaakt.Al deze foto’s werden in het politieonderzoek als kinderpornografisch aangemerkt.Hieronder volgt, met uitzondering van de hiervoor beschreven foto’s met volgnummers 2 en 3, een beschrijving van die foto’s:\n\n- Foto met volgnummer 28: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een zitbank. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar rechterhand onder haar hoofd, de linkerhand in haar zij, heeft haar linkerbeen opgetrokken en draagt een wit onderbroekje met een roze bies en een afbeelding van een blauw bloemetje. Het camerastandpunt is gericht op de borsten en het kruis van het meisje.Volgens de exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 07:15:40 uur.\n\n- Foto met volgnummer 34: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit geheel ontkleed op een speelkleed. Het meisje betast met haar rechterhand haar vagina en houdt met haar linkerhand haar blauwe onderbroekje vast.Deze foto is volgens de exif-informatie gemaakt op 2004-01-09 om 07:29:27 uur.\n\n- Foto met volgnummer 4: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Beiden liggen op hun rug in een tweepersoonsbed. Het meisje ligt rechts van haar moeder, heeft haar hoofd naar links, reikt met haar rechterhand naar de rechterborst van haar moeder. Het meisje heeft haar benen opgetrokken en draagt een blauw onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje.Blijkens de exif-informatie is deze foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:35:05.\n\n- Foto met volgnummer 1: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken, houdt met beide handen haar voeten vast en kijkt tussen haar benen door in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje en heeft een ontbloot bovenlichaam. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje. Naast haar ligt haar moeder, de verdachte. Zij heeft dezelfde houding als haar dochter [slachtoffer] .Uit de exif-informatie volgt dat de foto is genomen op 2004-01-09 om 7:36:17 uur.\n\n- Foto met volgnummer 27: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken en kijkt daar tussendoor in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij in de knieholte heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de anus en vagina van het meisje.Volgens de exif-informatie is deze foto genomen op 2004-01-09 om 7:41:09.\n\n- Foto met volgnummer 29: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij met beide handjes omlaag brengt. Het camerastandpunt is gerecht op de vagina van het meisje.De foto is volgens de exif-informatie genomen op 2004-01-09 op 7:41:25.\n\n- Foto met volgnummer 14: het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, met haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij op haar enkels heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de vagina van het meisje. Het meisje is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 07:42:22.\n\n- Foto met volgnummer 11: op deze foto staat [slachtoffer] , Op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurige onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers haar grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:38.\n\n- Foto met volgnummer 13: het meisje staat met de rug naar de camera, er is ingezoomd op haar billen en de bovenkant van haar lichtblauwe onderbroekje zit ter hoogte van haar knieën. Met haar handen steunt ze op de achterkant van een bed. Het afgebeelde meisje is [slachtoffer] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:42:42.\n\n- Foto met volgnummer 12: op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurig onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers de grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:14.\n\n- Foto met volgnummer 9: het is een afbeelding van de vagina van [slachtoffer] . Het meisje ligt op haar rug met opgetrokken benen. Het meisje trekt met haar vingers haar vagina open.Blijkens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:44:12 uur.\n\n- Foto met volgnummer 30: op deze foto afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit met haar knieën op een bed. Het meisje heeft haar bovenlichaam ontbloot en draagt een roze onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op de borstjes van het meisje. Het meisje steekt haar tong uit en houdt deze in de linker mondhoek.Volgens exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:50:54.\n\n [slachtoffer] is, zoals hiervoor al is vermeld, geboren op [geboortedatum] .\n\nIn het herziene rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 mei 2023 is onderzoek gedaan naar de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de metadata, en in het bijzonder de tijdstempels, aanwezig in de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004. Op 10 oktober 2022 is volgens opgaaf de meest origineel beschikbare versie van het onderzoeksmateriaal, als collectie van 353 fotobestanden [AAPT7154NL] waarvan het grootste deel ook exif-metadata bevat, bij het Nederlands Forensisch Instituut aangeleverd. Deze collectie bevat 110 bestanden met een tijdstempel van 9 januari 2004. In het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende hypothesen:\n\nHypothese B1: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen (ongeveer) overeen met het moment van opname van foto’s.\n\nHypothese B2: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen niet overeen met het moment van opname van de foto’s.\n\nUit het onderzoek volgt dat de bevindingen van het onderzoek van de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004 zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese B2 waar is, dan wanneer hypothese B1 waar is.\n\nVerder volgt samenvattend uit het onderzoek dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metabestanden die zijn gemaakt met een Kodak DX7630. Er zijn binnen het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004.\n\nAan de verdachte zijn in haar verhoor bij de politie op 18 juni 2013 16 foto’s getoond. De getoonde foto’s komen overeen met de nummers in het proces-verbaal beeldmateriaal van het KLPD.In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 is nader uitgewerkt welke foto’s aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn getoond. Dat betreffen de foto’s 1 tot en met 16 uit dit proces-verbaal waarbij de nummering in de tabellen is bijgevoegd.De verdachte heeft in haar verhoor bij de politie verklaard dat zij vanaf mei 2006 tot januari 2007 woonde aan de [adres 2] . Haar partner [medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte] )kwam daar geregeld. Zij heeft verder verklaard dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 zijn gemaakt op de [straatnaam 1] en dat zij zich deze foto’s kan herinneren omdat zij daar zelf bij was. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 de foto’s uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4, 2, 15 en 13 betreffen.De foto’s waar de verdachte zelf op staat, zijn volgens haar gemaakt in 2006.In haar verhoor bij de politie op 20 maart 2023 heeft de verdachte met betrekking tot de foto’s met volgnummers 17-34 verklaard dat zij geen manipulatie ziet.\n\nMedeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de foto’s 1, 2, 3 en 4 heeft gemaakt.Dat zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen de foto’s met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4 en 2.Verder heeft hij verklaard dat hij een onderbroekenfetisj had en een dwangmatige verzamelaar is van afbeeldingen van meisjes en vrouwen in onderbroeken.\n\n Op 24 oktober 2023 is [slachtoffer] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft zij onder meer verklaard dat zij zich kan herinneren dat er naaktfoto’s van haar zijn gemaakt als kind zijnde, dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] )deze foto’s maakte en dat [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte)hierbij stond. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij zich de situatie kan herinneren dat zij op een bed ligt met haar knieën omhoog waarbij haar onderlichaam is ontkleed. Verder heeft zij verklaard dat zij zich kan herinneren dat er foto’s van haar vagina zijn gemaakt. Ze lag dan op bed en er werden foto’s gemaakt. [medeverdachte] spreidde haar schaamlippen, en maakte dan met één hand de foto. Haar moeder(het hof begrijpt: de verdachte)was er ook bij als er zo’n foto van haar vagina werd gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nSeksuele gedraging\n\nHet hof heeft de tenlastegelegde afbeeldingen, mede op verzoek van de verdediging, in raadkamer bekeken. Daarbij heeft het hof waargenomen dat de afbeeldingen van onderaf in een ongebruikelijk camerastandpunt zijn genomen. Op de afbeeldingen zijn de ontblote bovenlichamen van de verdachte en [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft haar hand op het achterhoofd van [slachtoffer] en duwt\u002Fhoudt [slachtoffer] hiermee in de gefotografeerde positie. Het hof neemt verder waar dat de verdachte haar mond gedeeltelijk open heeft, dat zij haar hoofd (deels) heeft weggedraaid en dat haar ogen (op een van de twee afbeeldingen) naar boven zijn gedraaid. Verder heeft het hof waargenomen, gelijk de verbalisanten hebben gerelateerd, dat [slachtoffer] de tepel van de verdachte in haar mond heeft. Het hof is gelet op het voorgaande, in tegenstelling tot de verdediging, maar met gecertificeerd kinderpornorechercheur [verbalisant 1] , van oordeel dat de tenlastegelegde afbeeldingen wel degelijk afbeeldingen zijn met daarop een gedraging die van expliciet seksuele aard is en derhalve als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt. Dat de afbeeldingen van kinderpornografische aard zijn, vindt bovendien bevestiging in het feit dat deze afbeeldingen onderdeel uitmaken van een reeks van 14 afbeeldingen welke in een tijdsbestek van ongeveer 35 minuten zijn gemaakt en welke overige afbeeldingen eveneens als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Met betrekking tot het moment waarop en de locatie waar de afbeeldingen zijn gemaakt, gaat het hof weliswaar uit van de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de foto’s waarop zij zelf is te zien, zijn gemaakt aan de [adres 2] en dat zij daar woonachtig was in de periode van mei 2006 tot januari 2007. Daarmee wordt bevestigd hetgeen is gerelateerd in voormeld rapport van het NFI van 11 mei 2023, te weten dat de tijdstempels van de afbeeldingen (zeer veel waarschijnlijker) niet overeenkomen met het moment van het maken van de foto’s. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof echter van oordeel dat die afbeeldingen wel zijn gemaakt in een tijdsbestek van 35 minuten. Het hof wijst daarbij op de conclusie van het NFI daaromtrent, namelijk dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metadata van fotobestanden en er geen aanwijzingen zijn gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004. Dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de tenlastegelegde afbeeldingen, maar ook bij het maken van voormelde overige (kinderpornografische) afbeeldingen, vindt zijn bevestiging in de hiervoor bij het bewijs opgenomen verklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris. Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat die verklaring van [slachtoffer] ziet op een later moment en aldus niet op de overige hiervoor genoemde afbeeldingen, wordt door het hof niet gevolgd. [slachtoffer] heeft in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris immers verklaard dat zij zich een situatie zoals afgebeeld op een van de foto’s kon herinneren, maar dat zij dacht dat ze op dat moment ouder was. Ook heeft zij verklaard dat zij niet zeker weet hoe oud ze was en dat ze eerder in het verhoor gokte dat ze toen ongeveer 12 jaar moet zijn geweest. Ten slotte maakt de door [slachtoffer] geschetste context waarin het maken van de foto’s plaatsvond – welke context overeenkomt met de inhoud van de hiervoor omschreven pornografische afbeeldingen – dat het hof van oordeel is dat [slachtoffer] in haar verhoor voormelde afbeeldingen, waarbij zij ongeveer 8\u002F9 jaar oud was, heeft bedoeld.\n\nMedeplegen\n\nMet betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer omtrent het medeplegen, overweegt het hof nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] de tenlastegelegde afbeeldingen, waarop zowel de verdachte als [slachtoffer] zijn te zien, heeft genomen. Het hof is van oordeel dat er op die afbeeldingen doelbewust is geposeerd en dat er geen sprake was van een spontaan ‘grappig’ moment, zoals de verdediging heeft betoogd. Daarbij wijst het hof onder meer op de setting waarin de afbeeldingen zijn genomen, namelijk op een bed, waarbij zowel het bovenlijf van [slachtoffer] als van de verdachte is ontbloot, maar ook op de (seksuele) pose die door zowel de verdachte als [slachtoffer] daarop zijn aangenomen. Naar ‘s hofs oordeel kan het de verdachte niet zijn ontgaan dat deze afbeeldingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn genomen, mede gelet op haar aanwezigheid bij de andere 12 in een totaal tijdsbestek van 35 minuten genomen kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] . Dat maakt dat het hof van oordeel is dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het bewezenverklaarde feit, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.\n\nHet hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplegen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met haar partner medeplegen van het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van haar destijds minderjarige dochter [slachtoffer] . De afbeeldingen zijn onderdeel van een reeks van afbeeldingen waarin [slachtoffer] poseerde in seksueel prikkelende houdingen en die zijn ontdekt tijdens een onderzoek naar kinderporno op het internet door de Deense autoriteiten. Uit dat onderzoek is gebleken dat de afbeeldingen van [slachtoffer] via het internet zijn verspreid en door verzamelaars van kinderporno worden gedeeld. Het hof is van oordeel dat de verdachte haar zeer jonge dochter heeft misbruikt ten behoeve van de perverse seksuele behoeften van haar toenmalige maar ook nog huidige partner. Hierbij merkt het hof op dat [slachtoffer] kennelijk om aan de fetisj van de medeverdachte tegemoet te komen, heeft geposeerd in verschillende onderbroeken. Het is weerzinwekkend dat de verdachte eraan heeft meegewerkt dat haar dochter, in alle onschuld en totaal onwetend, op deze wijze is gefotografeerd en geëxploiteerd. Zij heeft daarmee het vertrouwen dat een kind in een ouder moet kunnen hebben op zeer ernstige wijze misbruikt en heeft slechts oog gehad voor haar eigen seksuele verlangens en\u002Fof die van haar partner. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een feit als het onderhavige gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen kunnen ervaren. [slachtoffer] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar moeder haar heeft bedreigd dat ze niks over de zaak mocht vertellen en dat haar leven een hel zou worden als ze dat wel zou doen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2024, waaruit volgt dat zij niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het vervaardigen van kinderporno uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.\n\nNaar het oordeel van het hof kan – gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte naar ’s hofs oordeel geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen – niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.\n\nHet hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, te weten een overschrijding van in totaal ongeveer 7 jaren. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf.\n\nZoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. In hetgeen de raadsman heeft bepleit, ziet het hof geen redenen om anderszins te beslissen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;\n\nkwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. drs. M.C.C. van de Schepop en mr. R. Lonterman, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 22 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , hoofdagent van politie-eenheid Limburg en [verbalisant 2] , brigadier van politie-eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2012085827, gesloten d.d. 27 juni 2013, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-307. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 januari 2013, proces-verbaalnummer 2012085827.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8 en pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 2 en 3.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeeldingen 28, 34, 4, 3, 2, 1, 27, 29, 14, 13, 12, 11, 9 en 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8 (afbeelding 1), 2\u002F8 (afbeelding 2, 3 en 4), 3\u002F8 (afbeelding 9, 11 en 12), 4\u002F8 (afbeelding 13 en 14), 6\u002F8 (afbeeldingen 27, 28 en 29) en 7\u002F8 (afbeelding 30 en 34).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 34.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 4.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 1.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 27.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 29.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 14.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 12.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 9.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2012, p. 71.\n\n Het herzien rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 11 mei 2023, nummer 2022.05.13.109, opgemaakt door de NFI-deskundige ir. R. Zoun.\n\n Het proces-verbaal van zaakgericht verhoor van verdachte [verdachte] , dossierpagina 293; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2015, proces-verbaalnummer 20122085827, pagina 2\u002F2, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] .\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, steeds kolom 5, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 291 en 293.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 maart 2023, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-toonmapB\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina 258.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 262-263.\n\n Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 24 oktober 2023, pagina’s 2 en 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","2024-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.232Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":149,"parsedAt":40,"updatedAt":150},"770","ECLI:NL:GHSHE:2024:1846","ecli-nl-ghshe-2024-1846","2024-03-28T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000941-19 OWV\n\nUitspraak : 28 maart 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 maart 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-997630-16 OWV tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 590.124,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.\n\nVan de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat en met dien verstande rekening wordt gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de verplichting tot betaling aan de Staat zal worden vastgesteld op een bedrag van € 590.123,00.\n\nNamens de betrokkene zijn verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel en is verzocht om de omvang van de betalingsverplichting te verminderen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.\n\nDoor het hof gebruikte bewijsmiddelen\n\nIndien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.\n\nDeze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.\n\nGrondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe veroordeling\n\nBij arrest van dit hof van 13 juli 2023 onder parketnummer 20-000940-19 is het vonnis waarvan beroep ter zake van de bewezenverklaring in eerste aanleg bevestigd en is de betrokkene derhalve veroordeeld ter zake van (onder meer) – medeplegen van opzettelijk waren waarop een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en\u002Fof waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, verkopen of te koop aanbieden of in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van het misdrijf genoemd in artikel 337 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd.\n\nDe wettelijke grondslag\n\nHet hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde en soortgelijke feiten, voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.\n\nHet hof overweegt daarbij ambtshalve het volgende.\n\nUit het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2019 blijkt dat de tenlastegelegde periode oorspronkelijk luidde “in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 21 november 2016”. Blijkens de bewezenverklaring is vervolgens enkel bewezen “in de periode van 1 september 2016 tot en met 21 november 2016”. Nu het hof in hoger beroep dit deel van het vonnis heeft bevestigd, kan het hof uit die periode gelet op de heersende Geerings-jurisprudentie, niet meer ontnemen dan op basis van de bewezen periode in de ontnemingsprocedure kan worden betrokken. Het hof zal daarom bij de berekening van het voordeel uit het bewezenverklaarde uitgaan van de periode van 1 september 2016 tot en met 21 november 2016.\n\nHet hof ontleent voorts aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene voorafgaand aan 1 augustus 2016 zich eveneens heeft beziggehouden met de handel in merkvervalste kleding. Het hof zal derhalve in de schatting de periode van 1 juni 2015 tot en met 1 augustus 2016 eveneens betrekken nu voor die handel voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, en dat de betrokkene door die handel voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.\n\nSchatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het dossier is berekend aan de hand van verschillende componenten. Daarbij zijn betrokken 1) de omzet op basis van de administratie, 2) de omzet op basis van de bankmutaties en 3) de omzet op basis van de verzendbonnen. Daarnaast is in het dossier rekening gehouden met 4) een winstmarge van 62,41% en is er rekening gehouden met een kostenaftrek die bestaat uit 5) loon, 6) bonussen, 7) huur panden en 8) de huur van opslagruimten. Het hof zal de genoemde factoren achtereenvolgens bespreken.\n\nBrutowinst\n\n1. De omzet op basis van de administratie\n\nBij de doorzoeking van 21 november 2016 zijn er op [adres 2] negen verschillende overzichten met handmatige aantekeningen ten aanzien van gemaakte omzetten per dag aangetroffen en in beslag genomen. De gemiddelde dagomzet op basis van deze aangetroffen aantekeningen is berekend op € 4.765,-. Deze dagomzet is vervolgens geëxtrapoleerd naar een handel van 6 dagen per week gedurende de gehele de periode van 1 juni 2015 tot en met 21 november 2016, te weten: 77 weken.\n\nHet hof stelt allereerst vast dat de betrokkene de periode waarnaar is geëxtrapoleerd niet heeft weersproken.\n\nWel heeft de verdediging aangevoerd dat de gemiddelde dagomzet op basis van het geringe aantal aantekeningen niet representatief is voor die gehele periode. Het hof zal in dat verweer niet meegaan, nu de verdediging het gestelde niet heeft onderbouwd met een deugdelijke administratie en andere schriftelijke bescheiden, of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de gemiddelde dagomzet niet representatief is voor de gehele periode.\n\nWel zal het hof in de berekening uitgaan van een periode van slechts 72 weken, nu de betrokkene is vrijgesproken van de handel in merkvervalste kleding in de periode van 1 augustus 2016 tot 1 september 2016.\n\nDaarnaast ziet het hof aanleiding om de aantekeningen van maandag 1 augustus 2016, ook al is de betrokkene vrijgesproken van deze dag, mee te nemen in de hanteren berekening voor de dagomzet, nu dit – in het voordeel van de betrokkene – leidt tot een lagere dagomzet.\n\nTot slot ziet het hof naar aanleiding van de verklaring van de betrokkene tijdens het onderzoek ter terechtzitting bij het hof aanleiding om uit te gaan van een handel van 5 dagen per week, in plaats van 6 dagen per week.\n\nHet vorenstaande leidt ertoe dat de berekening voor de omzet op basis van de administratie als volgt komt te luiden:\n\nOmzet = (€ 4.765,00 x 72 weken x 5 dagen per week =) € 1.715.400,-\n\n2. Omzet op basis van de bankmutaties\n\nUit het dossier blijkt dat naast de aantekeningen aangetroffen op [adres 2] , er tevens in de periode van 6 juli 2015 tot en met 20 juli 2016 betalingen zijn binnengekomen die op basis van de omschrijving gerelateerd kunnen worden aan het online verkopen van merkvervalste artikelen op bankrekening [rekeningnummer] ten name van de betrokkene. Het gaat hierbij om 101 transacties van in totaal € 8.982,10, met een gemiddelde van € 89,00 per transactie.\n\nUit het dossier is voldoende aannemelijk geworden dat de online transacties verband houden met de handel in merkvervalste producten, waarbij het hof deze online transacties eveneens zal betrekken in de berekening voor de periode van 1 juni 2015 tot 1 augustus 2016 en de periode van 1 september 2016 tot en met 18 september 2016.\n\nVoor de periode van 6 juli 2015 tot en met 20 juli 2016 (54,29 weken) gaat het in ieder geval aldus om 101 transacties, met een gemiddelde van € 89,00 per transactie en een gemiddelde van 1,86 transacties per week. Voor de gehele periode van 1 juni 2015 tot en met 18 september 2016 gaat het om 67,68 weken. Het hof al ook hier rekening houden met een vermindering van de aantal weken met in totaal 5 weken nu de betrokkene is vrijgesproken van de periode van 1 augustus 2016 tot 1 september 2016.\n\nDe berekening op basis van de bankmutaties komt aldus te luiden:\n\nOmzet = (62,68 weken x 1,86 x € 89,00 =) € 10.376, 05\n\n3. Omzet op basis van de verzendbonnen\n\nUit het dossier is gebleken dat tijdens de doorzoeking op [adres 2] eveneens 83 verzendbonnen in beslag zijn genomen. In de periode van 19 september 2016 tot en met 14 november zijn op basis van die verzendbonnen in totaal 93 pakketten die zien op de online handel in merkvervalste kleding verzonden.\n\nUit het dossier is voldoende aannemelijk geworden dat de verzendbonnen zien op de handel in merkvervalste kleding. Anders dan de rechtbank, en de advocaat-generaal, zal het hof deze periode niet extrapoleren nu voor de periode voorafgaande aan 19 september 2016 de berekening reeds is gemaakt op basis van de online transacties. Een andersluidende berekening zou aldus dubbeltellingen met de online transacties en de daaropvolgende verzendingen kunnen bevatten.\n\nDe berekening op basis van de verzendbonnen komt derhalve als volgt te luiden.\n\nOmzet = (93 pakketten x € 89,00=) € 8.277,00.\n\n4. Bruto-omzet en winstmarge\n\nUit het vorenstaande komt het hof tot de schatting van de omzet in de periode van 1 juni 2016 tot en met 21 november van (€ 1.715.400,00 + € 10.376, 05 + € 8.277,00 =) € 1.734.053,05 .\n\nIn het dossier is uitgegaan van een gehanteerde winstmarge van 62.41%.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de gehanteerde winstmarge dient te worden bijgesteld. Hiertoe heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat is gebleken dat de betrokkene regelmatig aanbiedingen en kortingsacties heeft aangeboden. Daarnaast zou de betrokkene met regelmaat grote partijen kleding hebben ingekocht, waarbij verschillende maten onverkoopbaar zouden zijn gebleken. Tot slot zouden er op verscheidende data shoptegoeden zijn verloot, en daadwerkelijk zijn uitgegeven. Hierdoor dient rekening te worden gehouden met een winstpercentage van slecht 35%.\n\nHet hof is van oordeel dat in de gehanteerde winstmarge van 62.41% geen rekening is gehouden met de aanbiedingen en kortingsacties die werden aangeboden, alsmede met de shoptegoeden die zouden zijn verloot. Anders dan verdediging gaat het hof er echter niet in mee dat het aannemelijk is dat de winstmarge daarmee zou zijn gedaald tot slechts 35%. Hiertoe heeft de verdediging onvoldoende bescheiden aan het verweer gestaafd, om daadwerkelijk aan te tonen dat de aanbiedingen, kortingsacties en de shoptegoeden van zodanige omvang waren, dat die de winstmarge op een dergelijke grootschalige manier zouden hebben beïnvloed. Nog daargelaten dat de verdediging niet heeft onderbouwd dat de shoptegoeden ook daadwerkelijk zijn uitgegeven.\n\nHet hof hanteert, net als de rechtbank en de advocaat-generaal, een winstmarge van 50%.\n\nHet vorenstaande leidt ertoe dat de brutowinst als volgt wordt berekend.\n\nBruto-omzet: € 1.734.053,05 ,-\n\nWinstmarge: 50%\n\nBrutowinst: € 867.026,50 ,-\n\nKosten\n\n5. Loonkosten\n\nIn het dossier worden de loonkosten berekend op basis van 7 medewerkers die ieder 8 uur per dag werken en 6 dagen in de week. Tijdens de doorzoeking in de slaapkamer van de betrokkene is een envelop aangetroffen, waarop staat vermeld dat twee personen in ieder geval € 10,- per uur verdienen. Dit is door de verdediging ook niet weersproken. Wel is weersproken dat er slechts met 7 medewerkers rekening moet worden gehouden, nu zou zijn gebleken dat er meer dan 7 personen werkzaamheden hebben uitgevoerd. Bij de kosten berekeningen dient dan ook rekening te worden gehouden met 9 personen.\n\nMet de rechtbank en de verdediging zal het hof bij de loonkosten rekening houden met 9 personen. Wel zal het hof de dagen en de weken aanpassen zoals ook hiervoor is gehanteerd ten aanzien van het schatten van de brutowinst.\n\nDe berekening van de loonkosten komt derhalve als volgt te luiden:\n\nLoonkosten = (9 medewerkers x 8 uur per dag x 72 weken x 5 dagen per week x € 10,- =) € 259.200,-.\n\n6. Bonussen\n\nDe rechtbank heeft rekening gehouden met het verweer van de verdediging, inhoudende dat de medewerkers bonussen zouden hebben ontvangen wanneer een bepaalde omzet werd behaald. Deze omzet is, in het voordeel van de betrokkene, gebaseerd op de 9 gevonden omzetaantekeningen, en aldus geëxtrapoleerd naar de gehele omzet. Bij 1 op de 9 handelsdagen zou een bonus van € 50,00 per persoon zijn binnengehaald, omdat er een omzet van minstens € 5.000,- zou zijn gegenereerd. Bij 2 op de 9 handelsdagen zou dit hebben geresulteerd in een bonus van € 200,00 per persoon, omdat een omzet van minimaal € 7.500,- zou zijn behaald. Een andere berekening, te weten dat elke medewerker elke dag € 50,- als bonus zou hebben verdiend, leidt tot dezelfde uitkomst aan uitbetaalde bonussen.\n\nIn hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd dat de laatste berekening onjuist is, nu de uitgekeerde bonusbedragen vaak veel hoger dan € 50,00 per dag zou zijn. Uit dient te worden gegaan van een bonusbedrag ad. € 105,00 per dag.\n\nHet hof volgt de verdediging niet in het gevoerde verweer.\n\nUit de gehanteerde omzetaantekeningen is gebleken dat niet elke dag tot dezelfde hoge omzet werd gekomen, er waren dagen bij waarbij de omzet slechts € 2.017,- en 2.700,- bedroeg, en dagen waarbij de omzet € 9.630,- en € 10.440,- bedroeg. Op basis van deze omzetaantekeningen is ook de gemiddelde dagomzet gebaseerd, waarbij rekening is gehouden met goede en slechte dagen in de handel. Het hof zal daarom ten aanzien van de bonussen uitgaan van de berekening op basis van die handelsdagen.\n\nDe berekening omtrent de bonussen komt derhalve als volgt te luiden.\n\nBonus € 50,- p.p.: (1\u002F9 x 5 dagen x 72 weken x 9 x € 50,- x 9 personen=) € 18.000,-\n\nBonus € 200,- p.p.: (2\u002F9 x 5 dagen x 72 weken x 9 x € 200,- x 9 personen=) € 144.000,-\n\nHet hof zal in mindering brengen op de brutowinst de totaalkosten aan bonussen te weten: € 18.000,- + € 144.000,- = € 162.000,-.\n\n7. Huur panden\n\nSinds 1 juni 2016 huurt de betrokkene als vertegenwoordiger van [bedrijf] [adres 2] . Uit de huurovereenkomst is gebleken dat de huur € 544,50 per maand bedraagt, aannemelijk is dat de betrokkene ook voorafgaand aan dit pand huur heeft betaald voor de panden waarin hij eerder heeft gezeten en waarin de handel in merkvervalste kleding heeft plaatsgevonden. Het hof zal deze kosten derhalve voor een periode van 17 maanden in mindering brengen op de brutowinst.\n\n€ 544,50 x 17 maanden = € 9.256,50.\n\n8. Huur opslagruimten\n\nIn de berekening is uitgegaan dat de totale huur van de opslagruimtes die de betrokkene zou huren in totaal € 792,00 per maand bedraagt. Deze kosten zijn niet opgenomen in de uiteindelijke berekening van de kosten. Het hof zal, met de verdediging, deze kosten voor een periode van 17 maanden in mindering brengen op de bruto winst.\n\n€ 792,00 x 17 maanden = € 13.464,00.\n\nTotaal aan kosten\n\nGelet op het voorstaande komt het hof tot de volgende berekening van de in mindering te brengen kosten:\n\nLoonkosten: € 259.200,00\n\nBonussen: € 162.000,00\n\nHuur panden: € 9.256,00\n\nHuur opslagruimten: € 13.464,00\n\nTotaal kosten: € 443.920,00\n\nVaststelling geschat wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nUit het vorenstaande volgt dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op:\n\nDe totale brutowinst bedraagt: = € 867.026,50\n\nDe totale kosten bedragen: = € 443.920,00 -\u002F-\n\nWederrechtelijk verkregen voordeel: = € 423.106,53\n\nOp te leggen betalingsverplichting\n\nDraagkracht betrokkene\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de omvang van de op te leggen betalingsverplichting zal matigen gelet op de beperkte draagkracht van de betrokkene. Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven – aangevoerd dat de betrokkene momenteel geen inkomsten noch vermogensbestanddelen heeft. Voorts heeft de verdediging – ter onderbouwing van haar standpunt – stukken overgelegd omtrent de persoonlijke (financiële) situatie waaruit blijkt dat de betrokkene onvoldoende draagkracht heeft en voorlopig ook niet zal verkrijgen, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof ziet geen aanleiding om de verdediging in haar standpunt te volgen, omdat op grond van hetgeen over de persoonlijke financiële omstandigheden van de betrokkene is aangevoerd, voorshands niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene thans, of op enig later moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 6:1:22 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.\n\nVoorts biedt artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de betrokkene een rechtsgang waarin hij vermindering of kwijtschelding van de door het hof op te leggen betalingsverplichting kan verzoeken. Het hof zal met de draagkracht van de betrokkene in het kader van de onderhavige vaststelling van de betalingsverplichting dan ook geen rekening houden.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist. Deze redelijke termijn bedraagt in beginsel 24 maanden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.\n\nDe redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 21 november 2016 met de inverzekeringstelling van de betrokkene. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in eerste aanleg is geëindigd op 12 maart 2019 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met ongeveer 3,5 maand. Gelet op de verdiscontering van deze overschrijding in de gelijktijdig behandelde strafzaak, ziet het hof geen aanleiding om deze redelijke termijn overschrijding in eerste aanleg te betrekking in onderhavige ontnemingsuitspraak.\n\nAls uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen in beginsel 24 maanden nadat hoger beroep is ingesteld.\n\nDe redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 25 maart 2019, met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep eindigt heden, 28 maart 2024, met het wijzen van het onderhavige arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 3 jaren.\n\nAldus is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer 2 jaren. Al hoewel onderhavige ontnemingszaak in 2023 op verzoek van de verdediging is afgesplitst van de hoofdzaak, en het hof in de onderliggende strafzaak reeds een strafkorting heeft toegepast, ziet het hof in de overschrijding van de redelijke termijn na de ingestelde conclusiewisseling aanleiding om de betalingsverplichting aan de Staat te verminderen met 5%.\n\nGelet hierop zal het hof de op te leggen betalingsverplichting matigen met 5% tot een bedrag van € 400.000,- (afgerond).\n\nGijzeling\n\nMet ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.\n\nHet hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.\n\nGelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 1080 dagen.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 423.106,53 (vierhonderddrieëntwintigduizend honderdzes euro en drieënvijftig cent).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 400.000,00 (vierhonderdduizend euro).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. M. van der Horst, voorzitter,\n\nmr. J.T.F.M. van Krieken en mr. H.N. Brouwer, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,\n\nen op 28 maart 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. H.N. Brouwer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1846","2024-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.275Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":155,"fullText":156,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":158,"parsedAt":40,"updatedAt":159},"768","ECLI:NL:GHSHE:2023:3145","ecli-nl-ghshe-2023-3145","2023-07-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000940-19\n\nUitspraak : 13 juli 2023\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 maart 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-997630-16 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk waren waarop een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en\u002Fof waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, verkopen of te koop aanbieden of in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van het misdrijf genoemd in artikel 337 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd,tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de inbeslaggenomen goederen.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nNamens verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust,\n\nmet uitzondering van de door de rechtbank opgelegde strafmotivering en straf. De strafmotivering zal worden aangevuld. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover het de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft;\n\nmet dien verstande dat het hof de door de eerste rechter aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften zal verbeteren in die zin dat in plaats van het aanhalen van artikel 377 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) kennelijk artikel 337 Sr is bedoeld. Daarnaast ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank aangehaalde artikelen waarop de strafoplegging is gegrond aan te vullen met artikel 63 Sr, nu dat artikel eveneens toepassing vindt.\n\nHet hof kan zich in beginsel op zichzelf vinden in de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, en de daaraan ten grondslag gelegde strafmotivering, nu hetgeen in hoger beroep in verband met de strafoplegging naar voren is gebracht het hof niet tot andere overwegingen brengt dan de rechtbank in haar vonnis heeft neergelegd.\n\nHet hof komt echter tot een andere strafoplegging aangezien is gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden. In dat verband stelt het hof het volgende vast.\n\nHet hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte op 25 maart 2019 en het wijzen van het arrest door het hof op 13 juli 2023 een periode van 4 jaar en 2 maanden is verstreken, waardoor arrest wordt gewezen na het verstrijken van voornoemde tweejaarstermijn.\n\nNaar het oordeel van het hof is een deel daarvan toe te schrijven aan de verdediging, en stelt vast dat voor het overige de redelijke termijn met ruim 8 maanden is overschreden. Het hof zal derhalve een strafkorting toepassen van ongeveer 10%.\n\nZonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de strafmotivering en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorengaande.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,\n\nmr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.C. Bosch, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,\n\nen op 13 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. J.T.F.M. van Krieken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2023:3145","2023-09-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.191Z",{"id":161,"ecli":162,"slug":163,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":164,"fullText":165,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":167,"parsedAt":40,"updatedAt":168},"755","ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","ecli-nl-ghshe-2022-4831","2022-12-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002252-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721227-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep door de rechtbank vrijgesproken ter zake van het onder 2B tenlastegelegde (het medeplegen van de handel in softdrugs) en ter zake van het tenlastegelegde onder\n\n1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd),\n\n2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd),\n\n3 (deelneming aan een criminele organisatie),\n\n4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd) en\n\n5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, meermalen gepleegd),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nVerder heeft de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast van geld en een personenauto verbeurd verklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nDe verdediging heeft, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht het inbeslaggenomen voertuig aan de verdachte terug te geven.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het ook overigens niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\u002Fof\n\nB.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nhij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en\u002Fof hasjiesj, zijnde hennep en\u002Fof hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,(telkens) opzettelijk die hennep en\u002Fof hasjiesj, buiten het grondgebied van Nederland gebracht en\u002Fof met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, althans met bestemming naar het buitenland, vervoerd en\u002Fof doen vervoeren, (onder meer) hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in een of meer gemeente(n) in de provincie Limburg en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof in België en\u002Fof in Frankrijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een (duurzaam) samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 3] en\u002Fof [medeverdachte 4] en\u002Fof [medeverdachte 5] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 12] en\u002Fof [medeverdachte 6] en\u002Fof [medeverdachte 7] en\u002Fof [verdachte] en\u002Fof\n\n [medeverdachte 8] en\u002Fof [medeverdachte 9] en\u002Fof [medeverdachte 10] en\u002Fof [medeverdachte 11] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid en\u002Fof artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, derde, vierde en\u002Fof vijfde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\u002Fof\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nhij op of omstreeks 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Eijsden-Margraten en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , ongeveer 878,6 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 70,55 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 422 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 19 gram cocaïne en\u002Fof\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en\u002Fof ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nin elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en\u002Fof cocaïne, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n5. \n\nhij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en\u002Fof in de gemeente Gouda en\u002Fof in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA, zijnde heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof amfetamine en\u002Fof MDMA en\u002Fof tenamfetamine en\u002Fof N-ethyl MDA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, een of meerdere (speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en\u002Fof gewaarmerkte) mobiele telefoontoestel(len) met telefoonkaartje(s) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en\u002Fof verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat\u002Fdie mobiele telefoontoestel(len) en\u002Fof telefoonkaartje(s) bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en).\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nAanvullende overweging omtrent de verbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde ambtshalve het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging en bewezenverklaring verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging is geschaad.\n\nVrijspraak feit 4\n\nDe verdachte wordt – kort gezegd – bij het onder feit 4 tenlastegelegde verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), op of omstreeks 19 november 2013 heroïne en\u002Fof cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad in een drietal panden in Nederland (te Berg en Terblijt, Margraten en Rotterdam).\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen in een drietal panden harddrugs aanwezig heeft gehad, zodat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat bij de verdachte zowel betrokkenheid bij die panden, wetenschap als beschikkingsmacht over de aangetroffen harddrugs ontbreekt. De omstandigheid dat de verdachte mogelijk lid is geweest van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten maakt dat niet anders, nu een lid van een criminele organisatie niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor (alle) (handels)voorraad.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft, met de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.\n\nVoor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.\n\nVoor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap\u002Fhet opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985; HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903; HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4312 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696).\n\nIn het licht van deze vooropstelling, overweegt het hof als volgt.\n\nUit tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en de verdachte op 16 en 19 oktober en 14 november 2013 kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte ‘iets’ uit een voorraad pakt, maar het hof kan aan de hand van de genoemde tapgesprekken, of de overige inhoud van het procesdossier, niet vaststellen dat de verdachte op (om omstreeks) 19 november 2013 wetenschap had van – en beschikkingsmacht over – de aangetroffen heroïne en cocaïne in de panden aan [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] . Dat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 20 september 2013 tot en met 19 november 2013 maakt dit niet anders.\n\nHet hof zal de verdachte aldus vrijspreken van hetgeen aan hem onder 4 tenlastegelegd is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;\n\n2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] en\n\n [medeverdachte 6] en [verdachte] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n5. \n\nin de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen en -overwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nHet hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsvoering en bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd, in die zin dat is bepleit om de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, en dat daarnaast wordt volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of de maximum taakstraf per bewezenverklaard feit. Volgens de verdediging is sprake van een excessieve overschrijding van de redelijke termijn waardoor de keuze voor de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer opportuun is. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de verdachte na de onderhavige feiten niet met justitie in aanraking is geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 8] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde feiten, en hij binnen de organisatie fungeerde als drugsrunner.\n\nvan verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nIn hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Dat verdachte sinds deze strafzaak niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie, werkt – anders dan de raadsman stelt – niet strafmatigend. Het niet plegen van strafbare feiten is immers de norm.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 december 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer één jaar en zeven maanden.\n\nDe verdachte heeft op 13 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn ongeveer bijna drie jaar en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politieonderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van zeven maanden en in hoger beroep van twee jaar en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nInbeslaggenomen goederen\n\nDe verdediging heeft het hof met betrekking tot het beslag naar voren gebracht dat er nog altijd beslag rust op de Marokkaanse bankrekening en het appartement van de vader van de verdachte. Verzocht is om het onder de verdachte in beslag genomen voertuig – naar het hof begrijpt: de Audi A4 – gekentekend [kenteken] – aan hem terug te geven.\n\nOp pagina 81 van het vonnis heeft de rechtbank omtrent de inbeslaggenomen goederen het volgende overwogen.\n\n‘De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 473,00 dient te worden teruggegeven aan de beslagene. Het is op basis van het dossier immers niet duidelijk of dit geld afkomstig is uit de drugshandel of uit een legale bron, te weten zijn uitkering. In dat geval kan geen verbeurdverklaring van het geld worden uitgesproken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen auto wel verbeurd dient te worden verklaard. Immers is dit de auto die [verdachte] op naam had genomen en uit het procesdossier blijkt dat met deze auto meerdere strafbare feiten zijn gepleegd.’\n\nHet hof sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze beslissing over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het wat betreft het verbeurdverklaarde goed heeft gelet op de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1A, 1B, 2A, 3 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van16 (zestien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie besl.portaal 1 1.00 STK Personenauto [kenteken] , AUDI A4 QUATRO VTG20.001;\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- zie lijst Ligom 23 Geld Nederlands WI067 03.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid mr. J.P.T.G. van den Uithoorn, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4831","2023-03-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.652Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":164,"fullText":173,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":175,"parsedAt":40,"updatedAt":176},"756","ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","ecli-nl-ghshe-2022-4830","Parketnummer : 20-002168-17\n\nUitspraak : 1 december 2022\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\n's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017, in de strafzaak met parketnummer 03-721179-13 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nDe verdachte is – kort gezegd – bij vonnis waarvan beroep:\n\nvrijgesproken van het onder 2B tenlastegelegde en\n\nveroordeeld ter zake van het onder 1A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van harddrugs, meermalen gepleegd), 1B (het medeplegen van de handel in harddrugs, meermalen gepleegd), 2A (het medeplegen van het buiten het grondgebied brengen van softdrugs, meermalen gepleegd), 3 (deelneming aan een criminele organisatie), 4 (het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne in een aantal panden, meermalen gepleegd), 5 (het medeplegen van voorbereidingshandelingen harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten) en 6 (het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie) tenlastegelegde, – blijkens het dictum – tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van hetgeen aan hem onder 2B is tenlastegelegd. Het onder 2 tenlastegelegde dient – gelet op de zinsnede ‘en\u002Fof’ – taalkundig als alternatief\u002Fcumulatief te worden opgevat. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en tevens in hoger beroep, leidt het hof af dat het Openbaar Ministerie de tenlastelegging klaarblijkelijk zo heeft willen opstellen dat een vrijspraak voor het ene feit, niet automatisch leidt tot een vrijspraak van het andere feit. Het hof zal aldus – evenals en in navolging van het oordeel van de rechtbank zoals deze in het vonnis waarvan beroep is vervat – uitgaan van een cumulatieve tenlastelegging.\n\nNu het gaat om gevoegde feiten, staat er – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering – voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 2B tenlastegelegde geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep voornoemde gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen zal bevestigen met inbegrip van de beslissing op het beslag en met uitzondering van de opgelegde straf en met aanvulling van bewijs en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De advocaat-generaal heeft zich wat betreft het beslag op het standpunt gesteld dat het hof hieromtrent conform het vonnis van de rechtbank kan beslissen.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak van het onder 2A tenlastegelegde bepleit. Zij heeft partiële vrijspraak bepleit van het onder 1A, 1B en 2A tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft zich met betrekking tot het beslag eveneens gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – gedeeltelijk vernietigen en gedeeltelijk bevestigen.\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 (met dien verstande dat die bewezenverklaring komt te luiden als hierna vermeld), de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf. In zoverre zal het beroepen vonnis worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen worden vervangen zoals hierna te melden. Omwille van de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten de bewezenverklaring hieronder opnemen.\n\nHet hof ziet voorts aanleiding om:\n\nhet vonnis aan te vullen met een overweging omtrent het verbeterd lezen van de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2A tenlastegelegde;\n\nde bewijsvoering te vervangen. Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen opnemen in een aanvulling op dit arrest, welke aanvulling dan aan dit arrest wordt gehecht;\n\n- de toepasselijke wettelijke voorschriften te vervangen;\n\n- een aanvullende overweging op te nemen met betrekking tot het beslag.\n\nVerbeterde lezing van het onder feit 2A tenlastegelegde\n\nHet hof overweegt ter zake van de dagvaarding van het onder feit 2A tenlastegelegde het volgende.\n\nHet ten tijde van deze tenlastelegging (en bewezenverklaring) geldende artikel 2 van de Opiumwet houdt, voor zover relevant, in dat het verboden is een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet buiten het grondgebied van Nederland te brengen, dan wel een dergelijk middel te telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.\n\nOnder feit 2A wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en\u002Fof hasjiesj, door die hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen aan Belgische en\u002Fof Franse klanten. Het kernverwijt daarbij is de uitvoer van softdrugs, terwijl de verkoop van softdrugs de nadere verfeitelijking daarvan is. Het hof is van oordeel dat – tegen de achtergrond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep – de tenlastelegging bezwaarlijk anders kan worden begrepen, en het ook de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest, om het verwijt te formuleren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de uitvoer van hennep en\u002Fof hasjiesj door deze hennep en\u002Fof hasjiesj te verkopen of te verstrekken aan de buitenlandse klanten.\n\nGelet daarop zal het hof de tenlastelegging verbeterd lezen in dier voege dat het aan de tenlastelegging de woorden ‘of verstrekt’ zal toevoegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte als gevolg van deze uitleg en verbeterde lezing van de tenlastelegging, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet in zijn verdediging geschaad.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A, 1B, 2A, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:\n\n1.\n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, telkens opzettelijk die heroïne en\u002Fof cocaïne, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België doen vervoeren, hierin bestaande dat die heroïne en\u002Fof cocaïne werd verkocht aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\nen\n\nB.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;2. \n\nA.\n\nmeermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2013 in de provincie Limburg, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) hoeveelheden hennep of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk die hennep en hasjiesj, met bestemming Frankrijk en\u002Fof België, doen vervoeren, hierin bestaande dat die hennep en\u002Fof hasjiesj werd verkocht of verstrekt aan Belgische en\u002Fof Franse klanten;\n\n3. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (inclusief hij, verdachte, zelf):\n\n [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en\n\n [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en\u002Fof één of meer ander(e) perso(o)n(en) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, en\u002Fof artikel 11, vierde lid van de Opiumwet, namelijk\n\n- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj en\n\n- het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\n\n- het aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden heroïne en\u002Fof cocaïne en\u002Fof hennep en\u002Fof hasjiesj;\n\n4. \n\nop 19 november 2013 in de gemeente Valkenburg aan de Geul en in de gemeente\n\nEijsden-Margraten en in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- in een pand aan [adres 2] , 878,5 gram heroïne en 70,55 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 3] , ongeveer 510 gram heroïne en ongeveer 422 gram heroïne en ongeveer 19 gram cocaïne en\n\n- in een pand aan [adres 4] , ongeveer 3151 gram heroïne en ongeveer 139 gram cocaïne,\n\nzijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n5. \n\nin de periode van 26 februari 2013 tot en met 19 november 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van\n\nhoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne of cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, speciaal daarvoor aangekochte, geprepareerde en gewaarmerkte mobiele telefoontoestellen met telefoonkaartjes voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die mobiele telefoontoestellen en telefoonkaartjes bestemd waren tot het plegen van die feiten;\n\n6. \n\nop 19 november 2013, in de gemeente Rotterdam, in een woning aan de [adres 5] , een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Glock), en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde: vervanging van de kwalificaties van de feiten 1A, 1B, 3 en 5:\n\nDe kwalificaties van de navolgende bewezenverklaarde feiten worden vervangen, in die zin dat deze als volgt komen te luiden:\n\nHet onder 1A bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 1B bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid van de Opiumwet.\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet standpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft – rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat de rol van de verdachte niet gelijk kan worden gesteld met die van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedragingen. Daarnaast is de redelijke termijn fors overschreden, hetgeen strafvermindering tot gevolg dient te hebben. De raadsman heeft in dat kader verwezen naar jurisprudentie hieromtrent. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling. Gelet op het vorenstaande, verzoekt zij het hof om aan de verdachte een maximale gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen.\n\nHet oordeel van het hof\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nHet gaat in het onderzoek Seville om een criminele organisatie die zich bezighield met diverse overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot heroïne, cocaïne en – in mindere mate – hennep en hasjiesj, waaronder de verlengde uitvoer van voornoemde drugs naar Frankrijk en België. De criminele organisatie werkte op een professionele manier, in die zin dat er een duidelijke taakverdeling was, er een zogenaamde ‘telefooncarrousel’ bestond en er cadeautjes – in de vorm van hennep of hasjiesj – werden meegegeven aan de klanten. Heroïne was bovendien beschikbaar in verschillende kwaliteiten met bijbehorende prijzen en er was een min of meer standaard werkwijze, waarbij de klanten uit Frankrijk of België (meermalen) van tevoren belden hoe laat hij\u002Fzij er zal zijn, waarna door het lid van de criminele organisatie een plek werd genoemd en waarna de drugs ofwel direct – al dan niet in een reserveband – werden geleverd ofwel werden geleverd nadat de koper(s) het in een (vakantie)woning hadden geproefd. Blijkens het dossier heeft de organisatie in de bewezenverklaarde periode grote hoeveelheden van met name heroïne uitgevoerd naar Frankrijk en België. De criminele organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . In verband daarmee heeft de verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen van harddrugs door het voorhanden hebben van gekochte, geprepareerde en gewaarmerkte telefoons met telefoonkaarten, ten behoeve van voornoemde telefooncarrousel. Daarnaast heeft de verdachte – in het kader van de criminele organisatie – met enkele medeverdachten op 19 november 2013 in een drietal panden in Nederland in totaal ongeveer 4,5 kilogram heroïne en ruim 200 gram cocaïne opzettelijk aanwezig gehad.\n\nDoor deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid, maar ook vanwege het feit dat de handel in en de uitvoer van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit die zorgen voor schade en overlast voor de maatschappij; mede omdat drugsverslaafden, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.\n\nHet hof heeft gelet op de rol die de verdachte binnen deze organisatie heeft gehad, in die zin dat hij blijkens het dossier een belangrijke rol had. Net als de rechtbank, is het hof van oordeel dat zijn rol min of meer gelijkwaardig was aan die van [medeverdachte 1] . Hoewel hij hoog in de rangorde zat, had hij zelf ook een uitvoerende rol, door bijvoorbeeld drugs te verstrekken aan de buitenlandse klanten. Het hof weegt in strafmatigende zin mee dat de verdachte gedurende (ongeveer) één jaar niet heeft kunnen deelnemen aan de criminele organisatie vanwege de omstandigheid dat hij gedetineerd was.\n\nDaarnaast heeft de verdachte op 19 november 2013 een met veertien kogelpatronen half (door)geladen vuurwapen voorhanden gehad.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts nog gelet op de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 augustus 2022, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nMet de raadsman is het hof van oordeel dat in het vonnis sprake was van een kennelijke verschrijving in het dictum en dat de rechtbank heeft bedoeld aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar op te leggen. Het hof acht, met de rechtbank, een gevangenisstraf van acht jaar in beginsel passend en geboden.\n\nDe verdediging heeft in hoger beroep in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de Wet Straffen en beschermen, nu de feiten van vóór de inwerkingtreding van die wet dateren. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De wetgever heeft niet voorzien in overgangsrecht en daaruit leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat in gevallen waarin de feiten van vóór de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen dateren, rekening wordt gehouden met die wet, in die zin dat een lagere straf wordt opgelegd zodat de verdachte eenzelfde aantal jaren van zijn straf zou moeten uitzitten als wanneer hij niet in appel zou zijn gegaan. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om in afwijking daarvan wél rekening te houden met de inwerkingtreding van de Wet Straffen en beschermen.\n\nMet betrekking tot het procesverloop in deze zaak overweegt het hof nog als volgt.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nBij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.\n\nIn de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 19 november 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 7 juli 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar en acht maanden.\n\nVerdachte heeft op 11 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 1 december 2022. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna drie jaren en vijf maanden.\n\nEen deel van de overschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek. Deze strafzaak maakt deel uit van het onderzoek Seville, een omvangrijk politie onderzoek waarbij in hoger beroep dertien verdachten gelijktijdig terechtstaan. In deze zaken zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vele getuigen verzocht, en ook toegewezen, welke deels woonachtig zijn in het buitenland. Bovendien hebben de coronamaatregelen de voortgang van het onderzoek vertraagd. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – met één jaar verlengt. In eerste aanleg is derhalve nog sprake van termijnoverschrijding van acht maanden en in hoger beroep van twee jaren en vijf maanden.\n\nHet hof ziet in voornoemde overschrijdingen aanleiding om een andere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijdingen. Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, op zijn plaats zou zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nAanvullende overweging met betrekking tot het beslag\n\nHet hof heeft wat betreft de verbeurdverklaring van onderstaande goederen, gelet op de draagkracht van de verdachte:\n\n(2) één GSM, Nokia RH 130 + batterij LO079.06.04.002;\n\n(3) één GSM, Blackberry bold, LO079.06.01.002;\n\n(15) Geld Nederlands, LO079 06 03 001.\n\nVervanging van de toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2B tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de kwalificaties van het onder 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde en de opgelegde hoofdstraf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart bewezen het onder 3 tenlastegelegde zoals hiervoor is overwogen.\n\nKwalificeert het onder feit 1A, 1B, 3 en 5 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. C.P.J. Scheele en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,\n\nen op 1 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:4830","2023-03-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.692Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":181,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":183,"parsedAt":40,"updatedAt":184},"1271","ECLI:NL:RBOBR:2022:312","ecli-nl-rbobr-2022-312","tussenbeslissingRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nParketnummers:\n\n01\u002F993275-20 [verdachte 1]\n\n01\u002F993319-20 [verdachte 2]\n\n01\u002F993370-20 [verdachte 3]\n\n01\u002F993363-20 [verdachte 4]\n\n01\u002F993374-20 [verdachte 5]\n\n01\u002F993306-20 [verdachte 6]\n\n01\u002F993272-20 [verdachte 7]\n\n01\u002F993255-20 [verdachte 8]\n\n01\u002F993318-21 [verdachte 9]\n\nDatum beslissing: 2 februari 2022\n\nTegenspraak\n\nTussenbeslissing van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen de verdachten:\n\n [verdachte 1] ,\n\ngeboren [geboortejaar 1] 1981,\n\nwonende te [adres 1] ,\n\nraadslieden: mrs. [raadsman 1] en [raadsvrouw 1] ,\n\n [verdachte 2] ,\n\ngeboren [geboortejaar 2] 1971\n\nwonende te [adres 2] ,\n\nraadsvrouw: mr. [raadsvrouw 2] ,\n\n [verdachte 3] ,\n\ngeboren [geboortejaar 3] 1975,\n\nwonende te [adres 3] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 2] ,\n\n [verdachte 4] ,\n\ngeboren [geboortejaar 4] 1953,\n\nwonende te [adres 4] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 3] ,\n\n [verdachte 5] ,\n\ngeboren [geboortejaar 5] 1987,\n\nwonende [adres 5] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 4] , ter zitting waargenomen door mr. [raadsvrouw 3]\n\n [verdachte 6] ,\n\ngeboren [geboortejaar 6] 1967,\n\nwonende [adres 6] ,\n\nraadsman: mr. [raadsman 5] ,\n\n [verdachte 7] ,\n\ngeboren [geboortejaar 7] 1973,\n\nwonende [adres 7] ,\n\nraadsvrouw: mr. [raadsvrouw 4] ,\n\n [verdachte 8] ,\n\ngeboren [geboortejaar 5] 1987,\n\nthans verblijvende PI Vught,\n\nraadsman: mr. [raadsman 6] ,\n\n [verdachte 9] ,\n\ngeboren [geboortejaar 8] 1967,\n\nthans gedetineerd PI Achterhoek.\n\nraadsman: mr. [raadsman 7] , ter zitting waargenomen door mr [raadsman 8]\n\nInleiding\n\nDeze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van 12 januari 2022 en 13 januari 2022, van welke zittingen afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt. Dit betroffen regiezittingen in het onderzoek 26Hammond II, waarbij alle zaken van de verdachten voor regie zijn behandeld op de terechtzitting van 12 januari 2022, behoudens de zaak van verdachte [verdachte 9] die op 13 januari 2022 is behandeld. Voorafgaand aan de regiezittingen heeft een deel van de raadslieden schriftelijk onderzoekswensen ingediend en heeft de officier van justitie schriftelijk zijn standpunt met betrekking tot de ingediende onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Op de regiezittingen zijn de onderzoekswensen aangevuld en besproken, en hebben de verdediging en de officier van justitie hun standpunten nader toegelicht.\n\nDe rechtbank zal hieronder eerst de onderzoekswensen behandelen die zien op EncroChat en Sky ECC (hoofdstuk 1) en wensen die zien op het Franse onderzoek en de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk (hoofdstuk 2). Vervolgens zullen de overige verzoeken (in hoofdstuk 3 en 4) aan de orde komen.\n\n1. Verzoeken ten aanzien van EncroChat en Sky ECC\n\nDoor de raadslieden van de verdachten [verdachte 3] , [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn onderzoekswensen ingediend met betrekking tot de communicatiediensten EncroChat en Sky ECC . Door mr. [raadsvrouw 1] zijn namens verdachte [verdachte 1] ten aanzien van deze onderwerpen 28 onderzoekswensen ingediend. Mr. [raadsvrouw 2] heeft drie onderzoekswensen ingediend die alle overlappen met de wensen van mr. [raadsvrouw 1] en raadsman mr. [raadsman 2] heeft zich namens zijn cliënt, verdachte [verdachte 3] , aangesloten bij de onderzoekswensen van mr. [raadsvrouw 1] . Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de bespreking en beslissing op deze onderzoekswensen de nummering van mr. [raadsvrouw 1] aanhouden. In de kern komen de onderzoekswensen er op neer dat de raadslieden de rechtmatigheid van de hack op de communicatiediensten EncroChat en Sky ECC en het gebruik van de aldus verkregen data in onderzoek 26Hammond II willen onderzoeken en hun betwisting van die rechtmatigheid nader willen onderbouwen.\n\nDe rechtbank zal in het navolgende eerst een aantal feiten en omstandigheden vaststellen met betrekking tot EncroChat en Sky ECC , ingaan op het juridisch kader en daarna per onderdeel een beslissing op de onderzoekswensen geven.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de verschillende beslissingen die in de afgelopen periode door deze en andere rechtbanken zijn gedaan ten aanzien van de EncroChat- en Sky ECC problematiek, welke problematiek in grote lijnen met elkaar vergelijkbaar is. Het is de rechtbank bekend dat de raadslieden in verschillende strafzaken die op dit moment in Nederland aanhangig zijn, contact met elkaar hebben en elkaar op de hoogte houden van de ontwikkelingen, en ook deels gebruik maken van elkaars stukken. Ook in deze zaak zijn pleitnotities en schrifturen met onderzoekswensen uit andere strafzaken als bijlagen bij ingediende onderzoekswensen gevoegd. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) maakt in verschillende zaken telkens gebruik van min of meer gelijkluidende stukken en standpunten. Gelet op die situatie en het feit dat de rechtbank in onderzoek 26Hammond II grotendeels tot dezelfde beslissingen komt als andere kamers van deze rechtbank en rechtbanken in den lande, heeft de rechtbank delen uit eerdere uitspraken overgenomen en aldus de daarin vervatte oordelen, bij wijze van een gelet op het karakter van een regiebeslissing voorlopig oordeel, tot de hare gemaakt.\n\n1.1. Inleiding\n\nEncroChat\n\nDe rechtbank gaat voorlopig uit van de volgende feiten. EncroChat was een communicatieaanbieder van telefoons, waarmee door middel van de EncroChat applicatie versleutelde chats – bestaande uit tekstberichten en afbeeldingen – konden worden verzonden en ontvangen en waarmee onderling gebeld kon worden. Ook was het mogelijk om notities te bewaren op de telefoontoestellen. De gebruiker had niet de mogelijkheid om zelf applicaties te installeren op het toestel en was dus aangewezen op de communicatieapplicaties die er door de leveranciers op gezet werden. Gebruikers kochten een telefoontoestel waarop de Encro applicaties vooraf geïnstalleerd waren in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. Een Encro-telefoon werd geleverd met een simkaart waarmee alleen dataverkeer verzonden en ontvangen kon worden. Deze simkaart had een wereldwijde dekking. Een Encro-telefoon kon door de gebruiker volledig worden gewist. Dit werd ook wel ‘panic-wipe’genoemd. Door EncroChat zijn diverse typen telefoontoestellen geleverd voor het gebruik van de EncroChat applicatie. Door middel van de EncroChat applicatie konden de EncroChat gebruikers alleen onderling en 1-op-1 communicatie voeren. Er konden dus geen groepsgesprekken worden gevoerd. Deze communicatie kon tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’stuurde naar een andere gebruiker, met het verzoek om toegevoegd te worden in diens contactenlijst. Gebruikers konden elkaars username opslaan in hun contactlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). Er kon dus slechts gecommuniceerd worden met contacten in de contactenlijst en niet met elke EncroChat-gebruiker waarvan de EncroChat-gebruikersnaam bekend was. Een chat kon bestaan uit tekstberichten en foto’s. Ieder bericht verliep na een vooraf ingestelde tijd. Deze tijd was door de gebruiker aan te passen. Tevens kon er vanuit de chat een VoIP gesprek gevoerd worden. Het verzenden van een aldus versleutelde EncroChat-bericht van het ene naar het andere toestel verliep via een server. Deze server bevond zich in Roubaix, Frankrijk, bij het bedrijf [bedrijfsnaam] .\n\nIn Frankrijk liep voorafgaande aan de oprichting van een Joint Investigation Team (hierna: JIT) een strafrechtelijk onderzoek met als verdachten het bedrijf EncroChat en de natuurlijke personen daaraan gelieerd. In Nederland is ook een strafrechtelijk onderzoek gestart naar (onder meer) EncroChat (onderzoek 26Lemont). De verdenking tegen EncroChat bestaat – zo blijkt o.a. uit de brief van de officieren van justitie van 28 september 2020 – uit het deelnemen aan een criminele organisatie, (gewoonte)witwassen en medeplichtigheid aan de strafbare feiten die door klanten van EncroChat zijn gepleegd. Het Franse onderzoeksteam heeft uitgewisselde chatberichten alsmede informatie betreffende de contacten, notities en metadata van gebruikers van de communicatiedienst van EncroChat verzameld. Dit nadat hiertoe in Frankrijk daarvoor rechterlijke machtigingen waren gevorderd en afgegeven. Voornoemde informatie is verzameld door het op afstand (dat wil zeggen vanaf een informaticapunt van de politie te Pontoise, Frankrijk) plaatsen van een middel (de ‘interceptietool’) bestemd voor het vastleggen van uitgaande en inkomende communicatie middels EncroChat-telefoons op de server in Frankrijk. Het Franse onderzoeksteam verzamelde de EncroChat-telefoondata gedurende de periode van 1 april 2020 17.15 uur tot 20 juni 2020 omstreeks 17.20 uur. Het Franse politieteam sloeg deze data op gedurende deze periode op computersystemen in Frankrijk. Het Franse onderzoeksteam heeft de Nederlandse politie toegang gegeven tot de EncroChat-telefoondata over een beveiligde verbinding met die computersystemen in Frankrijk. De EncroChat-telefoondata zijn gedurende deze periode gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Om een zo actueel mogelijke kopie van de EncroChat-telefoondata van de Franse computersystemen te krijgen, gebruikte de politie een wijze van kopiëren, waarbij gedurende deze periode met een zo klein mogelijke vertraging de nieuwe EncroChat-telefoondata werden gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. De aldus verkregen data vanuit Frankrijk, veelal bestaande uit EncroChat-berichten, is volgens de politie de dataset die de politie in Nederland heeft verkregen binnen het onderzoek 26Lemont, het strafrechtelijke onderzoek naar de medeplichtigheid van EncroChat zelf aan door de gebruikers van EncroChat gepleegde misdrijven.\n\nDe informatie die van belang is gebleken voor onderzoek 26Hammond II is op basis van door de officieren van justitie in onderzoek 26Lemont verleende toestemming op basis van artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verstrekt aan onderzoek 26Hammond II.\n\nSky ECC\n\n [rechtspersoon] was een aanbieder van versleutelde smartphones en de versleutelde berichtenapp Sky ECC . Sky ECC is een chatapplicatie waarmee gebruikers op versleutelde wijze met elkaar kunnen communiceren en om dit te bereiken wordt er PGP-software (PGP staat voor Pretty Good Privacy) toegepast. De applicatie wordt op een mobiele telefoon geïnstalleerd waarna gebruikers met elkaar versleuteld kunnen communiceren. Bij Sky ECC kan dit door middel van het uitwisselen van chatberichten. Ook is het mogelijk om foto's en audioberichten uit te wisselen. Bellen is met een Sky-telefoon niet mogelijk. Om van Sky ECC gebruik te kunnen maken krijgt iedere gebruiker een unieke combinatie van zes tekens die bestaat uit cijfers en letters, de zogenoemde Sky-ID (User ldentifier). Dit unieke nummer is nodig om een gebruiker toe te voegen als contact.\n\n Op 1 november 2019 is het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek Werl gestart, dat zich richt op de [rechtspersoon] en zijn bestuurders en\u002Fof werknemers wegens verdenking van deelneming aan een criminele organisatie en witwassen. In die periode zijn ook in Frankrijk en België strafrechtelijke onderzoeken naar [rechtspersoon] gestart.\n\nDe Franse autoriteiten hebben in hun onderzoek naar [rechtspersoon] een ‘interceptietool’ingezet, waarvoor een Franse onderzoeksrechter een machtiging heeft verleend. Met de inzet van deze ‘interceptietool’is vanaf medio juni 2019 data van de toestellen van [rechtspersoon] verzameld. De Franse autoriteiten hebben deze informatie gedeeld met het OM.\n\nOp 13 december 2019 is een Joined Investigation Team (JIT)-overeenkomst gesloten tussen de met de vervolging belaste autoriteiten in Frankrijk, België en Nederland, met als doel het gezamenlijk onderzoeken van de verdenkingen tegen [rechtspersoon] , zijn bestuurders en werknemers, alsmede onderzoek naar de criminele samenwerkingsverbanden die gebruik maken van [rechtspersoon] voor het plegen en\u002Fof voorbereiden van hun strafbare feiten. Vanuit het OM is het onderzoek Werl in het JIT ingebracht.\n\nOnderzoek 26Argus is een in Nederland gestart opsporingsonderzoek dat zich richt op de criminele samenwerkingsverbanden van de NN-gebruikers van Sky ECC en heeft onder meer tot doel om aan de hand van de inhoudelijke data de criminele samenwerkingsverbanden die gebruikmaken van cryptotelefoons van Sky ECC in beeld te brengen en te analyseren.\n\nIn het onderzoek 26Argus is op 15 december 2020 door de rechter-commissaris bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ontsleutelde informatie slechts kan worden gebruikt ter opsporing indien daartoe een aanvullende toestemming is verleend. Op voorhand is door de rechter-commissaris toestemming verleend om voor een gelimiteerd aantal categorieën misdrijven en met gebruik van een lijst met zoekwoorden onderzoek te doen aan de binnen het onderzoek 26Argus verkregen ontsleutelde informatie. De chatgesprekken die naar aanleiding van deze zoekslag uit de ontsleutelde informatie naar voren komen mogen - na voornoemde aanvullende toestemming van de rechter-commissaris - ter opsporing nader worden onderzocht.\n\nDe informatie die van belang is gebleken voor onderzoek 26Hammond II is op basis van door de officieren van justitie in onderzoek 26Argus verleende toestemming op basis van artikel 126dd Sv verstrekt aan onderzoek 26Hammond II.\n\n1.2. \n\nStrijd met het Unierecht\n\nDe rechtbank zal in de eerste plaats de verzoeken gericht op mogelijke strijd met het Unierecht bespreken. Er is door mr. [raadsvrouw 1] , waarbij mr. [raadsman 2] zich heeft aangesloten, in dit kader verwezen naar de EU-richtlijnen 2002\u002F58 en 2016\u002F680, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), en naar arresten van het Hof van Justitie. Hierbij is gesteld dat er in strijd met het Unierecht is gehandeld in onderzoek 26Lemont en – zo begrijpt de rechtbank – 26Argus, alsook in onderzoek 26Hammond II.\n\nEU-richtlijn 2002\u002F58\n\nZoals in artikel 3, eerste lid, van de EU-Richtlijn 2002\u002F58 is bepaald, is deze EU-richtlijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap. De rechtbank overweegt dat uit artikel 1, derde lid, van EU-Richtlijn 2002\u002F58 blijkt dat deze richtlijn ‘in geen geval’ van toepassing is op de activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied. De aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Digital Rights, Tele2, Ministerio Fiscal, La Quadrature du Net) maken dat niet anders. Zij brengen geen verandering in de werkingssfeer van de richtlijn. Zij hebben bovendien betrekking op een door nationale overheden opgestelde nationale regeling en zien dus op een andere situatie dan de onderhavige. In geen van de arresten werd, anders dan in de onderhavige situatie, de telecomaanbieder als verdachte aangemerkt. Ook het door de verdediging aangehaalde meest recente arrest H.K. tegen Estland (het Prokuratuur-arrest) en de implicaties daarvan voor de Nederlandse wetgeving leiden vooralsnog niet tot de conclusie dat in 26Lemont, 26Argus en 26Hammond II is gehandeld in strijd met het Unierecht. Voor zover de vereisten voortvloeiend uit dat arrest al van toepassing zouden zijn, stelt de rechtbank vast dat de rechters-commissaris immers voorwaarden hebben gesteld aan het gebruik van de gegevens. Een dergelijke toets voldoet naar het voorlopig oordeel van de rechtbank aan het toetsvereiste zoals het Hof van Justitie deze in het Prokuratuur-arrest heeft geformuleerd.\n\nEU-richtlijn 2016\u002F680\n\nDe EU-richtlijn 2016\u002F680 beoogt – kort weergegeven – te waarborgen dat gegevens die door rechtshandhavingsautoriteiten worden verzameld op een wettige en eerlijke wijze worden verwerkt, voor bepaalde legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. Deze richtlijn ziet, kort gezegd, ook op strafrechtelijk onderzoek en is door Nederland geïmplementeerd met wijzigingen in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en daaronder vallende besluiten.\n\nDe stelling dat binnen de werkingssfeer van de richtlijn 2016\u002F680 hetzelfde toetsingskader geldt als binnen 2002\u002F58 kan de rechtbank zonder nadere onderbouwing van die stelling niet onderschrijven. Dat toetsingskader is door het Hof van Justitie immers ontwikkeld ten aanzien van de niet van toepassing zijnde richtlijn 2002\u002F58. Verder is niet aannemelijk geworden dat het verwerken van de Encro en Sky ECC chats in strijd zou zijn met de in Nederland geïmplementeerde wetgeving, dan wel dat de implementatie van de richtlijn onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat het delen van de onderzoekinformatie gebaseerd is op artikel 126dd Sv en een onjuiste of onrechtmatige toepassing daarvan thans niet aannemelijk is.\n\nHandvest\n\nBetoogd is dat de wijze van bewaren en gebruiken van de EncroChat- en Sky ECC -data onrechtmatig zou kunnen zijn wegens strijd met de artikelen 7 en 8 van het Handvest. De rechtbank overweegt dat vooralsnog niet gebleken is van enige onrechtmatigheid met betrekking tot het bewaren en gebruiken van de betreffende data, nog afgezien van de vraag welke gevolgen dat in deze zaak zou kunnen hebben. Bovendien heeft de verdediging ten aanzien van het onderzoek 26Lemont inmiddels de beschikking over de machtiging van de rechter-commissaris, waaruit blijkt welke afweging is gemaakt omtrent de waarborgen waar ook het Handvest op ziet. Een dergelijke machtiging of machtigingen ten aanzien van onderzoek 26Argus zal of zullen nog door de officier van justitie aan het dossier worden toegevoegd, gezien zijn toevoeging ten aanzien van onderzoekswens 18.\n\nConclusie ten aanzien van het Unierecht\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank op dit moment van oordeel dat voor zover de raadslieden ter onderbouwing van hun onderzoekwensen hebben verwezen naar de hiervoor aangehaalde EU-richtlijnen en het Handvest dit onvoldoende is voor toewijzing van de verzoeken.\n\n1.3. \n\nStrijd met het EVRM; artikel 8 in combinatie met artikel 6\n\nDoor mr. [raadsvrouw 1] – waarbij mr. [raadsman 2] is aangesloten – is, verkort weergegeven, gesteld dat het mogelijk is dat bij de EncroChat- en SkyECC -hack artikel 8 EVRM is geschonden en voorts dat die hack een ander doel diende dan naar buiten is gebracht. Vanuit deze veronderstellingen is betoogd dat het zeer goed mogelijk is dat ook artikel 6 EVRM is geschonden.\n\nTen aanzien van EncroChat\n\nIn zoverre de verdediging stelt dat de Nederlandse justitie betrokken is bij een ontoelaatbare inbreuk op artikel 8 EVRM en daaraan ten grondslag legt dat Nederland voorafgaand aan of tijdens de totstandkoming van het JIT heeft samengewerkt met de Franse autoriteiten of heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de interceptietool overweegt de rechtbank als volgt.\n\nEen samenwerking in vorenbedoelde zin betekent niet dat de Nederlandse autoriteiten betrokken zijn geweest bij de daadwerkelijke inbreuk op het recht op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Die inbreuk heeft plaatsgevonden door het feitelijk onderscheppen van de data op de servers van Encro die zich in Frankrijk bevonden. Bij het feitelijk onderscheppen in Frankrijk is de Franse en niet de Nederlandse justitie betrokken. Het ligt dan op de weg van de Franse autoriteiten om op grond van de beslissingen van de Franse rechter te toetsen of de inbreuk op het recht op privéleven voldoet aan de beperkingsclausule van artikel 8, tweede lid, van het EVRM en de op dat punt door het EHRM in de jurisprudentie ontwikkelde eisen. In het dossier zitten (vertalingen van) Franse processen-verbaal waaruit afgeleid kan worden dat een Franse rechter toestemming heeft gegeven voor het onderscheppen van EncroChat-gegevens en dat er periodieke rechterlijke controle heeft plaatsgevonden. Op grond van het voorstaande is thans niet aannemelijk dat de door de Franse autoriteiten verkregen data zijn verkregen in strijd met artikel 8 EVRM of dat de Nederlandse justitie bij de interceptie in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld.\n\nVoorafgaand aan de interceptie, zo stelt het OM, is ingezien dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van gebruikers van EncroChat voorzienbaar was, maar dat dit noodzakelijk was om bewijs tegen het bedrijf EncroChat te verzamelen. De verdediging stelt daar tegenover dat de EncroChat-hack in werkelijkheid bedoeld was om bewijs te verkrijgen tegen individuele gebruikers van de EncroChat telefoons. De rechtbank overweegt met betrekking tot dat punt dat nu de verdenking jegens EncroChat ook betrekking had op de deelnemingsvorm medeplichtigheid, dit noodzakelijkerwijs meebracht dat het onderzoek mede betrekking had op de plegers van de feiten waaraan EncroChat, volgens de verdenking, medeplichtig was. De stelling van de verdediging acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.\n\nVoorafgaand aan de interceptie heeft het onderzoeksteam 26Lemont de (mogelijke) inbreuk op artikel 8 EVRM voorgelegd aan de rechter-commissaris te Rotterdam. De rechter-commissaris heeft de betreffende vordering getoetst en een machtiging als bedoeld in artikel 126uba, eerste lid, Sv verleend. Ook de (gezwarte) machtiging maakt intussen deel uit van de zich in het dossier bevindende stukken. De rechter-commissaris heeft in zijn beslissing, zo blijkt uit de machtiging, een aantal voorwaarden en kaders geformuleerd waaronder en waarbinnen gebruik mag worden gemaakt van de verkregen EncroChat-data. Gelet op ook deze (in dit geval Nederlandse) rechterlijke toets is niet voorshands aannemelijk dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM in de onderhavige strafprocedures van de verdachten in het onderzoek 26Hammond II. Om een volledige beoordeling mogelijk te maken is de rechtbank evenwel van oordeel dat door de rechter-commissaris een proces-verbaal dient te worden opgemaakt waaruit blijkt dat in dit concrete geval (onderzoek 26Hammond II) aan de voorwaarden zoals in de machtiging zijn gesteld, is voldaan. Wanneer dit proces-verbaal wordt ontvangen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor toewijzing van de (andere) onderzoekswensen die betrekking hebben op dit punt.\n\nVerder merkt de rechtbank op dat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten biedt voor de stelling van de verdediging, zoals onder meer door mr. [raadsman 2] tijdens de regiezitting naar voren is gebracht, dat bewust foutieve informatie naar buiten is gebracht door het OM. Dat in de stukken betreffende onderzoek 26Lemont niet steeds met zoveel woorden werd genoemd dat naast het bedrijf EncroChat ook de NN-gebruikers onderwerp waren van het onderzoek, maakt nog niet dat kan worden gesproken van misleiding. Zoals de officier van justitie heeft toegelicht, richtte het onderzoek zich namelijk op de mogelijke medeplichtigheid van EncroChat aan de criminele activiteiten van haar gebruikers. Dit houdt in dat het onderzoek zich ook moest richten op de strafbare feiten die werden gepleegd door die gebruikers, wat ook blijkt uit de inmiddels beschikbare stukken uit 26Lemont. Dat niet in elk proces-verbaal expliciet is benoemd dat het onderzoek was gericht op EncroChat en de NN-gebruikers, maakt niet dat deze processen-verbaal foutief zijn of dat er bewust foutieve informatie naar buiten is gebracht. Ook dit argument van de verdediging volgt de rechtbank daarom niet.\n\nVoor zover is aangevoerd dat als sprake zou zijn van een schending van het recht op privéleven die geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces oplevert, dit nog altijd van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, in het bijzonder met betrekking tot de rechtsgevolgen van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv overweegt de rechtbank het volgende. In het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, met betrekking tot de doorwerking van vormverzuimen, is beslist dat de begrenzing van artikel 359a Sv tot vormverzuimen die zijn begaan bij ‘het voorbereidend onderzoek’ niet uitsluit dat een rechtsgevolg wordt verbonden aan een onrechtmatige handeling die buiten het bereik ligt van artikel 359a Sv, dus (onderzoeks)handelingen die buiten het kader van het voorbereidend onderzoek plaatsvinden. Echter, ook dan geldt onverkort dat het daarbij moet gaan om onrechtmatig handelen ‘jegens de verdachte’. Er is vooralsnog geen begin van aannemelijkheid dat er sprake is van een vormverzuim jegens verdachte(n) in onderzoek 26Lemont dat een rechtsgevolg in de huidige procedure zou moeten hebben.\n\nTen aanzien van Sky ECC\n\nMr. [raadsvrouw 1] heeft aangevoerd dat zij ten aanzien van mogelijke schendingen van artikel 8 EVRM bij de Sky ECC -hack aansluit bij hetgeen hierover is aangevoerd voor de EncroChat data. De rechtbank overweegt dat zij in dit kader aansluit bij de juridische overwegingen als hierboven weergegeven en dat zij in de tot op heden bekend zijnde feiten en omstandigheden ten aanzien van de Sky ECC -hack eveneens geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat er sprake is van een vormverzuim jegens verdachten in onderzoek 26Argus dat een rechtsgevolg in de huidige procedure dient te hebben.\n\nBeslissing op onderzoekswensen\n\nDe rechtbank beslist als volgt over de onderzoekswensen die samenhangen met hetgeen hiervoor is overwogen.\n\nDe rechtbank wijst af:\n\n- onderzoekswens 4, 5 en 6. Het aan het dossier toevoegen van een proces-verbaal opgemaakt door de zaaksofficieren van 26Lemont met betrekking tot de analyse van de informatie met betrekking tot het delen van de data met het onderzoeksteam dat belast is met 26Hammond II, een proces-verbaal over de wijze van opslag van de data en een proces-verbaal met uitleg over welke woordenlijsten en zoeklijsten zijn gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op haar beslissing ten aanzien van onderzoekswens 7 en 8 – de onderbouwing ter zake de noodzakelijkheid hiervan te kort schiet.\n\nDe rechtbank wijst toe:\n\n- onderzoekswens 7 en 8,In zoverre dat aan het dossier (Hammond II, dus in de zaken van alle verdachten) toegevoegd moet worden een proces-verbaal van mr. [naam] , rechter-commissaris te Rotterdam betreffende diens beoordeling of onderzoek 26Hammond II op de lijst stond met strafrechtelijke onderzoeken die aan hem zijn voorgelegd, dan wel of in onderzoek 26Hammond II is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de machtiging ex artikel 126uba.\n\n1.4. Strijd met artikel 6 van het EVRM; verdedigingsrechten\n\nTen aanzien van EncroChat\n\nDe verdediging heeft voorts gesteld dat er geen sprake is van een eerlijk proces nu haar de toegang tot de EncroChat-gegevens wordt ontzegd en het erop lijkt dat het OM bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over het doel van onderzoek 26Lemont.\n\nIn het door het EHRM gehanteerde toetsingskader ten aanzien van de vraag of sprake is van een eerlijk proces, is uiteindelijk beslissend of de procedure in zijn totaliteit, met inachtneming van de vraag op welke wijze het bewijs is verkregen, als eerlijk kan worden aangemerkt. In dit beginstadium van het proces oordeelt de rechtbank slechts over de ingediende onderzoekswensen, maar een beslissing in dit stadium kan mede bepalend zijn voor de te beoordelen ‘overall fairness’. Uit de casuïstiek van de rechtspraak (EHRM Einarsson and Others v. Iceland, 4 juni 2019, § 90-91) blijkt dat onder omstandigheden het onvoldoende toegang verschaffen aan de verdediging tot elektronische data die voor de beoordeling van de strafzaak relevant zijn, op gespannen voet kan staan met het vereiste dat er voldoende ‘time and facilities’ moeten zijn voor de voorbereiding van de verdediging.\n\nUit de rechtspraak blijkt echter ook dat de toegang tot bewijsmateriaal en de gehanteerde onderzoeksmethode niet onbeperkt zijn. Beperkingen zijn mogelijk in het belang van onder meer de nationale veiligheid, het geheimhouden van onderzoeksmethodes van de politie en de bescherming van rechten van derden (onder meer EHRM 19 februari 2009, 3455\u002F05, A. and others v. the United Kingdom § 205).\n\nTen aanzien van Sky ECC\n\nTen aanzien van mogelijke strijd met artikel 6 EVRM bij Sky ECC gegevens heeft mr. [raadsvrouw 1] zich aangesloten bij hetgeen hierover is aangevoerd voor EncroChat gegevens. De rechtbank sluit zich voor wat betreft mogelijke schendingen van artikel 6 EVRM bij de verkrijging en het gebruik van Sky ECC -data eveneens aan bij hetgeen zij in dit kader heeft overwogen ten aanzien van EncroChat.\n\nBeslissing op onderzoekswensen\n\nMr. [raadsman 2] heeft ter zitting verzocht tot verkrijging van de volledige datasets, hetgeen mr. [raadsvrouw 1] ook heeft verzocht bij onderzoekswens 15. De officier van justitie heeft op de terechtzitting toegelicht dat de dataset die specifiek ziet op de (vermeende) communicatie van verdachte, dus berichten die hij zou hebben verzonden of ontvangen, kan worden verstrekt als Excel-bestand, en dat de verdediging inzage in de dataset van onderhavig onderzoek kan verkrijgen middels het Hansken-systeem van het NFI. Hiermee wordt de verdediging voldoende in staat gesteld om de te verdediging op adequate wijze te voeren.\n\nDe rechtbank ziet geen belang voor de verdediging om inzicht te krijgen in de concrete onderzoeksmethodes, terwijl het geheimhouden van deze onderzoeksmethodes van de politie van groot belang is (voor de nationale veiligheid), zodat het verzoek in zoverre wordt afgewezen.\n\nGelet op al het voorgaande worden de verzoeken van de verdediging met betrekking tot EncroChat- en Sky ECC -data afgewezen, behoudens de verzoeken die hiervoor zijn toegewezen en de verzoeken waarop gelet op de verstrekking van stukken door en de toezeggingen van de officier van justitie met betrekking tot het aanleveren van een (op de desbetreffende verdachte toegespitste) dataset in Excelbestand dan wel inzage in de dataset in het Hansken-systeem bij het NFI alsook een afschrift van alle verkeers- en locatiegegevens die zien op de gsm en het EncroChat-account die zijn toegeschreven aan de betreffende verdachte (onderzoekswens 15, 16 en 26) geen beslissing meer behoeft te worden genomen.\n\nOok heeft de officier van justitie toegezegd dat het rapport van het NFI ter zake de betrouwbaarheid van de Sky ECC data (onderzoekswens 17) en het bevel ex artikel 126uba Sv op basis waarvan is binnengedrongen in geautomatiseerd werk en de 149b-machtiging (onderzoekswens 18) aan de betreffende raadslieden -indien gereed- zal worden verstrekt. De rechtbank zal ten aanzien van onderzoekswensen 17 en 18, gelet op de gedane toezeggingen, eveneens geen beslissing nemen.\n\n2. Verzoeken met betrekking tot het Franse onderzoek en de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk\n\nDoor de raadslieden mr. [raadsvrouw 1] , mr. [raadsvrouw 2] en mr. [raadsman 2] zijn verzoeken ingediend die zien op het onderzoek door de Franse autoriteiten, de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk, de JIT-overeenkomsten betreffende EncroChat en Sky ECC , de onderliggende stukken daarvan en de wijze waarop Nederland de data uit de EncroChat- en Sky-hack heeft verkregen. Meer expliciet is gevraagd om verstrekking van alle documenten aangaande de wijze waarop de vergaarde informatie is verzameld en de wettelijke basis daarvan, de JIT-overeenkomsten zelf, alsook de notulen die aan de JIT-overeenkomst betreffende EncroChat ten grondslag liggen. Ook is verzocht om een of meer officieren van justitie die betrokken waren bij de onderzoeken 26Lemont en 26Argus te horen, alsmede politiefunctionarissen uit verschillende landen.\n\nDergelijke verzoeken zijn ook in verschillende andere onderzoeken gedaan. Het OM heeft zich daarbij steeds op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen omdat – kort gezegd – het in het internationale rechtshulpverkeer geldende vertrouwensbeginsel met zich brengt dat er – ook bij het sluiten van een JIT-overeenkomst – vanuit mag worden gegaan dat de informatie die de Frans justitiële autoriteiten binnen de voor hen geldende kaders aan het OM hebben verstrekt, rechtmatig is verkregen. De verzoeken zijn steeds op die grond afgewezen. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om in het kader van het onderzoek 26 Hammond II anders te oordelen. De verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, ook in hetgeen ter terechtzitting van 12 januari 2022 is aangevoerd, thans onvoldoende is onderbouwd waarom aan het vertrouwensbeginsel voorbij moet worden gegaan. Evenmin is er een begin van aannemelijkheid dat de wijze waarop van de resultaten van voornoemd onderzoek in de strafzaak tegen de verdachten gebruik wordt gemaakt, een inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.\n\nTen aanzien van het verzoek tot het horen van een of meer officieren van justitie zoals door mr. [raadsman 2] , [raadsvrouw 1] en [raadsvrouw 2] is verzocht overweegt de rechtbank nog het volgende. Hierbij is door de verdediging onder meer gewezen op de beslissingen inzake onderzoeken 26Del Rio en Goudhaan van respectievelijk 8 juli 2021 en 15 september 2021, waarin het verzoek tot het horen van de officier van justitie LAP0797 is toegewezen. De raadslieden in deze zaak, 26Hammond II, wensen de officieren werkend onder nummers LAP0796, LAP0797 en LAP0798 te horen met betrekking tot de Nederlandse betrokkenheid bij de hackoperatie. Zij hebben verzocht dat, voor zover die verzoeken worden afgewezen, in elk geval het proces-verbaal van het horen van officier van justitie LAP0797 in onderzoeken 26Del Rio en Goudhaan bij de stukken wordt gevoegd.\n\nDe rechtbank overweegt dat er thans onvoldoende aanwijzingen zijn dat de EncroChat-hack onder (mede-)verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden en ervan moet worden uitgegaan dat een en ander in Frankrijk volgens de geldende regelgeving heeft plaatsgevonden. Er is dus geen reden om een of meer officieren van justitie hierover te horen. Tot slot geldt bovendien het uitgangspunt dat de officier van justitie ter terechtzitting tegenover de rechtbank verantwoording kan afleggen over het opsporingsonderzoek. Van dat uitgangspunt wordt slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden en bij dringende noodzaak afgeweken, met name als de gewenste informatie betrekking heeft op wat zich buiten het kader van de reguliere opsporing heeft afgespeeld. Te denken valt aan bijzondere getuigentrajecten, getuigenbescherming en de inwinning van criminele inlichtingen. Daarvan is hier geen sprake. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het verzoek om de officieren van justitie LAP0796, LAP0797 en LAP0798 als getuigen te horen, afwijzen. In het verlengde hiervan ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te gelasten dat het proces-verbaal uit de onderzoeken 26DelRio en Goudhaan bij gereed zijn van het getuigenverhoor aan het onderzoek 26Hammond II moet worden gehecht en wijst zij ook dat verzoek af.\n\nGelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot voeging van de volgende stukken af:\n\nhet JIT contract tussen Nederland en Frankrijk en de notulen van de JIT overleggen of de overleggen die tot JIT hebben geleid;\n\nalle documenten met betrekking tot de Frans-Nederlandse samenwerking;\n\nalle Nederlandse en Franse vorderingen (vertaald) inclusief de bevelen van de officier van justitie, rechterlijke machtigingen en onderliggende processen-verbaal van de politie die zien op de hack;\n\n19. buitenlandse bevelen van de betrokken rechters en officieren van justitie die zien op de aanvragen en afwijzingen met betrekking tot Sky ECC ;\n\n20. de JIT-overeenkomst;\n\n24 de onderliggende Franse rechterlijke beslissingen.\n\nGelet op het voorgaande en aangezien onvoldoende is gebleken dat het horen van de verzochte getuigen van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing, wijst de rechtbank tevens af het verzoek tot horen van de volgende getuigen, gedaan onder onderzoekswens nummer:\n\n9, 27 de officieren van justitie bekend onder LAP0796, LAP0797, LAP0798,\n\nLAP0813, LAP0814 en LAP0832;\n\n10 rechter-commissaris [naam] ;\n\n11 [persoon 1] , Franse politieagent;\n\n12 [persoon 2] , medewerker NCA;\n\n13 [persoon 3] , prosecutor;\n\n14, [persoon 4] , hoofd landelijke recherche.\n\nVoor wat betreft de verzoeken tot het horen van de rechter-commissaris verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen De rechtbank ziet hierin reden om de verzoeken tot het horen van deze getuige af te wijzen.\n\nGelet op de jurisprudentie die ziet op het contact met de rechter-commissaris en beslissingen die de rechter-commissaris heeft genomen en de voorwaarden die daaraan zijn gesteld wijst de rechtbank toe onderzoekswensen 22, 23 en 25in zoverre dat een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin antwoord op deze vragen wordt gegeven, met dien verstande dat dat antwoord zich kan beperken tot hetgeen onderzoek 26Hammond II betreft. De rechtbank zal de officier van justitie verzoeken dit proces-verbaal aan het dossier Hammond II, dus in de zaak van alle verdachten, toe te voegen.\n\nDe noodzaak voor het onderzoek zoals gevraagd onder 21 is de rechtbank onvoldoende gebleken, zodat dit verzoek wordt afgewezen.\n\n3. Verzoeken met betrekking tot het horen van overige getuigen.\n\nVerzoeken ten aanzien van het horen van medeverdachten\n\nIn de zaken van verdachten [verdachte 9] , [verdachte 5] , [verdachte 3] [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn verzoeken gedaan tot het horen van medeverdachten als getuigen. De rechtbank ziet aanleiding om deze verzoeken toe te wijzen. Het betreft het verzoek om getuigen te horen die tevens als verdachten van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11b Opiumwet zijn aangemerkt. Hoewel sommigen van deze verdachten tot op heden niet of zeer beperkt inhoudelijk hebben verklaard, ziet de rechtbank ten aanzien van deze getuigen een verdedigingsbelang. De getuigen zullen telkens worden toegewezen in de zaak waarin zij zijn verzocht.\n\nDe rechtbank wijst toe het verzoek tot horen van de getuigen:\n\n [verdachte 8] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 3] , [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 6] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 7] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 3] , [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 3] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 9] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 2] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 1] ;\n\n [verdachte 1] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 4] , in de zaken [verdachte 5] , [verdachte 2] ;\n\n [getuige 1] , in de zaken [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [getuige 2] , in de zaken [verdachte 1] , [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 5] , in de zaak van [verdachte 2] .\n\nDe rechter-commissaris zal de raadslieden van bovengenoemde verdachten op de hoogte (laten) stellen wanneer de getuigen worden gehoord. De raadslieden dienen vervolgens uiterlijk 7 dagen voorafgaand aan de verhoren aan de rechter-commissaris aan te geven of zij aanwezig zullen zijn.\n\nOok zal de rechter-commissaris voorafgaand aan het horen van deze getuigen bij de verdediging informeren naar de verklaringsbereidheid van deze getuigen.\n\nDe agenda van de rechter-commissaris is bij de planning van de verhoren leidend; indien de raadslieden verhinderd zijn, zullen zij voor vervanging zorg moeten dragen.\n\nDe overige raadslieden zal worden toegestaan als toehoorder bij de verhoren aanwezig te zijn. De bevoegdheid tot het stellen van vragen aan een getuige waarvan het horen niet is toegewezen in de zaak van de verdachte namens wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont, is steeds beperkt tot het geval dat de inhoud van de verklaring van de getuige tijdens het verhoor relevant is voor de uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen in de zaak tegen de verdachte voor wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont. De rechter-commissaris beoordeelt deze relevantie.\n\nTen aanzien van het verzoek van mr. [raadsman 3] namens verdachte [verdachte 4] , te weten het horen van [persoon 5] , wijkagent in Hattem, als getuige.\n\n [persoon 5] heeft verklaard dat er in het verleden meerdere keren panden van [verdachte 4] met daarin hennepkwekerijen zouden zijn opgerold. Verdachte [verdachte 4] betwist met klem de juistheid van die informatie, aldus de raadsvrouw. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een zogeheten ‘rechtmatigheidsgetuige’ (een getuige die kan verklaren over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging of het opsporingsonderzoek). De jurisprudentie vereist dat door de verdediging wordt uiteengezet welke onrechtmatigheid aan de orde zou zijn, welke gevolg dit zou moeten hebben en wat de verzochte getuige daarover zou kunnen verklaren. De rechtbank stelt vast dat dit ontbreekt. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat door de getuige [persoon 5] op 11 januari 2022 omtrent de bewering van [verdachte 4] een aanvullend ambtsedig proces-verbaal is opgemaakt.\n\nGelet hierop wijst de rechtbank het verzoek tot het horen van [persoon 5] af.\n\n4. Overige verzoeken\n\nTen aanzien van de verzoeken van mr. [raadsman 6] namens verdachte [verdachte 8] , te weten verstrekking van alle Spaanstalige OVC- en tapgesprekken van [verdachte 8] , alsmede de verkeersgegevens met betrekking tot gesprekken en berichten van de aan verdachte toegeschreven PGP-telefoons en ten aanzien van het verzoek van mr. [raadsvrouw 3] namens verdachte [verdachte 5] om alle OVC- en tapgesprekken waaraan [verdachte 5] gelinkt wordt aan de verdediging te verstrekken.\n\nDe officier van justitie heeft toegezegd om voornoemde stukken te verstrekken. De officier van justitie en de raadslieden treden nog met elkaar in overleg om te bezien op welke wijze daar invulling aan wordt gegeven.\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van deze verzoeken, gelet op de gedane toezegging, hierover geen beslissing nemen.\n\nTen aanzien van het verzoek van mr. [raadsman 6] namens verdachte [verdachte 8] , mr. [raadsvrouw 4] namens verdachte [verdachte 7] en mr. [raadsman 5] namens verdachte [verdachte 6] , te weten afzonderlijke behandeling van hun zaken van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting.\n\nHoewel het invoelbaar is dat verdachte [verdachte 8] de verschillende zaken waarin hij als verdachte is aangemerkt zoveel mogelijk gelijktijdig of gevoegd ter terechtzitting behandeld wil zien, en verdachten [verdachte 7] en [verdachte 6] zo snel mogelijk duidelijkheid willen hebben, ziet de rechtbank hiertoe onvoldoende aanleiding, gelet op de bezwaren die daartegen uit praktisch en organisatorisch oogpunt bestaan en omdat er onderlinge verwevenheid bestaat tussen de verdachten en de hen ten laste gelegde feiten, zodat afzonderlijke behandeling niet in het belang van het onderzoek is.\n\nGelet hierop wijst de rechtbank de verzoeken tot afzonderlijke behandeling af.\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst toena te noemen personen te horen als getuigen in de zaak van\n\n [verdachte 5] parketnummer 01.993374.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 6] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 2] ;\n\n [verdachte 1] ;\n\n [verdachte 4] ;\n\n [verdachte 3] parketnummer 01.993370.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 1] parketnummer 01.993319.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 6] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 2] ;\n\n [getuige 1] ;\n\n [getuige 2] ;\n\n [verdachte 2] parketnummer 01.993319.20:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 6] ;\n\n [verdachte 7] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n [verdachte 9] ;\n\n [verdachte 1] ;\n\n [getuige 1] ;\n\n [getuige 2] ;\n\n [verdachte 5] ;\n\n [verdachte 4] ;\n\n [verdachte 9] parketnummer 01.993318.21:\n\n [verdachte 8] ;\n\n [verdachte 3] ;\n\n- verwijstvoornoemde zaken naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de hiervoor toegewezen getuigen in de desbetreffende zaken te horen;\n\n- bepaaltdat de overige advocaten als toehoorder aanwezig mogen zijn bij de verschillende verhoren. De bevoegdheid tot het stellen van vragen aan een getuige waarvan het horen niet is toegewezen in de zaak van de verdachte namens wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont, is steeds beperkt tot het geval dat de inhoud van de verklaring van de getuige tijdens het verhoor relevant is voor de uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen in de zaak tegen de verdachte voor wie de raadsvrouw\u002F-man het verhoor bijwoont. De rechter-commissaris beoordeelt deze relevantie;\n\n- draagtde officier van justitie op na te noemen stukken aan het dossier Hammond II toe te voegen:\n\n ten aanzien van EncroChat: een proces-verbaal van de rechter-commissaris mr. [naam] te Rotterdam betreffende diens beoordeling of onderzoek 26Hammond II op de lijst stond met strafrechtelijke onderzoeken die aan hem zijn voorgelegd, dan wel of in onderzoek 26Hammond II is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de machtiging ex artikel 126uba;\n\n ten aanzien van Sky ECC : een proces-verbaal van de rechter(s)-commissaris te Amsterdam betreffende de zoeksleutels en resultaten en het toevoegen van onderzoek 26Hammond II aan de RC-lijst en waarin antwoord wordt gegeven op de vraag of in onderhavig onderzoek aan voorwaarde 6 van de machtiging ex artikel 126uba is voldaan, met dien verstande dat dat antwoord zich kan beperken tot hetgeen onderzoek 26Hammond II betreft.\n\n- wijst afde overige verzoeken voorzover deze niet zijn toegewezen, danwel toegezegd door de officier van justitie, één en ander zoals hiervoor is overwogen.\n\nDit (tussen)beslissing is genomen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. T. Kraniotis en mr. C.M. Zandbergen, leden,\n\nin tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,\n\nen is uitgesproken op 2 februari 2022.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:312","2022-02-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.150Z",20]